Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
Rijksbegroting Overzicht Voorbereiding Uitvoering Verantwoording
2010
  • Download PDF

3.8 Na de crisis

Grote, hardnekkige problemen

Zoals uit de voorgaande paragrafen blijkt zal Nederland na de recessie een aantal grote en hardnekkige problemen hebben, vooral rond arbeidsmarkt en schatkist. Van een ieder zal een bijdrage gevraagd moeten worden om deze problemen op te lossen. Daartegenover staat dat van de overheid verwacht mag worden dat zij betrouwbaar en transparant handelt, een helder perspectief biedt en de lasten eerlijk verdeelt. Met het oog daarop worden op een aantal terreinen de keuzes die aan de orde zijn fundamenteel heroverwogen, zoals beschreven in het eerste hoofdstuk van deze Miljoenennota.

dieperliggende oorzaken moeten geadresseerd...

Tegelijkertijd is het noodzakelijk dat we ons niet enkel tot symptoombestrijding beperken maar dat we ook de dieperliggende oorzaken van de crisis adresseren. De huidige crisis heeft opnieuw duidelijk gemaakt dat het nastreven van steeds meer materiële welvaart naast de nodige voordelen ook ten minste twee grote risico’s met zich meebrengt.

...door te kiezen voor de lange termijn

Ten eerste wordt de soliditeit van de gewonnen welvaart te vaak overschat. In alle crises die in dit hoofdstuk aan de orde zijn geweest was sprake van luchtbellen op de onroerendgoedmarkt en/of de aandelenmarkt. De op Aziatisch krediet gebaseerde hoge consumptie in de VS was eindig. De hoge rendementen van superbelegger Madoff en rentes van Icesave bleken uiteindelijk niet waar te maken. Zoals we hebben gezien in paragraaf 3.7 zal de statische koopkracht in Nederland na de crisis op een hoger niveau liggen dan voor de crisis. Dit is echter alleen mogelijk door het laten oplopen van de overheidsschuld. Om deze winst solide te maken is het nodig dat we maatregelen nemen die de overheidsfinanciën en economie structureel gezonder maken. Hierbij gaat het niet alleen om «traditionele» economische maatregelen, zoals met betrekking tot de arbeidsmarkt. Van essentieel belang voor onze welvaart op de lange termijn is ook de ontwikkeling van het klimaat. Het gaat hierbij om onomkeerbare effecten op een zeer lange tijdschaal met mondiale desastreuze effecten. Een klimaatcrisis kan worden voorkomen tegen aanvaardbare kosten, mits we mondiaal en voortvarend samenwerken en tijdig investeren in een duurzame economie. En hoewel de onzekerheden rond het vraagstuk groot zijn, weten we een ding zeker. Niets doen komt neer op het doorschuiven en afwentelen van kosten en risico’s op de toekomst. Dit zou betekenen dat we ook hier een keuze maken die op de korte termijn mogelijk de materiële welvaart iets verhoogt, maar die op de lange termijn alleen maar verliezers kent. De huidige crisis heeft ons, met andere woorden, hardhandig duidelijk gemaakt dat er een afruil bestaat tussen welvaart en welzijn, tussen welvaart en risico, en tussen welvaart op korte termijn en welvaart op lange termijn.

Herstel van vertrouwen door beroep op eigen verantwoordelijkheid...

Het tweede risico van een te grote nadruk op het nastreven van louter materiële welvaart op korte termijn is dat dit onvoldoende basis biedt voor een goed functionerende sociale markteconomie. De «onzichtbare hand» van Adam Smith is overschat.52 In het financieel toezicht werd er te makkelijk van uitgegaan dat het nastreven van materieel eigenbelang door bankiers ook de publieke belangen zou dienen. In de woorden van Alan Greenspan:«Those of us who have looked to the self-interest of lending institutions to protect shareholder’s equity (myself especially) are in a state of shocked disbelief». De crisis heeft (opnieuw) aangetoond dat voor een goed werkende sociale markteconomie meer nodig is.

Mensen moeten erop kunnen vertrouwen dat anderen niet enkel hun eigenbelang nastreven, maar ook het belang van de ander in het oog houden. Wanneer zakenpartners elkaar niet vertrouwen zullen ze alleen zaken doen die contractueel tot op de laatste letter dicht te regelen zijn (het weggevallen vertrouwen tussen banken onderling heeft het interbancaire verkeer stilgelegd). Een werkgever die niet kan vertrouwen op de inzet van zijn werknemers zal veel meer controle willen uitoefenen wat naast de directe kosten de mogelijkheden voor initiatief beperkt. Omgekeerd zal een werknemer slechts dat doen waartoe hij strikt gehouden is. Wanneer mensen er niet op vertrouwen dat de overheid hun belangen dient, zijn zij geneigd zijn hun verplichtingen tegenover de samenleving te ontlopen of te minimaliseren, wat weer extra regels en controle-inspanningen met zich meebrengt. Wanneer burgers het beeld krijgen dat (semi)publieke instellingen niet volledig gericht zijn op het publieke belang, zal het draagvlak afnemen voor zowel de financiering van deze instellingen als voor het gezag dat zij uitoefenen. De hernieuwde aandacht voor het belang van de ander is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van elke burger zelf. Toch kan de overheid hieraan bijdragen. Het kabinet doet daarom niet alleen een beroep op de eigen verantwoordelijkheid en de beroepsethiek van bestuurders in markt- en (semi)publieke sectoren, maar neemt ook maatregelen die dat met drang en soms dwang ondersteunen.

...en maatregelen voor financiële instellingen en semi(publieke) organisaties

Het gaat hierbij om twee soorten instituties in het bijzonder. Ten eerste de financiële instellingen, ten tweede de (semi)publieke organisaties. De activiteiten van financiële instellingen moeten weer gericht zijn op het leveren van betrouwbare financiële dienstverlening aan burgers en bedrijven op basis van acceptabele en transparante risico’s, waarbij kosten van overmatig risicovol gedrag niet worden afgewenteld op de belastingbetaler. Zij zullen zich moeten richten op hun intermediaire functie, op activiteiten met een toegevoegde waarde voor de economie en hun risicobeheersingprocessen, beloningsbeleid en governance moeten verbeteren. De kabinetsvisie «Toekomst financiële sector» beschrijft stappen daar naartoe.53


Het kabinet wil bij de (semi)publieke organisaties een grotere nadruk op publieke belangen bewerkstelligen door aanscherping van regels, versterking van het toezicht en herstel van morele waarden en normen. Ook hier is het zaak de balans te vinden. Box 3.7 gaat hier nader op in.


Box 3.7: Kabinetsvisie Governance

De financiële crisis en recente incidenten bij verschillende (semi)publieke organisaties veroorzaken onrust in de samenleving en kunnen negatief uitwerken op het vertrouwen in de instituties van de sociale markteconomie. Het kabinet staat voor een samenleving waarin burgers, maatschappelijke organisaties, ondernemers en overheden in vertrouwen samen vormgeven aan de samenleving. Deze incidenten zullen daarom aanleiding moeten geven om in de verschillende sectoren de oorzaken goed te onderzoeken. De betreffende organisaties zijn allereerst zelf aan zet om orde op zaken te stellen. De doelen die worden nagestreefd in de bedoelde sectoren zijn in hun algemeenheid de kwaliteit, de betaalbaarheid en de toegankelijkheid van de dienstverlening en keuzevrijheid voor de consument. Hierbij spelen verschillende ordeningsvraagstukken over de verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden en de bijhorende toezichtarrangementen. Deze ordeningsvragen leiden tot verschillende antwoorden in verschillende sectoren.


Een belangrijke gedeelde basis voor alle (semi)publieke organisaties is het hebben van een besef van maatschappelijke verantwoordelijkheid. De bestuurders van deze organisaties dienen te luisteren, te informeren en verantwoording af te leggen aan belanghebbenden. Juist als belanghebbenden niet voor een andere instelling of dienstverlener kunnen kiezen voor een bepaalde dienst, dan moet de mogelijkheid van breed toegankelijke inspraak geboden worden en zou dit wellicht tot strengere eisen voor medezeggenschap kunnen leiden. De kaders van het wetsvoorstel inzake de rechtsvorm maatschappelijke onderneming vormen een belangrijke leidraad voor deze gedeelde basis en gedeelde visie. Hiermee kan ruimte geboden worden aan ondernemerschap en privaat kapitaal.


De visie van het kabinet op goed bestuur in (semi)publieke instellingen bevat onder meer de volgende elementen. De ordeningsvragen in sectoren worden beantwoord vanuit de overtuiging dat de ruimte voor degenen die de dienst uiteindelijk verlenen groot moet zijn, uitgaande van de professionaliteit, het ondernemerschap en de maatschappelijke verantwoordelijkheid van deze dienstverleners. Echter, geen ruimte zonder rekenschap, geen verantwoordelijkheden en bevoegdheden zonder verantwoording. Op alle niveaus in de sector zullen de verantwoordingsrelaties helder moeten zijn. De verantwoordelijkheid voor het functioneren van een organisatie ligt primair bij de instelling, en het interne toezicht is daarbij leidend. De kwaliteit van het interne toezicht is daarom primair van belang. Het externe toezicht kan bijdragen aan de juiste prikkels voor interne toezichthouders. Daarnaast heeft de externe toezichthouder een separate verantwoordelijkheid om in te grijpen indien het interne toezicht faalt en de betrokken maatschappelijke belangen daardoor in gevaar komen. De onafhankelijkheid van het externe toezicht zou wellicht versterkt kunnen worden door een Publieke Kamer in de rechtspraak in te stellen. Het kabinet is ervan overtuigd dat een strenger toezicht op beloningsvormen gewenst is, zowel intern als extern. Andere belangrijke prikkels kunnen gevormd worden door bijvoorbeeld benchmarks, visitaties of andere kwaliteitsinstrumenten. Resterende risico’s voor de borging van het publiek belang zullen door verticaal toezicht moeten worden gedekt, zodat er geen toezichtgat kan ontstaan.


We zullen de komende jaren nog veel problemen kennen. De crisis veroorzaakt veel verliezers. In 2010 bestrijden we nog steeds de crisis en proberen we de weg omhoog weer te vinden. Maar ook richten we onze blik vooruit richting Nederland 2020.

De contouren van dat Nederland kunnen nu bepaald worden. De keuzes die dan aan de orde komen, zijn moeilijk en heftig, het perspectief uitdagend en inspirerend.

52  Net zoals bij Keynes (zie voetnoot 17) kan ook bij Smith getwijfeld worden of zijn standpunten tegenwoordig evenwichtig worden weergegeven. Zijn geloof in de werking van de «onzichtbare hand» lijkt in zijn teksten veel minder groot dan tegenwoordig vaak gesuggereerd wordt. Er zijn zelfs historici die menen dat hij de term ironisch hanteerde. E. Rothschild, 1994, Adam Smith and the invisible hand. American Economic Review.

53  Visie toekomst financiële sector en voortgangsrapportage vestigingsklimaat van de Minister van Financiën, Tweede Kamer, Vergaderjaar 2008–2009, 30 107, nr. 11.