Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling begroting Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2011

32500 XV 16 Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

Vergaderjaar 2010-2011

Nr. 16

Vastgesteld 29 november 2010

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie,
Van Gent

De griffier van de commissie,
Post

1

Welke bezuinigingen c.q. versoberingen worden in deze begroting ten opzichte van de vorige doorgevoerd? Graag een overzicht met een korte toelichting waarom.

In de beleidsagenda (paragraaf 5.2 vanaf blz. 17) staat een opsomming van de bezuinigingen cq versoberingen. Het betreft in alle gevallen nieuwe maatregelen (ten opzichte van de begroting 2010). In de genoemde paragraaf staat toegelicht waarom is gekozen voor deze maatregelen. In tabel 2.1 (blz. 19) staat een overzicht van de maatregelen, inclusief budgettaire doorwerking.

Ten opzichte van de begroting 2010 is sprake van een aantal tegenvallers. Deze tegenvallers doen zich met name voor in de arbeidsongeschiktheidsregelingen en de AOW. Ter compensatie van de tegenvallers is gezocht naar maatregelen die een zo beperkt mogelijke invloed hebben op de koopkracht en die de participatiedoelstelling van het kabinet niet schaden. Dit heeft geleid tot een vijftal maatregelen. Daarnaast is een besparing gerealiseerd door een aantal technische maatregelen, zonder rechtstreeks gevolg voor burgers en bedrijven. De bedoelde maatregelen zijn opgenomen in onderstaande tabel.

Tabel Ombuigingsmaatregelen (x € 1 mln)

Maatregel

2010

2011

2012

2013

2014

2015

1 Vervanging AOW-tegemoetkoming door koopkrachttegemoetkoming

 

– 105

– 109

– 113

– 117

– 120

2 Evenredige reductie re-integratiebudgetten

   

– 190

– 190

– 190

– 190

3 Korting Wsw-budget

 

– 120

– 120

– 120

– 120

– 120

4 Verlaging tegemoetkomingen met € 14 op jaarbasis

 

– 54

– 55

– 56

– 57

– 58

5 Extra korting AOW-partnertoeslag (van 6 naar 8%)

 

– 34

– 40

– 46

– 52

– 40

6 Technische maatregelen

– 129

– 120

– 25

– 41

– 70

– 71

             

Totaal

– 129

– 433

– 539

– 567

– 607

– 599

2

Worden in deze begroting hogere uitgaven voorgesteld ten opzichte van de vorige begroting? Zo ja, graag een overzicht en een korte toelichting waarom.

In de beleidsagenda (tabel 2.2, blz. 19–20) is een aansluitingstabel opgenomen. Deze tabel maakt de aansluiting tussen de begroting 2010 en de thans voorliggende begroting 2011. Het bevat daarmee alle bijstellingen in de begrotingsgefinancierde uitgaven. Ook in het verdiepingshoofdstuk (hoofdstuk 5, vanaf blz. 150) zijn alle mutaties sinds de begroting 2010 artikelgewijs weergegeven. Aandachtspunt is dat het in beide overzichten gaat om alle mutaties: het betreft dus zowel beleidsmatige bijstellingen (hieraan ligt een keuze ten grondslag) als autonome mutaties (mutaties in uitgaven die het gevolg zijn van externe omstandigheden). De grootste mutaties zijn:

  • •  Ramingsbijstelling WWB: De uitgavenramingen voor de bijstand zijn gedurende het jaar naar beneden bijgesteld. Dit werd voornamelijk veroorzaakt doordat de CPB-raming van de werkloze beroepsbevolking lager uitkwam dan eerder verwacht.
  • •  Rijksbijdrage BIKK AOW: door een bijstelling van de totale omvang van de kortingen in de CEP-raming van het CPB, is ook de rijksbijdrage BIKK aangepast.
  • •  Rijksbijdrage Vermogenstekort Ouderdomsfonds: de afrekening van de inkomstenbelasting en de loonbelasting uit eerdere jaren is in 2009 verschoven naar 2010. Hierdoor heeft in 2010 een dubbele afrekening plaatsgevonden. Dit leidt tot een extra betaling ten laste van het ouderdomsfonds. Hierdoor is in 2010 een hogere rijksbijdrage benodigd om het tekort aan te vullen. In 2011 vindt naar verwachting een reguliere afrekening plaats. De rijksbijdragen zijn ontvangsten voor de fondsen. Per saldo is er dan ook geen effect op de overheidsfinanciën.
  • •  Korting participatiebudget: Ter dekking van uitvoeringstegenvallers op de begroting van SZW is besloten het re-integratiebudget voor gemeenten en het UWV vanaf 2012 te korten met € 190 mln.
  • •  Inburgering: De korting op inburgering is onderdeel van de invulling van de bezuiniging van € 3,2 mln waartoe het vorige kabinet heeft besloten. De inburgeringsmiddelen lopen via de begroting van SZW, maar worden eveneens als ontvangsten geboekt. WWI is beleidsverantwoordelijk voor dit terrein.
  • •  Korting Wsw-budget: Ter dekking van uitvoeringstegenvallers op de begroting van SZW is besloten het Wsw-budget vanaf 2011 te korten met € 120 mln.
  • •  MKOB: De AOW-tegemoetkoming wordt vervangen door de Mogelijkheid Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen. De mutatie betreft de toevoeging van de middelen aan artikel 50. Tegenover deze extra middelen staat het vervallen van de uitgaven aan de AOW-tegemoetkoming.
  • •  Ramingsbijstellingen rijksbijdragen: deze mutatie betreft hoofdzakelijk het vervallen de rijksbijdrage AOW-tegemoetkoming. De AOW-tegemoetkoming wordt vervangen door de MKOB. Daarnaast is de raming van de premie-inkomsten AOW naar boven bijgesteld door het CPB. Het ouderdomsfonds kan hierdoor in de toekomst af met een lagere rijksbijdrage.

3

Deze nota is beleidsarm. Kan de regering aangeven of er nog beleidsrijke nota's van wijziging aankomen? Zo ja, op welke termijn?

De begrotingsaanpassingen die voortvloeien uit het Regeerakkoord en die al financiële consequenties hebben voor het begrotingsjaar 2011, exclusief de beleidsherverkavelingen tussen de verschillende ministeries, zijn verwerkt in een nota van wijzigingen die begin november naar de Tweede Kamer is gezonden. De beleidsherverkavelingen zullen worden verwerkt via een extra ronde van incidentele suppletoire begrotingen. Voor SZW gaat het hierbij om de overheveling van de kindregelingen en de kinderopvang naar SZW. De incidentele suppletoire begrotingen zullen in januari 2011 naar de Tweede Kamer worden gezonden. De overige maatregelen uit het Regeerakkoord, die dus pas na 2011 budgettaire effecten hebben, worden geformaliseerd in de begroting 2012.

4

Kan de regering de slecht afrekenbare doelstellingen uit het beleidsprogramma herformuleren in afrekenbare termen door duidelijk aan te geven welke specifieke effecten in 2011 worden nagestreefd?

De beleidsagenda beschrijft de belangrijkste beleidsrelevante ontwikkelingen op het terrein van SZW. Daarnaast wordt ingegaan op enkele brede thema’s die richtinggevend zullen zijn voor het beleid in 2011 en de daaropvolgende jaren, zoals verruiming van de arbeidsparticipatie en duurzame inzetbaarheid van werknemers.

De specifieke effecten die het kabinet in 2011 nastreeft zijn opgenomen als indicatoren bij de begrotingsartikelen.

5

Is de regering voornemens om de begroting te wijzigen naar aanleiding van het regeerakkoord en het gedoogakkoord?

Ja, zie het antwoord op 3.

6

Maakt het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid lespakketten? Zo ja, over welke onderwerpen, voor welk type onderwijs en wat zijn de kosten?

SZW maakt in de regel geen lespakketten. Vorig jaar was daarop een uitzondering in het kader van de nieuwe Wajongwet. SZW heeft toen eenmalig en doelgericht scholen voor speciaal en praktijk onderwijs aangeschreven met een brief en CDrom. Met de CDrom heeft SZW docenten en leerlingen gefaciliteerd om in de klas te komen spreken over talenten en mogelijkheden (wat kan je wel) in plaats van beperkingen (wat kun je niet). Via de mailing werden leerlingen tevens geattendeerd op de mogelijkheid om zich aan te melden voor het maken van een film. De kosten voor de productie en verzending van de mailing naar scholen voor speciaal en praktijk onderwijs waren € 26 135,37.

7

Het CPB heeft de effecten van het regeerakkoord op de werkgelegenheid en werkloosheid doorgerekend. Kan de regering deze effecten op de uitgaven onder de begroting kwantificeren?

Het CPB heeft berekend dat de bijstelling van de werkloosheid als gevolg van het regeerakkoord ongeveer 110 000 personen bedraagt in 2015. Hierdoor zijn de ramingen van de uitgaven aan bijstand en werkloosheidswet in 2015 met in totaal € 1,6 mld naar boven bijgesteld.

8

Hoe hoog is de totale geconstateerde uitkeringsfraude qua gevallen en qua financiële omvang? Kan de regering een inschatting geven van de totale vermoedelijke uitkeringsfraude? Hoe hoog zijn de apparaatskosten die gemoeid zijn met de opsporing van uitkeringsfraude?

Volgens de in de Integrale Handhavingsrapportage 2009 opgenomen kerntabel was er in 2009 sprake van ca. 89 000 constateringen van overtredingen inlichtingenplicht door personen met een sociale zekerheidsuitkering. Het ging hierbij om een totaal schadebedrag van 132 miljoen. Overigens moet worden bedacht dat het aantal niet geconstateerde overtredingen een veelvoud is van het aantal geconstateerde overtredingen.

Voor de direct met handhaving belaste onderdelen van de uitvoeringsorganen geldt de volgende informatie:

  • •  UWV: (jaarplan 2010) € 69,6 mln. geraamd voor handhaving bij de claimbeoordeling.
  • •  SVB: De salariskosten voor de afdeling Fraude-onderzoek en Opsporing van de SVB zijn voor 2011 begroot op ca. € 4,5 mln ( d.i. 73 fte)
  • •  Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) eind 2009 formatie van 326 fte.
  • •  Gemeenten: niet bekend.

9

Heeft de regering overwogen om de regelingen voor de BES in één artikel te plaatsen ten behoeve van de overzichtelijkheid?

Bij het toevoegen van de middelen die gemoeid zijn met de uitvoering van de BES-wetgeving is de afweging gemaakt tussen het creëren van één nieuw artikel en het opnemen in bestaande artikelen. Daarbij is de keuze gemaakt voor het toevoegen van de BES-uitgaven aan de bestaande artikelen. Van doorslaggevend belang was de constatering dat de uitgaven gemoeid met de BES-taken uitstekend passen binnen de bestaande doelstellingenstructuur van de SZW-begroting. Dat voor de BES-eilanden afzonderlijke wet- en regelgeving gelden, neemt niet weg dat de doelstelling van deze wet- en regelgeving aansluiten bij die in het Europese deel van Nederland. In een tweetal gevallen is besloten een nieuwe operationele doelstelling toe te voegen aan een artikel. Dat is het geval bij artikel 46 (nieuwe operationele doelstelling 6) en artikel 49 (nieuwe operationele doelstelling 4).

10

Kan de regering daar waar het coalitieakkoord invloed heeft op begrotingsuitgaven nieuwe budgettaire tabellen geven voor 2010 tot en met 2015?

Daar waar het coalitieakkoord invloed heeft op de uitgaven in het begrotingsjaar 2011 zijn de budgettaire consequenties opgenomen in nota’s van wijzigingen die begin november naar de Tweede Kamer is gezonden. Daar waar het coalitieakkoord leidt tot beleidsherverkavelingen, zullen de budgettaire consequenties voor het begrotingsjaar worden opgenomen in incidentele suppletoire begrotingen die in januari 2011 naar de Tweede Kamer zullen worden gezonden. Voor SZW gaat het hierbij om de overheveling van de kindregelingen en de kinderopvang. De overige maatregelen uit het Regeerakkoord, die dus pas na 2011 budgettaire effecten hebben, worden inzichtelijk gemaakt in de begroting 2012.

11

Wat zijn de criteria waaraan de wettelijke plicht tot tegenprestatie naar vermogen, die blijkens het regeerakkoord in de bijstandswet zal worden ingevoerd, moet voldoen?

Iedereen wordt geacht zelf in zijn of haar levensonderhoud te voorzien door middel van werk. Als uitvoerders van de Wet werk en bijstand helpen gemeenten aanvragers van bijstand daarbij. Indien dit door omstandigheden niet lukt, is er tijdelijk inkomensondersteuning. Hiervoor mag een tegenprestatie worden verwacht. Het kabinet is voornemens met een voorstel te komen dit uitgangspunt in de Wet werk en bijstand te verankeren. Voor deze voornemens geldt dat deze nog verdere uitwerking behoeven.

12

Waarom wordt er in deze begroting voor gekozen om de apparaatsuitgaven zoveel mogelijk aan de verschillende beleidsartikelen toe te rekenen? Waarom is er niet voor gekozen om in de toelichting per beleidsartikel aan te geven waar deze apparaatskosten uit bestaan?

In de begroting van SZW worden de apparaatsuitgaven zoveel mogelijk toegerekend aan de verschillende beleidsartikelen met als doel om inzicht te bieden in de integrale uitgaven van beleid. SZW sluit hiermee aan op het VBTB principe en op de Rijksbegrotingsvoorschriften.

Er is voor gekozen de apparaatskosten niet toe te lichten per beleidsartikel omdat uit de budgettaire tabel al duidelijk wordt waar de apparaatsuitgaven uit bestaan (namelijk uit personele en materiële kosten). Dit betreft het deel van de totale apparaatskosten dat direct aan het beleidsartikel kan worden toegerekend. De niet direct toe te rekenen apparaatskosten worden verantwoord op het niet beleidsartikel 98 Algemeen. Op pagina 136 van de begroting van SZW staat een totaaloverzicht van alle apparaatskosten van SZW.

13

Kan de regering, ter begripsverduidelijking, enkele voorbeelden geven waarbij sociaal-maatschappelijke veranderingen tot uitdrukking komen in «veranderende zekerheden»?

De afgelopen decennia zijn als gevolg van grote beleidshervormingen sociaalmaatschappelijke veranderingen tot stand gebracht. Grote hervormingen in de sociale zekerheid hebben geleid tot een stijgende participatiegraad. Zo heeft de introductie van de WWB geleid tot een daling van het bijstandsvolume van 350 000 in 2003 naar 304 000 in 2009. Na de introductie van de loondoorbetaling bij ziekte en de WIA is de instroom in de arbeidsongeschiktheidsregelingen WAO/WIA teruggelopen van circa 60 000 in 2004 naar bijna 36 000 in 2009.

De zekerheid van een uitkering is hiermee voor veel mensen verruild voor de zekerheid van een inkomen uit werk. De komende decennia zal de beroepsbevolking als gevolg van ontgroening en vergrijzing eerst stagneren, en daarna krimpen. Als gevolg van de krimp zien we tekorten op de arbeidsmarkt op ons afkomen en zal de kans op werk toenemen.

14

De constatering dat Nederland aan driemaal zoveel mensen beschutte arbeid biedt als Frankrijk, daar per persoon driemaal zoveel kosten voor maakt als Frankrijk en er «dus» verbeteringen mogelijk zijn roept de op of de regering al mogelijke maatregelen ter verbetering in heeft kaart gebracht. Zo ja, welke maatregelen zijn dit?

Op dit moment lopen de pilots Werken naar Vermogen, waarin onder andere gezocht wordt naar manieren om meer Wsw’ers bij reguliere werkgevers aan de slag te helpen («begeleid werken»). Er wordt dan minder beroep gedaan op beschut werk en omdat bij begeleid werken met het instrument loonaanvulling (loondispensatie) gewerkt wordt, leidt dat tot besparingen. De verschuiving van beschut naar begeleid werken maakt ook onderdeel uit van de uitwerking van de kabinetsplannen aangaande één regeling die de Wwb, Wajong en Wsw hervormt. Het doel van die maatregel is meer mensen te laten participeren, budgetten gerichter en effectiever in te zetten en daarmee kosten te besparen. Voor diegene die (nog) niet in staat is om bij een reguliere werkgever aan de slag te gaan, blijft beschut werk mogelijk. Het kabinet werkt de voorstellen hiertoe uit.

15

Welke factoren veroorzaken de hogere kosten per Wsw’er in Nederland ten opzichte van de kosten per Wsw’er in de andere landen die genoemd worden?

In veel andere landen zijn de arbeidsvoorwaarden soberder dan in Nederland. Daarnaast wordt er in Nederland geen onderscheid gemaakt tussen regelingen voor beschut, gedetacheerd of begeleid werken. In Nederland wordt financieel niet gedifferentieerd, waardoor elke categorie onder de Wsw valt. De subsidie is dus ook voor iedereen hetzelfde. In de andere landen bestaan er veel meer verschillende regelingen naast elkaar waardoor iemand van begin af aan bijvoorbeeld alleen aanspraak kan maken op begeleid werk bij een reguliere werkgever en dus ook niet in het circuit van beschutte arbeid terecht kan komen. Tevens zorgen de soberder arbeidsvoorwaarden er voor dat begeleid werken en uiteindelijk uitstroom naar regulier werk aantrekkelijker is dan in Nederland.

16

Welke concrete ideeën worden overwogen om de werkschool te realiseren? Wanneer wordt verwacht dat het uiteindelijke voorstel van de regering bekend zal worden? Wat is de tijdsplanning voor de uitvoering van het voorstel voor de werkschool?

Op 23 november wordt het advies van de commissie van deskundigen die het kabinet adviseert over de werkschool, aangeboden aan de minister van OCW. Het kabinet zal hierover begin 2011 een standpunt aan de Kamer aanbieden.

17

Erkend wordt dat ten aanzien van duurzame inzetbaarheid en versterking van kwaliteit de mogelijkheden van het MKB voor het loopbaanbeleid beperkt zijn. Welke rol ziet de regering in deze voor zichzelf weggelegd?

Inzet van het kabinet is te komen tot een akkoord met sociale partners. Nu de opgaande lijn van de economie lijkt ingezet, wordt de agenda voor het overleg met sociale partners mede bepaald door de structureel krapper wordende arbeidsmarkt. De krapte op de arbeidsmarkt die in de toekomst dreigt, in combinatie met de toegenomen economische dynamiek, vraagt om een hogere arbeidsparticipatie en een grotere mobiliteit en weerbaarheid van mensen op de arbeidsmarkt. Duurzame inzetbaarheid is wat het kabinet betreft dus een cruciaal onderwerp op de agenda voor het overleg met sociale partners in de komende periode. Daarmee staat het ook op de agenda voor het MKB. Momenteel voert MKB Nederland reeds in opdracht van de Ministeries van OCW en SZW het project Excelleren.nu uit. Het project richt zich op het versterken van de leercultuur op de werkvloer in MKB -bedrijven. In 2011 krijgen ten minste 500 MKB-bedrijven deskundig advies hierover en kunnen hiermee aan de slag. De resultaten van het project zullen breed binnen de sectoren worden gedeeld. Voor het project is € 5 mln. ter beschikking gesteld. Ook de vitaliteitsregeling kan de duurzame inzetbaarheid van werknemers verbeteren, mede door de mogelijkheid tot het sparen voor scholing.

Voor wat betreft versterking van kwaliteit zijn er mogelijkheden op het terrein van de rijksaanbestedingen: in de kern gaat het erom dat bij aanbestedingen minder nadruk wordt gelegd op prijs en meer op kwaliteitsaspecten. Dit punt is actueel in de schoonmaakbranche, maar het is ook relevant voor andere sectoren zoals particuliere beveiliging en de catering. In de schoonmaaksector wordt op initiatief van de branche gewerkt aan een code voor goed opdrachtgeverschap. De rijksoverheid is daar bij betrokken en nog dit jaar worden de eerste resultaten verwacht. Die code kan ook voor andere sectoren van belang zijn.

18

Welke maatregelen worden concreet in overweging genomen bij de opmerking dat er (bij de Wsw) verdere stappen moeten worden genomen om met minder geld meer mensen bij een reguliere werkgever aan de slag te helpen?

Concreet gaat het hierbij om maatregelen die het gemiddelde subsidiebedrag per werkplek terugbrengen. Het gaat dan om het zoveel mogelijk inzetten op werken bij reguliere werkgevers, zonodig met loonaanvulling tot maximaal het WML. Daarnaast lopen in het kader van de pilots werken naar vermogen diverse projecten en initiatieven om meer mensen met beperkingen aan het werk te helpen, bij voorkeur bij reguliere werkgevers. In pilot 1 gaat het om ervaring op doen bij toonaangevende werkgevers. Pilot 2 en 3 richten zich op de rol van SW-bedrijven en samenwerking op de werkpleinen. In pilot 4 wordt geëxperimenteerd met de inzet van loonaanvulling (loondispensatie) als instrument om meer mensen bij reguliere werkgevers aan de slag te helpen, onder vanuit het doel besparingen te realiseren.

19

Welke maatregelen naast vakscholen worden voorgesteld om de aansluiting van onderwijs op de behoefte van de arbeidsmarkt te verbeteren?

Op dit punt verwijs ik u naar de brief «Voortgang acties n.a.v. verkennend onderzoek Inspectie van het Onderwijs naar zorgplicht arbeidsmarktperspectief»die mijn ambtgenoot van OCW op 24 augustus jl. aan de Kamer heeft gestuurd (Kamerstuk 31 524, nr. 72). Daarin geeft zij aan dat er voor bekostigde mbo-instellingen een wettelijke verankerde zorgplicht arbeidsmarktperspectief geldt wat betreft het opleidingenaanbod. Deze zorgplicht dient er toe te bevorderen dat na afstuderen mbo'ers voldoende perspectief op de arbeidsmarkt hebben. Recentelijk is in opdracht van OCW een handreiking opgesteld die mbo-instellingen helpt bij het geven van een goede regionale invulling aan die zorgplicht.

Daarnaast verschijnt op korte termijn een advies van de Commissie Kwalificeren en Examinering dat mede betrekking zal hebben op de doelmatigheid van het opleidingenaanbod. Mijn ambtgenoot van OCW zal, zoals aangekondigd tijdens de begrotingsbehandeling van OCW, mede op basis van dit advies de MBO-agenda 2011–2015 aan uw Kamer zenden waarin tevens de aansluiting onderwijs op de arbeidsmarkt aan de orde zal komen.

20

Welke maatregelen worden getroffen om het aanpassingsvermogen en de mobiliteit binnen de arbeidsmarkt te verbeteren?

Het kabinet vindt het belangrijk om het aanpassingsvermogen en de mobiliteit te verbeteren. De dreigende krapte op de arbeidsmarkt in combinatie met de toegenomen dynamiek maken dit noodzakelijk. Het kabinet zet vooral in op scholing. Dit doet het kabinet met de volgende maatregelen:

  • •  Het kabinet bevordert dat werkgevers en werknemers afspraken maken over scholing en langdurige inzetbaarheid.
  • •  De levensloopregeling en het spaarloon worden geïntegreerd tot een vitaliteitsregeling die onder andere ondersteunt in het volgen van scholing en het opzetten van een eigen bedrijf. Hiermee wordt ook ingezet op duurzame inzetbaarheid.
  • •  Het kabinet bouwt in de masterfase een sociaal leenstelsel in. Dit zet studenten er toe aan zich beter op de arbeidsmarkt te oriënteren bij de keuze van een master.
  • •  In de crisis heeft het kabinet ingezet op het verbeteren van het aanpassingsvermogen door het opzetten van een landelijk netwerk van mobiliteitscentra. Deze mobiliteitcentra worden verankerd in de reguliere werkzaamheden.

Het algemeen verbindend verklaren van cao-afspraken over scholing en leeftijdbewust personeelsbeleid kan eventueel onderdeel zijn van het overleg over een nieuw breed sociaal akkoord. 

21

Welke maatregelen worden getroffen om de focus gericht op bescherming bij het behouden van een baan te verplaatsen naar een focus gericht op bescherming bij verandering van baan? Komt er een focus gericht op het behouden van werk in plaats van op het behouden van een baan?

Ja, er komt een focus op gericht op het behouden van werk in plaats van op het behouden van een baan. Het kabinet wil toe naar een dynamische arbeidsmarkt, waar mensen mobiel en weerbaar zijn. Mobiliteit wordt ondersteund door mobiliteitscentra. Daarnaast wordt er extra ingezet op duurzame inzetbaarheid via de vitaliteitsregeling.

22

Hoe verhoudt de in paragraaf 3.3.2. genoemde bedrijfstak voor arbeidsbemiddeling, uitzendarbeid en re-integratie zich qua omvang tot die in vergelijkbare landen? Kan de regering hierbij onderscheid maken tussen de werknemers die via deze bedrijfstak in andere bedrijfstakken werkzaam zijn en de «bemiddelaars»?

Deze informatie is op het gevraagde niveau van detaillering niet beschikbaar. De Standaard bedrijfsindeling (SBI) van het CBS is wel gebaseerd op de internationale indeling van de Europese Unie2 en op die van de Verenigde Naties3 maar cijfers voor de bedrijfstak «Arbeidsbemiddeling, uitzendbureaus en personeelsbeheer» zijn niet direct beschikbaar voor andere landen.

23

In het kader van minder middelen voor re-integratiebeleid wordt als eerste mogelijkheid voorgesteld een nog selectievere en meer vraaggerichte aanpak. Kan de regering nader toelichten waar aan gedacht wordt? Wat gebeurt er nu en wat kan minder?

Een vraaggerichte aanpak betekent dat het traject van arbeidsre-integratie wordt gericht op beschikbare vacatures bij een reguliere werkgever. Een meer selectieve aanpak betekent dat de gemeente of UWV goed nagaat of betrokkene ondersteuning nodig heeft of voldoende zelfredzaam is om op eigen kracht of via (intensieve) bemiddeling een arbeidsplaats te vinden.

Indien betrokkene meer ondersteuning nodig heeft, is het vervolgens van belang dat wordt vastgesteld welk instrument de beste resultaten voor deze persoon kan bieden. Het is daarnaast effectiever om andere belemmeringen, zoals bijvoorbeeld psychische problemen of problematische schulden, eerst of tenminste simultaan op te lossen.

24

Geconstateerd wordt dat minder middelen beschikbaar zijn voor re-integratie en in de Toelichting wordt hierover opgemerkt «bezien moet worden of in het kader van van-werk-naar-werk-trajecten de verantwoordelijkheidsverdeling heroverwogen moet worden». Welke mogelijke herverdeling(en) van verantwoordelijkheden kunnen eventueel overwogen kunnen worden?

Met een mogelijke heroverweging van de verantwoordelijkheidsverdeling wordt gedoeld op de rol van sociale partners. Het kabinet wil actief initiatieven ondersteunen die meerwaarde kunnen opleveren voor van werk-naar-werk transities. Het kabinet zal daarom experimenteerruimte geven aan samenwerkende werkgevers en werknemers in regio’s en sectoren. Doel van het experiment is bezien of sociale partners, als zij regie en beleidsvrijheid krijgen op de besteding van re-integratiebudget, aansprekende prestaties laten zien. Op basis van het Tijdelijk besluit van werk naar werk kunnen bij wijze van een bestuurlijk experiment (organisaties van) werkgevers in een regio of sector zelf de toeleiding naar ander werk van met ontslag bedreigde werknemers verzorgen. Hiervoor is € 2 mln gereserveerd in de Arbeidsmarktenveloppe 2010. Aanvragen konden worden ingediend tot 1 november. Inmiddels zijn diverse projectvoorstellen ontvangen. Verwacht wordt dat uiterlijk 1 december wordt besloten welke projecten mede-gefinancierd en uitgevoerd kunnen worden. Het kabinet is overigens van mening dat van-werk-naar-werk trajecten van met ontslag bedreigde werknemers, primair de verantwoordelijkheid is van werkgevers.

25

Welke ontwikkelingen zullen de werkpleinen het komende jaar moeten doormaken? In hoeverre is er sprake van een coherente aanpak op de circa 100 werkpleinen? In hoeverre worden «best-practices» gedeeld?

Met de ketenpartners is de afspraak gemaakt dat op 1-1-2011 de geïntegreerde dienstverlening op alle werkpleinen zal zijn ingevoerd. De ketenpartners werken toe naar een coherente aanpak op de werkpleinen. Door de ketenpartners is een brochure uitgebracht waarin de kaders voor geïntegreerde dienstverlening door de werkpleinen zijn aangegeven. Het regeerakkoord zal gevolgen hebben voor de dienstverlening op de werkpleinen. De komende periode zal nadere uitwerking daarvan plaatsvinden.

Via de website www.samenvoordeklant.nl worden best-practices en andere relevante informatie uitgewisseld, en worden handreikingen door de ketenpartners beschikbaar gesteld.

26

Voldoen genoemde middelen als certificering, wetswijzigingen en boetes om illegale arbeid en onderbetaling effectief te bestrijden? Kan dit met cijfers onderbouwd worden?

De precieze omvang van de niet-naleving van de Wet arbeid vreemdelingen en de Wet op het Minimumloon is uit de aard der zaak niet exact te meten. Uit de resultaten van de Arbeidsinspectie kan echter worden geconstateerd dat er de afgelopen jaren sprake is geweest van een voortdurende afname van overtredingen op het terrein van de Wet arbeid vreemdelingen en de Wet op het Minimumloon. Er is sprake van een gestage afname bij gelijkblijvende controles, zowel op het terrein van de Wet arbeid vreemdelingen als de Wet op het Minimumloon. In 2003 bleek nog in 35% van de controles dat er overtredingen waren van de Wet arbeid vreemdelingen. In 2006 was dat 26% en in 2008 18%. In 2009 is het percentage werkgevers dat een overtreding beging,nagenoeg gestabiliseerd: het percentage inspecties waarbij de inspecteurs een overtreding van de Wav en/of van de WML hebben geconstateerd was in 2009 17 %. Er was een stijging in de sectoren bouw, detailhandel, autobedrijven en horeca en een daling in de schoonmaaksector (Bron: Integrale rapportage handhaving 2009).

Een verklaring voor de – lichte – toename in 2009 is de aanscherping van de risico-analyses, waardoor de Arbeidsinspectie steeds meer vist in de vijvers waar de meeste vis zit. Daarnaast speelt de economische crisis een rol, waardoor werkgevers financieel onder druk komen te staan en sommigen van hen een oplossing zoeken in het illegaal inhuren van buitenlandse arbeidskrachten die bereid zijn voor lagere lonen te werken.

27

Worden bij de evaluatie van nieuwe instrumenten om werk met een uitkering te combineren in 2011 naast «bruikbaarheid» ook andere criteria gehanteerd? Zo ja, welke?

In 2011 zal gestart worden met de evaluatie van enerzijds het instrument loonkostensubsidie door UWV (inclusief de brugbanen) en anderzijds het instrument participatieplaatsen. Dan zullen ook de precieze criteria worden vastgesteld die bij de evaluatie zullen worden gehanteerd.

Voor het instrument loonkostensubsidie is een kwalitatieve evaluatie over de effectiviteit aan de Tweede Kamer toegezegd, uiterlijk een jaar na afloop van het instrument. Een monitor die UWV laat uitvoeren naar de inzet van brugbanen en loonkostensubsidie (waarover de Tweede Kamer periodiek is/wordt geïnformeerd) levert belangrijke input voor deze evaluatie.

Ten aanzien van de participatieplaatsen is een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk voorzien. Dit verslag zal uiterlijk in 2012 worden opgeleverd.

28

Welke resultaten kunnen er verwacht worden bij de hervormingen van het pensioenstelsel in 2011?

Bij de hervormingen van het aanvullend pensioenstelstel gaat het in hoofdlijnen om:

  • •  een aanpassing van het huidige financieel toetsingskader. De financiering van pensioenregelingen moet verbeteren zodat de zekerheid die wordt beloofd beter wordt waargemaakt;
  • •  het mogelijk maken van pensioenregelingen waarbij de reële ambitie voorop staat. Dit kan vanwege de kosten alleen op basis van voorwaardelijke pensioenaanspraken, die kunnen worden aangepast als de financiële positie van een pensioenfonds dat noodzakelijk maakt. Dit vereist onder meer een daarop afgestemd financieel toetsingskader en nieuwe communicatievoorschriften voor de deelnemer, en
  • •  pensioenregelingen waarbij rekening wordt gehouden met een stijgende levensverwachting.

29

In de beleidsagenda wordt beschreven dat het voor uitkeringsgerechtigden minder interessant wordt om te gaan werken, omdat alleen voor werkenden de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting wordt afgeschaft. Kan de regering een aantal oplossingen schetsen ter voorkoming van dit probleem, zonder dat daarbij de bijstand omlaag gaat? Kan de regering hierbij ingaan op pro's, contra's en budgettaire gevolgen?

Met de geleidelijke afschaffing van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting voor werkenden vanaf 2008 wordt het minder interessant voor uitkeringsgerechtigden om te gaan werken. Het kabinet stelt voor dit te voorkomen door de overdraagbaarheid voor de berekening van de minimumuitkeringen exclusief de AOW af te schaffen vanaf 2012. Dit levert een ombuigingsbijdrage van 210 miljoen als onderdeel van de totale ombuigingstaakstelling van 18 miljard in 2015. De maatregel leidt ertoe dat de bijstandsuitkering nominaal weliswaar blijft stijgen, maar minder dan zonder deze maatregel het geval zou zijn geweest (zie antwoord op 43).

30

Welke maatregelen zullen in 2011 worden getroffen om het financieel aantrekkelijker te maken om vanuit een uitkering te gaan werken?

Maatregelen die werken vanuit een uitkering aantrekkelijker maken staan beschreven in de begroting in artikel 41 op blz. 27:

  • •  Er zijn positieve effecten op de armoedeval (zowel werkloosheidsval, herintredersval als deeltijdval) als gevolg van de verlaging van het tarief van de eerste en tweede belastingschijf met respectievelijk 0,45%-punt en 0,05%-punt en als gevolg van de verlenging van de lengtes van de eerste, tweede en derde belastingschijf met respectievelijk € 300, € 250 en € 450. Belastingplichtigen komen hierdoor minder snel in een hogere schijf met bijbehorend hoger tarief terecht.
  • •  Verder zijn er positieve effecten op de armoedeval (zowel werkloosheidsval, herintredersval als deeltijdval) als gevolg van de stijging van de arbeidskorting voor inkomens tot ca. € 43 000 met € 75 en voor hogere inkomens met € 55.
  • •  Het verhogen van de eigen bijdrage in de huurtoeslag leidt ertoe dat mensen minder huurtoeslag kunnen kwijtraken bij een hoger inkomen en heeft daardoor ook een positief effect.

31

Kan de regering in een overzicht de maatregelen voor 2011 ter bestrijding van jeugdwerkloosheid weergeven? Is de aanpak van de jeugdwerkloosheid geëvalueerd? Waarom is er besloten om vanaf 2012, na het aflopen van het Actieplan Jeugdwerkloosheid, helemaal geen geld meer uit te trekken voor jeugdwerkloosheid?

Voor de bestrijding van jeugdwerkloosheid zet het kabinet zowel generieke als incidentele maatregelen in. Een generiek instrument is de WIJ die vanaf 1 oktober 2009 is ingevoerd. De WIJ heeft als doel te bevorderen dat jongeren van 18 tot 27 jaar die een inkomensvoorziening aanvragen, duurzaam aan de slag komen en zo te voorkomen dat ze afhankelijk worden van de bijstand.

Het Actieplan Jeugdwerkloosheid is als tijdelijke maatregel in 2009 ingesteld om een extra impuls te geven om de nadelige effecten van de economische crisis op de jeugdwerkloosheid te bestrijden. Het Actieplan Jeugdwerkloosheid loopt door tot in 2011. De organisaties die betrokken zijn bij de uitvoering van het Actieplan brengen voor de afloop ervan in kaart welke positieve resultaten zij willen behouden en op welke wijze dit kan gebeuren. Op deze manier worden de lessen die zijn geleerd en de ervaringen en good practices die het Actieplan heeft opgeleverd ook voor de toekomst behouden.

De resultaten van het Actieplan worden gevolgd en uw Kamer wordt hierover via de voortgangsrapportages regelmatig geïnformeerd. Dit is voor het laatst gebeurd in de voortgangsrapportage van 1 september (TK, 2009–2010, 29 544, nr. 257).

32 en 34

Ter compensatie van een aantal uitvoeringstegenvallers wordt er een aantal maatregelen voorgesteld. Ook wordt daarbij te kennen gegeven dat daarnaast een besparing is gerealiseerd door een aantal technische maatregelen, zonder rechtstreeks gevolgen voor burgers en bedrijven. Het betreft een optelling van de inzet van de eindejaarsmarge, onderuitputting in eerdere beleidsclaims en kleine regelingen en de vrijval van gereserveerde middelen. Kan de regering deze maatregelen nader toelichten en zijn er wel indirecte gevolgen voor burgers en bedrijven aanwezig?

Waaruit bestaan de technische maatregelen en de bijbehorende kostenverdeling?

De genoemde technische maatregelen zijn zonder gevolgen voor burgers en bedrijven. Het betreft enerzijds reserveringen en voorzieningen voor risico’s die niet zijn opgetreden (waardoor een vrijval van middelen ontstaat) en anderzijds om bijstellingen (waardoor eveneens een vrijval van middelen ontstaat). In onderstaande tabel is een onderverdeling van de post «technische maatregelen» weergegeven.

Tabel uitsplitsing technische maatregelen (bedragen x € 1 mln)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Inzet eindejaarsmarge

– 53

         

Onderuitputting oude beleidsclaims en kleine regelingen

– 65

– 22

– 12

– 11

– 13

– 14

Vrijval reserveringen

– 16

– 12

       

Bijstelling niet-uitgekeerde loon- en prijsontwikkeling

– 1

– 45

– 39

– 40

– 57

– 57

Kasschuiven

5

– 41

26

10

   

Totaal technische maatregelen

– 129

– 120

– 25

– 41

– 70

– 71

33

Het beroep op de crisismaatregel EVC is beperkt. Klopt het dat het gebruik van EVC's in het algemeen laag is? Is de regering van plan om de regeling te herzien?

  • •  Uit onderzoek blijkt dat in 2007 9 900, in 2008 12 500 en in 2009 15 700 EVC’s («Erkenning Verworven Competenties») zijn gerealiseerd. De erkende EVC-aanbieders verwachten voor 2010 een verdubbeling van dit aantal. In deze ontwikkeling ziet de regering een groeiende belangstelling voor EVC’s.
  • •  De regering is niet van plan de regeling te herzien. De crisismaatregel Ervaringscertificaat en Ervaringsprofiel (EVP) is in april 2010 verruimd. Onafhankelijk van het al dan niet hebben van een startkwalificatie kunnen alle met werkloosheid bedreigde werknemers in aanmerking komen voor een EVC of EVP. Deze crisismaatregel loopt af op 31 december 2010.
  • •  Ook na 2010 kan UWV echter vanuit haar re-integratietaak een EVC of EVP blijven inzetten voor de groep van werkzoekenden die moeite hebben werk te vinden vanwege het ontbreken van diploma’s of certificaten. De overheid blijft het ervaringscertificaat stimuleren via campagnes en de bestaande fiscale tegemoetkomingen (die los staan van de crisismaatregel) voor werkgevers en particulieren.

35

Kan de regering ten aanzien van de korting op het Wsw-budget een nadere toelichting geven hoe de belemmeringen moeten worden weggenomen om meer mensen met een Wsw-indicatie bij een regulier bedrijf aan de slag te helpen? Kan de regering middels een cijfermatig overzicht aangeven waaruit blijkt dat de gemiddelde loonkosten afnemen en waaruit blijkt dat de SW-sector de afgelopen jaren een hoger percentage loonbijstelling heeft ontvangen dan de stijging van de gemiddelde loonkosten?

De belemmeringen in de Wsw om bij een reguliere werkgever aan de slag te gaan zijn onder andere gelegen in de relatief gunstige belonings- en secundaire arbeidsvoorwaarden. De beloning voor een functie in de Wsw is in de meeste gevallen hoger dan een soortgelijke functie bij een reguliere werkgever. De afgelopen jaren is de Wsw-CAO versoberd.

De uitgekeerde loonbijstelling betrof over de afgelopen jaren gemiddeld circa 2,3% per jaar, wat hoger is dan de gemiddelde jaarlijkse CAO-loonontwikkeling binnen de SW-sector welke ca. rond de 1,8% zit (zie ook het antwoord op 260).

36

Waarom heeft de regering er niet voor gekozen om per 2011 op de re-integratiebudgetten te bezuinigen?

Dit kan pas met ingang van 1 januari 2012, omdat er nog een bestuurlijk akkoord ligt tussen SZW en VNG tot eind 2011 waarin de hoogte van de re-integratiegelden is vastgelegd. Dit heeft tevens het voordeel dat gemeenten meer tijd hebben om de in en voor 2010 aangegane verplichtingen uit te kunnen voeren en anderzijds de toekomstige uitvoering van hun re-integratiebeleid aan te passen aan de lagere inkomsten.

37

Kan de regering inzichtelijk maken welke gevolgen de bezuinigingen op het re-integratiebudget met zich meebrengen voor de dienstverlening van het UWV en gemeenten?

In 2011 vindt geen bezuiniging op de re-integratiebudgetten plaats. Zoals in de begroting wordt vermeld zal eerst in 2012 op de re-integratiebudgetten worden bezuinigd. Als gevolg van deze besparing zullen gemeenten en UWV de re-integratiemiddelen selectiever en gerichter moeten gaan inzetten.

Zoals staat opgenomen in het regeerakkoord wil het kabinet toe naar één regeling die de Wwb, Wajong en Wsw hervormt met het doel meer mensen te laten participeren, budgetten gerichter en effectiever in te zetten en daarmee kosten te besparen. Dit betekent dat ook op het gebied van re-integratie het nodige zal veranderen. De Kamer zal bij de begrotingsbehandeling worden geïnformeerd over de programma-aanpak en een tijdschema.

38

Hoe wordt het budget dat bij gemeenten door de afgenomen loonkosten is vrijgekomen besteed? In hoeverre wordt dit budget door gemeenten geïnvesteerd in de Wsw?

De Wsw stelt dat de middelen Wsw, zoals verstrekt door het Rijk, dienen te worden ingezet voor de Wsw-geïndiceerden door hen aan het werk te helpen, waar mogelijk zo regulier mogelijk. Het budget wordt dus ingezet voor de doelgroep en als hiervan geld overblijft, nadat voldaan is aan de taakstelling zoals deze jaarlijks wordt opgegeven door SZW per gemeente, dan dient dit geld ingezet te worden voor de Wsw in algemene zin. Bijvoorbeeld door meer Wsw-geïndiceerden (boven op de opgegeven taakstelling) met «overgebleven» geld aan het werk te zetten. Dat dit ook gebeurt, blijkt uit de Wsw-statistiek; er zijn meer Wsw-plekken gecreëerd dan landelijk is vastgesteld (90 804). De keuze voor de wijze waarop niet-bestede gelden na voldoening van de taakstelling wordt ingezet, wordt aan de gemeente zelf overgelaten, mits het maar ten goede komt van de Wsw.

39

Wat zijn de te verwachten gevolgen van de korting op het Wsw-budget voor de ontwikkeling van de wachttijden voor plaatsing binnen de Wsw en de doorstroom vanuit de Wsw?

De uitstroom uit de Wsw wordt niet beheerst door het budget per plek; uitstroom uit de Wsw kan bijvoorbeeld plaatsvinden door overlijden, pensioen, ziekte of het niet langer behoren tot de doelgroep. De verlaging van het budget kan wel betekenen dat de vrijgekomen Wsw-plekken door uitstroom uit de Wsw niet zonder meer allemaal worden opgevuldhetgeen kan leiden tot stijging van de gemiddelde wachtduur op de wachtlijst. De instroom in de Wsw kan moeilijk worden geraamd omdat de aanvoor een Wsw-indicatie een vrijwillige keuze is. De korting op het Wsw-budget zal de sector Wsw naar verwachting wel prikkelen om kostenefficiënter en gerichter te gaan werken. De verwachting is dat dit leidt tot meer inzet en effect op doorstroom naar begeleid werken.

40

Heeft het hanteren van de «kaasschaafmethode» bij de «evenredige reductie re-integratiebudgetten» als oorzaak dat er zo goed als geen inzicht bestaat in de effectiviteit van deze budgetten? Zo nee, waarom is niet voor een reductie van verhoudingsgewijs inefficiënte budgetten gekozen?

De evenredige reductie betreft de verdeling die tussen enerzijds UWV en anderzijds gemeenten is aangebracht, waarbij een verdeelsleutel wordt gehanteerd die o.a. is gebaseerd op aantallen cliënten die worden bediend alsmede ook de omvang van deze budgetten. De belemmeringen die cliënten ervaren voor werkaanvaarding dienen leidend te zijn voor de inzet van re-integratieondersteuning, waarbij vervolgens het meest effectieve instrument wordt gezocht.

41

Kan de regering een toelichting geven op de aansluitingstabel zodat duidelijk wordt wat de achtergronden zijn van majeure wijzigingen in de begroting?

Tussen begroting 2010 en begroting 2011 hebben substantiële wijzigingen plaatsgehad. De voornaamste wijzigingen betreffen het bijstellen van de bijstandsraming (door een meevallende conjunctuur) en beleidsmaatregelen om tegenvallers op te vangen (bijvoorbeeld korting op gemeentelijke re-integratie). De toelichting op alle majeure wijzigingen is te vinden op pagina 99 t/m 103 van de verticale toelichting bij de miljoenennota. Deze verticale toelichting is onderdeel van de internetbijlagen bij de miljoenennota en kunt u vinden op de website rijksbegroting.nl (http://www.rijksbegroting.nl/binaries/pdfs/1/4/7/kst147870.pdf). Een gedetailleerd overzicht per artikel treft u aan in het verdiepingshoofdstuk in de begroting van SZW.

42

Wat is het effect op de koopkracht van de bezuiniging op mensen die werken in de sociale werkvoorziening?

De bezuiniging dient gerealiseerd te worden door de efficiency binnen de sociale werkvoorziening te verhogen. De uitwerking is aan gemeenten. Voor de huidige werknemers is in beginsel geen sprake van een gevolg. De Wsw-werknemers hebben een arbeidsovereenkomst welke niet kan worden ontbonden door een verlaging van het budget.

43

Wat is het effect op de koopkracht van mensen met een bijstandsuitkering door verlaging van het sociaal minimum de komende 20 jaar?

  • •  In het Regeerakkoord is aangekondigd dat de dubbele algemene heffingskorting in het referentieminimumloon geleidelijk wordt afgebouwd in 20 jaar tot een enkele algemene heffingskorting.
  • •  De algemene heffingskorting bedraagt € 1 987. Dit betekent voor een (echt) paar in de bijstand dat de uitkering over 20 jaar jaarlijks met € 100 minder stijgt. Het uitkeringsniveau van alleenstaanden en alleenstaande ouders is 70% respectievelijk 90% van het bijstandsniveau van een paar. Het effect van de maatregel is navenant lager voor deze groepen.
  • •  De maatregel is noodzakelijk omdat voor werkenden de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting nu al wordt afgebouwd. Aangezien dit voor het referentie minimumloon waarop de uitkeringen zijn gebaseerd nog niet is gedaan, gaat het kabinet hiermee aan de slag. Hiermee wordt voorkomen dat iemand in een bijstandsuitkering meer betaald krijgt dan iemand die een volle week werkt tegen het minimumloon. Werken vanuit de uitkering wordt hiermee financieel aantrekkelijker.
  • •  In termen van inkomenseffecten heeft deze maatregel op jaarbasis voor zowel paren, alleenstaanden en alleenstaande ouders in de bijstand een negatief inkomenseffect van ca. – ½ %.
  • •  Ten aanzien van de hoogte van de bijstandsuitkering moet aangetekend worden dat de uitkeringen zijn gekoppeld aan de lonen. Hoewel de exacte hoogte van de indexering niet bekend is, omdat deze halfjaarlijks wordt vastgesteld, zullen de bijstandsuitkeringen overigens naar verwachting nominaal blijven stijgen, zij het minder dan zonder deze maatregel.

44

Wat is de prognose van de ontwikkeling van de armoedecijfers voor de komende 20 jaar?

Voor deze lange termijn kunnen geen betrouwbare ramingen worden gemaakt.

45

Wat is de doelstelling in het kader van armoedebestrijding?

De beleidsdoelstelling van dit kabinet is het zoveel mogelijk voorkomen en oplossen van armoede door betaalde arbeid. De beste remedie tegen armoede is een baan. In dat kader is besloten dat voor de armoededoelstelling uit de EU2020 strategie ingezet wordt op het tegengaan van «jobless households»: het aantal huishoudens waar geen van de volwassenen werkt moet worden terug gebracht.

Het kabinet wil dat zoveel mogelijk slechts één overheid ergens over gaat. Gemeenten voeren het vangnet uit van de bijstand en de bijzondere bijstand. Gemeenten zijn binnen de overheid primair verantwoordelijk voor armoedebestrijding. Zij kunnen op lokaal niveau het best maatwerk bieden in begeleiding naar en bevestiging van economische zelfstandigheid. Gemeenten kunnen mensen daarbij aanspreken op hun eigen mogelijkheden en verantwoordelijkheden en de beschikbare middelen effectief inzetten.

Het Rijk kent uitsluitend een systeemverantwoordelijkheid op het terrein van armoedebestrijding. Het Rijk is verantwoordelijk voor wet- en regelgeving en onderzoek dat informatie op landelijk niveau oplevert, zoals de monitor betalingsachterstanden, onderzoek niet-gebruik, onderzoek participatie van kinderen. Met die informatie wordt de werking van het systeem gemonitord. Ook kunnen gemeenten de uitkomsten gebruiken voor hun beleid.

46

Hoeveel kinderen leven in een huishouden met een inkomen op of onder de armoedegrens? Wat is de ambitie c.q. doelstelling?

Armoede is niet eenduidig en met brede publieke en wetenschappelijke instemming te definiëren. Veelal wordt om praktische redenen een inkomensgrens gehanteerd die gemeenten hanteren bij hun minimabeleid. Zo gebruiken veel gemeenten voor het bepalen van de doelgroep voor hun armoedebeleid een beleidsmatige inkomensgrens gelijk aan 110 of 120 procent van het sociaal minimum, maar ook andere percentages komen voor. Het aantal minderjarige kinderen in huishoudens tot 120% van het sociaal minimum in 2008 wordt door het CBS op 385 000 geraamd, maar met de kanttekening dat een gezinsinkomen tot 120% van het sociaal minimum niet automatisch betekent dat er sprake is van armoede. Nederland kent een sociaal minimum dat toereikend wordt geacht om in het bestaan te voorzien. Daarnaast kan een laag inkomen ook tijdelijk van aard zijn.

Buiten een bepaald huishoudinkomen is «niet participeren» vaak een uiting van armoede. Om die reden is ingezet op participatie: kinderen kansen geven op ontwikkeling door financiële belemmeringen weg te halen. De CBS-cijfers concentreren zich alleen op een inkomensgrens (120% van het sociaal minimum) en rekenen die groep vervolgens tot de grootste risicogroep op armoede. Het Sociaal Cultureel Planbureau bekijkt juist de kant van kinderen die niet kunnen participeren om financiële redenen. Het aantal kinderen dat vanwege financiële redenen niet meedoet, is in 2008 66 000.

In vergelijking met andere Europese landen heeft Nederland overigens een laag aantal kinderen met risico op armoede (gemeten volgens de Europese armoedegrens).

Uit het SCP-rapport «Sociale uitsluiting bij kinderen: omvang en achtergronden» blijkt dat de rol en positie van de ouders een heel belangrijke factor is bij het niet kunnen meedoen van kinderen in de maatschappij. De inzet van dit kabinet op werk levert de beste bijdrage aan de bestrijding van armoede. Niet alleen maatschappelijke participatie van kinderen is belangrijk om bij deze groep sociale uitsluiting tegen te gaan, maar bovenal de participatie van de ouders. Het vergroten van arbeidsparticipatie draagt bij aan het tegengaan van armoede en sociale uitsluiting. Zo willen we kinderen kansen bieden op een goede toekomst.

47

Hoeveel gemeenten voeren armoederegelingen uit boven de 110% van de bijstandsnorm?

Dit is niet bekend, want de inkomensgrenzen die de gemeenten hanteren om in aanmerking te komen voor inkomensondersteuning, worden niet centraal gemonitord. Dit is aan gemeenten.

48

Wordt de langdurigheidstoeslag afgeschaft?

De langdurigheidstoeslag is een «bijzondere vorm» van bijzondere bijstand en is een jaarlijkse toeslag voor mensen die langdurig op een laag inkomen zijn aangewezen, geen in aanmerking te nemen vermogen en geen uitzicht op inkomensverbetering hebben.

Per 1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd aan de gemeenten en moeten gemeenten in een verordening regels opstellen ten aanzien van de hoogte van de toeslag en de invulling van de begrippen langdurig en laag inkomen. In november 2010 verschijnt een verkennende studie van IWI naar de wijze waarop de gemeenten hieraan invulling geven. Aan de Tweede Kamer is toegezegd dat deze studie eind 2010 wordt toegestuurd. In het Regeerakkoord is niet afgesproken de langdurigheidskorting af te schaffen.

49

Gaat de normering van de inkomensgrens van het minimumbeleid (110%) ook gelden voor 65-plussers, chronisch zieken, gehandicapten en andere mensen die niet in staat zijn om reguliere arbeid te verrichten?

De normering van de inkomensgrens van het gemeentelijk minimabeleid is opgenomen in het regeerakkoord en voorzien per 2012. Of en zo ja in welke mate de normering van de inkomensgrens van het gemeentelijk minimumbeleid (110% van het WML) per 2012 ook doorwerkt ten aanzien van 65-plussers, chronisch zieken/gehandicapten en andere mensen die niet in staat zijn om reguliere arbeid te verrichten, wordt nader uitgewerkt.

50

Hoeveel voedselbanken zijn er in Nederland? Wat is de doelstelling ten aanzien van het aantal voedselbanken?

Uit gegevens van de Stichting Voedselbank Nederland blijkt dat er in Nederland momenteel ongeveer 120 locale voedselbanken zijn. Er is geen doelstelling t.a.v. het aantal voedselbanken. Voedselbanken zijn een particulier initiatief. Het staat iedereen vrij een voedselbank te beginnen.

51 en 52

Wanneer is de inkomensontwikkeling zo evenwichtig mogelijk?

Hoe wordt de doelstelling van een evenwichtige inkomensontwikkeling over de verschillende inkomensgroepen, waaronder voor groepen zonder perspectief op de arbeidsmarkt en huishoudens met kinderen, precies gedefinieerd?

Een evenwichtige inkomensontwikkeling betekent dat er een evenwicht bestaat tussen de prikkel om te werken, de behoefte aan het beperken van de inkomensverschillen en evenwichtige overheidsfinanciën. Hiervoor is geen absolute maat te geven.

53

Kan de regering een nadere toelichting geven waarom ervoor is gekozen om gezinnen met meerdere kinderen een voordeel te geven door verhoging van de bedragen van het kindgebonden budget vanaf het tweede kind met 177 euro en voor het derde, vierde, vijfde en zesde kind, met respectievelijk 203, 199, 152 en 51 euro?

Het vorige kabinet heeft ervoor gekozen om de bedragen vanaf het tweede kind te verhogen, om zo tegemoet te komen aan de meerkosten die ouders met meerdere kinderen hebben. Hierbij is overigens sprake van afnemende meerkosten: door schaalvoordelen nemen de extra kosten per kind af met het kindertal.

54

Wat is het verband tussen de bezuinigingen op de kinderopvang en de arbeidsparticipatie?

De kinderopvangtoeslag is een instrument om de arbeidsparticipatie van, met name vrouwen, te bevorderen. Het effect van die bezuiniging op de arbeidsparticipatie zal mede afhangen van de gekozen invulling van de maatregel. De komende periode wordt bekeken hoe de voorgenomen bezuiniging zo goed mogelijk vorm gegeven kan worden, met inachtneming van de afspraken in het Regeerakkoord. Daarbij zullen zowel inkomens- als participatie-effecten worden meegewogen.

55

Kan de regering een nadere toelichting geven waarom vanwege de verzilveringsproblematiek niet alle ouderen (volledig) van de verhoging van de ouderenkorting profiteren?

De ouderenkorting is een korting voor 65-plussers op hun te betalen inkomstenbelasting. Zij hebben voordeel van de ouderenkorting zolang zij belasting verschuldigd zijn. Ouderen met een laag inkomen (of met een iets hoger inkomen in combinatie met grote aftrekposten) betalen te weinig belasting om de ouderenkorting volledig te verzilveren. In dat geval zullen zij ook geen (volledig) voordeel hebben van de verhoging van de ouderenkorting.

56

Kan de regering nader toelichten waarom ervoor is gekozen om de bezuinigingen op de kinderopvangtoeslag en de stijging van de zorgpremie niet mee te nemen in de ramingen van de koopkrachteffecten?

In het koopkrachtbeeld zijn alle relevante generieke regelingen verwerkt zoals veranderingen in belastingtarieven en premies voor de ZVW. Omdat de nominale zorgpremie verplicht is, is dus ook de stijging in de zorgpremie verwerkt in het koopkrachtbeeld. Overigens is ook de zorgtoeslag hierin meegenomen. Naast de verplichte regelingen kunnen er wijzigingen zijn in specifieke regelingen zoals de huurtoeslag en de kinderopvangtoeslag. Het recht daarvan is afhankelijk of iemand ook daadwerkelijk in een huurwoning woont of gebruik maakt van formele kinderopvang. Het standaard koopkrachtoverzicht in de begroting houdt geen rekening met wijzigingen in deze meer specifieke regelingen. Echter, substantiële wijzigingen in bepaalde gevallen worden wel beschreven in een voetnoot bij het standaard koopkrachtoverzicht en staan in de bijlage inkomensbeleid van de begroting. Overigens wordt in de berekening van de armoedeval (zowel werkloosheids-, herintreders-, als deeltijdval) wél rekening gehouden met de kosten van kinderopvang.

57

Kan de regering aangeven hoe groot de inkomensachteruitgang is voor een alleenstaande ouder die vier dagen gaat werken op minimumloonniveau en kinderen heeft die naar de kinderopvang gaan? In hoeverre loont het voor deze ouder om vanuit de uitkering werk te aanvaarden? Waarom zou deze persoon nog gaan werken? Kan de regering dit ook aangeven met betrekking tot het aanvaarden van werk op 120% minimumloonniveau? Waarom is er niet voor gekozen om maatregelen te treffen die deze negatieve effecten corrigeren?

De inkomensverandering voor een alleenstaande ouder die vanuit de bijstand 4 dagen gaat werken tegen minimumloon is –5%. Voor een alleenstaande ouder die vanuit de bijstand 4 dagen gaat werken tegen 120% van het minimumloon is de inkomensverandering +7% (zie ook tabel 41.3 van de SZW-begroting). De alleenstaande ouder die in 2011 5 dagen gaat werken tegen het minimumloon heeft te maken met een inkomensvooruitgang van 5%. In alle gevallen is aangenomen dat de alleenstaande ouder 2 schoolgaande kinderen heeft die 4 dagen per week gebruik maken van BSO.

De armoedeval bij alleenstaande ouders is te wijten aan het feit dat de alleenstaande ouder weliswaar een hoger netto inkomen krijgt doordat hij/zij aan het werk gaat, maar dat tegelijkertijd het recht op kwijtschelding en bijzondere bijstand daalt. Bovendien moeten er kosten voor kinderopvang worden gemaakt

Ook na de bezuinigingen voor 2011, ontvangen ouders overigens nog een substantiële bijdrage van de overheid in de kosten van kinderopvang. Voor de laagste inkomens geldt dat het aandeel van toeslag in de kosten daalt van 95½% in 2010 naar 92% in 2011. Voor het tweede kind blijft het aandeel van de toeslag ten opzichte van de kosten zelfs nagenoeg gelijk (96% in 2011 tov 96½% nu)

De groep die te maken heeft met deze armoedeval wordt gevormd door de alleenstaande ouders in de bijstand en de alleenstaande ouders die werken tegen een salaris in de buurt van het minimumloon. Op basis van inkomensstatistieken van het CBS blijkt dat circa 84 000 alleenstaande ouders een inkomen hebben tot 105% van het sociaal minimum. Hiervan hadden in 2008 50 000 huishoudens een bijstandsuitkering

Een verbetering van de financiële prikkels is moeilijk waar te maken zonder ofwel een aanzienlijke verlaging van de uitkering danwel een verbetering van het inkomen van werkenden, bijvoorbeeld door een verhoging van de arbeidskorting. Dit is echter een dure oplossing omdat alle werkende huishoudens (met/zonder kinderen) profiteren van deze maatregel.

58

Wanneer speelt er een negatieve armoedeval voor huishoudens met kinderen als gevolg van de verhoging van de bedragen in het kindgebonden budget voor tweede en volgende kinderen, wanneer ze deze verliezen bij een stijging van het inkomen door bijvoorbeeld herintreding of extra uren werken door minst verdienende partner? Kan de regering met een aantal voorbeelden aangeven waar het omslagpunt zit? Waarom is er niet voor gekozen om maatregelen te treffen om deze negatieve effecten te corrigeren?

Het kindgebonden budget wordt afgebouwd vanaf een belastbaar huishoudinkomen van € 28 897 euro met een afbouwpercentage van 7,6%. Met de verhoging van het kindgebonden budget wordt het inkomensgebied waarover wordt afgebouwd langer. Hierdoor hebben huishoudens met een belastbaar inkomen in het extra stukje van het afbouwtraject te maken met afbouw van het kindgebonden budget. Dit verhoogt de marginale druk met 7,6% in dit afbouwtraject. Gerichte compensatie voor dit effect is niet goed mogelijk en leidt weer tot andere vormen van herverdeling of kosten die elders gedekt moeten worden.

Tabel: voorbeelden met hoogte van het inkomen in 2011 waarbij recht op WKB volledig is afgebouwd
 

hoogte kind-gebonden budget excl verhoging

bedrag afgebouwd bij inkomen van:

hoogte kind- gebonden budget incl verhoging

bedrag afgebouwd bij inkomen van:

2 kinderen 6 en 11

€ 1 322

€ 46 292

€ 1 499

€ 48 621

3 kinderen 6, 11, 15

€ 1 736

€ 51 739

€ 2 116

€ 56 739

4 kinderen 6, 11, 15, 17

€ 2 138

€ 57 029

€ 2 717

€ 64 647

59

Kan de regering de ramingen voor koopkrachteffecten in 2010 en 2011 aanvullen met missende groepen, zoals bijvoorbeeld alleenverdieners met kinderen minder dan modaal, tweeverdieners modaal met en zonder kinderen en twee keer modaal met en zonder kinderen?

Een interdepartementale werkgroep heeft in het rapport «Opbouw en samenstelling inkomenskengetallen» (2003) onderzoek gedaan naar de te presenteren inkomensgroepen. Op basis van criteria (representativiteit, beleidsrelevantie en praktische bruikbaarheid) zijn de inkomensgroepen gekozen die weergegeven zijn in de standaard koopkrachttabel. Daarnaast is het mogelijk om de koopkrachtontwikkeling van aanvullende huishoudens weer te geven. In de onderstaande tabel zijn de koopkrachteffecten voor de gevraagde huishoudens opgenomen.

Tabel: koopkrachtontwikkeling enkele voorbeeldhuishoudens
 

Raming 2010

Raming 2011

Alleenverdiener met kinderen

   
120% WML1

– ¾

0

     

Tweeverdieners

   
modaal + modaal met kinderen2

– ½

– ½

2 x modaal + 2 x modaal zonder kinderen

– 1

– ¼

Noot 1: De beperking van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting is meegenomen in de koopkrachtcijfers 2011. Alleenverdieners met een partner geboren voor 1972 of met kinderen tot 6 jaar zijn door het vorige kabinet uitgezonderd van deze maatregel, waardoor de koopkracht van deze groep ½% hoger uitvalt. In de koopkrachtcijfers van 2010 is de beperking van de overdraagbaarheid nog niet meegenomen omdat de groep die binnen de gepresenteerde groep werd geraakt minder dan de helft van de populatie betrof.

Noot 2: In dit beeld is geen rekening gehouden met de bezuinigingen in de kinderopvangtoeslag. De koopkrachtontwikkeling van huishoudens die gebruik maken van kinderopvang ligt gemiddeld 1% lager.

60 en 61

Kan de regering uitleggen waarom de bezuinigingen op de kinderopvangtoeslag niet zijn meegenomen in de ramingen? Acht de regering het wenselijk dat gezinnen met kinderen die gebruik maken van de kinderopvangtoeslag er gemiddeld genomen veel meer op achteruit gaan dan andere kwetsbare groepen in de koopkrachtramingen voor 2011? Kan de regering dit nader toelichten?

Kan de regering het koopkrachtbeeld van gezinnen die gebruik maken van kinderopvangtoeslag inzichtelijk maken?

De effecten van de bezuinigingen op de kinderopvangtoeslag zijn toegelicht in de bijlage inkomensbeleid van de begroting en zijn ook meegenomen in de aldaar opgenomen puntenwolk. Daarnaast is de omvang van het gemiddelde effect benoemd in een voetnoot bij de koopkrachttabel voor 2011. Het effect is niet meegenomen in de koopkrachttabel zelf omdat in de tabel alleen de effecten van generieke, verplichte regelingen zijn verwerkt. Omdat niet alle huishoudens met kinderen gebruik maken van formele kinderopvang, en het effect bovendien per huishouden verschilt, zijn wijzigingen in de kinderopvangtoeslag niet opgenomen in de standaard koopkrachttabel.

62

Klopt het dat overschrijding in de kinderopvang vanaf 2011 gedekt wordt door een gelijke proportionele aanpassing van de kinderopvangtoeslagtabel voor zowel het eerste als het tweede kind en dat op deze wijze de aanpassing een procentueel gelijk koopkrachteffect heeft voor alle inkomensniveaus tot circa 113 000 euro per jaar, zoals in de Miljoenennota op pagina 62 staat? Is het niet zo dat de aanpassing in 2011 een procentueel ongelijk koopkrachteffect heeft omdat er gekozen is voor een inkomensneutrale invulling (iedereen gaat ongeveer evenveel meer betalen)? Is zeker dat vanaf 2012 de bezuiniging zodanig wordt ingevuld dat de aanpassing een procentueel gelijk koopkrachteffect heeft?

Het is niet zo dat, zoals de impliceert, iedereen evenveel meer gaat betalen aan kinderopvang. De bezuiniging die in 2011 ingaat, is zo vormgeven dat ieder huishouden bij een gelijk gebruik van kinderopvang er, bij benadering, relatief evenveel op achteruit gaat in besteedbaar inkomen. Dit betekent dat lagere inkomens in absolute termen er minder op achteruit gaan dan hogere inkomens; procentueel ten opzichte van hun besteedbaar inkomen gaan ze er evenveel op achteruit.

De aanvullende bezuiniging vanaf 2012, waartoe is besloten in de Miljoenennota 2011 en in het Regeerakkoord, is nog niet ingevuld. Het regeerakkoord noemt het afbouwen van de kinderopvangtoeslag voor het eerste en voor het volgende kind voor de hogere inkomens. Deze maatregel zal vooral de hoogste inkomens raken. De komende periode wordt bekeken hoe de voorgenomen bezuiniging zo goed mogelijk vorm gegeven kan worden, met inachtneming van de afspraken in het Regeerakkoord. Daarbij zullen zowel inkomens- als participatie-effecten worden meegewogen.

63

Is in 2011 sprake van minder financiële prikkels voor werkaanvaarding dan in 2010? Zo ja, welke afwegingen hebben hierbij een rol gespeeld? Welke effecten zijn te verwachten op het aantal werkloosheidsuitkeringen en arbeidsparticipatie?

Voor veel werkenden zijn de financiële prikkels voor werkaanvaarding iets verbeterd, vanwege de verhoging van de arbeidskorting en de lagere belastingtarieven. Voor huishoudens met kinderen die naar de kinderopvang gaan zijn echter de financiële prikkels voor werkaanvaarding in enige mate mate gedaald. Dit heeft voornamelijk te maken met de aanpassing van de eigen bijdrage in de kinderopvangtabel per 2011.

De afwegingen die van belang zijn voor het inkomensbeleid worden toegelicht in artikel 41 van de begroting van SZW. Hier wordt geschetst dat bij het inkomensbeleid constant een afweging gemaakt moet worden tussen het streven naar een evenwichtige inkomensontwikkeling, de bestrijding van de armoedeval en het streven naar evenwichtige overheidsfinanciën. Een maatregel die de ene doelstelling dichterbij brengt, leidt er vaak toe dat een andere doelstelling lastiger bereikbaar wordt. In het algemeen geldt dat een verbetering van de armoedeval een positief effect heeft op de arbeidsparticipatie en daarmee een positief effect op de uitstroom uit werkloosheidsuitkeringen. Het precieze effect op het aantal werkloosheidsuitkeringen en de arbeidsparticipatie is niet bekend.

64

Kan de regering de Kamer nader informeren over de financiële omvang om de groei van de armoedeval voor veel huishoudens als gevolg van de bezuiniging op de kinderopvangtoeslag, op een andere wijze te compenseren?

De bezuiniging op de kinderopvangtoeslag heeft een ongunstig effect op de armoedeval. Voor het compenseren van dit effect zijn in principe twee mogelijkheden. De eerste is het verlagen van de uitkeringen en de tweede is het verhogen van de inkomens van werkenden, door bijvoorbeeld verhoging van de arbeidskorting of de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Hierbij levert een verlaging van uitkeringen een besparing op, en een verhoging van de inkomens van werkenden zorgt voor een derving van (belasting)inkomsten. Hiermee zou tevens het budgettaire effect van de bezuiniging teniet worden gedaan.

65

De werkloosheidsval is ongunstig voor alleenverdieners met kinderen (slechts 2%) en alleenstaande ouders die vier dagen gaan werken (–5%). Kan de regering ingaan op beleidsopties om dit probleem te verhelpen, zonder dat de bijstand wordt verlaagd? Kan hierbij ook ingegaan worden op pro's, contra's en budgettaire effecten? Kan ook ingegaan worden op de rol die de kinderopvangtoeslag hierin kan spelen?

Bij het inkomensbeleid speelt constant een afweging tussen het streven naar een evenwichtige inkomensontwikkeling, de bestrijding van de armoedeval en het streven naar evenwichtige overheidsfinanciën. Een verbetering van de armoedeval zonder dat dit geld kost, onder de voorwaarde dat het inkomen op bijstandsniveau gelijk blijft, is niet goed mogelijk.

De werkloosheidsval voor alleenverdieners met kinderen kan worden verbeterd zonder dat het inkomen op bijstandsniveau wordt verlaagd kan alleen door het gaan werken meer aantrekkelijk te maken. Dit kan bijvoorbeeld door de arbeidskorting te verhogen; dit is echter een dure oplossing omdat alle werkende huishoudens (met/zonder kinderen) profiteren van deze maatregel. Omdat, behoudens bijzondere situaties, alleenverdienershuishoudens geen recht hebben op kinderopvangtoeslag, speelt de kinderopvangtoeslag geen rol in de werkloosheidsval van dit huishouden.

Bij de werkloosheidsval voor alleenstaande ouders spelen de kosten kinderopvang wél een rol. De werkloosheidsval kan worden verbeterd door de eigen bijdrage voor de kosten kinderopvang te verlagen. Het kabinet vindt echter – na de onstuimige groei van de uitgaven aan kinderopvang in de afgelopen jaren – een correctie nodig, zodat ouders proportioneel bijdragen. Overigens hebben maatregelen in de fiscale sfeer, zoals extra belastingkortingen voor alleenstaande ouders, slechts beperkt invloed vanwege de verzilveringsproblematiek bij alleenstaande ouders met een laag inkomen.

66 en 69

Is de regering van plan om aanvullende maatregelen te nemen om, ondanks de invloed van de recessie, toch de doelstelling te bereiken om in 2016 een bruto arbeidsparticipatie van 80% te bereiken?

In aanvulling op en ter versterking van het algemene arbeidsmarktbeleid is besloten tot het uitvoeren van een aantal aanvullende acties om de arbeidsparticipatie te vergroten, waarvoor een budget van circa 14,6 miljoen euro beschikbaar is. Welke prestatie-indicatoren worden door de regering bij deze acties geformuleerd?

Het kabinet vindt arbeidsparticipatie belangrijk, hetgeen ook blijkt het Regeerakkoord. De aanpak op de arbeidsmarkt zal nadere invulling moeten krijgen en dat is momenteel onderwerp van bezinning in het kabinet. Doelstellingen van het kabinetsbeleid worden verwerkt in de reguliere operationele doelstellingen en indicatoren in de betrokken artikelen van de begroting.

In het regeerakkoord neemt het kabinet onder andere de volgende maatregelen om de arbeidsparticipatie te verhogen:

  • •  De dubbele heffingskorting in het referentieloon wordt geleidelijk afgebouwd. Hierdoor wordt voorkomen dat het steeds minder aantrekkelijk wordt om vanuit de bijstand een baan te aanvaarden.
  • •  Het kabinet wil toe naar één regeling aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Hierdoor kunnen de gemeenten meer mensen laten participeren, budgetten gerichter en effectiever inzetten en kosten besparen.
  • •  Randvoorwaarde voor duurzaam inzetbaar zijn en blijven is het volgen van scholing. Het kabinet stimuleert scholing via het introduceren van een vitaliteitsregeling. Deze regeling ondersteunt in zorgtaken, in het volgen van scholing, het opzetten van een eigen bedrijf, demotie of deeltijd pensioen.

67

Kan de regering een doorrekening geven van het participatie-effect van de bezuiniging op de kinderbijslag?

Zie antwoord 54.

68

Welk aandeel van deze participatiedaling komt voor rekening van vrouwen?

Zie antwoord 54.

70

Wat is op dit moment de netto participatie? Heeft de regering ook een doelstelling voor de netto participatie? Zo ja, wat is deze? Zo nee, waarom niet en is de regering bereid alsnog een streefcijfer op te stellen?

In september was de netto-participatie 67,3% (voor seizoen gecorrigeerd). Het kabinet heeft in het Regeerakkoord geen participatiedoelstelling geformuleerd maar zal de doelstellingen van het kabinetsbeleid verwerken in de reguliere operationele doelstellingen en indicatoren in de betrokken artikelen van de begroting.

71 en 72

De doelstelling om 200 000 mensen aan het werk te helpen wordt niet gehaald. Is er wel nog een andere doelstelling? Het budget van 2011 is immers toch ergens op gebaseerd?

Welk bedrag is besteed aan het streven om 200 000 mensen extra aan de slag te helpen, en hoeveel mensen zijn er daadwerkelijk extra aan de slag geholpen?

Reeds in de begroting 2010 bent u geïnformeerd over het als gevolg van de economische crisis niet behalen van de beleidsdoelstelling van het toenmalige kabinet om het aantal uitkeringen met 200 000 te laten dalen. Ook is om dezelfde reden de doelstelling van 60 procent voor de indicator uitstroom naar regulier werk binnen 24 maanden na start re-integratieondersteuning gericht op regulier werk voor 2010 los gelaten.

Doelstellingen van het kabinetsbeleid worden verwerkt in de reguliere operationele doelstellingen en indicatoren in de betrokken artikelen van de begroting.

Binnen het totaal aan budgetten voor actief arbeidsmarktbeleid is geen bedrag geoormerkt gericht op het aan het werk helpen van een specifieke groep anders dan de daarin onderscheiden wetsdoelgroepen. Het streven was er bij de start van de vorige kabinetsperiode op gericht binnen de vigerende conjuncturele omstandigheden een extra uitstroom uit de uitkering naar werk te realiseren. De economische crisis heeft erin geresulteerd dat per saldo het beroep op de WW en de WWB is opgelopen, zij het veel minder dan aanvankelijk werd verwacht.

73

Hoeveel mensen met grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft het kabinet Balkenende IV wel aan het werk geholpen? Stelt de regering ook streefcijfers voor de komende jaren?

In de uitvoering van het re-integratiebeleid wordt een dergelijk onderscheid als bedoeld in de niet gemaakt. Elk jaar wordt er in de SZW-begroting en -jaarverslag gerapporteerd over de uitstroom naar werk na afloop van een re-integratietraject in een kalenderjaar (zie tabel 47.8 van de begroting).

Vooralsnog stelt het kabinet voor de indicator uitstroom naar regulier werk binnen 24 maanden na start re-integratieondersteuning gericht op regulier werk de streefwaarde op 60 procent. Gelet op het feit dat dit kabinet voornemens is de onderkant van de arbeidsmarkt te hervormen zal het kabinet zich in het kader van de begrotingsvoorbereiding 2012 bezinnen op daarbij passende operationele doelstellingen en indicatoren.

74

Kan de regering aangeven welke stappen er (extra) genomen zullen worden om de doelstelling van 80% bruto arbeidsparticipatie in 2016 te behalen?

Zie antwoord op 66 en 69.

75

Kan de regering het gebruik van de omscholingsbonus en de EVC-trajecten inzichtelijk maken? Wat zou de financiële consequentie zijn als beide instrumenten na 2010 voortgezet zouden worden?

In 2009 en 2010 (tot en met augustus) zijn in totaal 283 omscholingsbonussen toegekend, 504 ervaringscertificaten en 78 ervaringsprofielen. Dit betreft het gebruik van de tijdelijke crisismaatregelen. Het totale gebruik van EVC’s ligt veel hoger. Zie daarvoor het antwoord op 33.

Beide crisismaatregelen lopen af op 31 december 2010, maar ook daarna kan UWV vanuit haar re-integratietaak een EVC of EVP blijven inzetten voor de groep van werkzoekenden die moeite hebben werk te vinden vanwege het ontbreken van diploma’s of certificaten. Het kabinet acht voorzetting van de crisismaatregelen buiten de crisis niet effectief. Het beperkte gebruik van de extra maatregelen tijdens de crisis laat bovendien zien dat de behoefte aan beide regelingen beperkt is. Het kabinet blijft scholing en het ervaringscertificaat wel stimuleren via campagnes en de bestaande fiscale tegemoetkomingen voor werkgevers en particulieren.

76

Hoeveel begeleiders voor hoger opgeleide werkloze jongeren kunnen er worden aangesteld voor 3 miljoen euro?

Deze heeft betrekking op beleidsartikel 42, waarin staat dat voor het UWV-matchingsoffensief in 2011 € 3 mln beschikbaar is.

In het matchingsoffensief worden verschillende activiteiten ondernomen om werkloze jongeren te begeleiden naar de arbeidsmarkt. Bij de begeleiding van werkloze jongeren maakt het UWV mede gebruik van de zogenaamde «jongeren trainees». Dit zijn hoger opgeleide jongeren (HBO en WO-niveau) die het UWV voor een jaar aanstelt om ze ervaring als werkcoach op te laten doen. Van 1 oktober 2009 tot 1 oktober 2010 heeft het UWV de eerste 100 trainees aangesteld als jongeren werkcoach. Mede dankzij hun inzet zijn werkloze jongeren begeleid naar werk. En dankzij de werkervaring die zij bij het UWV WERKbedrijf hebben opgedaan, heeft 80% van de trainees aansluitend ander werk gevonden.

Vanaf 1 oktober 2010 zijn 120 nieuwe trainees voor een jaar aangesteld. Ook zij worden weer ingezet voor het begeleiden van werkloze jongeren.

77–81

Kan de regering aangeven wat de effectiviteit is van de doorwerkbonus? Kan de regering het gebruik van de doorwerkbonus specificeren voor de verschillende inkomensgroepen?

Kan de regering weergeven hoe de arbeidskorting en de doorwerkbonus voor oudere werknemers doorwerken in hun koopkracht? Draagt het behalve aan de bereidheid van ouderen om te werken ook bij aan de bereidheid van werkgevers om ouderen in dienst te nemen?

Hoeveel mensen nemen er extra deel aan de arbeidsmarkt dankzij de doorwerkbonus? Hoeveel van het budget voor de doorwerkbonus komt terecht bij de hoogste inkomens, de middeninkomens en de laagste inkomens?

De arbeidskorting voor ouderen, de doorwerkbonus en premievrijstelling- en premiekorting oudere werknemers beogen de arbeidsparticipatie van ouderen te stimuleren. Kan de regering een inschatting geven van de bruto- en netto-effecten van deze regelingen op het aantal arbeidsuren?

Kan de regering inzichtelijk maken hoeveel ouderen langer blijven werken met gebruikmaking van één van de drie regelingen en hoeveel arbeidstijd dit oplevert?

Het vorige kabinet heeft in januari 2009 een aantal maatregelen genomen om langer doorwerken te stimuleren. Met de doorwerkbonus voor ouderen vanaf 62 jaar en de hogere extra arbeidskorting voor ouderen vanaf 57 jaar is langer doorwerken voor werknemers financieel fors aantrekkelijker gemaakt. De premiekorting oudere werknemers faciliteert werkgevers bij het in dienst houden van oudere werknemers en het in dienst nemen van oudere uitkeringsgerechtigden. Deze premiekorting heeft de vroegere premievrijstelling vervangen. Hoewel de doorwerkbonus en de arbeidskorting in eerste instantie gericht zijn op de bereidheid van ouderen om langer door te werken, kunnen ze er ook toe leiden dat ouderen hun looneisen matigen waardoor werkgevers eerder bereid zullen zijn ouderen in dienst te nemen of te houden.

Gebruik regelingen en koopkrachteffecten

In tabel 1 is een overzicht gegeven van het gebruik van de doorwerkbonus voor de verschillende inkomensgroepen.

Tabel 1: gebruik doorwerkbonus
 

minimum – modaal

modaal – 2xmodaal

>2xmodaal

Totaal

Gebruikers doorwerkbonus

22%

44%

32%

100%

Budget doorwerkbonus

12%

41%

46%

100%

Ook is gevraagd naar het koopkrachteffect van de doorwerkbonus en de arbeidskorting voor oudere werknemers. Hieruit blijkt dat inkomens tot modaal relatief het grootste voordeel hebben van zowel de doorwerkbonus als de arbeidskorting oudere werknemers

Tabel 2: koopkrachteffect doorwerkbonus en arbeidskorting oudere werknemers
 

minimum – modaal

modaal – 2xmodaal

>2xmodaal

Gemiddeld

Doorwerkbonus

2%

Arbeidskorting oudere werknemers

1

¾

1

In 2009 zijn met gebruik van de premiekorting ruim 7 400 werknemers van 50 jaar of ouder vanuit een uitkering aan het werk gegaan. De premiekorting om werknemers van 62 jaar of ouder in dienst te houden werd in 2009 voor 114 000 werknemers toegepast.

Effectiviteit regelingen

Het CPB heeft een inschatting gemaakt van de effecten van de doorwerkbonus op de arbeidsparticipatie. Volgens het CPB leidt de doorwerkbonus tot een gemiddeld uitstel in pensionering van één maand. De participatie van mensen in de leeftijdsgroep 60–64 stijgt met 0,6%-punt en de totale participatie stijgt met ongeveer 0,1%-punt. Omdat de extra arbeidskorting voor ouderen een vergelijkbare vormgeving als de doorwerkbonus kent, heeft de extra arbeidskorting naar verwachting ook een positief effect op de arbeidsparticipatie. De premiekorting ouderen wordt in 2011 geëvalueerd.

82

Bij welke hoogte van de wig zal de regering ingrijpen? Aan wat voor soort maatregelen wordt dan gedacht? Wat zijn de mogelijkheden van de regering? Hoe scoort Nederland ten opzichte van andere landen?

De wig meet het gemiddelde verschil tussen loonkosten en het netto loon als percentage van de loonkosten. De regering gebruikt de wig niet als indicator op basis waarvan direct wordt ingegrepen als deze indicator fluctueert. Wel wordt er bij het opstellen van de begroting rekening gehouden met het effect van het beleid op de wig, gegeven het belang van de omvang van de wig voor de arbeidsparticipatie. Ook grijpt de regering in bij over- of onderschrijding van het lastenkader. Dit zorgt er voor dat het totaal van de lasten voor burgers en bedrijven zich ontwikkelt conform de ambities.

In vergelijking met andere OECD landen is de wig in Nederland gemiddeld. Ten opzichte van de EU-15 ligt de wig in Nederland iets lager dan het gemiddelde.

83 en 86

Kan de regering aangeven wat beoogd wordt in het kader van de reductie van administratieve lasten voor 2011? Welke maatregelen zullen door de regering getroffen gaan worden?

In de begroting wordt gesteld dat afhankelijk van de maatregelen van de nieuwe regering de administratieve lastenreductie kan teruglopen tot 28%. Kan de regering toelichten welke maatregelen zij gaat nemen en of zij dit percentage gaat behalen?

In de eindrapportage over het programma aanpak regeldruk voor bedrijven dat op 27 april 2010 aan de Kamer is gestuurd (Kamerstukken II, 2009/2010, 29 515, nr. 318) zijn de voorgenomen maatregelen van het vorige kabinet opgenomen die de horizon van een administratieve lastenverlichting voor bedrijven met 28% mogelijk maakten ten opzichte van 1 maart 2007. Het verschil tussen de behaalde reductie door het voorgaande kabinet en de potentiële reductie van 28% was er enerzijds in gelegen dat een aantal maatregelen nog wel door het vorige kabinet zijn genomen, maar nog moesten worden uitgevoerd. Anderzijds zijn er maatregelen die door het vorige kabinet zijn voorbereid waarover nog door de Staten-Generaal moet worden besloten bijvoorbeeld omdat deze controversieel zijn verklaard. Een overzicht van de maatregelen die dit betreft is aangegeven in de kwartaalrapportage over de voortgang van de reductie van administratieve lasten voor bedrijven dat op 6 september 2010 aan de Kamer is gestuurd (Kamerstukken II, 2009/2010, 29 515, nr. 323).

In het regeerakkoord zijn doelstellingen voor de reductie van administratieve lasten opgenomen voor deze kabinetsperiode. Over de wijze waarop de regering hier invulling aan gaat geven wordt de Kamer nog geïnformeerd.

84

Waarom is na de val van het kabinet Balkenende IV gekozen voor het beëindigen van het monitoren van de resultaten op het gebied van administratieve lastenverlichting?

De monitoring van de resultaten op het gebied van administratieve lasten is niet gestopt, zoals abusievelijk in de begroting van SZW voor 2011 (Kamerstukken II 2010/2011, 32 500 XV) staat vermeld. Voor de nieuwe doelstellingen voor de reductie van administratieve lasten deze kabinetsperiode wordt een nieuwe aanpak door de regering opgesteld en aan de Kamer toegestuurd. Hierin zal ook aangegeven worden hoe de Kamer geïnformeerd wordt over de voortgang van de reductie van administratieve lasten.

85

In de begroting is geen indicator voor de wig opgesteld. Het argument hiervoor lijkt te zijn dat de wig afhankelijk is van de beschikbare budgettaire ruimte voor lastenverlichting. Heeft de regering invloed op de budgettaire ruimte voor lastenverlichting? Zo ja, is het opnemen van een indicator niet alsnog een mogelijkheid?

De wig meet het gemiddelde verschil tussen loonkosten en het netto loon als percentage van de loonkosten. In de begroting is geen indicator voor de wig opgenomen, omdat de loonkosten slechts een onderdeel vormen van de totale lastenontwikkeling. Daarnaast bepalen ook zaken als pensioenpremies de omvang van de wig en hier heeft de regering beperkt invloed op. De lastenontwikkeling wordt aan het begin van een kabinetsperiode ingekaderd in een inkomstenkader. Gedurende de kabinetsperiode is de afspraak dat de (beleidsmatige) lastenontwikkeling gelijke voet houdt met het lastenkader.

Alleen de lastenontwikkeling voor zover het de loonkosten raakt worden gemeten in de wig. Een verschuiving van winstbelasting naar werkgeverspremies is lastenneutraal voor het bedrijfsleven, maar zou een verslechtering van de wig inhouden. Dit terwijl een verlaging van de winstbelasting wel het vestigings- en ondernemersklimaat kan verbeteren.

Omdat het kabinet uiteindelijk stuurt op de totale ontwikkeling van de (beleidsmatige) lastenontwikkeling binnen het lastenkader, is het niet goed mogelijk om een streven voor de wig te definiëren.

87

Wat is precieze definitie van de eenheid waarin de getallen van tabel 42.5 de ontwikkeling van arbeidskosten bedoelen weer te geven?

De genoemde tabel handelt over de ontwikkeling van de arbeidskosten per eenheid product in de industrie. De cijfers zijn afkomstig van het CPB. De ontwikkeling van de arbeidskosten per eenheid product is gelijk aan de ontwikkeling van de loonvoet (loonvoet=loonsom per werknemer) gedeeld door de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit (arbeidsproductiviteit=toegevoegde waarde per werkende).

88

Te kennen wordt gegeven dat in 2008 als gevolg van de krapte van de arbeidsmarkt ook veel personen zonder startkwalificatie in staat zijn gebleken tot de arbeidsmarkt toe te treden. Kan de regering dit uitdrukken in getallen? Heeft dit ook gevolgen voor het beleid gericht op het vergroten van het deel van de beroepsbevolking dat een startkwalificatie heeft op minimaal MBO-2 of HAVO-VWO niveau?

In 2008 is de beroepsbevolking 25–64 jaar zonder startkwalificatie toegenomen met 53 duizend personen, ofwel met 3,7 procent (tegenover een groei van de beroepsbevolking 25–64 jaar met startkwalificatie met 1,6 procent). In de jaren met een krappe arbeidsmarkt vinden ook veel mensen zonder startkwalificatie een baan. In een ruimere arbeidsmarkt kiezen werkgevers toch voor mensen met een startkwalificatie. In 2009 neemt het aandeel van 25–64 jaar zonder startkwalificatie in de beroepsbevolking weer af met bijna 1%.

Het beleid gericht op het behalen van een startkwalificatie blijft gehandhaafd. Personen zonder startkwalificatie hebben een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt. De jeugdwerkloosheid onder jongeren zonder startkwalificatie ligt al jaren ongeveer twee keer zo hoog als onder jongeren met een startkwalificatie. Bij een laagconjunctuur worden de jongeren zonder startkwalificatie eerder werkloos. De jeugdwerkloosheid onder jongeren zonder startkwalificatie liep bijvoorbeeld met 9,9%-punt op van het 3e kwartaal 2008 op het 3e kwartaal 2009. Onder de jongeren met een startkwalificatie liep de werkloosheid met slechts 2,4%-punt op in diezelfde periode. Nog ruim 20% van de beroepsbevolking heeft geen startkwalificatie. Alle reden dus om het startkwalificatiebeleid voort te zetten.

89

Waarom heeft de regering geen streefwaarde opgenomen voor het percentage van de beroepsbevolking dat in 2011 over een startkwalificatie zou moeten beschikken?

De verwachting is dat het streefcijfer voor 2010 (vrijwel) gerealiseerd zal worden (zie ook vraagnummer 90). De streefwaarde kwam voort uit de EU 2010 strategie (de zogenoemde Lissabondoelstellingen). De EU 2020-strategie, de nieuwe langetermijnstrategie van de Europese Unie voor een sterke en duurzame economie met veel werkgelegenheid, is er vooral op gericht dat minder jongeren vroegtijdig de school verlaten. Ingezet wordt dus op preventie. Het percentage voortijdig schoolverlaters (zonder startkwalificatie) dient in 2020 te zijn gedaald naar 8%. In 2009 ligt dit percentage op 10,9%. Met het behalen van de streefwaarde voor het percentage van de beroepsbevolking van 25–64 jaar met een startkwalificatie in 2010, ligt het in de rede nu niet in te zetten op nieuwe doelstelling met streefwaarden voor deze indicator, maar om te kiezen voor een streefwaarde voor voortijdig schoolverlaten. Dit om te voorkomen dat ze de arbeidsmarkt betreden zonder startkwalificatie.

90

Het aandeel in de beroepsbevolking met een startkwalificatie is in twee jaar met 0,1 procentpunt gestegen (77,5% in 2007 en 77,6% in 2009). Voor 2010 wordt minimaal gestreefd naar een percentage van 79%. Dit is een stijging van minimaal 1,4 procentpunt in één jaar. Welke middelen zet de regering in om dit streven te bereiken? Is hier extra budget voor uitgetrokken? Gaat de nieuwe regering een streefcijfer opnemen voor 2011 en later?

In 2008 was sprake van een afname van het aandeel in de beroepsbevolking met startkwalificatie. In 2009 en – naar verwachting ook in 2010 – neemt het aandeel met startkwalificatie weer toe. Op basis van cijfers t/m het tweede kwartaal 2010 zou de toename van het aandeel met startkwalificatie in 2010 1,0 procentpunt kunnen bedragen (mutatie 2e kwartaal 2009 / 2e kwartaal 2010). Daarmee zou de doelstelling van 79 procent al (vrijwel) gerealiseerd worden in 2010 (met 77,8 + 1,0 = 78,8 procent).

Door het programma «Aanval op de schooluitval» wordt het aantal schooluitvallers succesvol teruggedrongen. Dit blijkt onder andere door de versterkt doorgezette daling van 50 900 voortijdig schoolverlaters in het schooljaar 2006–2007 tot 41 800 in het schooljaar 2008–2009. Voor het huidige schooljaar 2010–2011 ligt het streefcijfer op 35 000 en voor het schooljaar 2014–2015 op 25 000. Het aantal toetreders zonder startkwalificatie op de arbeidsmarkt daalt hierdoor.

Het Ervaringscertificaat (EVC) is een belangrijk instrument om het aandeel in de beroepsbevolking met een startkwalificatie te verhogen. Het totale aantal jaarlijks uitgevoerde EVC’s is gestegen van 9 900 in 2007 naar 12 500 in 2008 en 15 700 in 2009. De erkende EVC-aanbieders verwachten voor 2010 een verdubbeling van dit aantal.

Verder richt het project Excelleren.nu zich op versterking van de leercultuur in het MKB. De 44 leerwerkloketten, die nu op de Werkpleinen operationeel zijn adviseren bedrijven en individuen over leermogelijkheden en financiële prikkels vanuit de overheid, zoals de fiscale tegemoetkoming voor werkgevers die een voormalig werkloze scholing bieden om een startkwalificatie te behalen.

Deze activiteiten en de ingezette faciliteiten zullen naar verwachting het aandeel mensen in de beroepsbevolking met een startkwalificatie doen stijgen.

De regering neemt geen nieuw streefcijfer op voor 2011 en daarna.

91

In de begroting wordt gesteld dat de realisatiecijfers voor startkwalificaties achterlopen op de streefcijfers als gevolg van krapte op de arbeidsmarkt in 2008. Heeft de ruime arbeidsmarkt (vooral voor jongeren) als gevolg van de economische crisis een omgekeerd effect gehad? Waren de streefcijfers makkelijker bereikbaar doordat veel jongeren doorstudeerden in verband met een gebrek aan banen?

In het Actieplan jeugdwerkloosheid zijn acties opgenomen die jongeren langer op school moeten houden en het aantal leerwerkbanen moeten doen stijgen. Dit heeft een dempend effect op de intrede op de arbeidsmarkt zonder startkwalificatie. Het actieplan is in werking sinds 1 september 2009.

Het meerjarige beleid om het aantal voortijdig schoolverlaters terug te dringen (het programma «Aanval op de schooluitval») heeft sinds 2002 voortdurend resultaat geboekt. De recente economische recessie heeft gezien de iets mindere resultaten in de terugloop in de voortijdige schooluitval in het schooljaar 2008–2009 mogelijk wel een negatieve werking op het vinden van de noodzakelijke opleidingswerkplek voor BBL – deelnemers. In de cijfers voor 2009 – 2010 zou het positieve effect van de maatregelen uit het Actieplan Jeugdwerkloosheid zichtbaar kunnen worden.

Verder dragen de door het kabinet genomen crisismaatregelen, deeltijd – WW, EVC – maatregel en de scholingsbonus, bij aan de deelname aan scholing en daarmee aan het bereiken van het streefcijfer voor het aandeel startkwalificaties in de beroepsbevolking.

92

Wat is het percentage bedrijven waarbij de Arbeidsinspectie de naleving van de WAV heeft gecontroleerd? Welke maatregelen zijn in de afgelopen jaren genomen om het schrikbarend hoge percentage geconstateerde overtredingen van de WAV terug te brengen? Waarom is het niet gelukt en welke maatregelen worden momenteel overwogen om de WAV in de komende periode beter te handhaven?

Gerelateerd aan het totaal aantal economisch actieve bedrijven (CBS; stand januari 2009: ca. 844 000) is in 2009 feitelijk ongeveer 1½ % van de bedrijven bezocht. De inspectiecapaciteit van de Arbeidsinspectie (AI) wordt zo effectief mogelijk ingezet. Met behulp van risicoanalyse, gegevensuitwisseling en inspectie-ervaring wordt bevorderd dat alleen de meest risicovolle ondernemingen worden bezocht. De geïnspecteerde risicovolle ondernemingen hebben een relatief hoog overtredingspercentage van 17% in 2009. In 2009 is bij overtredende bedrijven € 26,5 mln aan boetes WAV opgelegd.

Er zijn diverse maatregelen getroffen voor een verbeterde handhaving door onder meer versterking van de ketensamenwerking. Zo worden extern meer gegevens uitgewisseld met de Belastingdienst, UWV WERKbedrijf en de IND. Intern wordt in de keten nauw samengewerkt met de SIOD en beleidsdirectie.  Door informatie uit inspecties en opsporing te bundelen kan per branche de meest effectieve mix van handhavingsinstrumenten worden bepaald en worden voor AI en SIOD gezamenlijke prioritaire thema’s benoemd, waar een groot deel van de capaciteit op wordt ingezet. Ook wordt relatief veel capaciteit besteed aan sector overstijgende fenomenen zoals kennismigranten, buitenlandse studenten en (schijn) zzp’ers. Notoire overtreders van de Wav worden intensief en versneld aangepakt.

De AI besteedt ook aandacht aan werkgevers die wel willen naleven, maar niet altijd volledig op de hoogte van de regels zijn. Door de nalevingscampagne «weethoehetzit» met de deelcampagnes «buitenlandse arbeidskrachten» en «verificatieplicht» en het beschikbaar stellen van informatieve folders en brochures wijst de AI werkgevers en werknemers op hun rechten en plichten.

93

Kan de regering uitleggen waarom er geen indicatoren voor arbeidsparticipatie van specifieke groepen als ouderen en niet-westerse allochtonen zijn gebruikt, terwijl er wel een indicator is voor de gehele beroepsbevolking? Waarom strekt de laatst genoemde indicator niet verder dan 2010?

Om de ontwikkeling van bepaalde groepen te kunnen volgen zijn onder de operationele doelstelling «Wegnemen van factoren die de arbeidsparticipatie van specifieke groepen belemmeren.» enkele specifieke kengetallen opgenomen. Het kabinet heeft in het Regeerakkoord geen participatiedoelstelling geformuleerd maar zal de doelstellingen van het kabinetsbeleid verwerken in de reguliere operationele doelstellingen en indicatoren in de betrokken begrotingsartikelen

94

Wanneer is er sprake van stabiele en evenwichtige arbeidsverhoudingen?

Het is kwantitatief moeilijk vast te stellen wanneer er sprake is van stabiele en evenwichtige arbeidsverhoudingen (zie ook de conclusies van de Beleidsdoorlichting Arbeidsverhoudingen (Kamerstukken II, 2008–2009, 30 982, nr. 5). Er is dan ook in de begroting geen indicator geformuleerd. In zijn algemeenheid kent Nederland, in internationaal vergelijkend perspectief, een grote mate van arbeidsrust. Dat blijkt ook uit het geringe aantal stakingsdagen in Nederland. Dit levert een positieve bijdrage aan de Nederlandse economie.

95

Kan de regering nader toelichten wat onder «Programma Uitgaven» wordt bedoeld met herschikking van middelen ten behoeve van onderzoek naar artikel 42?

Deze herschikking van middelen heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een amendement van het lid Spekman ten behoeve van het oprichten van een programmaproject bij de Arbeidsinspectie in 2010. Het amendement vraagt om een verkenning naar de aard en omvang van de problematiek omtrent illegale arbeid en daaraan verwante overtredingen.

96

Het budget in 2011 onder de operationele doelstelling 2 betreft een eenmalig subsidiebudget voor een initiatief ten behoeve van bescherming van werknemersbelangen. Welke initiatief is dit en wat wordt daarmee beoogd?

Dit betreft een subsidie aan Stichting Scharlaken Koord voor het opzetten van een «uitstapprogramma» voor prostituees. Prostituees die uit het vak willen stappen krijgen begeleiding op verschillende terreinen (o.a. weerbaarheid, huisvesting, schuldhulpverlening en loopbaanbegeleiding).

97

Kan de regering toelichten waarom de ontvangsten betreffende bestuurlijke boetes die volgen uit de handhaving van de Wet minimumloon in 2010 en verder navenant hoger zijn dan in 2009?

De ontvangsten van de bestuurlijke boetes WML in 2010 en 2011 zijn hoger geraamd dan in 2009 omdat rekening is gehouden met de nog te ontvangen boetes die in voorgaande jaren zijn opgelegd, maar nog moeten worden geïnd. Gelet op de hoogte van de boetes maakt een groot deel van de werkgevers gebruik van de mogelijkheid om de boetes in termijnen te voldoen

98

In de begrotingsuitgaven voor artikel 43 en operationele doelstelling 4 staat een oplopend bedrag aan subsidies gereserveerd. Kan de regering inzicht geven om wat voor subsidies het gaat?

Het verschil tussen het budget in 2010 en latere jaren wordt veroorzaakt door dat in 2010 ook op dit budget een herschikking van middelen is geweest. Van het oorspronkelijke budget is totaal ruim € 300 000 overgeboekt naar artikel 42. Deze middelen zijn besteed aan subsidies ten behoeve van arbeidsmarktparticipatie en leeftijdbewustbeleid. De beschikbare subsidiemiddelen voor 2011 en latere jaren zijn nog niet volledig specifiek belegd. Wel zijn middelen gereserveerd voor de bekostiging van de commissie gelijke behandeling en de commissie klachtenbehandeling aanstellingskeuringen.

99

Uitkeringslasten zwangerschap- en bevallingsverlof zullen ook in 2011 verder stijgen. Kan de regering aangeven wat zij van deze ontwikkeling vindt?

Zoals in de toelichting op tabel 43.2 vermeld, wordt de stijging van de uitgaven voor het zwangerschaps- en bevallingsverlof veroorzaakt door een toename van de arbeidsparticipatie van vrouwen. Hoewel dat tot een uitgavenstijging leidt, is dat een positief te waarderen ontwikkeling.

100 en 101

Kan de regering een nadere toelichting geven op de herijking van de uitvoeringskosten voor de uitkeringen zwangerschaps- en bevallingsverlof door het UWV? Waarom en hoeveel vallen deze hoger uit?

Wat is de oorzaak voor hoger uitvallende uitvoeringskosten voor zwangerschaps- en bevallingsverlof?

Claimbeoordelaars van UWV nemen de claimbeoordeling van verschillende wetten voor hun rekening, waaronder de claimbeoordeling voor zwangerschaps- en bevallingsverlof. Voor de toerekening van kosten aan wetten wordt een bepaalde verdeling verondersteld. Uit realisatiecijfers van UWV bleek dat de kosten voor de inzet van claimbeoordelaars voor zwangerschaps- en bevallingsverlof hoger waren dan in de jaren tot en met 2008 verondersteld. Dit heeft geleid tot een herijking van toerekeningsregels bij UWV. Deze bijstelling wordt in de najaarsnota SZW verwerkt en leidt dan ook bij SZW tot een structureel hoger bedrag aan uitvoeringskosten zwangerschaps- en bevallingsverlof. Daartegenover staan lagere uitvoeringskosten bij andere wetten zoals de WAO, omdat aan die wetten minder kosten in verband met claimbeoordelingen zullen worden toegerekend. De bijstelling heeft per saldo dus geen gevolgen voor de totale uitvoeringskosten van het UWV.

102

Kan de regering toelichten waarom de uitgaven voor ouderschapsverlofkorting in de begroting 2011 aanzienlijk lager uitvallen?

Het gebruik van de ouderschapsverlofkorting wordt geraamd op basis van een te extrapoleren deelwaarneming uit de aangifte-, en aanslaggegevens van de Belastingdienst. Er blijkt dat er meer ouderschapsverlofkorting wordt geclaimd dan bij de definitieve aanslag daadwerkelijk wordt toegekend. In de meeste gevallen duurt het enkele jaren voordat een aangifte leidt tot een definitieve aanslag. Pas achteraf wordt zichtbaar wat er terecht en wat er onterecht is geclaimd aan ouderschapsverlofkorting. Op basis van de definitieve aanslagen is de werkelijke derving berekend. De raming is hieraan aangepast.

103

Wat is de invloed van het in het regeerakkoord beschreven voorstel over het samenvoegen van de levensloop- en spaarloonregeling op de gebudgetteerde uitgaven aan de levensloopregeling? Wanneer kan de Kamer een uitgewerkt voorstel van deze vitaliteitsregeling tegemoet zien?

In de financiële bijlage van het regeerakkoord is opgenomen dat de vitaliteitsregeling budgetneutraal vorm zal krijgen. De regering hoopt de Kamer dit voorjaar meer informatie over de vitaliteitsregeling te kunnen verstrekken.

104

Kan de regering inzichtelijk maken hoeveel cao's afspraken bevatten inzake scholing en persoonlijk ontwikkelingsbeleid en of hierin ook onderscheid wordt gemaakt in bijvoorbeeld leeftijd, gender of contractvorm? Kan de regering aangeven of cao's aan de hand van bijvoorbeeld het toetsingskader AVV getoetst worden op afspraken over scholing of persoonlijk ontwikkelingsbeleid?

  • •  Uit de Voorjaarsrapportage cao-afspraken 2010 blijkt dat vrijwel alle cao’s afspraken over scholing bevatten. In 113 van de 115 onderzochte cao’s stond in 2009 een afspraak over scholing (99% van de werknemers). In 2009 kenden 57 van de 115 onderzochte cao’s een afspraak over een persoonlijk ontwikkelingsplan. In 22 van de 115 onderzochte cao’s is een afspraak opgenomen over een persoonlijk opleidingsbudget.
  • •  Cao-bepalingen over scholing waar onderscheid naar gender wordt gemaakt zijn niet aangetroffen. Cao-bepalingen waar onderscheid wordt gemaakt naar contractvorm komen bijna niet voor. Er is één cao in de steekproef waar bij een bepaling over loopbaanadvies onderscheid wordt gemaakt naar contractvorm.
  • •  In 25 cao’s komen scholingsafspraken voor waarin een relatie wordt gelegd met de leeftijd van de werknemer. In de meeste gevallen gaat het, in het kader van leeftijdsbewust personeelsbeleid, om oudere werknemers.
  • •  Op basis van het Toetsingskader AVV wordt bij een avv-verzoek gekeken of de cao niet strijdig is met wet- en regelgeving. Cao bepalingen die strijdig zijn worden niet algemeen verbindend verklaard.

105

Kan de regering inzichtelijk maken hoe de gelden uit sectorfondsen als O&O worden besteed, bijvoorbeeld hoeveel procent van het budget gaat naar scholing en hoeveel naar vrije tijd?

Sectorfondsen hebben tot doel de werking van de sectorale arbeidsmarkt te verbeteren. Scholing is daarvoor een belangrijk middel, zoals ook blijkt uit de verdeling van de bestedingen van de fondsen.

De minister van SZW heeft alleen zicht op de financiën van de algemeen verbindend verklaarde cao-fondsen. Uit de laatste monitor (over de jaarverslagen 2008) die u in het najaar van 2009 ontving blijkt dat de avv’de fondsen ongeveer de helft van hun uitgaven besteden aan activiteiten op het gebied van opleiding en ontwikkeling. Daarnaast worden middelen ingezet voor projecten op het gebied van werkgelegenheid, arbeidsomstandigheden, cao-gerelateerde doelstellingen en overige doelstellingen.

106

Welke oorzaken behoudens een wijziging in de steekproef liggen er volgens de regering aan ten grondslag dat het aandeel Ondernemingsraadplichtige ondernemingen met OR afgenomen is naar 70%? Wat vindt de regering van deze ontwikkeling?

Het is op basis van dit onderzoek te vroeg om te spreken van een ontwikkeling. De daling wordt in het rapport door de onderzoekers, behalve door een wijziging in de steekproef, verklaard doordat het aantal ondernemingen met 50 tot 75 werknemers flink zou zijn gestegen ten opzichte van 2005. In deze relatief kleine ondernemingen is de naleving traditioneel het laagst. De Wet op de ondernemingsraden (WOR) stelt een ondernemingsraad verplicht bij ondernemingen met 50 of meer werknemers.

107

Wat zijn de apparaatskosten die gepaard gaan met de subsidieregeling kwaliteit arbeidsverhouding? Kan de regering ingaan op de effectiviteit en doelmatigheid van deze subsidie?

De subsidieregeling draagt bij aan het verbeteren van de kwaliteit van de arbeidsverhoudingen; de facto de relatie tussen werkgevers en werknemers. Jaarlijks worden meerdere aanvragen ingediend in het kader van de subsidieregeling kwaliteit arbeidsverhoudingen. Hiervan worden jaarlijks tussen de 10 en 15 kleinschalige innovatieve projecten ondersteund die een verbetering van de kwaliteit van de arbeidsverhoudingen tot doel hebben. Door de eis van medefinanciering – 50% – worden alleen projecten goedgekeurd die op een breed draagvlak kunnen rekenen en die praktisch genoeg zijn om concrete resultaten te boeken. De totale apparaatskosten bedragen circa 25 000 euro.

108

Voor 2011 is er geen streefwaarde geformuleerd voor bevorderen combinatie arbeid en zorg. Wanneer kan de nieuwe indicator, die rekening houdt met andere instrumenten, zoals flexibele arbeidspatronen, worden verwacht?

Naar verwachting zal een nieuwe indicator in de Begroting voor 2012 worden opgenomen.

109

Wanneer kan de uitwerking van de beleidsverkenning Modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden in wetgeving verwacht worden (Kamerstuk 26 447, nummer 42)?

Zoals in het AO Arbeid en Zorg is aangegeven komt het kabinet in het voorjaar van 2011 met een wetsvoorstel.

110

Kan de regering een nadere toelichting geven over de discrepantie tussen feitelijke en gewenste opname van verlof?

De discrepantie tussen feitelijke en gewenste opname van verlof wordt gemeten als het aandeel werknemers (m/v) dat behoefte heeft aan verlof maar dit (nog) niet gebruikt, op het totaal aantal werknemers (m/v) met behoefte aan verlof. Een zeer hoog cijfer van deze indicator duidt er op dat veel werknemers wel behoefte hebben aan verlof ten behoeve van zorgtaken, maar dit verlof niet opnemen vanwege belemmeringen in het werk of vanwege financiële consequenties. Voor een laag cijfer geldt het omgekeerde.

111

Welke maatregelen zal de regering in 2011 treffen om ongerechtvaardigd leeftijdsonderscheid en discriminatie van etnische minderheden tegen te gaan?

Mensen horen beoordeeld te worden op hun talenten en niet op hun afkomst. De afgelopen jaren zijn verschillende instrumenten en initiatieven ingezet om discriminatie op de arbeidsmarkt tegen te gaan. De Tweede Kamer is hierover onder meer geïnformeerd in de kabinetsreactie op de «Monitor Rassendiscriminatie 2009 en de Discriminatiemonitor niet-westerse migranten op de arbeidsmarkt 2010» die op 1 juli 2010 aan de Kamer is aangeboden. Een groot deel van de in deze kabinetsreactie genoemde maatregelen loopt door in 2011. Daarnaast heeft SZW opnieuw aan het SCP opdracht gegeven om onderzoek te verrichten naar de aard en de omvang van discriminatie van allochtonen op de arbeidsmarkt. Dit onderzoek wordt in september 2012 afgerond.

112

Wat neemt de regering in overweging mee om een andere methodiek te hanteren om zodoende een meer concrete indicator voor de aanwezigheid van een beloningsverschil te hanteren, nu dit slechts wordt overwogen?

De betekenis van een indicator dient duidelijk te zijn en aan te sluiten op de primaire doelstellingen van het beleid. Nadeel van het tot op heden gehanteerde gegeven «gecorrigeerde loonverschillen» is, naast de gebleken afhankelijkheid van de gehanteerde methodiek, dat deze weliswaar inzicht geeft in een aantal factoren dat een rol speelt bij geconstateerde beloningsverschillen, maar noch voor ongelijke beloning noch voor ongelijke arbeidsmarktpositie een adequate indicator is. Voor de begroting 2012 zal worden besloten of en zo ja welke indicator voor dit beleidsonderdeel zal worden gebruikt.

113

Is er enig inzicht of de cijfers van tabel 43.10 impliceren dat er meer of minder melding wordt gemaakt of dat er daadwerkelijk sprake is van meer of minder ongelijke behandeling? Is er een andere maatstaf mogelijk waarmee de daadwerkelijke ongelijke behandeling gemeten kan worden?

De Commissie gelijke behandeling meldt in haar jaarverslag 2009 dat er geen grote wijzigingen zijn waar te nemen in het aantal verzoeken om een oordeel op de verschillende discriminatiegronden. Naast de cijfers van de Commissie gelijke behandeling is er een overzicht van discriminatieklachten die zijn geregistreerd bij antidiscriminatiebureaus en meldpunten van Art.1. Verder heeft SZW opnieuw aan het SCP opdracht gegeven om een onderzoek te verrichten naar de discriminatie van allochtonen op de arbeidsmarkt (zie antwoord 111).

114

Wat zijn de oorzaken van de stijging van de apparaatsuitgaven in tabel 44.3 en verwacht de regering dat deze trend zich zal voortzetten?

De verhoging is een gevolg van een andere toedeling van de capaciteit van met name de Arbeidsinspectie. De capaciteit van de Arbeidsinspectie is meer toegerekend naar artikel 44, ten koste van de artikelen 42 en 43. Daarnaast is de organisatiestructuur van SZW gewijzigd. Daardoor worden niet alleen de kosten van Arbeidsinspectie maar deels ook van andere directies binnen het domein van de Inspecteur-Generaal toegerekend aan artikel 44.

115

Wanneer wordt het nieuwe handhavingsprogramma verwacht? Op welke manier is budgettair rekening gehouden met dit programma?

Het Handhavingprogramma 2011–2014 is in een vergevorderd stadium van voorbereiding en zal nog dit kalenderjaar aan de Tweede Kamer kunnen worden aangeboden. Het Handhavingsprogramma zal worden gefinancierd uit artikel 98.

116

Wat is de verklaring voor een hogere raming voor 2010 van het percentage arbeidsongevallen onder werknemers met verzuim tot gevolg ten opzichte van 2009?

Statistisch gezien is er sinds 2005 geen significante stijgende of dalende trend in het aantal arbeidsongevallen zichtbaar. De kans op een arbeidsongeval is sindsdien gemiddeld 3,2%. Doordat de cijfers gebaseerd zijn op steekproefonderzoek, schommelen de jaarlijkse cijfers rond dit gemiddelde.

117

Kan de regering toelichten waarom wordt verwacht dat branches wel een arbocatologus gaan opstellen als gevolg van de subsidieregeling Implementatie Getoetste Arbocatlogi, terwijl zij dit bij de eerdere subsidieregeling niet deden? Ligt deze subsidieregeling ten grondslag aan het streven dat 80% van de werknemers onder een arbocatalogus valt in 2015 of worden er aanvullende maatregelen genomen?

Een arbocatalogus is niet wettelijk verplicht. In de SZW-begroting staat als streefcijfer dat 80% van de werknemers in 2015 onder een arbocatalogus valt. Een arbocatalogus is een vrijwillig instrument van sectorale werkgevers en werknemers om invulling te geven aan het arbeidsomstandighedenbeleid van de sector. SZW stimuleert de totstandkoming van catalogi via een subsidie aan de Commissie Begeleiding Arbocatalogi (CBA) van de Stichting van de Arbeid.

Op verzoek van de sociale partners in het CBA is voor 2010 ook de subsidieregeling Implementatie Getoetste Arbocatalogi ingesteld. Het CBA verwacht een dubbel effect van deze regeling, namelijk een stimulans voor de feitelijke implementatie van de catalogi in de sector alsook de totstandkoming van arbocatalogi. Het CBA verricht momenteel een evaluatie naar de effectiviteit van haar werkzaamheden. In het kader van de evaluatie van de Arbowet 2007 zal SZW eveneens het instrument arbocatalogi bekijken. Dit is ook het moment om te kijken of aanvullende maatregelen nodig zijn.

118

Wat verklaart het grote verschil tussen het percentage bij de naleving van bedrijven van de zorgplicht Arbowet en het percentage bedrijven dat bij hercontrole voldoet aan de Arbowet? Wat vindt de regering van dit verschil? Wat zijn de kosten die gemoeid zijn met de hercontrole? Wil de regering maatregelen nemen om het eerstgenoemde percentage te verhogen?

De lage naleving van de zorgverplichting Arbowet betreft vooral kleine bedrijven. Vaak volstaan eenvoudige oplossingen zoals het toepassen van een branche-RI&E en het gebruiken van branchespecifieke oplossingen voor gezond en veilig werken. Bij hercontrole hebben de ondernemers de gebreken alsnog hersteld. Dat verklaart het hoge percentage naleving bij controle.

De kosten van hercontrole uitgedrukt in capaciteit van inspecteurs komt op jaarbasis tussen 6 000 en 7 000 uur uit. Dat is circa 15% van de interventietijd (verblijftijd in bedrijven), die voor actieve arboinspecties is gereserveerd (dus exclusief onderzoeken van ongevallen en klachten en andere taken).

In 2011 treedt een wetswijziging in werking waardoor het voor kleine bedrijven met ten hoogste 25 werknemers eenvoudiger en goedkoper wordt om aan de RI&E-verplichting in de Arbowet te kunnen voldoen.

119

Kan de regering aangeven wat de betekenis is van «gemiddelde van vier zorgelementen»?

Het percentage bedrijven is het gemiddelde van de percentages van bedrijven die de volgende deelverplichtingen naleven: (1) de aanwezigheid van een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E), (2) het gebruik van arbodienstverlening, (3) de preventiemedewerker en (4) de bedrijfshulpverlening (BHV). Het percentage werknemers is het gemiddelde van de percentages werknemers in de bedrijven die deze deelverplichtingen naleven.

120

Kan de regering toelichten welke taken zijn overgedragen van IWI aan de Arbeidsinspectie?

IWI heeft per mei 2010 het toezicht, op grond van de Arbowet, op de keurende en certificerende instellingen aan de Arbeidsinspectie overgedragen.

121

Kan de regering aangeven wat de overdracht van taken voor gevolgen heeft voor (de inzet van) de capaciteit van de Arbeidsinspectie?

Het toezicht van de Arbeidsinspectie is uitgebreid met de taken op het gebied van het stelsel van keurende en certificerende instellingen. Door de overheveling is de samenhang tussen het 1e en 2e lijnstoezicht op arbeidsomstandigheden toegenomen. De formatieve capaciteit die is overgedragen wordt voor deze taken ingezet en belast dus niet de inzet op de overige taken van de Arbeidsinspectie.

122

Zeven procent van de inspectiecapaciteit zal worden ingezet voor de bijdrage aan de sectorbenadering. Zijn hier ook budgettaire gevolgen aan verbonden? Hoe verhoudt dit zich tot de ontvangsten van artikel 44?

Aan deze inzet van inspectiecapaciteit zijn in principe geen budgettaire gevolgen verbonden omdat de herverdeling binnen de AI-capaciteit plaatsvindt. Deze verschuiving heeft vooralsnog geen gevolgen voor de ontvangsten, zoals weergegeven in art. 44, omdat de Arbeidsinspectie steeds meer inzet op selectiviteit bij de inspecties waardoor de kans op een inspectie bij slecht nalevende bedrijven wordt verhoogd. De verwachting is dat daardoor de ontvangsten op hetzelfde niveau blijven.

123

Wat is de kans voor een werkgever op een bezoek van de Arbeidsinspectie?

Op het gebied van de arbeidsomstandigheden en de werk- en rusttijden inspecteert de Arbeidsinspectie vanaf 2011 zo’n 20 400 bedrijven en bedrijfsvestigingen per jaar op een totaal van 844 000. Dat is dus gemiddeld een kans van minder dan 3% (1x in meer dan 30 jaar) voor alle bedrijven. Bedrijven uit de prioritaire sectoren zoals de bouwnijverheid en delen van de industrie (Metaal en dergelijke) worden met een aanzienlijk hogere frequentie geïnspecteerd. Dat is gebaseerd op risicoanalyse en -selectie op branche-niveau en waar mogelijk op bedrijvenniveau (hoge risico’s en lage naleving).

124

Hoe groot was het percentage bedrijven dat bij eerste controle aan alle Arbo-voorwaarden voldeed in 2009?

De Arbeidsinspectie trad in 2009 in 58 % van de gevallen handhavend op. Dat betekent dat slechts in 42 % van de gevallen aan alle voorwaarden van de Arbowet werd voldaan op de thema’s die onderwerp waren van de inspectie.

125

In hoeverre zal er sprake van een kostenstijging zijn van de uitvoeringskosten van toezicht in verband met de huidige problematiek (onder andere dekking) en de voorgenomen maatregelen rondom de pensioenen?

De gevolgen van de dekkingsgraadproblematiek van pensioenfondsen en van de voorgenomen maatregelen rondom pensioen voor de kosten van het pensioentoezicht in 2011 zijn pas bekend op het moment dat de definitieve begrotingen van de toezichthouders worden gepubliceerd, naar verwachting rond de jaarwisseling.

126

Kan de regering aangeven wat de laatste stand van zaken is met betrekking tot de invoering van het pensioenregister?

Op verzoek van de pensioensector wordt de wettelijke grondslag van het pensioenregister verbreed teneinde de inrichting en het beheer van het pensioenregister zeker te stellen. Dit voorstel tot wijziging van de Pensioenwet is op 14 oktober 2010 aan de Tweede Kamer aangeboden. Het pensioenregister zelf is in productie; het register zal op 4 januari 2011 online beschikbaar zijn.

127

Kan de regering toelichten waarom zelfstandigen en zzp'ers niet tot de doelgroep van het pensioenbeleid horen?

Zelfstandigen en zzp’ers hebben evenals werknemers te maken met wet- en regelgeving rondom pensioen. Dat deze niet eender is, komt voort uit het feit dat pensioen een arbeidsvoorwaarde is. Werknemers en werkgevers komen op andere wijze tot de invulling van de arbeidsvoorwaarden dan zelfstandigen, die zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen arbeidsvoorwaarden.

128–130

Wat zijn de oorzaken van het overschrijden van het budget met 0,2 miljoen euro door toezichthouders DNB en AFM? Hoe is dit in de toekomst te voorkomen? Welke maatregelen zal de regering in dit kader gaan treffen?

Op blz. 59 wordt opgemerkt dat ernaar wordt gestreefd om «afspraken met de toezichthouders te maken om budgetoverschrijdingen in de toekomst te voorkomen, rekening houdend met de onafhankelijkheid van de toezichthouders bij de vaststelling van hun werkprogramma». Kan de regering deze passage nader toelichten? Beschouwen DNB en AFM het hen toegekende structurele budget op dit punt als voldoende?

Bij publicatie van de begroting kon al worden geconstateerd dat toezichthouders DNB en AFM hun budget voor activiteiten op het gebied van pensioenen in 2010 met 40% zouden overschrijden. Zijn deze extra uitgaven met medeweten en/of goedkeuring gedaan? Was het noodzakelijk? Kan het zijn dat de overschrijding in de loop van het jaar nog hoger is geworden?

De toezichtkosten in artikel 45 hebben alleen betrekking op de kosten die verband houden met de voorbereiding van wet- en regelgeving op het gebied van pensioenen. Deze kosten maken circa 2% uit van de totale kosten van het pensioentoezicht.

De financiële toezichthouders AFM en DNB zijn zelf verantwoordelijk voor de vaststelling van hun werkprogramma en begroting. De toezichthouders ontvangen geen budget, maar brengen de gemaakte kosten in rekening bij de onder toezicht staande financiële instellingen en bij de overheid. De overschrijding van het beschikbare budget in 2010 is een gevolg van het feit dat DNB en AFM in hun begrotingen, die zij eind 2009 hebben vastgesteld, meer kosten hebben opgenomen voor activiteiten in het kader van voorbereiding van wet- en regelgeving op het terrein van pensioenen dan ten tijde van het opstellen van de SZW-begroting 2010 medio 2009 nog werd verwacht.

De hogere kosten i.v.m. voorbereiding van wet en regelgeving zijn deels een gevolg van autonome kostenstijgingen bij de toezichthouders, bijvoorbeeld bij de pensioenlasten van de eigen medewerkers. Ook hebben de toezichthouders in het kader van de financiële crisis meer werkzaamheden op dit terrein verricht dan in voorgaande jaren. Daarnaast worden de kosten i.v.m. voorbereiding van wet en regelgeving pas sinds 2009 apart onderscheiden in de toezichtbegrotingen en zijn zij pas sinds 2010 opgenomen in de SZW begroting. Er zijn dus nog niet veel historische gegevens beschikbaar om een goede raming van de verwachte kosten te kunnen maken.

De begrotingen 2010 van DNB en AFM zijn eind 2010 vastgesteld en ter instemming aan de minister van SZW voorgelegd. Gezien het beperkte aandeel van de kosten van voorbereiding van wet en regelgeving in de totale kosten van het pensioentoezicht is instemming met de toezichtbegrotingen op dit punt niet onthouden.

Om onverwachte overschrijdingen van het budget op de SZW-begroting te voorkomen en de betrokkenheid van SZW bij de totstandkoming van de toezichtbegrotingen te verbeteren zijn op ambtelijk niveau inmiddels afspraken gemaakt om de uitwisseling van informatie tussen toezichthouders en SZW in het kader van het begrotingsproces te verbeteren.

131

Wat verstaat de regering onder een houdbaar pensioenstelsel? Houdt dit in dat jongere generaties over hun levensloop niet structureel meer aan premies betalen dan zij in de toekomst ontvangen aan pensioen?

Een houdbaar pensioenstelsel is een stelsel waarin pensioenregelingen totstandkomen die rekening houden met de vergrijzing, de stijgende levensverwachting en de toenemende kwetsbaarheid voor financiële risico’s. In dit stelsel worden de risico’s evenwichtig verspreid over de verschillende belanghebbenden. Op die wijze wordt voorkomen dat de rekening naar toekomstige generaties wordt doorgeschoven. Een houdbaar pensioenstelsel kent daarom een evenwichtige intergenerationele solidariteit.

132

Welke activiteiten worden ontplooid met betrekking tot het pensioentoezicht op de BES-eilanden waarvoor uitvoeringskosten die 10 000 euro betreffen zijn opgenomen?

Op het terrein van de aanvullende pensioenen is tijdens de overgangsfase die 3 tot 5 jaar zal duren, één toezichthouder actief, namelijk De Nederlandsche Bank (DNB). Het toezicht van De Nederlandsche Bank zal zich vooral richten op de naleving van de Pensioenwet BES door het nieuwe pensioenfonds voor ambtenaren, de Stichting BES Pensioenfonds. De toezichtactiviteiten zijn vergelijkbaar met de activiteiten die DNB uitvoert ten aanzien van Nederlandse pensioenuitvoerders. Zo is DNB in de afgelopen periode bezig de betrouwbaarheid en de deskundigheid van de bestuursleden van de Stichting BES pensioenfonds te toetsen.

133

Kan de regering een tijdspad formuleren voor wat betreft de brede aanpak van de pensioenproblematiek?

Voor de begrotingsbehandeling ontvangt u de in het AO van 10 november j.l. toegezegde brief over de planning en prioritering van de verschillende dossiers op het gebied van de aanvullende pensioenen.

134

Klopt het dat naast de witte vlek van 10% van de werknemers ook nog 8% van de beroepsbevolking een witte vlek heeft als zijnde een zelfstandige (zzp'er)? Om hoeveel procent van de beroepsbevolking gaat het hier in totaal?

Werknemers behoren tot de witte vlek als zij niet deelnemen aan een pensioenregeling die uitgaat van de werkgever (tweede pijler). Zo beschouwd vallen zelfstandigen niet onder de witte vlek. In de actuele inventarisaties van de witte vlek, die uitgaan van de loongegevens van de polisadministratie, worden zelfstandigen ook niet meegenomen. Ook eerdere onderzoeken hadden betrekking op de witte vlek onder werknemers en niet op het ontbreken van pensioenopbouw bij zelfstandigen.

Bekend is dat zelfstandigen niet altijd pensioen opbouwen. De schattingen over de pensioenopbouw door zelfstandigen lopen uiteen, mede door verschillende definities en daardoor verschillende onderzoekspopulaties. Ook dient te worden bedacht dat zelfstandigen verschillende mogelijkheden hebben om in hun oudedagsvoorziening te voorzien naast concrete pensioenproducten als een lijfrente of banksparen. Zelfstandigen kunnen namelijk (daarnaast) gebruik maken van de fiscale oudedagsreserve, of op pensioendatum het eigen bedrijf verkopen om daarmee te voorzien in hun inkomen na pensionering. In reactie op het SER-advies zal het kabinet nader ingaan op de pensioenopbouw door zelfstandigen.

135

Welke informatie bedoelt tabel 45.2 te geven? Klopt het als de begeleidende tekst zo wordt gelezen dat er drie jaar geen gegevens zijn verzameld op grond waarvan voor eind 2010 betrouwbaar kan worden gerapporteerd over het percentage werknemers dat een aanvullend pensioen opbouwde?

De methode die is gehanteerd voor de inventarisatie van de witte vlek 2007, wijkt fors af van de methode die ten grondslag lag aan eerdere inventarisaties. Deze afwijking leidt ertoe dat op basis van alleen de witte vlek in 2007 het nog niet mogelijk is om een gefundeerd streefcijfer te bepalen voor de komende jaren, hiervoor is het namelijk van belang om een reeks te hebben. Op dit moment wordt de omvang van de witte vlek voor 2008 en 2009 geïnventariseerd. Begin 2011 zal de publicatie van deze cijfers plaatsvinden.

136

Welk percentage ex-werknemers zet daadwerkelijk de pensioenregeling vrijwillig voort na beëindiging van het dienstverband? Is hier een stijgende of dalende trend waarneembaar, of blijft het percentage gelijk?

Statistische gegevens over het gebruik van de mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting van pensioenregelingen zijn niet beschikbaar. In 2008 is het gebruik van vrijwillige voortzetting bij een aantal pensioenfondsen eenmalig geïnventariseerd. Uit deze inventarisatie bleek dat het gebruik van vrijwillige voortzetting in de praktijk beperkt is. De Tweede Kamer is destijds over de resultaten geïnformeerd (Kamerstukken II, 2007/08, 30 413, nr. 112). Over de trendmatige ontwikkeling van het gebruik van de mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting zijn geen gegevens beschikbaar.

137

Hoeveel euro aan vermogen zou er nodig zijn om ervoor te zorgen dat geen enkel pensioen een reservetekort heeft (uitgaande van huidige rentestand e.d.)?

Op grond van de door DNB gepubliceerde omvang van de pensioenverplichtingen van pensioenfondsen in Nederland kan een raming worden gemaakt van het vermogen dat nodig is om ervoor te zorgen dat, gemiddeld genomen, geen enkel fonds een reservetekort heeft.

De meest recente door DNB gepubliceerde cijfers over de omvang van de pensioenverplichtingen hebben betrekking op eind tweede kwartaal 2010. De verplichtingen bedroegen op dat moment circa € 704 mld. Bij een gemiddelde dekkingsgraad van circa 130% is er in beginsel geen sprake meer van een reservetekort. Het pensioenvermogen eind 2e kwartaal zou in dat geval circa € 704 x 130/100 = € 915 mld hebben moeten bedragen. Het feitelijke pensioenvermogen op dat moment bedroeg € 707 mld, de feitelijke gemiddelde dekkingsgraad 100%.

138

Kan de regering aangeven hoeveel fondsen er zijn met een dekkingstekort (105%)?

DNB publiceert na afloop van elk kwartaal een raming van het aantal fondsen met een dekkingsgraad beneden 105%. De meest recente publicatie heeft betrekking op het tweede kwartaal van 2010. Op dat moment waren er 233 fondsen met een dekkingsgraad beneden 105%.

139

Hoe is het inzicht in de hoogte van het aanvullend pensioen per leeftijdscohort van tien jaar?

Uit het onderzoek Kennis van ouderdomspensioen 2010 van Research voor Beleid komt naar voren dat de bekendheid met de hoogte van de toekomstige ouderdomspensioenuitkering toeneemt met de leeftijd. 41% van de ondervraagden geeft aan geen idee te hebben wat zij aan pensioeninkomen zullen ontvangen. Zie bijlage 1 voor een tabel met leeftijdscohorten van 10 jaar.

140

Waarom stelt de regering het streefcijfer voor 2011 naar beneden bij in plaats van het beleid dat erop is gericht het pensioenbewustzijn te verhogen te intensiveren?

In Tabel 45.4 is juist aangegeven dat de regering ernaar streeft het pensioenbewustzijn te verhogen van 62% naar 65% in 2011. Samen met de verschillende partners van het platform CentiQ wordt gewerkt aan een gezamenlijk plan om het pensioenbewustzijn van Nederlanders te verhogen.

141

In hoeverre komen de verwachtingen van mensen (zij die zeggen inzicht te hebben in de hoogte van het aanvullend pensioen) overeen met de daadwerkelijk te verwachten pensioenuitkeringen?

In de enquête Kennis van ouderdomspensioen 2010 is een aantal vragen gesteld om te bezien in hoeverre de economische crisis de verwachtingen van werknemers tot 65 jaar heeft beïnvloed. Een derde van de werknemers tot 65 jaar denkt dat de crisis niet van invloed zal zijn op de hoogte van het pensioen, de helft van de werknemers tot 65 jaar verwacht dat de hoogte van het pensioen lager zal zijn door de economische crisis.

Als gevolg van de economische crisis houdt een groot deel van de beroepsbevolking er wel rekening mee dat de hoogte van het pensioen wel eens minder zou kunnen zijn.

142

Welke verklaring heeft de regering voor de daling van de eigen verantwoordelijkheid voor het regelen van een ouderdomspensioen, terwijl de aanname wordt gedaan dat als gevolg van de financiële crisis sprake is van een toename in pensioenbewustzijn?

Het betreft twee onderscheiden zaken. Bij pensioenbewustzijn gaat het om de of de betrokkene inzicht heeft in zijn eigen pensioen en of hij dit pensioen toereikend vindt. Mocht dit laatste niet geval zijn, dan komt de aan bod wie verantwoordelijk is om daar iets aan te doen: de overheid, de werkgever of de betrokkene zelf. De oorzaken voor de daling van de eigen verantwoordelijkheid voor het regelen van ouderdomspensioen zijn niet duidelijk.

143

Wat wil de regering doen om de trend dat mensen denken dat de verantwoordelijkheid voor het regelen van een ouderdomspensioen ligt bij externen (werkgever en de overheid) te keren? Hoeveel geld wordt daar voor uitgetrokken?

De overheid heeft op het terrein van de aanvullende pensioenen een faciliterende, ondersteunende rol. Door middel van de pensioenwetgeving en het fiscaal kader worden sociale partners in staat gesteld collectieve pensioenvoorzieningen tot stand te brengen en krijgen individuen de gelegenheid te zorgen voor individuele aanvullingen daarop. Er is daarom sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid van overheid, sociale partners, pensioenfondsen, verzekeraars en individuen.

De overheid ondersteunt projecten waaronder de pensioenkijker.nl, die erop gericht zijn het pensioenbewustzijn van de burgers te vergroten. Voor de periode 2009 – 2011 heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een bedrag van € 200 000, – ter beschikking gesteld ten behoeve van de pensioenkijker.nl. Bij de herziening van de Pensioenwet zal het verbeteren van de communicatie wel een belangrijk aandachtspunt zijn.

144

Waarom wordt er door de regering geen aanvullend onderzoek gedaan naar de zogenoemde «witte werkgevers» (=werkgevers die geen pensioenregeling aanbieden)?

Het kabinet is wel degelijk voornemens om, mede naar aanleiding van het verzoek van de Stichting van de Arbeid, aanvullend onderzoek te laten verrichten naar de witte vlek. Over de opzet van een dergelijk onderzoek zal overlegd worden met de Stichting van de Arbeid.

145

Hoeveel werknemers bij het Rijk zijn uitgestroomd vanuit de Wajong-uitkering?

Het is niet bekend hoeveel werknemers bij het Rijk een aanvulling krijgen vanuit een Wajonguitkering en hoeveel er volledig zijn uitgestroomd uit de Wajong. Op basis van instroomcijfers van UWV kan echter wel worden gemeld dat in 2009 51 personen vanuit de Wajong bij het Rijk zijn ingestroomd (dienstverband). Bij SZW werken op dit moment in totaal 14 Wajongers.

146

Op welke wijze worden de WWB, de Wajong en de Wsw samengevoegd? Welke criteria gaan er gelden om aanspraak te maken op deze uitkering? Welke voorwaarden gaan er gelden voor deze nieuwe regeling? Geldt in deze nieuwe regeling toetsing op het huishoudinkomen of op het partnerinkomen? Welke normen en bedragen gaan gelden voor deze nieuwe uitkering?

Het kabinet wil dat zoveel mogelijk mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt kunnen deelnemen aan het reguliere arbeidsproces. Om meer mensen te kunnen laten participeren, wil het kabinet toe naar een regeling die de Wajong, WWB, WIJ en WSW hervormt. Wat mensen kunnen staat hierbij voorop, niet wat ze niet kunnen. Daarbij past een activerende regeling. Voor mensen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, wil het kabinet een goed vangnet behouden. Deze hervorming vergt een zorgvuldige en omvangrijke operatie. De exacte vormgeving van uitkeringsvoorwaarden, rechten en plichten behoeft nog uitwerking.

147

Hoeveel extra banen worden er gerealiseerd voor mensen met een arbeidsbeperking? Wat is de doelstelling?

Er was en is geen sprake van een doelstelling voor het creëren van extra banen. Het gaat immers niet om extra banen als doel, maar om het zoveel mogelijk mensen op reguliere banen – met maximale gebruikmaking van hun arbeidscapaciteit – plaatsen. Uitgangspunt van wet- en regelgeving (Wajong, Wsw en Wwb) is immers dat mensen die voldoende capaciteiten en mogelijkheden hebben, aan de slag gaan op een reguliere arbeidsplaats, al dan niet met behulp van ondersteuning.

148

Welke maatregelen neemt de regering om ervoor te zorgen dat werkgevers arbeidsplekken realiseren voor mensen met een arbeidsbeperking?

Het kabinet zet in op maatregelen die werkgevers ondersteunen en faciliteren bij het in dienst nemen en houden van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Daarbij gaat het om zaken zoals het wegnemen van administratieve last, dienstverlening op de Werkpleinen, interne begeleiding van werknemers (interne jobcoach) en meer re-integratie bij werkgevers zelf. Voorts zal de overheid blijven bijdragen aan het wegnemen van koudwatervrees en negatieve beeldvorming bij werkgevers. Tevens zal worden ingezet op afspraken met sociale partners over het creëren van werkplekken voor werknemers met een afstand tot de arbeidsmarkt. Ook van sociale partners wordt verwacht dat zij bereid zijn om meer stage- en werkplekken voor personen met een beperking te creëren.

Daarnaast zal het instrument loonaanvulling (loondispensatie) breder worden ingezet. De inzet van dit instrument wordt op dit moment getoetst in de pilot Loondispensatie, onderdeel van de pilots Werken naar vermogen. Werkgevers worden daarbij vrijgesteld (gedispenseerd) het normaal geldende loon te betalen. Dit maakt het voor werkgevers aantrekkelijker om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt in dienst te nemen.

149

Wat zijn de gevolgen van de rijksbezuinigingen van 120 miljoen euro in 2011 voor de huidige werknemers van de sociale werkvoorziening?

Zie antwoord op 42.

150

Hoeveel wordt er bezuinigd op de begeleiding van Wsw’ers en mensen met een Wajong-uitkering?

De bezuinigingsmaatregelen zijn niet specifiek gericht op de uitgaven aan begeleiding van Wsw-ers en Wajongers.

151, 152 en 156

Hoeveel mensen met een Wajong-uitkering zijn duurzaam en volledig arbeidsongeschikt?

Hoeveel mensen met een Wajong-uitkering zijn gedeeltelijk arbeidsongeschikt?

Hoeveel mensen met een Wajong-uitkering krijgen een uitkering ter hoogte van 75% van het WML?

Per juni 2010 hebben 198 100 mensen een uitkering op basis van de nieuwe en oude Wajong. Van hen zijn 192 000 mensen volledig arbeidsongeschikt en 6 100 personen gedeeltelijk arbeidsongeschikt.

In de «nieuwe» Wajong (vanaf 2010) worden mensen, die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, aangeduid als mensen met (op termijn) perspectief op het verrichten van arbeid. Het kan zijn dat zij nog studerend zijn, het kan ook zijn dat hun arbeidsmogelijkheden nog niet definitief duidelijk zijn, en verder ontwikkeld kunnen worden, of dat er nu geen mogelijkheden zijn, maar dat dit voor de toekomst niet uitgesloten kan worden. Het gaat om 2 190 mensen van de 2 600 personen die zijn ingestroomd (stand per 30 juni 2010). Hierbij wordt aangetekend dat, als gevolg van aanloopeffecten, die verbonden zijn aan de invoering van elke nieuwe wet, het beeld bij de nieuwe Wajong nog niet stabiel is en dat er dus nog geen harde conclusies kunnen worden verbonden aan deze cijfers.

191 600 mensen met een uitkering op basis van de «oude» Wajong zijn volledig arbeidsongeschikt en ontvangen dus een uitkering ter hoogte van 75% van het WML (stand t/m juni 2010). De hoogte van de uitkering bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid hangt af van de mate van arbeidsongeschiktheid. Bij een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45–55% bedraagt de hoogte van de uitkering bijvoorbeeld 35%.

In de «nieuwe» Wajong is bij de jongeren die gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn, sprake van twee keuringsmomenten. De eerste keuring, bij de aanvraag, vindt over het algemeen op 18-jarige leeftijd plaats. De jongere wordt dan in de werkregeling geplaatst. De tweede, definitieve keuring gebeurt in principe op 27-jarige leeftijd.

Jongeren worden dus niet al op hun 18e jaar afgeschreven, maar, in deze eerste fase via de werkregeling van de Wajong, op hun ontwikkelingsmogelijkheden aangesproken. De hoogte van de uitkering is dan afhankelijk van het verdiende inkomen uit werk. Indien (nog) niet wordt gewerkt is de hoogte eveneens 75% van het WML. 

Bij de keuring op het 27e jaar wordt de resterende verdiencapaciteit van de jongere vastgesteld. Voor een Wajonger wordt het inkomen uit werk in deze tweede fase aangevuld tot 100% WML mits hij zijn verdiencapaciteit volledig benut.

Jongeren die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn ontvangen een uitkering van 75% van het WML.

153

Welke criteria gaan er gelden voor de herkeuring in 2012 voor mensen met een Wajong- uitkering?

De Wajonggerechtigden zullen worden ingedeeld naar «volledig en duurzaam» arbeidsongeschikten en «gedeeltelijk» arbeidsongeschikten. Het kabinet zal nog uitwerken hoe dit juridisch en uitvoeringstechnisch het beste vormgegeven kan worden. Vanaf 2011 is er budget beschikbaar voor het uitvoeren van de herkeuringen.

154

Hoeveel mensen met een Wajong-uitkering hebben een participatieplan?

Het participatieplan is onderdeel van de Wet Wajong die vanaf 1 januari 2010 geldt.

Het participatieplan wordt opgesteld voor alle Wajongers die in de werkregeling worden geplaatst. Voor deze Wajongers dient een individueel participatieplan te worden opgesteld dat wordt afgestemd op de mogelijkheden van de jonggehandicapte. Over de eerste helft van dit jaar zijn 1 297 mensen ingestroomd in de werkregeling van de nieuwe Wet Wajong.

155

Hoeveel mensen met een Wajong uitkering zijn door middel van een participatieplan aan een reguliere arbeidsplaats geholpen?

Doel van de nieuwe wet is het verhogen van de arbeidsparticipatie van Wajongers, zoveel mogelijk met regulier werk. Het is echter nog te vroeg om uitspraken te doen over de werking van de nieuwe wet op dit punt en dus ook het effect van het participatieplan.

Dit heeft onder andere te maken met aanloopeffecten; omdat er een maximale wettelijke beslistermijn van 14 weken geldt voor een aanvraag, heeft het tot april geduurd voordat de instroom op gang kwam. Daarnaast is al langer bekend dat het begeleiden van een Wajonger naar werk maatwerk vereist en tijd kost. Door de ontwikkelingen in de nieuwe Wajong intensief te volgen in de monitor Wajong, waarvan de Kamer de eerste editie binnenkort ontvangt, kan na verloop van tijd een representatief beeld van de werking van het participatieplan worden gegeven.

157

Hoe hoog wordt de Wajong-uitkering als deze wordt teruggeschroefd naar 70% van het WML?

In het Regeerakkoord is het voornemen geuit om de uitkeringen van gedeeltelijk arbeidsongeschikten per 1 januari 2014 te verlagen naar 70% van het WML. De Wajonguitkering bedraagt thans 75% van het wettelijk minimum(jeugd)loon. Bij een percentage van 70 zou dit, op basis van de huidige bedragen, € 991,20 bruto per maand voor een 23-jarige zijn en € 451 voor een 18-jarige. Hoe hoog de bedragen in 2014 zullen zijn is nog niet aan te geven, omdat de hoogte van het brutominimumloon ieder jaar op 1 januari en 1 juli wordt aangepast aan de gemiddelde ontwikkeling van de CAO-lonen. Deze ontwikkeling is voor de jaren tot 2014 uiteraard nog niet bekend.

158

Hoeveel middelen zijn beschikbaar voor aanpassingen van de werkplek, begeleiding en loonaanvulling bij loondispensatie?

Onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende werkvoorzieningen. Deze bestaan o.a. uit vervoervoorzieningen, meeneembare voorzieningen (zoals een aangepaste bureaustoel), intermediaire voorzieningen (zoals een doventolk) en jobcoaches. Voor de voorzieningen is in 2011 € 122 miljoen begroot. Deze middelen zijn niet gebudgetteerd en maken deel uit van de programmakosten voor re-integratie Wajong en re-integratie WAZ/WAO/WIA. Middelen voor loonaanvulling bij loondispensatie zijn ook niet gebudgetteerd. Deze loonaanvulling maakt deel uit van de uitkeringslasten arbeidsongeschiktheid.

159

Hoeveel mensen komen achter de geraniums te zitten vanwege de bezuinigingen op de Wsw en de Wajong de komende vier jaar?

Het kabinet wil toe naar één regeling die de Wwb, Wajong en Wsw hervormt. Het kabinet komt met voorstellen om één regeling te maken die maximaal inzet op werk en er komen dus geen mensen achter de geraniums te zitten.

160

Hoeveel WWB’ers zijn arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsongeschikt?

Er is geen informatie beschikbaar over het aantal WWB-ers dat al of niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. Anders dan voor de WIA en Wajong is voor de toekenning van een WWB-uitkering niet relevant of de aanvrager of partner daarvan geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is.

Wel is van belang of het huishouden waarop de bijstandsaanbetrekking heeft over inkomsten beschikt, waaronder bijvoorbeeld een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Uit de Bijstandsuitkeringenstatistiek (BUS) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat eind 2009 8 940 personen naast de bijstandsuitkering ook inkomsten uit een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvingen. In dat geval heeft de bijstand een aanvullend karakter.

161

Hoeveel wordt de komende twintig jaar de bijstandsuitkering verlaagd per huishoudtype per jaar? Kan de regering een overzicht geven hoe de komende twintig jaar de hoogte van de bijstandsuitkering zich zal ontwikkelen?

Zie antwoord 43.

162

Wat is het effect op de koopkracht van de bezuiniging op mensen met een Wajong-uitkering?

In 2011 wordt de tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten met 14 euro op jaarbasis gekort. Voor een alleenstaande Wajonger is het inkomenseffect van deze maatregel circa –¼%.

163

In hoeverre zijn de uitvoeringskosten van de IOW verbonden aan de uitkeringslasten? Met andere woorden: waarom zijn de uitvoeringkosten constant over de tijd, terwijl de uitkeringslasten fluctueren? Deze relatie lijkt er wel te zijn bij bijvoorbeeld de Wajong.

UWV heeft aangegeven voor de uitvoeringskosten IOW € 250 000,– per jaar nodig te hebben. Gezien het geringe bedrag en het feit dat een groot deel van de kosten vast is en niet variabel, is er geen directe relatie met de uitkeringslasten gelegd en is ervoor gekozen om meerjarig € 250 000,- in te boeken. Eventuele (per definitie kleine) verschillen vloeien terug naar SZW bij de afrekening.

164

De WIJ is in werking getreden op 1 oktober 2009 en bereikt volgens de regering vanaf 2011 zijn structurele effect. Wat mag worden verstaan onder dit structurele effect? In hoeverre is er nu al iets bekend over de effectiviteit van de WIJ? Slagen gemeenten er in om passende banen aan te bieden?

Met de WIJ is beoogd een omslag in denken te realiseren. Bij gemeenten en bij jongeren. Niet langer staat de uitkering met de daaraan gerelateerde verplichtingen centraal. Uitgangspunt is dat de jongere gaat leren of gaat werken. De gemeente kan de jongere ondersteuning bieden in de vorm van een werkleeraanbod. Een inkomensvoorziening is alleen aan de orde als het werkleeraanbod onvoldoende inkomsten met zich mee brengt of als de jongere het werkleeraanbod niet kan uitvoeren om redenen van lichamelijke, psychische of sociale aard. De invoering van de WIJ heeft effect op de jongeren die zich bij de gemeenten melden, alsmede op de ontwikkeling van jongeren richting arbeidsmarkt. De WIJ is op 1 oktober 2009 in werking getreden voor de nieuwe instroom en per 1 juli 2010 is op de categorie jongeren die tot dat moment op grond van overgangsrecht nog algemene bijstand ontving ook de WIJ van toepassing geworden. De regering verwacht dat er in 2011 een structureel beeld zal zijn van de omvang van het WIJ-bestand.

Het is op dit moment nog te vroeg om uitspraken te doen over de werking van de WIJ. De evaluatie van de WIJ moet binnen twee jaar na invoering van de wet zijn afgerond. In oktober 2011 zal de Kamer over de resultaten worden geïnformeerd.

165

Er is geen geoormerkt budget voor de bijzondere bijstand. Kan de regering aangeven wat de daadwerkelijke kosten (in het verleden) waren van de bijzondere bijstand?

In onderstaande tabel zijn voor de periode 2007–2009 de door gemeenten aan Bijzondere Bijstand gerealiseerde uitgaven weergegeven. Het betreft de uitgaven Bijzondere Bijstand exclusief armoedebestrijding. Uit de tabel blijkt dat gemeenten in 2009 hieraan € 300 miljoen hebben uitgegeven. De gegevens zijn afkomstig uit de Bijstandsuitkeringenstatistiek (BUS) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Ze zijn tevens terug te vinden in tabel 46.10 op pagina 84 van het SZW Jaarverslag 2009.

(mln €)

2007

2008

2009

Uitgaven Bijzondere Bijstand

196

230

300

166

Kan de regering een nadere toelichting geven op het budget overig wat ziet op het onderhoud en de doorontwikkeling van de WWB. Welke doorontwikkeling wordt hier beoogd? Kan de regering ook een nadere toelichting geven op het Innovatie Programma Werk en bijstand? Welke prestatie-indicatoren worden in dit kader geformuleerd?

Het budget Bijstand Overig bedraagt in 2011 circa € 110 miljoen. Dit betreft hoofdzakelijk de uitgaven gemeentelijke schuldhulpverlening en de Incidentele Aanvullende Uitkering (IAU) en de Meerjarige Aanvullende Uitkeringen (MAU) voor gemeenten. Voor de doorontwikkeling van de WWB is er in 2011 ongeveer € 5 miljoen beschikbaar. Deze middelen komen in hoofdzaak ten goede aan het Innovatie Programma Werk en bijstand (IPW). Het Innovatie Programma Werk en bijstand (IPW) is met de invoering van de WWB in 2004 gestart om te zoeken naar nieuwe wegen om meer mensen aan het werk te krijgen en/of te laten participeren.

167

Wordt toezicht gehouden op en vergeleken hoe verschillende gemeenten omgaan met het verlenen van bijzondere bijstand (qua budget, aantal verstrekkingen en gehanteerde criteria) en zo ja, waar is die informatie te vinden?

De verlening van de bijzondere bijstand is beleidsmatig en financieel gedecentraliseerd aan de gemeenten. De controle op de uitvoering van de bijzondere bijstand is dan ook primair een gemeentelijke aangelegenheid en een taak van de gemeenteraad. De minister van SZW heeft op grond van artikel 76 WWB wel de mogelijkheid om te interveniëren indien hij bij een individuele gemeente met betrekking tot de rechtmatige uitvoering van de WWB «ernstige tekortkomingen» constateert.

Het vergelijken tussen gemeenten onderling is eveneens primair een zaak voor gemeenten zelf. Daartoe hebben de gemeenten diverse benchmarks ontwikkeld. Via de kernkaart (www.kernkaart.nl) stelt het ministerie van SZW gemeenten en ook anderen in staat om jaarlijks inzicht te krijgen in de belangrijkste resultaten in de uitvoering van de WWB. De kernkaart bevat uitsluitend feiten, op basis van openbare bronnen, en geen verklaringen en geen oordelen. De gegevens worden zo gepresenteerd dat in principe een vergelijking met andere gemeenten mogelijk is. De bijzondere bijstand vormt een onderdeel van de kernkaart.

168

Wat wordt beoogd met de 5 miljoen euro die voor 2011 beschikbaar is om de effectiviteit van de schuldhulpverlening te verbeteren? Welke andere maatregelen is de regering voornemens te treffen om schuldhulpverlening te reduceren? Welke extra aandacht krijgt de preventie? Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de ontwikkeling van het aantal huishoudens met problematische schulden? Kan dit nog voor de begrotingsbehandeling plaatsvinden? Kan de Kamer voor de begrotingsbehandeling tevens beschikken over de vervolgmeting inzake het aantal kinderen dat om financiële redenen niet participeert?

  • •  Met de 5 miljoen euro worden gemeenten ondersteund bij de verbetering van de effectiviteit van schuldhulpverlening en bij de implementatie van het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening. Het betreft ondersteuning op thema’s als visievorming, ketensamenwerking, aanpassing werkprocessen, informatiebeleid en ICT. De precieze invulling van de ondersteuning voor 2011 moet nog plaatsvinden en gebeurt na afstemming met gemeenten en de aan de gemeentelijke schuldhulpverlening gelieerde partijen.
  • •  Het kabinet streeft er naar om het beroep dat wordt gedaan op schuldhulpverlening te reduceren door gemeenten te stimuleren aandacht te schenken aan preventie en het aanspreken van schuldenaren en schuldeisers op hun verantwoordelijkheid om problematische schulden te voorkomen.
  • •  In de brief van 5 oktober 2009 (2009/2010, 24 515, nr.161) is aangekondigd dat u in 2012 een vervolgmeting zult ontvangen op het onderzoek «Huishoudens in de rode cijfers». In deze vervolgmeting wordt de ontwikkeling van het aantal huishoudens met problematische schulden zichtbaar.
  • •  Het rapport met de vervolgmeting van het aantal kinderen dat om financiële redenen niet participeert, dat uitgevoerd wordt door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) komt uit in het tweede kwartaal 2011. Uw Kamer zal daar volgens afspraak over worden geïnformeerd.

169–175

Kan de regering aangeven welke instrumenten worden ingezet om voor de categorie werklozen 55 jaar en ouder de instroomkans in de WW te verkleinen en de werkhervattingkans te verhogen? Kan de regering per instrument het financiële beslag aangeven? Waarom worden de ambities in het kader van de instroomkans van deze categorie niet naar beneden bijgesteld, nu de realisatie voor 2009 er behoorlijk onder ligt? Waarom wordt er niet gekozen om de ambities ten aanzien van de werkhervatting van WW-gerechtigden en zij die bij de categorie 55 jaar en ouder behoren niet groter gesteld? Kan de regering dit nader toelichten?

Waarom is het streefcijfer voor uitstroom van WW-gerechtigden ouder dan 55 jaar niet hoger dan 35% op de langere termijn?

Kan de regering becijferen wat het zou kosten om in 2011 de werkhervattingkans van WW-gerechtigden het streefniveau niet op 47% maar op 48% te stellen? Om in 2011 op een streefniveau van 48% werkhervattingkans WW-gerechtigden uit te komen, aan de inzet van welke instrumenten moet dan gedacht worden?

Kan de regering aangeven welke instrumenten worden ingezet om voor de categorie oudere werklozen (boven de 55 jaar) de instroomkans in de WW te verkleinen en werkhervattingkans te verhogen? Kan de regering hierbij per instrument het financiële beslag aangeven?

Waarom streeft de regering naar een instroomkans in de WW van < 1 in plaats van de huidige 0,85 of lager? De indicator werkhervatting binnen 12 maanden stijgt tot en met 2015 met 1 procentpunt per jaar. Veronderstelt de regering dat de genomen maatregelen ter versnelling van werkhervatting de komende vijf jaar doorwerken in plaats van een eenmalig effect? Of gaat de regering aanvullende maatregelen nemen?

Welk percentage werkhervatters binnen 12 maanden verwacht de regering indien de WW-uitkering wordt gelimiteerd tot één jaar volgens de in de heroverwegingen geschetste varianten? Gaarne inclusief een uitsplitsing voor 55-plussers.

Waarom worden geen ambities gesteld om de gemiddelde WW-duur bij uitstroom blijvend laag te houden in plaats van het weer op te laten lopen tot een tamelijk constant niveau vergelijkbaar met voor de crisis?

Werkhervattingskans

Algemeen

De werkhervattingskans geeft een indicatie van de activerende werking van de WW. Deze kans wordt sterk beïnvloed door de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de samenstelling van de instroom. Vanwege deze invloeden is een toename van de werkhervattingskans met 1% een raming van de verwachte ontwikkeling en geen streefwaarde. De activerende werking wordt bevorderd door een transparantere arbeidsmarkt en door adequate zoekactiviteiten. Samenwerking tussen het UWV en de uitzendbranche, sollicitatietrainingen en een effectieve uitvoering dragen hieraan bij. In tijden van economische laagconjunctuur ligt de werkhervattingskans binnen 12 maanden lager, omdat er minder werk is. In de jaren 2008 en 2009 is de werkhervattingskans gedaald tot 42%. In de begroting is verondersteld dat de uitstroom naar werk vanaf 2010 geleidelijk weer toeneemt tot 51% in 2015. Dit is gelijk aan het niveau in 2007.

Oudere werklozen

Werkloze werknemers van 55 jaar en ouder worden in de begroting als aparte categorie in beeld gebracht vanwege hun – ten opzichte van het gemiddelde – relatief geringe kans op uitstroom naar werk en hun gemiddeld langere uitkeringsduur. Voor deze categorie worden geen specifieke instrumenten ingezet. Enkele bredere maatregelen gericht op ouderen en/of langdurig werklozen hebben wel een gunstig effect op de uitstroom van oudere werklozen naar werk. Voorbeelden daarvan zijn de premiekorting bij het in dienst nemen van uitkeringsgerechtigden vanaf 50 jaar en de verschillende maatregelen gericht op langdurig werklozen, zoals het passend werkaanbod van het UWV en het gedeeltelijke behoud van de WW-uitkering bij aanvaarding van lager betaald werk (inkomstenverrekening). Daarom wordt verondersteld dat voor deze groep de uitstroomkans per jaar met 1 procentpunt toeneemt vanaf 2010. De haalbaarheid van dit steven is mede afhankelijk van de economische ontwikkelingen. In tijden van een laagconjunctuur neemt de uitstroomkans af. Vanaf 2006 is de gemiddelde uitstroomkans ongeveer 31%

Duurverkorting

Een begrenzing van de opbouw van de WW-duur op één jaar heeft effect op werklozen met een arbeidsverleden van 12 jaar of langer. In de praktijk zijn met name oudere werklozen (vanaf 50 jaar) langer dan 12 maanden werkloos. Deze werklozen zullen zich bij een begrenzing van hun WW-duur op één jaar breder gaan oriënteren en sneller werk aanvaarden. Bij de heroverwegingen zijn geen aannames gemaakt over de werkhervatting, maar over de verblijfsduur in de WW. Het percentage WW-gerechtigden dat binnen een jaar werk vindt zal stijgen na verkorting van de WW-duur naar één jaar, al is niet bekend hoe groot die stijging precies zal zijn.

Instroomkans 55-plussers

Het streefcijfer over de instroomkans van oudere werklozen is opgesteld om de effecten van de afschaffing van specifieke maatregelen voor werklozen vanaf 57½ jaar (vrijstelling sollicitatieplicht, WW-uitkering tot pensioendatum) in beeld te brengen. Tot dan was de WW-instroom van 55-plussers relatief hoog. De instroom van oudere werklozen in de WW wijkt sinds afschaffing van die maatregelen niet langer in negatieve zin af van het gemiddelde. De instroomkans van ouderen ligt structureel zelfs onder het gemiddelde. De conjunctuur is hierop van invloed. Bij hoogconjunctuur is het aandeel van ouderen in de instroom verhoudingsgewijs hoog, bij laagconjunctuur geldt het tegenovergestelde (zie ook hierna).

Gemiddelde WW-duur

De samenstelling van de instroom in de WW is als gevolg van de economische crisis gewijzigd. Tijdens hoogconjunctuur zijn personen met een relatief slechte arbeidsmarktpositie oververtegenwoordigd in de WW-instroom. In perioden van economische crisis vertoont de instroom in de WW meer gelijkenis met de totale werknemerspopulatie. Doordat meer werknemers met een goede arbeidmarktpositie werkloos worden, neemt de uitstroom naar werk in de daarop volgende periode sterk toe. De gemiddelde duur van de WW-uitkering neemt hierdoor af. Daarnaast neemt de gemiddelde duur af omdat er tijdens laagconjunctuur relatief meer jongere werknemers met een kortdurend WW-recht instromen in de WW.

Dit selectie-effect heeft zich ook in 2009 voorgedaan. Vanaf februari 2010 neemt het aantal mensen in de WW weer aanzienlijk af. Aangenomen wordt dat hiermee ook de samenstelling van de instroom wijzigt in die zin dat het aandeel minder kansrijken toeneemt. Hierdoor ontstaat een autonoom opwaarts effect op de gemiddelde WW-duur.

Dit neemt niet weg dat het kabinet streeft naar een structurele verkorting van de gemiddelde WW-duur. Bij een aantrekkende conjunctuur zullen de in 2009 genomen maatregelen gericht op snellere werkhervatting meer effect gaan sorteren. Ook de in gang gezette intensivering van de samenwerking tussen UWV en de uitzendbranche biedt mogelijkheden voor een verkorting van de gemiddelde WW-duur.

176

Kan de regering uiteenzetten in hoeverre het aantal geconstateerde overtredingen (stijging van 28%) en het totale fraudebedrag (stijging van 44%) overeenkomt met het aantal extra WW-aanvragen?

Vanaf april 2009 is het aantal WW-uitkeringen extra toegenomen door de crisis en de invoering van de deeltijd-WW regeling. De toename in de periode april – december 2009 met 111 duizend uitkeringen betrof voor ruim een derde (40 duizend) deeltijd-WW uitkeringen. Het WW-volume exclusief deeltijd-WW uitkeringen steeg van ca.199.00 in 2008 naar ca. 253 000 in 2009, een stijging van 27% (bron: Arbeidsmarktmonitor 2010).

Hoewel de stijging van het WW-volume vrijwel even groot als de toename van het aantal fraudeconstateringen, is de toename van het fraudebedrag en het aantal WW-aanvragen niet een-op-een te duiden. Dit blijkt uit de sterkere toename van het schadebedrag. Het toenemend aantal WW-aanvragen was wel voor UWV de aanleiding om de beschikbare handhavingscapaciteit voor de opsporing van meer omvangrijke benadeling in te zetten. Zo meldt het UWV dat voor het onderzoek van signalen uit bestandsvergelijkingen een selectie op vermoedelijk meer ernstige gevallen van benadeling heeft plaatsgevonden. Waar het toenemende WW-volume zonder twijfel een zekere stijging van aantal constateringen met zich brengt, is de nog hogere stijging van het schadebedrag vooral te verklaren door deze prioritaire inzet op ernstige benadeling.

177

Is op grond van het aantal geconstateerde overtredingen, bijvoorbeeld in combinatie met het controlebereik, een schatting te maken van het werkelijke aantal overtredingen en het daarbij horende totale fraudebedrag?

Door middel van een geavanceerde schattingstechniek, namelijk de Detection Controlled Estimation, waarbij gebruik wordt gemaakt van de in de administratie bekende gegevens over fraudeonderzoeken is in opdracht van het ministerie van SZW getracht het werkelijke aantal overtredingen te achterhalen. De hiertoe uitgevoerde pilot leidde tot de constatering dat de te maken veronderstellingen een te zwakke basis vormen voor een realistische schatting. De begeleidingsgroep bij dit onderzoek kwam daarom tot de conclusie dat deze methode niet voldoende robuust is voor het beoogde doel, namelijk het vaststellen van de ontwikkeling bij nalevingniveaus van uitkeringontvangers. Zoals in het antwoord bij 8 is aangegeven wordt inmiddels voor de meting van de nalevingniveaus gebruik gemaakt van een CBS-meting.

178

Wat zijn de verklaringen voor de stijging ten opzichte van eerdere ramingen van het volume WGA-gerechtigden ? Welk financieel beslag is hiermee gemoeid? Hoe hoog zal in de structurele situatie het aantal WGA-gerechtigden zijn? Wanneer is deze structurele situatie bereikt? Waarop is de verwachting gebaseerd dat de uitstroomkans WGA naar werk weer zal herstellen naar de 51% in 2011? Welke maatregelen zullen in dat kader worden getroffen?

De ramingen van het aantal gedeeltelijk arbeidsgeschikten hangen in hoge mate samen met de inrichting van regelgeving rond ziekte en arbeidsongeschiktheid.

Het afgelopen decennium heeft op dat vlak een fundamentele hervorming laten zien. De instroom in arbeidsongeschiktheidsregelingen is zeer sterk teruggebracht. Daardoor is een groot aantal mensen voor de arbeidsmarkt behouden. Dit is bereikt door een combinatie van maatregelen. Werkgevers en werknemers hebben een grotere verantwoordelijkheid gekregen om ziekte en uitval te voorkomen, onder andere door twee jaar loondoorbetaling. De WIA heeft de aandacht gericht op het benutten van wat mensen kunnen, in plaats van wat ze niet kunnen. De criteria voor de keuring zijn aangescherpt en de uitvoering is verbeterd. Per saldo is daardoor de instroom in arbeidsongeschiktheid van ongeveer 100 000 werknemers in de jaren rond 2000 met twee derde teruggebracht. In 2009 was de instroom in de WIA 29 000 werknemers. Dit is lager dan geraamd ten tijde van de invoering van de WIA, toen een niveau van 42 000 werd geraamd.

De recente stijging van de WIA-instroom (in 2006 21 000 en in 2009 29 300) kent een aantal oorzaken:

  • •  Bijna de helft is het gevolg van een stijging van het aantal aanvragen door een stijging van het aantal WIA-verzekerden, doordat er relatief meer ouderen en vrouwen werkzaam zijn en een hoog aantal hernieuwde aanvragen van eerder afgewezen aanvragen;
  • •  De andere ruime helft is het gevolg van een stijging van het toekenningspercentage doordat.er een stijgend aantal hernieuwde aanvragen is, de groep aanvragers wijzigt en gemiddeld genomen meer beperkingen heeft.

De hogere WGA-volumes zijn verwerkt in de nieuwe begrotingsraming. Ten opzichte van de raming bij begroting 2010 zullen de WGA-uitkeringslasten in 2011 naar verwachting 145 miljoen hoger liggen. Geraamd wordt dat in de structurele situatie, vanaf 2020, sprake zal zijn van tussen 130 000 en 140 000 WGA-gerechtigden. De ervaring leert dat de uitstroomkans naar werk wordt beïnvloed door een groot aantal factoren, waaronder de conjunctuur, de mogelijkheid/bereidheid van werkgevers om gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers in dienst te nemen, instrumenten die dit faciliteren, de re-integratieondersteuning door UWV en de opstelling van betrokkene zelf. De mogelijkheden en bereidheid van werkgevers houden verband met de stand van de conjunctuur en de situatie op de arbeidsmarkt. De verwachting is gerechtvaardigd dat met het aantrekken van de conjunctuur en de krapper wordende arbeidsmarkt de uitstroomkans naar werk voor WGA-gerechtigden stijgt.

Over de effectiviteit van de WIA wordt voorts gerapporteerd in de WIA-evaluatie die binnenkort aan de Tweede Kamer wordt aangeboden.

179

Indien het streefniveau aandeel werkende WGA-ers met resterende verdiencapaciteit voor 2011 en latere jaren opwaarts bijgesteld zou worden naar 55% welke instrumenten zouden hiervoor ingezet moeten worden? Welk financiële beslag zou hiermee gemoeid zijn?

In tabel 46.7 is als streefwaarde voor de arbeidsdeelname van gedeeltelijk WGA-ers: (groter of gelijk) 50% opgenomen. Daarmee wordt enerzijds het streven tot uitdrukking gebracht om de arbeidsdeelname te verhogen, anderzijds enige voorzichtigheid in acht genomen. De ervaring leert immers dat de arbeidsdeelname van mensen met arbeidsbeperkingen wordt beinvloed door een groot aantal factoren, waaronder de conjunctuur, de bereidheid van werkgevers mensen in dienst te nemen, instrumenten die dit faciliteren, de re-integratieondersteuning door UWV, de opstelling van betrokkenen zelf etc. Om deze reden is het ook niet goed mogelijk om het geïsoleerde effect van een enkel aspect kwantitatief precies in beeld te brengen. Wel is de verwachting gerechtvaardigd dat met het aantrekken van de conjunctuur en de krapper wordende arbeidsmarkt de uitstroomkans naar werk voor WGA-gerechtigden stijgt.

Over de effectiviteit van de WIA wordt voorts gerapporteerd in de WIA-evaluatie die binnenkort aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. De WIA-evaluatie geeft aan actueel beeld van het aantal werkende WGA-gerechtigden. Uit de WIA-evaluatie kan blijken welke mogelijkheden er zijn om dit aandeel te laten stijgen.

180

Kan de regering anders dan met de tabel op bladzijde 80 van de begroting in een cijfermatig overzicht weergeven dat er per saldo sinds 2003 in het bestand WAO, IVA en WGA sprake is van een uitstroom?

Onderstaande tabel laat zien dat het gezamenlijke aantal WAO- en WIA-uitkeringen is gedaald van 800 duizend ultimo 2002 naar 600 duizend aan het einde van 2009.

Tabel 1 Aantal lopende WAO-, IVA- en WGA-uitkeringen.

Bron: UWV Kroniek van de sociale verzekeringen 2008, Rijksjaarverslag 2009, Begroting 2011.

181

Kan de regering de reden voor de stijging van het aantal zieke werklozen nader toelichten?

Door de economische crisis is het aantal werklozen gestegen. Dit vertaalt zich door naar een hoger aantal zieke werklozen.

182

Wat is de verklaring voor de lagere raming voor 2010 en 2011 van het aantal werkenden met een WAO/IVA/WGA uitkering?

Het gaat om een beperkte daling (van 21% in 2009 naar 20% in 2010 en 2011) die het gevolg is van een veranderende verhouding in het bestand van WAO en WIA uitkeringen.

Het aandeel WAO’ers daalt, dat van de WIA stijgt. De WIA kent een iets lager percentage werkenden. Dit is verklaarbaar vanuit de selectievere toelating tot de WIA: twee jaar loondoorbetaling en een ondergrens bij 35% arbeidsongeschiktheid. Desondanks ligt het percentage werkenden bijna net zo hoog als dat van de groep WAO’ers.

183

Kan de regering toelichten wat het (verwachte) percentage volledig arbeidsongeschikten is in de Wajong in de komende jaren? Hoe hoog is de verwachte uitstroom in de komende jaren?

Er is een verschil tussen volledig arbeidsongeschikten en volledig en duurzaam arbeidsongeschikten. In de Wajong van vóór 2010 wordt gesproken over de eerste categorie en ongeveer 98% van de populatie behoort tot deze groep. De nieuwe wet kent voor mensen die volledig arbeidsongeschikt zijn nog een tweede criterium om in de uitkeringsregeling geplaatst te worden, en wel de duurzaamheid van die arbeidsongeschiktheid. De verwachting is dat ongeveer 30% van de nieuwe instroom tot deze categorie: volledig én duurzaam arbeidsongeschikt – gaat behoren.

De verwachte uitstroom uit de Wajong loopt langzaam op. In 2010 is de verwachte uitstroom 4 500, in 2011 5400. De uitstroom in de jaren daarna hangt mede af van de nadere uitwerking van het Regeerakkoord.

184

Waarom wordt er in 2011 voor Wajong’ers minder werk bij reguliere werkgevers verwacht?

Er wordt voor deze groep niet minder werk bij reguliere werkgevers verwacht. Het aandeel werkende wajong’ers bij reguliere werkgevers blijft ongeveer hetzelfde in beide jaren (100% van 30% is ongeveer gelijk aan 85% van 35%).

185

Kan de regering aangeven hoe in de periode 2012–2020 het kengetal aandeel werkende Wajong’ers binnen werkregeling zich zal ontwikkelen?

Nee. Het kabinet wil toe naar één regeling die de Wajong, WSW en WWB hervormt. Voor jongeren die volledig en duurzaam ongeschikt zijn blijft de Wajong bestaan. Met ingang van 1-1-2012 wordt de Wajong alleen toegankelijk voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten. De bestaande Wajong-populatie zal vanaf 1-1-2012 worden ingedeeld in «volledig en duurzaam» arbeidsongeschikt en «gedeeltelijk» arbeidsongeschikt, waarbij de uitkering van gedeeltelijk arbeidsongeschikten per 1-1-2014 wordt verlaagd naar 70% WML.

186

Kan de regering aangeven, gezien de recente discussie met de VNG over de aanpassing van het WWB-budget, wie en hoe wordt bepaald of het macrobudget BUIG toereikend is geweest?

Budgettering is het uitgangspunt bij de financiering sinds de invoering van de WWB. Dit betekent dat de feitelijke uitgaven kunnen verschillen van het verstrekte budget. Dit is sinds de start van de WWB ook het geval geweest. De indicator wordt daarom niet achteraf bepaald, maar geldt als uitgangspunt bij de vaststelling van het budget. Met dit uitgangspunt zijn in het bestuursakkoord met de VNG / gemeenten afspraken gemaakt over de wijze waarop de vaststelling tijdens de periode van het bestuursakkoord plaatsvindt. In de brief over het WWB-budget van 6 oktober 2010 (Kamerstukken II 2010/2011, 30 545, nr. 96) is uiteengezet dat het budget volgens deze afspraken is vastgesteld.

187

Kan de Kamer worden geïnformeerd over het aantal vrouwen dat na een scheiding een beroep doet op de bijstand?

Uit de Bijstandsuitkeringenstatistiek (BUS) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat eind 2009 bij 39 170 vrouwen de oorzaak van de bijstandsafhankelijkheid was gelegen in het beëindigen van een huwelijk of relatie.

188

Kan de Kamer worden geïnformeerd over het aantal vrouwen dat bij beëindiging van de alimentatie in de bijstand terecht komt of al (deels) zat in de bijstand en daar dan ook in blijft?

Uit de Bijstandsuitkeringenstatistiek (BUS) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat eind 2009 er 915 vrouwen gebruik maakten van de bijstand wegens het wegvallen van inkomsten uit alimentatie.

189

Kan de Kamer worden geïnformeerd over het aantal alleenstaande vrouwen in de bijstand en over het aantal alleenstaande moeders?

Het totaal aantal bijstandsuitkeringen bedraagt 302 370. Het aantal alleenstaanden in de bijstand bedraagt 186 320. Daarvan is 88 590 vrouw. Het aantal alleenstaande ouders in de bijstand bedraagt 76 010. Daarvan is 72 010 vrouw. Deze cijfers weerspiegelen de stand van zaken per augustus 2010 (voorlopige cijfers CBS).

190

Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de ontwikkeling van het aantal huishoudens met problematische schulden? Kan dit nog voor de begrotingsbehandeling van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid?

Voor de begrotingsbehandeling van het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid ontvangt u de 2-meting van de monitor betalingsachterstanden, welke inzicht geeft in het aantal huishoudens met betalingsachterstanden, de kenmerken van deze betalingsachterstanden en de achtergrondkenmerken van de huishoudens.

In de brief van mijn voorganger (Kamerstukken II 2009/10, 24 515, nr. 161) is aangekondigd dat u in 2012 een vervolgmeting zult ontvangen op het onderzoek «Huishoudens in de rode cijfers». Deze vervolgmeting heeft tot doel inzicht te bieden in de effecten van beleid op de omvang van het aantal huishoudens met (een risico op) problematische schulden.

191

Houdt de regering ondanks de mogelijke effecten van de economische crisis die genoemd worden wel vast aan doelstelling om het aantal personen met problematische schulden met de helft teruggedrongen te hebben in 2011? Zo nee, wat is dan de doelstelling waarop de regering zich richt?

Nee. Het kabinet is van mening dat het van groot belang is om het aantal huishoudens met problematische schulden zoveel als mogelijk te beperken. Immers problematische schulden werpen een drempel op voor (volwaardige) participatie. De doelstelling om het aantal huishoudens met problematische schulden in 2011 met de helft terug te dringen is, gegeven de gevolgen van de economische crisis en het feit dat de belangrijkste oorzaken van problematische schulden niet of nauwelijks op korte termijn door beleid te beïnvloeden zijn, naar het oordeel van het kabinet niet haalbaar. De belangrijkste oorzaken van problematische schulden zijn financiële ongeletterdheid en als gevolg daarvan gebrekkig financieel beheer en het op (te) grote voet leven. Dit zijn zaken die moeizaam te beïnvloeden zijn, omdat ze samenhangen met bijvoorbeeld de persoonlijkheidsstructuur en het gedrag van mensen. Het kabinet bindt zich dan ook niet aan deze kwantitatieve doelstelling. Het kabinet stelt zich wel tot doel om het aantal huishoudens met problematische schulden zoveel mogelijk te beperken met name door gemeenten te stimuleren in te zetten op preventie en op het aanspreken van schuldenaren en schuldeisers op hun verantwoordelijkheid.

In 2009 is het onderzoek «Huishoudens in de rode cijfers» aan de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2009/10, 24 515, nr. 161). In 2012 zal een meting worden uitgevoerd. Dan zal blijken hoe het aantal huishoudens met problematische schulden zich in de loop van de tijd heeft ontwikkeld onder invloed van onder meer de economische crisis, het beleid van gemeenten en (de implementatie van) de voorgenomen Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.

192

In hoeverre volgt de regering de afspraken met VNG in het bestuursakkoord dat de gemeenten terughoudend zijn met de verstrekking van leenbijstand en dat zij deze zoveel mogelijk zullen terugdringen. Zijn daar cijfers over bekend?

De afspraak met de VNG dat gemeenten terughoudend omgaan met de verstrekking van leenbijstand wordt gemonitord via het Bestuurlijk Akkoord. De eerste evaluatie is op 21 januari 2010 aan de Tweede Kamer aangeboden. Deze evaluatie laat zien dat het percentage leenbijstand t.o.v. de totale verstrekte bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen in 2008 vergeleken met 2007, licht is opgelopen van 11,9% naar 12,4%.

Indicator

2007

2008

A. Uitgaven leenbijstand

23,5 mln

28,6 mln

B. Totale uitgaven bijzondere bijstand

193,9 mln

230 mln

Leenbijstand t.o.v. totaal bijzondere bijstand (A t.o.v. B)

11,9%

12,4%

Het is niet precies duidelijk waarom het percentage leenbijstand t.o.v. de totale verstrekte bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen in 2008 vergeleken met 2007, is opgelopen. 

Het streven is om de tweede evaluatieronde van het Bestuurlijk Akkoord uiterlijk 1 februari 2011 aan de Tweede Kamer te zenden.

193

Is de regering voornemens om een concrete en meetbare doelstelling op te nemen voor het aantal jongeren met inkomensvoorziening dat geen werkleertraject volgt? Zo ja, hoe luidt deze? Zo nee, waarom niet?

In tabel 46.14 van SZW-begroting 2011 is over het aantal jongeren met inkomensvoorziening zonder werkleertraject een kengetal opgenomen. Vanwege het nog niet beschikbaar zijn van de vereiste cijfers, kon hierover in de voorliggende begroting echter nog niet worden gerapporteerd. Met ingang van het jaarverslag 2010 zal over het aantal jongeren met inkomensvoorziening dat geen werkleertraject volgt, gerapporteerd kunnen worden. Het gaat hierbij om jongeren van wie om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet gevergd kan worden dat zij een werkleeraanbod uitvoeren. In dit licht is het opnemen van een doelstelling ten aanzien van deze categorie niet zinvol.

194

Kan de regering een overzicht geven van de langste wachttijden per gemeente (top vijf of top tien) op het gebied van schuldhulpverlening?

Gegeven de verantwoordelijkheidsverdeling tussen rijk en gemeenten is het niet aan mij om te onderzoeken hoe het staat met de schuldhulpverlening in afzonderlijke gemeenten en de bevindingen daarbij vervolgens openbaar te maken. In april 2010 heeft u wel het onderzoek over wachttijden in de gemeentelijke schuldhulpverlening ontvangen (Kamerstukken II 2009/10, 24 515, nr. 185) waaruit een gemiddelde wachttijd voor gemeenten van 32 kalenderdagen blijkt.

195

Wat bedraagt de gemiddelde wachttijd voor urgente schuldsituaties?

In april 2010 is het onderzoek «wachttijden voor de schuldhulpverlening bij gemeenten» aan u aangeboden (Kamerstukken II 2009/10, 24 515, nr. 185). Het onderzoek is uitgevoerd in de periode van december 2009 tot en met maart 2010 en biedt inzicht in de bestaande wachttijden die gelden voor de gemeentelijke schuldhulpverlening op 1 januari 2010. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de gemiddelde wachttijd in urgente schuldsituaties 5 kalenderdagen bedraagt.

196

In hoeveel procent van de gevallen wordt de gemaximaliseerde wachttijd van 28, dan wel 3 dagen overschreden?

Op dit moment is er geen gemaximeerde wachttijd.

197

Kan de regering beschrijven op basis van welke criteria wordt bepaald of de BUIG toereikend is?

Zie antwoord op 186.

198

Kan de regering uitleggen waarom er geen indicatoren voor huishoudens met problematische schulden en kinderen die om financiële redenen niet participeren zijn opgenomen tot en met 2015?

Het kabinet wil zich, gegeven de gevolgen van de economische crisis en het feit dat de belangrijkste oorzaken van problematische schulden niet of nauwelijks op korte termijn door beleid te beïnvloeden zijn, niet binden aan de kwantitatieve doelstelling om het aantal huishoudens met problematische schulden met de helft terug te dringen. Het kabinet stelt zich wel tot doel om het aantal huishoudens met problematische schulden zoveel mogelijk te beperken met name door gemeenten te stimuleren in te zetten op preventie en het aanspreken van schuldenaren en schuldeisers op hun verantwoordelijkheid.

Er is voor de jaren 2012 tot en met 2015 geen landelijke indicator geformuleerd voor kinderen die om financiële redenen niet participeren. Gemeenten formuleren namelijk – binnen de landelijke kaders – zelf hun armoede- en participatiebeleid en voeren dit uit, afgestemd op de lokale problematiek en mogelijkheden.

199

Kan de regering uitleggen welke concrete maatregelen er zijn en worden genomen in verband met het streven om het aantal kinderen dat om financiële redenen niet participeert in 2011 met de helft terug te dringen ten opzichte van 2008?

Er zijn vanaf 2008 diverse maatregelen getroffen om het streven om het aantal kinderen dat om financiële redenen niet participeert met de helft terug te brengen. Een concrete maatregel is onder meer het aan gemeenten beschikbaar stellen van extra middelen (€ 40 miljoen in 2008 en € 40 miljoen in 2009).

De resultaten worden gemonitord door middel van een nulmeting «Kunnen alle kinderen meedoen?»6 over 2008 en een vervolgmeting over 2010. Het aantal kinderen dat vanwege financiële redenen niet meedoet, is in 2008 66 000. De resultaten van de vervolgmeting komen beschikbaar in het tweede kwartaal 2011. Uw Kamer zal daar volgens afspraak over worden geïnformeerd.

Zoals bekend berust de verantwoordelijkheid voor de invulling en de uitvoering van het armoedebeleid, onder andere gericht op de participatie van kinderen, bij de gemeenten. De gemeente kan daardoor inspelen op de lokale omstandigheden en gebruik maken van lokale mogelijkheden.

200

Kan de regering toelichten waarom er niet voor is gekozen om ten aanzien van handhaving streefwaarden/prestatienormen te formuleren, maar enkel de realisatiecijfers weer te geven?

Met de presentatie van de nalevingniveaus over 2008 kwamen voor het eerst nalevingniveaus voor de sociale zekerheid beschikbaar. Vervolgens is het traject gestart om de oorzaken en motieven te kennen voor het niet naleven van de regels, opdat gefundeerde streefwaarden kunnen worden geformuleerd.

De met de verzamelbrief van 2 september 2010 aan de Tweede Kamer aangeboden onderzoeken «Wat de fraudeur beweegt» en «Plichtsbesef of boeteangst» geven een kwalitatief inzicht in die oorzaken en motieven. Omdat het tijdstip waarop de onderzoeksrapporten gereed waren later viel dan het opstellen van de begroting en er nog wordt gezocht naar de mogelijkheid van een kwantificering van de oorzaken en motieven was het nog niet mogelijk streefwaarden in de begroting van 2011 op te nemen. Naar aanleiding van de factsheets van de Algemene Rekenkamer over de beschikbaarheid van niet-financiële informatie in de SZW-begroting is aangegeven dat voor alle kernverplichtingen, behoudens de arbeidsomstandighedenwet, naar verwachting in de begroting 2012 streefwaarden worden opgenomen.

201

Welke verklaring is er voor het gegeven dat de incassoratio WWB in 2009 is gedaald ten opzichte van 2008? Hoeveel staat er op dit moment bij de gemeenten in totaal open aan nog te incasseren fraudebedragen? Wat is de inschatting van de regering ten aanzien van de incassoratio van dit totaalbedrag? Welke maatregelen is de regering voornemens te treffen om de incassoratio te verhogen?

De verklaring voor de daling van de incassoratio WWB in 2009 ten opzichte van 2008 ligt in een grotere terughoudendheid bij een deel van de gemeenten om over te gaan tot afboeking van oude openstaande fraudevorderingen.

De meest recente cijfers uit de debiteurenstatistiek geven de stand van het totale schuldbedrag van de bij de gemeenten openstaande fraudevorderingen per ultimo 2009, nl. 506 miljoen. Daarmee is voor het eerst sinds 2004 sprake van een lager schuldbedrag dan het bedrag dat voor het voorafgaande jaar gold. Eind 2008 stond er 523 miljoen uit aan fraudevorderingen.

Het is van belang daarbij te benadrukken dat het om een nominaal uitstaand bedrag gaat. Zoals aangekondigd door de staatssecretaris in de aanbiedingsbrief 4 december 2009 bij het onderzoeksrapport «Tot de laatste cent ?» (TK 2009–2010, 17 050, nr. 394) zal een schattingsmodel worden ontwikkeld waarmee een realistische indicatie kan worden gegeven van het feitelijk invorderbare bedrag.

Daarnaast is op initiatief van de Gemeente Leiden in samenwerking met enkele andere gemeenten een handreiking aan gemeenten in voorbereiding, op basis van best practices op het terrein van invordering. Deze handreiking zal onder de titel «Terugvordering op Maat» begin 2011 worden aangeboden aan alle gemeenten.

202

Kan de regering nader toelichten welke maatregelen de regering voornemens is om het Wajong bestand te reduceren? Wordt daarbij een onderscheid gemaakt tussen de oude groep van voor 1 januari 2010 en de nieuwe groep? Kan de regering aangeven hoe in de periode 2012–2020 het kengetal aandeel werkende Wajong’ers binnen de werkregeling zich zal ontwikkelen?

Het kabinet wil toe naar één regeling die de Wajong, WSW en WWB hervormt. Voor jongeren die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn blijft de Wajong bestaan.

Met ingang van 1-1-2012 wordt de Wajong alleen toegankelijk voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten. De bestaande Wajong-populatie zal vanaf 1-1-2012 worden ingedeeld in «volledig en duurzaam» arbeidsongeschikt en «gedeeltelijk» arbeidsongeschikt, waarbij de uitkering van gedeeltelijk arbeidsongeschikten per 1-1-2014 wordt verlaagd naar 70% WML.

Deze hervorming vergt een zorgvuldige en omvangrijke operatie. De exacte vormgeving ervan behoeft nog uitwerking. En in het kader daarvan zal ook de keuze van kengetallen worden bezien.

203

Welke verwachtingen heeft de regering ten aanzien van het volume uitkeringen voor de BES?

De BES-uitkeringen in artikel 46 betreffen een drietal werknemersverzekeringen (de Cessantiawet, de Ongevallenverzekering, en de Ziekteverzekering) en de Onderstand. Zoals weergegeven in tabel 46.1 (Begrotingsuitgaven artikel 46) stijgen deze uitkeringslasten van € 3,0 mln in 2011 naar € 3,3 mln in 2015. Dit wordt veroorzaakt door een onderliggende volumeontwikkeling van ongeveer 1% per jaar als gevolg van demografische factoren.

In artikel 49 zijn twee andere BES-uitkeringen opgenomen: de AOV en de AWW. Zoals weergegeven in tabel 49.1 (Begrotingsuitgaven artikel 49) stijgen deze uitkeringslasten van € 18,1 mln in 2011 naar € 19,5 mln in 2015. Het volume van AOV-gerechtigden stijgt circa met 4% per jaar (exclusief de leeftijdsverhoging) door demografische factoren. In de raming van de uitkeringslasten is rekening gehouden met de leeftijdsverhoging van de AOV. Het volume van de AWW-gerechtigden stijgt met circa 1% door demografische factoren.

204

Wat zijn de meest effectieve instrumenten waarover het UWV en/of de gemeenten beschikken bij het aan het werk helpen van werklozen? Is de effectiviteit van het re-integratieproces geëvalueerd? Wat is de effectiviteit van dit proces?

Zoals betoogd in het antwoord op 40 is leidend voor wat betreft de inzet van re-integratie de belemmering die een cliënt ervaart om regulier aan de slag te komen. Elk jaar wordt er in de SZW-begroting en -jaarverslag gerapporteerd over de uitstroom naar werk na afloop van een re-integratietraject. Dit betreft de zgn. bruto effectiviteit van re-integratie. In de aan uw Kamer verzonden brief over de resultaten van re-integratie (21 juli 2010, Vergaderjaar 2009–2010, 28 719, nr. 73) zijn al deze resultaten per wetsdoelgroep op een rij gezet, samen met andere informatie over bereik en aantallen trajecten alsmede financiële informatie. Tevens kondigt deze brief de uitvoering van een experiment aan om ook zicht te krijgen op de netto effectiviteit, dat wil zeggen die resultaten van re-integratie die kunnen worden toegeschreven aan het geheel van re-integratie inspanningen.

205

In Kamerstuk 28 719, nr. 73 is toegezegd dat de Kamer voor de behandeling van de begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2011 een voorstel zou krijgen voor een eventuele aangepaste set indicatoren en kengetallen en waarin ook de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer bij het SZW-jaarverslag zouden worden betrokken om de relatie tussen kosten, inspanningen en resultaten van re-integratie in begroting en jaarverslag beter te beschrijven. Wanneer kan de Kamer dit voorstel verwachten?

Na het overleg met uw Kamer over het SEO_rapport «kosten en resultaten van re-integratie» heb ik u toegezegd (TK, 2009–2010, 28 719, nr. 73) een voorstel te doen toekomen voor een eventuele aangepaste set indicatoren en kengetallen. Gelet op het feit dat dit kabinet voornemens is de onderkant van de arbeidsmarkt te hervormen zal de regering op een later moment – na de begrotingsbehandeling – met een voorstel komen waarbij voor de nieuwe regeling passende indicatoren en kengetallen worden betrokken.

De aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer bij het SZW-jaarverslag 2009 om de relatie tussen kosten, inspanningen en resultaten van re-integratie in begroting en jaarverslag beter te beschrijven zal ik uitwerken in het SZW jaarverslag 2010 door twee extra tabellen waarin de uitgaven per kalenderjaar van de verschillenden cohorten van trajecten voor WW-ers en cliënten met een arbeidsongeschiktheidsuitkering worden beschreven.

206

Kan de regering inzichtelijk maken wat de gevolgen in 2011 zullen zijn van de overschrijding van re-integratiebudgetten door het UWV in 2010? Kan de regering aangeven welke gevolgen een en ander heeft voor de dienstverlening naar klanten?

De overschrijding van het re-integratiebudget WW in 2010 is door UWV opgevangen binnen de eigen middelen. Voor 2011 is het budget beschikbaar zoals opgenomen in de begroting 2011.

De overschrijding in 2010 staat hier in beginsel los van. Wel heeft UWV naar aanleiding van deze overschrijding interne sturingsmaatregelen getroffen gericht op beheersing van het re-integratiebudget WW. Dit zogeheten verbeterplan is met de brief van 6 september (RUA/UO/2010/13833) aan uw kamer toegestuurd.

207

Vanaf 2011 staan in tabel 47.1 re-integratie uitgaven opgenomen voor de BES (260 000). In de toelichting staat vermeld dat deze uitgaven betrekking hebben op «brede» activiteiten op de BES. Kan de regering toelichten wat dit inhoudt? Op welke wijze zijn daarbij werkgevers op de BES-eilanden betrokken in de re-integratie inspanningen? Welke andere maatregelen voor de re-integratie op de BES-eilanden worden genomen, zoals het realiseren van participatieplaatsen?

In het Bestuurlijk Akkoord van 18 april tussen Bonaire, Sint Eustatius, Saba en Nederland is geconstateerd dat voor het verbeteren van de welvaart op de eilanden het van belang is de economie, arbeidsmarkt en werkgelegenheid te versterken. In het Akkoord is vastgelegd dat verschillende knelpunten op sociaaleconomisch terrein daarom voorwerp van aandacht, nader onderzoek en overleg moeten zijn. Vooral van belang daarbij is de onderlinge samenhang tussen de diverse onderwerpen, zoals arbeidsmarkt, kinderopvang, (sociale) woningbouw en situatie van jongeren. Een integrale aanpak en benadering zou daarom gewenst zijn. Daarbij worden de mensen waar het om gaat centraal gesteld en wordt de dienstverlening om deze mensen heen georganiseerd. De re-integratieuitgaven opgenomen voor de BES kunnen worden ingezet voor activiteiten met als doel het verminderen van belemmeringen voor sociale groepen die hun participatie op de arbeidsmarkt in de weg staan.

Goed onderwijs en een goede aansluiting op de arbeidsmarkt zijn belangrijk voor de economische ontwikkeling. Een belangrijke schakel hierin zijn werkgevers. Door te werken met een werkgeversbenadering kan en aanbod beter op elkaar worden afgestemd. Bij een werkgeversbenadering geeft de werkgever aan wat voor soort personeel hij nodig heeft. Dan kan vervolgens worden gezocht naar geschikte kandidaten die met cursussen en «on the job training» klaargestoomd worden voor die baan. Deze werkgeversbenadering kan bijdragen aan een sterkere arbeidsmarkt. En wanneer de arbeidsmarkt beter werkt, zal dit een positief effect hebben op de gehele sociaaleconomische situatie op de drie eilanden.

Een aanpak waarbij deze verschillende knelpunten integraal worden aangepakt, wordt momenteel onderzocht.

208

Kan de regering inzichtelijk maken welke gevolgen de bezuiniging op het participatiebudget van gemeenten met zich mee zullen brengen? Kan de regering aangeven of de werkwijze «werk boven uitkering» hiermee niet in gevaar komt?

Door een verdere verbetering van de selectiviteit, maatwerk en van de doelmatigheid kunnen gemeenten wegen vinden om de participatiedoelstellingen met minder middelen te realiseren. Voor een aantal gemeenten is dit een voortzetting van het bestaande beleid, maar voor een deel van de gemeenten zal de bezuiniging aanleiding zijn tot een herziening van het gemeentelijke beleid.

De werkwijze «werk boven uitkering» komt door de bezuiniging niet in gevaar.

De meer kansrijke cliënten zullen in plaats van een (lang) re-integratietraject, direct naar werk worden begeleid. Het lagere re-integratiebudget zal de gemeenten verder stimuleren om deze aanpak toe te passen.

209

Hoe is de korting van 142,5 miljoen euro verdeeld over het re-integratiebudget? Prioriteert de regering op bepaalde middelen? Welke gevolgen in de uitvoering door gemeenten moet het korten van 142,5 miljoen euro op het flexibel re-integratiebudget volgens de regering hebben?

In de begroting 2011 worden de re-integratiebudgetten met ingang van 2012 met € 190 miljoen verlaagd. Deze korting slaat voor 75% (€ 142,5 miljoen) neer bij gemeenten en voor 25% (€ 47,5 miljoen) bij het UWV. De korting van € 142,5 miljoen komt ten laste van het flexibel re-integratiebudget. Aangezien gemeenten beleidsvrijheid hebben over de besteding ligt de keuze van prioritering ook bij hen. Door deze besparing moeten gemeenten de re-integratiemiddelen selectiever inzetten dan voorheen.

210

Hoeveel geld is er uitgetrokken voor alle re-integratietrajecten? Wat is het aantal begrote trajecten en wat is de gemiddelde trajectprijs, inclusief uitvoeringskosten?

Het UWV heeft met de re-integratiebudgetten voor werklozen (WW) en arbeidsongeschikten (AG) middelen beschikbaar om re-integratietrajecten in te kopen. Gemeenten kopen trajecten in via de middelen uit het Participatiebudget.

Het re-integratiebudget WW is voor 2011 vastgesteld op € 104 miljoen, het re-integratiebudget AG op € 134 miljoen. Naar verwachting kan in 2011 voor circa 40 duizend WW-klanten en voor circa 27 duizend arbeidsongeschikten re-integratiedienstverlening ingekocht worden.

In 2011 wordt rekening gehouden met een gemiddelde trajectprijs voor WW van € 2 500 en voor AG van € 4 750 (exclusief uitvoeringskosten). De uitvoeringskosten re-integratie zijn niet één op één te relateren aan de inkoop van re-integratie omdat hieruit verschillende activiteiten worden gefinancierd o.a. op het gebied van inkoop trajecten, management, stafactiviteiten en concern. Het is daarmee niet mogelijk om een trajectprijs inclusief uitvoeringskosten op te geven.

Gemeenten kunnen uit het Participatiebudget o.a. re-integratievoorzieningen financieren. Het totale Participatiebudget bedraagt in 2011 € 1.7 miljard. Dit is een ongedeeld budget voor re-integratie, educatie en inburgering. Aangezien gemeenten bestedingsvrijheid hebben is niet te zeggen hoeveel re-integratietrajecten hiervoor worden ingekocht in 2011. Realisatiecijfers uit 2009 laten zien dat er dat jaar 78 duizend trajecten zijn beëindigd en er eind 2009 nog 236 duizend trajecten liepen. Er is door gemeenten in 2009 voor circa € 1.85 miljard aan re-integratie uitgegeven. Zoals gemeld in de brief van 12 juli (Tweede Kamer, 28 719, nr. 73) heeft het onderzoeksbureau SEO schattingen gemaakt voor de kosten per traject. De bandbreedte van de gemiddelde kosten van door gemeenten ingezette instrumenten varieert volgens deze berekeningen tussen € 3 duizend en € 10 duizend per traject. De schattingen zijn voor UWV en gemeenten niet goed vergelijkbaar in verband met de verschillende soorten instrumenten, verschillen in de doelgroep en de vormgeving van de trajecten.

211

Kan de regering ingaan op de toegevoegde waarde van het RWI in verhouding tot het CBS, CPB, WRR, SER, onderzoeksbureaus, wetenschappers en kennis binnen Sociale Zaken en Werkgelegenheid (bijvoorbeeld de directie ASEA)? Waarom is een rijksbijdrage gerechtvaardigd?

De RWI is, anders dan de genoemde organisaties, samengesteld uit vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers en gemeenten. Tevens is het UWV betrokken, via de wettelijke overlegverplichting. Daarnaast richt de RWI zich meer dan de genoemde organisaties op de korte termijn en op praktische adviezen en handreikingen voor de uitvoering.

212

In welke mate heeft de korting op het re-integratiebudget Wajong in verband met uitvoeringstegenvallers in de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gevolgen voor de uitvoering van de re-integratie binnen de Wajong?

In het kabinetsbeleid wordt een grote prioriteit toegekend aan vergroting van de kansen op werk van jonggehandicapten. Dit blijkt ook uit de re-integratiemiddelen die voor deze doelgroep in de begroting zijn opgenomen. Deze middelen bedroegen in 2010 nog € 114 mln. en bedragen in 2011 € 165 mln. Wel is het om budgettaire redenen noodzakelijk gebleken om vanaf 2012 een korting toe te passen op de re-integratiemiddelen.

Van belang is voorts dat het Regeerakkoord voorziet in maatregelen met betrekking tot de onderkant van de arbeidsmarkt, waaronder de Wajong. Deze maatregelen vergen nog verdere uitwerking. Uiteraard zal de Kamer hierover vervolgens nader worden geïnformeerd.

213

Re-integratie van gedeeltelijk arbeidsgeschikten wordt eveneens bevorderd door een korting voor werkgevers op de af te dragen premies en daarnaast zijn er re-integratie instrumenten waarbij uitkeringen worden ingezet om mensen te laten werken door bijvoorbeeld loondispensatie, loon-inkomenssuppletie en de no-risk polis. Kan de regering aangeven per instrument hoeveel mensen hierdoor aan het werk zijn en welke kosten daarmee gemoeid zijn? Wat wordt de komende jaren door de regering hiermee beoogd?

Terecht wordt opgemerkt dat er verschillende instrumenten beschikbaar zijn om de re-integratie van gedeeltelijk arbeidsgeschikten te bevorderen. De in de genoemde instrumenten premiekorting arbeidsgehandicapten, loondispensatie, looninkomenssuppletie en de no-risk polis behoren daartoe. Het is niet mogelijk om voor deze instrumenten separaat aan te geven hoeveel mensen daardoor aan het werk zijn; vaak is er sprake van een combinatie van instrumenten waardoor het geïsoleerd effect van één enkel instrument niet is vast te stellen.

Wel zijn op basis van de beschikbare registraties de volgende gegevens bekend.

De premie-uitgaven die gemoeid zijn met de premiekorting arbeidsgehandicapten bedragen 44 mln. (2010) resp. 45 mln. (2011, zie ook tabel 6.3.7, blz. 197 van de begroting 2011). In 2009 werd deze regeling voor 24 141 mensen toegepast.

Het instrument loondispensatie wordt thans alleen toegepast voor Wajongers. Loondispensatie houdt in dat de werkgever niet het wettelijk minimumloon hoeft te betalen. Het instrument is voor bijna 2 500 personen (2008) resp. bijna 4 000 personen (2009) toegekend. De uitgaven in verband met de no-risk polis lopen op van 87 mln. (2008) naar 96 mln. (2011). Het aantal personen waarvoor het instrument wordt ingezet nam ook toe: bijna 5 500 (eind 2008), ca. 6 000 (2009) en bijna 6 300 (eind 2010). Bij het instrument loon-inkomenssuppletie gaat het om een laag bedrag (ca. € 0,5 mln. in 2010).

214

Hoe wordt gewaarborgd dat de re-integratiegelden van het UWV gerichter worden ingezet voor mensen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt?

In bestuurlijke afspraken met het UWV en in het jaarplan UWV kan worden opgenomen dat de beschikbare middelen voor de meest kwetsbare personen op de arbeidsmarkt worden ingezet. Voor de WW is hierbij aangesloten bij de conclusies uit de beleidsdoorlichting re-integratie, waaruit blijkt dat de inzet van re-integratiegeld het meest effectief is voor personen die langer dan 12 maanden een WW-uitkering ontvangen. Met UWV is dan ook afgesproken dat bij de inzet van re-integratiemiddelen prioriteit geschonken wordt aan langdurig werklozen.

Indien dit onvoldoende blijkt, kan dit uitgangspunt ook nader in de regelgeving worden vastgelegd. In alle gevallen is het van belang, dat de werkcoaches UWV op basis van dit uitgangspunt en hun professionele kennis, de meest effectieve weg kiezen om personen zo snel mogelijk naar werk te begeleiden.

215

Kan de timing van toekenning van re-integratiebudgetten worden aangepast zodat ze bij een volgende begrotingsbehandeling niet als «juridisch verplicht» vast komen te staan?

De datum waarop het participatiebudget aan een gemeenten wordt toegekend is in de regelgeving opgenomen. Het participatiebudget wordt vooraf aan de gemeenten toegekend. De reden hiervan is dat gemeenten zoveel mogelijk vooraf inzicht hebben in het beschikbare budget, zodat zij daarop hun re-integratiebeleid kunnen afstemmen. Dit heeft wel als gevolg dat ten tijde van de begrotingsbehandeling SZW 2011 in de Kamer, de uitgaven voor het jaar 2011 (grotendeels) vastliggen.

216

Kan de regering een vergelijking geven van de kosten van een gemiddeld integratietraject voor werkzoekenden onder operationele doelstelling 1, 2 en 3?

Onder operationele doelstelling 1 worden alleen de begrotingsuitgaven van de basisdienstverlening van het UWV-Werkbedrijf verantwoord. Als onderdeel van de basisdienstverlening worden geen re-integratietrajecten uitgevoerd.

Voor de re-integratietrajecten onder operationele doelstelling 2 en 3 is voor gemeenten één budget beschikbaar waarin geen schotten zijn aangebracht (het Participatiebudget).

Recent heeft SEO in het onderzoek «Kosten en resultaten van re-integratie», dat u op 21 juli (Vergaderjaar 2009–2010, 28 719, nr. 73) is aangeboden, geprobeerd de gemiddelde uitgaven van sommige typen re-integratieondersteuning te berekenen. Zowel voor gemeenten (blz 10 van het rapport) als UWV (blz 12 van het rapport) blijkt dat twee verschillende berekeningswijzen zeer variërende uitkomsten hadden.

217

Op welke manier geeft de indicator «tevredenheid» inzicht in de mate waarin de doelstelling bereikt is? Welke factoren werden in de tevredenheidsonderzoeken gemeten en hoe werden ze gewogen?

Periodiek wordt de klantgerichtheid gemeten onder op de Werkpleinen ingeschreven werkzoekenden. In deze meting staan vijf klantprincipes centraal:

  • •  bereikbaarheid en toegankelijkheid;
  • •  persoonlijke aandacht;
  • •  maatwerk;
  • •  tijdigheid en
  • •  duidelijkheid.

Gevraagd wordt met name hoe werkzoekenden op bepaalde momenten in het proces de dienstverlening ervaren, zowel voor de vijf klantprincipes afzonderlijk als voor de totale dienstverlening op het Werkplein. Dit resulteert in een rapportcijfer over de vijf afzonderlijke klantprincipes én in een rapportcijfer voor de totale dienstverlening.

In de eerste vier maanden van 2010 hebben de ketenpartners een score van 6,9 behaald voor de totale dienstverlening. In het ketenplan 2010 is als streefwaarde een 7 opgenomen.

218

Bij tabel 47.5 wordt vermeld dat de cijfers van realisatie in 2010 betrekking hebben op het eerste tertaal. Is hierbij evenredig geëxtrapoleerd? Hoe is de werkelijke ontwikkeling in het tweede tertaal geweest?

De cijfers in tabel 47.5 worden niet ge-extrapoleerd naar geheel 2010. In de tabel staan de meest actuele realisatiecijfers opgenomen die ten tijde van het opstellen van de begroting beschikbaar waren, te weten cijfers over de eerste vier maanden van 2010. De kengetallen in tabel 47.5 «niet-werkende werkzoekenden» en «geregistreerde vacatures» betreffen de gerealiseerde stand op 1 januari 2010. In de kengetallen over de ingestroomde niet-werkende werkzoekenden en ingediende of vervulde aantallen vacatures worden alle mutaties in het 1e tertaal 2010 meegeteld.

Het percentage door UWV Werkbedrijf vervulde vacatures ten opzichte van het aantal ingediende vacatures is in het 2e tertaal niet gewijzigd en bedraagt over de eerste acht maanden eveneens 39%. Het aantal ingediende vacatures tot en met augustus is 188 000, het aantal door UWV Werkbedrijf vervulde vacatures bedraagt 74 000.

219

Waarom heeft de regering bij artikel 47 (bemiddeling en re-integratie) alleen voor operationele doelstelling één klanttevredenheid cijfers opgenomen? Kan de regering ook klanttevredenheidscijfers geven voor de andere twee doelstellingen?

Het is niet zinvol om het succes van de operationele doelstellingen voor re-integratie af te meten aan een klanttevredenheidscijfer omdat de geboden ondersteuning niet vrijblijvend is. Het cijfer zou worden beïnvloed omdat niet meedoen aan een re-integratietraject met een korting op de uitkering kan worden gesanctioneerd. Het klanttevredenheidscijfer is wel een goede indicator voor het succes van de bemiddelingsdoelstelling, omdat het werkgevers en werkzoekenden ook vrij staat om geen gebruik te maken van de dienstverlening van het UWV.

220

Kan de regering toelichten wat de oorzaak is van het niet beschikken van gegevens over de uitstroom na een loonkostensubsidie verstrekt door het UWV? Komt hier in de toekomst verandering in?

Het niet beschikken van gegevens voor de begroting 2011 heeft een technische reden. In de begroting is gebruik gemaakt van het CBS-rapport «Aan het werk met of zonder re-integratieondersteuning». Tijdens de uitvoering van dit CBS-onderzoek konden de beschikbare UWV gegevens niet worden gekoppeld aan CBS-bronnen. De intentie is de UWV-rapportages in de toekomst wel mee te nemen in de analyse. Het CBS beziet hiertoe op dit moment de mogelijkheden.

221

Heeft de regering gegevens over hoeveel voormalig werklozen na zes maanden in een baan gestart te zijn na een re-integratievoorziening, weer terugvallen op een uitkering?

Begin 2009 is een artikel van het CBS over dit onderwerp in het Tijdschrift Sociaaleconomische trends7 beschreven hoe dergelijke door het CBS aangeduid als meermaals geregistreerden te kenmerken zijn qua geslacht, leeftijd en herkomst. Het CBS constateert dat 12% van de instroom in de periode januari 2004 tot en met juni 2006 tot deze groep behoort. Zij zijn relatief jong (60 procent is onder de 35 jaar), veelal van het mannelijk geslacht (60%), voor 70% autochtoon en stromen met name meermaals in de WW in. In december 2008 constateerde IWI in het rapport Perspectief op duurzame uitstroom uit de WWB dat het grootste deel van de cliënten dat uit de WWB naar werk uitstroomt, duurzaam uitstroomt. De conclusies van IWI lopen in belangrijke mate parallel met die uit het artikel van CBS; 12% komt binnen zes maanden weer terug in de uitkering en 84% is na een jaar nog steeds niet terug. Persoonskenmerken (geslacht, leefvorm, leeftijd, etniciteit) en andere factoren (ontheffing arbeidsplicht, volgen traject en fase-indeling) spelen geen duidelijke rol bij het al dan niet duurzaam uitstromen naar werk. Het onderzoek van IWI had betrekking op de G4-gemeenten.

222

Zeker in een periode op het einde/na de crisis ligt het voor de hand dat meer mensen naar werk instromen. Waarom kiest de regering niet voor een oplopend streefcijfer voor uitstroom naar werk?

Het vorige kabinet heeft gemeend dat het aan een nieuw kabinet is doelen te stellen op het terrein van re-integratie. Overigens had het vorige kabinet vanwege de crisis de uitstroomdoelstelling voor 2010 buiten werking gesteld en heeft deze voor 2011 opnieuw geïntroduceerd, waarbij de realisatie voor 2009 met 55 procent duidelijk lag onder de nieuwe doelstelling voor 2011 (60 procent). . De nieuwe doelstelling voor 2011 is (60 procent) en ligt een stuk hoger dan de realisatie van 55% in 2009.

223

Hoe wil de regering het streven van 60% uitstroom naar regulier werk binnen 24 maanden in 2011 bereiken?

Voor het realiseren van de genoemde uitstroomdoelstelling is het in artikel 47 beschreven scala aan geld en instrumenten bij UWV en gemeenten beschikbaar. De verwachte betere conjunctuur en de inzet van re-integratiemiddelen moeten in belangrijke mate bijdragen aan het realiseren van genoemde uitkomst.

224

Tijdens de begrotingsbehandeling van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor 2010 (Handelingen 2009–2010, nr. 36, pag. 3458–3487) heeft de staatssecretaris toegezegd om de mogelijkheid voor het introduceren van een maatschappelijk werkboekje om de afstand van werkzoekenden tot de reguliere arbeidsmarkt te verkleinen met de VNG te bespreken. Heeft dit overleg met de VNG plaatsgevonden en zo ja, wat is de uitkomst van dit overleg geweest?

Mevrouw Ortega-Martijn (CU) heeft voorgesteld om voor WWB-ers het instrument van een maatschappelijk werkboek in het leven te roepen. In dat werkboek kunnen werkzoekenden hun activiteiten in het kader van maatschappelijke participatie laten opnemen. Mw Ortega stelt een pilot voor.

Voormalig staatsecretaris Klijnsma heeft aangegeven, dat zij dit idee op het eerste gezicht een sympathiek voorstel vindt. Immers ook maatschappelijke participatie kan de afstand van mensen tot de arbeidsmarkt verkleinen. Zij heeft zich dan ook bereid verklaard om het voorstel van mevrouw Ortega-Martijn met de VNG te bespreken.

Op dit moment wordt over de uitwerking van het voorstel van mevrouw Ortega nagedacht. De uitvoering van het voorstel moet immers uitvoerbaar zijn en dient iets toe te voegen aan de bestaande EVC mogelijkheden. Een overleg met de VNG heeft nog niet plaatsgevonden. Het voorstel van mevrouw Ortega zal ook bekeken worden in het licht van het regeerakkoord van dit kabinet.

225

Bestaat er inzicht in hoe de verhouding is tussen de groep Wsw-geïndiceerden en de groep die daarvoor in aanmerking zou komen indien deze een indicatie zou aanvragen? Wat wordt gedaan om de potentiële doelgroep te bereiken?

Nee dat is er niet. Zoals eerder opgemerkt is de aanvoor een Wsw-indicatie een vrijwillige keuze en er wordt vanuit de overheid geen «campagne» gevoerd om personen te bewegen een Wsw-indicatie aan te vragen. De uitvoering zelf (UWV en/of gemeente) kan klanten wel wijzen op deze voorziening, wanneer zij vermoedt dat dit de juiste voorziening voor die persoon zou kunnen zijn. Ook dan blijft het aan de persoon zelf hiervan wel of geen gebruik van te maken.

226

Hoeveel mensen staan op de wachtlijst voor de sociale werkvoorziening?

De Wsw-statistiek 2009 geeft aan dat eind 2009 18 710 personen op de wachtlijst staan.

227

Hoe lang is de gemiddelde wachtduur voor een Wsw-geïndiceerde op de wachtlijst voor de sociale werkvoorziening?

De Wsw-statistiek 2009 geeft aan dat in 2009 de gemiddelde wachtduur 14.7 maanden bedraagt.

228

Klopt het dat de budgetten van het UWV om de voortrajecten voor mensen die op de wachtlijst staan te financieren zijn/worden stopgezet? Zo ja, hoeveel wordt er gekort en waarom?

Het is juist dat UWV de extra dienstverlening voor Wsw-geïndiceerden beëindigt.

In de brief van 6 september jl. aan de Tweede Kamer (kamerstukken 26 448, nr. 442) heeft de vorige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid al aangegeven dat de Raad van Bestuur van UWV heeft meegedeeld dat een aantal maatregelen nodig is om binnen het re-integratiebudget voor arbeidsongeschikten 2010 en 2011 te blijven. Daarbij is erop gewezen dat dit een consequentie is van de keuze voor een gebudgetteerde financiering. In genoemde brief zijn de maatregelen benoemd. Eén van de maatregelen betreft het stopzetten van extra dienstverlening vanuit UWV voor Wsw-geïndiceerden. Hiervoor is een aantal redenen. In de eerste plaats is het re-integratiebudget voor arbeidsongeschikten beperkt en moeten prioriteiten worden gesteld inzake de dienstverlening. In de tweede plaats richt UWV zich primair op re-integratie naar een reguliere werkgever en bij de Wsw geldt nu juist dat re-integratie naar regulier werk niet mogelijk is omdat iemand anders ook geen Wsw-indicatie zou hebben ontvangen; begeleid werken bij een reguliere werkgever in het kader van de Wsw is het hoogst haalbare. Voorts behoort het primair tot de verantwoordelijkheid van de gemeente om mensen met een Wsw-indicatie te re-integreren. UWV raamt dat met het stopzetten € 4,3 mln. wordt bespaard.

229

Hoeveel Wsw-geïndiceerden volgen op dit moment een voortraject Wsw? Hoeveel van deze mensen komt thuis te zitten met een uitkering wanneer de financiering door het UWV wordt stopgezet?

Er wordt niet bijgehouden hoeveel personen een voortraject hebben. Thans biedt UWV nog extra ondersteuning aan een kleine 1 500 personen die geïndiceerd zijn voor de Wsw. Het betreft met name cliënten die onder de oude Wajong vallen. De dienstverlening vindt plaats in het kader van de zgn. 85/15-regeling.

Hierbij vergoedt UWV thans, vooruitlopend op plaatsing op een Wsw-plaats, maximaal 85% van het wettelijk minimum loon alsmede € 2 000,- aan uitvoeringskosten. Deze regeling wordt stopgezet. Voor de goede orde zij vermeld dat UWV bestaande trajecten zal eerbiedigen; de maatregel geldt dus alleen voor nieuwe gevallen. Voorts zal UWV de re-integratiedienstverlening in het kader van de nieuwe Wajong voortzetten aan Wajongers die onder de nieuwe Wajong vallen en op de Wsw-wachtlijst staan.

230

Acht de regering het wenselijk dat mensen met een Wsw-indicatie weer thuis komen te zitten, vanwege onvoldoende financiering van het voortraject door het UWV? Zo ja, waarom. Zo nee, waarom niet?

Zoals ook in de beantwoording van de vragen 229 en 159 is aangegeven, komen de mensen niet thuis te zitten. Het kabinet wil toe naar één regeling die de Wwb, Wajong en Wsw hervormt. Het kabinet komt met voorstellen om één regeling te maken die maximaal inzet op werk en er komen dus geen mensen achter de geraniums te zitten.

231

Is de regering van mening dat voornamelijk bij jongeren een voortraject ervoor zorgt dat de vaardigheden op peil worden gehouden, zij arbeidsritme opdoen en ze zich verder kunnen ontwikkelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, acht de regering bezuinigingen/kortingen op het budget van de voortrajecten Wsw wenselijk?

Jongeren zijn een belangrijke groep om te ondersteunen naar arbeid toe, met name ook naar de toekomst toe mede indachtig de vergrijzing van Nederland. Voor jongeren wordt echter ook op andere manieren gezorgd voor de best mogelijke aansluiting tussen scholing en de arbeid, zoals verbetering van de opleiding in relatie tot de arbeidsmarkt en de Wajong-werkregeling. Daarnaast hanteren gemeenten voorrangsbeleid voor plaatsing vanaf de wachtlijst voor bepaalde groepen en vaak wordt de groep van jongeren hierin opgenomen, zoals aangegeven in antwoord op 266. Voorts wordt verwezen naar het antwoord op de vragen 228 en 229.

232

Acht de regering het wenselijk dat Wsw-geïndiceerden die gebruik maken van een voortraject terugvallen op een uitkering en weinig uitzicht hebben op verbetering van hun situatie?

Zie antwoord 230.

233

Is de regering zich ervan bewust dat het stopzetten van de regeling – waarbij het UWV bijdraagt aan de kosten van voortrajecten vanaf de wachtlijst Wsw – kan leiden tot hogere maatschappelijke kosten, omdat thuiszitten voor deze mensen hun gezondheid kan ondermijnen en verslavingen een grotere kans krijgen?

Deze omstandigheden kunnen zich voordoen maar of hierin een causaal verband is zoals wordt verondersteld in de vraag, wordt niet onderschreven. Zie verder de antwoorden op 228 en 229.

234

Kan de regering een overzicht geven van gemeenten die vanwege de bezuinigingen op de re-integratiegelden de financiering van voortrajecten Wsw gaan stopzetten of reeds stop hebben gezet?

Het is niet te zeggen hoeveel gemeenten de inzet van re-integratiemiddelen zal stopzetten. Het is immers geen verplichting hiervan gebruik te maken zoals ook is aangegeven in antwoord op 230.

235

Hoeveel mensen werken er op een beschutte werkplek, binnen de muren van de sociale werkvoorziening?

De Wsw statistiek 2009 geeft aan dat 72 952 Wsw-werknemers (71,4% van in totaal 102 173 werknemers eind 2009) werkzaam zijn in de beschutte werkomgeving.

236

Hoeveel mensen met een Wsw-indicatie zijn gedetacheerd bij reguliere werkgevers?

De Wsw statistiek 2009 geeft aan dat 25 237 Wsw-werknemers (24,7% van in totaal 102 173 werknemers eind 2009) werkzaam zijn via detachering.

237

Hoeveel mensen met een Wsw-indicatie zijn gedetacheerd bij het Rijk?

Het is niet bekend hoeveel Wsw-ers gedetacheerd zijn bij het Rijk. Wel is bekend hoeveel Wsw-ers in de periode 2009 – medio oktober 2010 in het kader van het 250 werkervaringsplaatsenproject voor Wsw en Wajong er bij het Rijk zijn geplaatst: 78. Het overgrote deel van deze plaatsingen betreft detacheringen. De minister van BZK rapporteert in het Sociaal Jaarverslag Rijk van 2010 (in mei 2011) over de realisatie van het project. Daarnaast treft het ministerie van BZK voorbereidingen om vanaf 2011 structureel 1% van de bezetting in fte's bij het Rijk te reserveren voor personen met (lange) afstand tot de arbeidsmarkt (met name voor Wsw-ers, Wajongers en langdurig werklozen).Bij het departement van SZW zijn 5 Wsw-ers werkzaam in dienst van SZW en 4 Wsw-ers via contracten met catering- en schoonmaakbedrijven.

238

Hoeveel mensen met een Wsw-indicatie werken bij reguliere werkgevers door middel van begeleid werken?

De Wsw statistiek 2009 geeft aan dat 5,2% van de Wsw-werknemers (totaal 102 173 werknemers eind 2009) werkzaam is bij een reguliere werkgever in begeleid werken.

239

Hoeveel mensen met een Wsw-indicatie werken bij het Rijk door middel van begeleid werken?

Zie antwoord op 237.

240

Hoeveel procent van de werknemers bij het Rijk hebben een Wsw-indicatie?

Zie antwoord op 237.

241

Hoeveel procent van het aantal Wsw-geïndiceerden is gedetacheerd bij reguliere werkgevers?

Zie antwoord 236.

242

Hoeveel procent van het aantal Wsw-geïndiceerden is gedetacheerd bij het Rijk?

Zie antwoord op 237.

243, 244, 245, 248 en 249

Op welke wijze wordt de nieuwe instroom voor de Wsw beperkt?

Hoeveel mensen kunnen vanwege de beperking van de nieuwe instroom in de Wsw niet meer instromen in de Wsw?

Wat zijn de consequenties van de beperking van de instroom in de Wsw voor de wachtlijst voor de sociale werkvoorziening?

Wat is de doelstelling om het aantal mensen door middel van loondispensatie of loonkostensubsidie aan de slag te krijgen bij reguliere werkgevers?

Hoeveel plekken zullen er de komende jaren (tot 2015) in de sociale werkvoorziening zijn?

Deze vragen hebben betrekking op de nieuwe situatie die wordt geschetst in het regeerakkoord. Daarin wil het kabinet toe naar één regeling die de WWB, Wajong en Wsw hervormt met het doel meer mensen te laten participeren, budgetten gerichter en effectiever in te zetten en daarmee kosten te besparen. Het kabinet wil dat ook arbeidsgehandicapten met een beperkte verdiencapaciteit zoveel mogelijk bij een reguliere werkgever aan de slag gaan. Voor diegene die (nog) niet in staat is om bij een reguliere werkgever aan de slag te gaan, blijft beschut werk mogelijk. Om deze maatregelen mogelijk te maken, stelt het kabinet het instrument loonaanvulling beschikbaar. Het kabinet werkt de voorstellen hiertoe uit. Eerst dan worden de implicaties – waarnaar wordt gevraagd – helder.

246

Hoeveel Wsw-geïndiceerden werken op dit moment met behulp van loondispensatie of loonkostensubsidie?

Wsw-geïndiceerden, werkzaam in het kader van de Wsw, werken op dit moment enkel met loonkostensubidie. De tijdelijke wet pilot loondispensatie maakt mogelijk dat bij 32 deelnemende gemeenten en samenwerkingsverbanden van gemeenten personen die met een Wsw-indicatie die op de wachtlijst staan, kunnen werken met loondispensatie. Deze pilot is vanaf juli 2010 van start gegaan als één van de pilots Werken naar vermogen. Er zijn nog geen gegevens over het aantal personen dat in deze pilot werkt met loondispensatie.

247

Hoeveel Wsw-geïndiceerden zijn door middel van loondispensatie of door loonkostensubsidie in dienst genomen bij een reguliere werkgever?

Wsw-geïndiceerden werken op dit moment enkel met loonkostensubidie in de Wsw; de Wsw statistiek 2009 geeft in tabel 5.7 aan dat er sprake is van 5 295 personen die werkzaam zijn op begeleid werkenplekken. Ca 60% werkt fulltime (36 of 40 uur) in begeleid werken en 40% in deeltijd (van 10 tot 36 uur).

250

Wat zijn de kosten en de opbrengsten van het via loondispensatie aan het werk te helpen ten opzichte van de huidige situatie?

Dat is niet bekend. Met loondispensatie is er sprake van een ingroeitraject en vult de overheid uiteindelijk aan tot maximaal 100% WML; dit terwijl bij loonkostensubsidie wordt aangevuld tot het functieloon. Aangezien dat laatste in de regel hoger ligt dan 100% WML zullen de kosten van het instrument loondispensatie per persoon lager liggen dan loonkostensubsidie

251

Hoeveel directeuren van de sociale werkvoorziening verdienen boven de Balkenende-norm? Welke bedrijven zijn dat?

De WOPT, Wet Openbaarmaking Publiek gefinancierde Topinkomens, onder regie van het ministerie van BZK registeert jaarlijks de inkomens van de publieke sectoren die boven de daarin gestelde norm van € 188 000,- uitgaat. De uitkomsten van het WOPT worden sinds 2006 jaarlijks aan de TK aangeboden. Volgens de laatste publicatie over 2009 blijkt dat er sprake is van één sw-bedrijf waarbij een functionaris meer verdient dan de norm van € 188 000,-. Dit is het Werkvoorzieningschap Wsw Reestmond te Meppel. Echter, uit het Jaarverslag van Reestmond (p. 55) blijkt dat het hier gaat om de situatie waarbij aan één persoon een bedrag van maximaal € 229 000 is toegezegd. Het betreft een in het jaar 2009 toegezegde werkloosheidsuitkering vermeerderd met een naastwettelijke uitkering.

Het betreft een functionaris wiens fulltime dienstverband per 1 oktober 2009 is beëindigd. De datum van indiensttreding was 1 oktober 1980.

Op basis van de publicaties van BZK en de toelichting op de melding van Reestmond kan worden geconstateerd dat de sw-bedrijven niet boven de norm uitkomen.

252

Worden de huidige Wajong’ers met een Wsw-indicatie herkeurd per 1 januari 2012?

Vanaf 2012 worden Wajonggerechtigden, ongeacht of zij een Wsw indicatie hebben, ingedeeld naar «volledig en duurzaam» arbeidsongeschikten en «gedeeltelijk» arbeidsongeschikten. Het kabinet zal nog uitwerken hoe dit juridisch en uitvoeringstechnisch het beste vormgegeven kan worden.

253

Het budget voor de Stimuleringsuitkering (18 miljoen euro) voor het aantal in 2010 gerealiseerde begeleid werkenplekken, wordt in 2011 niet uitgekeerd wegens de invoering van SISA (Single Information, Single Audit) tussen medeoverheden. Via de motie Spies-Ortega-Martijn (Kamerstuk 30 673, nummer 26) verbond het kabinet aan de besteding van de bonusgelden onder meer de voorwaarde dat in enig jaar niet benut geld van de 18 miljoen euro behouden blijft voor het totale budget dat voor de Wsw beschikbaar is. Waarom wordt genoemd bedrag in 2011 dan ingeboekt als bezuiniging en blijft die niet in 2011 beschikbaar voor de uitvoering van de Wsw?

De Stimuleringsuitkering (bonus) wordt -gelet op de noodzakelijke bezuinigingsmaatregelen- thans ingezet om uitvoeringstegenvallers op de SZW-begroting te dekken. Dat is eenmalig mogelijk door de invoering van de systematiek van single information, single audit (SiSa) tussen medeoverheden voor de SZW regelingen Wsw, Wet participatiewet en de Gebundelde uitkering. Zie ook het antwoord op 262.

254

De begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2010 raamde het aandeel plaatsingen in het kader van begeleid werken in 2009 op zeven procent. Uiteindelijk is vijf procent gerealiseerd en blijkt de duurzaamheid van dergelijke plaatsingen niet erg hoog (volgens de Wsw-statistiek is in 2009 een kwart van de plaatsingen in het kader van begeleid werken ook weer beëindigd). Wat onderneemt de regering om werkgevers te verleiden duurzamere arbeidsplaatsen aan te bieden?

Zie antwoord op 148.

255

Ondanks het grote verloop verwacht de regering dat het aandeel plaatsingen in het kader van begeleid werken in 2010 en 2011 oploopt naar zeven respectievelijk acht procent. Waarop baseert de regering deze verwachting? Wat gaat de regering ondernemen om private en publieke werkgevers een groter aantal personen uit de doelgroep in dienst te laten nemen?

Het doel van de Wsw is zoveel mogelijk Wsw-geïndiceerden een dienstbetrekking wordt aangeboden voor het verrichten van arbeid onder aangepaste omstandigheden, waar mogelijk zo regulier mogelijk. Hoewel de afgelopen jaren een stijging laten zien van het aandeel begeleid werkenden, vindt de regering dat dit percentage verder omhoog kan. Deze ambitie is opgenomen in de begroting SZW en veronderstelt stijging van het percentage begeleid werkenplaatsen, uitgaande van de realisatie begeleid werken van 5% in 2009 tot 10% in 2015. De uitvoering raakt steeds beter ingespeeld op het plaatsen van Wsw-geïndiceerden bij reguliere werkgevers en dit beleid wordt ook steeds meer omarmd en uitgevoerd door de sw-sector en gemeenten. Het kabinet verwacht dan ook dat dit zal leiden tot een stijging van het aandeel begeleid werken. Tenslotte beoogt het kabinet met de bezuiniging op de Wsw in 2011 de uitvoering meer te prikkelen de beschikbare middelen effectiever in te zetten door mensen vanuit beschut werk te laten doorstromen naar detachering en begeleid werken. Zie ook het antwoord op 148.

256

Met ingang van 2008 konden Wsw-geïndiceerden op de wachtlijst vanuit gemeentelijke en UWV-middelen een overbruggingstraject aangeboden krijgen. Hoeveel geïndiceerden hebben hiervan gebruik gemaakt? Wat is de verwachting van de regering hieromtrent nu de regering begin september heeft aangekondigd dat UWV deze extra dienstverlening aan Wsw-geïndiceerden moet beëindigen en nu ook gemeenten flink worden gekort op hun re-integratiebudgetten? Wat betekent dit voor de Wsw-wachtlijst en voor het perspectief van de geïndiceerden die in afwachting zijn van plaatsing?

Het is juist dat Wsw-geïndiceerden vanaf 2008 op de wachtlijst vanuit gemeentelijke en UWV-middelen een overbruggingstraject aangeboden kunnen krijgen. Wel moet hierbij worden aangetekend dat gemeenten en UWV hiertoe niet verplicht zijn.

Aan de kant van gemeenten wordt niet bijgehouden hoeveel personen een voortraject hebben. Thans biedt UWV nog extra ondersteuning aan een kleine 1 500 personen die geïndiceerd zijn voor de Wsw. Deze dienstverlening zal door UWV naar verwachting per 1 januari 2011 worden stopgezet voor nieuwe gevallen. Het is op dit moment niet mogelijk precies aan te geven wat de maatregel betekent voor de dienstverlening tijdens de wachtlijstperiode. Dat is mede afhankelijk van de prioriteiten die gemeenten terzake stellen. Van belang hierbij is verder dat UWV de re-integratiedienstverlening in het kader van de nieuwe Wajong zal voortzetten aan Wajongers die onder de nieuwe Wajong vallen en op de Wsw-wachtlijst staan.

257

Wat verklaart het lagere bedrag aan Wsw-indicatiestelling in 2010 (18,4 miljoen euro) ten opzichte van omliggende jaren? (24,6 miljoen euro)?

De kosten voor de uitvoering van de Wsw-indicatiestelling worden gerelateerd aan het verwachte aantal (her)indicaties. Tot 2008 was sprake van een tweejaarlijkse herkeuring van Wsw-geïndiceerden maar de termijn van twee jaar is losgelaten t.b.v. maatwerk in de indicatiestelling. In 2010 heeft dit geleid tot een eenmalige daling in de uitvoeringskosten van het aantal herindicaties.

258

Bij inwerkingtreding van de Wsw 2008 stelde de regering dat mogelijkheden om de doelgroep te detacheren bij een reguliere werkgever of begeleid te laten werken in dienst van een reguliere werkgever nog onvoldoende worden benut. Ook de rijksoverheid is in dit verband een reguliere werkgever. Via de motie Heijnen (Kamerstuk 31 444, nummer 15) heeft de regering afspraken gemaakt over het plaatsen van 250 extra Wsw’ers en Wajong’ers bij het Rijk. Wat is de actuele stand van zaken rond de uitvoering van deze afspraak?

De actuele stand van het 250 werkervaringsplaatsenproject voor Wsw en Wajong is dat 92 Wajong-plaatsingen en 78 sw-plaatsingen zijn gerealiseerd (stand medio oktober).

In de brief van de staatssecretaris van BZK aan de Tweede Kamer n.a.v. de motie Hamer, van 25 augustus 2010 (TK 2009–2010, 32 360, nr. 9) is aangegeven dat er nog een flinke inspanning nodig is om de 250 plaatsingen (nagenoeg) te realiseren. In de brief is gemeld welke intensiveringen de Sector Rijk daartoe heeft ingezet. Enkele ministeries, waaronder SZW, hebben een of beide targets al (ruim) gehaald, een aantal andere is goed op weg om hun targets te realiseren en sommige ministeries moeten hun targets nog grotendeels realiseren. In het Sociaal Jaarverslag Rijk 2011 zal het ministerie van BZK rapporteren over de realisatie van het project.

259

Leidt de raming dat in 2011 15% van de Wajong’ers werkzaam zal zijn op grond van de Wsw tot een vergroting van de Wsw doelgroep? Zo ja, kan een inschatting gegeven worden van de procentuele groei van die Wsw doelgroep? Op welke manier wordt daar binnen het Wsw-budget voor 2011 rekening mee gehouden?

Bij de kengetallen in de begroting wordt geraamd dat 15% van de Wajongers in 2011 het participatieoordeel beschutte arbeid zal hebben. Of dit getal ook gerealiseerd wordt, en of de betrokken Wajongers ook inderdaad in de beschutte arbeid komen te werken, is nog niet bekend. Zoals eerder opgemerkt is de aanvoor een Wsw-indicatie een vrijwillige keuze. UWV kan Wajongers wel wijzen op deze voorziening wanneer zij vermoeden dat dit wellicht de juiste voorziening voor die persoon zou kunnen zijn maar ook dan blijft het aan de persoon zelf hiervan wel of geen gebruik van te maken. Hiermee kan binnen het budget dan ook geen rekening mee gehouden worden zoals voorheen ook niet het geval was.

260

Met welk bedrag dalen de kosten van de Wsw als gevolg van de gemiddelde loonkostendaling van Wsw-werknemers? Kan de regering deze trend met cijfers inzichtelijk maken?

Een aantal ontwikkelingen heeft de afgelopen jaren invloed gehad op de loonkosten van Wsw-werknemers. Allereerst wordt de oude doelgroep (ingestroomd voor 1998, met een hoger salaris dan de personen die nu instromen) steeds kleiner. Uit de Wsw statistiek blijkt dat in 2005 nog 65% van het Wsw-werknemersbestand bestond uit personen ingestroomd voor 1998 en in 2009 was dit teruggelopen tot 53%. Deze trend zal ook de komende jaren doorzetten. Daarnaast is de Wsw CAO de afgelopen jaren versoberd, waarbij onder andere is vastgelegd dat nieuwe instroom Wsw in principe de eerste 5 jaar het minimumloon blijft verdienen. Verder betrof de uitgekeerde loonbijstelling de afgelopen jaren circa 2,3 % per jaar, wat hoger is dan de gemiddelde jaarlijkse CAO-loonontwikkeling binnen de sw-sector welke ca. rond de 1,8% zit.

261

Hoe moet de tot 2015 voorziene gestage groei van het aandeel uitvoeringskosten binnen het budget voor de sociale werkvoorziening verklaard worden?

De laatste jaren hebben meer mensen een Wsw-indicatie aangevraagd en gekregen. De komende jaren zal dit leiden tot extra herindicaties en daarmee tot een lichte stijging van de uitvoeringskosten voor de indicatiestellingen.

262

Kan de regering een nadere toelichting geven waarom het budget voor de stimuleringsuitkering van 18 miljoen Euro in 2011 niet uitgekeerd gaat worden wegens de invoering van de SISA tussen medeoverheden? Waarom wordt aangegeven dat deze «in beginsel» in 2012 wordt uitgekeerd, zijn er redenen dat ook in 2012 deze niet uitgekeerd gaat worden?

Single information, single audit (SiSa) tussen medeoverheden wil zeggen dat een samenwerkingsverband op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen (WGR), zijnde een openbaar lichaam, zich op eenzelfde wijze mag verantwoorden naar de gemeente als de gemeente zich verantwoord naar het Rijk. Voorheen verantwoordde het samenwerkingsverband zich aan de gemeente rond maart, voorafgaand aan de bespreking en goedkeuring van de gemeentelijke jaarrekening door de Raad en verantwoordde de gemeente zich vervolgens via de SiSa-systematiek aan het Rijk, uiterlijk 15 juli jaarlijks. De samenwerkingsverbanden mogen zich vanaf 1-1-2011 over het te verantwoorden jaar 2010 verantwoorden aan gemeenten via de SiSa-systematiek en met dezelfde voorwaarden zoals de gemeenten nu al doen aan het Rijk. Omdat de gegevens van het samenwerkingsverband niet meer voorafgaand aan de goedkeuring van de gemeentelijke jaarrekening bij de gemeenten bekend zijn, maar door de verantwoording van de samenwerkingsverbanden via SiSa en uiterlijk 15 juli jaarlijks, komen deze gegevens eerst na 15 juli jaarlijks bij gemeenten binnen. Gemeenten kunnen dus zelf niet (meer) voorafgaand vergewissen dat de gegevens juist zijn. Bij de verantwoording een jaar later wordt eerst dan door de gemeente definitief verantwoord over de besteding van de eerder verstrekte middelen door het Rijk (budgetvaststelling achteraf). Omdat de realisatie van de begeleid werkenplekken door de gemeente onderdeel is van de budgetvaststelling achteraf, kan eerst met een jaar vertraging worden overgegaan tot uitkering van de Stimuleringsuitkering (bonus) voor deze begeleid werkenplekken. Er zijn geen redenen om de bonus in 2012 over de realisatie van begeleid werkenplekken in 2010 niet uit te keren.

263

Wat zijn de mogelijkheden om meer arbeidsplaatsen te realiseren dan het aantal waarvoor subsidie is toegekend? Wat is de prikkel om meer werkplekken te creëren dan het aantal waarvoor subsidie beschikbaar is? Het kan toch niet zo zijn dat er geen werkplekken meer worden gerealiseerd omdat er geen subsidie is?

Zie het antwoord op 39.

264

Op landelijk niveau worden meer arbeidsjaren gerealiseerd dan waarvoor subsidie wordt verstrekt. Kan de regering de Kamer nader informeren over de prestaties per regio hieromtrent?

Deze informatie is niet uitgesplitst naar regio; het betreft eigen keuzes van de gemeenten in samenspraak met het SW-bedrijf.

265

Wat zijn, naast de uitkomsten van de pilots «Werken naar Vermogen», de andere elementen die bijdragen aan de oplossing voor de wachtlijstproblematiek bij de sociale werkplaatsen?

Deze elementen betreffen vooral de maatregelen uit het Regeerakkoord, namelijk het voornomen om één regeling in te voeren die de Wwb, Wajong en Wsw hervormt met het doel meer mensen te laten participeren, budgetten gerichter en effectiever in te zetten en daarmee kosten te besparen.

266

Kan de regering een nadere toelichting geven op de verhouding tussen de toename van het aantal personen op de wachtlijst Wsw en de afname van de verblijfsduur op de wachtlijst?

Een stijging van het aantal personen op de Wsw-wachtlijst en een afname van de gemiddelde wachtduur op de wachtlijst, kan voor komen omdat er bijvoorbeeld door gemeenten verordeningen zijn opgesteld om bepaalde groepen op de Wsw-wachtlijst met voorrang te plaatsen vanaf de wachtlijst op een vrijgekomen Wsw-plek, zoals jongeren tot 27 jaar. Het met voorrang plaatsen van bepaalde groepen kan aldus een snellere doorstroom opleveren.

267

In de begroting staat dat de uitvoeringskosten van de Anw naar rato van het aantal Anw-gerechtigden dalen. Hoe komt het dat volgens de begroting in 2015 de uitkeringslasten zijn gehalveerd terwijl de uitvoeringslasten slechts met iets meer dan een kwart zijn gedaald?

Inderdaad laat 2015 vergeleken met 2009 een halvering van de uitkeringslasten zien en een daling van de uitvoeringskosten met een kwart. Als echter de uitvoeringskosten 2015 worden vergeleken met 2010 dan nemen deze af met ca. 40% en de uitkeringslasten met ca. 46%. De afname ten opzichte van 2010 vindt dus grosso modo naar rato plaats. Dat dit ten opzichte van 2009 niet zo is, wordt veroorzaakt door het feit dat een deel van de uitgaven 2009 zijn gefinancierd uit reserveringen uit eerdere jaren (voor onder andere projecten). Verder is het zo dat de uitvoeringskosten niet 100% zijn gerelateerd aan de volumes, maar er ook andere componenten onder vallen zoals vaste kosten en projecten.

268

Kan de regering nader toelichten waarom de uitvoeringskosten van de AOW stijgen ten opzichte van 2009, omdat de SVB de toerekening van kosten aan de verschillende wetten heeft herzien. Waarom heeft de SVB dit herzien?

De SVB rekent de kosten voor de uitvoering toe aan de diverse wetten die zij uitvoeren. De SVB heeft de kosten van alle regelingen opnieuw vastgesteld. Deze herijking was nodig omdat door SVB Tien en andere efficiencymaatregelen de kosten per handeling en daarmee per wet niet meer actueel waren. Met de herijking in 2010 wordt dit weer op elkaar afgestemd waardoor de uitvoeringskosten bij sommige wetten hoger worden zoals bijvoorbeeld bij de AOW en bij andere lager. Per saldo blijft het totale uitvoeringsbudget voor de SVB gelijk. De toename van de kosten van de ANW in 2010 ten opzichte van 2009 is verder ook ontstaan doordat het budget in 2009 verlaagd is als gevolg van onder andere het naar latere jaren doorschuiven van projectbudget (ca. € 10 mln.) voor de SVB Tien.

269

Is het niet voorbarig om er van uit te gaan dat de AOW-partnertoeslag met 8% wordt verlaagd omdat de SVB heeft aangegeven dat de invoeringstijd zeer krap is en het wetsvoorstel nog in behandeling is? Welke termijn tussen definitieve aankondiging van de maatregel en invoering acht de regering noodzakelijk?

De Tweede Kamer heeft op 24 november over het wetsvoorstel gestemd. Het wetsvoorstel is door de Tweede Kamer aanvaard. Indien de Eerste Kamer het wetsvoorstel voor het kerstreces ongewijzigd aanvaardt, dan wordt de wet per 1 januari 2011 van kracht. Indien de Eerste Kamer na het kerstreces het wetsvoorstel aanvaardt, dan treedt de wet in werking op 1 februari 2011 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2011.

270

Wat zijn de afwegingen geweest en op basis waarvan is besloten om de AOW- tegemoetkoming (of koopkracht tegemoetkoming) met 14 euro te verlagen?

In de beleidsagenda wordt ingegaan op het pakket van noodzakelijke bezuinigingsmaatregelen om de rijksbegroting op orde te krijgen. Het kabinet acht de voorgenomen korting op de tegemoetkomingen (waaronder de AOW-tegemoetkoming), gelet op enerzijds de koopkrachteffecten en anderzijds de huidige budgettaire problematiek, passend. 

271

Welke landen kennen een vergelijkbaar of hoger prijsniveau dan Nederland en hoeveel AOW’ers met een tegemoetkoming die in deze landen wonen zullen deze tegemoetkoming kwijt raken?

Het kabinet is voornemens de AOW-tegemoetkoming af te schaffen. Ouderen die in Nederland wonen of ouderen die in het buitenland wonen en ten minste 90% van hun inkomen onder de Nederlandse belastingheffing hebben vallen worden gecompenseerd door de MKOB. Ouderen die niet in Nederland belastingplichtig zijn, ongeacht of zij in Nederland of in het buitenland verblijven, ontvangen de MKOB niet.

De hierna volgende tabel laat zien hoeveel AOW-ers in landen wonen met een vergelijkbaar of hoger prijsniveau dan in Nederland. Een groot deel hiervan zal de AOW-tegemoetkoming verliezen en er geen MKOB voor in de plaats krijgen. Overigens zij erop gewezen dat de tegemoetkoming niet lauter moet worden gerelateerd aan het prijsniveau, maar aan het totale koopkrachtbeeld dat meer omvat dan alleen het prijspeil. Zo is ook de hoogte van het netto-inkomen van belang.

Bron: 3e kwartaalbericht SVB 2010

272

Acht de regering het getuigen van behoorlijk bestuur dat AOW’ers met een tegemoetkoming woonachtig in het buitenland zich niet kunnen voorbereiden op het afschaffen van de tegemoetkoming per 1 januari 2011?

Met het wetsvoorstel Mogelijkheid Koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen, waarbij de AOW-tegemoetkoming wordt afgeschaft, wordt een onbedoeld effect van de huidige regeling gecorrigeerd, waarbij ook zij die niet in Nederland wonen en geen belasting betalen wel worden gecompenseerd voor de gevolgen van de belastingwet en veranderingen in Nederlandse koopkracht. Dit betekent dat oudere buitenlandse belastingplichtigen enkele jaren voordeel hebben gehad van een tegemoetkoming die oorspronkelijk niet voor hen bedoeld is geweest.

273

Beschikt de regering over cijfers van het aantal mensen dat na de pensioengerechtigde leeftijd doorwerkt? Zo ja, hoe groot is deze populatie?

In 2009 was de netto arbeidsparticipatie van 65-plussers die minimaal 12 uur per week werken 83 000 (gebaseerd op data van CBS). Dat is 3,4% van de totale populatie 65-plussers. Er is sprake van een verdubbeling ten opzichte van 2001, toen was het percentage 1,7% van de totale populatie 65-plussers.

274

Onderneemt de regering acties om de bekendheid met de afschaffing van de AOW-partnertoeslag verder te vergroten?

Ook in 2011 zal de voorlichting over de afschaffing van de AOW-partnertoeslag in 2015 doorgaan, hiervoor zal € 300 000 ter beschikking staan. Op dit moment wordt een communicatieplan opgesteld dat in zal gaan op de voorlichtingsactiviteiten voor 2011.

275

Kan de regering verklaren waarom de bekendheid regels inkomen in de AOW-doelgroep afneemt? Hoe verhoudt dit zich met de overheveling van deze taken van gemeenten naar de SVB? Wat zijn de verwachtingen voor de komende jaren? Is de regering bereid maatregelen te nemen om deze dalende trend te stoppen?

Bekendheid met plichten is voor de SVB een prestatie-indicator. Om te bereiken dat klanten zich aan hun plichten houden, is het nodig dat zij die kennen. De met de SVB overeengekomen doelstelling per verplichting is minimaal 60% bekendheid. Dat geldt ook voor de kennis van de AOW-er met betrekking tot het tijdig melden van de voor de uitkering relevante informatie over het inkomen.

De bekendheid van de plichten wordt jaarlijks gemeten door een telefonische enquête onder aselect gekozen klanten. Dit geeft een «indicatief» resultaat. De onzekerheidsmarge is 5%, zodat de werkelijke mate van bekendheid per meting maximaal 5% hoger of lager kan liggen. Binnen deze bandbreedte van circa 10% is er tussen opvolgende jaren geen meetbaar verschil aan te duiden. De in de begroting 2011 in tabel 49.6 gepresenteerde resultaten van de metingen in 2008 en 2009 van de bekendheid bij AOW-ers met regels van toepassing op het melden van inkomen van respectievelijk 81% en 74% wijzen dus niet op een significante ontwikkeling. Wel kan worden geconstateerd dat de doelstelling van 60% bekendheid ruimschoots wordt behaald. Het gemiddelde van de gemeten kennis van de verplichtingen voor de laatste vier jaar voor de verplichtingen van de AOW-er bij het doorgeven van informatie over inkomsten bedraagt 77%.

276

In hoeverre is de AOW-leeftijd op de BES gekoppeld aan (een eventuele stijging van) de AOW-leeftijd in Nederland?

De huidige pensioenleeftijd op de BES-eilanden bedraagt 60 jaar. De tweede nota van wijziging op de Derde Aanpassingswet openbare lichamen BES (kamerstukken 32 428, nr. 9) regelt, dat de pensioengerechtigde leeftijd voor de AOV gefaseerd wordt verhoogd van 60 naar 65 jaar volgens onderstaand schema:

Geboren:

Met pensioen op:

Met pensioen in:

Voor 1952

60e jaar

 

1952

60e jaar

2012

1953

62e jaar

2015

1954

63e jaar

2017

1955

64e jaar

2019

1956

65e jaar

2021

Na 1956

65e jaar

 

Vanaf 2021 is op de BES voor iedereen de pensioengerechtigde leeftijd 65 jaar. Er zijn geen afspraken gemaakt met de BES-eilanden over aanpassing van de pensioengerechtigde leeftijd nadien.

277

Wat is de verwachte (financiële) consequentie voor de doelgroep van de overstap naar het nieuwe criterium?

Per 1 april 2010 is in de indicatie het criterium gewijzigd, waardoor alleen ouders van kinderen die geïndiceerd zijn voor tien of meer uren AWBZ-zorg per week recht krijgen op een tegemoetkoming (€ 210 per kwartaal). Tegelijkertijd is voor 2010 een extra vergoeding van € 1 460 geïntroduceerd voor TOG-gerechtigde alleenverdienershuishoudens. Vanaf 1 oktober 2010 geldt het nieuwe indicatiecriterium ook voor «zittende» gevallen. Naar verwachting verliezen circa 35 000 huishoudens hierdoor hun tegemoetkoming. Als overgangsregime ontvangen zij nog wel twee kwartalen een halve tegemoetkoming. In 2011 ontvangen ouders die niet aan de nieuwe criteria voldoen hiermee nog € 105 (één kwartaal halve tegemoetkoming), tegen € 735 in 2010 (drie kwartalen gehele tegemoetkoming; één kwartaal halve tegemoetkoming). Hier staat tegenover dat er 11 000 nieuwe TOG-gerechtigden zijn door de wijziging van de TOG. Voor hen is er een positief effect, dat deels (voor drie kwartalen) in 2010 neerslaat en deels (voor één kwartaal) in 2011.

278

Kan de regering toelichten waarom voor 2011 een hogere raming wordt begroot in het kader van toekenningen voorschot TAS, van 300 naar 375? Kan de regering dit ook toelichten in het kader van het aantal terugontvangen TAS voorschotten?

De getallen in de kengetallentabel zijn naar boven bijgesteld in 2011. De raming van het aantal toekenningen is naar 375 bijgesteld, dit is gebaseerd op de realisaties van de eerste maanden in 2010. Deze realisaties vielen hoger uit dan de eerdere ramingen voor 2010. Het aantal terugvorderingen volgt dit beeld.

279

Welke stijging van de AOW uitgaven zijn toe te schrijven aan de stijgende levensverwachting?

Het CBS actualiseert eens per twee jaar de prognose van de levensverwachting. De laatste actualisatie dateert van december 2008. In die prognose was de resterende levensverwachting bij 65 jaar toegenomen met ongeveer een half jaar op de korte termijn en met ruim een jaar op de lange termijn. Als gevolg hiervan nemen de AOW uitkeringslasten met ca. 1,5% toe in 2015. Op de lange termijn (2040) loopt deze stijging op tot ruim 5%.

280 en 281

De uitvoering van het pensioenakkoord maakt het koppelen van de AOW aan de incidentele loonstijgingen per 1 januari 2011 noodzakelijk. Zijn hier middelen voor gereserveerd of is de regering voornemens hier middelen voor te reserveren?

Welke varianten zijn er voor het koppelen van de AOW-uitkering aan de welvaart en wat zijn de gevolgen van die varianten voor de begroting?

Sociale partners hebben een pensioenakkoord gesloten. Dat is positief. Er is echter ook het regeerakkoord. De teksten uit het regeerakkoord en het pensioenakkoord van de partners zijn niet één op één. Het kabinet zal in overleg met de sociale partners bezien op welke wijze de teksten uit het regeerakkoord en het pensioenakkoord kunnen worden samengebracht. Op dit moment bestaat nog geen inzicht in de gevolgen voor de begroting van SZW.

282

Kan de regering de grote fluctuaties in de uitgaven voor personeel en materieel die volgens tabel 98.1 voorzien zijn voor 2011 en de navolgende jaren verklaren?

Zoals aangegeven in de leeswijzer bij de begroting, heeft SZW de apparaatsuitgaven zoveel mogelijk aan de beleidsartikelen toegerekend. Deze toerekening heeft uitsluitend betrekking op het begrotingsjaar (2011) en staat opgenomen in tabel 98.2 op blz. 136 van de begroting. De totale toerekening naar de beleidsartikelen bedraagt € 88,1 miljoen personeel en € 11,9 miljoen materieel. Als deze bedragen worden meegenomen in tabel 98.1 op blz 135 ontstaat het volgende beeld:

 

2011

2012

2013

2014 e.v.j.

Personeel en materieel

186,3

178,0

175,1

175,1

De afloop van het budget is het gevolg van de verwerkte ombuigingstaakstelling «efficiency taalstelling rijksoverheid» van het vorige kabinet. De taakstelling van het nieuwe kabinet is nog niet verwerkt in bovenstaande tabel.

283

Kan de regering de grote en blijvende stijging van de huisvestingskosten in 2010 en volgende jaren verklaren?

SZW heeft in 2010 de facilitaire dienstverlening inclusief de personeelsleden ondergebracht in 4 FM, de gezamenlijke facilitair managementorganisatie van de ministeries BUZA, SZW en de voormalige ministeries V&W en VROM. Een ontwikkeling die in de lijn ligt met de richting van het Rijk om efficiënte en effectieve samenwerkingsverbanden aan te gaan. Binnen SZW heeft dit in de eerste helft van 2010 geleid tot een structurele overboeking van budget van personeel en materieel naar huisvesting. Vanuit het huisvestingsbudget worden de inkoop van de diensten bij de baten-lastendienst 4FM betaald. Dat verklaart de stijging van de uitgaven huisvesting in 2010, 2011 en verdere jaren

284

Kan de regering een overzicht geven van de totale gebudgetteerde apparaatsuitgaven van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor personeel en materieel in de jaren 2011 tot en met 2015? Kan de regering hetzelfde doen voor de bij Sociale Zaken en Werkgelegenheid horende zelfstandige bestuursorganen, het Agentschap SZW en de IWI?

De Ontwerpbegroting SZW 2011 geeft de volgende gebudgetteerde bedragen voor personeel en materieel weer (bedragen x € 1 000):

Jaar

2011

2012

2013

2014

2015

Kernministerie SZW

186 323

178 021

175 127

175 127

175 127

Agentschap SZW

21 271

18 701

17 728

13 814

13 814

Inspectie IWI

10 450

10 450

10 450

10 450

10 450

Met betrekking tot de ZBO’s zijn in de bijlage 6.2 van de begroting SZW inzake ZBO’s de volgende bedragen voor uitvoeringskosten weergegeven:

Jaar

2011

2012

2013

2014

2015

UWV

1 784 100

1 656 900

1 591 000

1 591 000

1 577 700

SVB

239 900

231 000

222 800

217 800

223 500

In bovengenoemde bedragen zijn de gevolgen voortvloeiende uit het coalitie- en gedoogakkoord nog niet verwerkt.

285

Wat zijn de beoogde efficiencywinsten voor de interdepartementale samenwerkingsprojecten zoals de auditdienst, .COM en 3F?

Binnen SZW hebben alle directies een efficiency-taakstelling opgelegd gekregen en gerealiseerd. Bij de invulling van de taakstelling worden ook interdepartementale samenwerkingstrajecten betrokken. Het is dus niet altijd mogelijk de efficiency-winst van een afzonderlijk traject te duiden. Bij .COM heeft de samenwerking daaraan inderdaad bijgedragen. Bij 3F is de verwachting dat op termijn ook daar winst zal worden gerealiseerd bijvoorbeeld door gebruik te maken van gemeenschappelijke software, één beheerorganisatie,  kennisdeling en specialisatie, etc. De samenwerking van de auditdiensten is in eerste instantie gericht op uniformering van de aanpak en de uitvoering van de controle en op een verdere verbetering van de kwaliteit. Eventuele efficiency-effecten zullen nader onderzocht worden.

286

Wat betekent de halvering in de periode 2009–2011 van het budget van de IWI voor het aantal en de kwaliteit van de inspecties die zullen worden uitgevoerd?

De teruglopende formatie heeft geen invloed op de kwaliteit. De inspectie hanteert onverminderd hoge kwaliteitsmaatstaven ten aanzien van methode, proces, transparantie en inhoud. De inspectie heeft daartoe een specifiek intern kwaliteits- en opleidingstraject waarin toezichtmedewerkers systematisch (bij) worden geschoold in onderzoeks- en informatiemethodieken. 

De teruglopende formatie heeft wel – bedoelde – gevolgen voor het aantal onderzoeken. De inspectie neemt vanuit haar optiek om naar de werking en de resultaten van het hele stelsel van werk en inkomen te kijken een beperkt aantal stelselthema’s integraal in een programmatische onderzoeksaanpak ter hand. Daarbij maakt de inspectie zoveel mogelijk gebruik van reeds beschikbare informatie uit openbare bronnen. Zij kan door deze aanpak volstaan met minder afzonderlijke onderzoeken bij bijvoorbeeld gemeenten, ongeveer met de helft. Dit reduceert de toezichtlast voor gemeenten. De inspectie rapporteert hierover aan de hand van gemiddeld 8 integrale rapportages per jaar.

287, 288 en 294

In een brief van 7 december 2009 heeft de regering aangegeven op welke wijze zij een vervolg wilde geven aan de succesvolle pilots in het kader van de gezamenlijke beoordeling. Op welke wijze, waar en met actieve deelname van welke uitvoeringsorganisaties hebben deze pilots in 2010 concreet een vervolg gekregen?

Hoeveel lokale initiatieven zijn in 2010 daadwerkelijk van start gegaan? Indien niet alle voorgenomen vijftien lokale initiatieven uit de startblokken zijn gekomen, wat is daarvan de oorzaak en welke inspanningen zijn ondernomen c.q. zullen ondernomen worden om alsnog te komen tot de voorgenomen vijftien lokale initiatieven?

Wanneer worden deze vijftien lokale initiatieven geëvalueerd en worden de uitkomsten voorzien van een beleidsstandpunt aan de Kamer overlegd?

De eerste initiatieven starten daadwerkelijk in november (aantal 7). Naar verwachting zullen er voor 1 januari nog een aantal aan toegevoegd worden. In totaal worden er maximaal 12 initiatieven gezamenlijke beoordeling ontplooid. In de oorspronkelijke opzet is gesproken over het ontplooien van circa 15 initiatieven begin 2010.

Zowel de startdatum als het aantal initiatieven is in de loop van het proces bijgesteld. De startdatum is verschoven van begin 2010 naar het einde van het jaar. Het was expliciet de bedoeling dat de plannen voor samenwerking vanuit de uitvoering zelftot stand zouden komen. Dat is uiteindelijk ook gebeurd, maar het heeft tijd gekost. Wat betreft het aantal initiatieven bleek half oktober dater van de ingediende voorstellen dit jaar maximaal 12 betekenisvolle initiatieven ontplooid kunnen worden. Dit is vastgesteld op basis van de opgestelde criteria (de criteria worden genoemd in het antwoord op 324). Gezien het feit dat het huidige aantal initiatieven naar verwachting voldoende informatie zullen opleveren voor deze fase heb ik er voor gekozen het aantal bij maximaal 12 te houden en de termijn tot november 2011 te laten lopen.

De eerste 7 initiatieven zijn Amsterdam (AMC), Almere, Zeist, Leeuwarden (vervolg op de eerste pilot), Hengelo, Spijkenisse en Dordrecht.  Deze initiatieven zijn toegespitst op kleine, specifieke doelgroepen (zoals ex-gedetineerden en jongeren met een psychose). Na het afronden van deze projecten, eind 2011, zullen de resultaten worden geëvalueerd en zo mogelijk worden ingebed in reguliere processen van de uitvoeringsorganisaties. Begin 2012 zult u hierover worden geïnformeerd.

Uit het feit dat de initiatieven met name ontstaan voor kleine, specifieke doelgroepen wil ik voor de overige cliënten, die kampen met meerdere indicatiestellingen het zwaartepunt van de inspanningen verleggen. Het gaat dan om een meer inhoudelijke aanpak, zoals in de brief van 7 december 2009 ook aan de orde is gekomen. Op deze wijze wil ik, in samenhang met de wijzigingen van de Wajong, WSW en WWB  zoals aangekondigd in het regeerakkoord, verder onderzoeken of er in hergebruik van indicaties/vermindering van indicaties winst is te bereiken. 

289

Op welke wijze heeft de toegezegde actieve deelname en betrokkenheid van het UWV aan deze vijftien lokale initiatieven vorm en inhoud gekregen, zodat arbeidsgehandicapten de voorzieningen die ze nodig hebben nog slechts bij één loket hoeven aan te vragen en niet langer geconfronteerd worden met diverse loketten, waardoor ze steeds weer opnieuw hun verhaal moeten doen en last hebben van onnodige bureaucratische rompslomp?

UWV is betrokken bij de initiatieven in Amsterdam (AMC), Spijkenisse, Hengelo en Dordrecht. In Almere en Leeuwarden zal UWV naar verwachting volgend jaar aanhaken

De initiatieven in Amsterdam (psychotische jongeren) en Hengelo (voor gedetineerden) beogen inderdaad één loket/één aanspreekpunt te creëren waarbij de cliënt eenmaal zijn gegevens aan moet leveren en alles wordt geregeld. Ook in Leeuwarden wordt dit het einddoel. In andere «initiatief gemeenten» is er sprake van samenwerking van de uitvoeringspartijen waardoor de klant beter wordt ondersteund in het proces met meerdere organisaties. In Almere gaat het er bijvoorbeeld om dat cliënten zich makkelijk door de gemeentelijke organisaties kunnen bewegen. In Dordrecht en Spijkenisse is een samenwerking tot stand gekomen tussen verschillende uitvoeringsorganisaties waardoor de groep voortijdig schoolverlaters sneller langs de verschillende loketten wordt geleid. In Zeist wordt gestreefd naar een brede intake door multidisciplinaire wijkteams, waardoor gezinnen in de wijk Vollenhove een gericht dienstverleningsaanbod krijgen.

290

Welke concrete inspanningen op welke terreinen heeft het UWV zelf verricht om binnen de vijftien lokale initiatieven een actieve bijdrage te leveren aan het verminderen van bureaucratische rompslomp voor mensen met een meervoudige problematiek?

UWV is op verschillende wijze betrokken bij stroomlijning van indicatieprocessen. UWV is actief betrokken bij de initiatieven in Amsterdam (AMC), Spijkenisse, Hengelo en Dordrecht. Zoals hiervoor is aangegeven zal UWV in Almere en Leeuwarden naar verwachting volgend jaar aanhaken. In Zeist is UWV niet betrokken omdat dit initiatief zich gericht op gemeentelijke samenwerking met eventueel een betrokkenheid van CIZ voor het AWBZ terrein (bijvoorbeeld in Zeist).

Daarnaast draagt UWV bij aan de kosten van de projectorganisatie van het project gezamenlijk beoordelen (gehuisvest bij het ministerie van VWS).

In het jaarplan UWV 2011 geeft UWV aan dat hun klanten er baat bij hebben dat informatie wordt gedeeld of opnieuw gebruikt. Daarom zal UWV het komende jaar inzetten op het delen van sociaal medische adviezen met verschillende organisaties zoals CIZ, gemeenten en UWV. Deze activiteiten worden mogelijk gemaakt door het wetgevingstraject gegevensuitwisseling. De details van dit traject worden beschreven in het antwoord op 299.

291 en 292

Welke bedragen worden aan het UWV ter beschikking gesteld in 2011 voor het vervolg op de succesvolle pilots gezamenlijke beoordeling en welke doelstellingen zijn daaraan verbonden?

In antwoord op de vragen ter voorbereiding van de begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2010 is aangegeven dat het UWV budget ter beschikking heeft gekregen om vernieuwing in de organisatie door te voeren, waaronder integrale indicatiestelling, maar er nog discussie was hoe dit bedrag zal worden aangewend. Om welk bedrag ging het hier precies, op welke wijze is dit aangewend voor integrale indicatiestelling en welk bedrag zal daarvoor in 2011 beschikbaar zijn?

In het Investeringsprogramma jaarinformatieplan 2010 (JIP) was oorspronkelijk 400 000 euro gereserveerd voor het onderwerp Stroomlijning van indicatieprocessen. Bij herijking van dit plan is besloten dit bedrag naar 200 000 euro terug te brengen. Dit mede omdat de initiatieven in november pas gestart zijn. Over de besteding van dit budget zal het UWV rapporteren in het jaarverslag 2010. Voor 2011 is een vernieuwingsbudget van 32,5 miljoen euro begroot. De concrete projecten waaraan dit budget besteed zal worden in 2011, worden op dit moment nog uitgewerkt door het UWV.

293

Aan welke criteria worden de vijftien lokale initiatieven getoetst voor een (start)subsidie en welk bedrag is daarvoor binnen de begrotingen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport beschikbaar, uitgesplitst naar de jaren 2010 en 2011?

De ingediende voorstellen zijn met behulp van de volgende criteria getoetst op hun bijdrage aan de doelstellingen van het project gezamenlijk beoordelen:

  • •  het initiatief is gericht op verbetering van de dienstverlening aan cliënten met een meervoudige of complexe hulpin de keten van werk, inkomen zorg en welzijn;
  • •  in het samenwerkingsverband werken uitvoerders (zoals de gemeente, CIZ en UWV) actief aan de stroomlijning en verbetering van indicatieprocessen waardoor lasten voor cliënten en organisaties worden verminderd;
  • •  er wordt een gezamenlijk proces ontwikkeld, waarin de hulp van de cliënt centraal staat en niet de organisatie of het wettelijk kader;
  • •  de doelgroep cliënten ervaart adequaat geholpen te worden, het samenwerkingsverband benoemt hiervoor concrete en meetbare indicatoren;
  • •  het initiatief wordt uitgewerkt in een projectplan, waarin aan de hand van een businesscase (kosten-batenanalyse) de toegevoegde waarde van de gekozen aanpak wordt toegelicht;
  • •  de werkwijze van het lokale initiatief leent zich voor structurele inbedding in de betrokken organisaties.

De financiële investering 2010 en 2011 voor het totale project (incl. kosten personeel, evaluatie en communicatie) bedragen:

 

2010

2011

VWS

500 000

350 000

SZW

500 000

250 000

BZK

260 000

0

295 en 299

Aan de hand van de twee pilots gezamenlijke beoordeling is vastgesteld dat de meeste cliënten tevreden tot zeer tevreden zijn over de dienstverlening, maar dat veel informatie nog niet digitaal beschikbaar is (Kamerstuk, 32 123 XV, nummers 6 en 158 ). Welke inspanningen zijn in 2010 verricht c.q. zullen in 2011 verricht worden om deze informatie nu wel digitaal beschikbaar te krijgen?

Actie zou ondernomen worden om de gegevensuitwisseling tussen de betrokken uitvoeringsorganisaties mogelijk te maken. Wat is de stand van zaken met betrekking tot de wetgeving die daarvoor voorbereid zou worden en wanneer zal dit pakket bij de Kamer worden ingediend? Zijn daarmee alle wettelijke belemmeringen weggenomen en zo nee, hoe zal daaraan dan tegemoet gekomen worden?

Er wordt een wijziging van het Besluit SUWI i.v.m. een verruiming van de gegevensuitwisseling, voorbereid. Wetgeving is daarvoor niet nodig. Naar verwachting zal deze wijziging begin 2011 in werking treden. In deze wijziging wordt o.a. geregeld dat CIZ aan UWV indicatiebesluiten en gegevens betreffende de gezondheid kan leveren ter uitoefening van de wettelijke taken van UWV. UWV kan op dit moment reeds gegevens aan gemeenten en CIZ leveren voor de uitoefenen van hun wettelijke taak. In de WMO is nog geen gegevensuitwisseling opgenomen.

Met deze wijziging van het Besluit SUWI is de basis gelegd voor het mogen uitwisselen van gegevens. Deze wijziging wordt gecompleteerd met een regeling waarin wordt vastgelegd welke gegevens precies op welke wijze kunnen worden geleverd aan andere organisaties. Deze regeling zal in de eerste helft van 2011 tot stand komen. 

Op basis van de initiatieven gezamenlijke beoordeling en ervaring bepalen de uitvoerende partijen welke informatie in welke gevallen uitgewisseld gaat worden en of digitale uitwisseling tot de mogelijkheden behoort. Op basis daarvan wordt bepaald welke digitaliseringsslag relevant en haalbaar is.

296–298

Op welke wijze kan Regelhulp een concrete bijdrage leveren aan het digitaal beschikbaar komen van deze informatie c.q. is een koppeling tussen de lokale initiatieven en Regelhulp te realiseren? Indien dit mogelijk is, wanneer en op welke wijze zal dit concreet gestalte worden gegeven?

Hoeveel gemeenten zullen ultimo 2010 op Regelhulp zijn aangesloten en wanneer zal de doelstelling dat alle gemeenten zijn aangesloten, naar verwachting worden gehaald?

Kunnen cliënten al daadwerkelijk elektronisch een aanvia Regelhulp indienen voor de domeinen zorg, sociale zekerheid en gemeenten (WMO)? Zo nee, welke belemmeringen vormen daarvoor een obstakel en wanneer zullen deze worden weggenomen? Wordt overwogen ook andere domeinen aansluiting te laten vinden bij Regelhulp en zo ja, welke en op welke termijn?

Via Regelhulp is het mogelijk om een aante sturen naar één van de betrokken organisaties of meerderen tegelijk. Daarna verwerken de organisaties de eigen aanvragen. De aanvragen worden dus niet op één plek of door één organisatie in behandeling genomen. Gemeenten betrokken bij de initiatieven zijn aangesloten op Regelhulp. Per initiatief wordt bekeken of meervoudige aanvragen vanuit de gekozen doelgroep vanuit Regelhulp doorgeleid kunnen worden naar het samenwerkingsverband.

Begin november is ruim driekwart van de gemeenten aangesloten op Regelhulp. De ambitie is dat per 1 januari 2011 alle gemeenten meedoen. In 2011 start een vervolgproject binnen het programma Regelhulp, gericht op samenwerking met gemeenten, waarbinnen ook ruimte is voor het afronden van de implementatie bij de laatste gemeenten.

Ja, aanvragen/contactformulieren kunnen elektronisch worden ingediend door cliënten. Voordat andere domeinen hier ook gebruik van gaan maken, wordt eerst de aanvraagfunctionaliteit van Regelhulp geëvalueerd en geoptimaliseerd.

300

Wat is de inhoud van alle projecten voor het versterken van de positie van vrijwilligers in de schuldhulpverlening (uitvoering motie Ortega-Martijn en Spekman, Kamerstuk 24 515 nr. 165 ) waar een subsidie aan is toegekend? In hoeverre is het gehele ter beschikking gestelde budget van 5 miljoen euro toegewezen aan de projecten die subsidie ontvangen?

Het budget van € 5 miljoen voor het versterken van de positie van de vrijwilligers (motie Ortega-Martijn) in de schuldhulpverlening maakt deel uit van de € 130 miljoen die voor schuldhulpverlening is vrijgemaakt in verband met de economische crisis. Momenteel loopt een onderzoek naar de besteding van deze totale middelen, dus inclusief de middelen die bestemd zijn voor de motie Ortega-Martijn. In de onderzoeksrapportage zal een overzicht worden opgenomen van alle projecten die in dit kader zijn opgestart. Deze rapportage zal vóór de begrotingsbehandeling aan de Tweede Kamer worden gestuurd.

Met de vrijwilligersprojecten is een totaal bedrag gemoeid van € 4,2 miljoen. € 100 000 is gereserveerd voor onderzoek naar de effectiviteit van de projecten en de verspreiding onder gemeenten en andere organisaties.

301

Kan de regering een nadere toelichting geven bij de passage op pagina 197 «het saldo tussen betaalde en ontvangen onderlinge betalingen is voor de sociale verzekeringen negatief omdat uit sommige van deze fondsen premies voor de zorgverzekering worden betaald». Kan de regering ook de uitgaven en ontvangsten van de WW nader specificeren onder het kopje «betaalde onderlinge betalingen»?

De posten «betaalde en ontvangen onderlinge betalingen» hebben betrekking op de premiebetalingen over uitkeringen. Bij de uitbetaling van een uitkering uit een fonds, dienen over die uitkering ook werkgeverspremies te worden afgedragen aan de andere fondsen. Dit leidt tot een (onderlinge) betaling van het ene fonds aan het andere. Binnen het gehele stelsel van fondsen (zowel de sociale fondsen als de zorgfondsen) is het saldo van deze betalingen gelijk aan nul (de betaling door het ene fonds leidt altijd tot een ontvangst bij een ander fonds). Voor de sociale fondsen alleen, is dit saldo negatief. Dit komt doordat er wel betalingen plaatsvinden aan de zorgfondsen, maar geen betalingen worden ontvangen uit de zorgfondsen.

Het exploitatieoverzicht van de WW-fondsen (tabellen 6.3.8 en 6.3.9) betreft een fictieve samenvoeging van de drie bestaande werkloosheidsfondsen: het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf), het Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo) en de sectorfondsen. Nadere bestudering van de post «betaalde onderlinge betalingen» heeft uitgewezen dat deze onjuist is overgenomen uit de cijfers van het Centraal Planbureau. Voor 2010 is deze post daardoor te hoog, terwijl de post in 2011 te laag is. Onderstaand is het juiste exploitatieoverzicht voor de WW-fondsen weergegeven. De cijfers van de overige fondsen zijn wel correct weergegeven.

Tabel : Overzicht WW-fondsen 2010 en 2011 (x € 1 mln)
 

2010

2011

Premies

5 398

6 064

Bijdragen van het rijk

360

367

Ontvangen onderlinge betalingen

2 274

648

Saldo Interest

– 25

– 190

Totaal Ontvangsten

8 007

6 889

Uitkeringen/ Verstrekkingen

7 743

7 616

Uitvoeringskosten

904

940

Betaalde onderlinge betalingen

3 123

1 467

Totaal Uitgaven

11 770

10 022

     

Exploitatiesaldo

– 3 763

– 3 133

Bronnen: SZW, CPB (MEV 2011) en Ministerie van Financiën (MN 2011)

In onderstaande tabel is vervolgens een uitsplitsing weergegeven van de post betaalde onderlinge betalingen voor de WW-fondsen. In de tabel zijn de betalingen aan de zorgfondsen te vinden onder de regel «aan ZFW/ZVW». De hoge bijdrage van het AWf aan de sectorfondsen wordt verklaard door de lastenplafonds in de sectorfondsen. De uitgaven boven de lastenplafonds komen ten laste van het AWf. Deze leiden daarmee tot betaalde onderlinge betalingen van het AWf en ontvangen onderlinge betalingen van de sectorfondsen. Per saldo belasten deze het exploitatiesaldo dus niet.

Tabel : Betaalde onderlinge betalingen WW-fondsen 2010 en 2011 (x € 1 mln)
 

2010

2011

Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf)

   

Van AWf aan Aof

242

225

Van AWf aan Aok

3

0

Van AWf aan Whk

25

29

Van AWf aan sectorfondsen

2 023

364

Van AWf aan AWf

37

39

Van AWf aan ZFW/ZVW

268

307

Totaal Algemeen Werkloosheidsfonds

2 598

964

     

Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo)

   

Van Ufo aan Aof

27

24

Van Ufo aan Aok

0

0

Van Ufo aan Whk

3

3

Van Ufo aan sectorfondsen

5

6

Van Ufo aan AWf

4

4

Van Ufo aan ZFW/ZVW

27

30

Totaal Uitvoeringsfonds voor de overheid

65

68

     

Sectorfondsen

   

Van Sectorfondsen aan Aof

164

135

Van Sectorfondsen aan Aok

2

0

Van Sectorfondsen aan Whk

17

17

Van Sectorfondsen aan Sectorfondsen

31

39

Van Sectorfondsen aan AWf

29

27

Van Sectorfondsen aan ZFW/ZVW

216

218

Totaal Sectorfondsen

460

435

     

Totaal betaalde onderlinge betalingen

3 123

1 467

Bronnen: SZW, CPB (MEV 2011) en Ministerie van Financiën (MN 2011)

302

Wat is de reactie van de regering op de conclusie van de Studiegroep Begrotingsruimte dat de fondsconstructie in begrotingstechnische zin geen toegevoegde waarde heeft? Heeft deze conclusie gevolgen voor de fondsen op de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid?

In het rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte wordt geconstateerd dat het bestaan van afzonderlijke fondsen vanuit begrotingsbeleid bezien geen toegevoegde waarde heeft. Deze constatering heeft het kabinet geen aanleiding gegeven tot een beschouwing over de sociale fondsen en het formuleren van een eigenstandige opvatting hierover. Er zijn dan ook geen gevolgen voor de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

303

Er zit verschil tussen het totale subsidiebedrag voor 2010 in de bijlage subsidies uit de begroting (70 miljoen euro) en het Subsidieoverzicht Rijk (SOR) 2010 (95 miljoen euro). Ook komen in de begroting de bedragen uit de artikelen niet overeen met de bijlage subsidies. Bij de begrotingsuitgaven Artikel 43 staat er bijvoorbeeld voor OD 4 in 2011 voor 679.00 aan subsidies gereserveerd, terwijl in de bijlage subsidies een totaal een bedrag van 409 000 wordt vermeld. Kan de regering een uitputtende lijst van subsidies opstellen inclusief korte beschrijving en toekenning aan een artikel? Kan de regering ook een overzicht geven van de benodigde uitvoeringskosten, in de vorm van een overzicht, met per regeling het aantal benodigde FTE per 100 000 euro uitgekeerde subsidie?

De verschillen tussen de subsidiebijlage bij de begroting en het SOR worden veroorzaakt door een verschillend tijdstip van opstelling (SOR stand eind 2009; de subsidiebijlage bij de begroting de stand van 30 augustus 2010). In de subsidiebijlage worden ook de subsidiebudgetten die nog niet verplicht zijn opgenomen, in het SOR ontbreken deze.

Verklaring van de verschillen tussen de subsidiebijlage bij de begroting en de informatie bij de artikelen in de begroting is als volgt. In de subsidiebijlage bij de begroting gaat het bij artikel 43 OD 4 uitsluitend om de subsidie(s) aan het Expertisecentrum LEEFtijd. Het totale budget bij artikel 43 OD 4 omvat budgettaire ruimte voor eventuele andere, nog niet voorziene subsidies. Dit is niet tot uitdrukking gebracht in de subsidiebijlage.

Het vloeit uit de aard van het instrument subsidie voort dat het niet mogelijk is een prognose te geven van alle subsidies die in het toekomstige jaar 2011 zullen worden verleend. Subsidies worden uitsluitend verleend op aanvraag. Het is op voorhand niet aan te geven welke aanvragen voor subsidie in de toekomst zullen worden ontvangen en welke (deels) worden gehonoreerd.

De gevraagde lijst van subsidies met korte beschrijving en toekenning aan een artikel is reeds beschikbaar, dat is het SOR.

De regering is niet in staat een overzicht te geven als gevraagd van de benodigde uitvoeringskosten / apparaatsuitgaven bij SZW per € 100 000 verleende subsidie. De administratie met betrekking tot de inzet van formatieplaatsen / medewerkers is daarop niet ingericht.

BIJLAGE 1 Tabel bij 139

Noot 1: Samenstelling:Leden: Gent, W. van (GL), Voorzitter, Hamer, M.I. (PvdA), Ham, B. van der (D66), Sterk, W.R.C. (CDA), Smeets, P.E. (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink, I. (VVD), Hijum, Y.J. van (CDA), Omtzigt, P.H. (CDA), Ko┼čer Kaya, F. (D66), Ulenbelt, P. (SP), Ortega-Martijn, C.A. (CU), Dijck, A.P.C. van (PVV), Ondervoorzitter, Spekman, J.L. (PvdA), Vermeij, R.A. (PvdA), Karabulut, S. (SP), Ouwehand, E. (PvdD), Dijkgraaf, E. (SGP), Azmani, M. (VVD), Jong, L.W.E. de (PVV), Klaver, J.F. (GL), Huizing, M.E. (VVD), Straus, K.C.J. (VVD) en Besselaar, I.H.C. van den (PVV).Plv. leden: Voortman, L.G.J. (GL), Heijnen, P.M.M. (PvdA), Pechtold, A. (D66), Uitslag, A.S. (CDA), Klijnsma, J. (PvdA), Neppérus, H. (VVD), Biskop, J.J.G.M. (CDA), Smilde, M.C.A. (CDA), Dijkstra, P.A. (D66), Kooiman, C.J.E. (SP), Slob, A. (CU), Fritsma, S.R. (PVV), Çelik, M. (PvdA), Dijsselbloem, J.R.V.A. (PvdA), Gesthuizen, S.M.J.G. (SP), Thieme, M.L. (PvdD), Staaij, C.G. van der (SGP), Aptroot, Ch.B. (VVD), Klaveren, J.J. van (PVV), Sap, J.C.M. (GL), Houwers, J. (VVD), Harbers, M.G.J. (VVD) en Mos, R. de (PVV).

Noot 2: De «Nomenclature statistique des activités économiques dans la Communauté Européenne», afgekort : NACE.

Noot 3: De «International Standard Industrial Classification of All Economic Activities», afgekort: ISIC.

Noot 6: Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 24 515, nr. 150.

Noot 7: Antoinette van Poeijer, «Meerdere keren zonder werk», in: Sociaaleconomische trends, CBS, 1e kwartaal 2009, p. 23–28. Meermaals geregistreerden zijn gedefinieerd als personen die in de periode januari 2004 tot en met juni 2006 meerdere keren instroomden in een uitkering of zich als niet-werkende werk­zoekende bij CWI lieten registreren zonder WW- of bijstandsuitkering. De periode tussen de uitkeringen en/of inschrijving bij het CWI bedroeg hierbij altijd meer dan één maand, maar nooit meer dan twaalf maanden.