Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

3.1 Financiering Staatsschuld

3.1.1 Algemene beleidsdoelstelling

Het voorzien in de financieringsbehoeften van de Staat en een effectief en efficiënt beheer van de staatsschuld.

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Om de Staatsschuld zo goedkoop mogelijk te financieren bij een acceptabel niveau van risico voor de rijksbegroting neemt het ministerie van Financiën het beheer van de Staatsschuld en de activiteiten die hieruit voortvloeien voor zijn rekening.

Verantwoordelijkheid

De minster van Financiën is verantwoordelijk voor:

• Het voorzien in de financieringsbehoeften van de Staat;

• Een effectief en efficiënt beheer van de staatsschuld.

Succesfactoren

• Fluctuaties in het renteniveau bepalen mede de rentekosten en het risico op mogelijke mee- of tegenvallers daarin. Door het financierings- en risicobeleid wordt geprobeerd dit risico en de omvang van de rentekosten te beperken;

• Daarnaast kunnen als gevolg van het algemene budgettaire beleid en de conjunctuur, via het begrotingssaldo, veranderingen optreden in de financieringsbehoefte van de Staat. In het financieringsbeleid wordt getracht een buffer aan te brengen die onverwachte wijzigingen kan opvangen.

3.1.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3: Budgettaire gevolgen van beleid (x € 1 mln.)1
 2005200620072008200920102011
Totaal Uitgaven41 68835 37536 41631 27938 10033 52424 223
        
Totaal Programma-uitgaven41 66935 35436 39531 25838 07933 50324 202
        
Rentelasten vaste schuld9 0138 5298 2898 5768 8919 2839 580
Rentelasten vlottende schuld5049151 1451 3081 3081 3081 308
Uitgaven voortijdige beëindiging1452500000
        
Aflossing vaste schuld26 86225 88526 96121 37427 88022 91213 314
Mutatie vlottende schuld5 146000000
        
Totaal Apparaatuitgaven19212121212121
Apparaatuitgaven4333433
Overige kosten schulduitgifte15181818181818
        
Totaal Ontvangsten32 33629 60725 16622 38630 09625 15012 398
        
Totaal Programma-ontvangsten32 33629 60725 16622 38630 09625 15012 398
        
Rentebaten vaste schuld881291188411211266
Rentebaten vlottende schuld102313641414141
Ontvangsten voortijdige beëindiging7000000
Uitgifte vaste schuld32 11123 44725 01222 26129 94324 99712 291
Mutatie vlottende schuld06 00000000
Openingsbalans29000000

1 Als gevolg van afronding in miljoenen kan de som der delen afwijken van het totaal.

Toelichting op budgettaire gevolgen van beleid

Algemeen

Omdat het toerekenen van de uitgaven en ontvangsten aan de operationele doelstellingen (zie paragraaf 3.1.3) geen extra cijfermatig inzicht geeft, wordt dit op dit artikel achterwege gelaten.


De totale uitgaven en totale ontvangsten zijn opgebouwd uit vier onderdelen. Ten eerste worden rentelasten en rentebaten verantwoord. Ten tweede zijn de aflossing en uitgifte vaste schuld in de tabel opgenomen. Als derde onderdeel is de mutatie vlottende schuld opgenomen. De vierde post betreft de apparaatuitgaven. Deze bestaat uit de apparaatuitgaven ten behoeve van de directie die de staatsschuld beheert en uit kosten voor fees samenhangend met de uitgifte van schuld.

Rentelasten en rentebaten

Binnen de rentelasten wordt een onderscheid gemaakt tussen de rentelasten vaste schuld (schuld met een oorspronkelijke looptijd langer dan een jaar), de rentelasten vlottende schuld (korter dan een jaar) en uitgaven voortijdige beëindiging. De grootste post binnen de rentelasten wordt gevormd door de rentelasten over de vaste schuld. De raming hiervoor is opgebouwd uit de rentelasten van bestaande leningen en de rentelasten van nog uit te geven schuld. De wijze waarop deze raming tot stand komt, wordt verder toegelicht in de verdiepingsparagraaf. De rentelasten over de vlottende schuld bestaan voornamelijk uit de rentelasten van kortlopende leningen (DTC’s). Daarnaast is hier ook een raming opgenomen voor de vergoeding over de debetstand van het schatkistsaldo. Deze debetstand wordt gedekt op de geldmarkt.


De rentebaten vaste schuld bestaan uit baten samenhangend met interest rate swaps. De Staat maakt gebruik van deze swaps sinds 2001. De huidige swapportefeuille zorgt per saldo voor een verkorting van de looptijd van de portefeuille, waardoor sprake is van rentebaten. Nieuwe swapcontracten en wijzigingen in de raming voor de korte rente kunnen leiden tot een wijziging in deze baten. De rentebaten vlottende schuld bestaan voornamelijk uit een vergoeding over tijdelijk op de geldmarkt uitgezette liquiditeiten als gevolg van een positief schatkistsaldo.

Aflossingen en uitgifte vaste schuld

Ieder jaar wordt een deel van de vaste schuld afgelost omdat het einde van de looptijd van leningen wordt bereikt. Daarnaast kan in het lopende jaar op beperkte schaal sprake zijn van vervroegde aflossingen, omdat de Staat een permanente inkoopfaciliteit beschikbaar stelt waarmee beleggers bepaalde oude leningen vroegtijdig kunnen terugverkopen aan de Staat.


De raming van de uitgifte van vaste schuld is opgebouwd uit de raming voor de aflossingen en de raming voor het financieringstekort op kasbasis. Er wordt dus verondersteld dat de afgeloste schuld weer opnieuw wordt uitgegeven en dat daarnaast extra uitgifte van vaste schuld plaatsvindt gelijk aan de omvang van het begrotingstekort. In werkelijkheid zal de uitgifte van vaste schuld tot op zekere hoogte afwijken van de som van het tekort en de aflossingen, omdat de uit te geven hoeveelheid vaste schuld wordt verkleind of vergroot door de hoeveelheid kortlopende schuld te laten toe- of afnemen. Tot dergelijke toe- of afname wordt mede besloten uit oogpunt van het te realiseren risicobedrag. Een en ander leidt tot een mutatie in de vlottende schuld aan het einde van het jaar.

Apparaatuitgaven

De apparaatuitgaven staatsschuld bestaan uit de personele en materiële kosten van het Agentschap van het ministerie van Financiën dat het beheer van de staatsschuld uitvoert. Daarnaast worden hier kosten verantwoord die samenhangen met de uitgifte van schuld. Het grootste deel van deze kosten betreft provisies voor banken die DSL’s afnemen.

Grafiek budgetflexibiliteit



kst99337_2_01.gif

Toelichting

De mate van budgetflexibiliteit kan worden afgeleid uit het nog niet-juridisch verplichte deel van de geraamde programma-uitgaven. Voor de begroting IXA Nationale Schuld is deze budgetflexibiliteit zeer gering, omdat de verplichtingen voornamelijk voortvloeien uit de in het verleden opgebouwde schuld. De verplichtingen die opgenomen zijn in de begroting IXA Nationale Schuld zijn daarom op grond van de Comptabiliteitswet 2001 gelijk gesteld aan de uitgaven.


De ontvangsten en uitgaven zijn voor 100% als juridisch verplicht aan te merken. De beleidsmatige ontvangsten en uitgaven met betrekking tot de operationele doelstellingen bestaan uit rente-ontvangsten en rentebetalingen als gevolg van transacties op de geld- en kapitaalmarkt.

3.1.3 Operationele doelstellingen

3.1.3.1 Operationele doelstelling 1

Lenen van lange gelden tegen zo laag mogelijke kosten binnen een aanvaardbaar risico.

Motivering

Om hiermee een laag niveau van rentekosten te realiseren, zonder dat sprake is van onacceptabele budgettaire risico’s.

Instrumenten

• Kapitaalmarkt en uitgifte DSL’s: op de kapitaalmarkt worden staatsleningen uitgegeven in looptijden van 3 tot 30 jaar. Jaarlijks geeft de Staat twee tot drie nieuwe leningen uit;

• Swaps: de Staat sluit renteswaps af indien het risico dat mede ontstaat door de uitgifte van staatsleningen bijgestuurd moet worden om het risicobedrag te realiseren;

• Inkoop: de Staat kan uitgegeven kapitaalmarktleningen terugkopen.

Meetbare gegevens

De doelstelling «lage kosten bij een acceptabel risico» is voor het financieringsbeleid als geheel geoperationaliseerd door middel van het basisrisicobedrag. Dit risicobedrag is het bedrag waarover in een jaar de rente opnieuw moet worden vastgezet en dat dus is blootgesteld aan rentewijzigingen. Meer dan de helft van dit risicobedrag bestaat uit de herfinanciering van de vaste schuld. Daarnaast draagt ook de herfinanciering van de geldmarktschuld bij aan het risicobedrag, evenals de swapportefeuille.

De risico’s voor de begroting die voortvloeien uit de staatsschuld worden in beginsel om de vier jaar opnieuw in kaart gebracht en gekwantificeerd. Op basis hiervan is in 2002 opnieuw een acceptabel risico voor de begroting geformuleerd voor de jaren 2003–2006. Hieruit is naar voren gekomen dat een acceptabel niveau van risico wordt gerealiseerd bij een basisrisicobedrag van 9% BBP per jaar. In verband met het streven om het nieuwe kader te laten aansluiten op het begrotingsbeleid in den brede, gaat het nieuwe kader in 2008 van start en wordt in 2007 het bestaande beleid gecontinueerd.

Er wordt in 2006 gestreefd naar een basisrisicobedrag van 9% BBP voor 2007. Dit risicobedrag is een ex ante doelstelling. Dat betekent dat het risicobedrag in een jaar als het ware wordt klaargezet door het uitgiftebeleid in de jaren ervoor. De keuzes die in een jaar worden gemaakt op het gebied van instrumenten en looptijden zijn dus mede bepalend voor het behalen van de streefwaarden in de jaren erna. Ook in 2007 wordt gestreefd naar een basisrisicobedrag van 9% BBP voor 2008.

Prestatie-indicatorBasiswaarde (2004)(2005)20062007200820092010
Basisrisicobedrag ten opzichte van het BBP9%8%9%9%Prestatie-indicator volgt uit herijking

In 2006 en 2007 vindt een herijking van het risicomanagement plaats, teneinde het beleidskader voor 2008 tot en met 2011 vast te stellen.

3.1.3.2 Operationele doelstelling 2

Lenen en uitlenen van korte gelden tegen zo laag mogelijke kosten respectievelijk zo hoog mogelijke opbrengsten binnen een aanvaardbaar risico.

Motivering

Om ervoor te zorgen dat het kastekort of kasoverschot op dagbasis op een efficiënte wijze wordt geleend respectievelijk wordt uitgezet in de geldmarkt.

Het lenen en uitlenen van korte gelden op de geldmarkt vormt een regulier onderdeel van het financieringsbeleid. Daarnaast dient de geldmarkt als buffer om het verschil in kasstromen na uitgifte van staatsleningen op de kapitaalmarkt op te vangen of om aan onvoorziene wijzigingen in het tekort tegemoet te komen als deze in de kapitaalmarkt niet (meer) kunnen worden opgevangen.

Instrumenten

• Geldmarkt en uitgifte DTC’s: op de geldmarkt worden korte leningen (DTC’s) uitgegeven in looptijden van 3 tot 12 maanden;

• Geldmarktdeposito’s: voor een dag tot maximaal een maand wordt geld geleend respectievelijk uitgezet bij marktpartijen in de geldmarkt. Bij het uitzetten wordt gebruik gemaakt van procedures ter beperking van het kredietrisico dat ontstaat;

• Swaps: de Staat gebruikt swaps om het risico van de geldmarktportefeuille bij te sturen.

Meetbare gegevens

Ook het lenen en uitlenen van korte gelden maakt onderdeel uit van het basisrisicobedrag van 9% van het BBP (zie operationele doelstelling 1).

Voor het meten van de prestaties in de geldmarkt wordt gebruik gemaakt van een benchmark. De benchmark voor de geldmarkt houdt in dat het Eonia (European OverNight Index Average) wordt gehanteerd als benchmark voor alle transacties die de Staat in de geldmarkt doet. De benchmark geldt dus zowel voor de uitgifte van DTC’s als voor de transacties die plaatsvinden om het schatkistsaldo te reguleren. Uit voorafgaand onderzoek is gebleken dat deze vorm van geldmarktfinanciering op middellange termijn zowel de laagste kosten als het laagste risico met zich meebrengt. De invoering van de EONIA benchmark zou gemiddeld genomen, over een periode van vier jaar een besparing opleveren ten opzichte van het oude beleid. Van jaar op jaar hoeft van een besparing geen sprake te zijn. In het jaarverslag worden de resultaten ten opzichte van de benchmark gerapporteerd.

De benchmark wordt in 2006 geëvalueerd. De verwachting is dat de benchmark in de toekomst zal worden gecontinueerd.

3.1.3.3 Operationele doelstelling 3

Bevordering van distributie, promotie, verhandelbaarheid en liquiditeit van staatsleningen.

Motivering

Om voor beleggers de aantrekkelijkheid van Nederlandse staatsleningen te vergroten, hetgeen bijdraagt aan het realiseren van lage rentekosten.

Instrumenten

Voor het realiseren van deze doelstelling worden diverse instrumenten ingezet.

• Voor de uitgifte van kapitaalmarktleningen wordt gebruik gemaakt van een stelsel van Primary Dealers. De banken die hier onderdeel van uitmaken, hebben het exclusieve recht om deel te nemen aan de «tap auctions» van staatsleningen. De Primary Dealers leveren een belangrijke bijdrage aan de promotie en afname van DSL’s en zijn ook mede verantwoordelijk voor het onderhouden van een secundaire markt in staatsleningen;

• Voor de kortlopende programma’s voor Dutch Treasury Certificates (DTC’s) bestaat een vergelijkbaar stelsel van Single Market Specialists;

• Voor nieuwe kapitaalmarktleningen wordt een uiteindelijke omvang van tenminste € 10 miljard nagestreefd;

• Er is een inkoopfaciliteit voor oude leningen met een zeer laag uitstaand volume.


De doelstelling wordt op een aantal manieren verder ondersteund.

• Beleggers worden geïnformeerd onder andere via

– roadshows en presentaties en

– publicaties (onder andere jaarbericht en kwartaalbericht).

• Actuele informatie wordt gepresenteerd op het internet ( www.dsta.nl).

Meetbare gegevens

De Staat streeft ernaar om meer dan 90% van de langlopende Staatsschuld te concentreren in leningen met een minimale omvang van € 10 mld.

Prestatie-indicatorBasiswaarde (2004)(2005)20062007200820092010
Minimaal aandeel van leningen met minimale omvang van € 10 mld. in langlopende staatsschuld89%87%90%90%Prestatie-indicator volgt uit herijking

In 2006 en 2007 vindt een herijking van het risicomanagement plaats, teneinde het beleidskader voor 2008 tot en met 2011 vast te stellen.

3.1.4 Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

 200620072008200920102011
Algemene doelstelling      
Beleidsdoorlichting XXX     
       
Operationele doelstelling 1      
Herijking risicomanagement YYY   YYY
Benchmark kapitaalmarkt YYY    
       
Operationele doelstelling 2      
Evaluatie geldmarktbenchmarkYYY     

XXX Beleidsdoorlichting

YYY Overig evaluatie-onderzoek