Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
Rijksbegroting Overzicht Voorbereiding Uitvoering Verantwoording
2010
  • Download PDF

3.2 Vergelijking met eerdere crises

Twee kenmerken huidige crisis:

Om een beeld te krijgen van wat ons de komende jaren te wachten staat en te bepalen hoe we kunnen voorkomen dat de crisis onze economie nog harder treft, is het van belang om een vergelijking te maken met crises die op belangrijke aspecten vergelijkbaar zijn met de huidige. Maar wat is goed vergelijkingsmateriaal?

Problemen in de financiële sector

Er zijn twee kenmerken die de huidige recessie onderscheiden van eerdere recessies. Ten eerste is deze recessie het gevolg van problemen in de financiële sector. Hiermee onderscheidt de recessie zich bijvoorbeeld van de problematiek uit de jaren zeventig/tachtig, die met name veroorzaakt werd door te hoge arbeidskosten. Van de 122 recessies in ontwikkelde landen sinds 1960 waren er slechts 15 het gevolg van een financiële crisis.9 Een recessie die het gevolg is van een financiële crisis duurt gemiddeld bijna twee keer zo lang als een andere recessie (de bbp-daling zet 5,6 kwartalen door in plaats van 3,3 kwartalen bij andere recessies) en heeft een bijna anderhalf keer zo groot negatief effect op het bbp (de bbp-daling van de top voor de recessie tot het dal na de recessie is 3,4 procentpunt, terwijl dit bij andere recessies 2,6 procentpunt is).

Ook duurt het langer voordat de verloren groei weer is ingehaald (nadat de kwartaalgroei weer positief wordt, duurt het 5,6 kwartalen voordat het bbp het niveau van voor de recessie heeft bereikt; bij andere recessies is dit gemiddeld 3 kwartalen). Belangrijke reden hiervoor is dat door de financiële problematiek de nettovermogenspositie van bedrijven en burgers verslechtert, waardoor zij minder snel geneigd zijn om weer te investeren of consumeren (of daar minder snel de kans toe krijgen, doordat de bancaire sector minder goed in staat is hiervoor het benodigde krediet te verstrekken).

Landen worden wereldwijd getroffen

Het tweede kenmerk van de huidige recessie is dat wereldwijd landen worden getroffen. Sinds 1960 zijn er maar drie perioden geweest, waarin meer dan tien ontwikkelde landen tegelijkertijd getroffen werden door een recessie: 1975, 1980 en 1992. Ook deze «gesynchroniseerde» recessies zijn langer (4,5 kwartalen versus 3,3 kwartalen) en dieper (3,5 procentpunt bbp-verlies versus 2,4 procentpunt) dan andere recessies. In veel recessies in het verleden was meer exporteren de exitstrategie. Deze oplossing werkt niet in een wereldwijde recessie. Een combinatie van deze twee kenmerken – een financiële crisis als oorzaak en een wereldwijde recessie – is zeer zeldzaam. Sinds de jaren zestig zijn er maar in 6 landen recessies geweest waaraan een financiële crisis voorafging en die plaatsvonden terwijl het merendeel van de ontwikkelde landen in een recessie verkeerde. Deze recessies duurden gemiddeld 7,3 kwartalen en lieten het bbp dalen met 4,8 procentpunt. Met name de crises in Finland en Zweden waren zeer ingrijpend. Deze duurden beide ongeveer 3 jaar met een bbp-verlies van 12,75 procentpunt respectievelijk 5,6 procentpunt.10 Om die reden zal in dit hoofdstuk vooral aandacht besteed worden aan deze twee recessies.


Box 3.1: De Europese bankencrises begin jaren negentig11

Van de zes naoorlogse recessies die samenhingen met een financiële crisis en die optraden terwijl het merendeel van de ontwikkelde landen in een recessie verkeerde, vonden er vijf plaats in Europese landen in 1992.12 Dalende onroerendgoedprijzen zorgden voor problemen in het bankenstelsel van Italië, Frankrijk, Griekenland, Finland en Zweden. In Frankrijk moest de overheid onder andere Credit Lyonnais redden. In Italië werden 58 banken gered, die verantwoordelijk waren voor 11 procent van de kredietverlening via fusies met andere instellingen. De grootste impact was er echter in Zweden en Finland. In beide landen had liberalisatie van de financiële sector in combinatie met een oververhitte economie en fiscale bevoordeling van schulden gezorgd voor een grote toename van bancaire kredietverlening en het ontstaan van een zeepbel in de onroerendgoedmarkt. In 1991 barstte deze zeepbel onder meer doordat in beide landen de rente werd verhoogd in reactie op de verhoging van de rente door de Bundesbank (om inflatoire effecten van de eenwording tegen te gaan). In Zweden werd bovendien de fiscale-renteaftrek abrupt beperkt en Finland werd zeer hard geraakt door de ineenstorting van de Sovjet-Unie (de Finse export naar de USSR daalde in 1991 met 70 procent). Beide landen werden daarnaast geconfronteerd met een valutacrisis. Er ontstond grote druk op de kroon en markka. Depreciatie zou de export stimuleren maar zou ook de buitenlandse schulden in waarde doen stijgen wat de financiële problematiek zou versterken. Beide landen kozen er in het begin van de crisis dan ook voor om de wisselkoers te steunen via een hoge rente. Eind 1992 werd in beide landen besloten de wisselkoers te laten zweven en kon de rente worden verlaagd. Het begrotingssaldo verslechterde tussen 1990 en 1993 met 16 procentpunt in Zweden en 13 procentpunt in Finland. Na een wat aarzelende start in 1991 werd er vanaf 1992 flink ingegrepen in de financiële sector. Uiteindelijk stelden de Zweden over de hele crisisperiode ongeveer 4,2 procent van het bbp beschikbaar om de sector weer op orde te krijgen (ter vergelijking: 4 procent van het bbp van Nederland in 2009 is 23 miljard euro) en de Finnen 11 procent van het bbp (11 procent van het bbp in Nederland is 63 miljard euro).13


De recessie in Japan hoort niet tot de genoemde zes. Hoewel de problematiek in de financiële sector van Japan zeker in 1992 al speelde en ook de groei in dat jaar duidelijk vertraagde (van 3,4 procent in 1991 naar 1 procent in 1992), kwam dit land pas in het tweede kwartaal van 1993 – toen de economie in het merendeel van de andere ontwikkelde landen niet langer in recessie verkeerde – echt in een recessie terecht. Deze duurde slechts twee kwartalen; in 1997 was er opnieuw een recessie die twee jaar duurde en waar 3,8 procentpunt bbp werd verloren. In vergelijking met Zweden en Finland lijkt Japan er dus relatief goed vanaf gekomen. Er volgt echter een andere conclusie als we niet alleen kijken naar de jaren waarin er een negatieve kwartaalgroei was, maar ook naar de jaren met positieve groei. Zweden en Finland kenden een grotere krimp dan Japan, maar wisten in de jaren na de recessie een robuuste bbp-groei van respectievelijk 3¼ procent en 3¾ procent per jaar te realiseren. In Japan bleef de economie echter ook in de «goede» jaren onder haar potentie presteren. Tussen 1992 en 2001 heeft Japan volgens OESO-schattingen 14 perioden van een half jaar (dus 77 procent van de hele periode) gekend waarin beneden potentie werd geproduceerd.14 Om die reden wordt deze periode in Japan dan ook vaak als lost decade aangeduid. Gezien de grote gevolgen van de crisis in Japan, is ook deze crisis relevant voor de vergelijking.


Box 3.2: De lost decade van Japan15

Eind jaren tachtig ontstond er een zeepbel op de Japanse beurs en onroerendgoedmarkt, waarschijnlijk als gevolg van de lage rentes die de Japanse Bank hanteerde om het negatieve effect op de economische groei van de sterke yen te compenseren. Om de zeepbel tegen te gaan, werd de rente verhoogd. Hierop zakten beurs en grondprijzen in; zo halveerde de Nikkei-index in de eerste negen maanden van 1990. In Japan was het gebruikelijk dat banken veel aandelen bezaten en was grond een belangrijk onderpand voor leningen. Door het barsten van de zeepbel kwamen zij in de problemen. Japan voerde een ruim begrotingsbeleid en monetair beleid. Het begrotingssaldo verslechterde tussen 1991 en 1995 met 7,2 procentpunt. De rente werd verlaagd tot vrijwel 0 procent. Er werd echter lang gewacht met het op orde brengen van de financiële sector, men was niet bereid de fiscale middelen ter beschikking te stellen die hiervoor nodig waren. De overheid beperkte zich in de eerste vijf jaren van de crisis tot het geven van liquiditeitssteun en het aanmoedigen van fusies. Pas in 1996 vonden kapitaalinjecties plaats, oplopend tot een totaal van 20 procent van het bbp in 2000 (20 procent van het bbp in Nederland is 115 miljard euro). Vanwege de lage economische groei in de jaren negentig (1½ procent) in vergelijking met de jaren tachtig (3¾ procent) wordt deze periode in Japan vaak aangeduid met het verloren decennium (lost decade).

Huidige crisis uniek in naoorlogse geschiedenis

Hoewel bovenstaande crises belangrijk vergelijkingsmateriaal bevatten, moeten we blijven beseffen dat de huidige crisis uniek is in de naoorlogse geschiedenis. Geen van bovenstaande recessies vond plaats in een omgeving waar ook de financiële crisis mondiaal was. Om een combinatie te vinden van een wereldwijde financiële crisis met een wereldwijde recessie moeten we nog verder terug in de tijd. Dit hebben we voor het laatst meegemaakt in de jaren dertig van de vorige eeuw. De vergelijking tussen de huidige crisis en die Grote Depressie wordt dan ook veel gemaakt. Ook toen was het startpunt een financiële crisis in de VS en kwamen geleidelijk ook andere landen in de problemen. Wereldwijd is de impact op de industriële productie, de daling van de aandelenkoersen en het wereldhandelsvolume nu vergelijkbaar met die van destijds.16 De grote vraag is of dit ook nu weer zal leiden tot een Grote Depressie. Dat hoeft niet, want de tijden zijn ingrijpend veranderd en we weten ook beter dan destijds wat ons te doen staat.


Box 3.3: De Grote Depressie17

In de jaren twintig van de vorige eeuw was er een grote economische voorspoed in de VS. Ook op de beurzen ging het goed. Veel mensen belegden via een recente innovatie; de investment trusts. Vaak gebruikten die niet alleen de inleg van investeerders om te beleggen, maar werd een groot gedeelte van de beleggingen gefinancierd met geleend geld. In oktober 1929 stortte de beurs in. Op het dieptepunt in juli 1932 had de Dow Jones 89 procent van zijn waarde verloren. Veel beleggers vluchtten naar de zekerheid van goud, dat ze tegen een vaste prijs konden kopen bij het stelsel van Amerikaanse Centrale Banken, de FED. Om te voorkomen dat de goudvoorraad van de FED te veel kromp, verhoogde de FED de rente (hierdoor werd het aantrekkelijker om dollars te investeren in renderende beleggingen dan in goud). De eerste golf aan bankfaillissementen kwam in 1930. Tussen 1930 en 1933 gingen uiteindelijk 9 duizend banken failliet. Zij vertegenwoordigden ongeveer een derde van de kredietverlening. Er werd weinig gedaan om de banken te redden. Pas in 1932 werd de Reconstruction Finance Corporation opgericht die banken in de problemen kon steunen. Hierlangs is ongeveer 1,5 procent van het bbp besteed (dit zou in Nederland nu ongeveer 9 miljard euro zijn). Onder de «New Deal» van Roosevelt werden de overheidsuitgaven flink verhoogd, maar dit gold ook voor de belastingen, waardoor per saldo nauwelijks werd gestimuleerd. In veel andere landen ontstond ook een bankencrisis, Nederland was een uitzondering. Het Nederlandse bankwezen was na een crisis begin jaren twintig al flink gesaneerd en kwam tijdens de Grote Depressie niet opnieuw in de problemen.18 Wel werd Nederland flink geraakt door afnemende export als gevolg van handelsbarrières en devaluaties in andere landen. Nederland liet de goudstandaard als een van de laatste landen los en had begrotingsevenwicht als officiële doelstelling. Hoewel dit laatste niet helemaal lukte (er waren wel degelijk tekorten), was er geen sprake van een consistent stimulerend beleid.

9  IMF, 2009, World Economic Outlook April 2009. De analyse betreft 21 ontwikkelde landen en gaat niet verder terug dan 1960. Tussen de Tweede Wereldoorlog en begin jaren zeventig waren er echter nauwelijks bankencrises. Zie bijvoorbeeld C.V. Reinhart en K.S. Rogoff, 2009, Banking Crises: An Equal Opportunity Menace, NBER Working Paper 14587.

10  Zie tabel 1a van S. Claessens, M. Ayhan Kose en M.E. Terrones, What happens during recessions, crunches and busts?, IMF Working Paper WP/08/274. Dat de economische krimp in Finland groter was dan in Zweden komt waarschijnlijk met name doordat Finland veel harder werd geraakt door het wegvallen van de handel met de Sovjet-Unie. Y. Gorodnichenko, E.G. Mendoza en L.T. Tesar, 2009, The Finnish Great Depression: From Russia with Love, NBER Working Paper 14874. Zie voor een beschouwing over de oorzaken en omvang van de crisis ook: C. van Ewijk en C.N. Teulings, 2009, De Grote Recessie.

11  Deze box is voor een belangrijk deel gebaseerd op de volgende literatuur: P. Englund, 1999, The Swedish banking crisis: roots and consequences, Oxford Review of Economic Policy. Economic Prosperity Recaptured: the Finnish path from crisis to fast growth. De begrotingstekortcijfers zijn afkomstig uit IMF, 2008, Fiscal Policy for the Crisis, IMF Staff Position Note. De cijfers over de fiscale kosten van reddingsacties zijn afkomstig uit P. Honohan en D. Klingebiel, 2003, The Fiscal Cost Implications of an Accommodating Approach to Banking Crises.

12  Enige uitzondering is de financiële problematiek met de Duitse giro-instellingen eind jaren zeventig (zie G. Caprio en D. Klingenbiel, 2003, Episodes of Systematic and Borderline Banking Crisis, Mimeo, World Bank). In sommige landen startte de recessie eerder dan in 1992 en duurde ze tot na 1992; wel geldt voor alle landen dat zij zich in 1992 in een recessie bevonden. De precieze data van de recessies: Finland 1990K2 (2e kwartaal)-1993K2, Frankrijk 1992K2–1993K3, Griekenland 1992K2–1993K1, Italië 1992K2–1993K1, Zweden 1990K2–1993K1.

13  Grofweg kan gesteld worden dat deze bedragen betrekking hebben op de omvang van ingrepen die de overheidsschuld direct doen oplopen. Er wordt bijvoorbeeld geen rekening gehouden met (niet-ingeroepen) garanties of met de potentiële winst bij verkoop van gekochte deelnemingen. Zodoende zijn de cijfers redelijk vergelijkbaar met de 8,5 procentpunt waarmee de overheidsschuld in Nederland is toegenomen door de ingrepen in de financiële sector (inclusief overbruggingskrediet Fortis is dit 14 procentpunt).

14  N.K. Kuttner en A.S. Posen, 2001, The great recession; lessons for macroecnomic policy from Japan, Brookings Papers on Economic Activity.

15  T. Hoshi en T. Kashyap, 2004, Japan’s Financial Crisis and Economic Stagnation, Journal of Economic Perspectives. IMF 2008, Fiscal Policy for the Crisis, IMF Staff Position Note. P. Honohan en D. Klingebiel, 2003, The Fiscal Cost Implications of an Accommodating Approach to Banking Crises, Journal of Banking and Finance.

16  B. Eichengreen en K.H. O’ Rourke, 2009, A tale of two depressions. VoxEU.org.

17  J.K. Galbraith, 1954, The Great Crash. IMF, 2008, Fiscal Policy for the Crisis, IMF Staff Position note. R.S. Kroszner, 1994, The Political Economy of the Reconstruction Finance Corporation’s Bail Out of the US Banking System during the great depression. J.L. van Zanden, 1997, Een klein land in de 20e eeuw.

18  Enkel de Nederlandse Handelsmaatschappij kwam in de problemen als gevolg van grote verliezen in Indonesië, maar dit leidde niet tot een vertrouwensverlies in het bankwezen.