| Rijksbegroting | Overzicht | Voorbereiding | Uitvoering | Verantwoording | |
|---|---|---|---|---|---|
| 2010 |
|
||||
2.1. De beleidsagenda
Een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving, voor ons en onze kinderen en kleinkinderen. Dat is de missie van de Minister van VROM. Een gezond en duurzaam land realiseren we met het verbeteren van de luchtkwaliteit, het beschermen van het landschap en het garanderen van schoon drinkwater. Dit zijn van oudsher de kerntaken van VROM. Het klimaatbeleid is daar bij gekomen; één van de grootste mondiale uitdagingen van onze generatie.
De gevleugelde uitspraak, «we hebben de aarde niet als erfenis in beheer, maar te leen van onze kinderen», is actueler dan ooit. Als de economische crisis één ding heeft geleerd, dan is het wel dat niet langdurig op veel te grote voet kan worden geleefd zonder ooit de rekening te moeten betalen. Daarbij zien we dat de economische neergang zich, door de verwevenheid van sectoren en landen, in een enorme snelheid over de wereld uitspreidt.
Het klimaatvraagstuk is van een andere orde dan elk ander maatschappelijk probleem tot nu toe. Het gaat om onomkeerbare effecten op een lange tijdschaal met enorme effecten wereldwijd. In tegenstelling tot de economische crisis kent de klimaatcrisis geen cyclisch karakter en worden de gevolgen alleen maar erger. Het klimaatvraagstuk is daarmee van een andere orde dan de economische crisis. Een klimaatcrisis kan worden voorkomen tegen aanvaardbare kosten mits mondiaal voortvarend wordt samengewerkt en tijdig wordt geïnvesteerd in een duurzame economie. Innovatie en de juiste prikkels voor de markt zijn hierbij de sleutelwoorden om zowel uit het economische- als uit het klimaatdal te klimmen. En hoewel de onzekerheden rond het vraagstuk groot zijn, is één ding zeker: niets doen is geen optie, dan krijgen de volgende generaties de rekening gepresenteerd.
Het jaar 2010 zal daarom in het teken staan van de uitwerking van de internationale klimaattop van Kopenhagen, die in december 2009 plaatsvindt. De internationale gemeenschap kan op klimaatgebied een noodzakelijke stap vooruit zetten door bindende afspraken te maken over de terugdringing van CO2-uitstoot. De Europese Unie (EU) wil dertig procent minder broeikasgassen in 2020, ten opzichte van 1990, mits er sprake is van een evenwichtig akkoord.
Het Kabinet voert een ambitieus klimaatbeleid en heeft dit ook in nationaal beleid vastgelegd. In het coalitieakkoord zijn klimaatvoorstellen uitgewerkt. Tal van effectieve klimaatakkoorden zijn gesloten met medeoverheden en bedrijfstakken. Rijksbreed wordt gewerkt aan het programma Schoon en Zuinig. Want het klimaatbeleid is niet langer het exclusieve terrein van de Minister van VROM. Het zit in de vezels van dit Kabinet. Dat bleek eens te meer bij de presentatie van het aanvullend beleidsakkoord in april 2009 en het groen akkoord met provincies en gemeenten. Van de € 6 miljard aan stimuleringsmaatregelen is meer dan 30 procent duurzaam: energiebesparing, duurzaam ruimtegebruik en de productie van duurzame energie. De Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE) wordt ruimer en robuuster gefinancierd uit een opslag op het elektriciteitstarief, waarmee bedrijven meer zekerheid krijgen voor toekomstige investeringen, en de kabinetsdoelstelling van 20 procent duurzame energie in 2020 wordt gerealiseerd.
Dit Kabinet spant zich in voor het klimaat op een manier en schaal die geen precedent heeft in de Nederlandse geschiedenis. Een inspanning bovendien, die uiterst nauwkeurig gedocumenteerd wordt door de monitor Schoon en Zuinig. Dit document stuurt VROM in het vervolg jaarlijks met Prinsjesdag naar de Tweede Kamer. De verkenning Schoon en Zuinig, verschenen in april 2009, toonde aan dat het Kabinet de milieudoelen voor 2011 haalt. Op de lange termijn zijn er echter onzekerheden. Extra ingrepen of alternatieven voor het huidige beleid kunnen noodzakelijk zijn. Conform het coalitieakkoord besluit het Kabinet hierover in juni 2010, bij de tussenevaluatie van Schoon en Zuinig.
De klimaatopgave vergt grote, meerjarige investeringen van overheden en bedrijfsleven. Maar dit moet niet alleen als last voor de economie worden beschouwd. Schaarste is de moeder van creativiteit en innovatie. Vindingrijkheid, waarmee Nederland groot is geworden, moet worden aangewend om nieuwe oplossingen te vinden. Door vooruitgang te boeken op het gebied van duurzame energie, energiebesparing en het efficiënt (her-)gebruik van natuurlijke grondstoffen vergroten we onze concurrentiekracht.
Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in 2009 gestart. Dankzij de samenwerking tussen Rijk, gemeenten en provincies worden de luchtkwaliteitsnormen gegarandeerd gehaald. De goedkeuring van de Europese Commissie toont aan dat niet alleen het Kabinet, maar ook de EU vertrouwen heeft in deze vernieuwende aanpak! 2010 staat in het teken van de uitvoering van het NSL.
De overheid stimuleert groene innovatie in de marktsector door vanaf 1 januari 2010 100 procent duurzaam in te kopen. Werken aan een duurzaam Nederland door het creëren van markten voor duurzame producten, is een van de speerpunten van het Kabinet. De markt wordt zo een krachtige impuls gegeven en voor innovatiegerichte ondernemers worden kansen gecreëerd. De Nederlandse economie kan daardoor een concurrentievoordeel behalen op andere landen en nieuwe, op duurzaamheid gerichte, bedrijvigheid en werkgelegenheid creëren.
Deze vooruitgang komt voort uit de kracht van het initiatief van individuen, groeperingen en bedrijven. VROM stelt zich ten dienste van deze initiatieven, door koplopers bij te staan met raad en daad, door brede allianties te smeden en door zinloze regels af te schaffen en bestaande regels te vereenvoudigen.
Dat laatste is van groot belang. Veel initiatieven, bijvoorbeeld op het gebied van duurzame energie of duurzaam bouwen, komen traag op gang vanwege stroperige procedures. Het Kabinet voert mede daarom in 2010 de Crisis- en herstelwet in.
De unieke ruimtelijke ordening van Nederland staat niet ter discussie. Ons dichtbevolkte, kwetsbare land is door de eeuwen heen zo ingericht dat we dynamische steden hebben binnen weidse, open, groene ruimtes. Die balans vormt het fundament van het thema Mooi Nederland.
Toch staat een mooier Nederland onder druk. Verrommeling, vervlakking en monotonie nemen nog steeds toe. Het kabinetsbeleid stelt zeker dat Nederland een aantrekkelijk land blijft waar het prettig wonen, werken en recreëren is. De oplossing ligt in het beter benutten van bebouwd gebied door economische activiteit en stedelijke ruimte te bundelen. De positie van de stad staat hierbij centraal. Daarvoor wordt 2010 een belangrijk jaar. De eerste tranche van de AMvB Ruimte treedt in werking, waardoor de kaders voor de ruimtelijke inrichting van ons land vast komen te liggen.
De klimaatverandering tekent de komende jaren sterk het ruimtelijk beleid. De risico’s waar Nederland mee te stellen krijgt zijn niet gering: het waterpeil van de grote rivieren piekt vaker, de zeespiegel stijgt, de zomers worden droger en de bodem daalt en verzilt. De kijk op ruimtelijke ordening moet zich daaraan aanpassen. Er moet ruimte worden gevonden voor duurzame energievormen op het land en op zee. In de tussentijdse evaluatie van de Nota Ruimte in 2010 wordt hier nader op ingegaan.
De geschetste opgaven zijn immens, maar tegelijkertijd passen ze bij Nederland. De historische vergelijking met de inpoldering van Holland, de aanleg van de Afsluitdijk en de Deltawerken dringt zich op. Zoals wel vaker brengt een crisis, in dit geval een klimaatcrisis, het beste in ons boven.
Het VROM-beleid draagt bij aan het realiseren van doelstellingen uit pijler een, twee, drie en zes van het beleidsprogramma van het Kabinet «Samen werken, samen leven». De bijdragen van VROM worden hieronder thematisch toegelicht: klimaatbeleid, ontwikkeling van markten voor duurzame producten (ketenbeleid), Mooi Nederland en slimmere regels, betere uitvoering en minder lasten.
Pijler 1: Een actieve internationale en Europese rol
Pijler 2: Een innovatieve, concurrerende en ondernemende economie
Pijler 3: Een duurzame leefomgeving
Pijler 6: Overheid en dienstbare publieke sector
A. Klimaatbeleid
Mede door menselijke activiteit warmt de aarde op. De bedreigingen voor Nederland zijn reëel: de grote Europese rivieren krijgen te maken met meer en extremere pieken. Regen- en smeltwater komt naar Nederland – de Delta van Europa; de zeespiegel stijgt en de stormen nemen toe in aantal en kracht.
Het Kabinet kiest voor actie. Kern van de strategie is de uitstoot van broeikasgassen verminderen door het tempo van energiebesparing te verhogen en de inzet van duurzame energie te vergroten. Dit combineert het Kabinet met beleid gericht op ruimtelijke aanpassingen waartoe de klimaatverandering noopt. Leven met water in plaats van strijden tegen.
De EU legt de uitstoot van CO2 aan banden met het emissiehandelssysteem. Een belangrijke stap naar een mondiale koolstofmarkt, waarin emissies een prijs krijgen en maatregelen op efficiënte wijze worden gealloceerd. Het verder vormgeven van de koolstofmarkt vormt, naast onder meer effectieve ondersteuning van acties in ontwikkelingslanden, de sleutel tot internationale klimaatafspraken in Kopenhagen. Het Kabinet steunt dit. Tot die tijd zet het Kabinet in op afvang en opslag van CO2 (CCS). Het beleid richt zich op het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen in de sectoren verkeer, industrie en landbouw. Behalve aan het klimaat, dragen duurzame mobiliteit, energie-efficiënte productie en milieuvriendelijke landbouw bij aan schonere lucht. Het tempo van energiebesparing moet omhoog, evenals de productie van duurzame energie, zodat nog minder broeikasgassen in Nederland worden uitgestoten.
Duurzame energie speelt een hoofdrol bij de klimaat- en energieambities van dit Kabinet. Het kabinet streeft naar 20 procent duurzame energie in 2020. Windenergie op zee en land en biobrandstoffen spelen een belangrijke rol. VROM is verantwoordelijk voor de ruimtelijke inpassing van windenergie op het land. Plaatsing van windturbines mag niet ten koste gaan van kwetsbare landschappen. De opmars van duurzame energie, zoals zonne-, bodem-, water- en windenergie, biomassa en biobrandstoffen en de ontwikkeling rond afvang en opslag van CO2 (CCS) heeft consequenties voor ons ruimtegebruik.
Bij het inrichten van Nederland moet rekening worden gehouden met de gevolgen van klimaatverandering voor ons land. Het valt onder de verantwoordelijkheid van VROM dat het klimaat een belangrijke rol heeft in het ruimtelijk beleid. In het Deltaprogramma zijn taken binnen het kabinet verdeeld voor de nationale beleidsopgaven voor waterveiligheid en zoetwatervoorziening. VROM geeft vorm aan de ruimtelijke visie rond de Rijnmond en van de kustuitbreiding. Ook stelt VROM voorwaarden op voor nieuwbouw en herstructurering.
A.1 Internationaal Klimaatbeleid
Kabinetsdoelstelling 8: In breder verband actief bijdragen aan het tot stand komen van nieuwe ambitieuze internationale doelstellingen voor na 2012.
Doel
In 2010 en verder gaat de internationale gemeenschap de in Kopenhagen afgesproken principes en doelstellingen uitwerken in concrete, juridisch bindende, mondiale mechanismen en richtlijnen. Meetbaarheid, rapporteerbaarheid en verifieerbaarheid van emissiereducties, acties en steun vormen een hoofdthema. Tempo is daarbij geboden zodat er geen hiaat ontstaat tussen het aflopen van de afspraken in het Kyoto-protocol eind 2012 en het van kracht worden van nieuwe afspraken op basis van het Kopenhagen-akkoord. Wanneer er mondiaal een ambitieus akkoord wordt bereikt heeft de EU zich verplicht haar eigen emissiereductiedoelstelling voor 2020 van 20 procent naar 30 procent te verhogen.
Om de meest bedreigende gevolgen van de klimaatverandering te kunnen voorkomen, blijft de Nederlandse inzet gericht op het beperken van de mondiale temperatuurstijging tot twee graden Celsius. Hiertoe moeten ontwikkelde en ontwikkelingslanden hun uitstoot van broeikasgassen voortvarend aanpakken. Daartoe moet de mondiale koolstofmarkt geleidelijk worden uitgebouwd en verbeterd. Er moeten voldoende middelen op tafel komen voor ondersteuning van klimaatacties in ontwikkelingslanden.
Eén van de pijlers onder de aanpak van broeikasgassen is het Europees marktmechanisme voor CO2-uitstoot, het Emission Trading System (ETS). Het speelt een centrale rol bij de verdeling van de emissiereductiedoelstellingen tussen EU-lidstaten. Ook normering van huishoudelijke apparaten, auto’s en gebruiksvoorwerpen wordt op Europese schaal ingevoerd. Nederland zet zich in de EU in voor ambitieuze doelen op dit gebied.
Figuur 1: Ontwikkeling mondiale broeikasgasemissies 1990–2050.

Belangrijkste prestaties in 2010:
Als er in december 2009 een klimaatakkoord in Kopenhagen is bereikt, zal 2010 het jaar zijn waarin de internationale gemeenschap de afspraken uit het akkoord operationaliseert. Belangrijke speerpunten in 2010 vanuit de initiërende rol die Nederland voor Kopenhagen heeft gespeeld zijn:
• Uitwerking van de afspraken over de internationale financiële architectuur: de bronnen, besteding en toezicht op de middelen;
• Uitwerking van de nieuwe marktmechanismen in het kader van koolstofarme ontwikkelingsstrategieën;
• Uitwerking van de reductiedoelstelling van 30 procent en de lastenverdeling daarvan binnen de EU.
Mocht een internationale overeenkomst niet of niet tijdig tot stand komen, dan gelden nog altijd de unilaterale doelstellingen van de EU en Nederland.
A.2 Nationaal klimaatbeleid en overig broeikasbeleid
Doel
Zoals in het beleidsprogramma en het aanvullend beleidsakkoord is gesteld, heeft het Kabinet voor 2020 de volgende doelen:
• Energiebesparing van gemiddeld 2 procent per jaar tussen 2011 en 2020;
• Verhoging van het aandeel duurzame energie tot 20 procent in 2020, inclusief een groei naar 10 procent gebruik van hernieuwbare energie in de vervoersector (waaronder duurzaam geproduceerde biobrandstoffen) in 2020.
Het Kabinet heeft voor 2020 een einddoel per sector opgesteld. Deze reductiedoelen zijn opgenomen in onderstaande figuur.
| Tabel 1: Reductiedoel per sector in 2020 (ten opzichte van 1990). Eén Megaton is gelijk aan één miljard kilo. | |
| Emissiereductiedoelen per sector Schoon en Zuinig in Megaton (Mton) CO2eq in 2020 ten opzichte van 1990 | |
| Industrie en energie | 30 procent reductie |
| Gebouwde omgeving | 15 à 20 Mton CO2 |
| Verkeer | 30 à 34 Mton CO2 |
| Landbouw | 5 à 6 Mton CO2 |
| Overige broeikasgassen | 25 à 27 CO2-equivalent |
In onderstaande figuur zijn de werkelijke emissies tot en met 2007 weergegeven. Deze zijn afgezet tegen de doelstelling voor 2020 en de verwachte emissie in 2020. Uit de Verkenning Schoon en Zuinig kan worden afgeleid dat de verwachte uitstoot uitkomt op 163–180 Mton in 2020, uitgaande van ondermeer de huidige EU-reductiedoelstelling. Medio 2010 wil het Kabinet de tussenevaluatie van Schoon en Zuinig naar de Tweede Kamer sturen. Indien uit de evaluatie blijkt dat aanvullende maatregelen nodig zijn om de doelen voor 2020 zeker te stellen, zal het Kabinet hiertoe tegelijkertijd met de evaluatie voorstellen doen.
Figuur 2: Emissie broeikasgassen in Nederland, 1990–2020

Op weg naar 2020 heeft het Kabinet een aantal tussendoelen in 2011 te halen.
| Tabel 2: Realisatie tussendoelen 2011. Eén Megawatt is gelijk aan één miljoen watt. | ||
| Doelstelling 2011 | Verwachte resultaten 2011 | |
| Broeikasgassen | maximaal 209 Mton CO2eq broeikasgasemissie | wordt naar verwachting gehaald |
| Energiebesparing | 29–61 Pjprim per jaar | 24–54 Pjprim |
| Duurzame energie | 4 procent biobrandstoffen 2 285 Megawatt (MW) gecommitteerd | 4 procent biobrandstoffen indien vergunningverlening succesvol, 3 496–3 541 MW mogelijk |
Belangrijkste prestaties in 2010:
• In de eerste helft van 2010 maakt het Kabinet de lacunes inzichtelijk en stuurt de betreffende tussenevaluatie Schoon en Zuinig naar de Tweede Kamer;
• Indien evaluatie daartoe aanleiding geeft, volgen in 2010 eventuele maatregelen om doelrealisatie in 2020 zeker te stellen;
• Monitor Schoon en Zuinig inclusief de voortgang van de convenanten in september 2010 naar de Tweede Kamer.
Energiebesparing: energiezuinige verlichting
Doel
Nederland schakelt over op energiezuinige verlichting in huishoudens, publieke ruimte en bedrijvenpanden. Daarmee speelt Nederland in op het verbod op gloeilampen in Europees verband per september 2012. De matte gloeilampen verdwijnen al per september 2009 uit de schappen. VROM wil de Nederlandse consument bewust maken van de energiezuinige alternatieven voor verlichting. Het is de ambitie om het elektriciteitsgebruik door verlichting in huishoudens met circa 30 procent te verminderen in 2011 ten opzichte van 2007. De rijksoverheid stimuleert, terwijl de andere overheden beleid voeren.
Belangrijkste prestaties in 2010:
• De gloeilamp verdwijnt uit Nederland conform Europese afspraken. Het verbod op matte gloeilampen gaat in per september 2009. In september 2010 verdwijnt de 75W en in 2011 de 60W gloeilamp. Een volledig verbod op heldere gloeilampen gaat in per september 2012;
• Gezamenlijke mediacampagne van VROM en de verlichtingsmarkt over energiezuinige verlichting als alternatief voor de gloeilamp;
• Uitvoering van het groen akkoord op basis van eigen gemeentelijke plannen met koplopergemeenten zorgt voor een toename van de energiebesparing in de openbare verlichting;
• Ontwikkeling van hulpmiddelen (energiebesparingsscan) voor energiebesparing op verlichting in de utiliteitsbouw;
• In 2010 wordt een plan van aanpak opgesteld om te komen tot donkerte beleid tegen overbodige verlichting, in samenwerking met provincies en het platform lichthinder.
CO2-afvang en -opslag
De Minister van VROM is samen met de Minister van EZ verantwoordelijk voor de uitvoering en de voortgang van het programma CCS.
Het Kabinet wil de uitstoot van broeikasgassen verminderen door het tempo van energiebesparing te verhogen en de inzet van duurzame energie sterk te vergroten. Vooralsnog zal dat niet genoeg zijn om de klimaatdoelstelling te halen. In de overgangsfase zet het Kabinet daarom in op afvang en opslag van CO2 (CCS). Voordat bedrijven CCS rendabel kunnen toepassen, zullen de kosten verder omlaag moeten. Daarom heeft het Kabinet de afgelopen jaren middelen beschikbaar gesteld voor technologisch onderzoek en demonstratieprojecten op het gebied van CO2-afvang en -opslag. Strengere CO2-emissieplafonds na 2020 zullen leiden tot hogere CO2-prijzen, waardoor de toepassing van CCS rendabel wordt voor bedrijven. In aanvulling daarop wordt een verkennend onderzoek uitgevoerd naar de verschillende typen andere maatregelen om ervoor te zorgen dat grootschalige invoering van CCS na afloop van de demonstratiefase wordt gerealiseerd. De uitkomsten van de klimaatonderhandelingen in Kopenhagen zullen van invloed zijn op de toekomstige CO2-prijs. Er wordt goed gekeken naar de ervaringen die Groot-Brittannië heeft met verplichtstelling.
Doel
Het Kabinet heeft als doel gesteld dat in Nederland CCS versneld moet worden gerealiseerd en toegepast: in 2015 zullen twee grootschalige demonstratieprojecten in Nederland operationeel moeten zijn. Met name voor kolencentrales, als zeer grote CO2-emittenten, is het doel van het kabinet – linksom of rechtsom – om bij alle thans in aanbouw zijnde en nog nieuw te bouwen kolencentrales zo spoedig mogelijk, direct na afloop van de demonstratiefase, CCS toe te passen. Het Kabinet is daarover in gesprek met het bedrijfsleven. Vanzelfsprekend zal het level playing field voor bedrijven daarbij een belangrijk aandachtspunt zijn en moet er draagvlak bij de burger zijn.
Het is van belang dat CCS ook door andere bedrijven met een hoge CO2-uitstoot, zoals in de chemie, de staalindustrie en elektriciteitscentrales, zo spoedig mogelijk wordt toegepast. Nederland wil dat voor CCS zo snel mogelijk geldt dat «de vervuiler betaalt», maar in de demonstratiefase, waarin CCS nog niet rendabel is, is financiële steun van de overheid (EU/Nederland) onontkoombaar om demonstratieprojecten te kunnen realiseren.
Belangrijkste prestaties in 2010:
• In het kader van het Europese Economische herstelplan is een bedrag van € 180 mln gereserveerd voor de realisatie van één CCS-project in Nederland. Daarvoor hebben Nederlandse bedrijven inmiddels twee projectvoorstellen bij de Europese Commissie ingediend waaruit de Commissie eind 2009/begin 2010 één voorstel zal selecteren voor financiële steun. De Europese financiering zal ten hoogste 80 procent van de totale projectkosten bedragen. Het Kabinet zal op korte termijn met de betrokken bedrijven afstemmen hoe de gezamenlijke bijdrage in beginsel zal worden ingevuld als het project door de Europese Commissie zou worden geselecteerd. Een belangrijke voorwaarde voor een eventuele rijksbijdrage voor het geselecteerde demonstratieproject is dat het betrokken bedrijfsleven zelf een substantiële financiële bijdrage levert.
• In het voorjaar 2010 kunnen initiatiefnemers projectvoorstellen indienen bij de Europese Commissie om te worden geselecteerd als grootschalig CCS-demonstratieproject. Deze projecten zullen (deels) worden gefinancierd uit de zogenaamde ETS-nieuwkomersreserve. Het Kabinet zet zich er actief voor in dat de Europese Commissie een deel van deze plannen als Europese voorbeeldprojecten selecteert en daarvoor substantiële financiële steun beschikbaar stelt. Met het oog op selectie van Nederlandse projectvoorstellen door de Europese Commissie als grootschalig Europees demonstratieproject, zal het Kabinet, op basis van gedegen en uitgewerkte business cases, een rijksbijdrage voor (een deel van) deze demonstratieprojecten serieus overwegen, mits ook de bedrijven van hun kant komen met substantiële financiële commitments.
Overige broeikasgassen
Doel
Verlaging van emissies van overige broeikasgassen met circa 50 procent in 2020 (ten opzichte van 1990).
Belangrijkste prestaties in 2010:
De volgende prestaties in 2010 zijn gericht op de realisering van de emissie reductie in 2020:
• Met het ministerie van LNV uitvoeren van, mede op klimaatbeleid gerichte, innovatieprogramma’s in de landbouw door met name inzet van emissiearm veevoer en precisielandbouw;
• Uitvoering van het sectorconvenant schone en zuinige Agrosectoren;
• Onderzoek naar extra reductiemogelijkheden in de industrie. Onder meer bij koeling en warmtepompen, warmtekrachtinstallaties, vergistinginstallaties, rioolzuivering en afvalverbranding;
• Bijdragen aan de uitwerking van een internationaal emissiereductie arrangement om wereldwijde toename van emissies van fluorkoolwaterstoffen (HFK’s) te voorkomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de ervaringen van het Montreal-Protocol.
Lokale en regionale initiatieven
Doel
Optimalisering van de bijdrage van provincies en gemeenten aan de reductiedoelstelling van het beleidsprogramma Schoon en Zuinig. 2010 is het oogstjaar van het project Lokale en Regionale Klimaatinitiatieven.
Belangrijkste prestaties in 2010:
• In 2010 zijn alle, via de Stimulering Lokale Klimaatinitiatieven (SLOK)-regeling gesteunde klimaatakkoorden, met gemeenten en provincies in uitvoering genomen conform de daarvoor opgestelde plannen die deels door VROM worden bekostigd via de SLOK-regeling;
• De knelpunten, zoals geïnventariseerd in 2009, uit de Lokale en Regionale Beleidsagenda Klimaat zijn opgelost;
• VROM ondersteunt de 180 gemeenten die beleidsplannen uitvoeren gericht op het Midden- en Kleinbedrijf (MKB). Handhavingsbeleid moet ertoe leiden dat maatregelen, die zich binnen vijf jaar terugverdienen, worden uitgevoerd. Deze aanpak wordt uitgebreid naar 300 gemeenten in 2010;
• Er is een monitor ontwikkeld om de concrete bijdrage van de lokale en regionale klimaatinitiatieven aan de doelen van Schoon en Zuinig in beeld te brengen. Deze monitor maakt deel uit van de monitor Schoon en Zuinig;
• VROM stimuleert alle gemeenten tot het opnemen van CO2-emissiereductie in lokale en regionale verkeer- en vervoerplannen;
• VROM stimuleert alle gemeenten tot het opnemen van energieprestatie-eisen in prestatiecontracten met woningcorporaties voor de bestaande woningvoorraad;
• Uitvoering van het Innovatieprogramma Klimaatneutrale Steden, onderdeel van Innovatieagenda Energie. Dit programma vormt een extra financiële stimulans voor gemeenten om te komen tot klimaatneutrale steden;
• Op basis van het groen akkoord worden, zoals afgesproken met het ministerie van OCW, op basisscholen in 2009 en 2010 energiebesparende maatregelen genomen. De subsidieregeling is in augustus 2009 gepubliceerd.
A.3 Ruimtelijke inpassing klimaatbeleid
Kabinetsdoelstelling 26: Klimaatbestendige inrichting van Nederland waarbij water een meer bepalende factor is bij ruimtelijke afwegingen, inclusief locatiekeuzes. Meer ruimte voor herstel van natuurlijke processen (bodem, water en natuur).
Klimaatadaptatie
Doel
Het Kabinet streeft ernaar de ambities en criteria voor een duurzame en toekomstbestendige inrichting uiterlijk in 2015 in ruimtelijke plannen op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau te verankeren. Leidraad hiervoor is het advies van de commissie Veerman die de opgave voor de lange termijn in beeld heeft gebracht.
Belangrijkste prestaties in 2010:
• De eerste verkenningen voor deelprogramma’s binnen het Deltaprogramma (Nieuwbouw & herstructurering, Kustverbreding en Rijnmond) zijn opgeleverd. Doel van deze verkenningen is het voorbereiden van een kabinetsstandpunt over eventuele aanpassing van wet- en regelgeving en noodzakelijke investeringen mede in relatie tot het Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport (MIRT);
• Het stimuleringsprogramma «Maak ruimte voor Klimaat» heeft de kennisoverdracht naar andere overheden georganiseerd in samenwerking met de stichting Kennis voor Klimaat (nationale en regionale impulsbijeenkomsten, instellen wetenschappelijke reviewteams, ontwerpateliers;
• De klimaatbufferprojecten uit de tweede tranche (2009–2012) zijn geselecteerd. De projecten uit de eerste tranche zijn in uitvoering.
Windenergie
Krachtige inzet op windenergie is van belang om de kabinetsambitie wat betreft duurzame energie te kunnen halen. Het huidige inzicht is dat daarvoor op land tot 2020 tenminste 6 000 MW nodig is.
Doel
Voor deze kabinetsperiode is de doelstelling om vergunningen te verlenen voor 2 000 MW extra windenergie op het land boven op de 2 000 MW die er nu reeds staat. Belangrijk is ook dat er voldoende draagvlak voor windenergie ontstaat bij de burger. Uit onderzoek blijkt dat problemen met rijksbeleid en wet- en regelgeving zich onder andere voordoen op het gebied van geluid, externe veiligheid en radar. Aanpassing van de regelgeving is in gang gezet. Knelpunten ten aanzien van radar worden in samenwerking met de Minister van Defensie opgepakt. De Crisis- en herstelwet zal worden gebruikt om provincies te verplichten om voor plannen tussen 15 en 100 MW de coördinatieregeling te gebruiken en een provinciaal inpassingsplan te maken. Voor plannen groter dan 100 MW zal de Rijkscoördinatieregeling worden ingezet, zoals nu reeds het geval is bij de Noordoostpolder en Zeewolde.
Bezien zal worden of de «Wet algemene bepalingen omgevingsrecht» kan worden gebruikt om procedures te versnellen. Het wegnemen van deze belemmeringen zal naar verwachting leiden tot realisatie van een substantieel aantal extra projecten.
Belangrijkste prestaties in 2010:
• De AMvB windturbines (waarin de volgende elementen zijn opgenomen: geluid, slagschaduw, veiligheid) is in werking getreden. Deze AMvB volgt de circulaire op die medio 2009 met het oog op tijdelijk beleid is gepubliceerd;
• De inspanningen om ruimtelijke knelpunten op te lossen, zoals helpdesk en windteams, worden gecontinueerd en waar nodig geïntensiveerd;
• Om pijplijnprojecten gerealiseerd te krijgen worden aanvullende regionale bestuurlijke afspraken gemaakt;
• De nieuwe toetsingsmethodiek radar is in werking getreden. Het Kabinet stelt de norm in 2009 vast. Hier wordt zo mogelijk op vooruitgelopen in de voorbereiding van projecten;
• Een langetermijnvisie ruimtelijk perspectief windenergie op land is opgesteld en hierover zijn afspraken gemaakt met het IPO en de VNG. Dit wordt een verkenning van twee ruimtelijke inrichtingsmodellen, waarbij het Kabinet een besluit neemt over de aanpak en de verantwoordelijkheden van de verschillende bestuurslagen.
A.4 Biobrandstoffen (nationaal, Europees en mondiaal)
Doelstelling: Meer gebruik van duurzaam geproduceerde biobrandstoffen als de belangrijkste bijdrage aan de doelstelling om minimaal 10 procent hernieuwbare energie in de vervoersector te realiseren in 2020.
Biobrandstoffen leveren voor de vervoersector een belangrijke bijdrage aan het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen. Maar biobrandstoffen dienen behalve kosteneffectief ook duurzaam te zijn. De CO2-balans moet positief uitslaan, de relatie met de voedselvoorziening wordt hierbij nauwlettend bekeken en er mag geen verlies aan biodiversiteit optreden. Dat geldt voor de hele levenscyclus van de brandstof. In 2010 zullen in samenwerking met LNV, BuZa/OS en EZ de duurzaamheidscriteria uit de EU-richtlijn Hernieuwbare Energie in Nederlandse regelgeving worden vastgelegd. Brandstofleveranciers moeten middels een certificeringsrapport de duurzaamheid van ingezette biobrandstoffen kunnen aantonen. Ook krijgen bedrijven in Nederland vanaf 2010 een positieve stimulans tot ontwikkeling en toepassing van de tweede generatie biobrandstoffen, die minder negatieve bijwerkingen kennen. Productie van en handel in biobrandstoffen vindt plaats op mondiale schaal. Voor Nederland is daarom met name EU-beleid bepalend. Mondiale samenwerking is een essentiële voorwaarde. Er is nog geen sprake van internationaal draagvlak voor bindende afspraken over duurzaamheidscriteria. Het door de G8 ingestelde Global Bio-Energy Partnership, waaraan Nederland deelneemt, richt zich op vrijwillige afspraken. Tevens richt Nederland zich op samenwerking met specifieke landen (zoals Maleisië, Indonesië, Mozambique en Brazilië) om samen met het Nederlandse bedrijfsleven duurzame biomassa uit die landen te kunnen importeren.
Doel
Het nationale doel is om voor het wegverkeer een verbruik van 4% biobrandstoffen te realiseren, waarmee een reductie van 1,3 Mton CO2 in 2010 wordt bereikt. In Europees verband wil het Kabinet bereiken dat de indirecte effecten bij de beoordeling van de duurzaamheid van biobrandstoffen worden betrokken. Het Kabinet wil komen tot internationale (vrijwillige) afspraken over duurzaamheid via het Global Bio-Energy Partnership.
Belangrijkste prestaties in 2010:
• Het realiseren van de doelstelling van 4 procent biobrandstoffen voor het wegverkeer door een verplichting dit percentage op de markt te brengen;
• Eind 2010 rondt het Kabinet de implementatie af van de EU-richtlijn hernieuwbare energie voor biobrandstoffen in de Wet Milieubeheer en uitvoeringsregelingen. Alle vloeibare biobrandstoffen moeten vanaf 2011 voldoen aan de duurzaamheidscriteria om te mogen meetellen als duurzame energie;
• Vooruitlopend op de implementatiedatum van de EU-richtlijn hernieuwbare energie, wordt in 2010 met de bedrijven gekomen tot een certificatienorm voor onafhankelijke audits en wordt een uitvoeringsorganisatie opgedragen om de door de certificeerders aangeleverde informatie te verzamelen, controleren en administreren en daarover te rapporteren;
• In het tweede kwartaal van 2010 zal het Kabinet de doelstelling vaststellen voor hernieuwbare energie in de vervoersector in 2020;
• Het Kabinet wil de Europese Commissie bewegen om in 2010 met een voorstel te komen om de indirecte verschuiving van landgebruik voor de productie van biobrandstoffen mee te nemen in de duurzaamheidsbeoordeling;
• De in het kader van het Global Bio-Energy Partnership opgestelde duurzaamheidscriteria worden geconcretiseerd door er indicatoren aan te koppelen;
• Het Global Bio-Energy Partnership ontwikkelt in 2010 een vrijwillig afwegingskader, voor nationaal gebruik, om de indirecte effecten van biobrandstoffen vast te stellen.
A.5 Verbeteren luchtkwaliteit
Doelstelling: Slechte lucht tast het milieu aan en schaadt, vooral bij langdurige blootstelling, de gezondheid. Daarom dient de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit biedt ruimte voor maatschappelijk gewenste ruimtelijke en infrastructuurplannen.
Het Kabinet wil gezondheidsschade en aantasting van het milieu door luchtverontreiniging beperken. Daarom is het nodig emissies door industrie, landbouw, verkeer, bebouwde omgeving en consumenten te reduceren. Uit de Grootschalige Concentratiekaart Nederland 2008 blijkt dat Nederland mede dankzij het extra pakket aan maatregelen inmiddels op de meeste plaatsen tijdig aan de Europese luchtkwaliteitseisen voldoet. Het Nationaal samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is sinds medio 2009 van kracht. Het NSL is goedgekeurd door de Europese Commissie. De Europese Commissie heeft hiermee Nederland toestemming gegeven enkele jaren later aan de luchtkwaliteitsnormen te voldoen, op voorwaarde dat binnen de gestelde termijnen alle overschrijdingen van de normen voor luchtkwaliteit moeten zijn opgelost. Met deze goedkeuring geeft de Europese Commissie aan vertrouwen te hebben in de Nederlandse aanpak. Het NSL leidt tot eenvoudiger procedures omdat luchtkwaliteit op programmaniveau te toetsen valt.
Doel
Voor met name fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) is nog steeds sprake van enkele lokale hotspots waar de EU-normen worden overschreden. Het blijft daarom noodzakelijk vooral op lokaal niveau extra maatregelen te nemen via het NSL. Uiterlijk medio 2011 moeten de normen voor fijn stof worden gehaald. Voor NO2 is dat uiterlijk 2015.
Belangrijkste prestaties in 2010:
• In september 2010 zal de eerste monitor van het NSL gereed zijn. De uitkomsten van de monitor en eventuele gevolgen worden met de andere NSL-partners besproken. Als uit deze monitor blijkt dat in een regio extra inzet nodig is, zijn de betreffende NSL-partners ervoor verantwoordelijk dat aanvullende maatregelen worden genomen. Met dit NSL geeft het Kabinet de zekerheid dat tijdig aan de Europese luchtkwaliteitsnormen wordt voldaan;
• Naar verwachting stelt de EU eind 2010 nieuwe emissieplafonds voor, geldend tot 2020, in het kader van het Götenborg-protocol. De inzet van Nederland daarbij is het streven naar ambitieuze, maar haalbare plafonds.
B. Ontwikkeling van markten voor duurzame producten (ketenbeleid)
Kabinetsdoelstelling 21: de overheid wil uiterlijk in 2010 duurzaamheid als zwaarwegend criterium meenemen in al haar aankopen.
Kabinetsdoelstelling 22: het stimuleren van duurzame consumptie en productie.
Het Kabinet streeft naar duurzame materiaal- en productketens. Doel is het verminderen van de milieudruk binnen ketens, van grondstofwinning via productie en consumptie tot de afvalfase. Zaak is daar in te grijpen waar de grootste milieudruk ontstaat. Dat kan leiden tot vervanging van energieverslindende of milieubelastende materialen door betere alternatieven. Of tot maatregelen om productieverliezen te verminderen. Of tot betere, gescheiden inzameling van afval. Om tot duurzame materiaalketens te komen dient het beleid zich verder te ontwikkelen.
Het Kabinet wil een groot deel van de milieuproblematiek oplossen via de markt. Daarom stimuleert het Kabinet verbreding van het aanbod van duurzame (groene) producten en diensten, evenals innovaties op dit gebied. Behalve fiscale prikkels levert het Rijk hieraan samen met andere overheden een bijdrage door duurzaam in te kopen. De overheid koopt per jaar voor meer dan € 50 miljard in. Het streven van alle ministeries om 100 procent duurzaam in te kopen vanaf 2010, geeft een grote impuls aan een duurzame markt. Daarnaast worden de inspanningen op het gebied van handel en duurzaamheid voortgezet conform de kabinetsvisie handel en non-trade concerns. In het bij zonder kunnen worden genoemd de implementatie van de sociale criteria voor duurzaam inkopen en de inzet gericht op de ontwikkeling van Europese criteria voor duurzaam inkopen.
Doel
In 2010 een aanpak te ontwikkelen die leidt tot verlaging van de milieudruk binnen (product- of materiaal)ketens. Dit kan onder meer door duurzamer produceren, anders ontwerpen, minder (ander) materiaalgebruik of meer of hoogwaardiger hergebruik. Samen met maatschappelijke partners stelt het kabinet in 2010 lange termijn doelen op. Doel is om in tenminste vier ketenprojecten een milieuwinst van 20 procent te realiseren in de periode tot 2015.
In 2010 worden de gestelde doelen van duurzaam inkopen door de rijksoverheid en andere overheden gerealiseerd. Momenteel zijn overheden aan de slag met het toepassen van de per 1 augustus 2009 beschikbaar gestelde duurzaamheidseisen. Om innovaties een extra stimulans te geven is het wenselijk dat de per 1 augustus beschikbaar gestelde duurzaamheidswensen zo veel mogelijk worden benut en een zwaar gezicht krijgen bij de gunning van opdrachten. Ook wordt voor enkele aansprekende productgroepen (experimenteer)ruimte geboden voor het tot stand brengen van gezamenlijke, grootschalige innovatieve initiatieven.
Belangrijkste prestaties in 2010:
• Het Kabinet rondt samen met het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties de eerste uitvoeringsfase af van zeven ketenprojecten. Hierbij wordt een milieuwinst geboekt van 20 procent in tenminste vier van de desbetreffende ketens in de planperiode van het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP2, periode 2009–2015);
• In een nota aan de Kamer stelt het Kabinet lange termijn doelen, prioriteiten en instrumentarium vast voor algemeen materiaal- en productketen beleid. Deze nota is in samenspraak met bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties voorbereid;
• In 2010 is het denken in ketens onderdeel van het reguliere beleid:
– Voor de helft van de productgroepen voor Duurzaam Inkopen zijn wensen opgenomen die passen bij de ketenbenadering;
– Er vinden tenminste drie leerwerkgroepen plaats met doorlooptijd van een jaar voor koplopers: een leerwerkgroep voor 15 bedrijven gericht op productontwikkeling, en twee leerwerkgroepen voor overheden gericht op gebiedsontwikkeling;
– Materiaalketens krijgen een plaats in minimaal vier gebiedsontwikkelingsprojecten waarbij het Rijk actief betrokken is;
• De rijksoverheid koopt 100 procent, gemeenten 75 procent, provincies en waterschappen 50 procent duurzaam in; in 2010 wordt opnieuw een Monitor Duurzaam Inkopen uitgevoerd;
• In het kader van Duurzaam Inkopen stimuleert het Kabinet innovatie via een vijftal concrete, grootschalige innovatieve initiatieven. Deze vijf producten en/of diensten worden in overleg met het bedrijfsleven geselecteerd en in 2010 gestart.
C. Mooi Nederland
Doelstelling: het ruimtelijk beleid van dit kabinet is gericht op een mooi en duurzaam ingericht Nederland, dat internationaal kan concurreren. De uitdaging voor ruimtelijke ordening ligt in het bundelen van de ruimtevraag, het beter benutten van bebouwd gebied, het versterken van openheid, het verbeteren van de (dagelijkse) leefomgeving en het klimaatbestendig maken van de ruimte. We werken daaraan met (lange termijn)visies, kaders en projecten.
Met (lange termijn)visies kiest het Kabinet en geeft het richting aan de ruimtelijke inrichting van Nederland. Daarmee wordt ruimtelijke samenhang zichtbaar op het gebied van onder andere economie, verkeer en vervoer, woningbouw, natuur, landschap en waterhuishouding. De Nota Ruimte biedt hiervoor de basis. De structuurvisie Randstad 2040 vormt hiervan een uitwerking. In 2010 worden voor de overige Nationale Stedelijke Netwerken één of meer lange termijn agenda’s opgesteld. De nieuwe Wet ruimtelijke ordening en de AMvB Ruimte bieden kaders en zorgen ervoor dat het rijksbeleid doorwerkt naar andere overheden. Ook convenanten en stimuleringsregelingen (zoals de Innovatieregeling Mooi Nederland) dragen daaraan bij. De vroegtijdige verankering van het ontwerp versterkt de kwaliteit van het ruimtelijk ontwikkelingsproces, in lijn met het advies van de Commissie Elverding en borgt de kwaliteit bij de realisatie. Elke twee jaar wordt de monitor Nota Ruimte uitgebracht die in beeld brengt hoe het staat met de realisatie van doelstellingen. Met Nota Ruimte-budget projecten geven we concrete invulling aan het beleid.
Belangrijkste prestaties in 2010:
• In navolging van de Structuurvisie Randstad 2040 worden in 2010 één of meer lange termijnagenda’s voor Zuid-, Oost- en/of Noord-Nederland opgesteld. De lange termijnagenda’s zullen worden gekoppeld aan de Gebiedsagenda’s uit het Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport (MIRT) 2011;
• In 2009 wordt de RAAM brief en, naar verwachting, een Integraal Afsprakenkader Almere (IAK) vastgesteld. In 2010 wordt dan een begin gemaakt met de uitvoering van de Schaalsprong Almere. Op basis van de besluiten in de RAAM brief wordt een Rijksstructuurvisie voor het gebied Amsterdam, Almere, Markermeer/IJmeer opgesteld. Het Kabinet streeft ernaar om over de Rijksstructuurvisie een brede maatschappelijke consensus te bereiken;
• Het Kabinet heeft in 2009 ingestemd met de ambities uit het Olympisch Plan 2028. In 2010 brengt VROM de plannen in beeld voor de ontwikkeling van een Olympische Hoofdstructuur, in lijn met de motie van de Tweede Kamerleden Van Heugten (CDA) en Vermeij (PvdA). In 2010 zal onder meer een onafhankelijke en deskundige Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA) worden afgerond;
• In 2010 wordt de midterm review van de Nota Ruimte uitgevoerd. Deze evaluatie vormt het uitgangspunt om het beleid rondom de ruimtelijke opgaven verder vorm te geven. De consequenties van de economische crisis worden hierbij meegenomen, zodat een scherp beeld van de ruimtelijke opgaven ontstaat. Ook wordt de effectiviteit van de inzet van financiële middelen, de ervaringen met de sturingsfilosofie en met de verdeling van bevoegdheden geëvalueerd;
• Ter ondersteuning van de verdere ontwikkeling van een samenhangende aanpak van infrastructurele en ruimtelijke ontwikkelingen wordt een ruimtelijke investeringsagenda voor de (middel-)lange termijn opgesteld. Hierin worden ruimtelijke opgaven gebiedsgericht in kaart gebracht, wordt de financieringsopgave gedefinieerd en worden voorstellen voor prioritering en dekking gedaan;
• In 2010 treedt de 1e tranche van de AMvB Ruimte in werking. Hierin zijn de beleidskaders opgenomen voor onder andere bundeling van verstedelijking en economische activiteiten en voor het landschap (waaronder rijksbufferzones, Nationale Landschappen, Ecologische Hoofdstructuur, het kustfundament en de grote rivieren). «Centraal wat moet» is hiermee geregeld;
• De 2e tranche van de AMvB Ruimte gaat in 2010 naar de Tweede Kamer. Daarbij wordt de door het Kabinet uitgebrachte Structuurvisie Randstad 2040 betrokken. Het gaat onder meer om de aangescherpte ambitie om compact te bouwen in stedelijk gebied en de daaraan gekoppelde opgaven voor de lange termijn op het gebied van transformatie, herstructurering en duurzame energie;
• De mate van geluidhinder bepaalt in hoge mate hoe we de leefomgeving ervaren. In 2010 wordt het eerste deel van het lopende proces tot herziening van de geluidsregelgeving afgerond. Ook wordt het wetsvoorstel voor geluidsproductieplafonds voor de Rijksinfrastructuur parlementair behandeld, zodat dit in 2011 in werking kan treden. Tegelijkertijd vindt een herijking van de sanering van knelpunten langs de Rijksinfrastructuur plaats. Dat leidt ertoe dat medio 2020 voor alle bestaande knelpunten met een te hoge geluidbelasting een saneringsplan is opgesteld en in uitvoering genomen. Daarnaast wordt in 2010 een wetsvoorstel uitgewerkt voor de overige infrastructuur en industrieel lawaai. Aansluitend op het Innovatieprogramma geluid dat primair op een brongerichte aanpak in de hoofdinfrastructuur was gericht, start in 2010 een Innovatieprogramma geluid stedelijk gebied.
De activiteiten in het kader van het programma Mooi Nederland zijn verder in deze beleidsagenda beschreven rond de onderwerpen: efficiënte en aantrekkelijke ontwikkeling van bedrijventerreinen, openheid van het landschap en duurzame gebiedsontwikkeling.
Bedrijventerreinen
Kabinetsdoelstelling 23: Het bevorderen van een tijdig en op de vraag afgestemd aanbod van ruimte voor kwalitatief goed ingepaste bedrijfslocaties.
Het Kabinet wil voldoende ruimte bieden voor bedrijvigheid, maar wel – met het oog op schaarse ruimte in ons land – op een zo efficiënt mogelijke manier. Om te komen tot een gezond evenwicht tussen vraag naar en aanbod van terreinen en betere benutting van het bestaand bebouwd gebied wil het Kabinet een groter aantal hectares bestaand bedrijventerrein sneller herstructureren en zo voorkómen dat economisch waardevolle bestaande terreinen verloren gaan. Het Kabinet rekent daarbij op inspanningen van de controle overheden voor herstructurering. Met het IPO, de VNG en marktpartijen zijn de uitdagingen en kansen in kaart gebracht en is de aanpak uitgewerkt. De aanbevelingen van de Taskforce Herstructurering bedrijventerreinen (Taskforce Noordanus), inclusief verplichte inzet van de SER-ladder, implementeert het kabinet voortvarend.
Doel
De doelstellingen voor bedrijventerreinen voor 2010 (en verder) zijn:
• Het herstructureren van 1 000 tot 1 500 hectare bedrijventerrein per jaar vanaf 2009. Hiervan wordt 40 procent gerealiseerd in stedelijk gebied. In de periode tot en met 2013 wordt 6 500 hectare bedrijventerrein geherstructureerd;
• Zorgvuldige planning van nieuwe bedrijventerreinen door afspraken met provincies over de toepassing van het behoedzame Transatlantic Market-scenario (TM-scenario) als basis voor behoefteramingen. Het TM-scenario wordt niet overschreden;
• Bevorderen van duurzaam ruimtegebruik op bedrijventerreinen op het gebied van energie (onder andere gebruik van restwarmte, warmte-koudeopslag), hergebruik van materialen, schone en zuinige mobiliteit, en goede inpassing in de omgeving.
Belangrijkste prestaties in 2010:
In samenwerking met Economische Zaken worden de volgende prestaties om duurzaam en efficiënt ruimtegebruik voor werken gerealiseerd:
• Ten minste tien bedrijventerreinenprojecten (voortvloeiend uit het advies van de Taskforce Herstructurering bedrijventerreinen) zijn afgerond. Dit leidt tot herstructurering van 1100 hectare bedrijventerreinen;
• Met de provincies is er een akkoord over 12 herstructureringsprogramma’s bedrijventerreinen. De herstructurering van in totaal 6 500 ha bedrijventerreinen tot en met 2013 wordt daarmee in gang gezet;
• Rapportage over de doorwerking en handhaving van het bedrijventerreinenbeleid door provincies en gemeenten, mede in relatie tot het TM-scenario;
• In 2010 is een handreiking duurzaamheid en bedrijventerreinen opgesteld, en zijn concrete doelstellingen geformuleerd.
Openheid landschap
Kabinetsdoelstelling 24: In 2011 moeten Nederlanders meer tevreden zijn over het landschap, zijn groene gebieden gerealiseerd, is het platteland vitaler en dynamischer en wordt geïnvesteerd in natuurgebieden.
Vijftig jaar beleid voor Rijksbufferzones heeft open gebieden met tastbare meerwaarde te midden van sterk verstedelijkte gebieden opgeleverd. De Nationale Landschappen hebben gezorgd voor behoud van de mooiste gebieden van Nederland. Voorkomen van verdergaande verrommeling in, en behouden van openheid en toegankelijkheid van fraaie gebieden vergen echter continu aandacht. Economische activiteit bundelen met stedelijke ontwikkeling en compact bouwen in stedelijk gebied staat centraal in het beleid. Desondanks treedt sluipenderwijs verrommeling op, met name aan de randen van de stad. Er is bovendien een groot tekort aan recreatiemogelijkheden in de nabijheid van de stad, en de toegankelijkheid van recreatiegebieden verdient verbetering. In de Agenda Landschap staat de visie van het Kabinet, die samen met het IPO en de VNG wordt uitgevoerd via de Samenwerkingsagenda Mooi Nederland. Innovatie en kennisuitwisseling vinden plaats via projecten uit het Innovatieprogramma Mooi Nederland. Het Innovatieprogramma Mooi Nederland ondersteunt nieuwe, inspirerende voorbeeldprojecten die de verrommeling tegengaan en ruimtelijke kwaliteit en zuinig ruimtegebruik financieel stimuleren.
Doel
De doelstellingen voor landschap in deze kabinetsperiode zijn:
• Inwoners van Nederland zijn meer tevreden over het landschap: in 2020 waarderen ze het landschap met een 8 ten opzichte van een 7,3 nu;
• In 2010 is de bestaande verhouding tussen bebouwing binnen de steden en dorpen (76 procent) en in het landelijk gebied (24 procent) onveranderd gebleven, ten opzichte van 20041;
• Versterken van de kernkwaliteiten van Nationale Landschappen en Rijksbufferzones door het aankopen, inrichten en beheren van gronden met aandacht voor de recreatieve functie en behoud van groene ruimte in de nabijheid van steden.
Belangrijkste prestaties in 2010:
In nauwe samenwerking met LNV worden in 2010 de volgende prestaties geleverd om de openheid van landschap te behouden en versterken:
• In 2010 wordt een tussenmeting gedaan naar de tevredenheid van Nederlanders over het landschap;
• Per aangewezen Rijksbufferzone is een gebiedsontwikkelingsstrategie vastgesteld met een concreet uitvoeringsprogramma;
• Uitbreiding van het aantal Rijksbufferzones met twee;
• Na de midterm review Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) worden afspraken met provincies over financiering en uitvoering van de Rijksbufferzones herijkt;
• Plan van aanpak voor recreatief groen rond de stad;
• Evaluatie van het beleid voor Nationale Landschappen en besluit over eventuele vervolgacties;
• Onomkeerbare afspraken met andere overheden en sectoren over de sanering van 200 hectare kassen in 10 gebiedsprojecten in Nationale Landschappen en Rijksbufferzones;
• Met het Innovatieprogramma Mooi Nederland is een stimulans van € 13 miljoen gegeven aan projecten die een voorbeeld zijn voor anderen om bij te dragen aan een Mooi Nederland.
Duurzame gebiedsontwikkeling
Kabinetsdoelstelling 29: Het realiseren van een beperkt aantal complexe, samenhangende ruimtelijke opgaven van nationale betekenis.
Project: Urgentieprogramma Randstad
Duurzame gebiedsontwikkeling is de centrale werkwijze voor ruimtelijke ontwikkelingen. Gebiedsopgaven van nationaal belang krijgen een impuls uit het Nota Ruimtebudget, zodat ze integraal en duurzaam aangepakt worden. Concreet gaat het om:
• Stedelijke herstructurering waarbij verouderde bedrijventerreinen en industriegebieden plaats maken voor wonen, werken en recreëren;
• Nieuwe stedelijke gebieden waarin infrastructuur, natuur, water, recreatie, milieu en klimaatbeleid samenhangend worden aangepakt. Aanpak van verloederd en verspreid liggende kassen;
• Duurzame ontwikkeling van de Greenports en de Brainports;
• Het behouden en ontwikkelen van landschappen voor volgende generaties.
In 2010 is voor alle 23 projecten van het Nota Ruimtebudget de financiële Rijksbijdrage vastgesteld. Vanaf dat moment verkeren alle projecten in de uitvoeringsfase. Dit geldt ook voor de projecten uit de Motie Van Heugten, waarmee de aanpak wordt versneld van 14 urgente gebiedsopgaven die passen binnen de opgaven van de Nota Ruimte en de nieuwe aanpak van het bedrijventerreinenbeleid.
Dit Kabinet maakt samen met decentrale overheden werk van duurzame gebiedsontwikkeling door ruimtelijke investeringen in samenhang te bezien in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). Voor elke regio worden daarvoor gebiedsagenda’s opgesteld. De verstedelijkingsopgaven maken hiervan deel uit. De rijksoverheid zet binnen deze gebiedsagenda’s en andere projecten onder meer in op duurzaamheid. Daarbij zijn ambities geformuleerd voor onder andere energie, klimaatadaptatie, duurzame ondergrond, natuur en water in de stad en duurzaam bouwen. Hiervoor is een referentiekader opgesteld.
Een belangrijk aspect van duurzame gebiedsontwikkeling is het duurzaam gebruik van de ondergrond. Veel activiteiten kunnen verplaatst worden naar de ondergrond om zo de drukte boven het maaiveld op te vangen. Om de gebruiksruimte in de ondergrond duurzaam te benutten moet er aandacht zijn voor de beheersing van oude verontreinigingen, voor de bescherming van het grondwater en voor ordening in de ondergrond. Er is dan voldoende ruimte voor de volgende activiteiten: de waterwinning, warmte-koude opslag, veilige en stralingsvrije kabels en leidingen, bij de structuur van de bodem passende infrastructuur, en gebouwen op het maaiveld.
In het Actieprogramma «Vernieuwing instrumentarium milieu en ruimtelijke ontwikkeling» werkt het Kabinet aan snellere en duurzame ruimtelijke instrumenten. De Crisis- en herstelwet zal hieraan voor de korte termijn een impuls geven. Het Actieprogramma beoogt een meer structurele aanpak, die zich richt op drie hoofddoelen voor snellere en betere gebiedsontwikkeling: het verminderen van de procedurelast, het verbeteren van het procesmanagement en het verhogen van de kennis en kunde bij de betrokkenen met behoud van de zorg voor milieu- en ruimtelijke kwaliteit.
Doel
Het Kabinet zet in op de versnelling van de uitvoering van de Nota Ruimte via de bijbehorende projecten en de realisatie van de Van Heugten-projecten met behoud van zorgvuldigheid. Tevens wordt gewaarborgd dat duurzaamheid volwaardig meeweegt bij besluiten die van invloed zijn op de leefomgeving.
Belangrijkste prestaties in 2010:
• Voor alle 23 projecten van het Nota Ruimtebudget is de bijdrage vastgesteld. Door monitoring van de projecten wordt gewaarborgd dat de doelstellingen worden behaald en de voortgang van de uitvoering op peil blijft. Daarnaast draagt het Rijk bij aan een voortvarende uitvoering door middel van het uitvoeren van een kennis- en leertraject;
• Voor alle versnellingsprojecten uit de motie Van Heugten is besloten over toekenning van de financiële bijdrage;
• Besluit over de ruimtelijke keuzes van de alternatieven in de huidige MIRT-verkenningen (Verkenning Antwerpen-Rotterdam, Haaglanden, Rotterdam Vooruit);
• Besluit over de inzet van eventuele sleutelprojecten (via het MIRT) en de wijze waarop het Rijk bijdraagt aan ruimtelijke projecten die invulling geven aan de kabinetskeuzes in de Nota Ruimte, Structuurvisie Randstad 2040 en de Agenda Landschap. Voor eventuele sleutelprojecten komen in aanmerking projecten of gebieden met een grote nationale betekenis, internationale uitstraling en een integraal karakter;
• Het Referentiekader voor duurzame gebiedsontwikkeling wordt betrokken bij de nadere uitwerking van de gebiedsagenda’s;
• Beleidsvisie voor de ondergrond gaat naar de Tweede Kamer, evenals wetswijziging voor gebiedsgerichte aanpak van verontreiniging grondwater;
• Actieprogramma vernieuwing instrumentarium milieu en ruimtelijke ontwikkeling is in uitvoering. De opvolger van de interim-wet Stad en Milieu, de Wet Gebiedsontwikkeling en Milieu, gaat naar de Kamer. Het Ruimtelijke Ordeningsnetwerk (RO-netwerk) is samen met de gemeenten opgestart.
D. Slimmere regels, betere uitvoering, minder lasten
Kabinetsdoelstelling 69: Het oplossen van de 10 meest gevoelde knelpunten bij administratieve lasten (zie ook Doelstelling 16, Minder regels, minder instrumenten, minder loketten).
Burgers en bedrijven gaan in 2010 goed merken dat de dienstverlening door de overheid verbetert. Een belangrijke maatregel is de introductie van de Omgevingsvergunning en het digitale Omgevingsloket. De richtdatum hiervoor is 1 januari 2010. De omgevingsvergunning is via internet aan te vragen en vervangt de circa 1 600 formulieren die nu in omloop zijn. Dat leidt tot een verlaging van administratieve lasten. De totale reductie ten gevolge van Wabo, de uitvoeringsregelgeving en Omgevingsloket online komt neer op circa € 105 miljoen per jaar voor bedrijven en circa € 26 miljoen en 18 000 uur aan tijdsbesteding per jaar voor burgers. Hierin zijn de effecten van de voorgestelde regeling voor vergunningvrij bouwen verdisconteerd.
Doel
Het Kabinet heeft de ambitie om in deze kabinetsperiode:
• De administratieve lasten op de terreinen van VROM met tenminste een kwart te laten dalen ten opzichte van de administratieve lasten op de peildatum 1 maart 2007;
• De kwaliteit van de uitvoering te verbeteren. Leidend hierbij is de nadere kabinetsreactie eindbeeld Mans van 19 juni 2009, waarin wordt aangegeven op welke wijze overheden de problemen bij vergunningverlening, toezicht en handhaving op het gebied van het omgevingsrecht zullen oplossen;
• In de praktijk gevoelde knelpunten en irritaties van burgers, bedrijven en andere overheden op te lossen.
Belangrijkste prestaties in 2010:
Om deze doelen te halen, worden onder de paraplu van het programma «Slimmere regels, betere uitvoering en minder lasten» diverse activiteiten uitgevoerd:
• Uitvoering van het Werkprogramma Slimmer, Beter, Minder dat op 5 november 2008 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Het betreft onder meer het Activiteitenbesluit dat in 2010 verder wordt uitgebreid waardoor minder bedrijven een vergunning nodig hebben. Ook zijn dan Bouwbesluit en Gebruiksbesluit verder gestroomlijnd en voor zover mogelijk aangepast ter uitwerking van het advies van de commissie Dekker. Daarnaast worden in 2010 de resultaten verwacht van een fundamentele verkenning naar meet-, registratie- rapportage- en keuringsverplichtingen;
• Uitvoering van de nadere kabinetsreactie eindbeeld Mans van 19 juni 2009. De belangrijkste mijlpalen van het uitvoeringsprogramma zijn in 2010:
– Bevoegde gezagsinstanties voldoen eind 2010 aan de vastgestelde kwaliteitscriteria voor uitvoerende organisaties teneinde een minimale kwaliteit van de uitvoering (vergunningverlening en toezicht) te borgen. Voor taken die bij een regionale uitvoeringsorganisatie worden ondergebracht is dit een jaar later;
– De gemeenschappelijke regelingen waarbij de regionale diensten als openbaar lichaam of in een andere vorm worden ingesteld, zijn door de deelnemende gemeenten en provincies getroffen;
– De wettelijke regeling waarmee de kwaliteitseisen en de structuur van regionale uitvoeringsorganisaties wordt geborgd, is in procedure;
– De regelgeving waarmee het interbestuurlijk toezicht sterk wordt versoberd en ondergebracht bij «de naast hogere overheid», is in procedure.
Overzichtstabel: Status kabinetsdoelstellingen
| Tabel 3: Status kabinetsdoelstellingen | ||||||
| Nr. kabinetsdoelstelling | Omschrijving | Nr. Beleidsartikel/OD | Geraamde uitgaven 2010 (x1 000) | Geraamde uitgaven 2011 (x1 000) | Stand van zaken | Relevante beleidsnota’s |
| 8. Ambitieuze internationale klimaatdoel- stellingen | in breder verband actief bijdragen aan het tot stand komen van nieuwe ambi- tieuze internationale doelstellingen voor na 2012. | 7.2.2. | 01 | 01 | In uitvoering | |
| Project 4 Schoon & Zuinig | een energiebesparing van 2% per jaar, een verhoging van het aandeel duurzame energie naar 20% in 2020 en een reductie van de uitstoot van broeikasgas- sen, bij voorkeur in inter- nationaal verband, van 30% in 2020 ten opzichte van 1990 | 3.2.1 | 21 065 | 18 492 | In uitvoering | Nieuwe Energie voor het Klimaat: werkprogramma Schoon & Zuinig (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 209, nr. 1)Brief Minister VROM met onder meer een overzicht van de overheidskosten van het klimaatbeleid (Kamerstukken II, 2008–2009, 31 209, nr. 74).Monitor Schoon en Zuinig Actuele Stand van Zaken 2008 (Kamerstukken II, 2008–2009, 31 209, nr. 77) |
| 21. Duurzaamheid als zwaar- wegend criterium bij inkopen | de overheid wil uiterlijk in 2010 duurzaamheid als zwaarwegend criterium meenemen in al haar inkopen. | 4.2.1. | 01 | 01 | In uitvoering | Brief over duurzaam inkopen d.d. 29 februari 2008 (Kamer- stukken II, 2007–2008, 30 196, nr. 20)Brief Minister VROM over de recente ontwikkelingen rond de voortgang van het programma Duurzaam Inkopen (Kamerstukken II, 2008–2009, 30 209, nr. 64) |
| 22. Stimuleren duurzame con- sumptie en productie | het stimuleren van duurzame consumptie en productie. | 4.2.1. | 01 | 01 | In uitvoering | Brief over duurzaam inkopen d.d. 29 februari 2008 (Kamer- stukken II, 2007–2008, 30 196, nr. 20)Brief Minister VROM over de recente ontwikkelingen rond de voortgang van het programma Duurzaam Inkopen (Kamerstukken II, 2008–2009, 30 209, nr. 64) |
| 23. Locaties bedrijfslocaties | het bevorderen van een tijdig en op de vraag afge- stemd aanbod van ruimte voor kwalitatief goed ingepaste bedrijfslocaties. | 2.2.1. | 02 | 02 | In uitvoering | Beleidsagenda VROM 2008 t/m 2010 |
| 24. Openheid landschap | In 2011 moeten Nederlanders meer tevreden zijn over het landschap, zijn groene gebieden gerea- liseerd, is het platteland vitaler en dynamischer en wordt geïnvesteerd in natuurgebieden. | 2.2.1. | 5 900 | 5 900 | In uitvoering | Agenda Landschap (Kamerstukken 2008–2009, 31 253, nr 7)Samenwerkingsagenda Mooi Nederland(Kamerstukken II, 2007–2008, 30 200XI, bijlage bij nr. 84) |
| 26. Klimaatbestendige inrich- ting Nederland | Klimaatbestendige inrichting van Nederland waarbij water een meer bepalende factor is bij ruimtelijke afwegingen, inclusief locatiekeuzes. Meer ruimte voor herstel van natuurlijke processen (bodem, water en natuur). | 10.2.3. | 21 707 | 15 478 | In uitvoering | Nationaal Programma Adaptie Ruimte en Klimaat (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 269, nrs. 1 en 2) |
| 29. Ruimtelijke projecten van nationale betekenis | Het realiseren van een beperkt aantal complexe, samenhangende ruimtelijke opgaven van natio- nale betekenis. | 2.2.2. | 234 500 | 39 700 | In uitvoering | Nota Ruimte (Kamerstukken II, 2003–2004, 29 435, nrs. 1, 2 en 3) |
| 69. Slimmere regels, betere uitvoering, minder lasten | Het oplossen van de tien meest gevoelde knelpunten bij administratieve lasten | 91 | 924 | 1 424 | In uitvoering | Niet van toepassing. |
| Project 9: Urgentieprogramma Randstad | Randstad ontwikkelt zich tot een duurzame en concurrerende Europese regio | 2.2.2. | 3 | 3 | In uitvoering | Urgentieprogramma Randstad (Kamerstukken II, 2006–2007, 31 089, bijlage bij nr. 1) |
1 Voor dit beleidsdoel zijn geen programmagelden beschikbaar. De inzet bestaat alleen uit apparaatsuitgaven (personeel en materieel).
2 De programmamiddelen staan op de begroting van het ministerie van Economische Zaken.
3 De projecten voor Randstad Urgent zijn tevens Nota Ruimte projecten en derhalve al meegenomen bij doelstelling 29.
Belangrijkste mutaties ten opzichte van de begroting 2009
| Tabel 4: Belangrijkste beleidsmatige uitgavenmutaties ten opzichte van de VROM ontwerp begroting 2009 | |||||||
| x € 1000 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | art.nr |
| Stand Ontwerpbegroting 2009* | 1 212 221 | 1 089 011 | 1 066 729 | 1 026 961 | 973 896 | 0 | |
| Mutaties 1e suppletore begroting 2009 | 320 897 | 317 638 | 110 406 | 20 641 | 18 410 | 0 | diversen |
| Nieuwe mutaties: | |||||||
| 1. FES Gebiedsontwikkeling (Nota Ruimte-budget) | 1 600 | 29 100 | 5 000 | 5 000 | 4 000 | 0 | 2 |
| 2. Aanpassing kasritme Innovatieprogramma Mooi Nederland | 5 824 | – 624 | – 2 800 | – 900 | – 1 500 | 0 | 2 |
| 3. Voorbereiding gebiedsontwikkelingprojecten | 0 | 3 000 | 3 000 | 3 000 | 3 000 | 3 000 | 2 |
| 4. Uitvoering Schoon en Zuinig | 1 500 | 2 000 | 3 500 | 0 | 0 | 0 | 3 |
| 5. Ophoging SLOK naar GF en PF | – 4 455 | – 5 310 | – 5 735 | 0 | 0 | 0 | 3 |
| 6. Stimuleringspakket sloopregeling aanvullend beleidsakkoord | 15 000 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 3 |
| 7. Stimuleringspakket ProMT aanvullend beleidsakkoord | 2 000 | 4 000 | 4 000 | 0 | 0 | 0 | 3 |
| 8. Ombuiging onderzoek aanvullend beleidsakkoord | 0 | – 2 700 | – 1 700 | – 3 000 | – 3 000 | – 3 000 | 4 |
| 9. Schadevergoeding DSM | 48 000 | – 6 000 | – 10 000 | – 8 000 | 0 | 0 | 6 |
| 10. Ombuiging bodemsanering aanvullend beleidsakkoord | 0 | – 4 700 | – 11 100 | – 3 700 | – 3 700 | – 3 700 | 10 |
| 11. Overdracht meerjarige budgetten GOB aan Financiën | 0 | – 2 812 | – 2 786 | – 2 785 | – 2 785 | – 2 785 | 91 |
| 12. Uitboeken loonbijstelling | – 16 481 | – 16 104 | – 11 310 | – 11 199 | – 11 196 | – 11 199 | 92 |
| 13. Uitboeken prijsbijstelling | – 13 713 | – 11 841 | – 10 306 | – 8 556 | – 8 326 | – 8 426 | 92 |
| Overige mutaties: | 54 993 | 14 459 | 10 842 | 8 521 | 4 289 | 932 194 | diversen |
| Stand ontwerpbegroting 2010 | 1 627 386 | 1 409 117 | 1 147 740 | 1 025 983 | 973 088 | 906 084 | |
* Inclusief Nota van Wijziging en amendement
Toelichting mutaties:
De mutaties 1e suppletore begroting 2009 zijn toegelicht in de 1e suppletore begrotingswet 2009 (Kamerstukken II, 2008–2009, 31 965-XI, nr. 2)
Ad 1.
De mutatie betreft FES-subsidie voor de plankosten voor de Schaalsprong Almere. In de Ministerraad van 7 november 2008 is besloten tot het verlenen van een voorfinanciering in de planvormingskosten van het project Almere. Tevens betreft de mutatie de subsidie voor de Nota Ruimte-projecten Zuidplaspolder en Oude Rijnzone. In de Ministerraad van 26 mei, respectievelijk 19 juni 2009 is besloten tot het verlenen van subsidie aan deze projecten.
Ad 2.
De mutatie betreft de aanpassing van de oorspronkelijk geraamde verplichtingen- en uitgavenbudgetten. Besloten is twee in plaats van de in eerste instantie voorziene drie tenders voor Innovatieprogramma Mooi Nederland uit te voeren (in 2009 en 2011), hetgeen leidt tot een herziening van de oorspronkelijke raming.
Ad 3.
Dit betreft het budget dat uit herschikking beschikbaar is gekomen voor de voorbereiding van gebiedsontwikkelingsprojecten.
Ad 4.
Dit betreft overboeking vanuit Financiën naar VROM van reeds gereserveerde middelen voor de uitvoering van het werkprogramma Schoon en Zuinig.
Ad 5.
Deze mutatie naar het Gemeente- en Provinciefonds is bedoeld ter ophoging van het budget voor de SLOK-regeling voor lokale klimaatinitiatieven. Dit geschiedt mede in het kader van het stimuleringsbeleid.
Ad 6.
In het kader van het stimuleringspakket uit het aanvullend beleidsakkoord heeft het Rijk € 65,0 mln vrijgemaakt voor de Sloopregeling voor oude personen- en bestelauto’s. Deze mutatie betreft de eerste tranche van dat budget voor 2009.
Ad 7.
In het kader van het stimuleringspakket uit het aanvullend beleidsakkoord heeft het Rijk € 10,0 mln vrijgemaakt voor het programma Milieu en Technologie (ProMT) dat milieu-innovatie wil bevorderen.
Ad 8.
In het kader van het aanvullend beleidsakkoord is ondermeer omgebogen op de budgetten voor onderzoek.
Ad 9.
De mutatie heeft te maken met een schadevergoeding aan DSM voor het verplaatsen van de ammoniakproductie. Daarvan betaalt het ministerie van Verkeer en Waterstaat de helft. VROM betaalt de andere helft en dat maakt een kasschuif van 2010–2012 naar 2009 noodzakelijk.
Ad 10.
Dit betreft de invulling van de ombuigingsmaatregelen in het kader van het aanvullend beleidsakkoord (houdbaarheidsmaatregelen) op bodemsanering.
Ad 11.
Per 1 juli 2009 is het GOB onderdeel van het ministerie van Financiën (RVOB) geworden. De meerjarige apparaatsbudgetten zijn overgeheveld naar de begroting van Financiën.
Ad 12 en 13.
Bij eerste suppletore begroting 2009 is loon- en prijsbijstelling ontvangen op het administratieve artikel 92. Bij ontwerpbegroting is de loon- en prijsbijstelling verdeeld over (beleid)artikelen waar deze loon- en/ of prijsbijstelling noodzakelijk is.
| Tabel 5. Belangrijkste beleidsmatige ontvangstenmutaties ten opzichte van de VROM ontwerp begroting 2009 | |||||||
| x € 1000 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | art.nr |
| Stand Ontwerpbegroting 2009* | 255 674 | 123 826 | 116 951 | 65 749 | 38 794 | 0 | |
| Mutaties 1e suppletore begroting 2009 | 237 682 | 259 391 | 46 402 | 1 694 | 0 | 0 | diversen |
| Nieuwe mutaties: | |||||||
| 14. FES Gebiedsontwikkeling (Nota Ruimte-budget) | 1 600 | 29 100 | 5 000 | 5 000 | 4 000 | 0 | 2 |
| 15. Aanpassing kasritme Innovatieprogramma Mooi Nederland | 5 824 | – 624 | – 2 800 | – 900 | – 1 500 | 0 | 2 |
| Overige mutaties: | 3 615 | 771 | 934 | 934 | 934 | 38 228 | diversen |
| Stand ontwerpbegroting 2010 | 504 395 | 412 464 | 166 487 | 72 477 | 42 228 | 38 228 | |
* Inclusief Nota van Wijziging en amendement
Ad 14.
De mutatie betreft FES-subsidie voor de plankosten voor de Schaalsprong Almere. In de Ministerraad van 7 november 2008 is besloten tot het verlenen van een voorfinanciering in de planvormingskosten van het project Almere. Tevens betreft de mutatie de subsidie voor de Nota Ruimte-projecten Zuidplaspolder en Oude Rijnzone. In de Ministerraad van 26 mei, respectievelijk 19 juni 2009 is besloten tot het verlenen van subsidie aan deze projecten. Deze uitgaven worden gefinancierd door ontvangsten vanuit het FES-fonds.
Ad 15.
De mutatie betreft de aanpassing van de oorspronkelijk geraamde verplichtingen- en uitgavenbudgetten. Besloten is twee in plaats van de in eerste instantie voorziene drie tenders voor Innovatieprogramma Mooi Nederland uit te voeren (in 2009 en 2011), hetgeen leidt tot een herziening van de oorspronkelijke raming. Deze uitgaven worden gefinancierd door ontvangsten vanuit het FES-fonds.
1 Monitor Nota Ruimte
