Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

BIJLAGE 6 – MILIEU

Algemeen

Defensie meet en registreert continu de milieubelasting ten gevolge van haar activiteiten. Hierbij spelen energieverbruik, luchtverontreiniging, geluidemissie, milieugevaarlijke stoffen, bodemverontreiniging, afvalreductie en natuurwaarden een rol. Tegelijkertijd wordt de realisatie van de milieudoelstellingen zoals opgenomen in de Defensie Milieubeleidsnota 2004 (DMB2004) gevolgd. Deze informatie wordt zowel voor verantwoording gebruikt in de vorm van dit jaarverslag, als voor bijsturing van de defensieactiviteiten.


De looptijd van de DMB2004 is eind 2008 verstreken. In onderstaande tabel is weergegeven hoe de realisatie van de 26 doelstellingen is verlopen. Daaruit blijkt dat 85% van de doelstellingen geheel en 15% deels zijn gerealiseerd. Intussen is de Defensie Duurzaamheidsnota 2009, de opvolger van de DMB2004, aan het Parlement aangeboden en per 1 januari 2009 in werking getreden.

Realisatie doelstellingen DMB2004 (2004 t/m 2008)
  Doelstelling Gerealiseerd Deels gerealiseerd
       
1a energetisch doorrekenen gebouwen    
       
1b 15% EE-verbetering gebouwen t.o.v. 1999    
       
2 75% duurzame elektriciteit    
       
3 meewerken aan 20 MW windturbines    
       
4 ontwikkelen geluidsmaten op schema  
       
5 bepalen geluidruimtebeslag objecten    
       
6 totaaloppervlak geluidruimte stijgt niet    
       
7 opstellen lijst gevaarlijke stoffen    
       
8 onderzoek emissie PBT-stoffen    
       
9 onderzoek veroorzakers fijn stof    
       
10 onderzoek emissiereductie fijn stof    
       
11 einddatum bodemsanering 2023 ipv 2010 op schema  
       
12 bodembeheerplannen voor 50 objecten    
       
13 integraal waterbeheersplannen 20 objecten    
       
14 inventarisatie hoeveelheden afval/    
  reductiedoelstellingen    
       
15 afvalstoffenmanagement    
       
16 afronden «Risicoanalyses munitieopslag Defensie»    
       
17 uitbreiden natuurmonitoringsysteem    
       
       
18 beheerplannen natuur op schema  
       
19 goedwerkende milieuzorgsystemen    
       
20 audits ADD milieuzorg    
       
21 STANAG 7141 EP    
       
22 toetsing doelstellingen/validatie milieugegevens    
  ADD    
       
23 opstellen afwegingskader materieelkeuzeproces    
       
24 E-labels/keurmerken voor handelsartikelen    
       
25 basisniveau Nationaal Dubo-pakket  
       
26 milieujaarverslag    
       

De belasting van het milieu wordt per milieuthema met behulp van indicatoren in beeld gebracht. Daarbij staan steeds de doelstellingen uit het milieubeleid en de realisatie daarvan vermeld evenals achtergronden en ontwikkelingen van het afgelopen jaar. Aan het slot van deze milieubijlage is een overzicht met alle indicatoren opgenomen.

Energie en klimaat

De energiedoelstellingen van Defensie zijn gebaseerd op de Europese richtlijn betreffende energieprestatie van gebouwen (2002), de energiebesparingnota van het ministerie van Economische Zaken van 1998, het vierde Nationale Milieubeleidsplan (2001) en de Bestuursovereenkomst Landelijke Ontwikkeling Windenergie (het BLOW-convenant). Intussen zijn daar de kabinetsdoelstellingen in het kader van het uitvoeringsprogramma «Schoon en Zuinig» aan toegevoegd. De belangrijkste indicatoren voor de prestaties op energiegebied zijn het totale energieverbruik van Defensie en de energie-efficiency van gebouwen.

Figuur 1 Totaal energieverbruik (in 1 000 GJ) van Defensie, onderverdeeld in het energieverbruik roerende- en onroerende zaken.

N.B.: de energieverbruikcijfers over 2007 zijn op basis van nagekomen informatie aangepast ten opzichte van het vermelde in het vorige jaarverslag.



kst128507_04.gif

Het totale energieverbruik van Defensie is ten opzichte van 2007 met 2% gestegen. Het energieverbruik van het materieel is als gevolg van operationele inzet met 1% gestegen ten opzichte van 2007; bij het onroerend goed is de stijging van het verbruik 4%, wat volledig is toe te schrijven aan een verhoogd elektriciteitsverbruik (12% meer dan in 2007 door onder andere toenemende automatisering en airconditioning).

In 2007 heeft de defensieorganisatie in totaal 170 miljoen liter aan brandstoffen verbruikt.


De belangrijkste indicatoren voor de invloed van defensieactiviteiten op het klimaat zijn de emissies van broeikasgassen (in het bijzonder CO2), verzurende stoffen en ozonlaagaantastende stoffen.

Figuur 2 Emissie koolstofdioxide (CO2) van Defensie (in ton) onderverdeeld in de uitstoot veroorzaakt door roerende- en onroerende zaken



kst128507_05.gif

De emissie van broeikasgassen en verzurende stoffen is gerelateerd aan het energieverbruik en afhankelijk van de onderlinge verhouding van de verschillende brandstoffen. De emissie van koolstofdioxide (CO2) is in het verslagjaar met 7% gestegen, wat bijna volledig is toe te schrijven aan de stijging van het brandstofverbruik bij het roerend goed. Bij het onroerend goed bedroeg de afname van de CO2-uitstoot als gevolg van een verbeterde energie-efficiency in de gebouwen en een hoger percentage groene stroom 4% ten opzichte van 2007, terwijl het vloeroppervlak slechts met 2% afnam. Door een verschuiving in de brandstofmix bij het roerend goed (meer kerosineverbruik en minder diesel) zijn de emissies van koolmonoxide (CO) in 2008 met 10% gestegen en die van stikstofoxiden (NOx) en zwaveldioxide (SO2) met 5% gedaald.


Lekverliezen bij koelinstallaties en activering van brandblusinstallaties veroorzaken emissies van ozonlaagaantastende stoffen zoals halonen, HCFK’s en CFK’s. Deze emissies zijn omgerekend naar CFK-equivalenten. In 2007 was de emissie van ozonlaagaantastende stoffen (bijna volledig toe te schrijven aan halonverbruik in vliegtuigen en schepen) 11 300 kg CFK equivalent. In 2008 bedroeg de emissie 14 800 kg CFK-equivalent; een stijging van 30% ten opzichte van 2007.

Doelstellingen energie Eindjaar Realisatie 2008
1. Eind 2006 zijn al verwarmde defensiegebouwen met een vloeroppervlak groter dan 1000 vierkante meter energetisch doorgerekend en 2006 Gereed
eind 2008 is de energie-efficiency van de verwarmde gebouwen van Defensie voor het deel verwarming met 15% ten opzichte van 1999 verbeterd. 2008 Gereed
2. Eind 2008 wordt 75% van het elektriciteitsverbruik van Defensie duurzaam opgewekt. 2008 Gereed
3. Defensie werkt mee aan de plaatsing van 20MW aan windturbines op defensieterreinen voor 2010. 2010 Gereed

Toelichting doelstelling 1

De energieprestatie voor gebouwen groter dan 1000 m2 dient conform de bepalingen in de EU «Energy Performance of Buildings Directive» berekend te worden. Van de 1 344 gebouwen groter dan 1000 m2 zijn er 949 die vallen binnen de criteria om te worden doorgerekend (gebouw van vóór 1999, niet op sloop- of afstotingslijst). Intussen is 97% van deze gebouwen energetisch doorgerekend. De laatste gebouwen zullen voorjaar 2009 worden aangepakt.

Figuur 3 Energie-efficiency onroerende zaken t.b.v. ruimteverwarming (excl. elektriciteit) van Defensie



kst128507_06.gif

De energie-efficiency op het gebied van ruimteverwarming van het gebouwenbestand van Defensie is ten opzichte van 2007 met 13% verbeterd. Dit is een gevolg van het afstoten van energie-onzuinige gebouwen, het uitvoeren van energiebesparende maatregelen bij groot-onderhoud en het nieuw bouwen van energiezuinige gebouwen. Ten opzichte van 1999 is de energie-efficiency inmiddels 29% verbeterd, waarmee de doelstelling ruimschoots is gehaald.

Toelichting doelstelling 2

Figuur 4. Percentage «groene» elektriciteit van het totale elektriciteitsverbuik van Defensie



kst128507_07.gif

Defensie geeft invulling aan de doelstelling door «groene» stroom in te kopen en op kleine schaal zelf duurzame energie op te wekken met behulp van zonneboilers en zonnecollectoren. Het aandeel in te kopen duurzame energie wordt jaarlijks stapsgewijs verhoogd om zodoende de beoogde 75% in 2008 te bereiken. Defensie heeft in 2008 al 86% van haar elektriciteitsverbruik duurzaam ingekocht en ligt daarmee voor op schema.

Toelichting doelstelling 3

Defensie is in 2008 niet benaderd door derden met het verzoek om op defensieterreinen windmolens te mogen plaatsen. Zelf werkt Defensie aan de voorbereiding van een eigen windturbinepark bij de defensielocatie te Coevorden, waarmee ongeveer 7% van het elektriciteitsverbruik van Defensie kan worden afgedekt. In 2007 is hiervoor de bouwvergunning aangevraagd en de aansluiting op het elektriciteitsnet zeker gesteld. Door onduidelijkheid over het al dan niet verkrijgen van de duurzame energie subsidie (SDE) is het project verder vertraagd.

Geluid

Doelstellingen geluid Eindjaar Realisatie 2008
4. Defensie draagt bij aan het ontwikkelen van kennis ten aanzien van geluid van militaire activiteiten waarvoor geen beoordelingsmaat voorhanden is, en aan het volledig maken van het wettelijk instrumentarium.   Op schema
5. Defensie brengt uiterlijk in 2008 voor alle Wet milieubeheer (Wm)-vergunde inrichtingen het indirecte ruimtebeslag in kaart en bekijkt vervolgens per object, gekoppeld aan de actualisatie van de Wm-vergunning of de geluidszone, c.q. de geluidscontour, moet worden geactualiseerd. Uiterlijk 5 jaar nadat daarvoor het wettelijk instrumentarium beschikbaar is, zal het indirecte ruimtebeslag rond oefenterreinen in kaart worden gebracht. 2008 Gereed
6. Defensie laat het totale oppervlak van het indirect geluidruimtebeslag in Nederland – vanaf het moment dat dit oppervlak is vastgesteld – bij ongewijzigd nationaal geluidbeleid niet stijgen.   Gereed

Toelichting doelstelling 4

De door Defensie ontwikkelde rekenmethodiek voor de beoordeling van schietgeluid is aan het ministerie van VROM aangeleverd, waar de vertaling naar een wettelijk instrumentarium plaats zal vinden. Het materiaal ligt bij het ministerie van VROM ter beoordeling.

Toelichting doelstelling 5

De berekening van het indirecte ruimtebeslag door Wm-inrichtingen en vliegvelden is in 2008 afgerond; dit betreft 82% van de inrichtingen van Defensie. Voor oefen- en schietterreinen (18% van de inrichtingen) is nog geen wettelijk instrumentarium voorhanden; zie doelstelling 4. Zodra dat er wel is worden ook deze terreinen in kaart gebracht.

Toelichting doelstelling 6

Vanaf 31 december 2008 ziet Defensie erop toe dat het totale oppervlak van het indirect geluidruimtebeslag van vliegvelden en Wm-inrichtingen niet stijgt. Zodra de hierboven genoemde methodiek voor het bepalen van ruimtebeslag door schietgeluid is vastgesteld wordt ook dat ruimtebeslag in de beschouwingen meegenomen.

Gevaarlijke stoffen

Doelstellingen gevaarlijke stoffen Eindjaar Realisatie 2008
7. In 2004 heeft Defensie lijsten van stoffen opgesteld, die door alle defensieonderdelen bij het verwer- vingsproces worden gebruikt. Deze lijsten worden jaarlijks geactualiseerd. 2004 Gereed
8. Defensie heeft uiterlijk in 2008 de potentiële blootstellingen aan emissies van PBT-stoffen in beeld gebracht. 2008 Gekoppeld aan REACH
9. Uiterlijk 2005 is er een inventarisatie uitgevoerd naar de belangrijkste veroorzakers van de uitstoot van fijn stof bij Defensie. 2005 Gereed
10. Uiterlijk 2006 is er een studie uitgevoerd naar de technische mogelijkheden om voor het materieel met een hoge uitstoot van fijn stof emissiereducties te realiseren. 2006 Gereed

Toelichting doelstelling 7

In 2006 is door Defensie een eerste stoffenlijst opgesteld en opgenomen in het Handboek Arbo- en Milieumanagementsysteem van de materieelorganisatie van Defensie. In 2007 is die lijst verder geactualiseerd. In 2008 is de definitieve «List of Banned and Restricted Substances (LBRS)» op het Defensie Intranet geplaatst.

Toelichting doelstelling 8

Het omgaan met Persistente Bioaccumulatieve en Toxische (PBT) stoffen wordt geregeld in de Europese verordening «Registratie, Evaluatie, Autorisatie en beperkingen van CHemische stoffen» (REACH). In 2006 heeft Defensie besloten deze doelstelling te koppelen aan het implementatietraject van REACH. Deze implementatie is in 2007 gestart en in 2008 voortgezet.

Toelichting doelstelling 9 en 10

Deze beide doelstellingen met betrekking tot fijn stof zijn intussen afgerond. De resultaten van de studie naar technische maatregelen voor emissiereductie zijn voor het behoeftestellen van nieuw materieel in de Defensie Materieelorganisatie bekend gesteld.

Bodem

Defensie werkt sinds 1991 aan haar bodemonderzoek- en saneringsprogramma. Van verdachte plekken en nieuwbouwlocaties op defensieterreinen wordt de bodemkwaliteit onderzocht, waarna ernstige bodemverontreinigingen worden gesaneerd of beheerst.

Met actief bodembeheerplannen wordt de lokale bodemkwaliteit vastgelegd, waardoor grondverzet met minder administratieve lasten kan worden gerealiseerd. Uitgangspunt daarbij is dat de bodemkwaliteit op die locatie door het grondverzet niet verslechtert.

Doelstellingen bodem Eindjaar Realisatie 2008
11. Defensie zal uiterlijk in 2023 alle ernstige bodemverontreinigingen op defensieterreinen saneren of beheersen. 2023 Voor op schema
12. Defensie zal in 2008 actief bodembeheerplannen gereed hebben voor de 50 meest relevante defensieobjecten. 2008 Gereed

Figuur 5 Percentage locaties gereed van het bodemsaneringsprogramma van Defensie over 2000 t/m 2008 gerelateerd aan het lineaire verloop van het programma tussen 1991 en 2023



kst128507_08.gif

Toelichting doelstelling 11

Eind 2008 was 82% van de bijna 3 800 onderzochte locaties van het bodemprogramma van Defensie gereed. Dat wil zeggen dat uit onderzoek bleek dat de locatie schoon was, of dat de noodzakelijke sanering is afgerond. De komende jaren moet nog 4% van de locaties worden onderzocht. Deze percentages zijn identiek aan die van eind 2007; afgelopen jaar is het aantal gerealiseerde onderzoeken en saneringen gelijk geweest aan de toename van het aantal verdachte locaties. Desondanks ligt Defensie nog steeds enigszins vóór op schema om uiterlijk in 2023 alle ernstige bodemverontreinigingen op defensieterreinen gesaneerd of beheerst te hebben.

Toelichting doelstelling 12

Eind 2008 waren alle 50 geplande actief bodembeheerplannen gereed. Met de implementatie van die plannen is een aanvang gemaakt. Deze plannen vormen tevens de basis voor meer uitgebreide bodeminformatiekaarten, die de komende jaren zullen worden opgesteld.

Water

Waterbeheerplannen geven een beeld van alle hemel-, grond- en drinkwaterstromen op een defensieterrein en leiden tot maatregelen om tot waterbesparing te komen en het grondwater op peil te houden. Defensie stelt deze plannen op in nauw overleg met gemeenten, drinkwaterbedrijf, provincie en overige belanghebbenden. Bij het opstellen van de maatregelen wordt een afweging gemaakt tussen wettelijke, bedrijfsmatige, economische en ecologische aspecten.

Doelstelling water Eindjaar Realisatie 2008
13. Defensie stelt uiterlijk in 2008 integrale waterbeheerplannen op voor 20 grote objecten en voert de daaruit voortvloeiende kosteneffectieve maatregelen uit. Gedurende de beleidsperiode wordt bezien welke standaard beheersmaatregelen kunnen worden vastgesteld. 2008 Gereed

Toelichting doelstelling 13

Tot en met 2008 zijn 21 waterbeheerplannen van geselecteerde kazernes en vliegbases afgerond. Dit ligt één hoger dan de doelstelling, die daarmee gerealiseerd is. Met de uitvoering van waterbesparende voorzieningen die in de plannen worden geadviseerd, is in het kader van het reguliere onderhoud gestart. Hieronder vallen bijvoorbeeld waterbesparende douchekoppen en toiletten en bemetering. In de Defensie Duurzaamheidsnota 2009 is een verdere uitvoering van de maatregelen opgenomen.

Waterverbruik

In 2008 is het leidingwaterverbruik bij Defensie iets gedaald ten opzichte van 2007. Het verbruik per medewerker bedraagt net als vorig jaar 23 m3 per jaar. De onttrekking van grondwater is in 2008 gelijk gebleven aan de hoeveelheid van 2007.

Figuur 6 Totaal waterverbruik (in 1 000 m3) van Defensie, onderverdeeld in leidingwater- en grondwaterverbruik



kst128507_09.gif

Afval

Doelstellingen afval Eindjaar Realisatie 2008
14. Defensie stelt met ingang van 2004 de hoeveelheden en de afvalscheidingpercentages van de defensieafvalstromen vast. 2004 Gereed
Uiterlijk 2006 worden per afvalstroom reductiedoelstellingen geformuleerd. De krijgsmachtdelen dienen deze percentages dan te halen. 2006 Gereed
15. Vanaf 2004 zal Defensie het scheidingsproces monitoren, de kosten van afvalverwijdering registreren en de meest rendabele reductiemogelijkheden in beeld brengen.   Op schema

Toelichting doelstelling 14

Defensie heeft gekozen voor het zo veel mogelijk scheiden van afval in afzonderlijke deelstromen om op die manier de hoeveelheid restafval te reduceren. Daarnaast worden preventie van afval bij inkoop (verpakkingsmateriaal) en hergebruik gestimuleerd.

In 2007 zijn aanvullende beleidslijnen van kracht geworden:

• Vanaf 2008 wordt minimaal 60% van het bedrijfsafval gescheiden in afzonderlijke deelstromen.

• In 2008 wordt voor elk defensieobject een afvalreductieplan opgesteld.


Zowel in 2007 als in 2008 werd 50% van het bedrijfsafval gescheiden in de afzonderlijke deelstromen. De uitvoering van de nieuwe beleidslijn is daarmee nog niet gerealiseerd. Er zijn door het ontbreken van lokaal toepasbare instrumenten nog geen afvalreductieplannen voor de defensieobjecten opgesteld.

In 2008 is de hoeveelheid bedrijfsafval gedaald en de hoeveelheid gevaarlijk afval gestegen. De totale afvoer van afvalstoffen is ten opzichte van 2007 met 5% verminderd. Het bedrijfsafval wordt in 12 aparte substromen gescheiden.

Figuur 7 De totale hoeveelheid afval (in ton) van Defensie, onderverdeeld in de hoeveelheid bedrijfsafval en de hoeveelheid gevaarlijk afval



kst128507_10.gif

NB. In de gerapporteerde afvalcijfers over 2007 bleek een afwijking te zitten, die in deze rapportage is hersteld. Dit betekent dat over 2007 de hoeveelheid bedrijfsafval 4 300 ton minder is dan vorig jaar gerapporteerd.

Toelichting doelstelling 15

Op basis van de defensiebrede contracten voor bedrijfsafval en gevaarlijk afval worden de kosten en hoeveelheden van het afgevoerde afval in het Defensie Arbo- en Milieuinformatiesysteem geregistreerd.

Externe veiligheid

Doelstelling externe veiligheid Eindjaar Realisatie 2008
16. In 2005 rondt Defensie het programma «Risicoanalyses munitieopslag Defensie» af; daarna zal worden bezien of het in de nota Van Houwelingen vastgelegde beleid aanpassing behoeft. 2005 Gereed

Toelichting doelstelling 16

De risicoanalyses van de munitieopslagen van Defensie zijn in 2006 afgerond. Besloten is dat het in de nota Van Houwelingen vastgelegde beleid met betrekking tot externe veiligheid zal worden opgenomen in de nieuwe AMvB Ruimte op basis van de WRO. Dit proces loopt en wordt naar verwachting in 2009 afgerond.

Biodiversiteit en natuur

Doelstellingen biodiversiteit en natuur Eindjaar Realisatie 2008
17. In 2004 zal het bestaande monitoringsysteem worden uitgebreid met soorten genoemd in de Habitat- en Vogelrichtlijn en de Flora- en Faunawet. 2004 Gereed
18. In 2006 zullen – behoudens eventuele langdurige juridische procedures – voor alle relevante defensieterreinen de beheersplannen gereed zijn. 2006 Op schema

Toelichting doelstelling 17

Defensie houdt bij het beheer en gebruik van defensieterreinen rekening met de aanwezige natuurwaarden. Afstemming tussen het militaire gebruik en de natuurfunctie van de defensieterreinen vindt op een zodanige wijze plaats dat de operationele commando’s in staat worden gesteld de gewenste graad van geoefendheid te bereiken en behouden. De defensieterreinen worden al vele jaren op natuurwaarden geïnventariseerd. De basisinventarisatie is voor 71 militaire terreinen gereed; 68 van deze terreinen zijn in navolging daarop gemonitord. Het monitoringssysteem is intussen aangevuld met de soorten genoemd in de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Flora- en Faunawet. Tegelijkertijd wordt gewerkt aan een differentiatie in de systematiek, waarbij defensieterreinen in Natura2000-gebieden met een hogere frequentie zullen worden gemonitord dan terreinen daarbuiten.

Toelichting doelstelling 18

Per 1 oktober 2005 is de nieuwe Natuurbeschermingswet (Nb-wet) in werking getreden. Daaruit volgt dat Defensie als een van de terreinbeherende instanties Natura 2000 beheerplannen zal moeten opstellen of een bijdrage zal moeten leveren aan «overkoepelende» beheerplannen die voor grotere beschermingszones worden opgesteld. In deze beheerplannen worden de doelstellingen voor instandhouding van belangrijke natuurwaarden beschreven en wordt het gebruik in die gebieden aan deze doelstellingen getoetst. Van de twaalf beheerplannen of bijdragen die moeten worden opgesteld of aangeleverd zijn er vier definitief en acht in concept gereed. Gedurende de afgelopen jaren zijn er wijzigingen in de regelgeving opgetreden die tot vertragingen hebben geleid. Aangezien de beheerplannen drie jaar na aanwijzing van de gebieden gereed moeten zijn, blijft Defensie binnen de wettelijke termijn voor het opstellen van de beheerplannen Natura 2000.

Milieuzorg

Goedwerkende milieuzorgsystemen zijn belangrijk voor het beheersen van de milieubelasting, het naleven van wet- en regelgeving en het realiseren van de milieudoelen. De milieuzorgsystemen van de defensieonderdelen moeten aantoonbaar aan de ISO-14 000 norm voldoen. De defensieonderdelen mogen de milieuzorgsystemen extern laten certificeren, maar dit is niet verplicht. De Audit Dienst Defensie (ADD) toetst conform het milieubeleid driejaarlijks de niet gecertificeerde milieuzorgsystemen.

Figuur 8 Handhavingsresultaten van inspecties bij Defensie



kst128507_11.gif

De VROM-inspectie is bij de grotere inrichtingen van Defensie verantwoordelijk voor de handhaving van de milieuvergunningen. VROM-inspecteurs bezoeken deze inrichtingen en maken melding van geconstateerde tekortkomingen. Afhankelijk van de aard en ernst van deze tekorten wordt door de handhaver aan het niet tijdig opheffen daarvan het voornemen tot het opleggen van een dwangsom verbonden.

In 2008 zijn 83 inspectiebezoeken uitgevoerd en is in 33 gevallen een brief verzonden met een voornemen tot het opleggen van een dwangsom. In twee gevallen heeft dit tot een dwangsombeschikking geleid. Door tijdig herstel van de tekortkomingen is geen dwangsom geïnd. In 2008 is in goede samenwerking met de VROM-inspectie gestart met een nadere gedegen analyse van de geconstateerde tekortkomingen met als doel het niveau van naleving binnen Defensie te verhogen.

Doelstellingen milieuzorg Eindjaar Realisatie 2008
19. Alle defensieonderdelen beschikken aan het begin van de beleidsperiode voor al hun processen over een goedwerkend milieuzorgsysteem. De CLAS en de Bestuursstaf bereiken die situatie eind 2004. 2004 Achter op schema
20. Voor 31 december 2005 heeft de Audit Dienst Defensie alle niet-gecertificeerde milieuzorgsystemen beoordeeld op basis van de ISO 14 000- norm en de SCCM-richtlijnen. Daarna wordt een driejaarlijkse herhalingstoets uitgevoerd. 2005 Achter op schema

Toelichting doelstelling 19

Op het gebied van milieumanagement is er in 2008 veel in beweging geweest. Het Commando Dienstencentra (CDC), de Defensie Materieelorganisatie (DMO) en de Bestuursstaf werken aan de implementatie van overkoepelende milieuzorgsystemen, die sturing geven aan de milieuzorgsystemen van de individuele bedrijven of directies daaronder. Het Commando luchtstrijdkrachten werkt aan een dergelijk overkoepelend milieuzorgsysteem als onderdeel van een integraal kwaliteitsmanagementsysteem. De op handen zijnde reorganisatie van de facilitaire diensten binnen Defensie is een extra onzekerheid bij het vorm geven van die systemen. Daarnaast wordt gewerkt aan de invoering van het Veiligheidmanagement Systeem Defensie (VMS), waardoor de integratie van milieu-, arbo en veiligheidmanagement een stap dichterbij gebracht wordt.

Uit onderzoeken van de Audit Dienst Defensie blijkt dat de interne controles (de Check uit de Plan-Do-Check-Act cyclus) op milieugebied aangescherpt moeten worden en de VROM-Inspectie constateert dat het nalevingspercentage bij Defensie aan de lage kant is. Intussen zijn acties opgestart om de onderliggende oorzaken te analyseren en verbetermaatregelen te formuleren.


Het Commando Koninklijke marechaussee beschikt sinds 1 januari 2000 over een gecertificeerd milieuzorgsysteem. Dit geldt ook voor de vliegbasis Leeuwarden, enkele DMO- en CDC-bedrijven en het facilitaire deel van de Bestuursstaf. Het Commando zeestrijdkrachten zal in 2009 certificering aanvragen.

Toelichting doelstelling 20

De Audit Dienst Defensie heeft als gevolg van interne prioriteitstelling besloten in 2008 geen onderzoek uit te voeren naar het functioneren van de milieuzorgsystemen binnen de organisatie.

Milieuzorg tijdens oefeningen en operaties

Bij de planning van vredes- en crisisbeheersingsoperaties en oefeningen wordt in de planningsfase in toenemende mate aandacht besteed aan het aspect milieu. Tijdens de voorbereiding van de operaties en oefeningen wordt in principe door een verkenning een inschatting gemaakt van de lokale milieusituatie en worden de mogelijke milieu-effecten van de operatie in kaart gebracht. Defensie is in 2008 opgetreden in onder andere Afghanistan, de Balkan en Tsjaad.

Doelstelling milieuzorg tijdens oefeningen en operaties Eindjaar Realisatie 2008
21. De NAVO procedure STANAG 7141EP zal worden gehanteerd bij de planning van alle grotere oefeningen en operaties. Op alle niveaus in de organisatie zullen daartoe milieu-aspecten worden geïntegreerd in de relevante operationele planningsprocedures en -documenten vanaf 2004 Ingevoerd

Toelichting doelstelling 21

De NAVO Standardisation Agreement (STANAG) 7141EP over milieuzorg tijdens operaties en oefeningen is omgezet en vastgesteld in een CDS-aanwijzing en wordt als basis gebruikt bij de operatieplanning. Bij de meest recente voorbereidingen voor Tsjaad is een milieurisicoanalyse uitgevoerd en zijn beheersmaatregelen opgesteld.

De toepassing van de juiste milieuzorg ter plaatse blijkt vanwege operationele en logistieke redenen lastig; onder andere het beschikbaar hebben van adequaat opgeleid personeel is een probleem. In Tarin Kowt zijn in 2008 drie afvalverbrandingsovens geïnstalleerd om de verwerking van afval op een milieuhygiënisch meer beheerste manier te laten verlopen.

Beleids-, planning- en begrotingsprocedure

Doelstelling beleids-, planning- en begrotingsprocedure Eindjaar Realisatie 2008
22. De Audit Dienst Defensie voert jaarlijks een toetsing uit op realisatie van de doelstellingen van de DMB2004 en valideert jaarlijks de kwaliteit van de milieugegevens voor het milieujaarverslag en de VBTB-rapportage. jaarlijks Achter op schema

Toelichting doelstelling 22

In het Auditcomité van het ministerie van Defensie is besloten dat de Audit Dienst Defensie (ADD) in 2008 geen toetsing uitvoert op de realisatie van de doelstellingen van de Defensie Milieubeleidsnota 2004. In 2008 is wel een validatie van de milieugegevens 2007 uitgevoerd.


Sinds 2006 brengt Defensie geen apart milieujaarverslag meer uit, maar maakt de milieurapportage deel uit van het departementale jaarverslag. De milieu-informatie wordt daarom door de ADD conform de daarvoor gebruikelijke regelingen getoetst.

Materieelkeuzeproces

Doelstellingen materieelkeuzeproces Eindjaar Realisatie 2008
23. In 2004 ontwikkelt Defensie een defensiebreed afwegingskader voor milieuaspecten in het Defensie Materieelkeuze Proces. 2004 Gereed
24. Defensie maakt gedurende de beleidsperiode bij de aanschaf van handelsgebruikelijke goederen en diensten gebruik van energielabels, erkende milieukeurmerken en milieuzorgcertificaten als gunningcriterium. vanaf 2004 Gereed

Toelichting doelstelling 23 en 24

In 2006 heeft Defensie het «Handboek Verwerving Defensie» vastgesteld. Dit handboek geeft de invulling aan de defensiebrede milieueisen voor verwerving van materiële zaken en diensten, ook voor de handelsgebruikelijke. Hiermee is het afwegingskader voor milieu-aspecten bij verwerving vastgesteld. In 2007 heeft de Audit Dienst Defensie (ADD) geconcludeerd dat het handboek niet volledig in overeenstemming is met doelstelling 24 (handelsgebruikelijke artikelen) en dat er nog onvoldoende uitwerking aan gegeven is. In de nieuwe Defensie Duurzaamheidsnota 2009 is opgenomen dat het «Handboek Verwerving Defensie» voor wat betreft handelsgebruikelijke artikelen wordt aangescherpt en in lijn gebracht met het Programma Duurzame Bedrijfsvoering Rijksoverheid binnen Defensie.

Infrastructuur

Defensie is beheerder van een groot aantal terreinen met verschillende functies. Op de vliegbases, kazernes, vlootbases en logistieke inrichtingen staan zo’n 12 500 gebouwen. Defensie is verantwoordelijk voor deze infrastructuur en is opdrachtgever voor de nieuwbouw- en onderhoudswerkzaamheden. Zowel in de nieuwbouw- als in de exploitatiefase worden grondstoffen en energie gebruikt en ontstaat er bouwafval. De principes van Duurzaam Bouwen (Dubo) zorgen ervoor dat deze milieueffecten gedurende de hele levenscyclus van de gebouwen worden beperkt. Daarbij kan gedacht worden aan energiebesparende maatregelen (zoals dubbel glas en hoogrendementsketels), waterbesparing (bij toiletten en douches), hergebruik van materialen en duurzame bouwmaterialen (zoals FSC-hout). In de Vastgoednormen van Defensie, die in 2006 van kracht zijn geworden, is het aspect duurzaam bouwen dwingend voorgeschreven.

Doelstelling infrastructuur Eindjaar Realisatie 2008
25. Defensie hanteert vanaf 2004 het basisniveau van het Nationaal Pakket Dubo Utiliteitsbouw voor alle nieuwbouw en groot-onderhoudsprojecten. vanaf 2004 Achter op schema

Toelichting doelstelling 25

Sinds 2006 wordt meer nauwkeurig gekeken naar de toepassing van het Dubo-pakket bij nieuwbouw en groot onderhoud. Bij nieuwbouwsituaties worden de maatregelen uit het Nationale pakket meer consequent toegepast dan bij groot onderhoud. Gemiddeld ligt het toepassingspercentage van de maatregelen op 40%. Ten opzichte van 2007 is een verbetering opgetreden. Het aandeel HR-ketels bedraagt nu 45% van het totaal opgesteld vermogen tegen 41% in 2007.

Communicatie

Doelstelling communicatie Eindjaar Realisatie 2008
26. Defensie brengt jaarlijks voor 1 juni een milieujaarverslag uit. Jaarlijks Opgenomen in departementaal jaarverslag

Toelichting doelstelling 26

Defensie rapporteert vanuit de gedachte dat milieu in de normale bedrijfsvoering geïntegreerd dient te zijn vanaf verslagjaar 2006 over milieu in het departementale jaarverslag en brengt geen afzonderlijk milieujaarverslag meer uit.

Overzicht indicatoren

Nummer 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 Eenheid Verschil 2007/2008 Toelichting
I.010 totaal aantal ongewone voorvallen 385 395 250 393 376 192 281 stuks 46% ongewone voorvallen in het kader van de Wet milieubeheer (Wm) die milieuschade (kunnen) veroorzaken, onderverdeeld in 3 categorieën gekoppeld aan de ernst van de situatie
I.020 percentage aantal voornemens tot dwangsom t.o.v. aantal handhavingsbezoeken 33 33 39 47 30 30 37 % 7% percentage van aantal voornemens tot dwangsom ten opzichte van aantal handhavingsbezoeken in het kader van de milieuvergunning
I.030 totaal aantal milieuklachten 2.660 3.408 2.147 3.504 2.598 3.412 3.057 stuks – 10% aantal geluidgebonden en algemene milieuklachten
I.100 waterverbruik 3.400 3.200 2.300 2.600 2.400 1.900 1.700 1000 m3 – 7% som van grondwateronttrekking en leidingwaterverbruik
I.101 relatief leidingdrinkwaterverbruik 27 29 25 31 29 23 23 m3/vte – 1% leidingdrinkwaterverbruik per medewerker (uitgedrukt in vte)
I.102 percentage integraal waterbeheersplannen gereed 20 40 75 105 % 30% percentage gereed zijnde waterbeheerplannen gericht op een duurzaam waterbeheersysteem ten opzichte van het voorgenomen aantal
I.200 ozonlaagaantastend effect 4.000 2.000 11.000 2.700 3.200 11.300 14.800 kg cfk equivalent 31% kilogrammen werkzame stoffen die schadelijk zijn voor de ozonlaag
I.201 koolstofdioxide-emissie 714.000 680.000 641.000 561.000 564.000 505.000 539.000 ton 7% emissie van CO2 in kilogrammen als gevolg van brandstofverbruik (roerende en onroerende zaken: exclusief elektriciteitsopwekking bij externe elektriciteitscentrale)
I.202 koolmonoxide-emissie 2.000 1.900 2.000 1.600 1.700 1.500 1.700 ton 10% emissie van CO in kilogrammen als gevolg van brandstofverbruik (roerende en onroerende zaken: exclusief elektriciteitsopwekking bij externe elektriciteitscentrale)
I.203 distikstofoxide-emissie 77 67 68 59 62 58 57 ton – 2% emissie van N2O in kilogrammen als gevolg van brandstofverbruik (roerende en onroerende zaken: exclusief elektriciteitsopwekking bij externe elektriciteitscentrale)
I.204 emissie zwaveldioxide 1.650 1.282 1.257 1.139 1.181 1.071 1.016 ton – 5% emissie van SO2 in kilogrammen als gevolg van brandstofverbruik (roerende en onroerende zaken: exclusief elektriciteitsopwekking bij externe elektriciteitscentrale)
I.205 emissie stikstofoxiden 5.600 4.900 4.900 4.300 4.500 4.200 4.000 ton – 6% emissie van NOx in kilogrammen als gevolg van brandstofverbruik (roerende en onroerende zaken: exclusief elektriciteitsopwekking bij externe elektriciteitscentrale)
I.206 totale emissie vluchtige organische stoffen 175 207 148 133 8 25 geen rapp. ton   emissie van vluchtige organische stoffen (VOS) in kilogrammen als gevolg van gebruik van oplosmiddelhoudende producten zoals verf, tectyl en benzine
I.207 percentage verlies ozonlaag afbrekende stoffen onroerende zaken 5 5 10 7 % – 3% percentuele aanduiding van de lekdichtheid van de vastgoed-installaties die ozonlaag afbrekende stoffen bevatten
I.208 percentage verlies ozonlaag afbrekende stoffen roerende zaken 6 5 % – 1% percentuele aanduiding van de lekdichtheid van de installaties in defensiematerieel die ozonlaag afbrekende stoffen bevatten
I.300 totale hoeveelheid afval 26.000 25.000 27.000 27.000 24.000 32.000 30.000 ton – 5% totale hoeveelheid afgevoerde afvalstoffen in tonnen, verkregen door optelling van afvoer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen
I.301 inzamelstructuur gescheiden afval 8 11 11 11 12 12 12 aantal 0% aantal (soorten) afvalstromen dat gescheiden wordt afgevoerd
I.302 lozing afvalwater op oppervlaktewater 400 500 300 300 200 270 160 ve – 41% aantal vervuilingseenheden van afvalwater, dat bij processen anders dan huishoudelijk gebruik vrijkomt, dat wordt geloosd op het oppervlaktewater
I.303 percentage afvalscheiding 64 63 68 66 % – 2% percentage van de som van de afgevoerde hoeveelheden bedrijfsafvalstoffen (excl. restafval) ten opzichte van totale hoeveelheid afval
I.400 totaal energieverbruik 15.500 14.900 13.500 12.400 12.300 11.200 11.500 1000 GJ 2% totaal verbruik van energie. Dit betreft een optelling van de energie omgerekend naar GJ, die moeten worden opgewekt of wordt verbruikt door roerende en onroerende zaken
I.401 energieverbruik roerende zaken 7.700 7.900 7.600 6.500 6.700 6.600 6.700 1000 GJ 1% totale energieverbruik van het roerend goed. Dit betreft een omrekening naar GJ van totaalverbruik aan brandstoffen voor roerende zaken
I.402 energieverbruik onroerende zaken 7.900 6.900 5.900 5.800 5.500 4.600 4.800 1000 GJ 4% totale energieverbruik van het onroerende zaken. Dit betreft een omrekening naar GJ van energie die wordt gebruikt of moet worden opgewekt voor onroerende zaken
I.403 energie-efficiency onroerende zaken t.b.v. ruimteverwarming 0,207 0,177 0,162 0,171 0,150 0,151 0,131 MJ/m2-graaddag – 13% energie-efficiency onroerende zaken (exclusief elektriciteit), berekend met totale energieverbruik onroerend goed, netto vloeroppervlakte en graaddagen
I.404 energie-efficiency verwarmingsketels 80 81 81 82 82 82 82 % 0% gemiddeld rendement van alle opgestelde verwarmingsketels, uitgaande van een rendement van HR, VR en conventioneel van resp. 85, 80 en 70%
I.405 percentage duurzame energie van energieverbruik onroerende zaken 4 4 11 12 14 19 21 % 2% percentage totale hoeveelheid opgewekte en ingekochte duurzame energieverbruik (omgerekend naar GJ) ten opzichte van totale energieverbruik voor onroerende zaken (I.402)
I.406 totaal elektriciteitsverbruik 413.000 420.000 357.000 355.000 347.000 291.000 325.000 MWh 12% totale verbruikte hoeveelheid elektriciteit, inclusief duurzaam opgewekte elektriciteit d.m.v. eigen opwekking of inkoop
I.407 percentage «groene» elektriciteit van het totaal elektriciteitsverbruik 20 20 49 56 63 83 86 % 4% percentage totale hoeveelheid duurzaam opgewekte elektriciteit (omgerekend naar GJ) ten opzichte van totale energieverbruik voor totaal elektriciteitsverbruik (I.406)
I.408 energie-efficiency voertuigen - motor- en bromfietsen 5,1 5,1 5,6 6,0 6,1 6,3 6,3 liter/100km 0% gemiddeld (theoretisch) verbruik van alle motor- en bromfietsen
I.409 energie-efficiency voertuigen - personenauto’s 8,7 6,8 6,0 6,0 7,4 7,3 6,1 liter/100km – 16% gemiddeld (theoretisch) verbruik van personenauto’s
I.410 energie-efficiency voertuigen - lichte bedrijfsvoertuigen 12,0 12,2 11,7 11,0 11,3 11,3 11,3 liter/100km 0% gemiddeld (theoretisch) verbruik van lichte bedrijfsvoertuigen, bv bestelbusjes (gewicht < 3500 kg)
I.411 energie-efficiency voertuigen - zware bedrijfsvoertuigen 45,5 45,1 45,5 48,0 43,8 41,3 39,8 liter/100km – 4% gemiddeld (theoretisch) verbruik van zware bedrijfsvoertuigen, bv bussen en vrachtauto’s (gewicht > 3500 kg)
I.413 energie-efficiency vliegtuigen - helikopters 0,4 0,4 0,5 0,5 0,4 0,5 0,5 m3/vlieguur 0% gemiddeld (theoretisch) verbruik van helikopters
I.414 energie-efficiency vliegtuigen - jachtvliegtuigen 2,8 4,1 3,5 3,7 3,7 3,7 3,7 m3/vlieguur 0% gemiddeld (theoretisch) verbruik van jachtvliegtuigen
I.415 energie-efficiency vliegtuigen - transport vliegtuigen 1,3 1,5 1,6 1,5 2,1 1,9 2,1 m3/vlieguur 12% gemiddeld (theoretisch) verbruik van transportvliegtuigen
I.416 energie-efficiency vliegtuigen - patrouillevliegtuigen 2,8 2,7 2,8 2,8 m3/vlieguur   gemiddeld (theoretisch) verbruik van patrouillevliegtuigen
I.417 energie-efficiency vaartuigen - mijnendienst 5,0 6,0 7,8 5,9 3,8 7,2 7,2 m3/vaardag 0% gemiddeld (theoretisch) verbruik van vaartuigen uit de klasse mijnendienst
I.418 energie-efficiency vaartuigen - onderzeedienst 8,0 7,4 6,2 6,6 8,5 7,8 7,8 m3/vaardag 0% gemiddeld (theoretisch) verbruik van vaartuigen uit de klasse onderzeedienst
I.419 energie-efficiency vaartuigen - Groep Escorte Schepen 33,0 36,2 38,1 25,7 19,7 10,7 9,6 m3/vaardag – 10% gemiddeld (theoretisch) verbruik van groep escorte schepen
I.421 percentage (opgesteld) vermogen HR-ketels van totaal 17 33 36 38 42 41 45 % 5% percentage opgesteld («theoretisch») vermogen van hoogrendementsketels ten opzichte van totaalvermogen (optelling van opgesteld vermogen van HR, VR en conventionele ketels)
I.422 percentage (opgesteld) vermogen VR-ketels van totaal 78 62 60 60 56 57 52 % – 5% percentage opgesteld («theoretisch») vermogen van verbeterd-rendementsketels ten opzichte van totaalvermogen (optelling van vermogen van HR, VR en conventionele ketels)
I.423 percentage (opgesteld) vermogen conventionele ketels van totaal 6 5 3 2 2 3 3 % 0% percentage opgesteld («theoretisch») vermogen van conventionele verwarmingsketels ten opzichte van totaalvermogen (optelling van vermogen van HR, VR en conventionele ketels)
I.424 energie-efficiency onroerende zaken (inclusief elektriciteit) 0,396 0,364 0,361 0,343 MJ/m2 graaddag – 5% energie-efficiency onroerende zaken, berekend met totale energieverbruik onroerend goed (inclusief elektriciteit), netto vloeroppervlakte en graaddagen
I.425 opgesteld vermogen windenergie op defensieterreinen 0 0 0 0 MW   totaal vermogen windenergie opgesteld op defensieterreinen (uitgedrukt in MW)
I.426 percentage energetisch doorgerekende gebouwen 25 39 86 97 % 10% percentage aantal energetisch doorgerekende gebouwen ten opzichte van totaal aantal verwarmde gebouwen met oppervlakte > 1000 m2
I.490 percentage toepassing Nationale Pakket Utiliteitsbouw Duurzaam Bouwen 38 30 40 % 10% gemiddeld percentage toepassing Nationaal Pakket Utiliteitsbouw Duurzaam Bouwen
I.500 aantal geluidgehinderden 499 444 453 435 432 481 524 aantal 9% aantal personen in woningen waaraan (nog) geen geluidwerende voorzieningen zijn aangebracht in het kader van het Defensie geluidsisolatieprogramma Luchtvaartwet (deze personen kunnen in theorie gehinderd worden door vliegtuiggeluid)
I.501 percentage Wm-inrichtingen met vergunning ingediend bij bevoegd gezag 10 8 6 82 % 75% percentage Wm-inrichtingen met vergunning ingediend bij bevoegd gezag, waarvan indirect ruimtebeslag als gevolg van de geluidsproductie in kaart is gebracht (met uitzondering van explosief geluid)
I.600 totaal aantal bodemlocaties (vanaf 1991) 3.322 3.476 3.557 3.646 3.680 3.733 3.761 aantal 1% totaal aantal verdachte locaties dat sinds 1991 is opgenomen in het bodemsaneringsprogramma Defensie
I.601 percentage bodemlocaties gereed 70 73 74 76 81 82 82 % 0% percentage locaties (ten opzichte van totaal, I.600) dat gesaneerd is (of waarvan de verontreiniging via een monitoringsprogramma beheerst wordt) of waar na onderzoek geen verdere actie noodzakelijk bleek
I.602 percentage nog te onderzoeken bodemlocaties 9 6 6 6 5 4 4 % – 1% percentage locaties (ten opzichte van totaal, I.600) dat nog moet worden onderzocht
I.603 percentage bodemlocaties in onderzoek 17 16 14 13 10 10 10 % 1% percentage locaties (ten opzichte van totaal, I.600) dat in onderzoek is
I.604 percentage bodemlocaties onder sanering 5 5 6 5 4 4 4 % 0% percentage locaties (ten opzichte van totaal, I.600) dat in sanering is
I.605 percentage «ernstig» van de lopende of voltooide saneringen 61 60 61 61 61 60 60 % 0% percentage locaties (ten opzichte van totaal dat gesaneerd of in sanering is) waarbij het een ernstig geval van bodemverontreiniging betrof
I.606 percentage actief bodembeheerplannen gereed 54 68 80 100 % 25% percentage gereed zijnde bodembeheerplannen van defensielokaties, waar regelmatig bouwactiviteiten plaatsvinden of waar vanwege de daar aanwezige activiteiten extra risico’s voor bodemverontreiniging zijn
I.800 percentage monitoring natuurwaarden defensieterreinen gereed 97 99 100 100 100 61 106 % 46% percentage defensieterreinen (ten opzichte van totaal aantal te monitoren terreinen) dat wordt gemonitoord
I.802 percentage beheerplannen gereed 0 0 29 33 % 5% percentage gereed zijnde beheerplannen gedaan in het kader van de Vogel- en Habitat Richtlijnen en Natuurbeschermingswet
I.920 percentage niet-gecertificeerde milieuzorgsystemen ge(her)audit 67 67 100 100 % 0% percentage aantal niet-gecertificeerde milieuzorgsystemen waarvan de audit niet langer dan 3 jaar geleden heeft plaatsgevonden ten opzichte van totaal aantal niet-gecertificeerde milieuzorgsystemen

Opm. In dit schema zijn afgeronde waarden gerapporteerd; de verschilpercentages zijn op basis van de feitelijke waarden.