Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
Rijksbegroting Overzicht Voorbereiding Uitvoering Verantwoording
2010
  • Download PDF

4.5 Begrotingsbeleid

De macro-economische veronderstellingen die zijn gehanteerd voor het opstellen van deze Miljoenennota zijn opgenomen in tabel 4.10.

Tabel 4.10 Macro-economische veronderstellingen
  2008 2009 2010
Volume bbp 2% – 4¾% 0%
Consumenten Prijsindex (CPI) 2½% 1% 1%
Contractloon 3½% 3% 1½%
Werkloosheid 4% 5¼% 8%
Lange rente 4¼% 3¾% 4%
Eurokoers ($) 1,47 1,37 1,40
Olieprijs 97 58 65

4.5.1 Kadertoetsing uitgaven

In het Nederlandse begrotingsbeleid wordt, bij de start van een kabinetsperiode, een uitgavenkader vastgesteld. Het uitgavenkader bevat de maximale uitgaven die jaarlijks gedurende de kabinetsperiode worden gedaan. Het totaalkader wordt onderverdeeld in drie deelkaders: het kader Rijksbegroting in enge zin (RBG-eng), het kader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt (SZA) en het Budgettair Kader Zorg (BKZ). In tabel 4.11 zijn de uitgavenkaders opgenomen die voor deze kabinetsperiode gelden. De uitgavenkaders zijn sinds de Miljoenennota 2009 gecorrigeerd voor de mutaties in de werkloosheidsuitgaven en de ruilvoetontwikkeling. Daarnaast is het stimuleringspakket buiten de kaders geplaatst (zie paragraaf 4.2.1).

Tabel 4.11 Kadertoetsing (in € miljard)
  2009 2010 2011
Stand Miljoenennota 2009 0,0 0,0 0,0
Stand Miljoenennota 2010 0,0 0,0 – 1,8
       
Rijksbegroting in enge zin MN 2009 0,5 0,4 0,0
Rijksbegroting in enge zin MN 2010 0,1 0,6 – 1,3
       
Sociale Zekerheid en Arbeidsmarktbeleid MN 2009 – 0,2 0,0 0,0
Sociale Zekerheid en Arbeidsmarktbeleid MN 2010 – 0,4 0,0 – 0,2
       
Budgettair Kader Zorg MN 2009 – 0,3 – 0,4 0,0
Budgettair Kader ZorgMN 2010 0,3 – 0,7 – 0,3
       
Werkloosheidsuitgaven (1,6) (4,5) (5,0)
Ruilvoet (1,8) (– 1,1) (– 3,6)
Stimuleringspakket (2,4) (3,2) (0,7)

De ontwikkeling in de uitgaven onder de drie uitgavenkaders sinds de vorige Miljoenennota wordt hieronder uitgesplitst en nader toegelicht.

Uitgavenkader Rijksbegroting

Tabel 4.12 Kadertoetsing RBG-eng (+ = tegenvaller, miljarden euro)
  2009 2010 2011
Stand kadertoetsing Miljoenennota 2009 0,5 0,4 0,0
Internationale samenwerking – 0,5 – 0,3 – 0,3
RenteCentraal Kasbeheer – 0,2 0,0 0,0
Accressystematiek Gemeentefonds/Provinciefonds – 0,1 – 0,1 – 0,1
Dividend DNB en staatsdeelnemingen 0,1 0,8 1,0
Heffings- en invorderingsrente 0,1 0,1 0,2
Asiel 0,2 0,1 0,0
Maatregelen tekortreductie2011 0,0 0,0 – 0,8
Bestuursakkoord medeoverheden 0,0 – 0,4 – 0,6
Herziening financiële verhouding provincies 0,0 0,0 – 0,3
Onderwijs – 0,2 – 0,1 – 0,2
Jeugden Gezin 0,1 – 0,1 – 0,1
Griepvaccinaties 0,3 0,0 0,0
TBU/TSZ 0,1 0,0 – 0,1
Diversen uitvoeringsbeeld (o.a. kasschuiven) – 0,3 0,2 0,0
Stand kadertoetsing MN 2010 0,1 0,6 – 1,3

* De som der delen kan afwijken van het totaal


In het kader RBG-eng hebben zich gedurende het jaar verschillende mutaties voorgedaan. De uitgaven aan internationale samenwerking komen lager uit. De uitgaven aan ontwikkelingssamenwerking zijn 0,8 procent van het bruto nationaal product (bnp). Omdat het bnp daalt als gevolg van de economische crisis, dalen de uitgaven aan ontwikkelingssamenwerking. De EU-afdrachten laten een tegenovergesteld beeld zien. De EU-afdrachten stijgen vooral als gevolg van het feit dat de Nederlandse economie minder hard krimpt dan in de overige EU-lidstaten.

De rente-uitgaven van het Centraal Kasbeheer in 2009 vallen mee, door een zeer lage korte rentestand.


De groei van het Gemeente- en Provinciefonds (het accres) wordt normaliter bepaald aan de hand van de zogenoemde normeringsystematiek. Bij de bestuurlijke afspraken van het afgelopen voorjaar is deze systematiek tijdelijk buiten werking gesteld. Over 2008 was deze systematiek nog wel van kracht. Onderdeel van de normeringsystematiek is de nacalculatie gebaseerd op de realisatie van de netto gecorrigeerde rijksuitgaven. Deze nacalculatie over 2008 leidt tot een neerwaartse aanpassing voor latere jaren.


De winstraming van De Nederlandsche Bank (DNB) en de meerjarige raming van de dividenden uit staatsdeelnemingen zijn fors naar beneden bijgesteld als gevolg van de financiële crisis.


Bij het Belastingplan 2005 is bepaald dat de heffingsrente voor de belastingaanslagen inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting wordt berekend vanaf de dag volgend op het midden van het tijdvak waarop de belastingaanslag betrekking heeft. Voor de inkomstenbelasting, en vaak ook voor de vennootschapsbelasting, komt dat er feitelijk op neer dat heffingsrente wordt berekend vanaf 1 juli van het belastingjaar. In de loop der jaren is gebleken dat deze wijziging heeft geleid tot tegenstrijdigheden in het heffingsrentesysteem. Deze pakken in het nadeel uit van de belastingplichtige. Om hieraan een einde te maken, wordt voorgesteld terug te keren naar het vóór 1 januari 2005 geldende systeem waarbij rente werd berekend vanaf de eerste dag na het einde van het belastingjaar. Dit leidt tot lagere ontvangsten aan heffingsrente.


Als gevolg van toenemende onrust in de wereld is de asielinstroom in Nederland toegenomen. Dit leidt tot hogere uitgaven aan asiel.


Voor het jaar 2011 heeft het kabinet al een begin gemaakt met de consolidatie van de overheidsfinanciën voor een bedrag van 1,8 miljard euro. Een deel van deze maatregelen valt in de kaders BKZ en SZA. In tabel 4.5 is de exacte invulling van het totaal van de bezuinigingen te vinden.


In overleg met vertegenwoordigers van gemeenten, provincies en waterschappen is een samenhangend pakket afspraken gemaakt in het licht van de economische situatie en het Aanvullend Beleidsakkoord. Er is overeenstemming bereikt over de ontwikkeling van de nominale accressen 2009–2011 (met structurele doorwerking), consistent met de bestaande bestuursakkoorden. Daarnaast zijn afspraken gemaakt over extra ruimte in het EMU-saldo voor medeoverheden in de jaren 2009 en 2010 en afspraken over een aantal lopende discussies, zoals over de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en over de invoeringskosten van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)58.


De Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv) heeft onderzoek gedaan naar de financiële verhouding tussen Rijk en provincies. Mede op basis van dit Rfv-advies acht het kabinet het verantwoord om vanaf 2011 het provinciefonds structureel met 0,3 miljard te verlagen. Momenteel maken het kabinet en het Interprovinciaal overleg (IPO) een verdiepingsslag op het Rfv-advies en de contra-expertise van het IPO, om tot gezamenlijk gedeelde opvattingen te komen. Als de uitkomst van deze verdiepingsslag leidt tot een andere uitkomst dan de voorgenomen verlaging, dan zal het kabinet zijn voornemen nader wegen. Kabinet en IPO zullen gezamenlijk verkennen of een deel van de voorgenomen verlaging kan worden ingevuld door decentralisatiearrangementen en/of investeringsprogramma’s.


Op de onderwijsbegroting is sprake van verschillende mutaties. De voorziene leerlingen- en studentenaantallen nemen de komende jaren toe waarvoor onderwijsinstellingen meer middelen ontvangen. Daarnaast wordt op de studiefinanciering in de periode 2009–2011 een meevaller verwacht. Vanaf 2010 is deze meevaller beperkter van omvang. Dit wordt grotendeels veroorzaakt door een verwachte toename van het gebruik van de aanvullende beurs. Verder worden middelen voor bestuur en management in het primair onderwijs gerichter ingezet en wordt een versobering doorgevoerd op de educatiemiddelen die onderdeel uitmaken van het participatiebudget.


Er wordt meer uitgegeven aan het Kindgebonden Budget in 2009. Vanaf 2010 wordt er vanuit gegaan dat als gevolg van de verslechtering van de economische situatie een groter beroep wordt gedaan op het Kindgebonden Budget. Dit wordt budgettair ingepast door de kindgebonden regelingen te versoberen. Hiermee wordt ook geld vrijgemaakt om de jeugdzorgketen verder te versterken.

Er is dit jaar geld beschikbaar gesteld om de Mexicaanse griep te lijf te gaan. Zo zijn vaccins aangekocht tegen de Mexicaanse griep. Daarnaast zijn de uitvoeringskosten opgenomen om de risicogroepen te vaccineren en eventueel een virusremmer (tamiflu) te verstrekken en is er budget beschikbaar gesteld om de bevolking te informeren over het verloop van de griep.


Bij de tegemoetkoming buitengewone uitgaven (TBU), die inmiddels is vervallen, doen zich nog betalingen voor in 2009 en 2010. Ter dekking van de algehele uitvoeringsproblematiek wordt op de begroting van VWS omgebogen.


De post diversen uitvoeringsbeeld bestaat met name uit verschillende kasschuiven, waaronder bij de OV-kaart, de BLS (budget locatiegebonden subsidies), de EKV (exportkredietverzekering) en de SDE (stimulering van duurzame energieproductie). Bij de SDE-regeling worden de verplichtingen (met name «wind op land» en «wind op zee») later aangegaan dan eerder werd geraamd. Dit leidt tot lagere uitgaven in de eerste jaren en hogere uitgaven in latere jaren.

Uitgavenkader Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt

Tabel 4.13 Kadertoetsing SZA (+ = tegenvaller mld)
  2009 2010 2011
Stand kadertoetsing MN 2009 – 0,2 0,0 0,0
 
WAO/WIA 0,3 0,3 0,4
AOW 0,0 0,1 0,1
ZW – 0,1 – 0,1 – 0,1
WAZO 0,1 0,1 0,1
Inzet reserveringen, EJM en loon- en prijscompensatie – 0,5 – 0,2 – 0,2
Uitvoeringsbudget UWV 0,0 0,0 – 0,1
Korting re-integratiebudget UWV/gemeenten 0,0 – 0,1 – 0,2
AOWpartnertoeslag 0,0 0,0 – 0,1
Kinderalimentatie / Verlaging AOWtegemoetkoming 0,0 – 0,1 – 0,2
 
Stand kadertoetsing MN 2010 – 0,4 0,0 – 0,2

* De som der delen kan afwijken van het totaal


In het SZA-kader doet zich een aantal uitvoeringsmee- en tegenvallers voor. De grootste tegenvaller doet zich voor bij de WAO/WIA en wordt veroorzaakt door dalende uitstroomkansen bij de WAO. Daarnaast is op basis van de levensverwachtingcijfers van het CBS en samenstellingseffecten de raming van de AOW naar boven bijgesteld. Bij de Ziektewet heeft zich een meevaller voorgedaan als gevolg van een daling van de gemiddelde uitkering en een daling in het aantal zieken in verband met zwangerschap. De bijstelling werkt structureel door naar de volgende jaren. Tot slot stijgen de uitgaven aan Zwangerschaps- en Bevallingsverlofuitkeringen (WAZO) door een toename van de arbeidsparticipatie van vrouwen. De hiermee samenhangende positieve loonontwikkeling en stijgende omvang van het dienstverband in uren, leidt ook tot een hogere gemiddelde uitkering.


De per saldo tegenvallende uitvoeringsmutaties worden gecompenseerd door diverse maatregelen binnen de sociale zekerheid. Dit betreft onder meer de inzet van reserveringen, de eindejaarsmarge en een deel van de loon- en prijscompensatie. Gezien de onzekere economische ontwikkelingen, wordt voor de jaren 2011 en verder het uitvoeringsbudget van het UWV gestabiliseerd op het volumeniveau van 2010. Een derde maatregel betreft een korting op het re-integratiebudget bij het UWV en de gemeenten. De dekking wordt deels ingevuld door de reserveringsregeling van het W-deel van gemeenten aan te passen. Vanaf 2011 wordt ook de hoogte van de AOW-partnertoeslag verlaagd en geldt er een inkomensgrens van 55 jaar voor de partner van de AOW’er. Een aanvullende maatregel betreft de herziening van de alimentatienormen bij de kinderalimentatie, waardoor er een structurele besparing op de bijstandsuitgaven optreedt. Tot slot wordt de tegemoetkoming voor de AOW verlaagd met 6 procent, wat neerkomt op een bedrag van 26 euro per jaar.

Uitgaven Budgettair Kader Zorg

Tabel 4.14 Kadertoetsing Budgettair Kader Zorg(+ = tegenvaller miljarden euro)
  2009 2010 2011
Stand kadertoetsing MN 2009 – 0,3 – 0,4 0,0
       
Actualisatie 2008 en doorwerking naar 2009, inclusief financieringsschuif 0,8 0,8 0,8
Tegenvaller receptregelvergoeding, aflopen transitieakkoord en (volume) gebruik geneesmiddelen 0,2 0,5 0,6
Preferentiebeleid en verlopen patenten – 0,4 – 0,5 – 0,5
Ramingsbijstelling PGB’s – 0,1 – 0,1 – 0,1
Overige mee- en tegenvallers – 0,1 0,0 – 0,1
Maatregelen medisch specialisten 0,0 – 0,4 – 0,4
Tariefmaatregel GGZ 0,0 – 0,1 – 0,1
Maartregel doelmatig voorschrijven geneesmiddelen / WGP 0,0 – 0,2 – 0,2
Tariefmaatregel alle vrije beroepsoefenaren 0,0 – 0,1 – 0,1
Maatregel structureel boeken tariefmaatregel AWBZ – 0,1 – 0,1 – 0,1
Maatregel invulling best practices AWBZ 0,0 – 0,1 – 0,1
Inzet reserve awbz knelpunten 0,0 – 0,1 0,0
Overige intensiveringen en ombuigingen 0,2 0,1 0,0
 
Stand kadertoetsing MN 2010 0,3 – 0,7 – 0,3

* De som der delen kan afwijken van het totaal


De kadertoetsing van het Budgettair Kader Zorg (BKZ) is voor 2009 verslechterd en voor 2010 en 2011 verbeterd. De verslechtering in 2009 wordt voornamelijk veroorzaakt door de actualisatie van de zorguitgaven op basis van nieuwe gegevens over 2008 van het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Per 2010 worden maatregelen genomen die netto meer opbrengen, waardoor de kadertoetsing in 2010 verbeterd. Hiermee levert het BKZ een bijdrage aan de problematiek onder de andere kaders. Hetzelfde geldt voor 2011.

De actualisatie van de zorguitgaven laat bij de curatieve zorg een overschrijding zien bij met name de medisch specialisten en de geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (GGZ). In de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) werd het budget voornamelijk overschreden bij de zorg geleverd door AWBZ-instellingen. Deze overschrijdingen hebben een structurele doorwerking. Bij het persoonsgebonden budget (PGB) is sprake van een kleine ramingsmeevaller. Bij de geneesmiddelen zijn er zowel meevallers als tegenvallers. Als gevolg van het door verzekeraars gevoerde preferentiebeleid dalen de prijzen van sommige geneesmiddelen. Daarnaast zijn in 2008 en 2009 enkele patenten van veelgebruikte geneesmiddelen verlopen, wat ook voor een prijsdaling zorgt. Daar staat tegenover dat de receptregelvergoeding voor apothekers is verhoogd en dat het geneesmiddelengebruik sneller groeit dan verwacht.


Om de netto overschrijding te herstellen wordt een aantal maatregelen genomen. Deze maatregelen leveren veelal pas per 2010 een opbrengst op. In de curatieve zorg worden maatregelen genomen om de overschrijding bij de medisch specialisten terug te halen, wordt er een tariefskorting opgelegd in de geneeskundige GGZ en worden de inkomens van vrijeberoepsbeoefenaren (medisch specialisten, huisartsen, kraamzorg, verloskundigen, et cetera) deels niet geïndexeerd. Daarnaast krijgen huisartsen een individuele prikkel om geneesmiddelen doelmatig voor te schrijven. In de AWBZ wordt de overschrijding onder andere teruggedrongen door zorgkantoren scherper te laten onderhandelen. De post overige mutaties bestaat uit een groot aantal kleinere tegenvallers en maatregelen. Deze worden in meer detail toegelicht in de ontwerpbegroting van VWS.

4.5.2 Toetsing inkomstenkader

De inkadering van de inkomstenkant van de begroting kenmerkt zich door het laten werken van de automatische stabilisatie. Dit betekent dat mee- en tegenvallende inkomsten als gevolg van conjuncturele ontwikkelingen in principe ten gunste of ten laste komen van het EMU saldo. Het kabinet legt via het inkomstenkader aan het begin van de kabinetsperiode vast wat de lastenontwikkeling over de kabinetsperiode wordt en wijkt hier op macroniveau en ten minste over de kabinetsperiode niet van af. Hiermee wordt geborgd dat gedurende de kabinetsperiode automatische stabilisatie kan functioneren.

Gematigde lastenontwikkeling

De besluitvorming over de lasten en koopkracht kan dit jaar niet los worden gezien van de turbulente economische ontwikkelingen. Bij een krimpende economie en stijgende werkloosheid die zich met name in dit en volgend jaar manifesteren dient het kabinet prudent om te gaan met de ontwikkeling van de lasten voor zowel burgers als bedrijven.

De economische ontwikkeling dwingt het kabinet dan ook verder te kijken dan 2009 en 2010. Ook in 2011, het jaar waarin het economisch herstel naar verwachting door zal zetten, is een gematigde lastenontwikkeling van belang.


Aan de andere kant is sprake van een druk op de overheidsfinanciën. Extra lastenverlichting ten opzichte van hetgeen het kabinet voor ogen had vorig jaar zou ertoe leiden dat de overheidsfinanciën verder uit het lood worden geslagen. De werking van het inkomstenkader voorkomt dit: de ontwikkeling van de lasten over deze kabinetsperiode en in 2010 zal uitkomen op hetgeen is aangekondigd in afgelopen Miljoenennota 2009.

Evenwichtig lasten- en koopkrachtpakket

Het kabinet heeft een lasten- en koopkrachtpakket neergelegd dat over de crisisjaren 2009 en 2010 bezien evenwichtig is. Het pakket sluit aan bij hetgeen het kabinet aangekondigd heeft ten tijde van de vorige Miljoenennota en houdt rekening met een gematigde lastenontwikkeling richting 2011. Ook worden de overheidsfinanciën met dit pakket niet verder belast.

Beperking stijging WW premies bedrijven......

Zonder aanvullend kabinetsbeleid zouden de sectorfondspremies voor het bedrijfsleven, waaruit de eerste zes maanden van de werkloosheid worden betaald, fors zijn gestegen. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat deze sectorfondspremies lastendekkend zijn vormgegeven. Het kabinet heeft besloten de systematiek van de sectorfondspremies voor komend jaar minder conjunctuurgevoelig te maken. Hierin zit een spanning tussen enerzijds het laten doorwerken van prikkels richting sectoren tot beheersing van de WW-lasten en het doorvertalen van de kosten van de WW naar sectoren en anderzijds het procyclische karakter van de premiestijging. Vanwege het extreme, voor bedrijven nauwelijks beïnvloedbare, conjuncturele effect, heeft het kabinet ervoor gekozen om de premiestijging te mitigeren door de lastenplafonds te verlagen en de termijn waarin tekorten kunnen worden ingelopen te verlengen van drie naar vijf jaar. Deze maatregelen beperken de stijging van de sectorfondspremies. Volgend jaar zal het kabinet bezien hoe de systematiek voor de premievaststelling van 2011 en verder structureel verbeterd kan worden.

.......en een aanvullend pakket ter stimulering van innovatie en liquiditeit.

Het resterende deel van de lastenverzwaring die voornamelijk voortkomt uit de premiestijging van de WW wordt teruggesluisd via aanvullende maatregelen gericht op innovatie en liquiditeitsverruiming. Om innovatie verder te stimuleren wordt de octrooibox structureel uitgebreid en omgevormd tot de innovatiebox: niet alleen winsten behaald met een octrooi, maar ook winsten behaald met andere speur- en ontwikkelingsactiviteiten (onder andere software en bedrijfsgeheimen) kunnen in de innovatiebox worden ondergebracht. Ook wordt voor 2010 eenmalig geld gereserveerd voor de WBSO en het tijdelijk uitbreiden van de afdrachtvermindering onderwijs. Om de liquiditeitspositie van het bedrijfsleven te stimuleren wordt voor 2010 tijdelijk de willekeurige afschrijving met 1 jaar verlengd en verliesverrekening in de VPB aangepast.

Tabel 4.15 Budgettair belang van maatregelen gericht op het bedrijfsleven (in € miljard)
  2010
Verwachte verlaging sectorfonds premiestijging van 2,2% naar 1,5% – 1,0
Innovatiebox/Maatregelen Belastingplan 2010 – 0,4
Uitbreiding verliesverrekening – 0,1
Verlengen maatregel willekeurige afschrijving – 0,2
Intensivering WBSO en afdrachtvermindering onderwijs – 0,1
Totaal* – 1,9

* door afronding telt de tabel niet op

Statische koopkrachtontwikkeling burgers positief over 2009 en 2010 tezamen.....

De statische koopkracht laat zien hoe het inkomen van mensen verandert als hun sociaal economische positie ongewijzigd blijft. Het kabinet acht het van belang om binnen zijn mogelijkheden de koopkracht op peil te houden voor burgers. Over beide crisisjaren tezamen ligt er een positief koopkrachtbeeld voor alle groepen. Een beperkte stijging van de zorgpremies en een aan de macro economische ontwikkeling gekoppelde lage inflatie leiden onder andere tot dit beeld. In 2010 worden de minima relatief ontzien en wordt van de sterkste schouders een grotere bijdrage gevraagd. Voor alle groepen resulteert een veelal kleine min.

...bijdragen aan werkzekerheid is het ware koopkrachtbeleid.

Het positieve statische koopkrachtbeeld over 2009 en 2010 laat onverlet dat diegenen die werkloos worden wel een inkomensachteruitgang zullen ervaren. Het statische koopkrachtbeeld zegt daarom in deze tijden niet alles. Vandaar dat de belangrijkste prioriteit van het kabinet is om de werkgelegenheid zoveel als mogelijk op peil te houden, zonder dat dit de overheidsfinanciën verder doet verslechteren. De inspanningen uit het ABK, zoals eerder gemeld, alsmede de bovengenoemde belastingmaatregelen voor werkgevers ter bevordering van liquiditeit en innovatie hebben tot primaire doel dit te realiseren.

Samenvattend lastenbeeld en kadertoets

Tabel 4.16: kadertoets (+ = meer lastenverzwaring dan gepland in miljarden euro’s)
  2008 2009 2010 2011 2008–2011
Mutatie MN* 2009/2010 0,1 0,3 0,0 – 0,3 0,0
w.v. burgers 0,1 0,4 0,0 – 0,4 0,0
w.v. bedrijven 0,0 – 0,1 – 0,1 0,1 0,0

* Door afrondingsverschillen telt de tabel niet op.


Zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de lastenontwikkeling, gemeten via de inkomstenindicator, over de kabinetsperiode conform MN 2009 en destijds vastgesteld inkomstenkader.

Tabel 4.17: Verticale aansluiting lastenbeeld (cijfers in miljarden euro’s; jaar op jaar mutatie)*
  2008 2009 2010 2011 2008–2011
Stand MN 2009 5,5 – 1,2 1,3 0,9 6,6
Burgers 3,3 – 0,3 1,1 1,0 5,1
Bedrijven 2,2 – 0,9 0,2 0,0 1,5
           
Zorg 0,1 0,0 – 0,5 0,0 – 0,3
Sectorfonds premies 0,0 0,0 0,7 0,0 0,7
Fasering lastenontwikkeling 0,0 0,3 – 0,3 – 0,3 – 0,3
Stand MN 2010** 5,6 – 0,9 1,3 0,6 6,6
Burgers 3,4 0,0 1,1 0,5 5,1
Bedrijven 2,2 – 0,9 0,1 0,1 1,5

*Door afronding telt de tabel niet op

** Exclusief maatregelen uit het Aanvullend Beleidsakkoord, deze zijn bovenop het kader geplaatst en worden in paragraaf 4.2 toegelicht.


Zoals blijkt uit bovenstaande tabel ontwikkelen de totale lasten zich zowel in 2010 als over de kabinetsperiode zoals aangekondigd in de vorige Miljoenennota. De zorgpremies zijn sinds vorige Miljoenennota gedaald en de aan de nominale zorgpremie gekoppelde zorgtoeslag laat een tegengesteld effect zien. De lastendekkende sectorfondspremies zijn sinds afgelopen Miljoenennota gestegen door de stijging van de werkloosheid. Zoals eerder beschreven is deze stijging deels ondervangen door het kabinet (zie tabel 4.15). Onder fasering lastenontwikkeling vallen posten die ertoe leiden dat het lastenbeeld sluit in 2010 en meer evenwichtig gespreid wordt over de jaren 2009–2011.

Belastinguitgaven

Belastinguitgaven zijn gederfde inkomsten door een bepaalde vrijstelling of faciliteit in de fiscale wetgeving. Belastinguitgaven vormen daarom een uitzondering op de regel zoals vastgelegd in de primaire heffingsstructuur. Ook belastinguitgaven worden tot de inkomstenkant van de begroting gerekend. Hoewel het geen feitelijke uitgaven zijn, zijn ze wel vergelijkbaar met reguliere uitgaven. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om tegemoetkomingen in de sfeer van loon- en inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting en de btw. Voorbeelden van belastinguitgaven zijn de zelfstandigenaftrek, werknemersspaarregelingen, de giftenaftrek en het verlaagde btw-tarief voor bijvoorbeeld boeken. Er is een toetsingskader voor het vooraf toetsen van nieuwe belastinguitgaven. Beleidsmatige mutaties en nieuwe belastinguitgaven blijven volgens de bestaande praktijk onderdeel van het inkomstenkader. In tabel 4.17 wordt een budgettair overzicht van de belastinguitgaven in strikte zin gegeven. Een volledig overzicht van de belastinguitgaven, inclusief regelingen die daarop lijken, staat in bijlage 5 van de Miljoenennota.

Tabel 4.18 Belastinguitgaven (in € miljoen)
  2010
Belastinguitgaven2010 12 486
waarvan directe belastingen 7 335
waarvan zelfstandigenaftrek 1 188
waarvan afdrachtsvermindering S&O 692
waarvan giftenaftrek 305
waarvan Indirecte belastingen 5 151
waarvan verlaagd BTW-tarief voor voedingsmiddelen horeca 1 138
waarvan verlaagd BTW tarief voor vervoer van personen 664
waarvan verlaagd BTW-tarief voor boeken cs. 518

32 123

Nr. 2 NOTA OVER DE TOESTAND VAN ’S RIJKS FINANCIËN

Aangeboden 15 september 2009


Bijlagen bij de Miljoenennota 2010

58  Zie bijlage 3 van de Voorjaarsnota 2009 voor een integraal overzicht van de gemaakte afspraken (Kamerstukken II 2008–2009, 31 965, nr. 1, blz. 19).