Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Belastingplan 2011

32504 9 Tweede nota van wijziging

Vergaderjaar 2010-2011

Nr. 9

Ontvangen 29 oktober 2010

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

a. Na onderdeel D wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Dbis. Artikel 3.139, onderdeel b, vervalt, onder verlettering van de onderdelen c tot en met e tot onderdelen b tot en met d.

b. Na onderdeel Da worden vier onderdelen ingevoegd, luidende:

Db. Artikel 6.1, tweede lid, onderdeel b, vervalt.

Dc. Afdeling 6.3 vervalt.

Dd. Artikel 8.2, onderdelen m en n, vervalt, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel l door een punt.

De. Artikel 8.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «, de alleenstaande ouderenkorting, de korting voor maatschappelijke beleggingen of de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen» vervangen door »of de alleenstaande ouderenkorting». Voorts wordt «, de alleenstaande ouderenkorting, de korting voor maatschappelijke beleggingen en de korting voor beleggingen in durfkapitaal» vervangen door: en de alleenstaande ouderenkorting.

2. In het tweede lid wordt «, de alleenstaande ouderenkorting, de korting voor maatschappelijke beleggingen en de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen» vervangen door: en de alleenstaande ouderenkorting.

c. Er worden drie onderdelen toegevoegd, luidende:

I. Artikel 8.19 vervalt.

J. Artikel 8.20 vervalt.

K. Na artikel 10a.8 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10a.9 Overgangsbepaling verliezen op beleggingen in durfkapitaal in verband met het vervallen van afdeling 6.3 per 1 januari 2011

1. Artikel 3 139, onderdeel b, zoals dat onderdeel luidde op 31 december 2010, blijft van toepassing met betrekking tot hetgeen wordt ontvangen als nagekomen schuldaflossing op een geldlening ter zake waarvan verliezen op grond van afdeling 6.3, zoals die afdeling op 31 december 2010 luidde, of op grond van het tweede lid in aanmerking zijn genomen.

2. Afdeling 6.3, zoals die afdeling op 31 december 2010 luidde, blijft van toepassing op verliezen op vóór 1 januari 2011 verstrekte geldleningen als bedoeld in artikel 6.8, eerste lid, zoals dat lid op 31 december 2010 luidde.

2

Na artikel III wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL IIIA

In de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 vervalt hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel Ua, eerste lid, onderdeel b.

3

In artikel VI, onderdeel A, onder 2, wordt «€ 11 000 000» vervangen door: € 14 000 000.

4

In artikel VII, onderdeel A, onder 2, wordt «€ 11 000 000» vervangen door: € 14 000 000.

5

Artikel XIX komt te luiden:

ARTIKEL XIX

De Wet op de omzetbelasting 1968 wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 28c, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a komt te luiden:

a. kunstvoorwerpen die hem zijn geleverd door de maker of diens rechthebbenden;.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

c. kunstvoorwerpen die hem zijn geleverd door een andere ondernemer dan een wederverkoper, wanneer die levering aan het verlaagde tarief uit hoofde van artikel 103 van de BTW-richtlijn 2006 en de ter zake geldende wettelijke bepaling onderworpen is.

B. Tabel I wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel a, post 29, vervalt.

2. Onderdeel b, post 14, onderdeel d, vervalt.

3. Onderdeel b, post 17, vervalt.

4. Aan onderdeel b wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van post 20 door een puntkomma, een post toegevoegd, luidende:

  • 21.  renovatie en herstel van woningen na meer dan twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming, met uitzondering van materialen die een deel vertegenwoordigen van de waarde van deze diensten.
6

Artikel XIXA wordt als volgt gewijzigd:

a. Voor de bestaande tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

b. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Het toe te passen tarief op kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, onderdeel m, van de Wet op de omzetbelasting 1968, is het tarief dat van kracht is op het tijdstip waarop het belastbare feit zich voordoet.

7

Artikel XXI wordt als volgt gewijzigd:

a. De aanhef wordt vervangen door:

De Wet op belastingen van rechtsverkeer wordt als volgt gewijzigd:

A. Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:.

b. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

B. In artikel 23 wordt «7,5 percent» vervangen door: 9,5 percent.

8

Na artikel XXI wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XXIA

Bij verzekeringen waarbij de laatste prolongatiedatum of datum van stilzwijgende verlenging, of bij afwezigheid van die datum de ingangsdatum van de verzekering, vóór 1 januari 2011 ligt, is het assurantiebelastingtarief van 9,5% van toepassing op de premies die na 31 december 2010 vervallen.

9

Na artikel XXIX wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XXIXA

Voor het verlenen van toegang tot muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen, daaronder begrepen opera’s, operettes, dansen, pantomimes, revues, musicals en cabarets, alsmede lezingen, en optredens door uitvoerende kunstenaars die op of na 1 januari 2011 plaatsvinden en ter zake waarvan vóór deze datum de vergoeding is ontvangen, blijven post 14, onderdeel d, onderscheidenlijk post 17, van Tabel I, onderdeel b, van de Wet op de omzetbelasting 1968, zoals deze bepalingen luidden op 31 december 2010, van toepassing.

10

Artikel XXXI, tweede lid, komt te luiden:

2. De artikelen XIX, onderdeel B, onder 4, en XIXA, eerste lid, werken terug tot en met 1 oktober 2010.

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Het Regeerakkoord Vrijheid en verantwoordelijkheid (hierna: Regeerakkoord) bevat enkele afspraken over fiscale maatregelen. Deze maatregelen staan primair in het teken van het weer gezond maken van de overheidsfinanciën. Door de vergrijzing, de kredietcrisis en de Europese schuldencrisis is het saneren van de overheidsfinanciën een harde noodzaak. Bij de keuze voor de maatregelen is allereerst gekeken naar de zogenoemde belastinguitgaven. Kort gezegd zijn dit voorzieningen in de wet die niet in overeenstemming zijn met de primaire heffingsstructuur van de diverse heffingswetten. Deze belastinguitgaven zijn in het verleden, op basis van de toen gemaakte politieke keuzes, ingevoerd. Het kabinet heeft op basis van de afspraken in het Regeerakkoord nieuwe politieke keuzes gemaakt.

De onderhavige nota van wijziging bevat, tezamen met de gelijktijdig ingediende tweede nota van wijziging inzake het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 20111, de fiscale maatregelen in het Regeerakkoord die op 1 januari 2011 in werking moeten treden. Daarmee worden de maatregelen opgenomen in het pakket Belastingplan 2011 c.a. zodat invoering op 1 januari 2011 mogelijk is. Hierna vindt een nadere toelichting plaats op de in de onderhavige nota van wijziging opgenomen maatregelen.

2. Verhoging btw op podiumkunsten en kunst- en verzamelvoorwerpen

2.1 Verhoging btw op podiumkunsten

In het Regeerakkoord heeft een weging plaatsgevonden over het al dan niet continueren van fiscale faciliteiten en het inzetten van de daarmee gepaard gaande opbrengst voor andere doeleinden. Zoals blijkt uit het Regeerakkoord wil het huidige kabinet op het terrein van cultuur meer ruimte geven aan de samenleving en particulier initiatief en de overheidsbemoeienis beperken. Het kabinet wil meer aandacht schenken aan de verdiencapaciteit van cultuur en culturele instellingen en kunstenaars stimuleren meer ondernemend te worden en een groter deel van hun inkomsten zelf te verwerven. Hierbij past het naar de mening van het kabinet niet meer om een uitzonderingspositie, zijnde een verlaagd tarief voor podiumkunsten, voor deze sector in stand te houden. Podiumkunsten worden daarom onder het algemene btw-tarief van 19% gebracht. Onder podiumkunsten vallen de volgende diensten: het verlenen van toegang tot muziek- en toneeluitvoeringen (bijvoorbeeld opera’s, operettes, dansen, musicals en lezingen) en het optreden door uitvoerende kunstenaars.

Met betrekking tot de verhoging van het btw-tarief voor podiumkunsten is overgangrecht opgenomen. Voor alle in 2010 verkochte kaartjes van voorstellingen die in 2011 plaatsvinden, zou zonder nadere regelgeving door de theaters en schouwburgen de btw-verhoging betaald moeten worden en nagevorderd kunnen worden bij de bezoekers. Aangezien dit op grote bezwaren voor de uitvoering stuit, wordt hiervan afgezien. Met dit overgangsrecht worden de theaters en schouwburgen behoed voor hoge administratieve lasten bij invoering. Dit heeft geen gevolgen voor de voorziene budgettaire opbrengst voor 2011.

Uit het evaluatierapport van het verlaagde btw-tarief voor cultuur en media2 kunnen de gevolgen van de verhoging van het btw-tarief voor de vraag naar gesubsidieerde podiumkunsten worden afgeleid. Een btw-stijging van 6% naar 19% (een prijsverhoging van 12,3%) leidt op lange termijn tot een vraaguitval van 4,3%. Uit hetzelfde rapport is overigens af te leiden dat bij bioscopen bij eenzelfde btw-verhoging de vraaguitval 65% hoger uitvalt (7,1%). Deze lagere prijselasticiteit voor gesubsidieerde podiumkunsten zal mede veroorzaakt worden doordat relatief veel hoge inkomens hiervan gebruik maken. Uit de SCP publicatie Publieke productie en persoonlijk profijt uit 2006 blijkt dat gezinnen met de hoogste inkomens tot bijna zesmaal meer profiteren van subsidies voor de podiumkunsten dan de laagste inkomen. Gelijksoortige cijfers met betrekking tot niet gesubsidieerde podiumkunsten zijn niet beschikbaar.

2.2 Verhoging btw kunstvoorwerpen en voorwerpen voor verzamelingen en anitquiteiten

Kunstvoorwerpen en voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten worden eveneens onder het algemene btw-tarief gebracht. De achterliggende reden van het van toepassing verklaren van het verlaagde btw-tarief op kunst en verzamelvoorwerpen was het voorkomen of het verzachten van cumulatie van belasting. Kunst en verzamelvoorwerpen zijn namelijk goederen die gedurende hun doorgaans lange bestaan meer dan eens opnieuw in het handelsverkeer kunnen opduiken. Juist bij deze goederen kan zich dan ook cumulatie voordoen. De invoering van de zogenoemde marge-regeling waarbij uitsluitend omzetbelasting verschuldigd is over de winstmarge van de handelaar, voorkomt deze dubbele heffing. Daarmee is het verlaagde btw-tarief niet meer nodig ter voorkoming van cumulatie.

De gevolgen van de verhoging van het btw-tarief voor de verkopen van kunst en antiek zijn, evenals bij podiumkunsten, afhankelijk van de mate van vraaguitval. Kwantitatieve gegevens hierover zijn niet voorhanden, maar verwacht mag worden dat ook hier vooral gezinnen met hogere inkomens tot de doelgroep van deze verkopen behoren.

3. Verhoging tarief assurantiebelasting

Het tarief voor de assurantiebelasting wordt per 1 januari 2011 verhoogd met 2%-punt tot 9,5%. Deze belasting wordt geheven ter zake van verzekeringen. Bepaalde verzekeringen zijn overigens uitgezonderd van de assurantiebelasting.3 De verhoging geldt voor premies met een premievervaldatum na 31 december 2010. Premies die vooruitbetaald worden voor verzekeringen die in 2011 doorlopen, hoeven niet herrekend te worden met het nieuwe tarief van de assurantiebelasting indien deze premies in 2010 vervallen.
Er zijn verschillende redenen waarom er ruimte is om het tarief van de assurantiebelasting te verhogen.4 Zo is de hoogte van het tarief beperkt in vergelijking met het algemene tarief in de qua karakter vergelijkbare omzetbelasting. Omdat verzekeringsdiensten hierdoor bevoordeeld worden ten opzichte van andere diensten, komt een verhoging van het tarief van de assurantiebelasting de economische efficiëntie van het belastingstelsel ten goede. Als ander voordeel van een verhoging van de assurantiebelasting geldt dat zo’n verhoging niet tot grenseffecten zal leiden. Het hogere tarief geldt voor alle risico’s die in Nederland gelegen zijn, ongeacht of de verzekeringsmaatschappij in Nederland of in het buitenland gevestigd is. Ten slotte is de assurantiebelasting te kenschetsen als een solide en eenvoudig uit te voeren belasting, waardoor een groter aandeel van deze belasting in de totale belastingopbrengst voor de hand ligt.

4. Afschaffen heffingskortingen box 3 en de persoonsgebonden aftrek voor verliezen op beleggingen in durfkapitaal

In box 3 zijn vrijstellingen opgenomen voor bepaalde beleggingen. Aan deze vrijstellingen in box 3 zijn heffingskortingen gekoppeld. Dit ziet op de vrijstellingen voor:

maatschappelijk beleggingen, zijnde groene beleggingen en sociaal-ethische beleggingen;

beleggingen in durfkapitaal, zijnde directe en indirecte beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen.

De vrijstelling van de rendementsheffing (per saldo leidend tot een voordeel van 1,2%) voor ieder van de beide beleggingscategorieën bedraagt maximaal € 55 145 (2010). De hieraan gekoppelde heffingskortingen voor maatschappelijke beleggingen en voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen bedragen 1,3% van de belegging tot maximaal het vrijgestelde bedrag.

De vrijstellingen in box 3 zullen gehandhaafd worden. Op grond van de onderhavige nota van wijziging vervallen beide heffingskortingen met ingang van 1 januari 2011. Tevens wordt de persoonsgebonden aftrek voor verliezen op directe beleggingen in durfkapitaal (de zogenoemde Tante Agaath-regeling) afgeschaft. De vrijstelling in box 3 wordt wel gehandhaafd.

Voor de persoonsgebonden aftrek voor verliezen op directe beleggingen in durfkapitaal geldt een overgangsregeling. Verliezen kunnen nog in aanmerking komen voor zover het verliezen zijn op als directe beleggingen in durfkapitaal kwalificerende geldleningen die vóór 1 januari 2011 zijn verstrekt.

Door de handhaving van de vrijstelling in box 3 worden maatschappelijke beleggingen en directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen nog steeds bevoordeeld ten opzichte van overige beleggingen. Door deze vrijstelling in box 3 blijft sprake van een voordeel van 30% van 4% van de waarde van de betreffende beleggingen. Dit voordeel kan oplopen tot ruim € 1 300 per belastingplichtige. De essentie van de stimuleringsregelingen wordt derhalve niet aangetast. Verwacht wordt dat, mede ook als gevolg van de versterkte marktwerking door de afschaffing van de heffingskortingen, er meer gelet zal worden op het rendement en de efficiëntie van projecten. Daarnaast past de afschaffing van deze heffingskortingen in het streven van het kabinet naar een meer eenvoudige belastingheffing. Het aangiftebiljet inkomstenbelasting kan worden vereenvoudigd en ook de Belastingdienst heeft baat bij minder heffingskortingen. Verder heeft ook de Studiecommissie Belastingstelsel in haar rapport Continuïteit en vernieuwing geconcludeerd dat zoveel mogelijk heffingskortingen zouden moeten worden geschrapt tenzij er goede redenen zijn voor overheidsingrijpen en het gewenste overheidsingrijpen op een effectieve en efficiënte wijze wordt gerealiseerd.

In een separate nota van wijziging op het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2011 wordt geregeld dat de faciliteiten voor MKB-beleggingen geen doorgang vinden. Deze faciliteiten vloeiden voort uit een bij de behandeling van Belastingplan 2010 c.a. aangenomen amendement, ook wel het Alternext-amendement genoemd.

5. Terugsluis bedrijven

Op basis van het Regeerakkoord worden de lasten als gevolg van lagere subsidies aan de uitgavenkant en de verhoging van de assurantiebelasting voor bedrijven gecompenseerd via de WBSO5 en de vennootschapsbelasting. De verhoging van de assurantiebelasting betekent een lastenverzwaring van € 60 mln. bij bedrijven. Het kabinet doet op dit moment alleen een voorstel voor de compensatie voor 2011. Zodoende ontstaat in 2012 ruimte voor een integrale afweging voor de compensatie van het bedrijfsleven. Het beschikbare geld voor 2011 wordt incidenteel beschikbaar gesteld voor de S&O-afdrachtvermindering. Hiermee kunnen de tijdelijke maatregelen die in het kader van de economische crisis zijn genomen in 2011 onverkort worden voortgezet. De parameters voor de S&O-afdrachtvermindering zijn in tabel 1 weergegeven. Bij ministeriële regeling van de Minister van Economische Zaken zal de tijdelijke verhoging van de percentages in de 1e en 2e schijf worden voortgezet. De aanpassing van het plafond vindt in de onderhavige nota van wijziging plaats.
Tabel 1 Parameters S&O-afdrachtvermindering
 

2008

2009

2010

2011

BP 2011 vóór nota van wijziging

2011

na nota van wijziging

2012 e.v.

Loongrens

110 000

150 000

220 000

220 000

220 000

150 000

Plafond

8 mln

14 mln

14 mln

11 mln

14 mln

8,5 mln

1e schijf

42%

50%

50%

46%

50%

45%

1e schijf starters

60%

64%

64%

62%

64%

60%

2e schijf

14%

18%

18%

16%

18%

14%

6. EU-aspecten

Deze nota van wijziging bevat geen EU-aspecten.

7. Budgettaire aspecten

De budgettaire effecten van deze nota van wijziging inclusief de nota van wijziging op het wetsvoorstel OFM 2011 inzake het niet invoeren van de faciliteiten voor MKB-beleggingen zijn in tabel 2 samengevat.

Tabel 2 Budgettaire effecten nota's van wijziging (in mln)

Onderwerp

2011

2012

2013

structureel

Podiumkunsten, kunst en verzamelvoorwerpen naar 19%

90

90

90

90

Afschaffen heffingskortingen box 3, pga durfkapitaal en niet invoeren faciliteiten MKB-beleggingen1

120

120

120

115

Verhogen assurantiebelasting met 2%

250

250

250

250

Terugsluis bedrijven

–60

0

0

0

Totaal

400

460

460

455

Noot 1: Het niet invoeren van de tijdelijke faciliteit voor MKB-beleggingen (2011–2015) wordt via nota van wijziging op het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2011 geregeld. Voor de jaren 2011–2015 betekent dit een budgettaire opbrengst van € 5 mln., structureel nihil. De kosten van het overgangsrecht voor de persoonsgebonden aftrek beleggingen in durfkapitaal wordt betrokken bij de beschikbare lastenenveloppe vanaf 2012.

8. Uitvoeringskosten Belastingdienst

De maatregelen zijn uitvoerbaar zonder additionele uitvoeringskosten voor de Belastingdienst.

9. Gevolgen voor burgers en bedrijfsleven

Verhoging btw op podiumkunsten en kunst- en verzamelvoorwerpen

Aan de tariefverhoging zijn geen structurele administratieve lasten verbonden. Aangezien voor alle in 2010 verkochte kaartjes voor voorstellingen in 2011 overgangsrecht van toepassing is, hoeven hier geen extra administratieve handelingen voor verricht te worden. De tariefswijziging zelf zal voor de theaters, schouwburgen, uitvoerende kunstenaars en verkopers van kunst- en verzamelvoorwerpen tot een eenmalige aanpassing leiden welke kosten geschat worden op circa € 0,5 mln. Deze kosten kunnen oplopen indien bijvoorbeeld theaters en schouwburgen ervoor kiezen om hun brochures voor het seizoen 2010/2011 te herdrukken met de nieuwe prijzen in verband met de btw-maatregel.

Verhoging assurantiebelasting

De verhoging van het tarief voor de assurantiebelasting leidt structureel niet tot hogere administratieve lasten. Voor de invoering zullen wel eenmalige kosten worden gemaakt. Het gaat hierbij dan om de kosten van het herzien van premiebetalingen die na 1 januari 2011 gedaan worden. Strikt genomen zijn verzekeraars niet verplicht (maar wel gerechtigd) de hogere assurantiebelasting door te berekenen. Indien alle verzekeraars dit vanaf 1 januari 2011 wel zouden doen, zouden de administratieve lasten eenmalig stijgen met € 9 mln. Indien zij dit niet doen zal de tariefverhoging tijdelijk door de verzekeraars moeten worden betaald tot het moment dat nieuwe polissen met het nieuwe tarief worden uitgestuurd.

Afschaffen heffingskortingen box 3, de persoonsgebonden aftrek voor verliezen op directe beleggingen in durfkapitaal en het niet invoeren van de faciliteiten voor MKB-beleggingen

De afschaffing van deze faciliteiten per 1 januari 2011 kan niet meer worden verwerkt in de voorlopige aangifte IB 2011 (VA 2011). Dit heeft tot gevolg dat er circa 6 000 belastingplichtigen zullen zijn die in de voorlopige aanslag of voorlopige teruggaaf voor 2011 ten onrechte een beroep zullen doen op de genoemde faciliteiten. Dit betreft circa 2,5% van de totale groep belastingplichtigen die van deze posten gebruik maken. Voor deze groep zal gelden dat ze een te hoge teruggaaf IB krijgen of te weinig belasting vooruitbetalen. Dit wordt bij de aangifte/definitieve aanslag IB 2011 (DA 2011) vanaf april 2012 rechtgetrokken. Zij kunnen er eveneens voor kiezen om de VA 2011 te herzien. Indien alle 6 000 belastingplichtigen dit doen, zou dat éénmalig tot een verhoging van de administratieve lasten voor burgers van circa 1 000 uur in 2010 betekenen. De administratieve lasten voor burgers zullen daarnaast dalen aangezien de vragen over het recht op en de hoogte van de box 3 heffingskortingen komen te vervallen. Dit levert een administratieve lastenverlichting op van in totaal circa 7 000 uur structureel.

Het niet invoeren van de faciliteiten voor MKB-beleggingen betekent dat de voorziene verhoging van de administratieve lasten voor bedrijven met € 0,4 mln. niet plaatsvindt.

Terugsluis bedrijven

De tariefsmaatregelen in de afdrachtvermindering S&O leiden niet tot administratieve lasten.

Reactie Actal7

Actal heeft op verzoek een advies uitgebracht over de nota’s van wijziging op het Belastingplan 2011 en Overige fiscale maatregelen 2011. Dit advies is opgenomen als bijlage bij deze nota van wijziging. In reactie op dit advies zijn de éénmalige kosten van de btw-maatregel voor podiumkunsten en kunst- en verzamelvoorwerpen en de box 3 heffingskortingen nader berekend en uitgeschreven. Het advies rondom de verhoging van de assurantiebelasting is verwerkt.

II. Onderdeelsgewijs

Onderdeel 1

Artikel I, onderdelen Dbis, Db en Dc (artikelen 3 139 en 6.1 en afdeling 6.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Deze wijzigingen zien op het vervallen van de persoonsgebonden aftrek voor verliezen op directe beleggingen in durfkapitaal, die is opgenomen in artikel 6.8 van de Wet IB 2001.

Artikel I, onderdelen Dd en De (artikelen 8.2 en 8.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Deze wijzigingen houden verband met het vervallen van de heffingskorting voor maatschappelijke beleggingen en de heffingskorting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen.

Artikel I, onderdelen I en J (artikelen 8.19 en 8.20 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Met deze wijzigingen vervallen de heffingskorting voor maatschappelijke beleggingen en de heffingskorting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen.

Artikel I, onderdeel K (artikel 10a.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Deze bepaling houdt verband met de afschaffing van de aftrek van verliezen op als directe beleggingen in durfkapitaal kwalificerende leningen per 1 januari 2011. Voor verliezen op vóór 1 januari 2011 verstrekte leningen als bedoeld in artikel 6.8, eerste lid, van de Wet IB 2001, zoals dat op 31 december 2010 luidde, geldt dat de bepaling ter zake van de persoonsgebonden aftrek voor verliezen op beleggingen in durfkapitaal wordt gecontinueerd.

Voor situaties waarin door de schuldeiser na 31 december 2010 nog een nagekomen schuldaflossing wordt ontvangen op een geldlening ter zake waarvan hij vóór 1 januari 2011 dan wel – met toepassing van het in de vorige alinea beschreven overgangsrecht – na 31 december 2010 verliezen in aftrek heeft gebracht, wordt de huidige bepaling ter zake van het in aanmerking nemen van deze nagekomen schuldaflossing als een negatieve persoonsgebonden aftrek gecontinueerd. Dit voorkomt dat de aftrek van verliezen die in feite niet zijn geleden niet kan worden gecorrigeerd.

Onderdeel 2

Artikel IIIA (artikel I van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001)

Deze wijziging houdt verband met het vervallen van de persoonsgebonden aftrek voor verliezen op directe beleggingen in durfkapitaal, die is opgenomen in artikel 6.8 van de Wet IB 2001.

Onderdeel 3

Artikel VI (artikel 23 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen)

In onderdeel 3 is een wijziging opgenomen van de in het wetsvoorstel opgenomen aanpassing van artikel 23, vijfde lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Die bepaling ziet op het plafond van de S&O-afdrachtvermindering. Dit plafond houdt in dat per inhoudingsplichtige dan wel per fiscale eenheid niet meer dan een vastgesteld bedrag aan S&O-afdrachtvermindering kan plaatsvinden. Het genoemde plafond is voor de jaren 2009 en 2010 tijdelijk verhoogd naar € 14 mln. en zou, zonder de in het wetsvoorstel opgenomen maatregel, per 1 januari 2011 weer naar het niveau van voor de intensivering, te weten € 8 mln., worden teruggebracht. Ingevolge het wetsvoorstel zou dit plafond per 1 januari 2011 niet worden verlaagd naar € 8 mln., maar naar € 11 mln. Door deze nota van wijziging wordt het plafond voor het jaar 2011 gehandhaafd op het in 2010 geldende niveau van € 14 mln. De looptijd van de tijdelijke verhoging van het plafond naar € 14 mln. wordt daarmee met één jaar verlengd.

Onderdeel 4

Artikel VII (artikel 23 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen)

De in onderdeel 4 opgenomen wijziging is uitsluitend van technische aard en vloeit voort uit de in onderdeel 3 opgenomen wijziging.

Onderdeel 5

Artikel XIX, onderdelen A en B (artikelen 28c en Tabel I van de Wet op de omzetbelasting 1968)

In Tabel I bij de Wet op de omzetbelasting 1968, waarin de categorieën diensten en goederen zijn opgesomd waarop het verlaagde btw-tarief mag worden toegepast, worden de posten voor kunst (onderdeel a, post 29) en podiumkunsten (onderdeel b, post 14, onderdeel d, en post 17) geschrapt. Dit betekent dat voor deze leveringen en diensten het btw-tarief van 19% geldt.

Artikel 28c van de Wet op de omzetbelasting 1968 wordt in verband met het vervallen van post 29 in onderdeel a van Tabel I van de Wet op de omzetbelasting 1968 aangepast.

Onderdeel 6

Artikel XIXA (omzetbelasting – toe te passen tarief kunstvoorwerpen)

Teneinde onduidelijkheid te voorkomen over de vraag welk tarief van toepassing is bij de tariefwijzigingen in de omzetbelasting ter zake van kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten, wordt in artikel XIXA, tweede lid, expliciet bepaald dat het tijdstip waarop het belastbare feit zich voordoet, bepalend is.

Onderdeel 7

Artikel XXI, onderdeel B (artikel 23 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer)

Het tarief van de assurantiebelasting wordt met ingang van 1 januari 2011 verhoogd van 7,5% naar 9,5%. Op grond van artikel 30 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer mag de verzekeringsmaatschappij de tariefsverhoging voor lopende verzekeringen doorberekenen aan haar klanten.

Onderdeel 8

Artikel XXIA (overgangsrecht tariefverhoging assurantiebelasting)

Uit de Wet op belastingen van rechtsverkeer blijkt niet eenduidig in hoeverre het verhoogde assurantiebelastingtarief ook al van toepassing is op premiebetalingen van verzekeringen waarvan het verzekeringsjaar vóór 1 januari 2011 is ingegaan, maar waarvan het lopende verzekeringsjaar ná 31 december 2010 eindigt. Het gaat dan om verzekeringen waarvan de laatste prolongatiedatum of de laatste datum van stilzwijgende verlenging vóór 1 januari 2011 plaatsgevonden heeft, maar waarvan de volgende prolongatiedatum, de volgende datum van stilzwijgende verlenging of de datum van beëindiging van de verzekering ná 31 december 2010 ligt. Ook gaat het hierbij om verzekeringen die nog nooit geprolongeerd of stilzwijgend verlengd zijn en ook niet op 1 januari 2011 geprolongeerd of stilzwijgend verlengd worden. Van prolongatie is sprake indien de verzekering met een bepaalde tijd (gewoonlijk één jaar) verlengd wordt. Van stilzwijgende verlenging is sprake bij verzekeringen waarbij overeengekomen is dat de totale verzekeringsduur van de verzekering langer dan één jaar duurt, maar waarbij er wel jaarlijks een hoofdpremievervaldatum is. Voor de premies van vorenbedoelde verzekeringen regelt het in artikel XXIA opgenomen overgangsrecht dat het nieuwe tarief van 9,5% van toepassing is op de premies voor deze verzekeringen die na 31 december 2010 vervallen. Voor het tijdstip waarop een premie vervalt, wordt aangesloten bij het tijdstip, bedoeld in artikel 26 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, waarin is bepaald dat de belasting verschuldigd wordt op het tijdstip waarop de premie vervalt. Het tijdstip waarop de premie vervalt is het tijdstip waarop de premie uiterlijk moet worden betaald. Indien de betaling van de premie vóór 1 januari 2011 plaatsvindt, maar het tijdstip waarop de premie vervalt na 31 december 2010 ligt, is op deze premie het nieuwe tarief van 9,5% van toepassing. Op de premies die zien op een periode die op of na 1 januari 2011 ligt voor verzekeringen die op of na 1 januari 2011 ingaan of voor verzekeringen die op 1 januari 2011 geprolongeerd worden of stilzwijgend verlengd worden, is het nieuwe tarief van 9,5% van toepassing ongeacht het tijdstip waarop de premie vervalt.

Onderdeel 9

Artikel XXIXA (overgangsrecht verliezen op beleggingen in durfkapitaal)

Deze bepaling houdt verband met de afschaffing van de aftrek van verliezen op directe beleggingen in durfkapitaal per 1 januari 2011. Voor situaties waarin door de schuldeiser daarna nog een nagekomen schuldaflossing wordt ontvangen op een geldlening ter zake waarvan hij vóór 1 januari 2011 verliezen in aftrek heeft gebracht, wordt de huidige bepaling ter zake van het in aanmerking nemen van deze nagekomen schuldaflossing als een negatieve persoonsgebonden aftrek gecontinueerd. Dit voorkomt dat de aftrek van verliezen die in feite niet zijn geleden niet kan worden gecorrigeerd.

Artikel XXIXB (overgangsrecht btw op kunst en podiumkunsten)

Voor vergoedingen die vóór 1 januari 2011 zijn ontvangen ter zake van muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen, alsmede lezingen, en optredens door uitvoerende kunstenaars die op of na deze datum plaatsvinden, blijft het verlaagde btw-tarief van toepassing. Dit betekent dat bijvoorbeeld voor kaartjes die zijn aangeschaft voor een musical die in 2011 plaatsvindt, geen 13% omzetbelasting hoeft te worden nagevorderd.

Onderdeel 10

Artikel XXXI (inwerkingtreding)

De in onderdeel 10 opgenomen wijziging is uitsluitend van technische aard en vloeit voort uit de in de onderdelen 5 en 6 opgenomen wijzigingen.

De staatssecretaris van Financiën,
F. H. H. Weekers

Noot 1: Kamerstukken II 2010/11, 32 505. In de tweede nota van wijziging op het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2011 wordt het niet doorgaan van de faciliteiten uit het in het Regeerakkoord genoemde Alternext-amendement geregeld. Het gaat hierbij om het laten vervallen van de wijzigingen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 die waren opgenomen bij een amendement op Overige fiscale maatregelen 2010 (Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 16). Op basis van de eisen op grond van de Europese staatssteunregels (zoals neergelegd in het Besluit van de Europese Commissie N 100/2010) waren in het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2011 overigens meerdere aanpassingen opgenomen.

Noot 2: Kamerstukken II 2008/09, 31 700 VIII, nr. 147.

Noot 3: Er wordt geen assurantiebelasting geheven op:• levensverzekeringen;• ongevallen-, invaliditeits- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen;• ziekte- en ziektekostenverzekeringen, waaronder zorgverzekeringen als bedoeld in de Zorgverzekeringswet;• werkloosheidsverzekeringen;• verzekeringen van zeeschepen, met uitzondering van pleziervaartuigen, alsmede verzekeringen van luchtvaartuigen die hoofdzakelijk als openbaar vervoermiddel in het internationale verkeer zullen worden gebezigd;• transportverzekeringen; • herverzekeringen;• exportkredietverzekeringen.

Noot 4: Zie Studiecommissie Belastingstelsel, Continuïteit en vernieuwing. Een visie op het belastingstelsel. Kamerstukken II 2009/10, 32 140, nr. 4. blz. 129–130.

Noot 5: De WBSO is de verzamelnaam voor de faciliteit afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (S&O-afdrachtvermindering) en de aftrek speur- en ontwikkelingswerk.

Noot 7: Ter inzage gelegd bij het centraal Informatiepunt Tweede Kamer.