Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Verantwoordingsbrief 2007

31472 1 Brief van de minister president, minister van algemene zaken

Vergaderjaar 2007-2008

Nr. 1

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


Den Haag, 21 mei 2008


«Samen werken, samen leven»: onder dit motto uit het Coalitieakkoord werkt het kabinet aan een sterk Nederland waarin we geen talent onbenut willen laten. Door de collectieve kracht van Nederland aan te grijpen wil het kabinet een blijvende basis leggen voor een welvarende toekomst in een snel veranderende wereld. Het kabinet heeft deze ambitie uitgewerkt in het Coalitieakkoord. In het Beleidsprogramma zijn 74 concrete beleidsdoelen en tien projecten gedefinieerd om deze ambities te verwezenlijken. Deze beleidsdoelen en projecten zijn gedurende de regeerperiode leidend voor het werk van het kabinet en daarover wil het kabinet jaarlijks in uw Kamer verantwoording afleggen.


In het eerste jaar van een kabinetsperiode komt het er op aan het beleid voortvarend in de steigers te zetten. Het kabinet heeft besluiten genomen en de uitvoering van het Beleidsprogramma ter hand genomen. Consequent doorwerken op deze weg is nu de opdracht die het kabinet zichzelf stelt. De 74 concrete beleidsdoelen en tien projecten waren en blijven leidend. Die standvastige lijn zal vruchten afwerpen voor nu én voor toekomstige generaties.


Deze eerste Verantwoordingsbrief is als volgt opgebouwd: eerst treft u een korte toelichting aan op de verantwoordingssystematiek. Vervolgens wordt de bestuurlijke aanpak en beleidsfilosofie van het kabinet toegelicht. Daarna wordt – op verzoek van uw Kamer – dit jaar ingegaan op een drietal hoofdthema’s van beleid, te weten duurzaamheid, dynamiek en ondernemerschap en respect. Vervolgens vindt u een overzicht van de voortgang van de tien projecten. Tot slot is een evaluatie opgenomen van de werkwijze met pijlers, projecten en programmaministers. Hiermee geeft het kabinet tevens uitvoering aan de toezegging gedaan in de Eerste Kamer tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 16 oktober 2007.

1. Verantwoordingssystematiek

Op 22 februari 2007 werd het huidige kabinet door Hare Majesteit de Koningin beëdigd. Het kabinet is met ambitie gaan regeren. De ambities zijn verwoord in Coalitieakkoord en Beleidsprogramma. Op basis daarvan wil het kabinet bijdragen aan een samenleving waarin mensen met elkaar verbonden zijn, waarin ieder zijn talenten kan ontplooien en waarin mensen samen vorm geven aan de toekomst. In termen van het begrotingsproces staat het kabinet nog aan het begin van het onderdeel «beleidsverantwoording». Terugblikkend op 2007 presenteert het kabinet met de Verantwoordingsstukken een overzicht van de stappen die vanaf februari 2007 zijn gezet om de 74 doelstellingen te realiseren.


De begroting van het jaar 2007 is ingediend door het vorige kabinet. Het Coalitieakkoord van het kabinet Balkenende IV is in het Beleidsprogramma 2007–2011 uitgewerkt. Het perspectief van dit programma reikt op onderdelen verder dan 2011. De budgettaire verwerking heeft in de Miljoenennota en begrotingshoofdstukken 2008 plaatsgehad. Het kabinet heeft de uitvoering van het Beleidprogramma lopende het begrotingsjaar 2007 ter hand genomen. In de afzonderlijke departementale beleidsverslagen 2007 is daarom, naast de reguliere verantwoording over de beleidsagenda’s 2007, aandacht besteed aan de 74 doelstellingen en de tien projecten uit het Beleidsprogramma. In de jaarverslagen over 2008 zal meer uniformiteit in de verantwoording ten aanzien van het Beleidsprogramma worden gebracht. De begrotingscyclus van 2009 zal de eerste cyclus zijn waarbij de doelstellingen volledig in de systematiek zijn opgenomen.


In overleg met uw Kamer en de Algemene Rekenkamer is besloten een experiment uit te voeren met de jaarverslagen van drie ministeries, te weten de ministeries van BZ, VWS en LNV (vanaf 2009 ook VROM/WWI). Doel hiervan is de focus en politieke relevantie van de jaarverslagen te vergroten en daarmee de kwaliteit en bruikbaarheid van de verantwoordingsinformatie. Hoewel het Beleidsprogramma geformuleerd is in de vorm van eindtermen (wat willen we in 2011 hebben bereikt?) geeft het kabinet jaarlijks een tussenstand. Het kabinet beseft dat de kwaliteit van de verantwoordings- en beleidsinformatie gebaat is bij de uitwerking van de 74 doelstellingen uit het Beleidsprogramma in zo concreet mogelijke effecten en prestaties. Dit is een groeiproces waaraan thans voor de eerste keer invulling wordt gegeven. Van de kant van het kabinet worden de beleidsverslagen en het Financieel Jaarverslag Rijk vanaf dit jaar aangevuld met een algemene verantwoordingsbrief. Hiermee hoopt het kabinet bij te dragen aan een politiek relevant en aansprekend debat met de Tweede Kamer over de verantwoordingsstukken, die traditiegetrouw op de derde woensdag in mei aan uw Kamer worden aangeboden. Deze brief is geen samenvatting van de afzonderlijke departementale jaarverslagen, maar vindt zijn meerwaarde in de politiek-bestuurlijke focus op de voortgang van de prioriteiten uit het Beleidsprogramma.

2. Uitvoering Beleidsprogramma

a. Bestuurlijke aanpak en beleidsfilosofie van het kabinet

Wie samen wil werken en de collectieve kracht in de samenleving wil mobiliseren, moet bereid zijn te luisteren. Dit kabinet heeft ervoor gekozen nadrukkelijk ruimte te creëren voor burgers en professionals. Draagvlak voor beleid bestaat in onze tijd niet meer zonder dialoog. In het eerste regeringsjaar heeft het kabinet geïnvesteerd in het overleg met mensen en organisaties. Door de dialoog met de samenleving aan te gaan, is vorm gegeven aan het Beleidsprogramma en is de samenleving betrokken bij het beleid en de ambities van dit kabinet.


In de uitwerking van het Beleidsprogramma na Prinsjesdag 2007 speelt samenwerking een grote rol. De beoogde maatschappelijke doelen en effecten komen tot stand in coalities met derden. Medeoverheden, maatschappelijke instellingen en organisaties, onderwijsinstellingen, woningbouwcorporaties, bedrijfsleven, werk-gevers en werknemers zijn allen betrokken bij het vormgeven en uitvoeren van onze beleidsvoornemens. De voortdurende dialoog kan leiden tot verbetering, verdieping of vernieuwing van inzichten. Een eerste jaar geeft een kabinet doorgaans aanzetten in de vorm van nota’s, plannen en wetgeving. De relatie tussen deze exercities en de gewenste maatschappelijke effecten zal de komende tijd een punt van voortdurende aandacht zijn van het kabinet. Het kabinet wil immers leveren wat het heeft beloofd. Bijzonder punt van zorg daarbij zijn uitvoering van beleid en de kwaliteit van uitvoeringsorganisaties.


Het resultaat van de dialoog met de samenleving in de eerste 100 dagen van het kabinet was instrumenteel in het vormgeven van het Beleidsprogramma. Het debat met de samenleving heeft vervolgens binnen de diverse beleidsterreinen verder vorm gekregen. Op meerdere beleidsterreinen worden burgers en maatschappelijke organisaties actief bij planvorming en -uitvoering betrokken en gecommitteerd, bijvoorbeeld bij de projecten «Randstad Urgent» en «De Millennium Ontwikkelingsdoelen Dichterbij». Het kabinet bevordert op deze manier verbindingen in en met de samenleving. Dat is niet altijd gemakkelijk en legt vaak verschillen van inzicht bloot. Het kabinet is daarbij bereid om knopen door te hakken. Draagvlak kan niet zonder dialoog, maar draagvlak kan ook niet zonder daadkracht. Deze aanpak en filosofie illustreren we met enkele voorbeelden:


Betrokkenheid van deskundigen

Tijdens de jaarwisseling 2007–2008 is het op diverse plaatsen in het land onrustig geweest, met brandstichting, agressie tegen hulpverleners en vandalisme. De ernst van de situatie verschilde tijdens oudejaarsnacht sterk per woonkern. Gelet op de maatschappelijke impact, is een Taskforce ingericht met als opdracht om – op basis van een inventarisatie en analyse van de bestaande en geëvalueerde praktijkvoorbeelden binnen gemeenten en politiekorpsen – te komen met aanbevelingen voor een adequate aanpak. De Taskforce staat onder leiding van de heer de Graaf, burgemeester van Nijmegen en korpsbeheerder van de politie Gelderland-Zuid.


Vermindering regeldruk voor burgers

Het kabinet zet deze periode sterk in op vermindering van regeldruk voor burgers. De dialoog hierover wordt gevoerd met panels en via een meldpunt. Dit meldpunt, waar mensen hun klachten over dienstverlening en administratieve lasten vanuit de overheid kwijt kunnen, is inmiddels enkele jaren operationeel. Sinds de start zijn in totaal ruim 2 500 meldingen binnen gekomen. Ongeveer 25% hiervan betreft meldingen over administratieve lasten en 15% van de meldingen heeft betrekking op de dienstverleningskwaliteit. In 2007 kon 60% van de meldingen worden opgelost en zijn de administratieve lasten met 10% gedaald. Met behulp van panels is een laatste invulling gegeven aan knelpunten die burgers, professionals en medeoverheden ervaren en waar verbeteringen moeten worden doorgevoerd. De dialoog houdt niet op bij het in kaart brengen van de knelpunten. Met behulp van de panels wordt de vinger aan de pols gehouden of de knelpunten ook daadwerkelijk adequaat opgelost worden en of er geen nieuwe knelpunten moeten worden aangepakt. Een concreet voorbeeld van een moderne en «dienstbare» overheid betreft het opheffen van de rompslomp rond het doen van aangifte bij de burgerlijke stand. Binnenkort wordt het mogelijk om elektronisch aangifte te doen van een geboorte, sterfgeval, huwelijk of geregistreerd partnerschap. Ook wil het kabinet het nog in deze kabinetsperiode mogelijk maken dat bij huwelijksaangifte geen stukken als een geboorte-uittreksel meer overlegd hoeven te worden. Daartoe zullen de elektronische burgerlijke stand en de gemeentelijke basisadministratie (GBA) op elkaar worden afgestemd.


Interbestuurlijke betrekkingen: bestuursakkoord VNG, decentralisatie naar provincies

Uitgangspunt van het kabinet is «decentraal wat kan, centraal wat moet». Over een gezamenlijke aanpak van maatschappelijke problemen hebben Rijk en gemeenten samen afspraken gemaakt. Deze zijn vastgelegd in een bestuursakkoord «Samen aan de slag» dat in 2007 is gesloten tussen de minister van BZK en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Het akkoord gaat ervan uit dat krachtige gemeenten de basis vormen van een slagvaardige overheid. Het bestuursakkoord bevat afspraken tussen Rijk en gemeenten over het behalen van maatschappelijke resultaten op het gebied van decentralisatie, het terugbrengen van bestuurlijke drukte, het versterken van de bestuurskracht van gemeenten en voldoende financiële armslag.

Het kabinet heeft een Taakgroep onder voorzitterschap van de heer D’Hondt verzocht deze afspraken nader uit te werken. Het rapport van de Taakgroep-D’Hondt zal naar verwachting begin juni 2008 verschijnen. Voorts heeft het kabinet in 2007 een financieel akkoord met provincies gesloten. De Gemengde Commissie onder voorzitterschap van mevrouw Lodders is hierop een vervolg. Het kabinet heeft de commissie verzocht om voorstellen te doen voor decentralisatie richting provincies. De Gemengde Commissie-Lodders heeft onlangs gerapporteerd. Het streven is erop gericht om op korte termijn een bestuursakkoord tussen het kabinet en het InterProvinciaal Overleg te sluiten.


Ruimte voor de professional: actieplan LeerKracht

Het kabinet heeft in zijn reactie op het advies van de Commissie Leraren onder leiding van de heer Rinnooy Kan en het advies van de Onderwijsraad «Leraarschap is eigenaarschap» gevolg gegeven aan één van de hoofdboodschappen, namelijk het leraarschap weer concurrerend maken met andere beroepen. Het overleg met de sociale partners in het onderwijs heeft recent geleid tot een akkoord over de aanpak van het lerarentekort met een financiële omvang van ruim € 1 miljard. Daarbij zijn concrete afspraken gemaakt over betere beloning, minder werkdruk, meer scholingsmogelijkheden en meer zeggenschap voor leraren in het hele onderwijs. Onderdeel hiervan is dat voor leerkrachten in de regio’s waar de maatschappelijke taken van het onderwijs doorgaans zwaarder zijn dan elders in het land (o.a. rond de vier grote steden en in Almere) extra beloning beschikbaar komt. Tegelijkertijd wordt ter verlichting van de werkdruk een financiële impuls gegeven voor het aanstellen van ondersteunend personeel (conciërges). Het kabinet heeft hiermee een maximale inzet gepleegd om het doel van het Actieplan LeerKracht te kunnen realiseren, namelijk dat méér mensen kiezen voor een baan in het onderwijs en dat leraren behouden blijven voor het onderwijs.


Verminderen regeldruk voor professionals

Het werk van professionals in de (semi-) publieke sector moet merkbaar aantrekkelijker worden. De te verwachte effecten zijn onder andere: een betere arbeidsinhoud en imago van uitvoerende beroepen met publiekscontact, een effectievere en efficiëntere (semi-)publieke organisatie, betere medewerkertevredenheid, betere dienstverlening en vermindering van arbeidsmarktknelpunten.


Eind 2007 hebben de minister voor Jeugd en Gezin, vier provincies en de stadsregio Rotterdam een samenwerkingsovereenkomst ondertekend om in de komende vier jaar de bureaucratie in de jeugdzorg terug te dringen met 25%. Er is een nulmeting gemaakt, alle partijen hebben zich verbonden aan het bewaken van de voortgang van de activiteiten en begin 2011 zal een tweede meting worden gehouden om te kunnen beoordelen of de kwantitatieve doelstelling is gehaald.


Bestuurlijke schaal en de menselijke maat

Om het werk van mantelzorgers te verlichten, gaat de staatssecretaris van VWS afspraken maken met gemeenten voor extra ondersteuning. Mantelzorgers (mensen die voor hun zieke familieleden of vrienden zorgen) kunnen straks bij hun gemeente terecht voor: inspraak en advies, deskundigheidsbevordering (o.a. cursussen en trainingen), praktische hulp, een makelaarsfunctie (koppelt potentiële vrijwilligers aan klussen). Het kabinet wil de komende jaren de inzet van mantelzorgers en vrijwilligers stimuleren.

Via het programma «Zorg voor Beter» wordt door verbetertrajecten en «best practices» de directe zorg aan cliënten verbeterd. Doel van het programma is een betere, efficiënte en duurzame zorg met tevreden cliënten. Dit kan worden bereikt door te leren en te profiteren van bestaande ervaringen en kennis, door het creëren van meer samenhang en een betere aansluiting op andere zorgsectoren en door het slimmer en beter organiseren van het werk. Concreet gaat het om zaken als weer samen eten aan tafel als het tegengaan van ondervoeding maar ook het voorkomen van doorliggen.

Zorg voor Beter is een initiatief van het ministerie van VWS, in samenspraak met de brancheorganisaties, beroepsverenigingen en cliëntenorganisaties. Vilans en TNO Kwaliteit van Leven voeren uit, ZonMw heeft de regie. Samen werken al deze organisaties aan een betere zorg via verbetertrajecten, innovaties en het toepassen van de normen en indicatoren voor verantwoorde zorg.

b. Focus op drie hoofdthema’s

Het begrotings- en verantwoordingsproces is, mede onder invloed van politieke en maatschappelijke ontwikkelingen, aan verandering onderhevig. Politiek, omdat de Tweede Kamer wensen en zorgen heeft geuit over de kwaliteit en bruikbaarheid van de verantwoordingsinformatie. Maatschappelijk, omdat het kabinet met de presentatie van het Beleidsprogramma «Samen werken, samen leven» een gezamenlijke aanpak van de kabinetsdoelstellingen wil realiseren. Mede daarom is er in het Coalitieakkoord en de uitwerking daarvan in het Beleidsprogramma gekozen voor een aanpak langs zes pijlers van beleid. Daarbinnen heeft het kabinet gekozen voor tien prominente projecten en twee programma’s. Het is de ambitie van het kabinet om aan het eind van de rit op alle 74 doelstellingen, projecten en de twee programma’s de verwachtingen waar te maken.


Uw Kamer heeft gevraagd om ten behoeve van het debat over de algemene verantwoording politiek-bestuurlijke focus aan te brengen. In deze brief geeft het kabinet inkleuring aan zijn Beleidsprogramma aan de hand van drie hoofdthema’s: duurzaamheid, dynamiek en ondernemerschap en respect. Zij lopen dwars door het kabinetsbeleid en de zes pijlers heen, vormen daarmee een rode draad in het beleid en raken aan meerdere doelstellingen en projecten. Het werken met hoofdthema’s verschaft kabinet en Tweede Kamer voldoende flexibiliteit om van jaar tot jaar continuïteit van beleid en actualiteit met elkaar te verbinden.

Duurzaamheid

Het kabinet maakt werk van de ambitie om wereldwijd welvaart te realiseren en tegelijkertijd zorgvuldig om te gaan met de aarde. Groei, groen en sociaal beleid gaan daarbij hand in hand. Groei kan duurzaam én maatschappelijk verantwoord zijn. Doel van het kabinet is een samenhangende inzet op duurzame ontwikkeling en duurzame aanpak van alle beleidsterreinen.


Het kabinet heeft dit in een kabinetsbrede aanpak «Duurzame Ontwikkeling» langs drie sporen uitgewerkt: een inhoudelijke focus op zes thema’s, zelf als overheid in de bedrijfsvoering het goede voorbeeld geven en een actieve rol in de maatschappelijke dialoog over duurzame ontwikkeling.


De volgende zes beleidsthema’s leiden in de periode 2008–2011 tot concrete resultaten:

1. een klimaatbestendige inrichting van Nederland en klimaatbestendige duurzame ontwikkeling internationaal;

2. duurzame energie (vermindering uitstoot broeikasgassen, energiebesparing, verhoging aandeel duurzame energie en beschikbaarheid duurzame energie in ontwikkelingslanden);

3. duurzaam geproduceerde biobrandstoffen;

4. grootschalige toepassing van CO2-afvang en -opslag tussen 2015 en 2020 in Rijnmond en Noord-Nederland, als tussenstap naar een duurzame energievoorziening op biobrandstoffen;

5. duurzame productie en consumptie van plantaardige en dierlijke eiwitten;

6. duurzame bouw en stedelijke ontwikkeling.


Nederland heeft zich ook in Europees verband hard gemaakt voor energiebesparing, het verduurzamen van de energievoorziening en het verminderen van klimaatemissies. Mede op instigatie van Nederland zijn op de Voorjaarstop in 2007 ambitieuze doelen voor 2020 geformuleerd. De Europese Raad van 13 en 14 maart 2008 legde vervolgens de reductieverplichtingen in Europees verband vast. Op de klimaattop in Bali in december 2007 is een doorbraak bereikt over een gezamenlijke «roadmap» voor een nieuw mondiaal akkoord over klimaatverandering, biodiversiteit en armoedebestrijding. Met het project «Schoon en Zuinig» is hiervoor op nationaal niveau een maatregelenpakket in uitvoering genomen, dat grote ambities voor industrie, landbouw, gebouwde omgeving, het verkeer en de energiesector behelst.


De rijksoverheid wil met zijn bedrijfsvoering het voorbeeld van bedrijven volgen die duurzaamheid en maatschappelijk verantwoordelijkheid hebben verinnerlijkt. De rijksoverheid heeft circa 125 000 mensen in dienst, bezit circa 10 000 auto’s, gebruikt ruim 4 miljoen m2 bruikbaar vloeroppervlak en koopt jaarlijks voor ca. €10 miljard in. Met duurzaam inkopen is een start gemaakt. Als rijksoverheid hebben wij onszelf verplicht 100% duurzaam in te kopen in 2010; van kantoormeubelen, papier en catering tot dienstauto’s, gebouwen, openbare verlichting en groenvoorzieningen, om daarmee een betere markt voor duurzame producten en diensten te creëren. Uit de rapportage «Duurzame Bedrijfsvoering Overheden» (najaar 2007) van het ministerie van VROM blijkt dat de ministeries van BZK en LNV al volledig duurzaam inkopen volgens de gestelde criteria. De overige ministeries zullen zo spoedig mogelijk volgen. Andere overheden hebben zich bereid verklaard om eveneens duurzaam te gaan inkopen. Bovendien hebben gemeenten, in het najaar van 2007, met het Rijk een klimaatakkoord afgesloten, dat momenteel in uitvoering is (zie ook project «Schoon en Zuinig»).

Ruimte voor dynamiek en ondernemerschap

Het kabinet streeft naar een ondernemersklimaat waarin bedrijven, zelfstandigen, werkgevers en werknemers, zich ten volle kunnen ontplooien. Ruimte voor starters, doorgroeiers en buitenlandse bedrijven die zich in Nederland willen vestigen. De randvoorwaarden die de overheid daarbij verzorgt, behelzen goede werking van markten, heldere wet- en regelgeving, een concurrerend fiscaal klimaat, een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt en efficiënte toelatingsprocedures voor kennismigranten.


De dynamiek van de Nederlandse economie wordt gemeten in verschillende ranglijsten. Het beleidsverslag van het ministerie van EZ gaat daar dieper op in. Conclusie is dat Nederland redelijk goed presteert op veel aspecten van ondernemersklimaat en concurrentievermogen. Er is echter ruimte voor verbetering, met name op het gebied van administratieve lasten en regeldruk. Deze zijn – in vergelijking met andere landen – in Nederland relatief hoog, maar nemen sinds enkele jaren af als gevolg van specifiek beleid op dit gebied.


Verdere merkbare vermindering van onnodige regeldruk en nalevingskosten is essentieel voor verbetering van het ondernemersklimaat en het wegnemen van irritatie. Het doel van het kabinet is om de administratieve lasten voor bedrijven ook deze kabinetsperiode met 25% te verminderen. Dit is een ambitieuze doelstelling. Het kabinet gaat daarbij gebruik maken van een nieuwe meetmethode die beter aansluit bij de werkelijk ervaren regeldruk voor ondernemers. Daar gaat het immers om: vermindering van regeldruk moeten mensen wel merken. Kwantitatieve doelstellingen kunnen een nuttig instrument zijn om het doel te realiseren. De nieuwe nulmeting voor administratieve lasten is inmiddels afgerond en hetzelfde geldt voor de «quick scan» op de nalevingskosten. In een aantal gevallen gaat het echter om verbetering en vereenvoudiging van de dienstverlening van de overheid. Voorbeeld van een concrete maatregel in 2007 is het opschonen van het aantal milieuregels: voor maar liefst 37 000 bedrijven is de milieuvergunningenplicht inmiddels komen te vervallen. Ook hoeft sinds 2007 een groot aantal kleine vennootschappen niet meer een fiscale én een commerciële jaarrekening in te vullen.


Een groot aantal doelstellingen en projecten uit het Beleidsprogramma is gericht op het creëren van deze randvoorwaarden voor versterkt ondernemerschap en concurrentievermogen. Door middel van de acties in het project «Iedereen doet mee» zal de arbeidsparticipatie toenemen. De projecten «Aanval op de uitval» en het «Deltaplan Inburgering» bieden mensen betere startkwalificaties op het moment dat zij de arbeidsmarkt betreden. In de verschillende wijkactieplannen binnen het project «Krachtwijken» is aandacht voor lokaal ondernemerschap. Maar ook de inzet van het kabinet als het gaat om een aantrekkelijk landschap om in te wonen en te werken is van belang voor onze concurrentiekracht.


Het kabinet heeft in 2007 opnieuw een Innovatieplatform (IP) ingesteld. Dit nieuwe IP borduurt voort op de ambities van het eerste IP. In het IP werken publieke en private spelers gezamenlijk aan voorstellen voor de versterking van de innovatiekracht van dit land. Het werkprogramma 2007 van het IP is in juni 2007 aan uw Kamer aangeboden. Hierin geeft het aan welke thema’s het de komende periode onder loep neemt. Het IP stimuleert innovaties, waaronder experimenten op de terreinen van water, zorg en onderwijs. Inmiddels is het Zorginnovatieplatform gelanceerd door de bewindspersonen van het ministerie van VWS. Ook is het Innovatieberaad Mobiliteit en Water al enige tijd actief.


In 2006 hebben het IP en 20 organisaties met de «Kennisinvesteringsagenda» een pad uitgestippeld om Nederland in 2016 een land te laten zijn dat productiviteit en welvaart genereert door optimaal zijn talent te ontplooien en benutten. Een land waarin bedrijven, werknemers, wetenschappers, kennisinstellingen en hun organisaties niet alles een beetje doen, maar zich vanuit de ambitie om te excelleren – in onderlinge afstemming – concentreren op die activiteiten waar Nederland in de mondiale samenleving de meeste toegevoegde waarde kan leveren. Het IP heeft in 2007 de vinger aan de pols gehouden bij de voortgang van de «Kennisinvesteringsagenda», met bijzondere aandacht voor «Research and Development», een leven lang leren en excellente wetenschap.

Respect

Het kabinet wil doorgaan met het bevorderen van een respectvolle omgang van mensen met elkaar. De behoefte om als mens gerespecteerd te worden is bij iedereen aanwezig. Die maakt deel uit van onze menselijke waardigheid. Respect betekent rekening houden met elkaars gevoelens en niet nodeloos kwetsen. Tegelijkertijd vergt respect incasseringsvermogen en geduld. Respect is dus wederzijds en krijgt pas betekenis als mensen zich betrokken tonen bij hun omgeving en meedoen, ingebed in de spelregels van de democratische rechtsstaat.


De overheid heeft tot taak om mensen in staat te stellen respectvol met elkaar om te gaan door het bevorderen van kennisen vaardighedenoverdracht, door mensen aan te spreken op respectloos gedrag en dit zo nodig te bestraffen, door steun te bieden aan mensen die anderen op disrespect durven aan te spreken en door zelf te laten zien wat respectvol omgaan met elkaar betekent.


In het Beleidsprogramma is een aantal concrete maatregelen genoemd waarmee het kabinet beoogt de respectdoelstelling te bereiken. Uiteraard laat het kabinet voornemens waar mogelijk ook aansluiten bij initiatieven van burgers zelf. Een respectvolle omgang van mensen met elkaar valt immers niet door het kabinet af te dwingen. Bovendien is de overheid niet altijd het beste in staat om hiervoor te zorgen. Het is belangrijk om ruimte te geven aan mensen in de samenleving die een bindende en gezaghebbende rol spelen, en aan maatschappelijke initiatieven op scholen, in wijken en buurten, in de media, in religieuze centra, sportverenigingen enzovoort. Samenspel met de samenleving is essentieel.


Over de voortgang op de realisatie van de maatregelen uit het Beleidsprogramma wordt gerapporteerd door de eerstverantwoordelijke ministers. In 2007 zijn diverse concrete stappen gezet.


Gedragscodes en geweldloze conflictoplossing

Een voorbeeld van de preventieve aanpak op het terrein van respect is het van overheidswege stimuleren van gedragscodes in de buurt en op school. In opdracht van de minister van Justitie heeft het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid een handreiking voor gedragscodes ontwikkeld, die via internet beschikbaar is. Ook met het bevorderen van diverse vormen van conflictoplossing door bemiddeling (buurtbemiddeling, leerlingbemiddeling, jongerenbemiddeling) wordt ingezet op preventie. Beide maatregelen zijn gericht op een discussie over waarden, normen, omgangsvormen en grenzen, die escalatie van conflicten kan voorkomen en de onderlinge relatie kan behouden en zelfs versterken.

In de brief over het project «Veiligheid begint bij Voorkomen», die eind 2007 aan uw Kamer is gezonden, worden de achtergrond en de concrete doelstellingen van deze preventieve aanpak nader toegelicht. Er zijn inmiddels 90 buurten waar buurtbemiddeling plaatsvindt. Het streven is dit getal op 140 te hebben staan in 2011. Leerlingbemiddeling vindt al op veel scholen plaats. Deze werkwijze wordt in 2008 geëvalueerd. Bij jongerenbemiddeling treden jeugdigen op als bemiddelaar tussen groepen jongeren en buurtbewoners. In een aantal van de 40 aandachtswijken zal nog dit jaar een «pilot» voor jongerenbemiddeling worden gestart.


Aanpak agressie tegen werknemers met een publieke taak

De agressie tegen werknemers met een publieke taak, zoals ambulancepersoneel, conducteurs en medewerkers van een Sociale Dienst wordt aangepakt. In het najaar van 2007 is het programma Veilige Publieke Taak 2007–2010 aan uw Kamer gezonden. Een belangrijke doelstelling van dit programma is het faciliteren en ondersteunen van werkgevers en werknemers met een publieke taak in hun handelen tegen agressie en geweld. Om duide-lijk te maken waar de grenzen liggen in de omgang tussen burgers en werknemers meteen publieke taak, zal de minister van BZK binnenkort landelijke normen bekend maken. Deze normen zijn in samenwerking met de sectoren en experts opgesteld.


Verscherpte aanpak van discriminatie door het Openbaar Ministerie en de politie

Per 1 december 2007 is voor het Openbaar Ministerie een nieuwe Aanwijzing discriminatie in werking getreden. Bij geweldsdelicten dient een discriminatoire achtergrond in het requisitoir te worden benadrukt en als strafverzwarende omstandigheid (verzwaring eis met 25%) te worden betrokken. De verbetering van de doorlooptijden van discriminatiezaken is een van de speerpunten voor het Openbaar Ministerie in 2008. De Raad van Hoofdcommissarissen heeft in 2007 besloten dat structurele aandacht voor diversiteit en discriminatie nodig is in het onderwijs van de politie. Het bedrijfsprocessensysteem van het Openbaar Ministerie en de politie wordt aangepast, waardoor een beter zicht ontstaat op aard en omvang van discriminatiezaken.


Een veiliger media-aanbod

Door middel van gedragscodes voor audiovisuele media wordt gestreefd het media-aanbod veiliger te maken. De gesprekken hierover tussen de media en de minister van OCW zijn gestart in 2007 en thans nog gaande. Zodra bekend is welke spelregels de individuele media-aanbieders hanteren voor een verantwoord en veilig media-aanbod, kan worden vastgesteld welke gemeenschappelijk gedeelde waarden en spelregels hieruit voortvloeien. Recent besloot het kabinet tot de oprichting van een Expertisecentrum Mediawijsheid. In de brief «Mediawijsheid» die de minister van OCW uw Kamer onlangs, mede namens de minister voor Jeugd en Gezin, heeft gezonden, wordt uitgebreider ingegaan op de gesprekken met de media en het Expertisecentrum.


Consequent handhaven van regels en het bevorderen van veiligheid door de overheid zijn belangrijke voorwaarden voor respect in het maatschappelijk verkeer. In het wetsvoorstel «Maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast», dat uw Kamer recent heeft ontvangen, krijgen zowel de burgemeester als de officier van justitie extra bevoegdheden om overlastgevers c.q. verdachten vroegtijdig te confronteren met maatregelen. De burgemeester kan een bevel opleggen in de vorm van een gebiedsverbod en een meldingsplicht. De officier van justitie kan een gedragsaanwijzing opleggen, vooruitlopend op de uiteindelijke veroordeling door de strafrechter. Deze gedragsaanwijzing kan zijn: een gebiedsverbod, een contactverbod, een begeleidingsverplichting of een meldingsplicht. In het wetsvoorstel is voorzien in een groepsverbod, waarbij ook gekeken wordt naar de ervaringen met het Utrechtse samenscholingsverbod.


In het actieplan «Overlast en verloedering», dat op 10 maart 2008 naar uw Kamer is gestuurd, zijn mede op basis van overleg met de vier grote steden maatregelen en instrumenten opgenomen om op lokaal niveau voldoende slagkracht te kunnen ontwikkelen. Het plan voorziet in maatregelen in de sfeer van o.a. uitgaansoverlast en overlast door jongeren. Mede in het kader van het actieplan zal de minister van BZK een voorstel uitwerken om de burgemeester doorzettingsmacht te geven richting instellingen binnen de jeugdketen en richting zogenaamde aso-gezinnen die voor veel overlast zorgen. Daarnaast wordt ook gekeken of het juridisch mogelijk is het dwingend opleggen van opvoedingsondersteuning te regelen. De vier grote steden zijn bij die uitwerking actief betrokken (zie ook project 10 in paragraaf c van deze brief).

c. Voortgang tien projecten

Het kabinet wil de voortgang van de projecten in het debat met de Tweede Kamer plaatsen in het perspectief van (verantwoordings)informatie op hoofdlijnen, met hogere politieke relevantie, kwaliteit en bruikbaarheid. Er komen nog vele momenten waarop Kamer en kabinet meer in detail over de onderscheiden projecten kunnen debatteren.


De tien projecten vormen een concrete invulling van de hoofdthema’s van het kabinet, die in de pijlerbenadering tot uitdrukking komt. Dit laat onverlet dat de projecten divers zijn, waarbij de grotere projecten meer het karakter van een programma hebben. Op belangrijke onderdelen worden de projecten versterkt door één of meerdere van de 74 doelstellingen uit het Beleidsprogramma en vice versa. Bijvoorbeeld: het project «Kansen voor kinderen» vindt een belangrijke pendant in doelstelling 30 «In 2011 worden jeugdigen en hun ouders snel en goed ondersteund». Wat de projecten gemeen hebben is dat zij aan het eind van deze kabinetsperiode een concrete, structurele verbetering ten opzichte van de uitgangspositie zichtbaar moeten maken. Concreet gaat het om de volgende projecten:

1. De Millennium Ontwikkelingsdoelen Dichterbij

Het project «De Millennium Ontwikkelingsdoelen Dichterbij» bouwt voort op de wereldwijde afspraken, de acht Millennium Ontwikkelingsdoelen («Millennium Development Goals»/MDG’s), die in 2000 zijn gemaakt om per 2015 grote vooruitgang te hebben geboekt ten aanzien van bestrijding van armoede en het bevorderen van ontwikkeling. Er blijkt echter dat bij gelijkblijvende inzet van de internationale gemeenschap de Millennium Ontwikkelingsdoelen in 2015 niet worden gehaald.


Het Nederlandse project, dat inmiddels is omgedoopt tot «Project 2015», is een strategie om de gezamenlijke Nederlandse inzet te verbeteren. Het kabinet heeft de MDG-agenda onderschreven als politieke kernagenda voor ontwikkeling en ziet de Millennium Ontwikkelingsdoelen als belangrijke graadmeters voor vooruitgang op de bredere ontwikkelingsagenda. Bijzondere inzet daarbij vormen de armste landen en landen in een post-conflictsituatie.


Op 29 juni 2007 is in de vorm van de «Kabinetsagenda 2015» de voorgestelde strategie aangeboden aan de Tweede Kamer. De samenhangende Nederlandse aanpak, inclusief de sterkere focus op de Millennium Ontwikkelingsdoelen is uitgewerkt in de beleidsbrief «Ontwikkelingssamenwerking, Een zaak voor iedereen». Deze brief is op 16 oktober 2007 aan uw Kamer aangeboden.


Belangrijk element van «Project 2015» is de grote maatschappelijke bereidheid om zich in te zetten voor het verkleinen van de achterstanden bij het behalen van de MDG’s, uit te werken in concrete acties. Op basis van de consultaties met het maatschappelijk middenveld, het bedrijfsleven en experts uit binnen- en buitenland zijn mogelijkheden geïdentificeerd waar de bestaande inzet van Nederland kan worden verbeterd. Belangrijk onderdeel hiervan is bijvoorbeeld om meer ruimte te bieden aan innovatieve benaderingen en nieuwe samenwerkingsverbanden, zowel hier als in ontwikkelingslanden. Daarnaast neemt de overheid het initiatief om in nauwe samenwerking met de meest relevante partners de algemene bekendheid met de Millennium Ontwikkelingsdoelen, en de mogelijkheden om hieraan een concrete bijdrage te leveren, verder te verhogen.


In juni vorig jaar zijn meer dan dertig maatschappelijk samenwerkingsverbanden tussen bedrijven, NGO’s, particuliere organisaties, kennisinstellingen en verschillende ministeries afgesloten. Door het afsluiten van deze zogenaamde akkoorden van Schokland bundelen deze spelers kennis en krachten om gezamenlijk te werken aan innovatieve oplossingen om de Millennium Ontwikkelingsdoelen dichterbij te brengen. De overheid heeft niet alleen een sterk stimulerende rol naar deze partners toe, maar is in een aantal gevallen ook zelf een actieve partner. Naast de minister voor Ontwikkelingssamenwerking zijn bijvoorbeeld de ministers van Defensie, V&W, LNV, OCW, en VROM betrokken. Daarnaast hebben verschillende burgers getekend voor hun eigen bijdrage aan de Millennium Ontwikkelingsdoelen, in de vorm van een persoonlijk akkoord. Om deze samenwerkingsverbanden waar nodig financieel te stimuleren heeft het kabinet, in de vorm van het Schoklandfonds, € 50 miljoen beschikbaar gesteld voor de periode 2008–2011. De betrokkenheid van maatschappelijke coalities komt tot uitdrukking in circa 20 nieuwe voorstellen voor een innovatieve aanpak, die in de eerste inschrijvingsronde voor het Schoklandfonds zijn ingediend.


Aan een groot aantal van de in juni 2007 afgesloten maatschappelijke akkoorden is uitwerking gegeven. Het gaat hierbij om diverse soorten initiatieven. Binnen sommige akkoorden zijn afspraken gemaakt door verschillende publieke en private partijen over het beter op elkaar aansluiten van activiteiten om effectiever te zijn in (post-)conflict situaties, met name op het gebied van basisonderwijs en gezondheidszorg. Daarnaast zijn er akkoorden waarin gezamenlijk wordt gezocht naar oplossingen voor de aanpak van complexe problemen. Een voorbeeld hiervan is het akkoord dat zich richt op het terugdringen van moedersterfte door het trainen van verloskundigen en het verbeteren van de zorg voor moeder en kind in Sierra Leone. Ook zijn er akkoorden waarin men zich gezamenlijk inzet voor het tegengaan van geweld tegen vrouwen en kinderen. Verder zijn er akkoorden met als doel betere en concretere resultaten te halen door betere samenwerking en het benutten van het marktmechanisme. Voorbeelden hiervan zijn een private gezondheidsverzekering voor ruim 100 000 Nigerianen met lage inkomens en het opzetten van een systeem voor financiering van MKB bedrijven in Vietnam. Ook het initiatief «Duurzame Handel» is hiervan een voorbeeld. Hierbij wordt gewerkt aan de verduurzaming van internationale handelsketens met aandacht voor mens en milieu in ontwikkelingslanden en de samenwerking rond de Nederlandse doelstelling om 50 miljoen mensen aangesloten te krijgen op schoon drinkwater en sanitatie.

2. Nederland Ondernemend Innovatieland

Het kabinet heeft de uitdaging op zich genomen Nederland een ondernemender en innovatiever land te maken. Dat vraagt om een bredere basis en een hogere top van de kenniseconomie en een betere benutting van kennis. Deze doelstellingen gaan goed samen met het streven om internationaal voorop te lopen met een innovatieve aanpak van maatschappelijke vraagstukken rond milieu, schone energie, onderwijs, duurzaam waterbeheer, gezondheidszorg, mobiliteit en veiligheid. De Nederlandse agrosector is bijvoorbeeld een koploper in de wereld op het gebied van innovatie. Die voorsprong dient behouden te blijven. Het IP heeft de voedsel- en bloemenindustrie als een van de meest kansrijke geïdentificeerd. Het beleid van het Rijk is primair gericht op kennisoverdracht, door onderzoek en praktijk sterker aan elkaar te verbinden en door de kennis binnen de sector breder te laten verspreiden.


In september 2007 is aan uw Kamer het werkprogramma «Nederland Ondernemend Innovatieland» (NOI) gezonden. Dit zal de basis zijn voor de ontwikkeling van een Langetermijnstrategie NOI, waarin concrete ambities en doelstellingen worden opgenomen. De voortgang hiervan zal op een later moment aan uw Kamer worden gemeld. Adviezen van het IP zullen in de lange termijn strategie worden verwerkt.


In samenwerking met het IP en andere betrokkenen zijn het afgelopen jaar sterkte/zwakte analyses gemaakt van de maatschappelijke thema’s zorg, water en veiligheid. Op basis van maatschappelijke innovatieagenda’s worden per thema concrete innovatieprogramma’s opgesteld. Twee van dergelijke programma’s op het gebied van water zijn reeds gestart: «Building with nature» en «Flood Control 2015». Op het terrein van preventie en zorg werkt het Zorginnovatieplatform aan een innovatief klimaat in de zorg, met als focus de veranderende zorgvraag en het nijpend arbeidsmarkttekort en het optimaliseren van gebruik van technologie en ICT.


Om het innovatieve vermogen te bevorderen is het project «Valorisatie» (gericht op betere benutting van wetenschappelijk onderzoek door bedrijven en maatschappelijke sectoren) gestart in samenwerking met het IP. Doel is het maken van afspraken in convenantsvorm met kennisinstellingen over valorisatiedoelstellingen en stroomlijning van het overheidsinstrumentarium. Daarnaast wordt gewerkt aan het smeden van regionale allianties op het terrein van arbeidsmigratie, (zij)instroom en het «binden en boeien» van werknemers en efficiënte toelatingsprocedures voor kennismigranten.

3. Randstad Urgent

Op 22 juni 2007 heeft het kabinet het «Urgentieprogramma Randstad» en de startnotitie «Randstad 2040» aan de Tweede Kamer aangeboden. Daarna werd op 29 oktober 2007, met de ondertekening van de bijbehorende projectafspraken op de Randstadconferentie, het startsein gegeven voor de uitvoering van het programma «Randstad Urgent». Met dit programma zetten kabinet, provincies, gemeenten en stadsregio’s samen de schouders eronder om de problemen in de Randstad aan te pakken. Samenwerking is daarbij essentieel, enerzijds tussen verschillende overheden en anderzijds tussen overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties. Knopen doorhakken en besluiten nemen, daar gaat het om. De kern van deze aanpak bestaat uit de focus op 35 geselecteerde en geprioriteerde deelprojecten die cruciaal zijn voor de duurzame concurrentiepositie van de Randstad. Voor elk van de deelprojecten moeten deze kabinetsperiode cruciale besluiten worden genomen.


Per deelproject nemen telkens een minister of staatssecretaris en een gedeputeerde, wethouder of regiobestuurder als bestuurlijk duo verantwoordelijkheid voor de voortgang. Er is expliciet gekozen om per project slechts twee bestuurders verantwoordelijk te maken, teneinde bestuurlijke en ambtelijke drukte te verminderen. De onderlinge contacten tussen de duo’s kenmerken zich door korte lijnen en het elkaar direct aanspreken, zowel op de negatieve («shamen») als positieve («famen») resultaten. Ook is per project een ambassadeur aangesteld die, door de kennis en inzichten, het bestuurlijke duo kan helpen met en scherp moet houden op de voortgang en kwaliteit van de te nemen besluiten. Tot slot is door de minister van V&W een Randstad Gezant aangesteld, die hem informeert en waar nodig namens hem intervenieert om bestuurlijke daadkracht te versterken. Maatschappelijke organisaties hebben een grote rol gespeeld bij het op de agenda zetten van de problemen en uitdagingen van de Randstad.


Er zijn resultaten geboekt op de drie hoofdopgaven van het programma, te weten «bereikbaarheid en economische dynamiek», «aantrekkelijke woon-, werk- en leef-omgeving», en een «klimaatbestendige delta». In de volgende tabel worden de meest zichtbare genoemd. Hiermee wordt op verschillende fronten concrete invulling gegeven aan de hoofdthema’s duurzaamheid en dynamiek en ondernemerschap.


Tabel: voorbeelden van resultaten Randstad Urgent

Bereikbaarheid en economische dynamiek

• kabinetsbesluit over de weguitbreiding tussen Schiphol, Amsterdam en Almere

• besluitvorming openbaar vervoer tussen Schiphol, Amsterdam, Almere en Lelystad

• kabinetsbesluit over de locatie voor bedrijventerrein ten zuiden van Rotterdam

• besluit over de eerste tranche korte termijnmaatregelen ketenmobiliteit

• kabinetsbesluit over financiering versnellingsprojecten en gemeentelijke besluiten over gebiedsontwikkelingsprojecten binnen het project Transitie Greenports

• ondertekening van de bestuursovereenkomst Ontsluiting Mainport Rotterdam (A15 MaVa)

Een aantrekkelijke woon-, werk- en leefomgeving

• integrale gebiedsverkenningen voor Duurzaam Bouwen in de Noordvleugel Utrecht

• start voorbereiding van de «pilot» natuurontwikkeling voor Markermeer-IJmeer

• versnellingsacties voor «Ruggegraat voor natuur en recreatie»

Een klimaatbestendige delta

• uitvoering versterken van de kust van Noordwijk en diverse besluiten in het project Zwakke Schakels in de kust, zoals het integrale versterkingsplan voor de Delflandse kust


De vernieuwende werkwijze en aanpak van «Randstad Urgent» heeft tot op heden z’n uitwerking niet gemist. Er zijn besluiten genomen die zonder «Randstad Urgent» waarschijnlijk niet of sterk vertraagd genomen waren. Er is een positieve «drive» ontstaan, maar het is en blijft een kwestie van elkaar continue scherp houden op de afspraken. Tot op heden ligt ongeveer 75% van de afspraken op programma-totaalniveau op schema of is inmiddels gehaald.

4. Schoon en zuinig

Een energiebesparing van 2% per jaar, een verhoging van het aandeel duurzame energie tot 20% in 2020 en een reductie van de uitstoot van broeikasgassen, bij voorkeur in Europees verband, van 30% in 2020 ten opzichte van 1990. Deze doelstellingen uit het Coalitieakkoord zijn een reactie op één van de grootste mondiale uitdagingen: het klimaat- en energievraagstuk.


Het bredere doel is transitie naar een duurzame energiehuishouding, rekening houdend met de overige publieke belangen van betaalbare en betrouwbare energievoorziening. Deze opdracht vraagt om een trendbreuk. In deze kabinetsperiode moet al een stevige eerste aanzet worden gegeven naar deze doelen. Het kabinet heeft daarom een werkprogramma «Schoon en Zuinig» gepresenteerd waarin concrete maatregelen worden beschreven met een tijdpad. Naast grootschalig implementeren van bestaande technologieën wordt ingezet op innovatie om duurzame opties goedkoper te maken en technologische doorbraken te faciliteren.


De mondiale aard van de problematiek vergt ook internationale oplossingen. Nederland zet daarom in op internationale doelstellingen en instrumentarium waar nodig en mogelijk. Daarnaast is beleid ingezet op nationaal niveau. De instrumenten die worden ingezet richten zich onder andere op marktprikkels (bijvoorbeeld emissiehandel, fiscale vergroening), normering (bijvoorbeeld normen voor energieprestaties nieuwbouw), tijdelijke stimulansen (bijvoorbeeld subsidiesystemen), innovatiestimulering (bijvoorbeeld (co-)financieren fundamenteel onderzoek) en internationale klimaat- en energiediplomatie (bijvoorbeeld actieve en beïnvloedende rol in de EU). In 2010 zal herijking van het instrumentarium plaatsvinden.


Ter illustratie enkele voorbeelden van wat het kabinet nu al heeft gestart:

• duurzaamheidsakkoord, akkoorden met de gebouwde omgeving, Energieakkoord Noord-Nederland, Klimaatakkoord Gemeenten en Rijk 2007–2011;

• opening regeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) per 1 april;

• fiscale vergroening belastingplannen 2008;

• energielabels voor woningen bij verkoop over verhuur van woningen;

• project «Carbon Capture & Storage» (CCS): doel is het ontwikkelen van zodanige condities dat in 2015 CCS wordt toegepast in grootschalige demonstratieprojecten in Rijnmond en Noord-Nederland.


Hieruit blijkt tevens dat opdracht en inzet niet alleen door het Rijk wordt gevoeld en gedragen. Verschillende relevante maatschappelijke partijen nemen deel aan de sectorakkoorden. Daarnaast zijn er ook eigen initiatieven van medeoverheden, zoals bijvoorbeeld Rotterdam met het «Climate Initiative». Bedrijven beseffen meer en meer dat maatschappelijk verantwoord ondernemen geen modetrend is maar een noodzakelijk onderdeel van een succesvolle strategie. De overheid ondersteunt deze ontwikkeling. De gezamenlijke inspanningen maken het mogelijk om toetsbare doelen ook feitelijk binnen handbereik te brengen.


Tabel Toetsbare doelen in deze kabinetsperiode

• 9% duurzame elektriciteit in 2010 (6% in 2007)

• SDE van start met daarin gecommuniceerd:

  
optiesExtra gecommitteerd vermogen in 2011 (in Mw) 
Wind op land2070 
Wind op zee450 
RWZI/AWZI/stortgas30 
Groen gas10 
Biomassa160 
Zon-PV70 

• 5,75% biobrandstoffen in 2010

• Gebouwde omgeving: 500 000 woningen in 2011 energiezuiniger (sectorakkoord «Meer met minder» is onlangs afgesloten)

• Kyoto; 6% reductie, gemiddeld 200 Mton CO2-equivalenten in de periode 2008–2012 (voor broeikasgasemissies stelt het kabinet zich ten doel om in 2011 6 tot 10 Mton CO2-eq te reduceren ten opzichte van het referentiescenario)

• Verbetering van de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC) voor nieuwbouw van 0,8 naar 0,6 in 2011

• Intern vereveningssyteem voor CO2-emissies in de glastuinbouwsector in 2011

• Voor CCS wordt in 2011 gestart met twee opslagdemo’s en zijn voorbereidingen voor grootschalige demonstratieprojecten afgerond.

Bron: voor 9% duurzame elektriciteit, Europese Richlijn 2001/77/EG; voor SDE gecommitteerd vermogen brief minister van EZ van 31 januari 2008, Kamerstukken II, 2007–2008, 31 239, nr.7; voor 5,75% biobrandstoffen EU Richtlijn 2003/30/EG; de overige doelen komen uit «Schoon en Zuinig».

5. Actieplan Krachtwijken

Het «Actieplan Krachtwijken» is op 16 juli 2007 aangeboden aan de Tweede Kamer. De inzet van het plan is gericht op een langdurige, intensieve, samenhangende en brede aanpak van de specifieke en complexe problematiek in 40 geselecteerde wijken, met speciale aandacht voor wonen, werken, leren en opgroeien, integratie en veiligheid.


In het Onderhandelaarsakkoord met de koepelorganisatie van de woningcorporaties Aedes is afgesproken dat de woningcorporaties met ingang van 2008 voor een periode van 10 jaar jaarlijks € 250 miljoen in de 40 wijken zullen investeren. De concrete inzet op maatregelen en financiën voor de betrokken wijken wordt vastgelegd in wijkactieplannen. Gemeenten, woningcorporaties, bewoners, (maatschappelijke) instellingen en organisaties op lokaal niveau hebben het afgelopen jaar hard gewerkt om deze plannen rond te krijgen. Na toetsing van de wijkactieplannen door de minister voor WWI, waarbij met name de prestatieafspraken en de betrokkenheid van bewoners centraal staan, worden charters ondertekend tussen gemeenten en Rijk ter bevestiging van de wederzijdse inspanningen. Deze worden getekend tijdens de werkbezoeken die de minister voor WWI in de loop van dit jaar aan de 40 wijken brengt. Op 4 februari jl. is het eerste charter met de gemeente Deventer ondertekend. Over de feitelijke stand van zaken is uw Kamer onlangs bij brief van 19 maart 2008 uitvoerig geïnformeerd.


De planvorming en de financiering van de wijkenaanpak heeft – afhankelijk van de gemeente – een vertraging van tussen één en zes maanden (uiterlijk 1 juni 2008 in plaats van december 2007) opgelopen. De oorzaak van de vertraging is tweeledig. De bijdrage vanuit het Rijk en de uitwerking van het Onderhandelaarsakkoord met Aedes werden in februari jl. bekend. Nadat diverse plannen van Aedes voor een investeringsfonds te weinig opleverden, heeft de minister voor WWI in februari jl. besloten de benodigde extra financiële ruimte voor woningcorporaties in de 40 wijken zelf te regelen. Ook de reeds aanvaarde maatregel om woningcorporaties onderhevig te maken aan het heffen van vennootschapsbelasting is in dit verband relevant. Mede als gevolg hiervan duurden in sommige steden de onderhandelingen tussen corporaties en de steden langer dan aanvankelijk werd aangenomen. De discussie spitste zich hierbij toe op de vraag of het bij de investeringen om nieuwe plannen gaat en voor welke sociale activiteiten de corporaties betalen.


Een en ander heeft er voor gezorgd dat er een wissel is getrokken op de samenwerking tussen de bij dit proces betrokken (bestuurlijke) partners. In overleg met uw Kamer zijn inmiddels enkele stappen gezet om de financiële bijdrage voor de wijkenaanpak verder vorm te geven (onder andere door de bijzondere projectsteun voor de corporaties in de 40 wijken en door incidentele financiering van bewonersinitiatieven). Dit alles laat onverlet dat het kabinet op wijkniveau (onder andere uit de wijkentoer van de minister voor WWI) enthousiasme en inzet constateert als het gaat om verbetering van de fysieke, economische en sociale structuur en leefbaarheid. Deze lokale inzet is onontbeerlijk om de wijkaanpak op langere termijn tot een succes te maken. Eind 2007 is ook de «Landelijke Alliantie Krachtwijken» van start gegaan: vijftig maatschappelijke instellingen en organisaties uit het maatschappelijk middenveld ondersteunen hun achterban in de wijken bij het aangaan van vitale coalities.


Het lange termijn perspectief laat zich vooralsnog als volgt vertalen:

Tabel Uitvoering Actieplan Krachtwijken

2007–2008Uitwerking prioriteiten in het kader van wijkaanpak via selectie wijken, wijkactieplannen, charters en vormgeving financiële bijdrage(n)
2009Uitvoering van de kabinetsvoornemens
2010Uitvoering van de kabinetsvoornemens
2011Eerste concrete verbeteringen zichtbaar in samenhangende problematiek op cultureel, sociaal, economisch en integratie terrein
2015–201740 geselecteerde wijken zijn omgevormd naar vitale woon-, werk-, leer-, en leefomgeving.

6. Deltaplan Inburgering

Het «Deltaplan Inburgering» is in september 2007 aangeboden aan de Tweede Kamer en bestaat uit concrete actieprogramma’s – nog in voorbereidende fase – die moeten leiden tot kwaliteitsverbetering van de inburgeringsprogramma’s, versterking van de uitvoering en vereenvoudiging van wet- en regelgeving.


In 2007 is het kabinet geconfronteerd met een terugval in de instroom van cursisten, leidend tot lege klassen bij de opleidingsinstellingen. Om de instroom van cursisten te bevorderen is in 2007 al een aantal knelpunten in wet- en regelgeving ondervangen. Zo hebben gemeenten een grotere vrijheid gekregen bij het aanbieden van inburgeringstrajecten en kunnen zij cursussen aanbieden op een hoger niveau.


Vereenvoudiging van regelgeving is ter hand genomen met onder andere de opname van vrijwillige inburgering in de Wet inburgering, de nadrukkelijkere positionering van het persoonsvolgend budget en het terugbrengen van de handhavingstermijnen tot één termijn. Voorts wordt momenteel – op verzoek van uw Kamer – geregeld dat inburgeringsplichtigen verplicht worden het gemeentelijke aanbod te accepteren.


Het Deltaplan dient uiteindelijk bij te dragen aan een verhoogde participatie in de samenleving, met name aan een substantiële verhoging van de arbeidsparticipatie. Belangrijk ondersteunend instrument hiervoor is het Participatiefonds (beoogde inwerkingtreding 1 januari 2009) dat de duale trajecten van inburgering met bijvoorbeeld re-integratie of educatie vergemakkelijkt. Een goede werking van het Participatiefonds is van cruciaal belang voor één van de doelstellingen van het Deltaplan, namelijk aan het eind van de kabinetsperiode is 80% van de inburgeringstrajecten duaal door koppeling aan bijvoorbeeld werk, re-integratie en opvoedingsondersteuning.


Voor het succes van het Deltaplan is de inzet van gemeenten van cruciaal belang. Daarnaast hangt het succes in grote mate samen met de betrokkenheid, medewerking en optimale inzet van andere bestuurlijke partners, opleidingsinstellingen en inburgeraars. De minister voor WWI heeft ondersteunende trajecten in gang gezet die vooral beogen de stagnatieproblematiek uit begin 2007 ten goede te keren en de negatieve effecten op de streefcijfers voor 2008 te beperken. Uw Kamer heeft hierover recent een brief ontvangen inzake de financiële problematiek omtrent de inburgeringscursussen. In dit kader hebben aanjaagteams inmiddels 35 gemeenten bezocht namens de minister voor WWI om de instroom van cursisten te bevorderen. Inzet is om inburgering hoog op de (lokale) politieke agenda te zetten, wetend dat hiermee soms tegen de stroom van het integratiedebat wordt opgeroeid.

Tabel Streefcijfers Deltaplan Inburgering in het perspectief van kabinetsperiode

 2008200920102011
Volume:aanbod van gemiddeld 60 000 inburgeringstrajecten per jaar54 00062 00072 00062 000
Kwaliteit:in 2011 80% van de inburgeringstrajecten duaal uitvoeren20%40%60%80%

7. Kansen voor kinderen

Het gezin is van grote waarde voor het goed opgroeien van kinderen en voor sociale binding. Binnen het kabinet zorgt de minister voor Jeugd en Gezin voor samenhang in het jeugd- en gezinsbeleid. Hiertoe is het programma «Alle kansen voor alle kinderen» opgesteld, dat eind juni 2007 aan de Tweede Kamer is aangeboden.


Een belangrijk onderdeel hiervan is het project «Kansen voor kinderen» dat als doel heeft dat in 2011 tenminste één Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) functioneert in alle gemeenten die in 2007 een consultatiebureau hebben. Inmiddels zijn de relevante geldstromen gebundeld in de Brede Doeluitkering Centra voor Jeugd en Gezin. De Tweede Kamer is hierover begin 2008 geïnformeerd. Het kabinet investeert fors: in 2011 zal in totaal € 428 miljoen beschikbaar zijn.


Ten opzichte van het Beleidsprogramma is de doelstelling voor CJG’s aangescherpt: de ambitie blijft niet beperkt tot gemeenten die een consultatiebureau hebben, maar richt zich op alle gemeenten. Kleine gemeenten en dorpskernen kunnen samenwerking zoeken bij het realiseren van CJG’s. In grotere gemeenten zullen meerdere inlooppunten nodig zijn om laagdrempelig alle jeugdigen en ouders in wijken te bereiken en toegang te bieden tot samenwerkende partijen die ondersteuning bieden. Komend najaar zal de Tweede Kamer het wetsvoorstel ontvangen waarin de CJG’s wettelijk worden verankerd en waarmee bovendien de bredere samenwerking om te komen tot «één gezin, één plan» wordt geborgd. De kabinetsvisie hierop is reeds beschreven in een Kamerbrief van november 2007.


De ambitie van het kabinet op dit terrein wordt breed gedeeld. Gemeenten en uitvoerende partijen zijn druk bezig de betere ondersteuning via de CJG’s vorm te geven. Uit onderzoek van december 2007 blijkt dat op dat moment in 70% van de gemeenten reeds een CJG in ontwikkeling was, in diverse fases. De komende jaren zullen het kabinet en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten in nauwe samenwerking de implementatie van de CJG’s ondersteunen, op basis van de ondersteuningbehoefte uit de lokale praktijk. Inmiddels is al de website www.invoeringcjg.nl gelanceerd.

8. Iedereen doet mee

Het kabinet heeft in september 2007 het actieprogramma van het project «Iedereen doet mee» aan de Tweede Kamer gezonden. In dat actieprogramma zijn ook de resultaten van de participatietop van kabinet en sociale partners en de afspraken over participatie, armoedebestrijding en ondernemerschap (met name vanuit een uitkeringssituatie) tussen kabinet en gemeenten in het bestuurlijk akkoord verwerkt. De belangrijkste doelstellingen van dit project zijn:

• een substantiële stap zetten richting het niveau van arbeidsparticipatie van 80% in 2016;

• 200 000 mensen met grote afstand tot de arbeidsmarkt extra aan de slag helpen (via bemiddeling en trajecten);

• het aantal vrijwilligers en het aantal mantelzorgers in 2011 uitbreiden.


Het kabinet heeft inmiddels de nodige stappen gezet. Nog voor de zomer zal de Tweede Kamer een wetsvoorstel ontvangen waarmee UWV en CWI worden samengevoegd en op regionaal niveau de samenwerking met gemeenten wordt georganiseerd. Dit draagt bij aan een betere, geïntegreerde dienstverlening op het terrein van arbeidsbemiddeling en re-integratie. Per 1 maart 2008 zijn er brugbanen, specifieke loonkostensubsidies, beschikbaar voor arbeidsongeschikten. Over verschillende andere stappen is de Tweede Kamer ook geïnformeerd. Een regeling voor loonkostensubsidie en participatiebanen is in voorbereiding, de contouren van de werkleerplicht zijn geschetst, het begrip passende arbeid in de WW zal worden aangescherpt en de «Taskforce Deeltijd-plus» is geïnstalleerd.


Binnenkort zal het kabinet ook zijn voornemens presenteren omtrent de aanpassing van de Wajong en die ter bevordering van de arbeidsparticipatie van 65-plus. In het Belastingplan 2008 is aangegeven hoe de fiscale impuls wordt vormgegeven die het kabinet aan de arbeidsparticipatie wil geven via de inkomensafhankelijke arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting. Daarnaast heeft het kabinet de Commissie-De Vries aan het werk gezet om met een advies te komen voor de toekomst van de WSW. Op veel terreinen zullen dus nog de nodige inspanningen moeten worden verricht om de voornemens in concrete acties om te zetten. Maar de ambitie is groot. Derhalve kan het zijn dat aanvullende maatregelen nodig blijken. Mede in dit licht heeft het kabinet de Commissie-Bakker gevraagd met een advies te komen hoe, naast het hierboven kort geschetste beleid, gekomen kan worden tot het bereiken van een arbeidsparticipatie van 80% in 2016, een uitbreiding van het aantal gewerkte uren en een beter werkende arbeidsmarkt. De commissie zal naar verwachting binnen enkele weken met haar advies komen.


Ten aanzien van vrijwilligerswerk en maatschappelijke participatie heeft het kabinet in oktober 2007 de beleidsbrief «mantelzorg en vrijwilligerswerk; voor elkaar» naar de Tweede Kamer gestuurd. In iedere gemeente dienen bepaalde basisfuncties te zijn ter ondersteuning van vrijwilligers en mantelzorgers. In 2007 werd het «mantelzorg-compliment» uitgedeeld: mantelzorgers die zware zorg op zich nemen, hebben € 250 ontvangen.

9. Voortijdig schoolverlaten

Om in 2012 te komen tot een halvering van de schooluitval wordt de aanval hierop voortgezet en versterkt in samenwerking met andere overheden, ouders, scholen, bedrijfsleven, maatschappelijke werk, jeugdzorg, gemeenten en politie. Uitgangspunt voor de halvering is 71 000 vroegtijdige schoolverlaters in 2002. Doel is te komen tot maximaal 35 000 in 2012. Al enkele jaren daalt het aantal schoolverlaters: in het schooljaar 2005–2006 gingen 56 500 jongeren voortijdig van school. In het schooljaar 2006–2007 is het aantal met 3 400 gedaald naar 53 100 (Kamerstukken II, 2007–2008, 26 695, nr.44). Een deel hiervan komt voor rekening van een verbeterde telmethode, door de invoering van het Onderwijsnummer. Dit maakt het mogelijk om gerichter acties in te zetten. Dat is ook nodig omdat het tempo waarin het aantal voortijdig schoolverlaters daalt omhoog moet.


In november 2007 is de uitvoeringsbrief «Aanval op de schooluitval: een kwestie van uitvoeren en doorzetten» aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2007–2008, 26 695, nr. 42). Om de doelstelling van het project te bereiken worden de acties van het al ingezette beleid versterkt en krachtiger uitgevoerd. Dit betekent in ieder geval:

• extra aandacht voor een soepele overgang VMBO-MBO;

• betere loopbaanoriëntatie, studiekeuze en begeleiding;

• meer en betere zorg op school;

• aantrekkelijker onderwijs met sport en cultuur;

• meer ruimte voor VMBO scholieren die het beste leren met hun handen;

• meer maatwerktrajecten om uitval te voorkomen;

• inzet van 20 000 Elders Verworven Competentie-trajecten (EVC) en duale trajecten voor schooluitvallers van 18 tot 23 jaar. De groenpluk wordt verder tegengegaan door onder andere de werkleerplicht en afspraken met werkgevers tijdens de Participatietop over scholing van werkende jongeren zonder startkwalificatie (Kamerstukken II, 2006–2007, 29 544, nr.49).


Verder is onlangs de kwalificatieplicht ingevoerd. De effecten hiervan zullen zichtbaar worden in het schooljaar 2008–2009, omdat dan pas alle jongeren tot 18 jaar onder deze plicht vallen. In aanvulling op de kwalificatieplicht zal worden ingezet op een geïntegreerde landelijke aanpak van verzuim, met één loket om verzuim te melden.


Aanval op uitval doet het Rijk niet alleen. Samenwerking met gemeenten, ouders, scholen, bedrijfsleven, maatschappelijke werk, jeugdzorg, gemeenten en politie is essentieel. In het schooljaar 2006–2007 zijn met 14 RMC-regio’s convenanten afgesloten om het totaal aantal voortijdig schoolverlaters in die regio minimaal met 10% te verminderen ten opzichte van het schooljaar 2004–2005. Het totaal was in deze periode circa 17%. Voor de periode tot en met schooljaar 2010–2011 zullen met de scholen en de 39 RMC-regio’s nieuwe convenanten worden afgesloten. Met hen worden reducties tot 40% afgesproken.

Tabel: voortgang ontwikkeling van de afname van voortijdig schoolverlaten

Ontwikkeling aantal nieuwe VSV’ers Aantal nieuwe VSV’ers dit jaarReductie t.o.v. voorgaand jaarReductie sinds 2002
Situatie per 2002 (*)2002/3 (*)2003/4 (*)2004/52005/62006/72007/82008/ 92009/102010/1171 00064 00064 000 62 50056 50053 00048 50044 000 39 50035 000 7 00001 500 6 0003 5004 5004 5004 5004 500 7 0007 0008 50014 50018 00 022 50027 00031 50036 000

(*) Cijfers voor 2002 tot en met 2004 zijn nog op basis van RMC-rapportagegegevens. Vanaf 2004/2005 wordt gemeten op Onderwijsnummer (ON). Cijfers vanaf 2007/2008 en verder zijn geschat. De daling van 4 500 vanaf 2007/2008 is een verwachte gemiddelde daling per jaar. Aantallen zijn afgerond op hele en halve duizendtallen.

10. Veiligheid begint bij voorkomen

Met het project «Veiligheid begint bij voorkomen» is aan het veiligheidsbeleid een nieuwe impuls gegeven. Doel van het project is een reductie van de criminaliteit en overlast met 25% in 2010 ten opzichte van 2002. Uw Kamer is bij brief van 6 november 2007 (Kamerstukken II, 2007–2008, 28 684, nr.119) geïnformeerd over de reikwijdte van het project. De ontwikkeling van de veiligheidssituatie wordt jaarlijks gemonitord met behulp van de «Veiligheidsmonitor Rijk» en de «Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven». De tendens die zich daarin aftekent is op onderdelen positief. Uw Kamer is hierover bij brief van de ministers van Justitie en van BZK en Koninkrijksrelaties van 29 april jl. geïnformeerd. Het percentage Nederlanders dat zich wel eens onveilig voelt is de afgelopen jaren gedaald van 23.7% in 2006 naar 20% begin 2008. Gelet op de herberekende doelstelling van het project «Veiligheid begint bij voorkomen» (over de herberekening werd u ingelicht in eerder genoemde brief) is ten opzichte van het nieuwe referentiejaar 2006 de geweldscriminaliteit met ongeveer 6% gedaald en de vermogenscriminaliteit met bijna 8%. De door de burgers ervaren ernstige overlast en fysieke verloedering is echter gelijk gebleven. De met het voormalige «Veiligheidsprogramma» ingezette trend van afnemende criminaliteit wordt derhalve voortgezet. Daarmee zijn ook de doelstellingen van het project «Veiligheid begint bij voorkomen», voor wat betreft de criminaliteitcijfers, dichterbij gekomen.

Hoewel het algemene beeld dat oprijst uit de Veiligheidsmonitor positief is, hebben sommige vormen van criminaliteit een weerbarstig karakter. De ontwikkeling van bepaalde categorieën geweldscriminaliteit stemt nog niet gerust. Zo is het aantal overvallen, na een aanvankelijke daling, thans weer gestegen. Ook is de recidive bij jeugdigen gestegen. Met betrekking tot overlast en verloedering hebben wij eveneens nog een forse route af te leggen. In het actieprogramma «Overlast en verloedering» (aan uw Kamer aangeboden op 10 maart 2008) is een groot aantal stappen opgenomen dat moet leiden tot een substantiële daling van de ervaren overlast en verloedering.


Het project «Veiligheid begint bij voorkomen» omvat de aanpak van agressie en geweld, diefstal, criminaliteit tegen ondernemingen, overlast en verloedering, risicojongeren en recidivisten en de bestrijding van ernstige vormen van criminaliteit. Daarbij wordt intensief samengewerkt met openbaar ministerie, politie, het lokale bestuur, maatschappelijke organisaties en burgers. De aanpak kenmerkt zich door een combinatie van preventie, bestuurlijke en strafrechtelijke handhaving en nazorg, waarbij een persoonsgerichte aanpak voorop staat. Het project krijgt daarmee meer het karakter van een programma. In het onderstaande wordt ingegaan op de belangrijkste ontwikkelingen binnen diverse onderdelen:

• actieplan «Overlast en verloedering»: door een gezamenlijke aanpak van Rijk en gemeenten wordt de (jeugd)overlast en de verloedering in vooral de achterstandswijken bestreden. De maatregelen hebben hun beslag gekregen in het actieplan «Overlast en verloedering», bij brief van 10 maart 2008 aangeboden aan uw Kamer (Kamerstukken II, 2007–2008, 28 684, nr.130). Hierin is het resultaat geïncorporeerd van het overleg met de vier grote steden over de maatschappelijke onrust die zich eind 2007 heeft gemanifesteerd in onder andere Slotervaart (Amsterdam) en Kanaleneiland (Utrecht). Omdat gemeenten de lokale problematiek het beste kennen, krijgen ze ook een centrale rol in de aanpak van schadelijk alcoholgebruik. In alle grotere steden komen Veiligheidshuizen. Vanaf 31 december 2007 zijn 24 Veiligheidshuizen operationeel. Hierin werken gemeenten, jeugd- en zorginstellingen, politie en justitie samen in de integrale aanpak van criminaliteit en overlast. Om de criminaliteit en recidive onder jongeren te verminderen, is per 1 februari 2008 de Wet gedragsbeïnvloeding jeugdigen in werking getreden.

• overdracht ex-gedetineerden: uit overleg met gemeenten is gebleken dat een sluitende overdracht van ex-gedetineerden aan de gemeenten een aandachtspunt is. In samenwerking is daarom ingezet op een verbetering hiervan: het aantal gemeentelijke coördinatiepunten voor nazorg is gestegen van 183 naar 339 (dat is 76% van alle gemeenten).

• huiselijk geweld: om huiselijk geweld effectief te bestrijden is in 2007 de invoering van de Wet tijdelijk huisverbod voorbereid. Ter uitvoering van de motie-Dittrich over registratie van de herkomst van daders en slachtoffers zijn in twee politieregio’s «pilots» uitgevoerd.

• programma «Versterking aanpak georganiseerde misdaad»: dit is in 2007 tot stand gekomen (Kamerstukken II, 2007–2008, 29 911, nr.10). In februari 2008 is ook het actieprogramma «Bestuurlijke aanpak (georganiseerde) misdaad» naar uw Kamer gezonden (Kamerstukken II, 2007–2008, 29 911/28 684, nr. 11). Dit programma faciliteert de bestuurlijke aanpak van georganiseerde misdaad op lokaal niveau. Onderdeel van de aanpak is het krachtig stimuleren van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB). Ook is gewerkt aan de verbreding van de aanpak van mensenhandel, waarbij wordt samengewerkt met het bestuur en overige instanties.

• actieplan «Veilig ondernemen»: sinds 2007 wordt hiermee uitvoering gegeven aan de bestrijding van diefstal in de bouw, vernieling in de detailhandel en geweld in de horeca. Om het ophelderingspercentage bij woninginbraken te verhogen is door de politie een begin gemaakt met het aantrekken van 500 extra forensische assistenten. Ook is, onder meer door de ingebruikname van het fietsendiefstalregister, een aanvang gemaakt met het terugdringen van het aantal fietsendiefstallen: in 2007 met 72 000.

• de toegezegde 500 extra wijkagenten worden verdeeld in vier tranches van 125 waarvan de eerste in 2008 beschikbaar komt.

d. Evaluatie werkwijze pijlers, projecten en programmaministers

Het kabinet heeft met de wijze waarop het zijn voornemens wil aanpakken een benadering gekozen die deels voortbouwt op het fenomeen van het door het kabinet Balkenende I in 2002 geïntroduceerde «Beleidsprogramma» (als nadere verkenning van een regeerakkoord van Tweede Kamerfracties) en die deels nieuwe elementen bevat. Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen in de Eerste Kamer op 16 oktober 2007 heeft het kabinet toegezegd in het voorjaar van 2008 een evaluatie te laten opstellen van de werkwijze van het kabinet met twee programmaministers, zes pijlers en tien projecten. Om te beginnen volgt een korte toelichting op de door het kabinet gekozen werkwijze, waarna de conclusies van de evaluatie zullen worden beschreven.

Toelichting werkwijze

In het Beleidsprogramma 2007–2011 «Samen werken, samen leven» is een nadere uitwerking gegeven van het gelijknamige Coalitieakkoord. Hierin is aangegeven hoe het kabinet de komende jaren de (gezicht)bepalende doelstellingen gaat omzetten in concrete resultaten. In de mate van concreetheid van doelstellingen, van de financiële vertaling en van de toegankelijkheid voor burgers, gaat dit Beleidsprogramma weer een stap verder van die van 2002 en 2003. Zes pijlers dienen als basis voor het Coalitieakkoord, het Beleidsprogramma en de jaarlijkse concretisering in de Miljoenennota en de departementale begrotingen. De onderraden van de ministerraad zijn overeenkomstig de beschrijving van de pijlers in het Beleidsprogramma vormgegeven1. Doelstelling van de pijlerstructuur is een bijdrage te leveren aan een samenhangende en ontkokerde beleidsvoorbereiding.


Concreet gaat het om de volgende pijlers, met tussen haakjes de desbetreffende onderraad en de coördinerende bewindsperso(o)n(en) daarvan2:


1. Een actieve internationale en Europese rol (Raad voor Internationale en Europese Zaken (RIEZ): coördinerend minister is de minister van BZ);

2. Een innovatieve, concurrerende en ondernemende economie (Raad voor Economie, Kennis en Innovatie (REKI): coördinerend minister is de minister van EZ);

3. Een duurzame leefomgeving (Raad Duurzame Leefomgeving (RDL): coördinerend minister is de minister van VROM);

4. Sociale samenhang (Raad voor Sociale Samenhang (RSS): coördinerend ministers zijn de ministers van SZW en voor WWI);

5. Veiligheid, stabiliteit en respect (Raad voor Veiligheid en Rechtsorde (RVR): coördinerend ministers zijn de ministers van Jus en BZK);

6. Overheid en dienstbare publieke sector (Raad voor Bestuur (RB): coördinerend minister is de minister van BZK).

Daarnaast is er nog de onderraad voor de nationale veiligheid (Raad voor Nationale Veiligheid/RNV) en de onderraad voor Koninkrijksrelaties (Raad voor Koninkrijksrelaties/RKR). Elke onderraad heeft één of twee ambtelijke voorportalen, die in principe worden voorgezeten door een secretaris-generaal.


In het Coalitieakkoord is een investeringsagenda per pijler opgenomen, verdeeld over diverse «enveloppen». In het Beleidsprogramma is een eerste uitwerking beschreven. De financiële verdeling is verfijnd in de departementale begrotingen voor 2008. Daarmee is deze verdeling afgerond en transparant gemaakt.3


Ook de in het Beleidsprogramma beschreven 10 projecten beogen integrerend te werken voor zowel beleid, in de uitvoering als tussen de ministeries. Daarnaast zijn de 10 projecten beeldbepalend voor het kabinet en geven ze profiel aan de zes pijlers uit het Coalitieakkoord. Per project is één minister verantwoordelijk gemaakt. In paragraaf 2c is ingegaan op de voortgang van deze projecten.


De benoeming van twee programmaministers geeft uitdrukking aan twee prioriteiten van het kabinet: aandacht voor jeugd en gezin en voor wonen, wijken en integratie.

De programmaministers voor Jeugd en Gezin en voor Wonen, Wijken en Integratie opereren op basis van een politiek mandaat en maken gebruik van departementsoverstijgende instrumenten ten aanzien van personele en financiële middelen. Er is sprake van horizontale sturing zonder dat hiervoor grootschalige en tijdrovende organisatorische wijzigingen binnen de rijksoverheid nodig zijn geweest. Zo hebben de betrokken secretarissen-generaal van de ministeries van VWS, Justitie, SZW en OCW een besturingsmodel vastgesteld dat het opdrachtgeverschap en eigenaarschap voor het programmaministerie voor Jeugd en Gezin regelt.


Beide programmaministers worden beleidsmatig direct ondersteund door een programma-DG, die een beroep doet op ambtenaren van meerdere ministeries. Voor het overige geldt dat de ambtelijke ondersteuning van projecten geschiedt door de desbetreffende ministeries, onder «normale» ministeriële verantwoordelijkheid. Op grond van hun benoemingsbesluit zijn de programmaministers verantwoordelijk voor de met het programma corresponderende wetgeving. Het nadrukkelijke verschil met de ministers voor Grotestedenbeleid, voor Vreemdelingenbeleid en Integratie en voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties van voorgaande kabinetten, is dat de programmaministers voor Jeugd en Gezin en voor WWI over een eigen, zelfstandige begroting beschikken vanaf het jaar 2008. Hiervoor hebben begrotingsartikelen van bestaande begrotingshoofdstukken de basis gevormd en is de Comptabiliteitswet in 2007 aangepast.

Conclusies evaluatie

Basis voor de evaluatie zijn gesprekken met diverse betrokkenen geweest: bewindspersonen en voorzitters van ambtelijke voorportalen, ambtelijke secretarissen van onderraden en de twee programma-DG’s. De samenvattende conclusie na één jaar is dat de werkwijze met pijlers, projecten en programmaministers wordt onderschreven en dat tijdens de huidige kabinetsperiode geen wijzigingen noodzakelijk zijn. Vergroting van interdepartementale samenwerking en ontkokering – ondanks de geldende individuele ministeriële verantwoordelijkheid – zijn de laatste jaren al ingezet. Voorbeelden zijn de Operatie Jong, de projectdirectie Leren en Werken, de Taskforce Jeugdwerkloosheid en eveneens, zoals al gesteld, de vorm van de twee voorgaande Beleidsprogramma’s. Met de werkwijze van het huidige kabinet is hierin een volgende fase ingetreden en wordt verder gewerkt aan een flexibele Rijksoverheid, dat tevens raakt aan de essentie van het programma «Vernieuwing Rijksdienst». Evenwel is over de werkwijze aan de start van de kabinetsperiode niet bij iedereen dezelfde verwachting geweest, getuige de tijdens de APB van de Eerste Kamer op 16 oktober 2007 gestelde vragen.


Overigens zij opgemerkt dat elke structuur en werkwijze haar voordelen en beperkingen kent. De ideale structuur of werkwijze bestaat niet, mede omdat mensen uiteindelijk van invloed zijn op het functioneren ervan. Pragmatische oplossingen bieden dan uitkomst. Ook is het werken met pijlers, projecten en programma’s van ondergeschikt belang aan het kabinetsbeleid: de werkwijze is het instrument en niet het doel op zich.

Pijlers

De zes pijlers van het Coalitieakkoord hebben enerzijds focus gegeven en een richtinggevende werking gehad bij de totstandkoming van het Beleidsprogramma en de begroting 2008. De pijlerstructuur heeft ordenend gewerkt voor de inrichting van onderraden van de ministerraad en de ambtelijke voorportalen van deze onderraden. Anderzijds kan worden geconcludeerd dat de pijlers minder gewicht hebben gekregen als ordenend element in het verkeer met de Staten-Generaal.


De coördinerend ministers vervullen binnen de pijlers de gebruikelijke rol van coördinerend bewindspersoon van een onderraad. Binnen het kabinet bestaat niet de behoefte hierin verandering aan te brengen. In kabinetsstukken zal de pijlerstructuur wel consequenter terugkeren.

Projecten

De tien projecten hebben een waardevolle bijdrage geleverd aan het verminderen van de verkokering en aan een integrale benadering van beleid. Ter uitvoering van een aantal projecten zijn tijdelijke projectgroepen/-directies opgericht (bijvoorbeeld de interdepartementale projectdirectie Kennis en Innovatie). Het programma «Randstad Urgent» kan eveneens als voorbeeld worden gezien van het organiseren van gezamenlijkheid zonder herschikking van verantwoordelijkheden. Daarnaast vindt op topambtelijk niveau sturing plaats.


De benoeming van de tien projecten heeft een gunstig effect gehad op de politieke agendering. De werkwijze heeft aan de voortgang van de tien projecten een positieve bijdrage geleverd, zoals in paragraaf 2c. («Voortgang tien projecten» valt te lezen. Naast de tien projecten is er behoefte om gericht meer toegespitste thema’s te kunnen laten aanpakken door een beperkt aantal bewindspersonen. Niet alles laat zich in de mal van pijlers en onderraden persen. Daarom verkent het kabinet de mogelijkheden van kleine «bestuurlijke teams» van bewindspersonen, die voor korte of langere tijd functioneren. Zo’n bestuurlijk team wordt idealiter bediend door één ambtelijk projectleider, die op zijn beurt zonder «organisatorische herverkavelingen» wordt ondersteund vanuit de betrokken ministeries. Zo fungeren de ministers van BZK en Justitie reeds de facto als bestuurlijk team voor het project «Veiligheid begint bij voorkomen», ondersteund door een projectdirectie. Samen met de staatssecretarissen van BZK, Financiën en EZ vormt de minister-president het bestuurlijk team «Vermindering regeldruk», ondersteund door de projectdirectie Regiegroep Regeldruk van de ministeries van EZ en Financiën (t.a.v. bedrijven) en door een directie van BZK (t.a.v. burgers).

Programmaministers

Omdat hiervoor twee programmaministers zijn benoemd, trekken de twee speerpunten van beleid Jeugd en Gezin en Wonen, Wijken en Integratie veel aandacht in de buitenwereld. Een programmaminister heeft daarom een duidelijker profiel dan een minister die verantwoordelijk is voor een project. Dit levert soms ook beperkingen op: de verwachtingen van een programmaminister stemmen niet altijd overeen met de feitelijke bevoegdheden omdat veel verantwoordelijkheden zijn gedelegeerd naar het lokale bestuursniveau. Medewerkers van de bij de programma’s betrokken ministeries maken door middel van de werkwijze kennis met verschillende invalshoeken en organisatieculturen en kunnen hiermee rekening houden (dit geldt overigens ook voor de tien projecten). Werken voor meerdere ministers wordt daarmee gangbaar, wat bijdraagt aan de ontkokering tussen ministeries.


Ten aanzien van de programmaminister voor Jeugd en Gezin heeft de afbakening van taken en portefeuilles met de ministeries van OCW, SZW en Justitie enige tijd en energie gevergd. Ook is het noodzakelijk geweest integrale ambtelijke ondersteuning op het beleid te organiseren wegens een gebrek aan kennis van het beleidsterrein binnen de bestaande organisatie. Voorts is er sprake geweest van diverse opstartproblemen in de bedrijfsvoering. Dit is in de loop van 2007 verholpen.


Ook het ministerie voor WWI heeft bij aanvang te maken gehad met operationele belemmeringen bij de samenwerking tussen medewerkers van verschillende ministeries. Een belangrijk verschil met het ministerie voor Jeugd en Gezin is dat de programmaminister voor WWI heeft kunnen terugvallen op het «oude» DG Wonen van het ministerie van VROM als basis voor het programmaministerie. De directies Grotenstedenbeleid en Integratie- en Inburgeringsbeleid zijn van het ministerie van BZK respectievelijk en het ministerie van Justitie naar het ministerie voor WWI overgebracht. Daarin verschilt het ook van het ministerie voor Jeugd en Gezin. Voor beide ministeries geldt – samenvattend – dat deze na aanvankelijke knelpunten naar tevredenheid van de betrokkenen functioneren.


Tot slot is het kabinet positief over het feit dat de Tweede Kamer op de terreinen van Jeugd en Gezin en van Wonen, Wijken en Integratie een afzonderlijke Kamercommissie in het leven heeft geroepen. Dit komt bespreking van nota’s en behandeling van begrotingen van de twee departementsoverstijgende programma’s ten goede.

e. Tot slot

Met deze algemene verantwoordingsbrief wil het kabinet de politieke verantwoording over de samenhang van het Beleidsprogramma én de reguliere begrotings- en verantwoordingscyclus meer kleur en focus geven. De uitvoering van het Beleidsprogramma is thans een jaar onderweg. Hierin zijn de uitgangspunten voor beleidsinhoud, wet- en regelgeving, werkwijze en planning bepaald. Inmiddels worden, als gevolg van door de overheid en andere spelers gepleegde inzet, de eerste contouren zichtbaar van resultaten en effecten. Het beeld dat hieruit ontstaat is op belangrijke onderdelen betekenisvol, maar tegelijkertijd wordt onderkend dat er nog veel werk moet worden verzet. Het kabinet heeft echter de overtuiging dat met name in het tweede en derde jaar van deze kabinetsperiode de beleidsresultaten verder vorm kunnen krijgen en rekent daarbij op steun en medewerking van uw Kamer.


De minister-president, Minister van Algemene Zaken,
J. P. Balkenende

1  In tegenstelling tot het Coalitieakkoord is zorg opgenomen in pijler IV en niet in pijler VI.

2  De voor onderraden coördinerende bewindspersonen hebben de gebruikelijke taak om een ordelijke aanlevering van stukken daarvan te bewerkstelligen. Er is dus geen sprake van een andere situatie dan in voorgaande kabinetten. Elke bewindspersoon is verantwoordelijk voor zijn «eigen» wetgeving. Coördinerende ministers treden daarvoor niet in de plaats.

3  Het kabinet is eind februari 2007 aangetreden na de TK-verkiezingen van november 2006. Dit in tegenstelling tot voorafgaande kabinetten die in augustus aantraden na TK-verkiezingen in mei. Enerzijds heeft dit kabinet daardoor in juni i.p.v. «pas» in september (bij Prinsjesdag) haar Beleidsprogramma kunnen presenteren, inclusief een eerste verdeling van de financiële enveloppen. Anderzijds is die eerste verdeling van de enveloppen, vooruitlopend op nadere specificatie in de Miljoenennota 2008 in- en extern ervaren als «een extra fase» in het budgettaire proces.