Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
Rijksbegroting Overzicht Voorbereiding Uitvoering Verantwoording
2010
  • Download PDF

3.5 Gevolgen voor werkloosheid

Zoals we hebben gezien in de inleiding zal de werkloosheid het naoorlogs maximum bijna evenaren. Welke groepen zullen hier met name door getroffen gaan worden? Hiervoor zijn twee zaken van belang. Ten eerste de kans dat iemand werkloos wordt. En ten tweede de gevolgen die het voor de arbeidsmarktpositie heeft als dit gebeurt.

Jongeren hebben meeste kans op werkloosheid

Arbeidsparticipatie jongeren zeer conjunctuurgevoelig...

Als we naar recente recessies in Nederland kijken dan blijkt met name de werkloosheid van jongeren, laag opgeleiden en allochtonen gevoelig voor een conjuncturele neergang (zie figuur 3.14a, 3.14b en 3.14c). De hoge conjunctuurgevoeligheid bij jongeren wordt veroorzaakt doordat zij nieuw op de arbeidsmarkt verschijnen (het is gemakkelijker om iemand niet aan te nemen dan om iemand te ontslaan) en omdat zij vaker een flexibele arbeidsrelatie kennen. Op dit moment ligt het aantal werknemers met een flexibele arbeidsrelatie ook onder jongeren het hoogst (29 procent bij 15–25 jarigen; 8 procent bij 25–35 jarigen en minder dan 5 procent bij oudere werknemers). Dit impliceert dat deze groep naar verwachting ook in deze recessie de zwaarste klappen zal krijgen.

Figuur 3.14a Werkloosheid naar leeftijdsgroep

Figuur 3.14b Werkloosheid naar opleiding

Figuur 3.14c Werkloosheid naar afkomst

Bron: CBS Statline.


De instroom naar inactiviteit hoeft echter niet alleen te verlopen via geregistreerde werkloosheid. Bij oudere werknemers kan bijvoorbeeld vroegpensioen ook een signaal zijn van onvrijwillige inactiviteit. Dit type uitstroom is niet zichtbaar in werkloosheidcijfers maar wel in de nettoarbeidsparticipatie. Ook in deze cijfers is te zien dat de nettoarbeidsparticipatie van jongeren gevoeliger is voor de conjunctuur (figuur 3.15). De nettoparticipatie van de mensen tussen de 55 en 65 jaar is wel afgenomen in de recessie begin jaren tachtig, maar dit was een structureel effect (mede door de vroegpensioenregelingen die toen zijn afgesproken). De oplopende werkloosheid begin jaren negentig en begin deze eeuw lijken nauwelijks effect te hebben op de opwaartse trend in de participatie van ouderen. We kunnen dus concluderen dat jongeren de meeste kans lopen op werkloosheid. De jeugd maakt wel een steeds kleiner aandeel uit van de beroepsbevolking. Dit is terug te zien in het afnemende aantal jeugdwerklozen (figuur 3.16). Hoewel de jeugdwerkloosheid in percentages ook in de laatste recessies het hoogst was, is deze in aantallen de laatste decennia ingehaald door oudere leeftijdsgroepen. Wel zien we dat ook in aantallen de fluctuaties bij jongeren nog het grootst zijn. De toename in het aantal werklozen zal in de komende recessie dan ook nog steeds onder jongeren het grootst kunnen zijn.

Figuur 3.15 Nettoarbeidsparticipatie 1980–2008

Figuur 3.16 Werkloosheid naar leeftijdsgroep

Bron: CBS Statline.

Maar gevolgen zijn groter voor ouderen

...ouderen echter vaker langdurig werkloos

De gevolgen van werkloosheid verschillen per leeftijdscategorie. Oudere werknemers hebben vaak een langere carrière achter de rug, waarin zij hebben kunnen zoeken naar de baan die het beste bij hen past. Wanneer die baan verdwijnt, zal het moeilijk zijn een baan met dezelfde passendheid te vinden. Oudere werknemers zijn vaak ook langer in dienst bij een bedrijf. Hierdoor hebben ze meer bedrijfsspecifiek kapitaal opgebouwd, waarvoor ze bij het bestaande bedrijf wel een vergoeding krijgen, maar bij een nieuwe werkgever niet. Ten slotte blijkt in het laatste deel van de carrière het loon vaak relatief hoog te liggen in vergelijking met de productiviteit van de werknemer. Het inkomensverlies als gevolg van ontslag blijkt dan ook groter te zijn bij oudere werknemers dan bij jongere werknemers37; hier staan vaak wel een hogere ontslagvergoeding en meer opgebouwde WW-rechten tegenover. Bij oudere werknemers is het daarnaast vaak langere tijd geleden dat ze generieke kennis hebben opgedaan (bijvoorbeeld door een niet-bedrijfsspecifieke opleiding). Dit maakt het voor hen lastiger om een nieuwe baan te vinden wanneer ze werkloos worden. Doordat ouderen bovendien minder lang in dienst zullen blijven bij een nieuwe werkgever en werkgevers ouderen associëren met hoge loonkosten, zijn er minder prikkels bij werkgevers om ouderen aan te nemen. Uit onderzoek over de jaren 1993–2002 blijkt dat de werkloosheid onder jongeren (jonger dan 29) inderdaad sterker afhankelijk is van de conjunctuur (zoals we hierboven hebben gezien)38, maar dat jongeren die hun baan kwijtraken, ook snel weer een nieuwe baan vinden. Het risico op langdurige werkloosheid is onder jongere werknemers dan ook lager.

Op de lange termijn lopen jongeren achterstand in

Voor jongeren die in de werkloosheid belanden, geldt dat zij hun carrière beginnen met een achterstand. Het opbouwen van menselijk kapitaal via een werknemersrelatie is hen niet gegund. Jongeren die werkloos worden, hebben dan ook vaak nog jaren een lager loon en een hogere kans op werkloosheid dan leeftijdsgenoten die niet getroffen werden door werkloosheid. Op de lange termijn blijken werknemers wel in staat deze achterstand weer grotendeels weg te werken. Schoolverlaters uit de jaren 1981–1984 verdienen nog steeds een lager loon dan op basis van andere kenmerken zou mogen worden verwacht.39 Het gaat hierbij echter om slechts 1 procent verschil in het bruto-uurloon. Bovendien is de kans op werkloosheid of inactiviteit niet groter dan voor andere cohorten en behalen zij ook een vergelijkbaar beroepsniveau. Van een«verloren generatie» uit de jaren tachtig blijkt zodoende nauwelijks sprake te zijn.

Beleidsreactie

Om te bepalen wat we kunnen doen aan deze problematiek is het van belang te onderkennen dat er al veel staand beleid is. Van groot belang is te bepalen waarin de arbeidsproblematiek van de huidige recessie verschilt van die in eerdere jaren.

Toename jeugdwerkloosheid nieuw...

Zoals we hebben gezien kan werkloosheid voor ouderen grote gevolgen hebben. Tegelijkertijd is deze problematiek relatief ongevoelig voor de stand van de conjunctuur. Voor deze problematiek ligt het daarom voor de hand in grote mate het huidige beleid voort te zetten, zoals bijvoorbeeld de premievrijstelling voor het aannemen van oudere werklozen. Het nieuwe aan de arbeidsmarktproblematiek in de komende jaren is de grote toename van werkloosheid onder jongeren. Zeker gezien de ernst van de recessie zal deze werkloosheid veel grotere hoogten bereiken dan waar het huidige beleid op geënt is. Daarom is het nieuwe beleid met name gericht op jongeren. Om jeugdwerkloosheid te voorkomen zijn afspraken gemaakt met sociale partners. Zij trachten iedere jongere die langer dan 3 maanden werkloos is een leer- of werkplek aan te bieden. Ook is er 250 miljoen euro extra uitgetrokken voor de bestrijding van jeugdwerkloosheid en nog eens 250 miljoen euro voor mbo’s. Het geld wordt besteed aan de creatie van extra stageplaatsen en de mogelijkheid om langer op school te blijven. Zo wordt voor jongeren een alternatief geboden voor het verhogen of op peil houden van hun menselijk kapitaal. Werklozen van alle leeftijdsgroepen profiteren van mobiliteitscentra die zijn ingericht om er voor te zorgen dat werknemers weer op een plek terechtkomen, waar hun opgebouwde specifieke kennis het best tot zijn recht komt. Hierbij is uiteraard ook veel aandacht voor de vacatures in de publieke sector. Ook is er extra geld beschikbaar gesteld voor re-integratie en scholing.

...evenals tijdelijk probleem vraagkant arbeidsmarkt

Een tweede verschil is dat een belangrijk deel van de stijging van de werkloosheid de komende jaren te maken heeft met de vraagkant van de arbeidsmarkt. Box 3.6 gaat hier op in. De overheid speelt automatisch een stabiliserende rol in de vraag naar arbeid. Dit komt doordat de vraag naar leraren, zorgverleners en agenten niet afhankelijk is van de conjunctuur. Ook nu zijn er nog veel vacatures in de publieke sector.


Box 3.6: Arbeidsmarkt: nu ook een vraagprobleem

Sinds de jaren tachtig hebben we vooral geworsteld met imperfecties aan de aanbodzijde van de arbeidsmarkt. Er werd minder gewerkt dan maatschappelijk optimaal is. Om deze problematiek te beperken, zijn de laatste jaren veel maatregelen genomen om het aanbod te stimuleren zoals het verlagen van de marginale druk (bijvoorbeeld via arbeidskortingen) en het activerender maken van uitkeringsregelingen. Deze aanpak blijft belangrijk, mede in het licht van de arbeidstekorten die op de lange termijn dreigen door de vergrijzing.


De komende jaren hebben we voor veel groepen echter ook te maken met een probleem aan de vraagzijde. Er zijn meer mensen die willen werken dan dat er banen zijn. Maatregelen die de vraag naar werknemers stimuleerden werden in het verleden slechts voor zeer selecte groepen toegepast omdat voor de meeste mensen gold dat zij ook zonder deze maatregelen werk konden vinden. Er werd ook spaarzaam omgegaan met maatregelen die een alternatief boden voor regulier werk, omdat de angst bestond dat hierdoor een mogelijkheid in de markt niet werd benut. Deze risico’s zijn nu afgenomen. Door de vraaguitval kan het daarom nu wel opportuun worden om voor meer groepen maatregelen te nemen die de vraag naar werk stimuleren. Tegelijkertijd blijft het belangrijk om de doorstroom op de arbeidsmarkt te behouden. Ook in een economisch dal is het belangrijk dat de herstructurering van de economie niet belemmerd wordt.


Als mensen die wel willen werken geen werk kunnen vinden, klinkt vaak de roep om het eerlijker verdelen van werk. Zo werd in de jaren tachtig getracht de werkloosheid te bestrijden door ouderen vervroegd te laten uittreden.40 Zoals te zien was in figuur 3.15 had dit met name een structureel effect op de nettoarbeidsparticipatie van ouderen en was dit instrument dus weinig effectief om effecten van een conjunctuurschommeling op te vangen.41 Dat werkverdeling op macroschaal weinig effectief is, komt doordat mensen die zonder werk zitten niet altijd in staat zijn het werk van de mensen die minder gaan werken over te nemen (vanwege verschillen in vaardigheden). Als gevolg hiervan kan het verkorten van de werkduur van sommige werknemers er zelfs toe leiden dat het totaal aantal gewerkte uren afneemt. Door de inkomensdaling die hiervan het gevolg is, neemt vervolgens de vraag naar arbeid nog verder af.

37  WRR, 2008, Werk en inkomsten na massaontslag, WRR-verkenning. Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, 2009, Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt 2008, ROA-R-2009/4.

38  A.G. Gielen en J.C. van Ours, 2006, Age specific cyclical effects in job reallocation and job mobility, Labour Economics. Soortgelijke resultaten worden gevonden in onderzoek naar massaontslagen WRR, 2008, Ibidem.

39  Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, 2009. Ibid.

40  Ook in de jaren dertig kwam dit punt op. Zo was er veel kritiek op gehuwde vrouwen die betaald werk verrichten en daarmee huisvaders «het brood uit de mond stoten». De minister van Sociale Zaken Romme heeft destijds zelfs onsuccesvol getracht de ondernemingsarbeid voor vrouwen te verbieden. R. Aerts, H. de Liagre Bohl, P. de Rooy en H. te Velde, 1999, Land van kleine gebaren, p. 225.

41  Een recente, uitgebreide studie naar het verband tussen de arbeidsparticipatie van jongeren en ouderen in 12 landen (waaronder Nederland) komt tot de conclusie dat er geen bewijs is dat een verhoogde participatie onder ouderen de participatie of werkloosheid onder jongeren negatief beïnvloedt. J. Gruber, K. Milligan en D.A.Wise, 2009, Social Security Programs and Retirement around the World: the Relationship to Youth Employment, NBER Working Paper 14647.