Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
Rijksbegroting Overzicht Voorbereiding Uitvoering Verantwoording
2010
  • Download PDF

3.4 Langetermijngevolgen

Mede door het betere beleid van overheden is de verwachting dat de huidige recessie minder lang duurt dan de Grote Depressie. Hoewel met veel onzekerheden omgeven, is de verwachting van het IMF dat de economische groei in Nederland weer positief wordt vanaf 2011.32 Daarna zal het echter niet business as usual zijn. Nadat we de recessie achter ons hebben gelaten zullen we nog steeds geconfronteerd worden met effecten op de productiviteit, werkloosheid, het nationale inkomen en de overheidsfinanciën.

Negatieve effecten op de productiviteit...

Recessie leidt tot langdurig lagere productiviteit...

Het is mogelijk dat de productiviteit na de recessie langdurig op een lager niveau blijft liggen. De recessie zorgt voor een daling in de kapitaalvoorraad door de daling in de investeringen in nieuw kapitaal en door het overbodig worden van bestaand kapitaal (bijvoorbeeld door faillissementen). Hierdoor ligt de productiviteit na een recessie vaak op een lager niveau. In tijden van economische neergang wordt bovendien minder geïnvesteerd in innovatie en neemt het aantal startende bedrijven af (zie paragraaf 3.6). Ook dit kan ertoe leiden dat de productiviteit na de recessie op een lager niveau ligt. Bovendien is het mogelijk dat na de recessie de productiviteitsgroei lager komt te liggen. Als investeerders en- of toezichthouders door de huidige problematiek een tijdelijk of structureel sterkere risicoaversie hebben gekregen (ze zijn zich nu collectief bewust van wat er mis kan gaan), zal het lastiger kunnen worden om financiering voor nieuwe investeringen te verkrijgen. Hoewel dit de kans op een nieuwe crisis zal verkleinen, kan de productiviteitgroei hier wel onder lijden. Zeker wanneer hierdoor een negatief sentiment ontstaat, kunnen kansrijke investeringen niet van de grond komen.

...en negatieve effecten op de werkloosheid...

...hogere werkloosheid...

Ook blijkt dat de werkloosheid na een recessie nog lang op een hoger niveau kan blijven liggen. Zo lag de werkloosheid in Japan, Finland en Zweden in 2007 nog steeds op een hoger niveau dan voor de crisis (zie figuur 3.7). Dit heeft twee oorzaken. Ten eerste leidt de lagere arbeidsproductiviteit, die we hierboven beschreven, tot een verhoogd risico op het uit de markt prijzen van werknemers. Loonmatiging draagt eraan bij dat het loon op termijn weer in overeenstemming is met de arbeidsproductiviteit, maar zeker als de val in de productiviteit groot is, kan dit enige tijd in beslag nemen. Ten tweede kan werkloosheid van sommige mensen doorzetten in langetermijnwerkloosheid, als zij door de inactiviteit te veel vaardigheden kwijtraken of door te veel afwijzingen de motivatie verliezen om te zoeken naar werk.

Figuur 3.7 Werkloosheid in Japan, Finland en Zweden 1988–2007

Bron: WEO (april 2009) data op www.imf.org.

...komen tot uiting in het nationaal inkomen...

...een lager inkomen per hoofd...

De langetermijngevolgen van de crisis in Japan, Finland en Zweden zijn goed zichtbaar in de groeicijfers van deze landen. In Zweden en Finland duurde het respectievelijk 5 en 7 jaar voordat het bbp per hoofd van de bevolking weer op het niveau van voor de crisis zat (gecorrigeerd voor inflatie). Zoals eerder besproken is in Japan het bbp per hoofd van de bevolking gedurende het lost decade niet gedaald, maar was vooral de groei langdurig en aanhoudend laag. Voor het beleid is echter niet alleen belangrijk wanneer we weer op hetzelfde welvaartsniveau zitten, maar ook hoe groot de afwijking is ten opzichte van eerdere verwachtingen.


Onderstaande figuren geven een beeld van het bbp per hoofd van de bevolking in Zweden, Finland en Japan voor en na de crisis. De stippellijnen geven aan welke groei een «naïeve» voorspeller zou hebben verwacht als er geen crisis was geweest en de groei van voor de crisis zich had doorgezet.33

Figuur 3.8 Bbp per hoofd van de bevolking voor en na de crisis: Finland

Figuur 3.9 Bbp per hoofd van de bevolking voor en na de crisis: Zweden

Figuur 3.10 Bbp per hoofd van de bevolking voor en na de crisis: Japan

Bron: Cijfers zijn afkomstig van WEO (april 2009) data op www.imf.org. Bewerking door ministerie van Financiën. De gesloten lijn geeft het feitelijke, reële bbp per capita aan, waarbij de omvang op het jaar voor de recessie op 100 is gesteld (1989 bij Finland en Zweden, 1992 bij Japan). De stippellijn laat zien hoe groot het bbp per capita zou zijn geweest als er geen recessie was geweest en de groei van voor de crisis zich had doorgezet.


Voor de crises was de groei per hoofd van de bevolking in Finland en Japan hoger dan in Zweden (in Finland en Japan ongeveer 3 procent versus 2 procent in Zweden). Dit was vooral een gevolg van een hogere stijging van de productiviteit per gewerkt uur in deze landen. Er was sprake van een inhaaleffect. In Finland en Japan was het bbp per gewerkt uur in 1980 slechts 62 procent respectievelijk 58 procent van het bbp per gewerkt uur in de VS.34 In 1990 was dit opgelopen tot 72 procent respectievelijk 69 procent. In Zweden was dit in 1980 al 86 procent en in 1990 nog maar 82 procent. Het aantal gewerkte uren per burger steeg slechts licht gedurende de jaren tachtig in Japan (van 1 005 uur in 1980 naar 1 027 uur in 1990) en daalde zelfs in Finland (van 911 naar 880) terwijl in Zweden het aantal gewerkte uren het meest toenam (van 776 naar 830).


Hoewel Zweden en Finland een groter bbp-verlies leden tijdens de crisis, presteerden zij na de crises beter dan Japan. In Zweden lag de groei per hoofd van de bevolking na de crisis op 2¾ procent, in Finland zelfs op 3½ procent. In Japan was de groei slechts 1¼ procent. In de drie landen viel het aantal gewerkte uren door de recessie fors terug. Geen van de landen heeft dit weer helemaal in kunnen halen (het aantal gewerkte uren per persoon lag in Finland, Japan en Zweden in 2007 respectievelijk 8 procent, 13 procent en 3 procent lager dan in 1990). Finland en Zweden waren echter in staat hun productiviteit ten opzichte van de VS verder te verhogen tot respectievelijk 83 procent en 88 procent in 2007, terwijl Japan relatief achterbleef met 72 procent. Zoals in paragraaf 3.2 is beschreven, is er bewijs dat het voortbestaan van «zombiebanken» in Japan een drukkend effect heeft gehad op de productiviteit.


Door de robuuste postcrisisgroei hadden Zweden en Finland in 2007 een bbp per hoofd van de bevolking dat ongeveer 40 procent hoger lag dan in het jaar voor de crisis. Voor Zweden was dit ongeveer het niveau dat zou zijn verwacht als er geen recessie was geweest en als de groei van voor de crisis zich had doorgezet. Door de hoge precrisisgroei had de naïeve voorspeller voor Finland echter een bbp per capita verwacht dat ongeveer 70 procent hoger zou liggen dan de gerealiseerde 40 procent. Door de terugval in het groeitempo in Japan is het verschil tussen de trendlijn en de werkelijke groei voor Japan zeer groot. Het bbp per hoofd van de bevolking was in 2007 slechts 20 procent hoger dan voor de crisis, terwijl op basis van de trend een stijging van 60 procent zou zijn verwacht. Helaas blijkt uit onderzoek naar een groot aantal recessies dat het Zweden-scenario – waarbij verloren groei weer wordt ingehaald – een uitzondering is. Over het algemeen worden recessies gevolgd door een periode van lagere groei; bij recessies door een financiële crisis is dit nog sterker het geval.35

...en zorgen voor langdurige verslechtering van de overheidsfinanciën...

...en een verslechtering van de overheidsfinanciën

Door de hoge werkloosheidsuitgaven en de lagere dan verwachte belastinginkomsten als gevolg van de terugvallende groei, worden ook de overheidsfinanciën langdurig uit het lood geslagen. Dit komt bovenop het verlies aan belastinginkomsten door de daling in vermogens als gevolg van de financiële crisis. Finland en Zweden bereikten pas in 1998 weer een overschot, onder andere door versobering van de sociale zekerheid en pensioenregelingen.36 In Japan bleven de tekorten aanhouden. In Zweden heeft het 17 jaar geduurd, voordat de schuld weer op het niveau van voor de crisis lag. Finland en Japan zijn hier tot op heden niet in geslaagd. Finland had in 2007 een schuld die nog steeds 3 keer zo hoog was als voor de crisis in 1990. Hetzelfde geldt voor Japan, maar op een nog hoger niveau.

Figuur 3.11 Schuld Japan, Finland en Zweden

Figuur 3.12 Overheidstekort Japan, Finland en Zweden

Bron: OESO; www.oecd.org


Het weer op orde brengen van de Nederlandse overheidsfinanciën zal net als in Japan, Zweden en Finland een lange adem vergen. De Nederlandse schuld lag in 2007 op 45,5 procent van het bbp, in 2010 ligt deze naar verwachting op 65,7 procent. Hoewel dit niveau niet te vergelijken is met de problematiek in de jaren dertig of na de Tweede Wereldoorlog, komen we hiermee wel steeds dichter in de buurt van de niveaus uit de jaren tachtig (terwijl we in het huidige tijdsgewricht geconfronteerd worden met een grote vergrijzingsuitdaging). Bovendien zal de overheidsschuld blijven toenemen als het tekort niet wordt teruggedrongen.

...waardoor ingrijpende maatregelen onontkoombaar zijn.

Herstel zal niet automatisch plaatsvinden...

De analyse hierboven laat zien dat niets doen en wachten op «automatisch» herstel vooral voor arbeidsmarkt en schatkist geen optie is. Structurele herstelmaatregelen zijn nodig. Hierbij gaat het ten eerste om maatregelen die ervoor zorgen dat de langetermijneffecten op de werkloosheid en productiviteit zo klein mogelijk zijn. Deze komen aan de orde in paragraaf 3.5 en 3.6. Daarnaast zal er ook moeten worden ingegrepen in de overheidsfinanciën. Het zo snel mogelijk beëindigen van de financiële transacties die de overheid is aangegaan om de banken te steunen is een belangrijke eerste stap om de overheidsschuld te verlagen. Hierdoor zal de overheidsschuld afnemen met circa 8,5 procentpunt (inclusief overbruggingskrediet Fortis is dit 14 procentpunt).

...en ondanks de maatregelen...

Het kabinet neemt daarnaast maatregelen om het tekort terug te dringen. Wanneer het stimuleringspakket wordt beëindigd zal het tekort verminderen. Hierbij moet wel worden opgelet dat een te snelle bezuiniging het herstel weer de kop indrukt. Het al dan niet verlengen van het stimuleringspakket naar 2011 wordt daarom afhankelijk gemaakt van de economische groei in 2011. Ook na deze beëindiging zal het tekort nog groot zijn. Hoe groot precies is lastig te voorspellen. Ten eerste weten we niet precies op welke manier de groei zich zal ontwikkelen. Krijgen we net zoals Zweden te maken met een inhaalgroei? Komen we structureel op een lager welvaartsniveau uit, maar blijft de groei daarna vergelijkbaar met de groeicijfers voor de crisis zoals in Finland. Of blijft de groei structureel achter bij wat we gewend waren, zoals in Japan? Daarnaast zijn er veel onzekere factoren die niet direct gerelateerd zijn aan de economische groei maar wel een forse invloed kunnen hebben op het EMU-saldo, zoals de olieprijsontwikkeling en de rentestand.

...is de kans op langdurig tekort aanzienlijk

Om toch een gevoel te krijgen voor de ontwikkeling van de overheidsfinanciën op de middellangetermijn, laat figuur 3.13 de mogelijke ontwikkeling van het EMU-saldo in de komende jaren zien. Bij een reële groei van 2 procent per jaar in de volgende kabinetsperiode (ongeveer de groei die verwacht zou worden als er geen financiële crisis was geweest) komt het saldo in 2015 bij ongewijzigd beleid slechts beperkt beter uit dan in 2010, namelijk tussen de – 4 procent en – 6 procent van het bbp. De overheidsinkomsten groeien ongeveer mee met het bbp, dus met 2 procent per jaar. De uitgavenontwikkeling is relatief ongevoelig voor de economische groei. Niettemin groeien deze eveneens met ongeveer 2 procent per jaar. Dat komt door de autonome groei van de uitgaven voor zorg, AOW, infrastructuur. Verder nemen door de opgelopen overheidsschuld de rentelasten toe. Pas bij een groei van meer dan 2 procent is sprake van een significante verbetering van het saldo. In dat geval komt het saldo in 2015 ongeveer 2 procentpunt bbp gunstiger uit dan in het scenario met 2 procent jaarlijkse groei. In het 1 procent-groeiscenario, wat zou betekenen dat er helemaal geen sprake is van inhaalgroei en dat de crisis persisteert, zal het saldo in 2015 juist 2 procent bbp slechter uitkomen.

Figuur 3.13 Ontwikkeling EMU-saldo afhankelijk van groeiscenario’s

Zoals figuur 3.13 duidelijk maakt, is zelfs in het optimistische scenario en na beëindiging van het stimuleringspakket op middellange termijn geen sprake van volledig herstel van de overheidsfinanciën. In de scenario’s waarbij sprake is van een groei die gelijk is aan of lager is dan de groei van voor de crisis, verbetert het saldo niet of vindt verslechtering plaats. Extra maatregelen zijn dan ook nodig. Dit doet het kabinet langs twee sporen. Ten eerste neemt het maatregelen die op de lange termijn (voor een groot deel na 2015) de overheidsfinanciën verbeteren. Het gaat hierbij om maatregelen in de zorg, de voorgenomen verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 rekening houdend met zware beroepen, en het niet indexeren van de 1 miljoengrens waarboven een hoger eigenwoningforfait geldt. Deze maatregelen worden in hoofdstuk 4 toegelicht. Daarnaast worden brede heroverwegingen gestart om er voor te zorgen dat de overheidsfinanciën op termijn weer in evenwicht worden gebracht (zie hoofdstuk 1).

32  IMF WEO April database op www.imf.org. NB; in de WEO zelf wordt geen cijfer gegeven voor 2011, in de database wel.

33  Deze trendlijnen mogen niet verward worden met een schatting van de potentiële groei. Deze is uiteraard niet alleen af te leiden uit de trend van voor de recessie maar wordt bepaald door vele factoren, waaronder bijvoorbeeld demografische veranderingen.

34  De cijfers over gewerkte uren en bbp per gewerkt uur (in ppp 2008 euro’s) zijn afkomstig uit de conference board database (http://www.conference-board.org/economics/database.cfm). Een soortgelijk beeld komt naar voren uit een studie van de OESO met data tot 1998 (Economic growth in the OECD area: recent trends at the aggregate and sectoral level. ECO/WKP(2000)21; zie met name p. 46 en p 47).

35  V. Cerra en S. Chaman Saxena, 2008, Growth Dynamics: the myth of economic recovery, American Economic Review.

36  IMF, 2009, The state of public finances; outlook and medium-term policies after the 2008 crisis, Companion paper.