Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2010
  • Download PDF

5.5 Evaluatie van belastinguitgaven

In deze paragraaf van de Miljoenennota wordt jaarlijks verslag gedaan van de voltooide evaluaties sinds de vorige Miljoenennota. Kort wordt aandacht geschonken aan de conclusies en eventuele beleidsconsequenties van uitgevoerde evaluaties. Voorts wordt aangegeven welke evaluaties dit jaar naar verwachting nog gerealiseerd worden en het verdere programma.

Gerealiseerde evaluaties sinds de vorige Miljoenennota

De evaluatie van de regelingen voor de landbouw62 (landbouwvrijstelling in de inkomstenbelasting, de BTW-regeling voor de landbouw en de diverse vrijstellingen in de overdrachtsbelasting voor de landbouwsector) is in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit uitgevoerd door het onderzoeksbureau van het LEI63.

De landbouwregeling in de omzetbelasting houdt in dat landbouwers geen btw verschuldigd zijn over hun prestaties. Daartegenover staat dat zij dan ook geen recht op aftrek van btw-voorbelasting hebben. Zij hoeven geen btw-administratie te voeren en geen factuur uit te reiken. De afnemers van deze landbouwers brengen 5,1% als voorbelasting in aftrek. De landbouwer kan ook opteren om normaal in de heffing van de btw te worden betrokken.

De regeling is gebaseerd op communautaire regelgeving. De belangrijkste overweging om in het toenmalige EEG-verband de regeling te treffen was het feit dat landbouwers in het algemeen geen boekhouding voerden. In ons land zijn als argumenten voor de invoering gehanteerd dat er een mogelijk concurrentienadeel zou optreden ten opzichte van landbouwers in andere lidstaten die wel een speciale landbouwregeling toepasten en dat het betrekken van landbouwers in de btw-heffing voor een deel geen effect zou hebben, omdat zij dan van de kleine ondernemersregeling gebruik zouden gaan maken. Het kabinet deelt de mening van de onderzoekers dat de oorspronkelijke argumenten voor invoering van de regeling voor het grootste deel hun gelding hebben verloren. De groep landbouwers die de regeling toepast wordt echter steeds kleiner en de administratieve lastenverzwaring die voor hen zou optreden als de regeling zou worden afgeschaft, past niet in de doelstellingen van het kabinet om de administratieve lastendruk voor bedrijven te verminderen. De regeling is doelmatig en kosteneffectief. Het kabinet heeft daarom de aanbeveling overgenomen om de btw-landbouwregeling ongewijzigd te continueren.

De evaluatie van de vrijstellingen in de overdrachtsbelasting voor de landbouw heeft betrekking op de vrijstellingen zoals die tot en met 2006 in de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) waren opgenomen. De hoofddoelen ervan waren de landbouwstructuur te verbeteren en de verplaatsing van land- en tuinbouwbedrijven als gevolg van overheidsingrijpen niet te belasten. Het kabinet onderschrijft de conclusies van de onderzoekers dat de geëvalueerde vrijstellingen doeltreffend en doelmatig zijn. Over de door de onderzoekers geconstateerde knelpunten en belemmeringen (tot 2006) had het kabinet al eerder signalen ontvangen. Per 1 januari 2007 is daarom een integrale vrijstelling van overdrachtsbelasting voor bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond ingevoerd.

De landbouwvrijstelling in de inkomstenbelasting houdt in dat waardeveranderingen van grond die behaald wordt bij voortzetting van de aanwending van de grond in het kader van een landbouwbedrijf is vrijgesteld van belasting. Waardeveranderingen die ontstaan zijn binnen de onderneming (interne waardeveranderingen) en niet-agrarische waardeveranderingen zijn wel belast. De argumentatie voor de invoering van de landbouwvrijstelling destijds was de bijzondere positie van landbouwgrond binnen de landbouwonderneming en de gedachte dat de landbouwer die op eigen grond zijn bedrijf uitoefent twee functies in zich draagt, landbouwer-ondernemer en privé-eigenaar van landbouwgronden. De landbouwer-eigenaar moest in die gedachte fiscaal hetzelfde worden behandeld als de eigenaar-verpachter. Het kabinet is het eens met de conclusie van de onderzoekers dat de gehanteerde rechtvaardigingsgronden voor de landbouwvrijstelling aan belang hebben ingeboet. Volgens het kabinet is de landbouwvrijstelling echter nog steeds van groot belang bij de financiering van bedrijfsopvolgingen, bedrijfsverplaatsing, alsmede bij bedrijfsbeëindiging voor de oudedagsvoorziening. Daarnaast zijn de gevolgen van een afschaffing van de regeling op de grondprijs en op de grondmobiliteit onduidelijk en zou afschaffing zonder herwaardering van de grond er toe leiden dat ondernemers direct te maken krijgen met een aanzienlijke belastinglatentie, hetgeen voor het kabinet niet aanvaardbaar is. Daarom is geconcludeerd dat er thans geen aanleiding bestaat de landbouwvrijstelling te wijzigen of af te schaffen.


De evaluatie van de Energie Investeringsaftrek (EIA)64 is in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken uitgevoerd door het onderzoeksbureau SEO65.

De EIA is een gebudgetteerde fiscale regeling voor ondernemers, die investeren in energiebesparende bedrijfsmiddelen of in de productie van duurzame energie stimuleert. SEO concludeert dat de EIA bijdraagt aan de doelstellingen voor energiebesparing en duurzame energie. De exacte bijdrage van de EIA aan de doelstellingen is echter niet precies te kwantificeren door beperkt beschikbare gegevens en omdat de EIA onderdeel is van een mix aan instrumenten gericht op energie- en klimaatbeleid, zoals de meerjarenafspraken energie-efficiency, de Energiebelasting, emissiehandel (EU ETS) en de MEP (Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie). SEO ziet af van inhoudelijke aanbevelingen voor de EIA gericht op het bereiken van de doelstellingen van de EIA vanwege de combinatie van een ontbrekende beleidstheorie, het toegenomen aantal instrumenten gericht op (deels) dezelfde doelstellingen en de samenhang van de EIA met deze instrumenten.

SEO doet wel een aantal aanbevelingen voor de EIA (waarin tevens de EIA bijdrage aan CO2-reductie wordt meegenomen), de verbetering van de beschikbaarheid van gegevens en verbeteringen in de uitvoering. Het kabinet heeft deze aanbevelingen reeds overgenomen of zal ze overnemen.


De evaluatie van BTW-regelingen op het gebied van cultuur66 is in opdracht van het ministerie van OC&W uitgevoerd door het onderzoeksbureau APE67. De door de wetgever geformuleerde doelstelling van het verlaagde btw-tarief op het gebied van cultuur is «het lager belasten van uitgaven voor eerste levensbehoeften en uitgaven van culturele en sociale aard».

De achterliggende doelstelling van het lager belasten is dat daardoor extra bestedings- of investeringsruimte ontstaat. Het kan vraagstimulering zijn met een beoogd doel, als de lagere last wordt doorgegeven aan de consument. Het kan aanbodondersteuning zijn als de lagere last wordt gebruikt voor bijvoorbeeld investeringen of de opvang van kosten. Het onderzoeksbureau heeft de achterliggende doelstellingen geëvalueerd zoals deze zijn geformuleerd in verschillende beleidsstukken (kamerstukken, brieven) door de jaren heen. De algemene achterliggende doelstelling van het verlaagde btw-tarief op boeken, tijdschriften, week- en dagbladen, bibliotheken (verhuur boeken) en musea is het bevorderen van cultuur en kennisvermeerdering c.q. ondersteuning van de betreffende sectoren. Meer specifieke achterliggende doelstellingen zijn het bevorderen van de pluriformiteit van de media, het tegengaan van ontlezing, het in stand houden van een goede nieuws- en informatievoorziening, het op een hoger plan brengen van behoud en beheer van de museale collecties, het voeren van een actief cultuurbeleid, het bieden van compensatie voor de kosten van de vergrijzing en de Arbeidstijdenwet aan de podiumkunsten.

De onderzoekers concluderen dat het verlaagde btw-tarief zonder meer een bijdrage heeft geleverd aan de bovenbeschreven algemeen geformuleerde doelstelling. Ook in Europees verband is onderzoek gedaan naar het verlaagde btw-tarief voor goederen en diensten in de lidstaten van de Europese Unie. Conclusie van het rapport van Copenhagen Economics (Study on reduced VAT applied to goods and services in the Member States of the European Union, 21 juni 2007) is dat er goede redenen zijn om een uniform btw-tarief toe te passen. Er worden echter ook argumenten behandeld die naast een algemeen tarief pleiten voor een verlaagd tarief. Eén van de argumenten is de consumptie te bevorderen door de lage inkomensgroep van merit goods, zoals boeken-, muziek- en culturele evenementen. De onderzoekers tekenen daarbij aan dat het vaak moeilijk aantoonbaar is dat de lage inkomensgroep meer consumeert of dat het in feite de subsidie vergroot voor de hoge inkomensgroep die reeds de meritgoederen consumeert.

Overigens is het argument dat de EC hanteert voor het verlaagde tarief voor cultuur en media (het bevorderen van consumptie) niet altijd het argument waarom destijds het verlaagde tarief in de nu geëvalueerde sectoren is ingevoerd.

Ook deze Europese context in aanmerking nemend, geeft het rapport het kabinet geen aanleiding tot wijziging van het verlaagde tarief voor de onderzochte categorieën.

Nog af te ronden evaluaties

Het betreft de evaluaties van de giftenaftrek, enkele BTW-regelingen, de fiscale regelingen voor monumenten en de regelingen rond bedrijfsbeëindigingen. Na afronding van deze evaluaties is een hele cyclus van het evaluatieprogramma voltooid. In aansluiting daarop vindt er een evaluatie plaats van deze cyclus. Aan de hand daarvan zullen conclusies worden getrokken over de volgende fase.

62  Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 727, nr. 1.

63  Landbouw Economisch Instituut, Universiteit Wageningen.

64  Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 492, nr. 8.

65  Stichting Economisch Onderzoek.

66  Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 700 VIII, nr. 147.

67  Aarts De Jong Wilms Goudriaan Public Economics.