Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
Rijksbegroting Overzicht Voorbereiding Uitvoering Verantwoording
2010
  • Download PDF

4.2 Ingrepen en maatregelen economische crisis

Het kabinet heeft in maart 2009 het aanvullend beleidsakkoord (ABK) «Werken aan toekomst» gepresenteerd. In dit akkoord zijn afspraken gemaakt over actieve stimulering van de economie op de korte termijn, herstel van de overheidsfinanciën op de middellange termijn en houdbaarheid van collectieve voorzieningen op lange termijn. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de invulling van de maatregelen uit het ABK en eerder genomen maatregelen om de gevolgen van de economische crisis op te vangen.

4.2.1 Korte termijn: ondersteunen financiële sector, ondersteunen bedrijvigheid, automatische stabilisatie en gericht stimuleren in 2009 en 2010

Sinds de vorige Miljoenennota is de economische situatie snel veranderd. De wereldeconomie is in recordtempo ineengezakt. Er is sprake van een wereldwijde vraaguitval, bestedingen zijn sterk afgenomen. In een dergelijke situatie kan de overheid tegenwicht bieden door het tijdelijk stimuleren van de economie.

Eerst vertrouwen in het financiële systeem terugbrengen

Herstel financiële sector cruciaal voor economie

Bij het uitbreken van de financiële crisis was het herstel van vertrouwen in het financiële systeem een eerste prioriteit. Zonder een goed werkend financieel stelsel hapert de kredietverlening en komt herstel niet goed van de grond. Het bankwezen is namelijk langs verschillende kanalen essentieel voor elke Nederlander. Het bankwezen zorgt ervoor dat we onderlinge betalingen kunnen doen. Zonder banken geen internetbetalingen, girale overschrijvingen of pinautomaten. Vrijwel alle Nederlanders hebben een directe of indirecte aanspraak op banken: als banken failliet gaan verliezen spaarders hun geld. Ook zullen pensioenfondsen grote verliezen lijden, wat een lager pensioen of hogere premies betekent. Daarnaast zijn veel Nederlanders afhankelijk van het bankwezen voor een krediet. Zonder bankwezen kunnen alleen mensen die al veel geld hebben een huis kopen of een bedrijf beginnen. De werkgelegenheid van mensen ver buiten de financiële sector is ook sterk afhankelijk van de gezondheid van de financiële sector: als spaargeld verdwijnt en lenen niet meer mogelijk is, zullen burgers minder consumeren en bedrijven minder investeren. Het is dus essentieel dat de financiële sector gezond blijft. Het kabinet heeft het afgelopen jaar dan ook flink ingegrepen in de Nederlandse financiële sector. Mede hierdoor is de kredietverlening aan burgers en bedrijven op gang gehouden, zijn spaargelden veiliggesteld en is het betalingsverkeer blijven werken. Het kabinet heeft hierbij gebruikgemaakt van verschillende instrumenten zoals garanties, leningen, kapitaalinjecties en aandelenovernames, waaronder de aankoop van ABN-AMRO/Fortis. Een actueel overzicht van de financiële gevolgen van de interventies in de financiële sector is te vinden in paragraaf 4.3.

Verlenen garantstellingen en ondersteunen liquiditeitspositie bedrijven

In de tweede instantie heeft het kabinet het bedrijfsleven ondersteund. Voorbeelden van maatregelen die zijn genomen zijn de uitbreiding van de exportkredietverzekering, uitbreiding van kredietborgstelling voor het midden- en kleinbedrijf (BBMKB) en invoering van de Garantie Ondernemingsfinanciering (GO). Met deze regelingen kunnen bedrijven, dankzij een overheidsgarantie, goederen exporteren of een krediet krijgen voor nieuwe investeringen. Daarnaast heeft het kabinet in de eerste fase van de kredietcrisis besloten dat ondernemers tijdelijk investeringen die in 2009 plaatsvinden, vervroegd mogen afschrijven. Hierdoor is de liquiditeitspositie van bedrijven versterkt.

Automatische stabilisatie

Begroting ademt mee met conjunctuur

Het kabinet heeft er voor gekozen om voor de korte termijn het trendmatige begrotingsbeleid zijn werk te laten doen. Dit houdt in dat de begroting mee-ademt met de conjunctuur. In economische termen wordt dan gesteld dat de automatische stabilisatoren volop werken. Met automatische stabilisatie wordt bijvoorbeeld bedoeld dat conjuncturele tegenvallers op de begroting geen reden zijn voor lastenverzwaringen of bezuinigingen op de uitgaven. Zo wordt voorkomen dat de economische neergang wordt versterkt door het begrotingsbeleid.

Automatische stabilisatie versterkt

De werking van de automatische stabilisatoren is door het kabinet versterkt door niet te bezuinigen voor het saldo van tegenvallers in werkloosheidsuitgaven en de ruilvoet. Mede hierdoor krijgt de economie een impuls van ruim 60 miljard euro. Hiervoor heeft het kabinet de begrotingsregels aangepast: voor de rest van deze kabinetsperiode worden de uitgavenkaders gecorrigeerd voor de werkloosheidsuitgaven en voor de veranderingen in de ruilvoet. Achtergrond hiervan is dat de huidige economische ontwikkeling voor verschillende bewegingen zorgt. Deze bewegingen werken -met enige vertraging- tegen elkaar in. Enerzijds zijn er hogere werkloosheidsuitgaven terwijl er anderzijds lagere loon- en prijsontwikkelingen zijn dan vooraf was gedacht. In het eerste geval is op korte termijn sprake van druk op de uitgavenkaders. In het tweede geval is er juist in latere jaren ruimte binnen de uitgavenkaders. Als de uitgavenkaders alleen worden gecorrigeerd voor de hogere werkloosheidsuitgaven, ontstaat de situatie dat hogere uitgaven als gevolg van conjuncturele neergang wel worden toegestaan en mogelijk lagere uitgaven gebruikt kunnen worden voor nieuwe uitgaven. Dit heeft het kabinet voorkomen.

Gericht stimuleren in 2009 en 2010

In reactie op de financieel-economische crisis heeft het kabinet, naast de impuls van zo’n 60 miljard euro door de werking van de automatische stabilisatoren en het waarborgen van de stabiliteit van de financiële sector, maatregelen genomen om de economie te stimuleren in de jaren 2009 en 2010. Met deze maatregelen is ook invulling gegeven aan de Europese ambitie om tijdig, tijdelijk en trefzeker de economie te stimuleren. De kabinetsaanpak is gericht op drie onderling samenhangende- doelen.

1. Verkleinen maatschappelijke effecten van de crisis

Herstel en behoud van werkgelegenheid

In de eerste plaats zijn er maatregelen genomen om de maatschappelijke effecten van de crisis voor individuele burgers te verkleinen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het herstel en behoud van werkgelegenheid. Zo worden jongeren aangespoord om in het mbo door te leren en worden jongeren gestimuleerd een studierichting te kiezen die betere kansen op de arbeidsmarkt biedt. De deeltijd-WW biedt werkgevers de mogelijkheid werknemers in wie veel geïnvesteerd is te behouden in plaats van ze te moeten ontslaan.

Verantwoorde loonkosten ontwikkeling

Hierdoor wordt voorkomen dat kennis verloren gaat en kan het bedrijf snel weer op het normale niveau produceren zodra de economie aantrekt. Verder hebben het kabinet en sociale partners een sociaal akkoord gesloten waarin zij zich committeren aan een beleidsinzet die gericht is op het tegengaan van (langdurige) werkloosheid en op het bevorderen van een verantwoorde loonkostenontwikkeling. Om de aansluiting tussen vraag en aanbod van arbeid te verbeteren heeft het kabinet bovendien een dekkend stelsel van mobiliteitscentra gecreëerd. Ook introduceert het kabinet een omscholingsbonus voor met ontslag bedreigde werknemers om de inzetbaarheid van werknemers te vergroten. Daarnaast stimuleert het kabinet onderwijs en innovatie, bijvoorbeeld door middel van extra geld voor versterking van het onderwijs, voor stageplaatsen en voor projecten voor kenniswerkers. Deze maatregelen voorkomen dat mensen een grotere afstand krijgen tot de arbeidsmarkt. Tot slot stelt het kabinet ook geld beschikbaar voor de schuldhulpverlening.

2. Stimuleren bedrijvigheid en voorkomen van vraaguitval

Investeringen verhogen en versnellen

In de tweede plaats is de kabinetsaanpak gericht op het in stand houden van bedrijvigheid op de korte termijn. Hieraan is op verschillende manieren invulling gegeven. Door investeringen in infrastructuur en (woning)bouw te verhogen én te versnellen, wordt vraaguitval in bepaalde kwetsbare sectoren voorkomen. Hierdoor wordt werkgelegenheid gecreëerd en waar mogelijk duurzaamheid bevorderd. Het kabinet stelt extra geld beschikbaar voor de restauratie van monumenten, onderhoud en bouw van (jeugd)zorginstellingen, woningen en scholen, en voor de aanleg en onderhoud van vaarwegen, sluizen, bruggen, wegen en kustversterking. Via de fiscaliteit is bovendien het btw-tarief verlaagd voor het isoleren van woningen.


De Nationale Hypotheekgarantie (NHG) is per juli 2009 tijdelijk verhoogd van 265 duizend euro naar 350 duizend euro. Het kabinet wil daarmee de effecten van de kredietcrisis op de woningmarkt tegengaan. Het kabinet verwacht dat, door de verhoging van de NHG, banken eerder bereid zullen zijn een lening te verstrekken, omdat het rijk garant staat voor de eventuele restschuld. Meer mensen zouden daardoor een (ander) huis kunnen gaan kopen. De verhoging blijft van kracht tot 1 januari 2011.

Regeldruk merkbaar verminderen

Ook heeft het kabinet een ambitieuze agenda om de regeldruk voor ondernemers merkbaar te verminderen. Het kabinet neemt daartoe een aantal aanvullende maatregelen om bedrijven meer ruimte te geven om te ondernemen. De maatregelen hebben betrekking op de arbeidsmarkt, op bouwactiviteiten en inrichting van de ruimte en – tenslotte- op verdere doorvoering van een high trust-benadering.

3. Naar een duurzamere en innovatievere economie

Sterker en duurzamer uit de crisis

In de derde plaats is de kabinetsaanpak gericht op het stimuleren van een duurzamere economie. Door nu gerichte investeringen te doen in duurzaamheid en innovatie, kan Nederland straks sterker uit de crisis komen. Om dit te bereiken is geld beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van de elektrische auto, voor de sloopregeling voor oude, vervuilende auto’s en voor de stimulering van duurzame energie en duurzaam ondernemen. Via het Fonds Economische Structuurversterking (FES) wordt geïnvesteerd in duurzame ruimtelijke ontwikkeling in de jaren 2009 en 2010. Binnen het domein milieu en duurzaamheid gaat het onder andere om het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Op het gebied van ruimtelijke ordening wordt onder meer geld beschikbaar gesteld voor het programma Sleutelprojecten voor de vernieuwing van stationsgebieden. Via de fiscaliteit is geld beschikbaar gesteld voor de Energie Investeringsaftrek en de VAMIL/MIA, dit zijn fiscale regelingen voor ondernemers die investeren in milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen.


Het kabinet pakt het energie- en klimaatvraagstuk verder aan door juist nu stevig in te zetten op duurzame investeringen. Het kabinet heeft daarom de doelstelling voor «wind op zee» in deze kabinetsperiode verhoogd. De investering loopt op tot 160 miljoen euro vanaf 2014. Bovenop de al geplande 450 megawatt kan in deze kabinetsperiode nu 950 megawatt energie opgewekt worden via windmolens op zee.


De regeling Stimulering van Duurzame Energieproductie (SDE) wordt ruimer en robuuster gefinancierd uit een opslag op het elektriciteitstarief. Zo wordt langjarige zekerheid gegeven over de beschikbaarheid van voldoende middelen om de ambitie van 20 procent duurzame energie in 2020 te realiseren. Voor het einde van 2009 wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de vormgeving van de nieuwe financieringswijze en de consequenties daarvan. De koopkrachteffecten en de budgettaire beheersbaarheid worden bij de uiteindelijke vormgeving van de regeling meegewogen. Het huidige sturingsmechanisme van de SDE blijft daarbij gehandhaafd: budgettering door middel van plafonds en het handhaven van het gesloten einde karakter. De vrijvallende middelen op de begroting van Economische Zaken worden aangewend voor lastenverlichting.


Ook heeft het kabinet extra middelen beschikbaar gesteld voor verduurzaming in de agrarische sector. Hiermee wordt onder andere de ontwikkeling van en investering in duurzame stallen versneld en de investeringsregeling «Luchtwassers voor de veehouderij» opgehoogd.


Om de R&D-capaciteit van het Nederlandse bedrijfsleven op peil te houden, kunnen bedrijven gebruik maken van een extra aftrek op loonkosten van onderzoekers via de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Bedrijfs-R&D op het gebied van high-tech systems wordt extra ondersteund en onderzoekers kunnen tijdelijk worden gedetacheerd bij kennisinstellingen.

Medeoverheden dragen steentje bij

Gemeenten, provincies en waterschappen hebben, in aanvulling op de plannen van het kabinet, eigen plannen ontwikkeld ter stimulering van de economie; naar schatting zullen gemeenten en provincies in 2009 en 2010 voor circa 1,5 miljard euro aan investeringen naar voren halen. Het gaat daarbij vooral om energiemaatregelen, innovatietrajecten en investeringen in infrastructuur en duurzaamheid.

Maatregelen zijn substantieel

In totaal bedraagt de uitgavenimpuls ruim 2,9 miljard euro in 2009 en 4,2 miljard euro in 2010. Tabel 4.4 geeft een overzicht van alle stimuleringsmaatregelen die het kabinet heeft genomen. Het kabinet is goed op stoom met de uitvoering van het stimuleringspakket.

Tabel 4.4 Stimuleringsmaatregelen + = intensivering € mln.
  2009 2010 20111
a. Behoud en herstel werkgelegenheid 669 905 754
Arbeidsmarkt(deeltijd-WW, mobiliteitscentra e.a.) 230 200 270
Aanpak jeugdwerkloosheid 100 120 30
Schuldhulpverlening 30 50 50
Stimulering mbo (versterking onderwijs, stageplekken) 100 150  
Hightech topprojecten en kenniswerkers 90 190  
Verlenging aflopende innovatieprogramma’s FES   96 404
Snelle uitvoering FES-projecten innovatie 119 99  
b. Liquiditeitsverruiming bedrijfsleven 678 549 149
Kredietverleningaan en verruiming van de liquiditeit van bedrijven      
 
Versoepeling verliesverrekening 2008 335 – 120 – 215
Verruimen afdrachtvermindering WBSO 135 150 15
Enveloppe mkb   53 23
Schiphol/luchtvaart/vliegtax 70 277 277
VAMIL/MIA 21 30 9
Energie Investeringsaftrek (EIA) 117 146 15
Verlaagd btw-tarief isolatie   13 25
c. Infrastructuur en (woning)bouw 610 1 161 – 568
Gericht tegengaan van vraaguitval      
 
Versnelling BLS en restauratie monumenten 175 220 – 150
Kustversterking (waaronder Zandsuppleties) 80 50 – 30
Onderhoud en bouw jeugdzorginstellingen 35 45  
Onderhoud en bouw zorg- en AWBZ-instellingen   320 – 50
Onderhoud en bouw scholen 36 129  
Vaarwegen, sluizen en binnenhavens 75 125 – 125
Versnelling bruggen en renovatie wegen 75 138 – 213
Snelle uitvoering FES-projecten Infra 134 134  
d. Duurzame economie 446 478 73
Sterker en duurzamer uit de crisis      
 
Duurzame agrarische sector 30 20  
Elektrische auto 5 15  
Sloopregeling auto’s 35 30  
Energiebesparing woningen (dubbel glas) 10 20  
Ruimtelijke economie (motie Van Geel) 60 55 50
Snelle uitvoering FES-projecten Ruimtelijk Economisch Beleid 190 190  
Snelle uitvoering FES-projecten Milieu en Duurzaamheid 91 128 13
Duurzame energie (SDE)   15  
Duurzaam ondernemen (incl. programma milieu en technologie) 25 5 10
e. Invulling FES-projecten 29 90 265
waarvan nog gereserveerd op de Aanvullende Post 145 357 6
 
Subtotaal stimuleringspakket rijksoverheid 2 432 3 183 673
f. Eigen stimuleringen door gemeenten en provincies 500 1 000  
Subtotaal stimuleringspakket 2 932 4 183 673
       
g. Werkloosheidsuitgaven(WW en WWB) 1 603 4 554 5 016
h. Garanties      
Garantie ondernemersfinanciering (plafond 1,5 miljard euro)      
Uitbreiding Exportkredietverzekering (EKV)      
Verhoging borgingsgrens WSW      
Verhoging NHG      
Verruiming BBMKB      

1 Bedragen genoemd in 2011 zijn soms gespreid over meerdere jaren

4.2.2 Middellange termijn: werken aan solide overheidsfinanciën vanaf 2011

Herstel van gezonde overheidsfinanciën

De aanpak van de crisis op de korte termijn is noodzakelijk en verantwoord. Wel impliceert de gekozen kortetermijnaanpak een forse agenda voor de middellange en lange termijn voor het weer op orde brengen van de overheidsfinanciën. Om herstel van gezonde overheidsfinanciën op termijn te garanderen zijn aanvullende acties nodig. Ook de Europese afspraken die gelden voor het EMU-saldo en de EMU-schuld vragen om een forse inspanning op het gebied van herstel van de overheidsfinanciën.

Europese afspraken

Stabiliteits- en Groeipact

Het Stabiliteits- en Groeipact (SGP) vormt voor de Europese Unie het kader om houdbare overheidsfinanciën te bewaken. De lidstaten die met hun tekort de 3 procent grens overschrijden, komen in de regel in een zogenoemde buitensporigtekortprocedure terecht. Verschillende lidstaten zitten momenteel in een dergelijke procedure. Ook Nederland komt dit najaar in een buitensporigtekortprocedure, omdat in 2009 de tekortnorm van -3 procent wordt overschreden. Dit betekent dat de Raad Economische en Financiële Zaken (Ecofin) in het najaar van 2009 op advies van de Europese Commissie een buitensporigtekortprocedure opstart voor Nederland, waarbij een aanbeveling wordt gedaan over het tempo waarin het EMU-saldo weer binnen de grens van -3 procent bbp moet worden gebracht. De jaarlijkse verbetering van het structurele saldo die lidstaten dienen te realiseren is afhankelijk van de gestelde deadline, met een minimum van 0,5 procent bbp.


Het SGP laat enige ruimte voor de precieze deadline. Het SGP schrijft voor dat het buitensporige tekort een jaar na de identificatie ervan weer dient te zijn gecorrigeerd. Het SGP biedt de nodige flexibiliteit, die gedurende de economische crisis ook is benut. Zo kunnen bijzondere omstandigheden, zoals een krimpende economie, een reden vormen voor uitstel van de deadline met een jaar. De afgelopen tijd hebben individuele lidstaten die al in een buitensporigtekortprocedure zitten verschillende deadlines gekregen, die – gelet op de economische omstandigheden en met oog voor de landenspecifieke situatie – verder weg liggen dan een jaar.

Wet tekortreductie Rijk en medeoverheden

Het kabinet heeft afgesproken dat in 2011, als sprake is van economisch herstel, het ook een begin maakt met het herstel van gezonde overheidsfinanciën en een verbetering van het structurele saldo van tenminste 0,5 procentpunt per jaar. De afspraak met betrekking tot de jaarlijkse verbetering van het structurele saldo wordt door het kabinet wettelijk vastgelegd in de Wet tekortreductie Rijk en medeoverheden. De wet voorziet ook in de normering van het EMU-saldo van gemeenten, provincies en waterschappen. Er wordt een brief aan de Kamer verzonden waarin de grote lijnen van het wetsvoorstel en het te vervolgen tijdpad worden toegelicht.

Start met consolidatie in 2011

Voor het jaar 2011 heeft het kabinet al een begin gemaakt met de consolidatie van de overheidsfinanciën. In de Voorjaarsnota is een bedrag van 1,8 miljard euro ingevuld met bezuinigingen, zie tabel 4.5 voor de exacte invulling. In de departementale begrotingen worden de maatregelen ter invulling van de taakstelling nader toegelicht.

Tabel 4.5 Overzicht maatregelen tekortreductie (in miljarden euro)
  2011
Organisatie openbaar bestuur/Rijksdienst  
Aanvullende bestuurlijke afspraken overheden d.d. 15 april 2009 0,65
Herijking financiële verhouding tussen Rijk en provincies 0,30
Doelmatiger en rationeler waterbeheer 0,10
Versobering bedrijfsvoering 0,07
Arbeidsproductiviteitkorting (excl. Hoge Colleges van Staat, krijgsmacht, onderwijs, politie en zorg)1 0,07
Extrapolatie vacatureruimte defensie 0,02
Herprioritering diverse begrotingen  
Infrastructuurfonds 0,12
Diverse maatregelen Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 0,10
Extensivering terrorismebestrijding (excl. Defensie) 0,02
Internationaal beleid (Non-ODA budget) 0,01
Diversen 0,13
Overig  
Korting prijsbijstelling tranche 2011 (excl. Justitie, BZK, OCW en Infrastructuurfonds) 0,10
Inhouden enveloppen Coalitieakkoord (tranche 2011) 0,11
Totaal beschikbaar voor tekortreductie 2011 1,80

1 Vanaf 2012. De opbrengst 2011 wordt gerealiseerd door inhouding van een deel van de nog vrij aanwendbare investeringsgelden Vernieuwing Rijksdienst (de middelen voor sociaal flankerend beleid en de investeringsgelden waarover reeds besluitvorming heeft plaatsgevonden, blijven beschikbaar.


Daarnaast is in het ABK een verwachte besparing opgenomen van 3,2 miljard euro als gevolg van de doorwerking van een akkoord van sociale partners op lonen en uitkeringen in de collectieve sectoren. Dit vanuit de gedachte van solidariteit van de collectieve sector met de marktsector, met mensen die hun baan hebben verloren of dreigen te verliezen en met gepensioneerden. De veronderstelde besparing van 3,2 miljard euro is gebaseerd op een «nominale nullijn» voor nieuwe CAO’s en het ongemoeid laten van bestaande CAO’s. Met het oog op deze solidariteit heeft het kabinet er voldoende vertrouwen in dat sociale partners zullen komen tot een loonvraag die zal leiden tot een contractloonstijging naderend tot nul. Als de lonen in de markt niet of minder worden gematigd dan verondersteld, komt de besparing lager uit. In het aanvullend beleidsakkoord is afgesproken dat het kabinet in dat geval, mede in zijn rol als overheidswerkgever, op enigerlei wijze vanuit de collectieve sector zal bijdragen aan solidariteit met de marktsector, met mensen die hun baan hebben verloren (of dreigen te verliezen) en met gepensioneerden. Als de huidige loonontwikkeling doorzet dan zal de besparing van 3,2 miljard euro niet (volledig) gerealiseerd worden. Het kabinet houdt op dit moment de loonontwikkeling nauwlettend in de gaten. In het najaar wordt de loonvraag vanuit de vakbonden definitief vastgesteld. Als de huidige loonontwikkeling zich voortzet zal het kabinet bezien welke maatregelen noodzakelijk zijn.


De maatregelen om het tekort terug te dringen verbeteren de houdbaarheid van de overheidsfinanciën met 0,5 procent bbp.

Wat als de recessie langer aanhoudt?

Voor 2011 is, afhankelijk van de hoogte van de economische groei, een aantal scenario’s opgesteld voor de overheidsfinanciën. In alle scenario’s gaan de in tabel 4.5 genoemde maatregelen in. Wanneer in 2011 de economische groei 0,5 procent of hoger is, wordt het tijdelijke stimuleringspakket 2010 niet naar 2011 doorgetrokken. De 1,8 miljard euro bezuiniging wordt dan gebruikt voor saldo- en schuldreductie. Als in 2011 de groei tussen -0,5 procent en 0,5 procent ligt, dan wordt de opbrengst van de maatregelen in tabel 4.5 gebruikt voor een tijdelijk stimuleringspakket van dezelfde omvang (1,8 miljard euro). Als in 2011 sprake is van een krimp groter dan 0,5 procent trekt het kabinet het tijdelijke stimuleringspakket van 3 miljard euro in 2010 door naar 2011.

Weegmoment

Onderdeel van de dekking van dit stimuleringspakket is de opbrengst van de maatregelen in tabel 4.5. In het Aanvullend Beleidsakkoord is een weegmoment opgenomen in het voorjaar van 2010. Tijdens dit weegmoment wordt op basis van de (macro-economische) groeiraming uit het Centraal Economisch Plan 2010 van het CPB bepaald welke van de drie hiervoor geschetste scenario’s gevolgd wordt.


Box 4.4: Wie voelt de krimp?

Een krimp van 4 ¾ procent betekent dat we in Nederland 4 ¾ procent minder aan goederen en diensten produceren. Dat betekent nog niet dat de gemiddelde Nederlander ook 4 ¾ procent minder kan kopen. De statische koopkracht (de verandering in de koopkracht van mensen wanneer er in hun situatie niets verandert) van de burgers neemt over 2009–2010 bezien zelfs nog toe met 1,5 procent. Wel loopt de werkgelegenheid sterk terug en als gevolg daarvan de werkloosheid op. Uit figuur 4.6 wordt duidelijk dat de daling van het nationaal inkomen eerst neerslaat bij bedrijven (2008 tot 2009), vervolgens bij de overheid (vanaf 2009) en pas later bij Nederlandse huishoudens (vanaf 2010). In 2010 loopt de werkloosheid op, maar de bedrijfsfinanciën herstellen zich juist. Op lange termijn is het nodig dat de overheidsfinanciën weer op orde worden gebracht.


Figuur 4.6 Verdeling groei nationaal inkomen naar gezinnen, bedrijven en overheid1

1 Ontleend aan CPB, Macro-economische verkenning 2010.

Brede heroverwegingen: naar opties voor gezonde overheidsfinanciën

Fundamentele beleidskeuzes

De komende jaren zijn lastige keuzes onvermijdelijk om de balans tussen uitgaven en inkomsten te herstellen en tegelijk de ambities met Nederland te kunnen realiseren. Om zulke meer fundamentele beleidskeuzes mogelijk te maken, is meer inzicht nodig in mogelijke opties en de budgettaire en andere gevolgen daarvan. Om dat inzicht te krijgen, start het kabinet in het kader van Nederland 2020 een serie van brede heroverwegingen.


Daarin geeft het kabinet werkgroepen van ambtenaren, waar relevant aangevuld met externe deskundigen, de opdracht tot het analyseren van diverse beleidthema’s, en tot het ontwikkelen van beleidsalternatieven voor de toekomst. Doel van de brede heroverwegingen is om onderbouwde keuzes mogelijk te maken door inzicht te verschaffen in besparingsopties en mogelijke gevolgen, zonder oordeel over de wenselijkheid. Daarbij komt een breed palet van beleidsthema’s aan de orde. De brede heroverwegingen moeten leiden tot een ruim aanbod van besparingsmogelijkheden zodat de politiek later kan kiezen. De operatie heeft een fundamenteel karakter. Om creatieve en kritische benaderingen te bevorderen dient voor elk beleidsveld ten minste één verplichte variant te worden ontwikkeld met een structurele omvang van 20 procent van de netto uitgaven (inclusief fiscale subsidies) in 2010. Werkgroepleden kunnen ideeën voor beleidsvarianten bijvoorbeeld ontlenen aan wetenschappelijke literatuur, buitenlandse ervaringen, denktanks, en aan politici, beleidsmakers en het publieke debat. Geen van de deelnemers heeft een vetorecht met betrekking tot beleidsvarianten die door andere deelnemers worden voorgesteld.


Bijlage 6 van deze Miljoenennota bevat een overzicht van de beleidsthema’s die het kabinet heeft geselecteerd. De selectie van thema’s is zodanig dat de te ontwikkelen besparingsvarianten een dusdanig besparingspotentieel bieden, dat er voldoende keuzemogelijkheden zijn om tot een substantiële bijdrage aan het herstel van de overheidsfinanciën te komen.


De operatie start in oktober 2009 en wordt in het tweede kwartaal van 2010 afgerond. Dit schept ruimte de resultaten waar mogelijk te betrekken bij de voorbereiding van de Miljoenennota 2011. Tijdens het onderzoek is geen sprake van politieke interventies, anders dan om te bevorderen dat aan de taakopdracht wordt voldaan en dat een voldoende breed spectrum van mogelijkheden onder de loep wordt genomen.


Afgesproken is dat bij voldoende economische groei, in 2011 wordt gestart met herstel van gezonde overheidsfinanciën. Dit kabinet zal de resultaten van deze exercitie waar mogelijk betrekken bij de voorbereiding van de begrotingen voor 2011 en 2012. Het totale keuzepalet voor het in balans brengen van inkomsten en uitgaven voor dit kabinet en voor volgende kabinetten zal, naast de uitkomsten van de brede heroverwegingen, bestaan uit generieke taakstellingen en lastenmaatregelen. Inzicht in de mogelijkheden om de overheidsinkomsten te vergroten via lastenmaatregelen is beschikbaar in het rapport van de Werkgroep Gerritse56. In dit rapport zijn de budgettaire effecten van generieke aanpassingen van belastingtarieven en -uitgaven weergegeven.


Met betrekking tot de collectieve lasten zal er tegelijkertijd een separaat onderzoek naar de inrichting van het belastingstelsel starten met als uitgangspunt dat ook naar de toekomst toe een stabiele belastingopbrengst met een zo klein mogelijke verstoring van de economie, en een zo rechtvaardig mogelijke lastenverdeling gerealiseerd kan worden.

4.2.3 Lange termijn houdbare overheidsfinanciën

Overheidsfinanciën structureel verslechterd

Houdbare overheidsfinanciën betekenen dat de huidige publieke voorzieningen zoals sociale zekerheid, onderwijs, infrastructuur en ook defensie op peil kunnen worden gehouden zonder dat in de toekomst de belastingen moeten worden verhoogd. Onder andere door het teruglopen van inkomsten uit aardgas ontstaat een houdbaarheidsprobleem. Ook de uitgaven aan de oudedagsvoorzieningen, zoals de zorg en de AOW, zullen de komende decennia oplopen als gevolg van de vergrijzing. De economische crisis maakt het houdbaarheidsprobleem voor de overheidsfinanciën groter omdat de overheidsfinanciën structureel zijn verslechterd. Het kabinet staat voor de uitdaging om enerzijds er voor te zorgen dat burgers er vertrouwen in kunnen hebben dat belangrijke collectieve voorzieningen ook over een langere periode kwalitatief hoogwaardig en goed toegankelijk zijn en anderzijds dat deze voorzieningen dusdanig zijn vormgegeven dat ze ook betaalbaar blijven.


Het kabinet heeft, met het oog op bovenstaande en in het verlengde van de consolidatie van de overheidsfinanciën vanaf 2011, in het aanvullend beleidsakkoord een houdbaarheidspakket gepresenteerd. De elementen van dit pakket en de houdbaarheidsopbrengst van deze maatregelen zijn terug te vinden in tabel 4.6. Alle houdbaarheidsvoorstellen zullen voor het eind van 2009 in wetsvoorstellen worden opgenomen.

Tabel 4.6 Houdbaarheid overheidsfinanciën opbrengst in % bbp
AOW-leeftijd naar 67 jaar, rekening houdend met z.b. zware beroepen. 0,7%
Maatregelen in de zorg 0,4%
Grens EWF 1 miljoen niet indexeren 0,2%

Verhoging AOW leeftijd

Het kabinet heeft in het ABK het voornemen geuit de AOW-gerechtigde leeftijd te verhogen van 65 naar 67 jaar, rekening houdend met zware beroepen. Achtergrond hiervan is voor het kabinet de bijdrage die deze maatregel heeft op de houdbaarheid van de overheidsfinanciën (0,7 procent bbp) en van de aanvullende pensioenen, de verhoging van de arbeidsparticipatie en de verlaging van de collectieve uitgaven. Desondanks wil het kabinet de SER in de gelegenheid stellen om voor 1 oktober 2009 in een advies een alternatief aan te reiken. Bij de definitieve besluitvorming door het kabinet zal dit SER-advies een zwaarwegende rol spelen.

Houdbaarheid zorg

De curatieve zorg draagt bij aan de vergroting van de houdbaarheid van de collectieve uitgaven met structureel 0,4 procent bbp. Hiervan dient tenminste 0,2 procent ingevuld te worden in de zorgtoeslag. Voor het restant worden maatregelen in de curatieve zorg genomen.


De maatregel bij de zorgtoeslag zal erop gericht zijn om met geleidelijke aanpassingen de groei die zich in deze regeling zonder wijzigingen voordoet, op koopkrachtevenwichtige wijze, te beperken.


Het pakket van maatregelen in de curatieve zorg, zoals verwoord in de begroting van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, dient ertoe de efficiencyprikkels die liggen besloten in het stelsel van de gezondheidszorg te versterken.

Eigenwoningforfait

In het ABK is aangekondigd dat de grens van 1 miljoen euro voor de bepaling van het percentage EWF niet meer wordt geïndexeerd, zodat meer huiseigenaren naar het hogere EWF zullen toegroeien. De maatregel van het niet indexeren van de 1 miljoen euro grens is genomen omdat hiermee wordt bereikt dat hogere inkomens c.q. meer-vermogenden bijdragen aan de lange termijn houdbaarheid van de collectieve voorzieningen.

56  Kamerstukken 2008–2009, 31 070, nr. 24.