Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

3 Internetbijlage Toelichting op de belastingontvangsten

3.1 Inleiding

Deze internetbijlage behorende bij de Miljoenennota 2010 geeft een toelichting op de raming van de belastingontvangsten voor 2009 en 2010 en gaat vervolgens dieper in op de ontwikkeling van enkele grote belastingsoorten. Dit zijn achtereenvolgens de vennootschapsbelasting, de loon- en inkomstenbelasting en de omzetbelasting.


Zoals bepaald in de Comptabiliteitswet worden de belastingontvangsten op kasbasis gepresenteerd. De raming komt overeen met bijlage 3 van de Miljoenennota.


Voorheen was deze bijdrage opgenomen in de Rijksbegroting Financiën (Begroting IX B). Op verzoek van de Tweede Kamer is de toelichting op de belastingontvangsten sinds de Rijksbegroting 2005 gecentraliseerd in de Miljoenennota.

3.2 De belastingramingen voor 2009 en 2010

De volgende twee tabellen geven de opbouw weer van de belastingramingen. Tabel 1 toont de ontwikkeling van de realisaties in 2008 naar de Vermoedelijke Uitkomsten in 2009. Tabel 2 toont vervolgens de ontwikkeling van de Vermoedelijke Uitkomsten in 2009 naar de Ontwerpbegroting 2010. Per belastingsoort is hierbij een opsplitsing gemaakt van de verandering van de ontvangsten naar autonome mutatie en endogene mutatie. Autonome mutaties zijn mutaties van de belastingopbrengsten als gevolg van fiscale maatregelen of van overige maatregelen. Endogene mutaties zijn mutaties van de belastingopbrengsten als gevolg van de economische ontwikkeling.

Tabel 3.2.1 Raming belastingontvangsten 2009 op EMU-basis (x € miljoen)
  2008 Autonome mutaties Endogene mutaties Endogene mutatie in % 2009
Indirecte belastingen 72 920 757 – 10 416 – 14,3% 63 260
Invoerrechten 2 369 0 – 386 – 16,3% 1983
Omzetbelasting 43 311 – 74 – 7 157 – 16,5% 36 080
Belasting op personenauto’s en motorrijwielen 3 271 – 160 – 750 – 22,9% 2 361
Accijnzen 10 489 415 – 336 – 3,2% 10 569
– Accijns van lichte olie 4 067 0 – 116 – 2,8% 3 951
– Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie 3 195 167 – 80 – 2,5% 3 282
– Tabaksaccijns 2 278 154 – 90 – 3,9% 2 342
– Alcoholaccijns 339 0 – 35 – 10,4% 304
– Bieraccijns 318 90 – 10 – 3,3% 398
– Wijnaccijns 293 4 – 5 – 1,8% 292
Belastingen van rechtsverkeer 5 389 34 – 1 822 – 33,8% 3 601
– Overdrachtsbelasting 4 562 20 – 1 804 – 39,5% 2 778
– Assurantiebelasting 804 14 – 17 – 2,1% 801
– Kapitaalsbelasting 23 0 – 1 – 4,7% 22
Motorrijtuigenbelasting 3 079 204 32 1,1% 3 316
Belastingen op een milieugrondslag 4 499 48 19 0,4% 4 565
– Grondwaterbelasting 172 0 – 5 – 2,7% 167
– Afvalstoffenbelasting 118 0 – 3 – 2,7% 115
– Energiebelasting 4 076 48 30 0,7% 4 154
– Waterbelasting 118 0 – 3 – 2,7% 115
– Brandstoffenheffingen 15 0 0 – 2,7% 15
Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a. 159 0 – 4 – 2,7% 155
Belasting op zware motorrijtuigen 119 0 – 4 – 3,5% 115
Verpakkingenbelasting 147 174 – 4 0,0% 317
Vliegbelasting 88 116 – 4 0,0% 199
           
Directe belastingen 65 050 952 – 93 – 0,1% 65 910
Loon- en inkomstenbelasting kas 40 168 2 343 5 290 13,2% 47 801
Dividendbelasting 3 951 – 1 – 1 435 – 36,3% 2 516
Kansspelbelasting 302 140 – 6 – 2,1% 436
Vennootschapsbelasting 18 814 – 1 526 – 3 854 – 20,5% 13 434
– Gassector kas 2 200 0 – 350 – 15,9% 1 850
– Niet-gassector kas 16 614 – 1 526 – 3 504 – 21,1% 11 584
Vermogensbelasting 20 0 0 0% 20
Successierechten 1 795 – 5 – 88 – 4,9% 1 703
           
Niet nader toe te rekenen belastingontvangsten 98 0 0 0,0% 98
Totaal belastingen op kasbasis 138 068 1 709 – 10 509 – 7,6% 129 268
Tabel 3.2.2 Raming belastingontvangsten 2010 op EMU-basis (x € miljoen)
Belastingopbrengsten op kasbasis 2009 Autonome mutaties Endogene mutaties Endogene mutatie in % 2010
Indirecte belastingen 63 260 – 279 5 402 8,5% 68 383
Invoerrechten 1983 0 17 0,9% 2000
Omzetbelasting 36 080 – 76 5 096 14,1% 41 100
Belasting op personenauto’s en motorrijwielen 2 361 – 250 – 106 – 4,5% 2005
Accijnzen 10 569 26 71 0,7% 10 666
– Accijns van lichte olie 3 951 0 25 0,6% 3 977
– Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie 3 282 1 90 2,7% 3 373
– Tabaksaccijns 2 342 15 – 17 – 0,7% 2 340
– Alcoholaccijns 304 0 – 23 – 7,5% 281
– Bieraccijns 398 10 – 7 – 1,6% 401
– Wijnaccijns 292 0 2 0,7% 294
Belastingen van rechtsverkeer 3 601 13 101 2,8% 3 714
– Overdrachtsbelasting 2 778 12 96 3,5% 2 885
– Assurantiebelasting 801 1 5 0,6% 807
Motorrijtuigenbelasting 3 316 180 176 5,3% 3 672
Belastingen op een milieugrondslag 4 565 26 49 1,1% 4 640
– Grondwaterbelasting 167 0 – 1 – 0,7% 166
– Afvalstoffenbelasting 115 0 – 1 – 0,7% 114
– Energiebelasting 4 154 26 52 1,2% 4 231
– Waterbelasting 115 0 – 1 – 0,7% 114
– Brandstoffenheffingen 15 0 0 – 0,7% 14
Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a. 155 0 – 1 0,7% 154
Belasting op zware motorrijtuigen 115 0 1 1,2% 116
Verpakkingenbelasting 317 2 – 2 0,0% 317
Vliegbelasting 199 – 199 0 0,0% 0
           
Directe belastingen 65 910 – 672 – 1 350 – 2,0% 63 157
Loon- en inkomstenbelasting kas 47 801 – 530 – 2 828 – 5,9% 44 443
Dividendbelasting 2 516 0 375 14,9% 2 891
Kansspelbelasting 436 14 3 0,6% 452
Vennootschapsbelasting 13 434 – 887 1 090 8,1% 13 638
– Gassector kas 1 850 0 – 250 – 13,5% 1 600
– Niet-gassector kas 11 584 – 887 1 340 11,6% 12 038
Vermogensbelasting 20 0 0   20
Successierechten 1 703 – 1 10 0,6% 1 713
           
Niet nader toe te rekenen belastingontvangsten 98 0 0 0,0% 98
Totaal belastingen 129 268 – 1 682 4 051 3,1% 131 638

3.3 Nadere toelichting

De raming voor de totale belastingontvangsten in 2009 komt 8,8 miljard euro lager uit dan de realisatie van de totale belastingontvangsten in 2008 (zie tabel 3.2.1). Deze daling is de resultante van de autonome mutatie van 1,7 miljard euro en de endogene ontwikkeling van -10,5 miljard euro. Voor 2010 geldt een toename van de totale belastingontvangsten met 2,4 miljard euro ten opzichte van 2009. Dit is het saldo van een autonome mutatie van -1,7 miljard euro en een endogene ontwikkeling van 4,1 miljard euro. De hierna volgende paragrafen geven een nadere toelichting op deze autonome en endogene mutaties.

3.3.1 Autonome mutaties

De belastingontvangsten in 2009 nemen met 1,7 miljard euro toe als gevolg van fiscale en overige maatregelen. In tabel 3 staat aangegeven welke wijzigingen sinds de Miljoenennota 2009 hebben plaatsgevonden.

Tabel 3 Effecten autonome maatregelen op belastingontvangsten in 2009 op kasbasis in mln euro
  Kas 2009
Totaal maatregelen, zoals gemeld in Miljoenennota 2009 823
   
Waarvan oktoberpakket (BU) – 75
Waarvan decemberpakker – 569
Waarvan stimuleringspakket – 579
Waarvan nabetalingen 2 109
Totaal maatregelen 1 709

De belangrijkste beleidsmatige wijzigingen betreft het kredietcrisispakket van december 2009, het stimuleringspakket van voorjaar 2009, en de maatregelen rond de afschaffing van de BU waartoe na Miljoenennota 2009 is besloten.


Daarnaast hebben er autonome mutaties plaatsgevonden als gevolg van nabetalingen tussen het Rijk en de sociale fondsen. Deze nabetalingen vinden plaats, omdat via de inkomensheffing en de loonheffing de belastingen en premies volksverzekeringen geïntegreerd worden geheven. De verdeling van deze ontvangsten tussen het Rijk en de sociale fondsen gebeurt op basis van voorlopige verdeelsleutels. Wanneer de Belastingdienst de gegevens over de feitelijke inkomens van mensen binnen heeft, kan nauwkeurig worden bepaald welk deel van de heffingen naar het Rijk had gemoeten en welk deel naar de sociale fondsen. Bij de loonheffing gebeurt dit na twee jaar, omdat dan het grootste deel van de aanslagen en aangiften is afgehandeld. Bij de inkomensheffing gebeurt dit om dezelfde reden pas na vier jaar. Hierdoor vinden er in de jaren nadat een transactiejaar is afgesloten nog nabetalingen plaats tussen het Rijk en de sociale fondsen. Tabel 3 laat zien dat dit in 2009 tot 2,1 miljard euro minder ontvangsten voor het Rijk heeft geleid ten opzichte van wat in Miljoenennota 2009 werd verwacht. Omdat het hier onderlinge nabetalingen betreft tussen premieontvangsten en belastingontvangsten, zijn deze verschuivingen niet relevant voor het EMU-saldo of het lastenbeeld.


Voor 2010 bedraagt de geraamde autonome mutatie van de belastingontvangsten -1,7 miljard euro. De beleidsmatige toelichting hierop (inclusief effect op de premieontvangsten) is te vinden in bijlage 3 van de Miljoenennota 2010.

3.3.2 Endogene mutaties

De belastingontvangsten nemen in 2010 met 4,1 miljard euro toe als gevolg van de endogene ontwikkeling. Dit betekent een groei van 3,1 procent. Bijlage 3 van de Miljoenennota bevat een toelichting van de endogene ontwikkeling voor het totaal van de belasting- en premieontvangsten. Deze paragraaf geeft voor enkele specifieke belastingsoorten een nadere toelichting op de endogene ontwikkeling. De aandacht gaat hierbij uit naar de vennootschapsbelasting, de loon- en inkomstenbelasting en de omzetbelasting, die bij elkaar meer dan 70 procent van de totale belastingontvangsten vormen.

3.3.2.1 Vennootschapsbelasting

Bij de vennootschapsbelasting wordt onderscheid gemaakt in een deel dat afkomstig is van bedrijven uit de gassector en een deel dat afkomstig is van bedrijven uit de niet-gassector. Voor de vennootschapsbelasting afkomstig uit de gassector wordt een aparte raming opgesteld op basis van de winstontwikkeling in die sector, die in belangrijke mate afhangt van de olieprijs en de ontwikkeling van de dollarkoers. Voor een toelichting op de aardgasbatenraming, inclusief de VPB-afdracht uit de gassector, wordt verwezen naar bijlage 2 van de Miljoenennota. Deze internetbijlage bespreekt alleen de ontwikkeling van de VPB-opbrengst in de niet-gassector.


Voor een nader inzicht in de ontwikkeling van de kasontvangsten volgt een korte toelichting op het proces van aanslagoplegging. De heffing van de vennootschapsbelasting vindt in eerste instantie plaats via voorlopige aanslagen. In januari wordt een inschatting gemaakt van de winst voor dat jaar op basis van winsten uit de afgelopen twee jaren, eventueel gecorrigeerd voor verwachtingen betreffende de winsten van dat jaar zelf. Op basis hiervan worden voorlopige aanslagen verstuurd. Vervolgens geven bedrijven in juli of augustus van datzelfde jaar T een eerste voorlopige inschatting van de winstontwikkeling. Op basis van deze voorlopige schatting kan een bijstelling van de voorlopige aanslag plaatsvinden. In juli / augustus van het daaropvolgende jaar (T+1) vindt vervolgens de voorlopige aangifte plaats en dit kan wederom leiden tot een nadere voorlopige aanslag. Afhankelijk van de omvang van het bedrijf en de aard van de aangifte vindt in een van de daaropvolgende jaren de definitieve vaststelling van de winst plaats. Meestal wordt circa driekwart van de uiteindelijke aanslagopleggingen reeds in het eerste jaar via voorlopige aanslagen ontvangen, maar dit percentage fluctueert wel.


Voor het opstellen van de begroting zijn de kasontvangsten van de vennootschapsbelasting relevant. Daarom is het van belang hoe het verloop van aanslagoplegging zich vertaalt in kasontvangsten. Tabel 4 toont de ontwikkeling van de totale kasopbrengst per jaar met een opsplitsing naar transactiejaar. Hieruit blijkt duidelijk dat het grootste deel van de opbrengst in een bepaald jaar voortkomt uit de voorlopige aanslagen over dat jaar zelf. Deze opbrengst stijgt nog door bijstellingen in de voorlopige aanslagen over voorgaande jaren, maar als gevolg van verliesverrekening is de bijdrage van jaar T-3 en ouder over het algemeen negatief. In de raming is zichtbaar dat de totale ontvangsten in 2005 sterk zijn vertekend door de aankoop van het gasgebouw, waardoor de opbrengst dat jaar incidenteel 2,3 euro miljard hoger is uitgevallen.

Tabel 3.3. Opbrengst en ontwikkeling van de vennootschapsbelasting (exclusief gas) op kasbasis naar transactiejaar (x € miljoen)
  2005 2006 2007 2008 2009 2010
Jaar T 13 840 12 717 13 595 14 325 9 992 10 176
Jaar T-1 4 184 3 990 4 331 4 007 3 375 2 303
Jaar T-2 715 557 – 42 319 – 227 102
Jaar T-3 – 24 – 187 93 – 170 – 169 156
Jaar T-4 en ouder – 1 126 – 1 230 – 1 265 – 1 868 – 1 387 – 910
Totaal kasopbrengst VPB niet-gas 17 588 15 847 16 712 16 614 11 584 12 038

De verwachte endogene mutatie van 2008 op 2009 bedraagt -3,5 miljard euro voor de vennootschapsbelasting bij de niet-gassector. Beleidsmaatregelen zorgen in 2009 voor -1,5 miljard lagere ontvangsten. Per saldo bedraagt de totale ontwikkeling van de Vpb-ontvangsten van de niet-gassector -5,0 miljard in 2009. In 2010 bedraagt de endogene toename van de Vpb-ontvangsten bij de niet-gassector naar verwachting 1,3 miljard euro. Beleidsmaatregelen zoals de liquiditeitsverruimende maatregelen en maatregelen ter bevordering van innovatie zorgen voor -0,9 miljard lagere autonome ontvangsten. Per saldo bedraagt de toename in de Vpb-ontvangsten van de niet-gassector in 2010 afgerond 0,5 miljard euro.

3.3.2.2 Loon- en inkomstenheffing

De loonheffing is een voorheffing van de inkomstenheffing. In de eerste instantie dragen particulieren maandelijks loonbelasting af op basis van hun inkomen uit arbeid. Na het verstrijken van het kalenderjaar moet vervolgens voor 1 april van het volgende jaar belastingaangifte worden gedaan. Op basis hiervan wordt bepaald hoeveel belasting in totaal verschuldigd is (met inachtneming van andere bronnen van inkomen, belastingkortingen en aftrekposten). Wanneer dit bedrag hoger is dan de reeds betaalde loonheffing, moet men het resterende bedrag aan inkomstenheffing voldoen. Wanneer de verschuldigde belasting lager is, krijgt men geld terug van de Belastingdienst. Hierdoor komen per saldo de opbrengsten inkomstenheffing negatief uit. In onderstaande analyse wordt gekeken naar de ontwikkeling van de loon- en inkomensheffing. Dit betreft naast de belasting tevens de ontvangsten premies volksverzekeringen welke geïntegreerd worden geheven. Voor analysedoeleinden zijn de ontvangsten op heffingsniveau beter bruikbaar, omdat deze eenvoudiger kunnen worden waargenomen. De premieontvangsten worden echter niet in deze internetbijlage verantwoord.

Loonheffing

De raming van de loonheffing vindt net als bij de vennootschapsbelasting op transactiebasis plaats. Het ontvangstpatroon van de transactieopbrengst in de kas is bij de loonheffing echter veel stabieler dan bij de VPB. Daarnaast geldt dat de transactieopbrengst ook aanzienlijk sneller wordt ontvangen en binnen drie maanden na afloop van het jaar bijna volledig gerealiseerd is. Hierdoor treden minder grote verschillen op tussen de ontwikkeling van de transactieopbrengst en de kasopbrengst dan bij de VPB.

Tabel 3.3.7 Ontwikkeling loonheffing op transactiebasis (x € miljoen)
  2008 2009 2010
Opbrengst op transactiebasis 82 803 86 246 85 194
       
Mutatie   3 443 – 1 052
wv endogeen   3 156 – 2 054
wv autonoom   287 1 002
       
Endogene groei (in %)   3,8% – 2,4%

In tabel 3.3.7 is de (geraamde) endogene ontwikkeling van de loonheffing in 2009 en 2010 te zien. De verwachte endogene groei bedraagt in 2009 nog 3,4 miljard euro maar valt in 2010 negatief uit: -1,1 miljard euro. De ontwikkeling is afhankelijk van de ontwikkeling van de totale belastbare loonsom. Dat wordt bepaald door de groei van de werkgelegenheid, de ontwikkeling van de contractlonen, de hoogte van verschillende premies en de ontwikkeling van uitkeringen en pensioenen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van enkele gegevens uit de Macro Economische Verkenning van het CPB.

Tabel 3.3.6 Relevante economische indicatoren voor de loonheffing
  2009 2010
Arbeidsvolume in arbeidsjaren – 1,1% – 3,9%
Contractloonstijging bedrijven 3,0% 1,5%
Incidentele loonstijging – 0,4% 1,2%
Tabelcorrectiefactor 1,7% 1,9%
Arbeidsinkomensquote marktsector 81,6% 78,7%

Uit de economische indicatoren kan de ontwikkeling van de loonheffing worden verklaard. Een oplopende werkloosheid in 2009 zorgt voor een afname van het arbeidsvolume met -1,1 procent. Daarnaast is de incidentele loonontwikkeling negatief: –0,4 procent. De contractloonstijging van 3,0 procent mitigeert echter de negatieve effecten van de incidentele loonontwikkeling en de ontwikkeling van de werkgelegenheid ruimschoots: de endogene ontwikkeling van de loonheffing bedraagt in 2009 3,2 miljard. In 2010 neemt de werkloosheid sterk toe. Het arbeidsvolume neemt daarmee sterk af: -3,9 procent. Deze afname is veel groter dan in 2009. Een positieve contractloonontwikkeling met 1,5% procent en een positieve incidentele loonstijging met 1,2 procent wegen niet op tegen de negatieve effecten van de werkgelegenheidsontwikkeling: de endogene ontwikkeling van de loonheffing is in 2010 negatief en bedraagt -2,1 miljard.

Inkomensheffing

De ontvangsten bij de inkomensheffing zijn het saldo van de belastingontvangsten van particulieren en zelfstandige ondernemers. Voor de particulieren geldt de loonheffing als voorheffing. Bij de inkomensheffing voor particulieren hebben de ontvangsten dan ook betrekking op bijtel- en aftrekposten en heffingskortingen die niet via de loonheffing zijn verrekend. Bij de zelfstandigen wordt de ontwikkeling daarnaast ook bepaald door de winstontwikkeling.


De raming van de ontvangsten van de inkomensheffing is opgesteld op basis van de autonome maatregelen, de geraamde endogene ontwikkeling en de kasrealisaties tot en met juli.

Tabel 3.3.5 Ontwikkeling inkomensheffing op transactiebasis (x € miljoen)
  2008 2009 2010
Inkomensheffing op transactiebasis – 6 698 – 4 883 – 5 395
       
mutatie   1 815 – 512
wv endogeen   178 – 202
wv autonoom   1 637 – 310

De autonome mutatie in 2009 betreft grotendeels de afschaffing van de aftrek Buitengewone uitgaven (BU). De autonome mutatie in 2010 betreft met name de liquiditeitsverruimende innovatie bevorderende maatregelen.

3.3.2.3 Omzetbelasting

De omzetbelasting is de grootste belastingsoort en verantwoordelijk voor circa 30 procent van de totale belastingontvangsten. De endogene groei van de omzetbelasting wordt vooral bepaald door de waardeontwikkeling van de bestedingen waarop BTW rust, te weten de particuliere consumptie, de overheidsinvesteringen en de investeringen in woningen. De ramingen van het CPB voor deze bestedingscategorieën zijn samengevat in onderstaande tabel.

Tabel 3.3.6 Relevante economische indicatoren voor de raming van de omzetbelasting
  2009 2010
particuliere consumptie, waardemutatie – 2,2% 0,3%
investeringen in woningen, waardemutatie – 9,7% – 5,9%
overheidsinvesteringen, waardemutatie 5,1% 4,7%

Bij de particuliere consumptie speelt ook de samenstelling van de consumptie een rol, omdat er verschillende bestedingscategorieën zijn waarvoor een verschillend BTW-tarief geldt. Bij laagconjunctuur is het bijvoorbeeld geen ongebruikelijk verschijnsel dat er een verschuiving plaatsvindt van consumptie waarvoor een hoger tarief geldt («luxe goederen») naar consumptie waarvoor een lager BTW-tarief geldt. Hierdoor neemt stijgt het gemiddelde BTW-tarief over de totale particuliere consumptie af en daarmee de BTW-ontvangsten.


De endogene ontwikkeling van de BTW-opvangsten op transactiebasis bedraagt -1,5 miljard euro in 2009 en -0,2 miljard in 2010.

Tabel 3.3.7 Raming van de omzetbelasting op transactiebasis (x € miljoen)
  2008 2009 2010
Omzetbelasting op transactiebasis 42 953 41 365 41 035
       
mutatie   – 1 587 – 330
wv endogeen   – 1 509 – 243
wv autonoom   – 79 – 88
       
Endogene mutatie in procent   – 3,5% – 0,6%

Verreweg de belangrijkste factor voor de ontwikkeling van de BTW-ontvangsten is de waardeontwikkeling van de particuliere consumptie. Deze is in 2009 negatief: –2,2 procent. De investeringen in woningen ontwikkelen zich in 2009 met –9,7 procent zwaar negatief. Deze factoren zorgen voor een negatieve ontwikkeling in de BTW-ontvangsten in 2009 met –1,5 miljard. In 2010 ontwikkelt de particuliere consumptie zich weer positief, zij het bescheiden met 0,3 procent. De investeringen in woningen nemen in 2010 nog wel steeds af: –5,9 procent. Net als in 2009 is de ontwikkeling van de overheidsinvesteringen flink positief: 4,7 procent. Per saldo is de endogene ontwikkeling van de BTW-ontvangsten met –0,2 miljard licht negatief.