Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2. BELEIDSAGENDA NATIONALE SCHULD

Het ministerie van Financiën is – onder meer – verantwoordelijk voor de voorbereiding en uitvoering van het financieringsbeleid, waaronder ook het kasbeheer van het Rijk. In de hieronder opgenomen beleidsagenda wordt eerst ingegaan op rentekosten en staatsschuld in 2007 en op de belangrijkste mutaties sinds ontwerpbegroting 2006. Daarna wordt stilgestaan bij beleid en beleidsprioriteiten voor 2007.

2.1 Rentekosten en Staatsschuld in 2007

De raming voor de rentekosten in 2007 bedraagt € 9,3 mld. Het totale bedrag aan rentekosten komt overeen met ongeveer 2% BBP.


De omvang van de staatsschuld ultimo 2007 bedraagt naar verwachting circa € 218,6 mld., ofwel 39,4% van het BBP. Tabel 1 geeft een overzicht van de gerealiseerde respectievelijk verwachte staatsschuld aan het einde van ieder jaar, alsmede de daarbij behorende meerjarige rentekosten. Daarnaast is tevens de interne schuldverhouding met aan de schatkist gelieerde instellingen opgenomen alsmede de daarbij behorende rentekosten.

Tabel 1: Uitstaande staatsschuld en rentekosten (stand ontwerpbegroting 2007 x € 1 mld.)
 200520062007
EMU-schuld266266265
Staatsschuld conform EMU-definitie222,8220,5218,6
Rentekosten staatsschuld9,59,39,3
Interne schuldverhouding6,53,92,4
Rentekosten interne schuldverhoudingen1– 0,100

1 Exclusief de louter interne boekhouding van het Rijk betreffende rentevergoedingen aan het FES en het AOW-spaarfonds.


In tabel 2 worden de belangrijkste mutaties in de rentekosten vanaf de ontwerpbegroting 2006 weergegeven. De operationele doelstellingen die ten grondslag liggen aan de beleidsmatige mutaties worden toegelicht in hoofdstuk 3.

Tabel 2: Belangrijkste beleidsmatige mutaties sinds ontwerpbegroting 2006 (x € 1 mln.)
 200620072008200920102011artnr.
        
Stand ontwerpbegroting 2006111 00712 64214 07415 34316 717  
        
Mutaties:      1
Interest rate swaps– 69– 53– 5– 49– 48 1
Bijstelling kapitaalmarktberoep– 211– 723– 1 207– 1 556– 1 859 1
Bijstelling rekenrente217– 343– 365– 365– 365 1
Effect van schulduitgifte– 151– 175– 176– 176– 176  
Bijstelling rente interne schuldverhoudingen1 057509– 160– 679– 1 396 2
Overig64– 5– 70– 97– 40 1,2
        
Stand ontwerpbegroting 2007111 91511 85312 09212 42112 83313 434 

1 Stand ontwerpbegroting betreft in deze tabel het saldo van de rente-uitgaven en -ontvangsten vermeerderd met het saldo van de overige apparaatuitgaven en -ontvangsten. Dit totale saldo wordt aangeduid als rentekosten. Uitsplitsing vindt plaats in de beleidsartikelen en in de verdiepingsbijlage.


De rentekosten over de Staatsschuld liggen voor een groot deel vast. Dit komt omdat deze kosten grotendeels het gevolg zijn van de tekortontwikkeling in het verleden en de keuzes die toen gemaakt zijn in het uitgiftebeleid. Wijzigingen in de kosten vloeien afgezien van de kosten van swaps voort uit het deel van de schuld dat in een jaar wordt geherfinancierd en uit de ontwikkeling van het tekort. Indien de rente waartegen nieuwe schuld wordt uitgegeven en de omvang van de uitgifte afwijken van de hiervoor gemaakte veronderstellingen, heeft dit budgettaire consequenties, welke in deze tabel zichtbaar worden gemaakt.

2.2 Beleid en beleidsprioriteiten 2007

Financieringsbeleid

De beleidsprioriteiten voor 2007 zijn:

1. Het sturen, met de uitgifte van staatsleningen in 2007, op een risicobedrag in 2008 van circa 9% BBP. Hierbij geldt als randvoorwaarde dat het bereiken van 9% in latere jaren niet mag worden bemoeilijkt.

2. Afronden van de herijking van het risicomanagement, teneinde het beleidskader voor 2008 tot en met 2011 vast te stellen.


De Staat heeft als doelstelling om schuld en tekort tegen zo laag mogelijke kosten te (her)financieren bij een aanvaardbaar risico. Om dit te realiseren, is een aantal randvoorwaarden van belang. Dit betreft onder andere liquiditeit, transparantie, standaardisatie en een goede verhandelbaarheid van leningen na uitgifte. Door deze randvoorwaarden in acht te nemen verbetert de Staat de aantrekkelijkheid van Nederlandse staatsleningen als belegging. Dit heeft een gunstig effect op de prijs van staatsleningen bij de uitgifte.

Herijking risicomanagement: afronding in 2007

Bij het beheer van de Staatsschuld speelt het risicomanagement een belangrijke rol. In 2006 is gestart met de herijking van het risicomanagement. Een dergelijke herijking van het risicomanagement vindt in beginsel iedere vier jaar plaats en is erop gericht om opnieuw de uitgangspunten van het risicomanagement onder de loep te nemen, rekening houdend met omstandigheden die in de loop van de jaren gewijzigd zijn. Het risicomanagement van de Staatsschuld is volgend aan het begrotingsbeleid in den brede. Om daarmee in de pas te lopen, zal de herijking niet zoals eerder aangekondigd in 2006, maar in het voorjaar van 2007 worden afgerond. Het vormt vervolgens de basis voor het beleidskader voor risicomanagement voor de periode 2008–2011.

In 2007 wordt het kader voor risicomanagement, dat in 2002 voor de periode 2003-2006 was vastgesteld, nog een jaar gecontinueerd. Dit betekent dat voor dit jaar de doelstelling om een basisrisicobedrag van 9% BBP te realiseren wordt voortgezet. Dit is het bedrag waarvoor binnen een jaar de rente wordt vastgesteld en waarover dus renterisico wordt gelopen.


Voor het meten van prestaties in de geldmarkt is in 2004 een benchmark toegevoegd aan het financieringsbeleid. Deze benchmark dient om de kosten bij een aanvaardbaar risico zo laag mogelijk te houden. Voor de geldmarkt wordt het EONIA (European Overnight Index Average) aangehouden.

Voor de kapitaalmarkt zal ook onderzoek naar de mogelijke implementatievan een dergelijke benchmark verricht worden. Het onderzoek naar een benchmark voor de kapitaalmarkt is het meest zinvol als de eerste contouren van het nieuwe risicomanagement kader zich aftekenen. Het onderzoek wordt daarom niet reeds dit jaar maar in 2007 gestart.

Kasbeheer

De beleidsprioriteit in 2007 ligt bij het bestendigen van de praktijk van geïntegreerd middelenbeheer met RWT’s. Hierbij zal de nadruk liggen op het begeleiden en adviseren van de deelnemende instellingen. Naar het zich nu laat aanzien zullen per eind 2006 circa 155 RWT’s deelnemen aan geïntegreerd middelenbeheer, waaronder alle verplicht deelnemende instellingen en ongeveer 65 op vrijwillige basis deelnemende onderwijsinstellingen.


Geïntegreerd middelenbeheer is een belangrijk instrument bij het zo efficiënt mogelijk omgaan met de gelden, die zijn toegewezen aan de rijksoverheid en aan de aan haar gelieerde instellingen. Kenmerk ervan is het bundelen van alle geldstromen. Geïntegreerd middelenbeheer wordt thans toegepast op ministeries, baten-lastendiensten, begrotingsfondsen, sociale fondsen en rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s). De wettelijke grondslag voor de deelname van zoveel mogelijk RWT’s van redelijke omvang ligt in de «1e wijziging Comptabiliteitswet 2001».


Via geïntegreerd middelenbeheer houden RWT’s de door hen beheerde publieke middelen rentedragend aan in de schatkist. Hierdoor verlaten deze middelen de schatkist pas wanneer ze daadwerkelijk nodig zijn voor de publieke taak. Doel hiervan is risicoloos en doelmatig kasbeheer en een doelmatige financiering van publieke taken. De instellingen ontvangen een marktconforme rentevergoeding en hebben, onder voorwaarden, de mogelijkheid te lenen bij de schatkist.


Van belang bij het kasbeheer van de rijksoverheid is naast geïntegreerd middelenbeheer ook een betrouwbare en efficiënte afwikkeling van het betalingsverkeer van ministeries en baten-lastendiensten. Daartoe worden de betaaldiensten van de rijksoverheid centraal ingekocht, hetgeen ook kostenvoordelen met zich meebrengt. In 2007 lopen de contracten voor de afwikkeling van het betalingsverkeer van de ministeries af. Op basis van in 2006 uitgevoerde evaluaties zal in 2007 voor elk van deze contracten gekozen worden voor verlenging (nog één keer mogelijk voor twee jaar) dan wel voor vernieuwing door middel van een Europese aanbesteding.