Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
Rijksbegroting Overzicht Voorbereiding Uitvoering Verantwoording
2010
  • Download PDF

3.7 Gevolgen op inkomens en vermogens

Wanneer het inkomen dat we met zijn allen verdienen (het bbp), met bijna 5 procent daalt, zullen er ook op individueel niveau belangrijke inkomensverliezen optreden. Bovendien zullen prijsdalingen op de aandelen- en huizenmarkt ook tot vermogensverliezen leiden. Hoe groot is deze problematiek en wie wordt met name getroffen?

Statische koopkracht stijgt ondanks de crisis

Koopkracht stijgt...

De zogenaamde statische koopkrachtverandering – de verandering in koopkracht wanneer er niets aan de huishoudsituatie verandert, zoals het verlies van een baan – is vooralsnog geen reden tot zorg. De maatregelen die genomen zijn om de economische vraag te ondersteunen (geen verhoging van belastingen ondanks tegenvallers; geen ingrepen in de uitkeringen), betekenen ook een koopkrachtontwikkeling die voor crisistijden meevalt. De mediane koopkrachtontwikkeling is voor 2009 1¾ procent en voor 2010 – ¼ procent. Dit betekent dat mensen na de crisis een hoger besteedbaar inkomen hebben dan voor de crisis! Een belangrijke reden hiervoor is dat de daling het bbp op dit moment wordt opgevangen door de overheid: daardoor loopt de overheidsschuld op. Op de korte termijn betekent dit dat individuele burgers erop vooruit gaan. Op de lange termijn zal de overheidsschuldverslechtering echter weer goed moeten worden gemaakt via lagere uitgaven of hogere belastinginkomsten. Het is daarom niet uitgesloten dat de statische koopkracht in latere jaren minder snel zal stijgen dan anders.

Figuur 3.19 Statistische koopkrachtontwikkeling 1975–2010

Bron: CPB. De data zijn niet voor alle standaardhuishoudens tot 1974 beschikbaar.

Lagere inkomens, alleenstaanden en zelfstandigen het kwetsbaarst voor inkomensverlies door werkloosheid

...inkomensverlies bij laag inkomen kleiner dan bij hoog inkomen...

Bovendien zullen er ook veel mensen geconfronteerd worden met inkomensverlies door werkloosheid of door faillissementen van hun bedrijf. Het inkomensverlies als gevolg van werkloosheid is voor mensen met een laag inkomen kleiner dan voor mensen met een hoog inkomen (zie figuur 3.20). Dit komt doordat het bijstandniveau vaak hoger ligt dan de 70 procent van het laatstverdiende loon waar de WW recht op geeft. Bovendien hebben mensen met een laag inkomen vaker recht op inkomensafhankelijke regelingen die groeien in waarde wanneer het inkomen daalt (zoals de huurtoeslag).50 Deze kleinere inkomensachteruitgang voor lagere inkomens is ook noodzakelijk. Bij lagere inkomens gaat het vaak om mensen met een lage opleiding die bij werkloosheid minder makkelijk een nieuwe baan kunnen vinden. Zodoende is de periode waarin ze geconfronteerd worden met de inkomensval dikwijls langer. Bovendien hebben zij door het lage inkomen vaak ook een kleinere buffer om inkomensverliezen op te vangen.

...alleenverdieners maken bij werkloosheid grote val...

Figuur 3.20 laat ook zien dat alleenstaanden en alleenverdieners een grotere inkomensval maken bij werkloosheid dan huishoudens waarbij beide partners werken. Bij meerverdieners worden arbeidsmarktrisico’s gespreid. Bij het verlies van een baan door een van de partners is de inkomensterugval beperkt. Dit is een reden waarom de huidige crisis op huishoudniveau mogelijk minder gevolgen heeft dan eerdere crisissen, want tegenwoordig is het aantal huishoudens waarvan beide partners werken hoger dan in het verleden.

...en zelfstandigen extra kwetsbaar

Een groep die extra kwetsbaar is voor inkomensverlies is de groep zelfstandigen. Het aantal zelfstandigen is de afgelopen jaren toegenomen tot ongeveer 900 duizend. In goede tijden hebben zelfstandigen als voordeel dat ze geen sociale premies hoeven af te dragen en recht hebben op meer aftrekposten dan werknemers. Hier staat wel tegenover dat ze geen vast salaris, recht op ontslagvergoedingen of verzekering tegen werkloosheid hebben. Wanneer de economie tegenzit, zijn zij dus extra kwetsbaar. Uiteraard is de bijstand ook voor deze groep toegankelijk.

Figuur 3.20 Daling in besteedbaar inkomen bij baanverlies

Bron: Berekeningen ministerie van SZW. In deze figuur is ook rekening gehouden met huurtoeslag, het gebruik van kinderopvang en kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Tweeverdieners met WML zijn niet opgenomen, omdat deze huishoudens in de praktijk vrijwel niet voorkomen.

Vermogensverliezen via huizenprijzen en financiële beleggingen

Vermogensverliezen fors

Vermogensverliezen treden met name op via dalende huizenprijzen en financiële beleggingen (waaronder beleggingen via hypotheekconstructies en pensioenfondsen). Het vermogen van particulieren is gedurende de laatste decennia steeds meer gaan bestaan uit huizen en pensioenen. Als aandeel van het totale nettovermogen van particulieren steeg het eigenwoningbezit van 43 procent in 1980 naar 55 procent in 2007; het aandeel van pensioenvermogen steeg van 28 procent in 1980 naar 42 procent in 2007.51 De huizenprijs heeft sinds augustus een daling ingezet. Deze is op dit moment beperkt (–4,4 procent jaar op jaar in juli 2009), zeker wanneer deze wordt vergeleken met de stijgingen die in het verleden zijn behaald (zie figuur 3.21). De prijsindex voor bestaande woningen ligt in juli 2009 op het niveau van april 2007. Mensen die al langer huiseigenaar zijn, zullen gemiddeld zodoende slechts een klein deel van de vermogenswinst uit het verleden verliezen. Voor recente kopers is dit echter niet het geval.

Figuur 3.21: Prijsindex bestaande woningen 1995–2009

Bron: CBS statline

Pensioenfondsen hard geraakt

De pensioenfondsen zijn hard geraakt. Door dalende beurskoersen zijn de bezittingen van pensioenfondsen sterk in waarde afgenomen. Tegelijkertijd is de waarde van de verplichtingen sterk gestegen, door een daling van de rente (hierdoor is meer vermogen nodig om in de toekomst een bepaald bedrag te kunnen uitkeren). Deze combinatie leidde tot een ongekende daling van de dekkingsgraden (een maatstaf waarmee bepaald wordt over pensioenfondsen aan hun verplichtingen kunnen voldoen; zie figuur 3.22). Dalingen van de dekkingsgraad van 40 procentpunt of meer waren geen uitzondering. De schommelingen in de dekkingsgraden zijn de afgelopen jaren zeer groot gebleken. Het Financieel Toetsingskader dat is ingesteld om de pensioenfondsen financieel gezond te houden, kent een zekerheidsmaatstaf die erop gericht is om maximaal eens in de 40 jaar onder of nabij een dekkingsgraad van 105 procent te belanden. Het afgelopen decennium maakte de meeste fondsen dat al twee keer mee.


Vooralsnog is de huidige klap primair opgevangen door opgebouwde pensioenaanspraken niet meer volledig te laten meestijgen met de inflatie of lonen. Premieverhogingen dragen ook bij aan het herstel, maar in mindere mate. Dit in tegenstelling tot de reactie op de dalende dekkingsgraden begin deze eeuw. Toen werd er vooral gekozen voor hoge herstelpremies. Belangrijk nadeel hiervan is dat het de economische neergang versterkt omdat hiermee de ruimte voor consumptie en investeringen wordt beperkt. De toekomstige ontwikkeling van rendementen en rente bepaalt grotendeels in hoeverre de crisis uiteindelijk doorwerkt in de portemonnee van individuen. Als blijvende maatregelen nodig zijn om de dekkingsgraden op peil te houden, dan worden vooral oudere werknemers relatief zwaar getroffen.

Oudere werknemers hardst getroffen

Zij hebben al een groot gedeelte van hun pensioen opgebouwd. Als over deze opbouw geen indexatie plaatsvindt, raken ze dus ook een relatief groot deel van hun toekomstige inkomen kwijt. Bovendien zullen zij nog enkele jaren mee moeten betalen aan herstelpremies. Het verlies voor jongeren is beperkt; dit volgt uit het feit dat zij nog weinig pensioenvermogen hebben opgebouwd en dus ook weinig te verliezen hebben. Jongeren betalen al wel mee aan het herstel van het gezamenlijke pensioenvermogen via extra premies. Reeds gepensioneerden worden geraakt door de lagere indexatie, maar hoeven geen herstelpremies te betalen. Als de beurskoersen en de rente snel en blijvend stijgen, zal het niet nodig zijn om de premies verder te verhogen en kan op termijn de verloren indexatie worden ingehaald (inhaalindexatie). In dat geval worden met name de huidige gepensioneerden getroffen; zij ondervinden immers nu een koopkrachtverlies door de lagere indexatie. Dat op termijn ook hun pensioen weer in lijn komt met de prijs of loonontwikkeling doet hier niets aan af.

Figuur 3.22 Dekkingsgraad pensioenfondsen 2007–2009

Bron: DNB.

Beleidsreactie

Maatregelen voor huizenbezitters en pensioenfondsen

De komende jaren zullen meer mensen geconfronteerd worden met inkomens- en vermogensverliezen dan we gewend zijn. Op individueel niveau zal veel van de problematiek echter niet anders zijn dan we in het verleden hebben meegemaakt; ook toen waren er zelfstandigen die hun klandizie kwijtraakten of werknemers die langdurig werkloos werden. Om bezuinigingen te voorkomen, is er voor gekozen uitgavenkaders te corrigeren voor de werkloosheiduitgaven, waardoor in 2009 1,6 miljard euro en in 2010 4,5 miljard euro meer beschikbaar komt om de huidige bescherming in stand te houden. Om de vastelastenproblematiek voor huizenbezitters die een inkomensverlies ondergaan te beperken, is de werking van de woonlastenfaciliteit verbeterd. Deze faciliteit zorgt ervoor dat van huizenbezitters met een Nationale Hypotheekgarantie (NHG) die in de problemen komen door bijvoorbeeld werkloosheid rente- en aflossingsverplichtingen tijdelijk worden overgenomen. Ook financiële instellingen ontwikkelen ondersteuningstrajecten voor huishoudens met tijdelijke betalingsachterstanden. Om effecten van de crisis op de woningmarkt te bestrijden wordt onder andere de NHG uitgebreid naar woningen met een koopprijs tot 350 duizend euro. Pensioenfondsen hebben langer de tijd gekregen om hun vermogenspositie weer op peil te krijgen.

50  Bovenmodale inkomens zien vaak een nog grotere inkomensterugval dan modale inkomens. Dit komt onder andere doordat de WW aan een maximumdagloon is gekoppeld. Wie meer dan 1½ keer modaal verdient, krijgt bij werkloosheid minder dan 70 procent van het laatstverdiende loon.

51  C. Van Ewijk en H. Ter Rele, 2008, KVS bundel woningmarkt, hoofdstuk 7.