Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

4. BELEIDSARTIKELEN

4.1 Financiering Staatsschuld

4.1.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het voorzien in de financieringsbehoeften van de Staat en een effectief en efficiënt beheer van de staatsschuld.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Om de staatsschuld zo goedkoop mogelijk te financieren bij een acceptabel niveau van risico voor de rijksbegroting neemt het ministerie van Financiën het beheer van de staatsschuld en de activiteiten die hieruit voortvloeien voor zijn rekening.

Succesfactoren

Fluctuaties in het renteniveau bepalen mede de rentekosten en het risico op mogelijke mee- of tegenvallers daarin. Door het financieringsbeleid en het risicomanagement wordt geprobeerd dit risico en de omvang van de rentekosten te beperken.

Daarnaast kunnen als gevolg van het algemene budgettaire beleid en de conjunctuur, via het begrotingssaldo, veranderingen optreden in de financieringsbehoeften van de Staat. In het financieringsbeleid wordt door een deel van de schuld te financieren op de geldmarkt getracht een buffer aan te brengen die onverwachte meevallers in de financieringsbehoeften kan opvangen.

4.1.2 Budgettaire gevolgen artikel 1 Financiering Staatsschuld

Tabel 3: Budgettaire gevolgen van beleid art.1 Financiering staatsschuld (x € 1 mln.)1
Algemene beleidsdoelstelling: Het voorzien in de financieringsbehoeften van de Staat en een effectief en efficiënt beheer van de staatsschuld.2003200420052006Realisatie 2007Vastgestelde begroting 2007Verschil 2007
Uitgaven33 93433 99241 68937 24536 31936 416– 97
        
Programma-uitgaven33 92433 97841 67037 23436 30736 395– 88
        
Totaal rentelasten schuld10 1339 8459 6629 3129 3419 434– 93
Rentelasten vaste schuld9 1799 1769 0138 4448 0938 289– 196
Rentelasten vlottende schuld8146545047621 2461 145101
Uitgaven voortijdige beëindiging14114145106202
        
Aflossing vaste schuld23 79118 86426 86227 92226 96626 9615
Mutatie vlottende schuld05 2695 1460000
        
Apparaatuitgaven101419111221– 9
Personeel en materieel6444430
Overige kosten schulduitgifte410157818– 10
        
Ontvangsten36 42633 68032 33725 12627 27725 1662 111
        
Programma-ontvangsten36 42633 68032 33725 12627 27725 1662 110
        
Totaal rentebaten schuld17314119723724715493
Rentebaten vaste schuld1019488136109118– 9
Rentebaten vlottende schuld69471029613836102
Ontvangsten voortijdige beëindiging2075000
        
Uitgifte vaste schuld34 20533 54032 11123 22021 56925 012– 3 443
Mutatie vlottende schuld2 048001 6695 46105 461
        
Openingsbalans00290000

1 Als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

4.1.3 Toelichting tabel budgettaire gevolgen van beleid

De rentelasten zijn het gevolg van de ontwikkeling van de staatsschuld. De staatsschuld is de resultante van de beleidsprioriteiten en de beleidsafwegingen van het kabinet en voorgaande kabinetten. Het toerekenen van de uitgaven en ontvangsten aan de operationele doelstellingen (zie paragraaf 4.1.4) geeft geen extra cijfermatig inzicht en wordt daarom achterwege gelaten.


In de tabel budgettaire gevolgen van beleid worden zowel de rentekosten als de uitgaven en ontvangsten die samenhangen met de uitgifte en aflossing van de schuld verantwoord. Conform Europese voorschriften (ESR 95) worden inkomsten en uitgaven voor de staatsschuld op transactiebasis verantwoord.

Uitgifte vaste schuld en mutatie vlottende schuld

De netto uitstaande schuld op de geldmarkt was ultimo 2007 ca. € 5,5 mld hoger dan ultimo 2006. Dit heeft twee oorzaken. In de eerste plaats is de bufferfunctie van de geldmarkt hersteld door financiering te verschuiven van kapitaalmarkt naar geldmarkt. De uitgifte van de vaste schuld is hierdoor € 3,4 mld lager dan vastgesteld in de begroting. In de tweede plaats bleek in 2007 het overschot op kasbasis lager dan begroot. Deze tegenvaller is eveneens opgevangen in de geldmarkt.

Rentelasten

De rentelasten vaste schuld zijn € 0,2 mld lager dan vastgesteld in de begroting. Hiervan is ca. € 0,15 mld gevolg van de lagere uitgifte van vaste schuld. Ca. € 0,05 mld is het gevolg van een lagere rente dan de rekenrente die is gebruikt in de begroting. Doordat in 2007 meer op de geldmarkt is gefinancierd dan was geraamd in de begroting zijn de rentelasten vlottende schuld € 0,1 mld hoger dan vastgesteld in de begroting. Per saldo resulteert een meevaller van € 0,1 mld in de totale rentelasten van de schuld.

Rentebaten

De rentebaten voor de vlottende schuld zijn € 0,1 mld hoger dan vastgesteld in de begroting. Deze rentebaten bestaan voornamelijk uit een vergoeding over tijdelijk op de geldmarkt uitgezette liquiditeiten als gevolg van positieve schatkistsaldi. In de begroting is uitgegaan van een gemiddeld saldo voor uitgezette liquiditeiten, in de realisatie 2007 was het gemiddeld uitstaande saldo ruim twee keer hoger. Bovendien lag het werkelijke rendement hoger dan de rekenrente. Door deze twee factoren zijn de totale rentebaten fors hoger dan geraamd.

Overige kosten schulduitgifte

De overige kosten voor schulduitgifte zijn lager dan in de begroting is vastgesteld. Deze post bestaat voornamelijk uit kosten voor Dutch Direct Auctions (DDA’s). In de begroting was rekening gehouden met twee DDA’s. In 2007 heeft echter één DDA plaatsgevonden.

4.1.4 Operationele doelstellingen

Operationele doelstelling 1

Lenen van lange gelden tegen zo laag mogelijke kosten binnen een aanvaardbaar risico.

Doelbereiking

Om de staatsschuld zo goedkoop mogelijk te financieren bij een acceptabel niveau van risico voor de rijksbegroting is in de periode 2003–2007 jaarlijks gestreefd naar een basisrisicobedrag van 9% BBP. Het basisrisicobedrag is een ex-ante doelstelling. Dit betekent dat het basisrisicobedrag in enig jaar als het ware wordt klaargezet door het financieringsbeleid in de jaren ervoor. In 2006 is het basisrisicobedrag voor 2007 klaargezet.

Tabel 4: Risicobedrag 2005, 2006 en 2007 (in mld. euro’s)
Prestatie-indicatorRealisatie 2007
Basisrisico van 9% BBP voor de jaren 2003 t/m 2007  Ja
 200520062007
Herfinanciering kapitaalmarkt24,825,727,0
Geldmarktportefeuille17,412,314,0
Swappportefeuille– 0,14,07,6
Basisrisicobedrag42,142,048,6
Basisrisicobedrag in % BBP19%8%9%

1 BBP uit Macro Economische Verkenning 2005, 2006 en 2007, CPB.


In 2007 is een nieuw risicokader voor de periode 2008–2011 vastgesteld. Met ingang van 2008 wordt gewerkt met een benchmark voor de staatsschuld. Dit draagt bij aan een transparante verantwoording doordat prestaties van het Agentschap in termen van kosten en risico kunnen worden vergeleken met die van de benchmark. Het schuldbeleid wordt nog iets efficiënter ingericht door te sturen op een gecentreerde portefeuille. Dit is een portefeuille die gekenmerkt wordt door een gelijkmatig aflosprofiel dat in stand gehouden kan worden door voortdurend in één en dezelfde looptijd leningen uit te geven. De benchmark voor 2008–2011 is een 7-jaars gecentreerde portefeuille (Kamerstuk 31 273, nr. 1, vergaderjaar 2007–2008).


De benchmark schrijft precies voor hoe en tegen welk rendement in theorie zou moeten worden gefinancierd. In praktijk zal de financiering afwijken van wat de benchmark voortschrijft. De jaarlijkse uitgifte bestaat uit een combinatie van DSLs, DTCs, CP en deposito’s, met een focus op geldmarkt en een 3- en 10-jaars lening. Elke keuze zal resulteren in een afwijking van de benchmark; met gevolgen voor de kosten en het risico. Het renterisico van de staatsschuldportefeuille wordt mede bepaald door de looptijd van staatsleningen waarin wordt uitgegeven. Renteswaps kunnen worden ingezet om dit renterisico bij te sturen.


Het risicoprofiel van de staatsschuldportefeuille inclusief swaps kwam ultimo 2006 niet overeen met dat van een 7-jaars gecentreerde portefeuille. Door het afsluiten van swaps in de tweede helft van 2007 is het risicoprofiel bijgestuurd zodat ultimo 2007 het risicoprofiel van de staatsschuldportefeuille inclusief swaps gelijk is aan dat van een 7-jaars gecentreerde portefeuille (zie figuur).

Figuur 1: Risicoprofiel van de staatsschuld per ultimo 2006 en ultimo 2007 (in mld. euro’s)1



kst115820_03.gif

1 Het risicoprofiel is de omvang van de schuld waarvoor in enig jaar de rente opnieuw moet worden vastgesteld.

Instrumenten/activiteiten

In 2007 zijn er € 58,1 mld receiverwaps en € 75,8 mld payerswaps afgesloten om het risicoprofiel van de staatsschuld bij te sturen tot dat van een 7-jaars gecentreerde portefeuille. Payerswaps zijn swaps waarbij de Staat een vaste rente betaalt en een variabele rente ontvangt. Bij receiverswaps betaalt de Staat een variabele en ontvangt een vaste rente. De swapportefeuille per ultimo 2007 bestaat uit € 82,8 mld receiverswaps en € 92,9 mld payerswaps. In 2007 bedroegen de rentebaten op de swapportefeuille € 109 mln.


In 2007 is een nieuwe 10-jaars lening uitgegeven. Door heropeningen is eind 2007 de omvang van de lening gestegen tot € 12,2 mld. Daarnaast is de 3-jaars lening die is geïntroduceerd in 2006 in 2007 nogmaals heropend en is de totale omvang van de lening opgehoogd met € 3,3 mld naar € 10,8 mld. Ook is de oude 10-jaars lening uit 2002 door heropening opgehoogd met € 1,9 mld naar € 12,4 mld. Tot slot is de 30-jaars lening uit 2005 door twee heropeningen verhoogd met € 4,2 mld naar ruim € 12 mld.

Operationele doelstelling 2

Lenen en uitlenen van korte gelden tegen zo laag mogelijke kosten respectievelijk zo hoog mogelijke opbrengsten binnen een aanvaardbaar risico.

Doelbereiking

Om ervoor te zorgen dat het kastekort of kasoverschot op dagbasis op een efficiënte wijze wordt geleend respectievelijk wordt uitgezet in de geldmarkt.

Het lenen en uitlenen van korte gelden op de geldmarkt vormt een regulier onderdeel van het financieringsbeleid. Daarnaast kan in de geldmarkt het verschil in kasstromen rond uitgifte en aflossing van staatsleningen op de kapitaalmarkt worden opgevangen en dient de geldmarkt als buffer.

Instrumenten/activiteiten

In 2007 is voor € 69,5 mld aan nieuwe DTC’s uitgegeven in looptijden variërend van 3 tot 12 maanden. Er is € 66,6 mld aan DTC’s afgelost. Daarnaast is het bedrag aan opgenomen deposito’s toegenomen. Voor 1 dag tot maximaal 1 maand wordt geld geleend respectievelijk uitgezet bij marktpartijen in de geldmarkt (deposito’s). Bij het uitzetten van geld worden procedures ter beperking van het kredietrisico gebruikt. Deze zijn in 2007 aangescherpt naar aanleiding van de kredietcrisis.


Medio 2007 is Commercial Paper (CP) geïntroduceerd. CP verbreedt het geldmarktinstrumentarium met flexibele looptijden van 1 week tot 3 maanden. Hierdoor kan beter worden ingespeeld op de korte termijn financieringsbehoefte en de schommelingen daarin. Naar verwachting zal de noodzaak tot het uitzetten van geld verminderen. CP leidt daardoor tot beperking van het kredietrisico en tot kostenbesparing. In 2007 is € 5,0 mld aan CP in euro’s uitgegeven en afgelost.


CP kan ook in vreemde valuta worden uitgegeven. Hierdoor kunnen nieuwe groepen beleggers bereikt worden en kan geprofiteerd worden van verschillen in swapspreads. Bij de uitgifte van CP in vreemde valuta wordt het valutarisico volledig afgedekt met valutaswaps. In 2007 is USD 1,2 mld (€ 0,8 mld) en GBP 0,2 mld (€ 0,3 mld) aan CP in vreemde valuta uitgegeven en afgelost.


EONIA swaps worden gebruikt om het renterisico van de geldmarktportefeuille bij te sturen.


Sinds 2002 werkt de Staat voor financiering op de geldmarkt met een benchmark, die bestaat uit financiering van de geldmarktportefeuille tegen het daggeldtarief (EONIA). Deze benchmark zou gemiddeld genomen, over een periode van vier jaar, een besparing opleveren ten opzichte van het oude beleid (uitgifte van geldmarktleningen met een looptijd tot 1 jaar). Van jaar op jaar hoeft van een besparing geen sprake te zijn. In 2007 is de benchmark voor de geldmarkt geëvalueerd (Kamerstuk 30 800 IXA, nr. 6, vergaderjaar 2006–2007).

Tabel 5: Resultaten geldmarktbenchmark 2002 tot en met 2007 (in mln. euro’s)
Prestatie-indicatorRealisatie 2007 
Voor het meten van prestaties in de geldmarkt wordt gebruik gemaakt van een benchmarkJa 
 200220032004200520062007Cumulatief
Resultaat EONIA-benchmark t.o.v. oude beleid29,617,0– 2,6– 17,3– 25,6– 9,1– 8,0
Outperformance t.o.v. benchmark2,711,98,212,021,030,486,2
Totaal resultaat32,328,95,6– 5,3– 4,621,378,2

Het resultaat kan worden uitgesplitst naar het resultaat van de benchmark ten opzichte van het oude beleid en de outperformance van de benchmark. Dit laatste geeft onder meer aan hoeveel is bespaard door op de geldmarkt niet met daggelddeposito’s, maar met een combinatie van DTC’s en EONIA swaps te financieren. Overigens maakt ook een beperkte positiename van de dealers op de geldmarkt onderdeel uit van de outperformance. Cumulatief is over de afgelopen jaren het resultaat positief geweest: € 78,2 mln. Van jaar op jaar kunnen de resultaten fluctueren.


Het totale resultaat voor 2007 is € 21,3 mln. Dit is opgebouwd uit de netto gerealiseerde rentelasten en de verandering in de marktwaarde van de swapportefeuille. Op de EONIA swaps zijn netto rentebaten gerealiseerd in 2007. Deze bedroegen € 9,5 mln.

Operationele doelstelling 3

Bevordering van distributie, promotie, verhandelbaarheid en liquiditeit van staatsleningen.

Doelbereiking

Om voor beleggers de aantrekkelijkheid van Nederlandse staatsleningen te vergroten, hetgeen bijdraagt aan het realiseren van lage rentekosten.

Instrumenten/activiteiten

Primary Dealers en Single Market Specialists leveren een bijdrage aan de promotie en de primaire afname van DSL’s en DTC’s. Daarnaast zijn Primary Dealers en Single Market Specialists verantwoordelijk voor het onderhouden van een secundaire markt.


Om de rol van de eindbelegger bij de primaire uitgifte van DSL’s te vergroten, maakt de Staat gebruik van de Dutch Direct Auction (DDA). In 2007 is een nieuwe 10-jaars lening geïntroduceerd met behulp van een DDA. Als voorbereiding op de DDA is er contact gezocht met beleggers door roadshows en presentaties.


Daarnaast zijn beleggers en overige geïnteresseerden geïnformeerd over het financieringsbeleid en de producten die in dat kader worden uitgegeven door middel van een jaarbericht en kwartaalberichten. Actuele informatie wordt gepresenteerd op het internet (www.dsta.nl)


Om de liquiditeit van staatsleningen te bevorderen, wordt voor nieuwe leningen gestreefd naar een minimale omvang van € 10 mld per lening. In 2007 hebben door heropening de nieuwe 10-jaars lening, de oude 3-jaars lening uit 2006 en de 2037 lening die is geïntroduceerd in 2005 een omvang groter dan € 10 mld bereikt.


Om de liquiditeit te bevorderen is er een inkoopfaciliteit voor oude leningen met een zeer laag uitstaand volume. Door in te kopen daalt de resterende schuld die uitstaat in kleine en relatief illiquide leningen en kan er meer worden uitgegeven in nieuwe leningen met een omvang van ten minste € 10 mld. In 2007 is er € 17 mln vervroegd afgelost. Ondertussen zijn de meeste oude leningen met laag uitstaand volume afgelost. Hierdoor is per ultimo 2007 ca. 95% van de langlopende staatsschuld geconcentreerd in leningen met een minimale omvang van € 10 mld.

Tabel 6: Prestatiegegevens
Prestatie-indicator   Realisatie 2007
Meer dan 90% van de langlopende staatsschuld in leningen met een minimale omvang van € 10 mldJa
Indicator20052006Streefwaarde 2007Realisatie 2007
Het percentage van de langlopende staatsschuld in leningen groter dan € 10 mld.87%89%90%95%

4.1.5 Overzicht afgeronde onderzoeken

Type onderzoekOnderzoek onderwerpAD of OD4StartAfgerondVindplaats
BeleidsdoorlichtingBeleidsdoorlichting1AD20072007www.minfin.nl/nl/actueel
Effectenonderzoek ex-post     
Overig evaluatie onderzoek– Herijking risicomanagement2– Evaluatie geldmarktbenchmark3OD 1OD 22006200620072007www.dsta.nlwww.dsta.nl

1 Kamerstuk 2007–2008, 31 273, nr. 1, Tweede Kamer (AGT 2007–868 M, d.d. 22 oktober 2007)

2 Tevens bijlage bij beleidsdoorlichting

3 Kamerstuk 2006–2007, 30 800 IXA, nr. 6, Tweede Kamer (AGT 2007–298 M, d.d. 3 april 2007)

4 AD = algemene beleidsdoelstelling, OD = operationele beleidsdoelstelling


Het voor 2007 geplande onderzoek naar de mogelijkheid van een benchmark voor de kapitaalmarkt maakt onderdeel uit van de herijking van het risicomanagement. In 2007 is er geen effectenonderzoek ex-post gestart of afgerond.

4.2 Kasbeheer

4.2.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het optimaliseren van het kasbeheer van het Rijk en van de instellingen, die aan de schatkist zijn gelieerd.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De doelstelling wordt bereikt door geldstromen te bundelen en het aanbieden van een infrastructuur waarmee het betalingsverkeer van het Rijk en van de instellingen, die aan de schatkist zijn gelieerd, zo efficiënt mogelijk wordt afgewikkeld. Belangrijkste oogmerk hierbij is het voorkomen van financiële risico’s bij het beheer van publieke geldstromen en het doelmatig beheren van publieke middelen.


De algemene doelstelling is vertaald naar een aantal operationele doelstellingen, die in 2007 gedeeltelijk zijn gerealiseerd. De operationele doelstellingen worden in paragraaf 4.2.4 nader toegelicht.

Succesfactoren

Het behalen van bovenstaande doelstelling hangt af van:

– Het onderkennen van de voordelen van geïntegreerd middelenbeheer door daarvoor in aanmerking komende instellingen;

– De kwaliteit van de dienstverlening van het commerciële bankwezen ter afhandeling van het betalingsverkeer van de rijksoverheid.

4.2.2 Budgettaire gevolgen artikel 2 Kasbeheer

Tabel 7: Budgettaire gevolgen van beleid art.2 Kasbeheer (x € 1 mln.)1
Algemene beleidsdoelstelling:Het kasbeheer van het Rijk en van de instellingen, die aan de schatkist zijn gelieerd, optimaliseren.2003200420052006Realisatie 2007Vastgestelde begroting 2007Verschil 2007
Uitgaven3 6082 3972 8393 6254 0284 365– 337
Programma-uitgaven3 6072 3962 8383 6234 0264 364– 338
        
Rentelasten1 3991 5701 8362 1342 4852 303182
Verstrekte leningen1 3358261 0011 3791 2101 337– 127
Mutaties in rekening-courant en deposito’s287300110330724– 394
Uitgaven bij voortijdige beëindiging0010000
        
Apparaatuitgaven1112210
        
Ontvangsten6392 2492 9611 0461 1981 085113
Programma-ontvangsten6392 2492 9611 0461 1981 085113
Rentebaten357399485464462469– 7
Ontvangen aflossingen281562472579736616120
Mutaties in rekening-courant en deposito’s201 2881 9970000
Ontvangsten bij voortijdige beëindiging1073000

1 Als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

2 De posten uitgaven mutaties in rekening-courant en deposito’s en ontvangsten mutaties in rekening-courant en deposito’s zijn gesaldeerd weergegeven.

4.2.3 Toelichting tabel budgettaire gevolgen van beleid

Omdat het toerekenen van de uitgaven en ontvangsten aan de operationele doelstellingen (zie paragraaf 4.2.4) geen extra cijfermatig inzicht geeft, wordt dit onderdeel van het beleidsartikel achterwege gelaten.

Rentelasten

De rentelasten zijn € 0,2 mld hoger dan begroot, omdat de korte rente in 2007 hoger was dan begroot. De rentelasten worden voor een groot deel bepaald door de rentevergoedingen op rekening courant tegoeden en kortlopende deposito’s.

Verstrekte leningen en ontvangen aflossingen

De nieuw verstrekte leningen zijn € 0,1 mld lager dan begroot. De aflossingen zijn € 0,1 mld hoger dan begroot.

Mutaties in rekening-courant en deposito’s

De saldi van de rekening-courant en deposito’s zijn gedaald. De daling is € 0,4 mld kleiner dan in de begroting is geraamd. De belangrijkste oorzaak hiervoor is de toename van de rekening courant saldi van de sociale fondsen. In de begroting was uitgegaan van een afname van de saldi.

4.2.4 Operationele doelstellingen

Operationele doelstelling 1

Het kasbeheer van de rijksoverheid en de aan haar gelieerde instellingen doelmatig inrichten.

Doelbereiking

Om publieke middelen risicoloos en met zo laag mogelijke rentelasten te beheren.

Instrumenten/activiteiten

• De verplichting tot het in de schatkist aanhouden van de middelen van Rijk, baten-lastendiensten, sociale fondsen en een deel van de RWT’s;

• Het via centrale financiering voorzien in de leenbehoefte van aan geïntegreerd middelenbeheer deelnemende instellingen;

• Het begeleiden en adviseren van de deelnemende instellingen.

Tabel 8: Prestatiegegevens
Prestatie-indicatorRealisatie 2007  
• Het aantal aan geïntegreerd middelenbeheer deelnemende RWT’sNee1  
• Het kwantitatieve voordeel van de deelname voor het RijkJa1  
• Het kwantitatieve voordeel van de deelname voor de RWT’sNee1  
IndicatorRealisatie 20052006Streefwaarde 2007Realisatie 2007
Aandeel deelnemende RWT’s95110155122
Voordeel Rijk (x € 1mln.):    
– jaarlijks4924317
– cumulatief1902142172231
Voordeel RWT’s (x € 1mln.):    
– jaarlijks54677057
– cumulatief1762433132300

1 Voor toelichting zie tekst onder de tabel.

2 Cumulatieve streefwaarde is aangepast aan de realisaties van 2006 (die waren bij de opstelling van de begroting nog niet bekend).


Het aantal aan geïntegreerd middelenbeheer deelnemende RWT’s is uitgekomen op 122: 97 verplichte deelnemers en 25 vrijwillige deelnemers (alle onderwijsinstellingen). De streefwaarde van 155 is hiermee niet gehaald. Hiervoor zijn twee oorzaken aan te wijzen. De eerste oorzaak betreft de lagere realisatie in 2006. In het begin van 2007 bedroeg het aantal deelnemers hierdoor geen 125 (zoals ingeschat in de begroting), maar 110. Daarnaast speelt mee dat er in 2007 veel verloop bij de afdeling Centraal Kasbeleid was. Deze afdeling is verantwoordelijk voor het accountmanagement van de RWT’s.

Verder is van belang dat met 17 gemeenten (niet meegeteld als RWT) afspraken zijn gemaakt over het project spoorse doorsnijdingen. De subsidies die gemeenten krijgen ten behoeve van dit project worden aangehouden in de schatkist.


Het voordeel voor de RWT’s en het Rijk wordt berekend met behulp van aannames en realisaties.

Voordeel voor de RWT’s

De Staat vergoedt interbancaire tarieven zonder op- of afslagen. De RWT’s hebben daarom voordeel bij de rente-vergoedingen op aangehouden rekening-courant tegoeden en ingelegde depositobedragen. Uitgegaan wordt van een voordeel voor de RWT’s van 1,0% van het rekening-courant tegoed en 0,5% voordeel van de deposito-inleg. Er is ook voordeel voor RWT’s bij leningen. De RWT’s profiteren van de voordelige tarieven waartegen de Staat zelf kan lenen, omdat de Staat de tarieven hanteert waartegen zij zelf leent. Dit geeft een voordeel voor RWT’s op het leenbedrag van 0,8%.

Uitgaande van bovenstaande veronderstellingen en de gerealiseerde tegoeden en leningen komt het voordeel voor de RWT’s uit op € 57 mln. Begroot werd een bedrag van € 70 mln. Het verschil van € 13 mln wordt veroorzaakt doordat er minder deelnemers zijn en minder inleg in de schatkist is dan begroot.

Voordeel voor het Rijk

Het voordeel voor het Rijk wordt berekend als een saldo van twee effecten. Dankzij de inbreng van middelen door de RWT’s hoeft het Rijk minder te lenen. Hier staat tegenover dat het Rijk een vergoeding geeft voor de inbreng. Per saldo ontstaat er winst voor het Rijk, omdat het Rijk veelal langlopende leningen afsluit en de tegoeden meer kortlopend zijn. Het voordeel vanwege de lagere leenbehoefte van het Rijk wordt berekend met behulp van een jaargangenmodel. De jaarlijkse inbreng van de RWT’s wordt gewaardeerd tegen de gemiddelde rentetarieven van de nieuwe staatsleningen in dat jaar. Optelling van de opgebouwde jaareffecten geeft een benadering van de baten van de lagere financieringsbehoefte als gevolg van het geïntegreerd middelenbeheer.

Het voordeel voor het Rijk is gelijk aan de opbrengsten (volgens het model) verminderd met het saldo van de gerealiseerde rente-uitgaven (vanwege rekening courant en deposito’s) en rente-ontvangsten (vanwege verstrekte leningen).

Het voordeel voor het Rijk komt dit jaar uit op € 17 mln. Dit is hoger dan begroot. Het verschil wordt onder meer veroorzaakt door aanpassing van het model. De aanpassing is nodig, omdat het oorspronkelijke model de baten van de lagere financieringsbehoefte onderschat.


In de komende evaluatie (gepland in 2008) van het geïntegreerd middelenbeheer zullen de gehanteerde veronderstellingen aan de orde komen. Ook het jaargangenmodel zal verder ontwikkeld worden.

Operationele doelstelling 2

Het betalingsverkeer van het Rijk betrouwbaar en efficiënt afwikkelen.

Doelbereiking

Om de kwaliteit van de dienstverlening bij het uitvoeren van het betalingsverkeer van het Rijk en de aanvaardbaarheid van de daaraan verbonden kosten te waarborgen.

Instrumenten/activiteiten

Regelmatig lopende contracten betalingsverkeer evalueren en opnieuw aanbesteden.

Toelichting instrumenten/activiteiten

Er worden twee prestatie-indicatoren gepresenteerd die een indicatie geven over de doelmatigheid waarmee het betalingsverkeer van de rijksoverheid wordt afgewikkeld:


1. Gemiddeld stukstarief: gerealiseerd gemiddeld stukstarief van de binnenlandse betalingen van de rijksoverheid. Het gemiddeld stukstarief heeft betrekking op de – qua aantallen – belangrijkste binnenlandse betaalproducten van de rijksoverheid: acceptgiro’s, incasso’s, gewone overschrijvingen en verzameloverschrijvingen.

2. Stukstarief als percentage van het markttarief: gemiddeld stukstarief van de binnenlandse betalingen van de rijksoverheid als percentage van het gemiddelde markttarief. Voor de berekening van het gemiddeld markttarief (het ijkpunt) wordt uitgegaan van de officiële zakelijke tarieven van vier grote banken (ING-Bank, Postbank, Rabobank, ABN AMRO Bank).


De realisatie van het gemiddeld stukstarief in 2007 bedroeg 3,0 eurocent. Dit blijkt neer te komen op 36% van het vergelijkbare markttarief. Hiermee zijn de streefwaarden gehaald.

Tabel 9: Prestatiegegevens
Prestatie-indicatorRealisatie 2007 
• gemiddeld stukstarief van de binnenlandse betalingen van de rijksoverheidJa 
• gemiddeld stukstarief van de binnenlandse betalingen van de rijksoverheid als percentage van het gemiddeld markttariefJa 
IndicatorRealisatie20052006Streefwaarde 2007*Realisatie 2007 
Gemiddeld stukstarief:      
– absoluut (in eurocenten) 4,33,03,03,0 
– als % van het markttarief 54373736 

* de streefwaarden zijn aangepast (van 4,1 naar 3,0 en van 52% naar 37%) op grond van de realisaties in 2006

4.2.5 Overzicht afgeronde onderzoeken

Type onderzoekOnderzoek onderwerpAD of OD1StartAfgerondVindplaats
Beleidsdoorlichting     
Effectenonderzoek ex-post     
Overig evaluatie onderzoekAccountmanagementOD 120082008 

1 AD = algemene beleidsdoelstelling, OD = operationele beleidsdoelstelling


Het voor 2007 geplande organisatieonderzoek dienstverlening/accountmanagement is naar 2008 doorgeschoven en zal onderdeel uitmaken van de evaluatie van het schatkistbankieren. In 2007 zijn er geen beleidsdoorlichtingen en effectenonderzoeken ex-post gestart of afgerond.