Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Behandeling van wetsvoorstel inzake begroting Defensie

33400 X 13-12-2012

4 Begroting Defensie

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2013 (33400-X).

(Zie vergadering van 12 december 2012.)

De voorzitter:

Wij zijn toe aan de beantwoording in eerste termijn. Ik heet de minister van Defensie van harte welkom.

Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van Defensie op vragen, gesteld in eerste termijn.

Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.

(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)1

De algemene beraadslaging wordt hervat.

Minister Hennis-Plasschaert:

Voorzitter. Ik dank de geachte afgevaardigden voor hun bijdrage van gisteravond. In het bijzonder maak ik van de gelegenheid gebruik om de leden Vuijk en Günal-Gezer te feliciteren met hun maidenspeech. Het betreft twee debuterende woordvoerders. Zij zijn allebei voormalig wethouder; dat kan geen toeval zijn. Beiden hebben heel veel aandacht voor de nationale inzet van Defensie. Ik moet bekennen dat mij dit als oud-woordvoerder openbare orde en veiligheid in de Kamer uit het hart gegrepen is. Graag benadruk ik dat ik zeer uitkijk naar een zeer goede samenwerking met u allen in de komende jaren.

Ik zal eerst een korte inleiding geven. Een blik vanuit de helikopter, om met het lid Dijkgraaf te spreken. Ik zie hem nog niet in de zaal, maar hij zal vanzelfsprekend zo komen. Daarna vervolg ik met de bespreking van de volgende blokken: internationale samenwerking, de visie op de krijgsmacht, het budget voor internationale veiligheid, de effecten van het regeerakkoord-Rutte II, de inzet van de krijgsmacht, piraterijbestrijding, de nationale inzet, de inzetbaarheid van de krijgsmacht, "beheer op orde", bedrijfsleven en regionale belangen …

De voorzitter:

Ik weet niet of iedereen de opsomming van de blokken kan bijhouden. Het gaat snel.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ze komen zo meteen rustig terug.

De voorzitter:

Dat is prima.

Minister Hennis-Plasschaert:

Tot slot zal ik nog een paar afsluitende opmerkingen maken.

Ik begin met het uitspreken van een paar inleidende zinnen. Ik kan wel stellen dat dit kabinet, met de Kamer, hard werkt aan een veilig, vrij en welvarend Nederland. Dit kabinet werkt hard om Nederland sterker uit de crisis te laten komen. Ik knok op mijn beurt, met de Kamer, voor een krijgsmacht die sterker uit de crisis komt.

Dit land is gebaat bij een open houding naar Europa en de wereld, want daar verdienen we ons geld en daar hebben we een gedeelde verantwoordelijkheid voor internationale stabiliteit, vrede en veiligheid. Volgens mij zijn wij het er snel over eens dat wij onze krijgsmacht in vele opzichten hard nodig hebben. De krijgsmacht levert ons onmiskenbaar veel op: veiligheid, goodwill en invloed. Dat is cruciaal voor een vrij Nederland, maar ook cruciaal voor het economisch succes van handelsland Nederland.

Ik zie de heer Dijkgraaf binnenkomen. Goedemorgen, mijnheer Dijkgraaf.

Voorzitter. Defensie is geen verhaal van vroeger. De wereld om ons heen staat niet stil. Wij hebben te maken met een wereld waarin nieuwe landen zowel economisch als militair steeds meer een hoofdrol opeisen. Een wereld waarin de competitie om energie, voedsel en drinkwater groeit. Een wereld waarin etnische en religieuze conflicten nog lang niet tot het verleden behoren. Ofwel: wij hebben te maken met een wereld die er niet per se veiliger of stabieler op wordt. Wij hebben dus te maken met een wereld waarin het wat mij betreft verstandig is dat een land over een gezonde krijgsmacht beschikt. Vrijheid, veiligheid en welvaart zijn namelijk nooit vanzelfsprekend en dat zal ook nooit zo zijn.

Ook wil ik geen misverstand laten bestaan over het belang van de ondersteuning die Defensie aan de civiele autoriteiten levert. Het betreft de zogenoemde nationale taken, structureel en incidenteel 24/7 beschikbaar. Waar politie, brandweer en anderen soms noodgedwongen stoppen, gaat Defensie verder. Je moet het maar kunnen, zo stel ik.

Mijn streven is dat de krijgsmacht sterker uit de crisis komt. Wij weten allemaal dat dit niet vanzelf gaat. Dit vergt stevige inspanningen op meerdere fronten en helaas ook aanzienlijke aderlatingen. Wij hebben het er al eerder over gehad dat de stapeling van bezuinigingen en ombuigingen de krijgsmacht in het hart raakt. De Kamer weet net zo goed als ik dat het einde van de reorganisatie nog niet in zicht is. De ontslagen krijgen het komende jaar namen en gezichten. De onrust en onzekerheid zijn daardoor onmiskenbaar voelbaar in de organisatie.

Ik grijp deze gelegenheid dan ook aan om mijn respect te betuigen aan alle Defensiemedewerkers die ondanks alles mét overtuiging hun werk blijven doen. De reorganisatie wordt voortgezet en zal haar beslag krijgen. Ik kan het echt niet mooier maken. Het zal echter zorgvuldig gebeuren en met oog voor het personeel.

Ja, ik realiseer me goed dat het in moeilijke tijden als deze niet altijd even eenvoudig is om met optimisme naar de toekomst te kijken. Toch is het van belang dat wij dit wel blijven doen. Van alleen maar afstoten met de botte bijl is immers geen sprake. Er wordt ook geïnvesteerd, geïnnoveerd en opnieuw ingericht. Mijn doel is een koersvaste en slagvaardige organisatie die er staat als dat nodig is, een organisatie waarvan het beheer op orde is en waarvan de financiën inzichtelijk en gezond zijn.

De Algemene Rekenkamer – ik kan er echt niet omheen – heeft onlangs enkele behoorlijk kritische noten gekraakt en gewezen op de toenemende spanning tussen het programma Speer, de reorganisatie en de verschillende verbeterplannen voor het beheer. Die spanning zal het komende jaar in het kader van de reorganisatie eerder toe- dan afnemen. De problemen met het beheer zijn niet van gisteren; deze kwestie speelt al jaren. Stappen zijn er wel degelijk gezet, maar tegelijkertijd is het meer dan ooit van belang om onze doelen haalbaar en vooral ook uitvoerbaar te formuleren. Doen we dit niet, dan blijven we keer op keer teleurstellingen organiseren. Dat is niet in het belang van Nederland, niet in het belang van de Kamer en zeker niet in het belang van Defensie.

Op dit moment worden de ambities van het beheer tegen het licht gehouden, conform het advies van de Algemene Rekenkamer. Zoals ik al tijdens het WGO op 3 december jongstleden heb toegezegd, kom ik begin februari bij de Kamer terug met een herijking van eerdere plannen. Het keer op keer moeten aanpassen van de verwachtingen zet weinig zoden aan de dijk – dat zie ik ook in – en wekt begrijpelijkerwijze de nodige ergernis, niet in het minst bij de Kamer.

Dat geldt ook voor De krijgsmacht op orde. Zeker, er zijn resultaten geboekt, maar ook hier geldt helaas dat het niet vanzelf gaat. We zullen ons tot het uiterste moeten inspannen om de gestelde doelen te halen. Dat is cruciaal. Mevrouw Eijsink wees daar terecht op. Dat is cruciaal voor de inzetbaarheid en ook cruciaal voor de motivatie van alle Defensiemedewerkers. De Kamer is op 18 september jongstleden door mijn ambtsvoorganger geïnformeerd over de voortgang hiervan in de zogenaamde kleurtjesbrief en mevrouw Eijsink gaf inderdaad al aan dat zij rood is, maar dit wel erg rood was naar haar smaak. Ik ben het met haar eens; de inspanningen zullen onverkort doorgaan.

Uiteraard is de op te stellen visie, zoals aangekondigd in het regeerakkoord, in de eerste termijn van de Kamer veel aan de orde gekomen. Ik vraag de Kamer begrip voor het feit dat het kabinet niet op de uitkomst van de werkzaamheden vooruit kan lopen. De betrokken departementen en ook de Algemene Rekenkamer zijn nog maar net begonnen met het werk. Natuurlijk zal ik wel ingaan op een aantal vragen van gisteravond. De beantwoording wordt daarmee niet volledig in de weg gestaan, want ik kom daar in een apart blokje nog op terug. Laat ik hier wel benadrukken dat het uitgangspunt hoe dan ook is dat de Kamer zich in de visie moet herkennen. Draagvlak is immers van belang, niet alleen hier in de Kamer maar ook daarbuiten. Dat verdient Defensie. Daar wil ik graag duidelijk over zijn.

Mevrouw Hachchi (D66):

Ik ben heel erg blij met deze woorden van de minister, die het belangrijk vindt dat ook de Kamer zich kan herkennen in die visie. Ik begrijp, als ik naar mijn collega's kijk, dat we het niet in alles eens zijn met de visie op de krijgsmacht, maar het is wel belangrijk dat er een moment is om met de Kamer van gedachten te wissen. Het is aan de minister om te kijken wat zij ermee wil doen. We krijgen nog een brief van de minister, waarin zij ingaat op de vragen over de totstandkoming van het onderzoek naar die visie. Is zij bereid om na de beantwoording daarvan een debat met ons te voeren, zodat zij ook alle verschillende geluiden kan horen en uiteindelijk haar eigen voordeel kan doen bij het schrijven van die visie?

De voorzitter:

De Kamer gaat over het debat en niet de minister.

Minister Hennis-Plasschaert:

Inderdaad, de Kamer gaat over de eigen agenda, maar ik ben altijd bereid tot een gedachtewisseling.

Ik wil vandaag ook groot respect tonen voor de mannen en vrouwen die in binnen- en buitenland overal ter wereld overal fantastisch werk verrichten. Dagelijks leveren zij een belangrijke bijdrage aan een veilig Nederland en een betere wereld. Dag en nacht staan zij gereed. Dat verdient steun en grote waardering. Het werk vraagt ontzettend veel van onze mensen en van hun thuisfront. De omstandigheden waaronder militairen hun werk doen, zijn vaak moeilijk en brengen niet zelden ernstige risico's met zich mee. We hebben afgelopen maandag allemaal de documentaire Gesneuveld op de televisie gezien. Die documentaire wijst ons nog maar eens indringend op de risico's.

We hebben onze krijgsmacht hard nodig om ook toekomstige dreigingen het hoofd te kunnen bieden. Ik ben er oprecht van overtuigd dat we met onze krijgsmacht goud in handen hebben. Wel moet het duidelijk zijn dat onze veiligheid onlosmakelijk is verbonden met die van onze bondgenoten. Onze veiligheid is georganiseerd in sterke internationale kaders. Dat vereist inzet en vastberadenheid van alle partners, dus ook van ons. De NAVO, de EU en de VN vallen of staan bij de bereidheid van landen om te blijven investeren in capaciteiten en bij de bereidheid van landen om de lasten en risico's samen te blijven dragen. Er is helemaal niets mis met de gemeenschappelijke inzet om samen tot een grotere militaire effectiviteit en doelmatigheid te komen. Sterker nog, het is noodzakelijk. Het is aan de politiek om hier zorgvuldig mee om te gaan en hiervoor de juiste voorwaarden te creëren. Ik begin nu aan mijn eerste blokje, internationale samenwerking.

De heer Segers (ChristenUnie):

Afgelopen dagen heeft president Obama bij de NAVO-top gezegd dat Europa het echt slecht doet en dat er een tandje bij moet om de solidariteit binnen de NAVO overeind te houden. Wij kunnen niet altijd maar naar de Verenigde Staten kijken als het gaat om veiligheid. Wat is het antwoord van de minister hierop?

Minister Hennis-Plasschaert:

Mijn antwoord is dat Europa inderdaad zijn verantwoordelijkheid moet nemen.

De heer Segers (ChristenUnie):

Ik vind dat geen geloofwaardig antwoord in het licht van een continent dat alleen maar bezuinigt, waar een enorme kaalslag op defensie plaatsvindt waar Nederland heel hard aan meedoet.

Minister Hennis-Plasschaert:

Gisterenavond heeft de heer Segers hier een specifieke vraag over gesteld. Hierop kom ik later in mijn verhaal terug. Misschien dat wij dan nog nader hierover van gedachten kunnen wisselen.

Mevrouw Hachchi (D66):

Nu de minister klaar is met haar helikopterview – ze gaat zo beginnen met de specifieke onderwerpen – kom ik terug op de uitspraak die de minister bij haar aantreden deed. Zij zei dat niet op de troepen bezuinigd zal worden, ook niet als het gaat om de bezuinigingen die nu uit het regeerakkoord rollen. In mijn eerste termijn heb ik de minister bedankt voor de brief waarin zij uitlegt wat zij onder troepen verstaat. Dat is mij nu ook helder. Zij verstaat onder troepen de operationele commando's, de marine, de landmacht en de luchtmacht. Ook heb ik aan de orde gesteld dat in de brief niet duidelijk naar voren komt of die uitspraak een harde uitspraak is, een streven of een uitgangspunt. Ik lees steeds verschillende uitspraken van deze minister, ook afgelopen zaterdag weer, en deze brengen mij in verwarring. Ik wil graag weten of wij de minister hierop kunnen afrekenen. Als het een harde uitspraak is, hoor ik dit nu graag.

Minister Hennis-Plasschaert:

Garanties zijn er niet in het leven, dat weten de liberalen maar al te goed, maar het is wel mijn streven. Ik zal mij tot het uiterste inspannen om dat voor elkaar te boksen.

Mevrouw Hachchi (D66):

Ik vraag niet om een garantie. Ik vraag de minister duidelijkheid te verschaffen over de uitspraak die zij heeft gedaan. Ik wil weten of het een harde uitspraak is dat niet bezuinigd zal worden. Op 5 november gaf de minister aan dat niet verder op de troepen bezuinigd zal worden. Vervolgens hoor ik het woordje streven en ook vandaag hoor ik dat woordje. Ik wil graag dat de minister helderheid verschaft.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik herhaal wat ik heb gezegd. Het is een uitgangspunt en het is een uitermate belangrijk streven en ik zal mij tot het uiterste inspannen om dat voor elkaar te boksen

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Hachchi.

Mevrouw Hachchi (D66):

Dan is het dus geen resultaatverplichting, maar een inspanningsverplichting. Ik denk dat het wel goed is dat wij dat met elkaar concluderen. De uitspraak is dus toch niet zo hard als de minister in eerste instantie bedoelde.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik vervolg met de internationale samenwerking. Door in internationaal verband samen te werken, kunnen wij zoals gezegd een grotere effectiviteit en doelmatigheid bereiken. Dat is geen luxe, maar pure noodzaak. Op die manier kunnen wij militaire slagkracht behouden en over capaciteit beschikken die Nederland alleen niet meer kan bekostigen. Het spreekt voor zich dat de verdere internationale militaire samenwerking deel zou uitmaken van de nog op te stellen visie, dat kan geen verrassing zijn. Komend jaar wil ik de door mijn voorganger, de heer Hillen, ingezette lijn van internationale militaire samenwerking verder verdiepen en verbreden. De heer Hillen heeft de deur reeds wagenwijd opengezet en niet, zoals de heer Van Ojik zei, op een kier gezet. Die deur naar internationale samenwerking staat al wagenwijd open en ik wil absoluut verdergaan op dat spoor. Daarbij is het denk ik wel van belang dat wij dat zo veel mogelijk bottom-up doen met gelijkgezinde landen en daarbij natuurlijk gebruikmaken van multilaterale kaders zoals de EU en de NAVO. Bottom-up en langs het bilaterale spoor zie ik vooral belangrijke mogelijkheden met onze partners in de Benelux en met Duitsland. In het begin van 2013 spreek ik daarover wederom, net als mijn ambtsvoorganger, met mijn Belgische en Duitse collega's. Ik zal daarover nadere afspraken maken.

In Benelux-verband zijn er uiteraard kansen. Wellicht is dat al bij u bekend. Deze kansen zijn er in het bijzonder op het gebied van onder meer helikoptersamenwerking, luchtruimverdediging, opleidingen op het terrein van parachutespringen en officiersopleidingen. Voor de langere termijn worden studies verricht naar verdere samenwerking met de land- en luchtstrijdkrachten, vooral ook met het oog op gezamenlijke verwerving.

Met de Duitsers gaat het om verdiepte samenwerking in het Duits-Nederlandse legerkorps en samenwerkingen op het terrein van onder meer grondluchtverdediging, Patriots, en mogelijk Ballistic Missile Defence en UAV's, de onbemande vliegtuigen.

Naast de samenwerking met deze landen afzonderlijk gaan we natuurlijk ook onderzoeken of op deelterreinen samenwerking mogelijk is tussen de Benelux als geheel en Duitsland. Ook wil ik Noorwegen en Denemarken nadrukkelijk betrekken bij de intensivering van de internationale samenwerking. U weet ook dat er met Noorwegen al tal van samenwerkingsprojecten lopen. Beide defensieorganisaties hebben bij herhaling de wens geuit om de samenwerking verder te verdiepen en te verbreden. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan training en opleiding, de verwerving van materieel en ga zo maar door. Ook Denemarken biedt perspectieven, bijvoorbeeld voor de CV90.

Overigens hoop ik ook in multilateraal verband forse stappen te kunnen zetten. Zo moet het "air-to-air refuelling"-project met Nederland, Duitsland en Frankrijk in de lead komend jaar echt op stoom komen. Ik wil dan vooruitgang boeken met het Counter IED/Biometrie-project. Daarover hebt u al schriftelijk met mij van gedachten gewisseld in de aanloop naar de raad van een paar weken geleden.

Ik kom nu op de vraag van de heer Segers. Hij vroeg of het Defensiebudget niet 2% van het bruto nationaal product moet zijn, conform de NAVO-normen. De realiteit is dat de meeste landen gedwongen zijn fors te bezuinigen. Nederland is niet het enige land dat zijn financiële huishoudboekje op orde moet brengen. We zien dat heel veel landen ook bezuinigen op defensie. Ik besef heel goed dat Nederland ruim onder die 2% zit. In 2013 gaat het om 1,2%. We zijn niet de enige, maar we zijn hierin ook geen koploper meer. Om de effecten van de bezuinigingen te beperken, is het meer dan ooit noodzakelijk om die internationale samenwerking goed vorm te geven. Daar ben ik van overtuigd.

De heer Van Dijk vroeg of samenwerking tot kostenbesparingen leidt. Internationale militaire samenwerking is niet in de eerste plaats gericht op bezuinigen of besparen. Dat moet ik erbij zeggen. Sterker nog: soms moet je eerst investeren en gaan de kosten voor de baten uit. Ik ben er echter van overtuigd dat internationale militaire samenwerking nodig is om militaire slagkracht te behouden ondanks die zware bezuinigingen waaraan defensieorganisaties in heel Europa worden onderworpen. Ik vergelijk het wel eens met de economie. Geen enkel land kan meer op basis van zijn eigen vraag en consumptie bestaan, in ieder geval Nederland niet. Derhalve zijn we ingebed in een grotere organisatie ten behoeve van de economische samenwerking, en we zijn ook gebaat bij die grensoverschrijdende samenwerking. Dat geldt in toenemende mate ook voor Defensie.

De voorzitter:

Ik kijk even hoe we de interrupties kunnen ordenen. Misschien is het handig om ze aan het eind van het blokje te doen. Bent u klaar met het blokje internationale samenwerking?

Minister Hennis-Plasschaert:

Nee, maar ik ga niet over de orde.

De voorzitter:

Nee, daarom vraag ik het ook even.

De heer Segers (ChristenUnie):

Voorzitter, de minister beantwoordde een vraag van mij en ging door naar een volgend onderwerp. Ik wil nog even op het vorige onderwerp doorgaan. Dat lijkt mij wel redelijk.

De voorzitter:

Ga uw gang, maar voordat ik u het woord geef: het lijkt me handig om af te spreken dat we aan het eind van het blokje ruimte bieden voor interrupties. U kunt nu even uw vraag stellen.

De heer Segers (ChristenUnie):

De minister heeft in een interview in De Telegraaf gezegd dat we wat betreft de bezuinigingen nu echt de limiet hebben bereikt. Ik kom dan nog een keer op de opmerking van president Obama dat Europa meer moet doen. We moeten niet alleen zeggen: tot hier en niet verder. Er moet weer een schepje bovenop. Is dat ook de visie van de minister?

Minister Hennis-Plasschaert:

De realiteit van vandaag is dat we midden in een financiële crisis zitten en ik nu niet kan roepen dat er weer een paar procent bovenop moeten. Dat is wensdenken, daar doe ik graag aan mee. Dat is voor de toekomst een optie. We moeten blijven investeren in defensie, maar op dit moment kan daar geen sprake van zijn. En dat spijt mij ook.

De heer Segers (ChristenUnie):

Maar de minister kan wel een ambitie uitspreken. Als Nederland wil voldoen aan de eis van de NAVO en wil meedoen met de solidariteit binnen de NAVO, dan kan het niet alleen maar blijven kijken naar de Verenigde Staten, die het leeuwendeel van de verantwoordelijkheid binnen de NAVO voor hun rekening nemen. De minister kan wel de ambitie uitspreken om daar weer naartoe te groeien. Dat zou al heel mooi zijn. Dat is inderdaad op de lange termijn, want we zullen voorbij de crisis moeten komen.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik spreek de ambitie uit dat alle NAVO-partners hun verantwoordelijkheid nemen. En dat geldt ook voor Nederland.

De heer Segers (ChristenUnie):

En houdt die verantwoordelijkheid in dat wij inderdaad weer toegroeien naar de afspraken die wij met elkaar hebben gemaakt om 2% bnp aan defensie-uitgaven te besteden?

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik zou hier heel graag "ja"op willen antwoorden, maar de realiteit is dat een percentage nooit een doel op zich is. Het gaat erom dat alle NAVO-lidstaten hun verantwoordelijkheid en een fair share nemen. Dat is het doel, en niet zozeer het percentage.

Voorzitter: Van Miltenburg

De heer Dijkgraaf (SGP):

Wat mij in deze Kamer altijd een beetje verbaast is dat die norm van 0,7% voor ontwikkelingssamenwerking altijd heilig is.

Minister Hennis-Plasschaert:

Niet voor de VVD. Oh, pardon.

De heer Dijkgraaf (SGP):

U bent nu minister in het kabinet?

Minister Hennis-Plasschaert:

Excuses, dat was ik vergeten.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Als we over defensie praten, dan wordt er in het kader van die 2% gezegd dat we realistisch moeten zijn en dat er bezuinigd moet worden. Hoe kan het dat het kabinet niet meer waarde hecht aan die 2% en zegt: beste mensen, dat hebben we internationaal afgesproken en dit is essentieel om de veiligheid op de lange termijn op orde te houden?

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik gaf net al aan dat een percentage nooit een doel op zich kan zijn. Evenredig de verantwoordelijkheid nemen is voor mij wel een doel op zich en ik zal mij daar tot het uiterste voor inspannen. Dat heb ik ook al eerder aangegeven.

De voorzitter:

Mijnheer Dijkgraaf, tot slot.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Wij gaan het in tweeën doen?

De voorzitter:

Als u het goed vindt.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Ik vind alles goed. In tweeën kun je ook goede vragen stellen, althans proberen.

De voorzitter:

U kunt dat, ja.

De heer Dijkgraaf (SGP):

We proberen het.

Als wij straks een visie krijgen van de minister, kan zij twee dingen doen. Zij kan zeggen dat zij binnen de financiële kaders deze ambitie kan waarmaken. Ze zou ook een doorkijk op de lange termijn kunnen geven. Qua realiteit denk ik dat zij dan ook buiten deze kabinetsperiode moet kijken, want hopelijk zijn wij dan eindelijk een keer uit de crisis en is er financiële ruimte zodat wij kunnen investeren. Ik daag de minister uit om die tweede mogelijkheid ook te benutten. Als we kijken naar de veiligheidsrisico's en naar wat de NAVO moet waarmaken, wat betekent dat dan, even los van de financiële kaders, voor de noodzaak van investeringen in de krijgsmacht?

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik kom zo meteen op het hoofdstukje visie en dan kom ik graag terug bij de heer Dijkgraaf.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u verdergaat met het blokje internationale samenwerking. Dat was nog niet afgelopen.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik was gebleven bij mijn antwoord aan de heer Jasper van Dijk op de vraag of de samenwerking tot kostenbesparing leidt. Volgens mij gaf de heer Van Dijk gisteravond ook aan dat er veel gesnoeid wordt in die samenwerking. Ik weet niet of ik hem helemaal goed heb verstaan, maar dat herken ik eerlijk gezegd niet. Ik zie juist meer samenwerking ontstaan. Ik noemde het net al: de Benelux-samenwerking en de samenwerking met Duitsland. Die samenwerkingsverbanden zullen ook in 2013 verder worden verdiept. Denk echter ook aan het initiatief voor Smart Defence van de NAVO en aan de "pooling and sharing" van de EU. Militaire samenwerking staat daarbij centraal.

Daarmee ben ik aan het eind gekomen van dit blokje.

Mevrouw Hachchi (D66):

De minister geeft veel voorbeelden van Europese samenwerking. Zoals ik gisteren aangaf, verwacht ik van deze minister op dit punt meer dan van haar voorganger, hoewel haar voorganger natuurlijk ook al een aantal stappen heeft gezet. In mijn eerste termijn heb ik aangegeven dat het belangrijk is om Europese defensiesamenwerking centraal te stellen in de komende visie. Is de minister bereid om dat te doen?

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik gaf net al aan dat internationale samenwerking, zowel voor de NAVO als voor de EU, een duidelijke rol zal krijgen in de visie.

Mevrouw Hachchi (D66):

"Een duidelijke rol". Kan de minister misschien een tipje van de sluier oplichten of wil zij het bij deze woorden laten?

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik zou mevrouw Hachchi heel graag bedienen, maar de realiteit is dat wij net zijn begonnen. Ik kan niet op de werkzaamheden vooruitlopen.

De heer De Roon (PVV):

Het is mij nog niet helemaal duidelijk hoe de regering nu staat tegenover de oproep van een aantal grote EU-landen onder leiding van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken om een Europees leger te vormen. Wij hebben er een poosje geleden al een motie over ingediend. Toen zei de minister: die motie is ontijdig, want dit kabinet zal in ieder geval niet inzetten op verlies van zeggenschap over de inzet van de eigen krijgsmacht; in dat opzicht kan geen sprake zijn van een Europees leger. Dat roept bij mij de vraag op of er in de visie van de minister een mogelijkheid is om op een andere manier een Europees leger tot stand te laten komen. Als dat zo is, wil de minister dan ook van die andere mogelijkheid afstand nemen?

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik moet de heer De Roon even goed verstaan. De realiteit is dat veruit de meeste missies al in een internationaal samenwerkingsverband worden uitgevoerd. Er wordt al nauw samengewerkt met bijvoorbeeld met onze Duitse counterparts. Kijk naar Afghanistan. Er is in feite al sprake van één team. Als de heer Van Roon aan mij vraagt of ik van mening ben dat het Europees Parlement bijvoorbeeld instemmingsrecht moet krijgen over het sturen van Nederlandse mannen en vrouwen, is mijn antwoord "nee". Er zijn verschillende gradaties van Europese samenwerking.

De heer De Roon (PVV):

Het vormen van een Europees leger is iets meer dan alleen samenwerking in concrete operaties. Ik heb het nu niet over die concrete operaties. Daar ben ik trouwens ook tegen, want die moeten volgens mij in NAVO-verband gebeuren. Het gaat mij om de oprichting van een Europees leger. Het is voorstelbaar dat Europa op een gegeven moment besluit om een eigen leger op te zetten waarvoor helemaal geen mensen en middelen meer worden aangeleverd door de nationale staten: een Europees leger, gefinancierd vanuit de Europese middelen, waaraan wij dan waarschijnlijk wel zullen moeten bijdragen. Neemt de minister ook van zo'n route duidelijk afstand? Zegt zij: nee, de regering zal daar niet aan meewerken, daar zullen wij ons tegen verzetten?

Minister Hennis-Plasschaert:

De heer De Roon doelt op een topdownbenadering vanuit de Europese instellingen. De regering zal daar niet aan meewerken, omdat het weinig zinvol is om iets te creëren waarvoor geen draagvlak is. De regering zal altijd Europese samenwerking bepleiten, ik in het bijzonder, want ik zie enorme efficiencyvoordelen. Het instemmingsrecht blijft echter bij de nationale parlementen.

De heer De Roon (PVV):

Het is goed om dat te horen, maar er is toch een groot draagvlak. Juist de grote Europese landen willen wel die kant op. Het is goed om te horen dat de regering zich met hand en tand hiertegen zal verzetten. Ik hoop tenminste dat ik de woorden van de minister zo mag verstaan.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

De PvdA wil samenwerking aan alle kanten ondersteunen, anders dan de vorige spreker. Een aantal projecten zijn al in omloop en spelen al veel langer. Wij zijn toe aan nieuwe initiatieven, maar wij lopen steeds tegen de defensie-industrie aan. Het samenwerken tussen de landen in Europa, of wij het nu samenwerking met landen of Europese samenwerking noemen, heeft veel te maken met het aanbotsen tegen de defensie-industrie. Denk aan de grote samenwerking van BAE en EADS, de Duitsers, Fransen en Engelsen. De samenwerking ging niet door. Dat heeft een enorme invloed op de samenwerking tussen onze krijgsmachten. Hoe denkt de minister daarmee om te gaan en het debat daarover verder te voeren? Juist dat houdt die samenwerking steeds tegen.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik ben het van harte eens met mevrouw Eijsink. Wij hebben er onlangs een gedachtewisseling over gehad met Eurocommissaris Barnier. Het heeft de volle aandacht. Daarvoor is de interne markt en daarmee moeten wij ons voordeel doen.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

De volle aandacht is heel goed, maar op welke wijze neemt de minister dit mee bij die visie? Wij lopen er juist al jaren tegenaan. Wij kunnen het ook hebben over de opvolger van de F-16, waarbij wij ook tegen de defensie-industrie aanlopen. Wat is leidend? Is een goede krijgsmacht leidend? Is het een en-en-vorm? Wat zijn de mogelijkheden die de minister verder gaat onderzoeken en die van belang zijn voor onze visie op de lange termijn?

Minister Hennis-Plasschaert:

Als mevrouw Eijsink doelt op de juiste randvoorwaarden om de krijgsmacht gezond en effectief te laten functioneren, dan worden die meegenomen in de visie.

De voorzitter:

Ik zie dat mevrouw Hachchi wil interrumperen. U hebt al een keer geïnterrumpeerd, en de minister is er nog nauwelijks aan toegekomen om iets te zeggen. Ik stel voor dat de minister gewoon even lekker op stoom komt, en dat mevrouw Hatchchi dan terugkomt.

Mevrouw Hachchi (D66):

Mijn vraag gaat over de conclusie die de heer De Roon net trok. De minister zei daar niets over, maar ze knikte wel. Er zijn in Europa landen, waaronder Duitsland, die vinden dat moet worden toegewerkt naar één krijgsmacht. De heer De Roon vatte de woorden van de minister samen als zou dit kabinet zich daar met hand en tand tegen verzetten. Ik geef de minister nog een kans. Is dat het geval, of niet?

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik heb me net duidelijk uitgesproken: wij zien Europese, internationale samenwerking als de enige weg voorwaarts. Dat is iets anders dan het instemmingsrecht van dit parlement overhevelen naar het Europees Parlement. Dát is waar ik me tegen zal verzetten. Voor de rest zal ik de Europese internationale samenwerking juist bevorderen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Die woordkeuze vind ik wel interessant. De minister heeft het steeds over het Europees Parlement, maar er zijn natuurlijk nog wel meer instellingen in Brussel die beslissingen kunnen nemen. Ik verwijs naar een citaat in een populair ochtendblad. De vraag van de interviewer is: als je meer gaat samenwerken, dan ga je ook over het inleveren van soevereiniteit praten, toch? Het antwoord: Nee, nee, dat is een discussie. Is het nu nee, of een discussie?

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik zal de heer Van Dijk volgende keer uitnodigen bij mijn interviews! Ik zei: nee, nee, dat is weer zo'n discussie alsof Europese samenwerking per definitie betekent dat je je soevereiniteit volledig inlevert.

De heer Jasper van Dijk (SP):

De minister is heel handig in haar antwoorden. Terug naar die uitspraak over het Europees Parlement. Deelt de minister mijn mening dat het inleveren van soevereiniteit niet aan de orde is?

Minister Hennis-Plasschaert:

Daar waar internationaal wordt samengewerkt en daar waar Europees wordt samengewerkt, wordt ook – heel mooi verwoord in het AIV-verhaal – het handelingsvermogen vergroot. Is dat een inbreuk op de soevereiniteit of juist niet? Daarover verschillen we van mening. Ik ben van mening dat vergroting van het handelingsvermogen moet worden gekoesterd en niet per definitie moet worden gezien als een inbreuk op de soevereiniteit. Europese internationale samenwerking is de enige weg.

De heer Klaver (GroenLinks):

Goedemorgen, voorzitter. Ik wil nog even terugkomen op het punt van mevrouw Eijsink over wat voorop staat: Defensie, of de belangen van de defensie-industrie. In Europa verschillen die belangen nogal. De grote Europese landen hebben grote belangen in de defensie-industrie. Is de minister bereid om in de visie waar ze mee komt, in te gaan op dat krachtenveld in Europa en wat daarin de positie van Nederland is, om in ieder geval de belangen van onze defensie, onze militairen, onze mannen en vrouwen veilig te stellen en niet zozeer de belangen van de industrie?

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik zie een goedwerkende interne markt als randvoorwaarde voor Nederland om goed te opereren. Daaraan zal aandacht worden besteed in de visie.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik weet dat de minister een Europeaan in hart en nieren is. Maar daar ging mijn vraag niet over. Ik vroeg of zij wil aangeven wat het krachtenveld is als het gaat om de insteek: kijk je meer naar de belangen van de defensie-industrie of naar die van het leger an sich? Is zij bereid om daar meer inzicht in te geven, om ervoor te zorgen dat niet de belangen van de industrie gaan prevaleren, maar die van ons leger?

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik krijg het idee dat wordt gesteld dat de industrie leidend is, maar het is andersom: de krijgsmacht bepaalt waaraan behoefte aan is, en de industrie is dienend. Dat is het uitgangspunt.

Ik kom toe aan het blokje visie op de krijgsmacht. Het is voor het kabinet niet mogelijk om nu al vooruit te lopen op de uitkomst van alle werkzaamheden in dit verband. We zijn nog maar net begonnen.

In antwoord op de vraag van de heer Van Dijk gisteravond kan ik in ieder geval zeggen dat er één visie komt op de krijgsmacht van de toekomst. Het wordt dus geen visie met verschillende varianten. Zoals het kabinet heeft toegezegd, ligt er voor eind 2013 een visie in de Kamer op basis van een solide financiële onderbouwing en met heldere richtinggevende keuzes over de nationale en internationale taken van de krijgsmacht en de capaciteiten die daarvoor nodig zijn. Er is in alle opzichten grote behoefte aan duidelijkheid en er is al heel veel informatie, waaronder de Verkenningen, voorhanden.

De vervanging van het F-16-jachtvliegtuig zal integraal deel uitmaken van deze visie. In de visie op de krijgsmacht zal volstrekt helder worden wat het financiële beslag is van de vervanger van de F-16, zowel bij de investeringen als bij de exploitatie. De Algemene Rekenkamer heeft daarbij een belangrijke rol. Juist die validatie door de Algemene Rekenkamer geeft zekerheid over de betaalbaarheid van het nieuwe toestel, ook op de langere termijn. Met die validatie komt er ook zekerheid over de ruimte voor andere nieuwe wapensystemen. Het is evident, zeg ik kijkend in de richting van de heer Van Dijk, dat Defensie niet alleen in de luchtmacht blijft investeren maar natuurlijk ook in de andere onderdelen, zoals de marine en de landmacht.

Zoals afgesproken in het regeerakkoord, blijft Nederland deelnemen aan de huidige memoranda of understanding over de F-35. Daarmee beantwoord ik meteen de vraag van de heer Segers over de uitstapkosten. De heer De Roon heeft gevraagd naar Canadese en Amerikaans besluiten over de F-35 en de mogelijke gevolgen daarvan voor Nederland. Er is heel veel berichtgeving waarop Canada dan direct reageert met "false" oftewel "niet waar", maar de realiteit is dat Canada, net als Nederland overigens, heel erg kritisch blijft. Canada blijft partner in het F-35-programma, net als Nederland, dus voorlopig verandert daar weinig aan. Over een Amerikaanse besluit om het aantal F-35's te wijzigen, is mij vooralsnog niets bekend. Als mij daarover wel informatie bereikt, zal ik de Kamer uiteraard informeren.

Mevrouw Eijsink en de heer Segers brachten de vijf strategische vragen op uit het eindrapport Verkenningen. De visie op de toekomst van de krijgsmacht zal vanzelfsprekend ingaan op deze vragen. Dergelijke vragen dienen in feite doorlopend te worden gesteld, want tegen deze achtergrond is in 2010 ook besloten tot een interndepartementale strategische monitor. Daarin worden de internationale veiligheidsanalyse van de Verkenningen jaarlijks geactualiseerd. Het spreekt voor zicht dat die strategisch monitor ook bij de visie wordt betrokken. De visie zal, zo heeft het kabinet aangekondigd, berusten op een analyse van de relevante nationale en internationale ontwikkelingen. Daarbij gaat het – dan kijk ik in de richting van mevrouw Hachchi – onder meer om de Europese militaire samenwerking. De heer Vuijk heeft dat ook opgebracht in een interruptiedebatje met de heer Van Dijk en mevrouw Hachchi. De visie zal zeker ook de dreigingen tegen Nederland in beschouwing nemen. Dat geldt ook voor mogelijk nieuwe conflicten, waaraan de heer Van Ojik refereerde. De heer Knops wees terecht op de wettelijke taken van de krijgsmacht. Deze behoren vanzelfsprekend tot de uitgangspunten van de visie.

Verschillende leden hebben vragen gesteld over het handhaven of het aanpassen van het ambitieniveau van de krijgsmacht, onder wie de heer Van Dijk. Hij gaf aan dat de krijgsmacht kleiner en meer bescheiden moet worden. De heer Van Ojik stelde dat de krijgsmacht zich op andere soorten conflicten moet oriënteren. Ik begrijp deze vragen en ik begrijp ook de wens om hierover in debat te treden. Tegelijkertijd zal men begrijpen dat juist op deze vragen een duidelijk antwoord volgt in de nog op te stellen visie, waar ik nu dus niet op vooruit kan lopen. Ik teken daarbij wel aan dat elke ambitie uiteindelijk moet passen bij de beschikbare middelen, want anders hebben we snel een luchtkasteel, waar helemaal niemand op zit te wachten. Als minister van Defensie ben ik zeer gemotiveerd om het draagvlak voor de krijgsmacht in de Nederlandse samenleving te verbreden. Ik zie dat echt als mijn taak. De nieuw op te stellen visie zal ik daar mede voor gebruiken. Ik heb daarbij in ieder geval het volgende voor ogen. We gaan voort op de weg die is ingeslagen sinds de Uruzganmissie. Dat wil zeggen, we brengen de mannen en vrouwen in beeld die het moeilijke werk doen. De media mogen daarvan uitvoerig verslag doen en commandanten krijgen daarbij vrij het woord. Defensie blijft meewerken aan indrukwekkende documentaires – ik noemde net "Gesneuveld" – die de keerzijde van de medaille laten zien. Defensie zal actief zijn op het gebied van online media, zoals met "Dagboek van Onze Helden" tijdens de Uruzganmissie, en nu met "Dagboek Kunduz". Nog deze week is er een speciale editie van het blad Quest gemaakt, dat wordt verspreid onder de abonnees en leerlingen van Veiligheid en Vakmanschap VeVa. Ik reik dit graag aan de leden uit. Het blad maakt duidelijk wat Defensie allemaal doet, Kortom, ik wil echt alle mogelijkheden gebruiken om het verhaal van Defensie uit te dragen. Ook reservisten en veteranen, zoals de heren Vuijk en Knops, kunnen daarbij een belangrijke rol spelen. Naast onze eigen mensen, zijn zij bij uitstek de ambassadeurs van Defensie. Zij hebben immers een groot hart voor Defensie en kunnen zo enthousiast vertellen over de bijzondere taak van de krijgsmacht, dat Defensie wel heel dom zou zijn als zij geen gebruik van hen zou maken. Als minister van Defensie zal ik me hiervoor volop inspannen. Ik hoop van harte dat ik met u allen – ik kijk ook even in de richting van de voorzitter – het draagvlak voor onze krijgsmacht zo groot mogelijk kan maken. Ik heb u allen daarbij oprecht nodig, net zoals uw collega's van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken. De krijgsmacht, de missies en de investeringen kunnen namelijk niet zonder draagvlak in de Kamer en daarbuiten.

Voorzitter. Ik ben hiermee aan het eind van dit blokje.

De voorzitter:

U hoeft de interrupties niet uit te lokken, hoor.

De heer Knops (CDA):

Goedemorgen voorzitter, dit is mijn eerste. De minister straalt heel veel enthousiasme uit. Dat heb ik al eerder gezegd en daar ben ik buitengewoon content mee in een tijd waarin Defensie het echt heel moeilijk heeft. Tegelijkertijd vind ik het buitengewoon teleurstellend dat wij nu een jaar moeten wachten op een visie waarvan de minister, als zij daarover wordt ondervraagd, telkens zegt: wacht u maar tot die visie er is, eind 2013. Kan de minister niet op hoofdlijnen aangeven welke richting zij zelf voorstaat? Ik wil daarbij met name wijzen op de grote tegenstelling tussen de twee coalitiepartners, voordat deze samen aan tafel gingen zitten. De PvdA wilde vredes- en stabilisatiemissies en de VVD wilde opereren in het hoogste geweldsspectrum ...

De voorzitter:

Dank u. Ik denk dat de minister daarvan op de hoogte is.

Minister Hennis-Plasschaert:

Nee, dat kan ik niet. Ik heb net aangegeven dat wij net zijn begonnen en ik kan niet op de werkzaamheden vooruitlopen.

De heer Knops (CDA):

Defensie staat op dit moment voor een gigantische reorganisatie. De mensen weten niet waar zij aan toe zijn; dat krijgen ze nog te horen. In hoeverre interfereert de nog op te stellen visie, die wij over een jaar mogen ontvangen, met de lopende reorganisatie?

Minister Hennis-Plasschaert:

De reorganisatie zal haar beslag krijgen. De financiële kaders, door mijn ambtsvoorganger duidelijk gemaakt in de beleidsbrief van 8 april 2011, zijn daarin natuurlijk al verwerkt. De reorganisatie als zodanig maakt geen onderdeel uit van de visie, maar de financiële kaders zijn wel het uitgangspunt voor de visie. Je kunt luchtkastelen bouwen of realiteitszin tonen. Dat laatste was ik van plan.

De voorzitter:

Meneer Knops, ik wil proberen om de vragen in tweeën te doen. Ik snap dat u nu nog een concluderende vraag wilt stellen, maar als u uw vragen in tweeën stelt, kunt u er meer stellen en heeft u aan het eind het gevoel dat u goed aan uw trekken bent gekomen. Deze derde vraag sta ik u nu nog toe.

De heer Knops (CDA):

Voorzitter. Wij hebben gisteren buitengewoon gedisciplineerd gedebatteerd, zonder enige beperking, en toen ging het goed. Ik wil u dus verzoeken om enigszins coulant te zijn. Dan zal ik me beperken in het aantal interrupties.

Dit is wel een heel belangrijke. De minister geeft aan dat er een reorganisatie zal plaatsvinden die is gebaseerd op de bestaande visie. Het is dan toch niet gek om te veronderstellen dat een nieuwe visie – en de minister zegt dat ze daarmee gaat komen, maar wij weten niet wat daarin staat – gevolgen kan hebben voor de lopende reorganisatie?

Minister Hennis-Plasschaert:

Nee. Volgens mij worden nu appels en peren in één mandje gestopt.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Voorzitter. Straks gaat het er natuurlijk om hoe de ambitie zich verhoudt tot de inzet van de krijgsmacht; welke krijgsmacht heb je nodig om je ambitie te verwezenlijken en hoe verhoudt een en ander zich dan tot het financiële kader op de lange termijn? Er is een mooie, door de Kamer aangenomen motie van de leden Van der Staaij, Hachchi en Voordewind uit 2010, op stuk 32500 X, nr. 72. In die motie wordt de minister gevraagd om die twee zaken op orde en in lijn met elkaar te brengen. Met die motie wordt uitgesproken: zorg ervoor dat het langetermijnperspectief voor de financiën zodanig is dat de ambitie echt waargemaakt kan worden. Gaat de minister in de uitwerking van de visie ook uit van deze motie?

Minister Hennis-Plasschaert:

Eerlijk gezegd ken ik die motie niet. Ik zal er zo even rustig naar kijken. Wat ik nu hoor, klinkt echter alleszins redelijk. In feite wordt met deze motie gezegd: bouw geen luchtkastelen, maar toon realiteitszin. Dat is precies wat ik met de visie van plan was.

De heer Dijkgraaf (SGP):

De grote vraag is of die realiteitszin betekent dat wordt uitgegaan van het huidige financiële kader. De motie zegt: voor de korte termijn wel, maar voor de lange termijn niet. Voor de lange termijn zou je het budget van Defensie op orde moeten brengen, zodat je de ambitie daadwerkelijk kunt waarmaken. Betekenen de woorden van de minister ook: als dit de ambitie is, dan horen daar die krijgsmacht en dat financiële plaatje bij? Dan krijgt de Kamer dat plaatje te zien en zal de Kamer bezien wat ze daar verder mee doet.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik heb in het begin al duidelijk aangegeven dat ik de komende tijd heel graag koersvast wil zijn. Dat betekent ook: duidelijkheid en rust bieden met duidelijke financiële kaders en een duidelijke ambitie, passend binnen de daarvoor opgestelde financiële kaders. Vooruitlopen op, what-if-uitspraken doen over aanvullende budgetten en hogere bedragen is in deze tijd onwenselijk.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Tot slot, als dat mag …

De voorzitter:

Ik heb net opnieuw weer even de spelregels uitgelegd. Ik heb de heer Knops gezegd dat hij nog van de oude, door hemzelf opgestelde spelregels gebruik mag maken, maar nu gaan we het tot twee beperken.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Zo, meneer Knops heeft geluk.

De voorzitter:

U hebt net ook geluk gehad, toch?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik wijs erop dat in dit blokje in één keer drie zaken worden behandeld: visie, JSF en ambitieniveau. Dat is wel een groot blok, maar goed.

De minister zei dat ze met één visie komt. Dat vind ik een hele geruststelling, want anders krijg je zo'n Monty Python-situatie met van die renners die alle kanten op gaan. Dat moeten we niet hebben, zeker niet bij de krijgsmacht. Maar wat is de rol van het ministerie en wat is de rol van de Kamer? De minister zei ook dat ze hecht aan draagvlak in de Kamer. We hebben er al eerder over gesproken, maar de vraag is of wij nog een rol kunnen spelen bij de totstandkoming van de visie. Moet ik nu helaas vaststellen dat de minister zegt: ik kom eind volgend jaar met de visie en dat is het? Of gaan we ook nog een tussenmoment creëren waarbij we over meerdere varianten kunnen spreken? Natuurlijk moet de minister met één visie komen, maar ik neem aan dat de minister over meerdere opties zal oordelen.

Minister Hennis-Plasschaert:

Veel aspecten die integraal onderdeel uitmaken van de visie, bijvoorbeeld de vervanging van de F-16, zullen apart worden besproken in AO's. De Kamer heeft dat aangekondigd. Ik ga graag met de Kamer in debat over die aspecten. Ik heb net aangegeven dat ik het van groot belang vind dat de Kamer zich herkent in de visie. Draagvlak is van belang, niet alleen hier maar ook daarbuiten. Dat verdient Defensie. Als de heer Van Dijk vraagt of ik bereid ben om nog een keer een bijeenkomst te organiseren waarin iedereen in een soort brainstormachtige sessie zijn ideeën op tafel kan leggen, dan zeg ik: ja, ik ben daartoe bereid. Dat is iets anders dan dat ik op voorhand verschillende varianten aan de Kamer presenteer, haar daarover het debat laat voeren en vervolgens terugkom met één visie. Ik zal één visie aan de Kamer voorleggen, maar in de aanloop naar die visie ben ik natuurlijk bereid om nog een extra bijeenkomst, een soort brainstormachtige sessie te organiseren.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat is, opnieuw, handig. Eigenlijk zegt de minister: de Kamer kan van tevoren nog een debat voeren en mag dan zeggen wat ze wil, maar ik kom met die visie. Ik ben heel bang dat die dan is dichtgetimmerd. Ik wil mijn rol wel serieus nemen, en mijn collega's ongetwijfeld ook. Volgens mij hecht deze minister bijzonder veel waarde aan een democratische gang van zaken, dualisme et cetera. Ik ben bang dat ik hier wat Defensie betreft het komende jaar een beetje voor Piet Snot ga zitten en dat we dan worden geconfronteerd met die dichtgetimmerde visie. Maar goed, we zullen ons best doen.

De minister zei dat het budget eigenlijk bepalend is voor het ambitieniveau van de krijgsmacht. Dat klinkt logisch, maar erkent de minister daarmee niet dat het ambitieniveau van een veelzijdig inzetbare krijgsmacht door alle bezuinigingen niet goed hanteerbaar meer is, zelfs niet tijdelijk, omdat je de krijgsmacht daarmee zwaar overvraagt?

Minister Hennis-Plasschaert:

Voorzitter, "handig" zeg ik op mijn beurt over deze interruptie van de heer Van Dijk. Maar hierop kom ik echt terug in de visie.

De heer Klaver (GroenLinks):

Ik durf het bijna niet te zeggen, maar ik ga over diezelfde visie iets vragen. Ik zal proberen om mij handig uit te drukken.

De minister heeft nog niets gezegd over burgerbescherming, ook al heeft mijn collega Van Ojik hiervan gisteren een belangrijk punt gemaakt.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik ga u bedienen.

De heer Klaver (GroenLinks):

Verras me!

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik kom er iets verder in mijn verhaal op terug. U moet nog even geduld hebben.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

De visie heeft natuurlijk alles te maken met de opvolging van de F-16. De minister heeft daar ook over gesproken. In Canada is wel degelijk iets aan de hand. Ik heb het rapport van KPMG van 27 november voor me en dat liegt er niet om. De rest van het rapport is ook in mijn bezit. In Canada is inmiddels een nieuwe taakgroep opgezet als onderdeel van Public Works. Het is niet langer onderdeel van Defensie om onafhankelijkheid te betrachten. De Denen doen dat ook. Ik zou de minister iets willen vragen. Daar hoeft ze hier niet op te antwoorden. Ik kan mij voorstellen dat ze nog wat gedachten nodig heeft. Maar zal hoe wij hiermee omgaan terdege worden meegenomen in het denkwerk, de visie et cetera? Canada is lid van het JPO, van de landen waarmee we samen zitten. Ik zou de minister willen vragen om daar wel kort op te reageren, want er is wel degelijk heel veel beweging in Canada op dit terrein, ook al stappen ze net als Nederland niet uit de testfase. De Canadezen zitten uiteraard niet in de ontwikkelingsfase.

Minister Hennis-Plasschaert:

Mevrouw Eijsing heeft natuurlijk helemaal gelijk met haar opmerking dat er van alles en nog wat gaande is in Canada. Canada is buitengewoon kritisch, overigens net als Nederland. Ik ben bereid om mij te informeren over wat er in Canada precies op poten is gezet. Ik kom daarop graag terug in de algemene overleggen over de vervanging van de F-16.

Voorzitter. Ik ga verder met de vragen over het budget internationale veiligheid. In het regeerakkoord is vastgesteld dat er een nieuw budget komt voor internationale veiligheid van 250 miljoen euro. Dit budget komt ter beschikking voor de dekking van uitgaven, verbonden aan de internationale veiligheid, die nu nog drukken op de begroting van Defensie. De heer De Roon vroeg wie verantwoordelijk is voor dat budget. Dat is netjes geregeld: de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is verantwoordelijk voor de aanwending, maar dan wel in overeenstemming met de minister van Defensie.

Samen met mijn collega voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en in overleg met mijn collega van Buitenlandse Zaken zal ik de besteding en het beheer van dit budget uitwerken. Daarbij wordt ook de vraag betrokken van de heer Segers over eventuele onderbesteding. De wijze waarop daarmee zal worden omgegaan, wordt de komende maanden helemaal uitgeplozen en onderzocht. Zodra het is uitgewerkt, zal ik de Kamer onmiddellijk informeren. Meer informatie is er op dit moment simpelweg niet.

De heer Knops vroeg hoe de overheveling van het budget is geregeld. Het nieuwe budget voor internationale veiligheid start in 2014. De overheveling zal dan ook worden verwerkt in de ontwerpbegroting 2014. Het spreekt voor zich dat de huidige werkwijze komend jaar wordt gehandhaafd. Dit betekent onder meer dat de patriotmissie in 2013 ten laste komt van het HGIS-budget op de begroting van Defensie. Ik kan de heer Van Roon zeggen dat dit budget daar natuurlijk ook voor is bedoeld.

De heer Van Dijk vroeg wat het kost om een Patriot te gebruiken. De vervangingsprijs van zo'n Patriot PAC 3-raket is maximaal 4,5 miljoen dollar. De gevolgen voor de Defensiebegroting van het nieuwe budget zijn nog niet duidelijk. Dat heeft ook de Algemene Rekenkamer onlangs geconstateerd. Het is daarom niet juist om deze overheveling als een volledige of een gedeeltelijke bezuiniging op Defensie aan te merken. Ik vraag de heer Knops daarom om een beetje geduld. Ik weet dat ik veel vraag, maar de criteria worden op dit moment uitgewerkt. Zodra dat is gebeurd, kom ik zo snel mogelijk bij hem terug.

De heer Knops (CDA):

Ik ben een zeer geduldig mens, maar soms even niet. De antwoorden van de minister stemmen mij geenszins gerust. Misschien kan zij wat concreter aangeven wanneer wij die uitwerking tegemoet kunnen zien. Ik wil dan best even ophouden met haar te bestoken met vragen daarover. Ik reken even voor: er staat 190 miljoen in de huidige begroting, straks gaat 250 miljoen naar buitenlandse handel dus per saldo gaat er 50 miljoen extra af van de begroting van Defensie. Op het punt van de Patriots stelde ik de volgende vraag. Als die patriotmissie in 2014 plaatsvindt, kan de minister dan nog steeds beschikken over dat budget, waarover zij nu nog wel kan beschikken?

Minister Hennis-Plasschaert:

Heel handig, maar ik ga echt eerst werken aan die criteria. Daarna informeer ik de heer Knops onmiddellijk.

De heer Knops (CDA):

Kan de minister een tipje van de sluier oplichten van wanneer mijn geduld beloond wordt met een antwoord op deze vraag?

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik hoop op uiterlijk dit voorjaar.

De voorzitter:

Dat moet u lukken, mijnheer Knops.

De heer Knops (CDA):

Dat begint al in april.

De heer De Roon (PVV):

De minister denkt de inzet van de Patriots te gaan financieren uit dat HGIS-fonds. Zij houdt dan nog 9 miljoen euro over voor het hele volgende jaar. Ziet zij daaraan geen risico's kleven? Wat doet de minister als zich een nieuw incident voordoet in de wereld? Het is misschien noodzakelijk om opnieuw een beroep te doen op dat potje. Dan is 9 miljoen misschien wel erg weinig. Waar haalt de minister dan het geld vandaan?

Minister Hennis-Plasschaert:

Zoals gebruikelijk wordt dan in overleg getreden met het ministerie van Financiën.

Voorzitter. Ik ga graag nog even kort in op de effecten van het regeerakkoord Rutte II. De heer Knops en mevrouw Hachchi gaven in hun bijdrage te kennen dat er in het regeerakkoord wel degelijk sprake zou zijn van bezuinigingen op Defensie. Ik heb verschillende rekensommen voorbij zien komen, zowel in de Kamer als in de media. Ik geef daarvan graag mijn versie. De taakstelling in het Lenteakkoord van 84 miljoen is weliswaar een bezuiniging, maar die volgt niet uit dit regeerakkoord. Ik denk dat wij gisteren ook wel tot die conclusie waren gekomen. Die taakstelling volgt uit het Lenteakkoord waarvoor ook de partijen van de heer Knops en mevrouw Hachchi hebben getekend. De heer Knops gaf dat ook toe. Voor de btw-verhoging geldt eigenlijk hetzelfde. Die is geen bezuiniging maar een prijsverhoging waarmee alle organisaties en burgers in Nederland, en dus ook Defensie, worden geconfronteerd. Dit zijn dus allebei erfenissen die niet veel te maken hebben met het regeerakkoord van Rutte II. Het zijn uiteraard wel zaken waar Defensie niet omheen kan. Bovendien volgt uit het regeerakkoord Rutte II het Defensieaandeel in de taakstelling op de rijksdienst, oplopend tot 48 miljoen. Met de tekst van het regeerakkoord in de hand ga ik die bezuiniging zoeken in de apparaatuitgaven van Defensie, niet bij de operationele eenheden. Dat stemt overeen met het doel van deze taakstelling. Samen met een bijdrage van 1 miljoen aan de bezuinigingen op het topsectorenbeleid wordt de taakstelling van Defensie in het regeerakkoord gehaald. Natuurlijk wordt er 250 miljoen overgeheveld van de Defensiebegroting naar het nieuwe budget voor internationale veiligheid. Ik heb daarover zo-even gesproken en ik kom daarop hopelijk zo snel mogelijk terug.

Defensie is nu bezig de effecten van dit alles te verwerken. De wijze waarop dat gebeurt, wordt de komende maanden onderzocht in samenhang met de ontwikkeling van een nieuwe visie op de krijgsmacht. Ik blijf ernaar streven om de operationele eenheden, de troepen, te ontzien. Ik blijf herhalen dat ik hiervoor mijn uiterste best zal doen.

De heer Knops wees er in zijn bijdrage nog op dat de grondwettelijke taken van Defensie in het geding zouden kunnen zijn. Ik zei in zijn richting net al dat de visie die ik in het komende jaar met mijn collega's ga opstellen mede zal berusten op de grondwettelijke taken van Defensie. Ik zal uiteenzetten hoe Defensie die taken kan blijven uitvoeren.

Ik kijk nu even naar de heer Vuijk. Voor de Defensiebegroting is het inderdaad belangrijk dat het afgestoten materieel wordt verkocht. De heer Vuijk vroeg daarnaar. Het succes dat wij daarmee kunnen boeken, is afhankelijk van onderhandelingen met andere landen. Defensie gaat daarvoor als een ware verkoper de wereld over. Zo worden toonaangevende beurzen in het buitenland bezocht en worden buitenlandse bezoeken afgelegd. Ook worden Nederlandse defensieattachés in Nederland ingeschakeld. Ik werk daarbij nauw samen met mijn collega voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. De omstandigheden op de markt voor de verkoop van strategisch defensiematerieel zijn niet heel gunstig, voeg ik hieraan toe.

De heer Knops (CDA):

De omstandigheden in het Nederlandse parlement voor verkoop van materieel zijn ook niet heel gunstig. De vraag is of de minister afspraken heeft gemaakt met de coalitiepartner, de Partij van de Arbeid, over de voorwaarden waaronder materieel verkocht kan worden. De minister weet wel waarop ik doel: de mislukte tankdeal met Indonesië.

Minister Hennis-Plasschaert:

Wij hebben hierover al gesproken tijdens het WGO. Ik weet zeker waarop de heer Knops doelt. Volgens mij zijn de criteria volstrekt helder en kunnen wij vooruit met de verkoop van ons materieel.

Voorzitter. Ik zei dat de omstandigheden op de markt voor de verkoop van strategisch defensiematerieel niet heel gunstig zijn op dit moment. Andere landen proberen als gevolg van krimpende defensiebudgetten natuurlijk vergelijkbaar materieel te verkopen; dat zal geen verrassing zijn. Daarnaast hebben de potentiële kopers in deze tijden minder te besteden. De afgelopen twee jaar zijn er te weinig grote contracten gesloten, dat kan ik niet ontkennen, maar ik ben vol energie, en hoopvol gestemd voor 2013. Ik zal mijn uiterste best doen.

De heren Dijkgraaf en Segers hebben twee buitengewoon sympathieke amendementen ingediend, ik kan het niet ontkennen. Met deze amendementen wordt gevraagd om een verschuiving van het budget van het ministerie van OCW naar Defensie. De minister van OCW heeft al luid en duidelijk gereageerd op deze amendementen. Ik kan dan ook niet anders dan de amendementen ontraden, maar sympathiek zijn ze wel.

Ik kom op de inzet van onze krijgsmacht. Waar doen wij het eigenlijk allemaal voor? Wij willen een krijgsmacht die inzetbaar is als het erop aankomt. Daarom wijd ik een paar woorden aan die inzet van de krijgsmacht, zowel in het buitenland als in het binnenland. Internationale inzet krijgt traditiegetrouw veel aandacht in Nederland, ook in de Kamer. Dat is niet vreemd, want de krijgsmacht doet nogal wat. Mevrouw Eijsink is daarop uitgebreid ingegaan tijdens het WGO, en terecht.

Alleen al het weekoverzicht van afgelopen week levert het volgende beeld op. De training- en mentoringactiviteit door Nederlandse militairen en politiefunctionarissen in verschillende districten in Kunduz is volop gaande. Nederlandse F-16's voeren voortdurend verkenningsvluchten uit boven Afghanistan. De missie als geheel, laat ik het herhalen, oogst veel waardering bij de internationale partners, in het bijzonder de kwaliteit van de opleidingen en de begeleiding van de Afghanen.

Hr. Ms. Rotterdam is zo goed als klaar met haar missie in de wateren bij Somalië in het kader van de operatie Ocean Shield. De Nederlandse commandeur Bekkering was commandant van een NAVO-operatie. De Rotterdam deed onlangs de haven van Mumbai aan om brandstof en voedsel in te slaan, maar was daar tevens aanwezig om een economische handelsmissie te ondersteunen. Op 2 december zijn drie nieuwe militaire beveiligingsteams vertrokken om schepen te beschermen tegen piraterij. In totaal zijn er nu zes VPD's actief. De tweede lichting militairen en politiefunctionarissen voor de missie in Zuid-Sudan is aan het werk gegaan. Onze mensen leveren daar een bijdrage aan de opbouw van het veiligheidsapparaat in dit land. Ook is het besluit genomen, waarover wij nog met de Kamer in debat gaan, om Nederlandse Patriot-raketverdedigingssystemen in Turkije te ontplooien.

Dit zijn enkele voorbeelden. Zoals men weet is Defensie op nog veel meer plaatsen actief. Mevrouw Eijsink noemde het al: in de Balkan, in het Midden-Oosten en op verschillende plaatsen in Afrika.

Ik kom terug op de inbreng van de GroenLinks-fractie. Bij de missies is de bescherming van de burgerbevolking van groot belang. Vrede of veiligheid is geen abstract doel, maar vaak letterlijk van levensbelang voor de burgerbevolking in gewapende conflicten. De heer Van Ojik vroeg daarvoor gisteravond meer aandacht. Ik stel voorop dat Defensie in veel gevallen missies juist uitvoert ter bescherming van de burgerbevolking. Dat is een fundamenteel uitgangspunt van ons optreden, laat dat voor iedereen duidelijk zijn. In de regeringsbrede beleidsnotitie over de bescherming van de burgerbevolking, die op 10 juni 2012 naar de Kamer is gestuurd, staan de beleidslijnen uitgeschreven over het voorkomen van gewapende conflicten, de tijdige en effectieve bescherming van de burgerbevolking tijdens gewapende conflicten, de strafrechtelijke verantwoording door onderzoek en vervolging, evenals het belang van opbouw. De primaire verantwoordelijkheid voor de bescherming van de burgerbevolking ligt uiteraard bij de strijdende partijen in het gewapend conflict. Het is evident dat Defensie burgerslachtoffers te allen tijde tracht te voorkomen. Daarnaast is het uitgangspunt van crisisbeheersingsoperaties het creëren van een veilige omgeving van de burgerbevolking.

In hoofdstuk 3 van de Nederlandse Defensie Doctrine wordt ingegaan op het internationaal rechtelijk kader van het militaire optreden, waaronder het humanitair oorlogsrecht. Voor elke missie of operatie buiten de landsgrenzen is dit een buitengewoon belangrijk aandachtspunt bij de vaststelling van de rules of engagement. Ik hoop hiermee de vraag voldoende te hebben beantwoord.

Tot slot is het van belang dat Nederland in multinationaal verband optreedt en zoekt naar oplossingen voor conflicten binnen multinationale, breed gedragen coalities.

De heer Klaver (GroenLinks):

Zoals beloofd kwam de minister erop terug, maar zij wist mij niet echt te verrassen met haar antwoord. Het was een minicollege over wat Nederland allemaal doet. Mijn collega heeft echter een heel specifieke vraag gesteld, namelijk of de minister in de visie die zij gaat schrijven, expliciet wil terugkomen op de burgerbescherming, zeker in relatie tot waar de VN-Veiligheidsraad eerder over heeft gesproken en de zaken die hij daarin definieert. Is de minister daartoe bereid?

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik heb de Kamer goed verstaan. Ik heb eerder en bij herhaling gezegd dat ik heel graag wil dat de Kamer zich herkent in de nog op te stellen visie. Ik heb GroenLinks heel goed gehoord.

De heer Klaver (GroenLinks):

Het is goed dat de minister niks aan haar oren mankeert en dat ze ons goed heeft gehoord, maar ik vroeg iets anders. Ik vroeg om een toezegging, namelijk dat ze hier expliciet op terugkomt in de visie. Dus komt de minister hier expliciet op terug, ja dan wel nee?

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik heb net al een paar keer aangegeven dat het werk net begonnen is en dat ik nog niet op de werkzaamheden vooruit kan lopen. Ik ben al veel verder gegaan dan misschien noodzakelijk was. Ik heb de heer Klaver goed gehoord. Het uitgangspunt bij grote operaties is de bescherming van de burgerbevolking.

De heer Van Ojik vroeg ook of er geen beter evaluatiesysteem van missies nodig is. Iedere derde woensdag in mei ontvangt het parlement een tussentijdse evaluatie van de operaties waarin Nederlandse militaire eenheden zijn ingezet. Als een missie is voltooid wordt een eindevaluatie gemaakt met aandacht voor zowel de militaire als de politieke aspecten. Daarom worden de evaluaties opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken. Die gedeelde verantwoordelijkheid van beide ministers past bij het tweeledige doel van evaluaties. Zij bieden de mogelijkheid om tussentijds de uitvoering bij te sturen en om de effectiviteit verder te vergroten. Ze zijn instrumenteel met het oog op de politieke verantwoording over de inzet van Nederlands personeel en materieel in gevaarlijke missies. Daarmee, in alle eerlijkheid, vond ik de opmerking van de heer Van Ojik over vakantiefolders ietwat pijnlijk omdat wij het ook hebben gehad over de keerzijde en de grote risico's die onze mannen en vrouwen in gevaarlijke missies lopen.

Defensie kent een Afdeling Evaluaties, die losstaat van de lijn die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Nederlandse inzet. Ook bij BZ bestaat er een constructie die de onafhankelijkheid van evaluaties waarborgt. In de praktijk werken beide afdelingen naar tevredenheid. Bij de eindevaluatie van de missie in Uruzgan was inderdaad een onafhankelijke commissie betrokken. In voorkomend geval kunnen wij daartoe opnieuw besluiten, natuurlijk. Alleen zie ik geen aanleiding om die mogelijkheid tot regel te verheffen.

De heer De Roon stelde dat de regering weinig oog heeft voor nationale en economische belangen en vroeg of die in het toetsingskader beter tot uitdrukking konden worden gebracht. Het toetsingskader is een uitdrukking van de nationale en economische belangen. Dat is ook de geschiedenis van het toetsingskader. Het nationaal belang maakt deel uit van de politieke afweging die de regering en het parlement maken. Dat is niet iets om af te vinken. Dat wordt helemaal tot uitdrukking gebracht. Het toetsingskader is aan de orde bij de deelneming van militaire eenheden aan internationale crisisbeheersingsoperaties ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Dat alles staat mede in het kader van het nationale belang, en daarom is de expliciete toevoeging van de afweging van nationale belangen aan het toetsingskader als afvinkpuntje wat mij betreft overbodig.

De heer De Roon (PVV):

Ik zou dat concrete nationale belang nu juist wel graag als afvinkpuntje in het toetsingskader opgenomen zien. De minister kan wel zeggen dat het toetsingskader gericht is op het nationale belang, maar ik zou graag zien dat bij de beslissing of de Nederlandse krijgsmacht in het buitenland wordt ingezet, ook wordt afgevinkt of er een concreet nationaal belang aan de orde is dat vereist dat de krijgsmacht in het buitenland actief wordt. Dat kan uiteraard ook een economisch belang zijn.

Minister Hennis-Plasschaert:

Over "het nationale belang" kunnen de meningen al snel verschillen. Ik ben er echter van overtuigd dat het huidige toetsingskader recht doet aan het tot uitdrukking brengen ervan. Daarbij komt dat Nederland handelsland in deze wereld echt gebaat is bij stabiliteit en rust. Dat benadruk ik nogmaals. Alleen al daarom is voor handelsland Nederland, als er een bijdrage wordt geleverd, het succes van die bijdrage cruciaal. Het toetsingskader ademt uiteindelijk het nationale belang uit.

De heer De Roon (PVV):

Dan stel ik toch voor dat de regering in de gevallen waarin dit aan de orde is, veel concreter is over de reden waarom bijvoorbeeld de stabiliteit in Sudan concreet iets betekent voor de belangen en de veiligheid van Nederland. Dat schiet namelijk vaak tekort.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik heb de heer De Roon goed verstaan.

De voorzitter:

Dank u wel. Gaat u verder.

De heer De Roon (PVV):

Ik hoor eigenlijk geen antwoord.

De voorzitter:

Nee, maar we zouden het met twee vragen doen.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik wil nog een paar woorden wijden aan piraterijbestrijding.

Mevrouw Hachchi (D66):

Voorzitter, het was mij niet duidelijk of het blokje "inzet krijgsmacht" was afgerond, maar dat is het dus wel. Ik heb daar nog een vraag over. Gisteren heb ik gevraagd om een overzicht van de operationele gereedstelling, vanwege de knelpunten rond mensen, munitie, oefeningen en geld waarover we al een tijdje horen. Ik dank de minister voor het antwoord. Ik zou bijna willen zeggen: het is duidelijker dan al die rapportages die we de afgelopen jaren hebben gekregen. Ik zou dat dus graag in het vervolg ook zo zien. Ik wil de minister echter het volgende vragen. Ze geeft helder aan wat de krijgsmacht zou moeten kunnen, wat de stand van zaken is, dat de winkel blijft draaien en welke concessies daartoe worden gedaan. Is dit een shortlist of is dit het totale plaatje van de knelpunten die de krijgsmacht ten aanzien van de gereedstelling heeft?

Minister Hennis-Plasschaert:

Dit is een totaalplaatje, maar ik kom zo meteen nog uitgebreid terug op de inzetbaarheid van de krijgsmacht. Dan kunnen we hierover dus nader van gedachten wisselen. Dit blokje ging over de inzet en de inzetbaarheid, dus zo meteen kom ik nog terug op de inzetbaarheid.

Ik wijd een paar woorden aan de piraterijbestrijding. Mede dankzij onze inspanningen in de missies Atalanta en Ocean Shield en de inzet van onze VPD's is piraterij voor de kust van de Hoorn van Afrika aanzienlijk afgenomen, dit jaar zelfs naar het niveau van 2006. Dat is echt goed nieuws. Het betekent echter niet dat we er al zijn. Om deze trend te bestendigen, moet met een geïntegreerde aanpak onverminderd druk worden uitgeoefend op de piraten en op de actoren die piraterij mogelijk maken. De regering heeft dan ook besloten om de Nederlandse bijdrage aan de NAVO- en EU-operaties in 2013 voort te zetten. De Kamer heeft hierover een artikel 100-brief ontvangen. Ook gaan we door met de inzet van VPD's. Niet eerder waren er zes VPD's tegelijk actief. Mevrouw Hachchi stelde in het kader van piraterijbestrijding een vraag over het uitbreiden van de operatie Atalanta op land. Ik verwees net al naar de artikel 100-brief. Daarin is onlangs gemeld dat het op basis van VN-veiligheidsresoluties mogelijk is om op te treden in de kustwateren van Somalië om logistieke opslagplaatsen van piraten op de Somalische kust vanuit de lucht, met effecten op het land dus, aan te pakken. De EU heeft besloten dat de operatie Atalanta van deze mogelijkheid gebruik kan maken. Om een nog hoger niveau van preventie te verzekeren, vindt de regering het wenselijk dat ook Nederland aan deze operaties kan deelnemen. Om het risico van onbedoelde nevenschade zo klein mogelijk te maken, hanteert de EU uiteraard strikte uitvoeringscriteria. Operaties waarbij militairen aan land gaan, zijn bij deze acties dan ook niet aan de orde. Het gaat alleen om effecten op het land en niet zozeer om militairen die aan land gaan.

Mevrouw Hachchi vroeg ook naar het geweldsmonopolie van de Staat in relatie tot de VPD's. Dat het geweldsmonopolie bij de overheid ligt, staat wat mij betreft niet ter discussie. Hierin volg ik de lijn van mijn voorganger. Het kabinet heeft de opvatting dat een staat die het geweldsmonopolie claimt enerzijds bepaalt wie het geweld mag toepassen – dat is niet nieuw – en anderzijds het geweldsmonopolie in voldoende mate dient waar te maken door ervoor te zorgen dat burgers voldoende veiligheid en rechtshandhaving wordt geboden. Hoe de Staat precies invulling geeft aan het geweldsmonopolie kan per onderwerp verschillen. Over de bescherming van koopvaardijschepen tegen piraterij is een advies uitgebracht door de commissie-De Wijkerslooth waarover het kabinet reeds met de Kamer van gedachten heeft gewisseld. Nederland hoeft zichzelf niet te isoleren. Wij volgen de ontwikkelingen in andere landen, maar ik ben van plan om de lijn van mijn voorganger voort te zetten.

De heer Knops (CDA):

Betekent het feit dat deze minister vasthoudt aan de lijn van haar voorganger dat zij de inzet van private security guards, private beveiliging aan boord van Nederlandse schepen dus, van de hand wijst?

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik gaf net aan dat ik de internationale ontwikkelingen goed in de gaten houd, maar vooralsnog gaan we door op de lijn die is ingezet door minister Hillen.

De heer Knops (CDA):

Betekent dit dat als blijkt dat meer landen overgaan tot de inzet van private beveiligers de minister overweegt om dat ook te doen?

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik gaf net aan dat ik goed kijk naar de internationale ontwikkelingen. Er zal ook sprake moeten zijn van certificering. Dat soort zaken komt daar allemaal bij om de hoek kijken. Vooralsnog is dat niet het geval en zijn we ook niet geïsoleerd. We zetten de lijn van minister Hillen voort. Dat betekent niet dat Nederland zich moet laten isoleren. We moeten altijd onze ogen en oren openhouden.

De heer De Roon (PVV):

In vervolg daarop heb ik nog een vraag. De minister heeft ons laten weten dat het ministerie in 70% van de afgewezen aanvragen van de koopvaardij om bescherming van een VPD te krijgen als reden heeft gegeven dat de tijd tussen aanvraag en inzet te kort was of dat er onvoldoende defensiecapaciteit aanwezig was. Over dat laatste heeft de minister al opgemerkt dat zij nu zes VPD's heeft; misschien helpt dat. Maar wat gaat zij doen aan het gebrek aan flexibiliteit van de krijgsmacht ten opzichte van de behoeften van de koopvaardij?

Minister Hennis-Plasschaert:

Er zijn wat problemen geweest; dat kan ik niet ontkennen. Voor zover ik ben geïnformeerd, hebben we die allemaal zo veel mogelijk opgelost. We zijn steeds efficiënter gaan samenwerken. Inmiddels is er sprake van wederzijds vertrouwen en van het noodzakelijke tempo. We blijven het echter in de gaten houden. Daar kan de heer De Roon van op aan.

De heer De Roon (PVV):

Betekent dit dat er nu geen aanvragen om VPD's meer worden afgewezen omdat de krijgsmacht niet in staat is om snel genoeg te acteren?

Minister Hennis-Plasschaert:

Voor zover mijn informatie op dit moment strekt, gaat het nu heel goed. Sta mij echter toe om daar nog even een dubbelcheck op te doen en daar in tweede termijn op terug te komen.

Voorzitter. Ik gaf aan het begin van mijn betoog al aan dat ik de aandacht ook nadrukkelijk op de nationale inzet van de krijgsmacht wil richten. Dat is een hoofdtaak voor de krijgsmacht. Defensie beschikt namelijk over unieke, gegarandeerde capaciteiten die zij kan inzetten ten dienste van de civiele autoriteiten. En dat is hard nodig. De realiteit is dat Defensie nu al dag in, dag uit, 24/7, bezig is met onze nationale veiligheid. Dat gebeurt in de lucht, op de grond en op het water.

Ik ben echter van mening dat nog onvoldoende gebruik wordt gemaakt van de unieke mogelijkheden van Defensie om ook in Nederland de veiligheid te garanderen. Defensie beschikt simpelweg over capaciteiten die de brandweer of de politie niet heeft en die gezamenlijk onder civiel gezag kunnen worden ingezet. Dat zijn we de Nederlandse belastingbetaler eenvoudigweg verplicht.

Alleen al dit jaar is Defensie in eigen land ruim 1.700 keer ingezet en vorig jaar ruim 2.000 keer. Het gaat bijvoorbeeld om bomverkenningen voorafgaand aan grote publieke evenementen, de inzet van specialistische opsporingseenheden om verborgen geld, wapens en explosieven te vinden, evenals bemande en onbemande luchtverkenningen voor dijkbewaking en justitiële doeleinden.

Om het beeld nog duidelijker te maken noem ik enkele concrete voorbeelden van nationale inzet van de krijgsmacht. Bijvoorbeeld in oktober 2012 ondersteunden specialisten van Defensie de politie bij het doorzoeken van een ontruimd kraakpand. Men was op zoek naar vuurwapens. In vier uur tijd doorzochten de militairen van de pantsergenie uit Wezep een gebouw van vier verdiepingen. Zij troffen daarbij inderdaad een vuurwapen aan. Het zoekteam van Defensie kwam in actie vlak nadat het ministerie van V en J daar om had verzocht.

Eveneens in oktober 2012 is een onbemand vliegtuigje ingezet tijdens de 4 mijlsloop in Groningen – wie kent hem niet? – ter ondersteuning van de politie bij de handhaving van de openbare orde en veiligheid. De camerabeelden van het toestel hebben de politie een goed beeld gegeven van de omgeving en konden worden gebruikt bij het managen van vervoersstromen en mensenmassa's.

Een maand eerder, in september 2012, hielp een Advanced Search Team de politie bij het doorzoeken van twee woningen in Utrecht. Een AST beschikt over moderne apparatuur om verborgen goederen te vinden. In gebieden of ruimten die moeilijk begaanbaar zijn, kunnen zij daarmee in de bodem of door muren en objecten heen kijken. Tijdens de actie werden drugs en contant geld aangetroffen.

Voorts noem ik de nationaal gegarandeerde capaciteit om chemische, biologische, radiologische of nucleaire rampen te bestrijden. Die capaciteit is onlangs uitgebreid. 53 militairen en hun materieel staan vanaf 1 december jongstleden 24 uur per dag paraat om de civiele autoriteiten te ondersteunen. Het gaat om een zogenoemde CBRN-responscapaciteit, die binnen twee uur overal in Nederland kan worden ingezet.

Ik ben het grondig met de heer Vuijk eens dat de nationale inzet van Defensie veel meer bekendheid moet krijgen. Wij hebben hierover al gesproken tijdens het wetgevingsoverleg over Defensiepersoneel, maar ik herhaal dat het aardig zou zijn om Defensie hierover meer aan de Kamer te laten rapporteren. Dat zou bijvoorbeeld in mei bij het jaarverslag kunnen en in september bij de begroting, als de Kamer daar prijs op stelt. Dit lijkt mij een goed idee, omdat de Kamer daarmee concreet meer inzicht krijgt in de nationale inzet van de krijgsmacht. Op die manier kan bijvoorbeeld duidelijk worden hoe vaak een F-16 de lucht is ingegaan of hoe vaak de Koninklijke Marechaussee is bijgesprongen.

Maar het vergroten van de bekendheid gaat verder. Bekendheid met de mogelijkheden van Defensie om civiele gezagdragers te ondersteunen, vereist ook dat lokale bestuurders en civiele autoriteiten kennis hebben van de capaciteiten van Defensie en de manier waarop die kunnen worden ingezet. Civiele autoriteiten kunnen de bekendheid van Defensie in eigen land zonder veel inspanningen aanzienlijk vergroten. Uiteraard maakt Defensie de nationale inzet bekend via sociale media en de gewone media.

De bestuursafspraken tussen de ministeries van Binnenlandse Zaken, Veiligheid en Justitie en Defensie, beter bekend onder de naam Intensivering Civiel-Militaire Samenwerking (ICMS), zijn aan herijking toe. Deze samenwerking moet simpelweg verder worden versterkt. Een interdepartementale werkgroep neemt daarom diverse thema's onder de loep en komt midden volgend jaar met concrete voorstellen. Ook hierbij is de vergroting van de bekendheid met militaire inzet ten behoeve van onze nationale veiligheid een van de thema's. Maar ook thema's als innovatie, kennisdeling, opleiding en training, en commandovoering worden daarin beschouwd. De drie uitgangspunten voor de versterking van de samenwerking zijn ten eerste dat de civiele autoriteiten kunnen beschikken over een breder palet aan Defensiecapaciteiten. Er komt meer beschikbaar. Ten tweede geschiedt de nationale inzet van delen van de krijgsmacht altijd onder civiel gezag en ten derde mag er geen duplicering zijn van unieke capaciteiten. Als Defensie specifieke kennis, deskundigheid en middelen in huis heeft waaraan nationaal meer behoefte is, is intensivering bij Defensie het meest efficiënt. Dat laatste uitgangspunt is ook een antwoord op de vraag van de heer Segers. Op werkniveau wordt met de politie samengewerkt tijdens de inzet van onbemande vliegtuigen. Er is een groeiende behoefte aan de inzet van UAV's voor justitiële bijstand. Defensie heeft hiervoor de benodigde kennis en deskundigheid in huis. Uitbreiding van de Defensiecapaciteit is dan wel zo doelmatig en kost de belastingbetaler uiteraard minder geld. Ik zeg dan toe dat ik hierover contact opneem met mijn collega van Veiligheid en Justitie om van gedachten te wisselen en tot een gezamenlijke opstelling te komen. Het zou echt jammer zijn als we huiswerk over gaan doen en de belastingbetaler dubbel laten investeren. Ik ben het daar van harte mee eens.

Ik kom nu bij de inzetbaarheid van de krijgsmacht. Het staat buiten kijf dat de komende jaren zwaar worden voor Defensie. Dat blijkt ook wel uit de schriftelijke antwoorden. Veel inspanningen zijn nodig om de reorganisaties, het programma Speer te stroomlijnen en het beheer en de krijgsmacht op orde te krijgen. Er is, zoals aangegeven, echter geen sprake van dat de winkel tijdens de verbouwing gesloten is. Mevrouw Eijsink heeft in haar bijdrage gevraagd naar mijn zienswijze op de operationele capaciteiten van Defensie in het licht van de zogenoemde Kleurtjesbrief en zij heeft gevraagd of de inzetbaarheidsdoelstellingen in de begroting nog haalbaar zijn. De aangekondigde internationale inzet in Afghanistan, bij de Hoorn van Afrika, in het Midden Oosten, de Balkan en sinds kort Turkije loopt gewoon door. Ook de nationale inzet, zoals de inzet van de Koninklijke Marechaussee, explosievenopruiming, luchtruimbewaking, kustwacht, militaire bijstand en steunverlening, gaat onverminderd verder evenals de inzet in het Caraïbische deel van het Koninkrijk. Ondanks alle knelpunten wordt deze inzet op verantwoorde wijze uitgevoerd en vrijwel zonder uitzondering met succes. Dat moeten we bij alle rode vlakjes die we voor ons hebben gekregen niet vergeten. Dat moeten we ook benadrukken. Ook buiten de inzet wordt gevaren, gevlogen en geoefend, zij het niet zo veel als ik zou willen.

Voor de instandhouding van het gereedheidsniveau zou meer nodig zijn op de lange termijn. Daarom blijft het essentieel dat de genoemde knelpunten wel degelijk worden opgelost. De inzetbaarheiddoelstellingen in de ontwerpbegroting 2013 zijn sinds de Beleidsbrief van april 2011 niet gewijzigd. Zij brengen tot uitdrukking wat de krijgsmacht, gegeven de samenstelling, de toerusting en de financiële kaders, na de uitvoering van de maatregelen in de Beleidsbrief 2011 aan inzet moet kunnen leveren. Hierin zijn de gevolgen van de bezuinigingen die voortkomen uit de Beleidsbrief 2011 dus verwerkt. Ondanks de knelpunten kan nog steeds worden voldaan aan de inzetbaarheiddoelstellingen, zij het soms met een aantal concessies. Zo kan er op dit moment maar een eenheid helikopters voor korte duur worden ingezet. Afhankelijk van het type zijn dat twee tot zes toestellen. Hiermee zijn de inzetbaarheiddoelstellingen met helikopters aan beperkingen onderhevig en voor langdurige inzet zelfs niet haalbaar. Door tekorten aan reserveonderdelen kunnen reparaties van defect materieel langer duren dan gewenst. Dit kan leiden tot tijdelijke beperkingen in de inzetbaarheid. Voor bepaalde capaciteiten en vormen van ondersteuning zal een sterker beroep moeten worden gedaan op bondgenoten en ondersteuning door het gastland.

Als de krijgsmacht wordt ingezet, zal de gereedstelling verder onder druk komen te staan. Daardoor neemt het voortzettingsvermogen af en duurt het langer om de gereedstelling weer op het gewenste niveau te krijgen. Het zal dus meer dan voorheen noodzakelijk zijn om de inzetduur beperkt te houden en na de inzet voldoende recuperatietijd in te bouwen. De genoemde knelpunten hebben in beperkte mate gevolgen voor de breedte van de inzetopties, maar wel in belangrijke mate voor de duur daarvan. Het gaat dus steeds om het voortzettingsvermogen. Omdat actuele inzet altijd prioriteit krijgt boven gereedstelling, zijn knelpunten altijd in eerste instantie waarneembaar in die gereedstelling. De knelpunten hebben dus vooral invloed op de inzetbaarheid op de lange termijn en minder op de korte termijn.

Mevrouw Hachchi (D66):

Ik heb prima met de minister kunnen meelezen in haar antwoord. Het is een helder antwoord dat ik graag eerder had gezien. Ik vind het helderder dan alle rapportages die wij als Kamer tot nu toe hebben gehad. De minister geeft aan dat de winkel op korte termijn draaiend kan worden gehouden, maar dat het op de lange termijn een probleem is. Is dit een shortlist is of zijn dit alle knelpunten? Wanneer verwacht de minister dat het op orde is? Wij weten dat de doelstellingen worden bijgesteld als de visie komt en dat daardoor de knelpunten ineens binnen het kader passen. Misschien is dit al een antwoord en help ik de minister nu te veel. Ze schudt al nee, dus ben ik benieuwd naar haar antwoord.

Minister Hennis-Plasschaert:

Dit is geen shortlist maar een totaaloverzicht. Ik zeg toe dat ik de Kamer zal informeren als zich nieuwe knelpunten voordoen. Al eerder heb ik gezegd dat het financieel, materieel en personeel beheer op orde moet komen. Dit geldt ook voor het op orde krijgen van de krijgsmacht. Daarmee ben ik nu bezig. Een aantal plannen wordt herzien en nieuwe afwegingen worden gemaakt. In februari hoop ik de Kamer nader te informeren over een realistisch tijdpad en duidelijke doelen.

Mevrouw Hachchi (D66):

Als wij het hebben over de operationele gereedstelling, gaat dit verder dan alleen de opmerking die de Rekenkamer heeft gemaakt over het beheer dat niet op orde is. Een punt dat ook meerdere keren naar voren kwam, heeft te maken met knelpunten ten aanzien van munitie, personeel, oefeningen, geld dat er niet is. Het antwoord op mijn eerste vraag is gegeven: dit is alles. Ik herhaal mijn tweede vraag: wanneer verwacht de minister dat dit op orde is? Of gaat zij dit koppelen aan de visie en de doelstellingen?

Minister Hennis-Plasschaert:

Misschien heb ik mij niet goed uitgedrukt, zojuist heb ik aangegeven dat ik op een aantal punten begin februari terugkom met een herziening of een herijkt plan. Dat geldt ook voor de knelpunten die wij nu bespreken.

Mevrouw Hachchi (D66):

Voorzitter.

De voorzitter:

Nee, wij doen twee vragen.

Mevrouw Hachchi (D66):

Wij begonnen vanochtend met drie, voorzitter.

De voorzitter:

Ik heb zojuist heel duidelijk gezegd dat wij dat veranderd hebben. Met de heer Knops heb ik dat uitgebreid gewisseld en alle leden hebben zich daar tot nu toe keurig aan gehouden. De heer Van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Behalve de heer Knops.

De voorzitter:

Hij had toen nog de kans drie vragen te stellen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

De voorganger van de huidige minister heeft gezegd dat gezien de bezuinigingen veelzijdig inzetbaar niet meer houdbaar is. Daaraan zullen wij nu in ieder geval niet kunnen voldoen, misschien later wel. De minister zegt in antwoord op vragen van de ChristenUnie en de SGP dat het binnenkort niet gaat lukken extra te investeren. Ik vind het heel terecht dat de minister daarover geen garanties kon geven aan die partijen. Dan is het logisch nu ook te zeggen dat dat niveau van veelzijdig inzetbaar, met het hoogste geweldspectrum dat daarbij hoort, voorlopig niet haalbaar is gezien de economische situatie.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik kom hier graag op terug bij de nog uit te werken visie.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik ken de minister als iets creatiever dan dit. Ik respecteer dat er een visie zal komen; dat wordt echt een grote dag als die naar buiten komt! Dat weet ik wel zeker. Nu eerst even alleen met het gezonde verstand. Er is geen geld en veelzijdig inzetbaar is niet haalbaar. Bent u het dan met mij eens dat het dus ook niet reëel is om die ambitie in beeld te houden?

Minister Hennis-Plasschaert:

Volgens mij heb ik net duidelijk aangegeven dat de genoemde knelpunten zeer beperkte gevolgen hebben voor de breedte van de inzetopties. Wel hebben ze gevolgen voor het voortzettingsvermogen, dus meer voor de lange termijn. Ik heb het idee dat de heer Van Dijk op de troepen vooruitloopt. Ik bedien hem graag in een nog te formuleren visie.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

We hebben de antwoorden van de minister op papier gekregen. Dat is goed. De brief van 18 september was vaag. Ze stuurde daar op 18 oktober nog een brief overheen. Ik mag ervan uitgaan dat het niet meer voorkomt dat de Kamer in drie lagen geïnformeerd wordt. Dat heeft deze minister met deze manier van werken eigenlijk al toegezegd.

Mijn zorg zit hem in het volgende. Het beheer van de Rekenkamer is natuurlijk iets anders dan de inzetbaarheid van hetgeen Defensie heeft: dat wat rijdt, vliegt, vaart en werkt, zoals de minister zelf ook zegt. Ik lees dan over "enige concessies", dat meer beroep moet worden gedaan op bondgenoten, over schaarse eenheden, en dat het voortzettingsvermogen wordt verminderd, wat langer zal duren. Ook lees ik dat het meer dan voorheen noodzakelijk is om de inzetduur te beperken, over huidige knelpunten, en ga zo maar door. Het is niet niks wat hier staat. Ik begrijp dat de minister ons hierover in februari een bericht stuurt. Dat is een soort herijking van de brief van 18 september. Ik wil graag weten of de Kamer dan echt zal weten wat de directe inzetbaarheid is.

Mijn tweede vraag gaat over de spagaat of het spanningsveld tussen de inzetbaarheidsdoelstelling uit de begroting, die we gemakshalve ook nog door de minister toegestuurd hebben gekregen, en al deze concessies. Daar zit toch een spanningsveld tussen? We kunnen toch niet zeggen dat deze inzetbaarheidsdoelstellingen met al deze concessies haalbaar zijn? Ik heb daar geen beeld en geluid bij. Als de minister deze vraag nu kan beantwoorden, graag. Anders kan dat in de brief van februari. Met alle concessies die we nu onder ogen krijgen, zitten we in vier maanden tijd namelijk op een volstrekt andere inzet van de inzetbaarheidsdoelstellingen.

Minister Hennis-Plasschaert:

De consequenties van de beleidsbrief van 8 april 2011 zijn verwerkt in de inzetbaarheidsdoelstellingen. Ik kom in februari bij u terug met, zo u wilt, twee herijkingen. De eerste richt zich op de kleurtjesbrief van 18 september jongstleden en de tweede op de opmerkingen van de Algemene Rekenkamer. Als ik u daarmee voor nu even geruststel, dan zorg ik dat u begin februari volledig wordt geïnformeerd.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Geruststellen is nog iets anders, maar ik zie uit naar de brief. De minister verwijst naar de aprilbrief van vorig jaar en zegt dat die verwerkt zou zijn. Dat is niet zo. De brief van 18 september zegt juist dat de geplande reorganisatie tot 2015 op een aantal aspecten achterloopt op de eerste planning. Het is belangrijk dat we dit als Kamer duidelijk krijgen. Wanneer was de nulmeting, voor zover die bestaat? In april 2011. Vervolgens gaat het om de uitwerking en de planning van wat wel of niet rijdt, vliegt, vaart, stilstaat of reserve is. Dat moet de Kamer echt duidelijk krijgen. Als dat een toezegging is, zie ik uit naar de brief van februari. Inderdaad gaat het om een splitsing. Het beheer, zoals de Rekenkamer zegt, is natuurlijk van een andere orde. Dat is SPEER, de financiële administratie, het kantoor, en noem maar op.

Minister Hennis-Plasschaert:

Voorzitter, ik kan het niet beter formuleren.

De heer Segers (ChristenUnie):

In aansluiting daarop is er misschien nog een ander aspect dat de minister in februari kan meenemen. Ik heb een vraag gesteld over het ambitieniveau en de exploitatie. Defensie komt tussen 100 en 150 miljoen tekort, alleen al als het ambitieniveau wordt gehandhaafd. De minister schrijft in haar antwoord dat een herschikking heeft plaatsgevonden van tussen 175 en 150 miljoen per jaar. 150 miljoen geldt daarbij voor de lange termijn. Ik moet daarbij wel weten wat die herschikking is. Waar wordt het vandaan gehaald? Waar gaat het naartoe? Je kunt natuurlijk wel intern herschikken en zeggen dat daarmee de exploitatie op orde is en het ambitieniveau kan worden gehandhaafd, maar het gaat altijd ten koste van iets anders. Dat geldt zeker als er ook nog eens een keer bezuinigd moet worden.

Minister Hennis-Plasschaert:

Zeker. Volgens mij is daar in die beleidsbrief van april 2011 duidelijkheid over gegeven, maar ik moet het even checken. Ik kom daar in tweede termijn op terug.

De heer Segers (ChristenUnie):

Of in februari, want het gaat om de exploitatie waar Defensie een structureel tekort op heeft. Ook heeft er een herschikking plaatsgevonden. Het is voor mij volstrekt onduidelijk hoe die herschikking heeft plaatsgevonden. Nogmaals, als je bezuinigt en nog een keer herschikt, dan kom je elders natuurlijk veel meer tekort. Dus wat mij betreft wordt dat ook in februari meegenomen.

Minister Hennis-Plasschaert:

Als ik even zo vrij mag zijn om dat te zeggen: nu wordt er wel heel veel aan elkaar geknoopt voor februari. We hebben namelijk de krijgsmacht op orde, de kleurtjesbrief van 18 september en het rapport van de Algemene Rekenkamer over het financieel-materieel personeelbeheer. De heer Segers heeft het nu over de herschikking; daar kom ik bij hem in tweede termijn op terug.

Ik ga verder met het "beheer op orde".

De heer De Roon (PVV):

Als ik het goed begrijp, is de minister nog bezig met het blokje "inzet voor de nationale veiligheid". Daar heb ik een vraag over. Vandaag verscheen in het Nederlands Dagblad een artikel over de onbemande verkenningsvliegtuigjes, waarin de commandant van die eenheid stelt dat we dreigen te bezwijken onder het eigen succes. Hij zegt: we hebben veel klanten en te weinig middelen. Herkent de minister dit? Indien ja, wat gaat zij eraan doen?

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik heb het artikel vanochtend vluchtig gelezen. De spreker in kwestie heb ik nog niet aan de telefoon gehad. Wel is duidelijk dat hij zeer enthousiast is, misschien iets te opgewonden in het artikel. Ik zal even contact met hem opnemen. Het heeft niet zo veel zin als de politie hetzelfde kunstje gaat optuigen als onze defensie al in huis heeft. Dan kunnen we beter doelbewust investeren bij Defensie.

De heer De Roon (PVV):

Mag ik de minister dan vragen of zij ons in een brief kan informeren over het aantal en de aard van de afgewezen verzoeken om inzet van deze vliegtuigjes?

Minister Hennis-Plasschaert:

Aan dat verzoek kom ik graag tegemoet.

Dan kom ik bij "het beheer op orde". Nagenoeg alle woordvoerders hebben gevraagd naar het beheer bij Defensie en gingen in op de doelen die Defensie zichzelf stelt. Dat is maar al te waar, mevrouw Eijsink noemde het gisteren "piketpalen". Laat ik vooropstellen dat het beheer van de organisatie op orde moet komen. Ik onderschrijf dat Defensie de doelen zelf bepaalt voor de verbeteringen die daarvoor nodig zijn. Ook onderschrijf ik, zoals ik aan het begin al heb gezegd, dat de ambities daarbij soms wat te hoog zijn gesteld. Daarmee wil ik geenszins bagatelliseren hoe complex sommige trajecten zijn. Er zijn vertragingen bij het wegwerken van de onvolkomenheden in het beheer. Die samenwerking bij de reorganisaties, de invoering van SPEER en het op orde krijgen van de krijgsmacht: dat alles kost simpelweg moeite.

Ik sprak al over het rapport van de Algemene Rekenkamer en de kritische noten die daarin terecht gekraakt werden. De Algemene Rekenkamer gaf overigens ook aan dat er natuurlijk wel ook goede stappen zijn gezet. Ik moet ook even benadrukken dat het niet alleen maar kommer en kwel is, maar de vooruitgang gaat zeker niet volgens plan. Een realistisch tijdsschema is nodig en in mijn bestuurlijke reactie op het rapport, die de Kamer ook heeft ontvangen, heb ik geschreven dat ik het oordeel van de Rekenkamer erken, herken, het advies overneem en de ambities in het beheer zal herijken. Met die twee zaken, de kleurtjesbrief en dit, kom ik begin februari bij de Kamer terug.

Mevrouw Hachchi vroeg nog of er sprake is van een cultuurprobleem bij het beheer bij Defensie. Volgens mij weet mevrouw Hachchi net zo goed als ik dat het vooral een can do-cultuur betreft. Juist daarom is het nu van belang om voor eens en altijd realistische doelstellingen af te spreken die uitvoerbaar zijn, op elkaar aansluiten en waarbij duidelijk moet zijn van wie wat wordt verwacht. Daaraan werk ik en daarvoor zal ik mij inzetten.

Mevrouw Eijsink sprak over de personeelsdossiers. Tijdens het WGO hebben we daar ook over gesproken. Ik ben met haar natuurlijk van mening dat de personeelsdossiers op orde moeten komen. Ik ben echter beducht voor snelle toezeggingen die ik vervolgens niet kan nakomen. Vandaar dat ik een en ander nog moet uitzoeken en er in februari in een brief op terugkom. Ook hiervoor geldt dat ik graag realistische doelstellingen wil uitdragen.

Ik ben het met mevrouw Eijsink wel zeer eens dat het voor het personeel dat Defensie verlaat van groot belang is om over een compleet overzicht te beschikken van hun werkervaring, verworven competenties en opleidingen op een manier die voor werkgevers buiten Defensie herkenbaar is. Het e-portfolio waarover mevrouw Eijsink sprak, is hiervoor een geschikt middel. Het op orde hebben van het e-portfolio is uiteindelijk een verantwoordelijkheid van de werknemer zelf, maar het uitstromend personeel wordt hierin volop ondersteund door Defensie en zo zie ik het ook graag. Defensiemedewerkers kunnen de hulp inroepen van een loopbaanbegeleider, een bemiddelings- en begeleidingsorganisatie en het externe bureau USG Restart om hen te ondersteunen bij hun overgang naar de burgermaatschappij. Als mevrouw Eijsink aan mij vraagt of ik het met haar eens ben dat het z.s.m. op orde moet zijn, zeg ik ja. Het tijdpad volgt begin februari.

Mevrouw Eijsink vroeg ook hoe de specifieke vakbekwaamheden een rol spelen en hoe het zit met carrièreperspectieven voor gespecialiseerd personeel. Maar ik vrees dat wij nu nog terug moeten naar een vorig punt.

Mevrouw Hachchi (D66):

De minister geeft een duidelijke reactie over het beheer bij Defensie. Met de can do-mentaliteit – die heeft de minister intussen ook wel goed meegekregen binnen het departement – zit het op het veld bij de operaties helemaal goed, maar bij het beheer zou die mentaliteit ook wat vaker en steviger mogen terugkomen. De minister geeft wederom aan dat zij in februari met de brief zal komen en de ambities tegen het licht zal houden. Kan ik verwachten dat de minister in die brief de zichtbare stappen opneemt die zij zal nemen om de can do-mentaliteit in het beheer echt van de grond te krijgen? Zien wij dat straks terug in de brief? Dat verwachtingenmanagement is hier wel belangrijk.

Minister Hennis-Plasschaert:

Bedoelt mevrouw Hachchi dat ik moet ingaan op resultaatsverplichtingen die wij gaan stellen aan de interne bedrijfsvoering? Daar voel ik niet zoveel voor. Het gaat erom dat ik mijn doelen bereik en dat u mij daarop kunt afrekenen. De resultaatsverplichtingen die ik aan de interne bedrijfsvoering wil verbinden, zal ik niet in de brief zetten.

Mevrouw Hachchi (D66):

Schoenmaker, blijf bij je leest. De Kamer gaat niet over de bedrijfsvoering van Defensie. Maar als het beheer na ruim tien jaar nog niet op orde is, mogen wij er zeker iets meer over zien en horen van de minister. Ik wil het zelfs niet voor de minister invullen. Als de minister aangeeft dat zij enigszins herkent dat de can do-mentaliteit ontbreekt bij het beheer – ik noem het "cultuurprobleem", maar misschien is dat te zwaar – vind ik het heel goed dat zij dat ziet. Als zij er per brief met de Kamer over communiceert wat zij gaat doen, is het prettig als zij daarin ook opneemt, op haar eigen manier, welke zichtbare stappen zij gaat nemen om die can do-mentaliteit te veranderen.

Minister Hennis-Plasschaert:

Zeker, in die zin dat ik voornemens ben om uitvoerbare en dus realistische doelen te stellen en tijdpaden te schetsen. Als mevrouw Hachchi aanvullende vragen heeft bij de brief die ik de Kamer zal doen toekomen, hoor ik dat uiteraard graag. Ik wil haar graag tegemoetkomen, maar ik ben nog even zoekende hoe ik dat dan precies zal formuleren.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Ik had niet anders verwacht dan dat de minister het met mij eens zou zijn dat voor iedere individuele werknemer het dossier op orde moet zijn, maar dan komt het volgende om de hoek zetten. De minister verwijst naar de loopbaanadviseur, USG en noem maar op. Dat is allemaal instrumenteel binnen de organisatie. Als de informatie die werknemers hebben doorgegeven niet wordt ingeklopt in het systeem en het helemaal niet klopt, ligt dat niet aan de werknemer, maar ligt het ook heel vaak aan de werkgever.

Minister Hennis-Plasschaert:

Zeker.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Met regelmaat hoor ik dat mensen wederom op verzoek van de werkgever informatie toesturen die in het systeem hoort te zitten, maar die er niet inkomt. Dan is het natuurlijk wel de verantwoordelijkheid van de werkgever, in dit geval de Defensieorganisatie zelf, ook voor de e-portfolio. Heel veel mensen zijn gewoon niet altijd even behendig. Van onze "boots on the ground" zit niet iedereen iedere keer in zijn e-portfolio te werken. Ik mag van Defensie als werkgever verwachten dat het deze mensen ondersteunt en niet alleen maar zegt: wij hebben de USG, wij hebben de loopbaanbegeleiders. Daar hebben wij er trouwens te weinig van, wat een ander probleem is binnen de organisatie. Ik zal niet de diepte ingaan, maar dat is een ander punt. Ik wil van de minister horen dat zij de verantwoordelijkheid neemt om ervoor te zorgen dat dossiers op orde zijn. Wij willen dat mensen op welk niveau dan ook de organisatie kunnen verlaten. Een aantal op niveau kan echt zijn eigen weg wel vinden. Over hen maak ik mij geen zorgen, hoe pijnlijk ook. Er zijn er echter veel meer over wie ik mij wel zorgen maak. Zij hebben die portfolio, die informatie voor een mogelijke nieuwe werkgever hard nodig. Neemt de minister de verantwoordelijkheid hiervoor? Wij verwijzen heel veel naar brieven die nog komen en dat mag vandaag. Maar een aantal dingen zijn voor de PvdA heel belangrijk, onder andere dit punt.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik neem heel graag mijn verantwoordelijkheid. Ik heb dit al in de organisatie aan de orde gesteld. Ik moet zeker weten of ik de Kamer een realistisch tijdpad en doel kan geven. In februari kom ik daarmee bij de Kamer terug. Ik verwijs niet naar een brief om mijn verantwoordelijkheid te ontlopen, maar ik moet wel een totaalplaatje op mijn netvlies hebben om vervolgens concrete toezeggingen te doen. Uitstroom van personeel dient te worden ondersteund door Defensie, zeker als het gaat om de e-portfolio.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Als ik de minister goed heb gehoord, dan zegt ze: er zal niemand de organisatie verlaten zonder dat de persoon zijn informatie op orde heeft. Dat heb je tegenwoordig namelijk gewoon nodig.

Minister Hennis-Plasschaert:

Dat vind ik wel een zeer vergaande uitspraak, met grote juridische consequenties, ook omdat de werknemer hierin een bepaalde rol heeft te spelen. Maar ik heb gezegd dat ik erin duik en ermee bij de Kamer terugkom.

Mevrouw Eijsink vroeg ook hoe de specifieke bekwaamheden een rol spelen en hoe het zit met carrièreperspectieven voor gespecialiseerd personeel. Ik zei dat net al: in 2007 zijn inderdaad met de centrales van overheidspersoneel afspraken gemaakt over perspectieven voor gespecialiseerd personeel. Bij de uitwerking daarvan met de bonden is echter voorrang gegeven aan de invoering van een werkend flexibel personeelssysteem, inclusief rechtspositie, instrumenten en doorstroomfaciliteiten. Dat is in 2011 gerealiseerd. De ontwikkeling van loopbaanpatronen voor gespecialiseerd personeel is aan de orde. Dat maakt deel uit van de harmonisering van het militaire loopbaanbeleid. Het is inmiddels aangeboden aan de centrales van het overheidspersoneel.

Ik ga in op het bedrijfsleven en de regionale belangen. De heer Vuijk en mevrouw Günal spraken over de regionale economische belangen waarmee de krijgsmacht te maken heeft. Dat is van groot belang voor Defensie, en daarom investeert Defensie in de relaties met regionale en lokale overheden, het bedrijfsleven en onderwijs. Met andere overheden wordt bijvoorbeeld veel overlegd over het vastgoed. De heer Vuijk sprak hierover. Dit is een onderwerp dat Defensie stevig verbindt met de regio's en de gemeenten. Ik streef ernaar, de verschillende regio's zo snel mogelijk duidelijkheid te geven over vastgoed dat Defensie afstoot. Over veel locaties is al duidelijkheid, maar door de omvang van de reorganisatie is het helaas niet mogelijk, alle besluiten over de verschillende locaties gelijktijdig te nemen. De breedte en ook de complexiteit van de hele operatie is aanzienlijk. De laatste maatregelen waarover nog moet worden besloten, hangen samen met reorganisaties die nog niet zijn voltooid.

De heer Vuijk pleitte er ook voor, de plannen vanuit de regio's te laten meewegen in de besluitvorming. Dat doen we ook. Over het algemeen kondigt Defensie het vertrek van eenheden en de afstoting van locaties ruim van te voren aan. De desbetreffende provincies en gemeenten kunnen vroegtijdig nadenken over andere bestemmingen, daarvoor voorbereidende maatregelen nemen en alternatieve plannen presenteren. Al die plannen en voorstellen uit de regio's worden vervolgens door ons meegewogen bij de afweging over herbelegging. Defensie heeft bijvoorbeeld overleg gevoerd met de provincie Noord-Holland en de gemeente Den Helder over De Kooy. Dat overleg heeft ertoe geleid dat De Kooy open kon blijven. Een ander, minder leuk voorbeeld is het overleg met de provincie Limburg en de gemeente Weert. Daar komen we nog uitgebreid over te spreken. Daar hebben provincie en gemeente tot twee keer toe een alternatief voorstel ingediend, dat helaas niet heeft geresulteerd in het behoud van de KMS voor Weert. Dat is zuur. De heer Vuijk verwoordde het goed: de plannen van de regio's moeten uiteindelijk wel bijdragen aan het op orde brengen van de financiële huishouding. Defensie zoekt naar doelmatigheidswinst, en kan helaas niet altijd gehoor geven aan de wensen uit de verschillende regio's, hoe graag het dat ook zou willen.

De laatste opmerking van de heer Vuijk hierover hield in dat de plannen van de regio's geen vertraging mogen meebrengen. Ik steun dat. Het is echt van belang dat Defensie vaart maakt bij het halen van de geplande bezuinigingen. In het geval van Weert is door dat overleg weliswaar een lichte vertraging gekomen, maar de verhuizing is nog steeds mogelijk.

Werkgelegenheid en economische belangen zijn een ander thema dat Defensie stevig verankert in de verschillende regio's. Mevrouw Günal-Gezer stelde in haar maidenspeech trots te zijn op de verbondenheid van een provincie als Brabant met de krijgsmacht. Zij zei tevens dat zij samenwerking heeft gezocht om de krijgsmacht een echt onderdeel te laten zijn van de lokale en regionale gemeenschap. Daaruit sprak heel veel bevlogenheid en dat vind ik mooi. Ik ben het met mevrouw Günal-Gezer eens dat een goede samenwerking van beide kanten van enorm groot belang is. Voor de krijgsmacht is het draagvlak relevant en daarvoor is een stevige inbedding in die lokale en regionale gemeenschappen nodig. Defensie zoekt goed personeel en lokaal is er behoefte aan werk. Dat lijkt me evident. Samenwerking is om allerlei redenen dan cruciaal. Die samenwerking kan vorm krijgen door samen te zoeken naar mogelijkheden om regionale economische ontwikkelingen te stimuleren. Alleen al in Brabant, de thuisbasis van mevrouw Günal-Gezer, zijn er diverse locaties die kansen bieden. Te denken valt aan de vliegbases Volkel en Eindhoven, de kazerne in Oirschot, het Defensie Helikopter Commando in Gilze-Rijen, het Logistiek Centrum Woensdrecht en de Koninklijke Militaire Academie en het hoofdkwartier van het Commando Luchtstrijdkrachten in Breda. Daarnaast wordt bijvoorbeeld met Maintenance Valley een impuls gegeven aan de economie van Zuid-Nederland op het gebied van het onderhoud van vliegtuigen en helikopters. In dat kader werkt het Logistiek Centrum Woensdrecht weer nauw samen met vooraanstaande fabrikanten zoals Boeing, Fokker, Terma en Elbit Systems of Amerika, fabrikanten die inmiddels een deel van hun activiteiten hebben verplaatst vanuit het buitenland naar Woensdrecht. Dat zijn absolute win-winsituaties.

VVD en PvdA hebben een amendement ingediend op de begroting om het CODEMA-fonds met 5 miljoen te verhogen. Tijdens het wetgevingsoverleg aarzelde ik even in verband met de capaciteit om al die aanvragen in behandeling te nemen, maar de realiteit is dat ik net als de Kamer – de heer Knops is er ook positief over – grote waarde hecht aan het fonds. Het heeft de afgelopen jaren waardevolle mogelijkheden geboden om het midden- en kleinbedrijf kansen te bieden voor de ontwikkeling van innovatieve systemen. Dat zijn de win-winsituaties die we zoeken en waar we elkaar vinden. Ik beschouw dit amendement dan ook als sympathiek en neem het over.

De heer Knops (CDA):

Ik heb nog een vraag over de dekking van het amendement. Die dekking wordt gehaald uit de investeringscapaciteit van Defensie. We hebben eerder geconstateerd dat de investeringsquote onder druk staat. Zou het niet beter zijn dat de minister een positief preadvies geeft over het amendement met de kanttekening dat de onderuitputting voor 2012 gebruikt zal worden voor die dekking?

Minister Hennis-Plasschaert:

Daar ga ik naar kijken en dan kom ik er in tweede termijn op terug.

De heer Knops heeft verder gevraagd of er kansen zijn voor extra investeringen in innovatieve oplossingen, bijvoorbeeld om de exploitatiekosten te laten afnemen. Het project Defensiebrede vervanging operationele wielvoertuigen zou kansen bieden. Laat ik beginnen met te zeggen dat Defensie altijd op zoek is naar mogelijkheden om de levensduurkosten te laten afnemen. Dat begint al bij de aanschaf van nieuw materieel. Uit de materieelalternatieven die aan de Defensie-eisen voldoen kiezen we uiteindelijk het product met de laagste levensduurkosten. Dat laten we absoluut zwaar meewegen. Daarnaast zijn we steeds op zoek naar innovatie die bestaand materieel verbetert of goedkoper maakt. Om die reden onderhouden we goede contacten met de industrie en de kennisinstellingen. Als we kansen zien om geld te besparen, laten we onderzoek doen of ondersteunen we experimenten op kleine schaal. De heer Knops vraagt zich af of Defensie daar genoeg aan doet. Ik citeer uit de Verkenningen: "Uit een internationaal vergelijkend onderzoek ten behoeve van de Verkenningen blijkt dat het percentage van de defensiebegroting dat Nederland besteedt aan kennisontwikkeling 50% lager ligt dan in vergelijkbare landen, te weten 1% versus 2% in andere landen. Als gevolg van de druk op de defensiebegroting nemen de gelden die de komende jaren beschikbaar zijn voor kennisontwikkeling verder af. Hierin schuilt een risico voor het innovatieve vermogen van de krijgsmacht en van de doelmatige, doeltreffende en veilige inzet van militaire capaciteiten op de langere termijn." Ik ben het van harte met de heer Knops eens dat Defensie moet voorkomen dat zij in een situatie belandt waarin er in de begroting van het uitvoeringsjaar geen geld meer is voor innovatieve oplossingen die zich in latere jaren kunnen terugverdienen. Ik begrijp dus waar de heer Knops naartoe wil.

Ik ga nu nog even specifiek in op het project DVOW, want daar zag de heer Knops kansen. Defensie heeft daarnaar gekeken, maar het feit is wel dat Defensie vrachtauto's koopt van de plank. Het betreft nagenoeg civiele voertuigen. Fabrikanten van deze vrachtauto's richten zich met grote inzet op verlaging van de exploitatiekosten, omdat de civiele markt daar al nadrukkelijk om vraagt. Defensie neemt dus niet zozeer een uitzonderingspositie in en zal op dit punt al optimaal profiteren van de innovaties van de industrie, zonder allerlei dure en riskante ontwikkelingstrajecten.

De heer Knops (CDA):

Ik ben blij dat de minister dit omarmt. Ik vat dat zo op dat, als zich kansen aandienen die ook tijdens lopende projecten – dat kan natuurlijk, zeker gelet op de lange doorlooptijd – aantoonbaar leiden tot lagere exploitatiekosten, de industrie en de mensen binnen Defensie bij deze minister een gewillig oor vinden om dit om te zetten in innovatieve projecten en dat de minister er dan ook voor zorgt dat daar capaciteit voor is. Heb ik dat goed begrepen?

Minister Hennis-Plasschaert:

De heer Knops heeft goed begrepen dat ik altijd op zoek zal gaan naar innovatieve trajecten die tot verlaging van de levensduur en exploitatiekosten kunnen leiden.

De heer Knops (CDA):

Zou de Kamer de minister daar nog in moeten faciliteren via het beschikbaar stellen van de noodzakelijke financiën? Hierbij geldt immers in het algemeen dat de kosten voor de baat uitgaan. Heeft of ziet de minister, gelet op het feit dat onze R&D-uitgaven internationaal gezien zeer laag zijn, ruimte om dit in de praktijk te faciliteren?

Minister Hennis-Plasschaert:

Structureel is er op dit moment niet heel veel ruimte, zoals de heer Knops ook weet. Ik ben echter met hem van mening dat wij moeten voorkomen dat wij in een situatie belanden waarin er geen geld meer is om innovatieve oplossingen te implementeren. Laat ik toezeggen dat ik daar bij de voorjaarsbegroting op terugkom; vindt de heer Knops dat goed?

De heer Knops (CDA):

Ja.

Minister Hennis-Plasschaert:

Ik zei aan het begin al dat wij met de krijgsmacht zowel in de nationale als in de internationale context goud in handen hebben. Daar ben ik van overtuigd. We kunnen niet zonder onze krijgsmacht. Het is aan ons, de politiek, om daar heel zorgvuldig mee om te gaan, de goede voorwaarden te creëren en het goud her en der nog wat op te poetsen.

De heer Dijkgraaf vroeg in zijn bijdrage om een helikopterview. Hij wees op mogelijke onveiligheid binnen onze grenzen, onder verwijzing naar rellen, en vroeg of bezuinigingen op Defensie verstandig zijn in het licht van de terugkeer van de aloude machtspolitiek. Ik zei helemaal aan het begin dat vrijheid, veiligheid en welvaart nooit vanzelfsprekend zijn en dat ook nooit zullen zijn. Wat de helikoptervlucht betreft waarnaar de heer Dijkgraaf verwees: fysiek heb ik die vlucht tot nu toe één keer mogen meemaken. Dat zal vast nog een keer gebeuren. Ik ben wel bezig met de figuurlijke helikoptervlucht over het hele defensielandschap. We zijn ruim een maand onderweg, maar die vlucht is nog niet voltooid. Ik ben de helikopterview helaas dus nog aan het opbouwen. De heer Dijkgraaf kan van mij verwachten dat ik die verwerk in de beloofde visie op de toekomst van de krijgsmacht.

De heer Dijkgraaf kan er ook van uitgaan dat de internationale ontwikkelingen en de gevolgen daarvan voor Defensie een prominente plaats in die visie krijgen. Dat heb ik mevrouw Eijsink en mevrouw Hachchi al toegezegd. Dat de toegang tot schaarser wordende grondstoffen een potentiële bron voor toekomstige conflicten is, wordt alom onderschreven, evenals het feit dat de aloude machtspolitiek daarbij weer om de hoek zal komen zeilen. De mogelijkheden voor Nederland om hierin geheel zelfstandig een rol te spelen, zijn beperkt. Ook dat heb ik al eerder aangegeven. Ook op dat punt lijkt internationale samenwerking dus de aangewezen weg. In reactie op met name de inbreng van de heer Dijkgraaf sluit ik af met een citaat uit Spreuken 12: "Bedrog is in het hart van wie kwaad smeden, maar wie vrede aanraden, hebben blijdschap".

De voorzitter:

Hiermee is een einde gekomen aan de eerste termijn van de regering. Mevrouw Hachchi wil nog een procedurele opmerking maken.

Mevrouw Hachchi (D66):

Precies, voorzitter. De minister heeft van een aantal punten gezegd dat ze daarop terugkomt in tweede termijn. Gezien het feit dat een aantal collega's een beperkte spreektijd hebben, wil ik voorstellen om even te schorsen, zodat de minister deze punten nog kan beantwoorden. Of misschien heeft de minister ze scherp en kan ze deze zo meenemen in haar tweede termijn?

De voorzitter:

U loopt heel hard van stapel. Ik zal aangeven hoe ik deze middag voor me zie; er zijn namelijk ook nog andere activiteiten in deze zaal. Ik stel voor om nu even voor een aantal minuten te schorsen. Daarna wil ik gelijk doorgaan met de tweede termijn van de Kamer. Daarna wil ik schorsen voor de lunch. Na de lunch zijn er stemmingen. In de lunch en de stemmingstijd kan de minister doen wat u graag wil. Na de stemmingen kunnen we doorgaan met de tweede termijn van de regering. Kunt u met dit voorstel leven?

Mevrouw Hachchi (D66):

Ik kan ermee leven, maar ik wilde hier een punt van maken omdat een aantal collega's een beperkte spreektijd hebben en het zonde zou zijn als zij hun tijd moesten gebruiken om zaken te herhalen waarop nog niet is geantwoord.

De voorzitter:

De minister heeft gezegd dat zij in haar tweede termijn antwoord gaat geven. Haar tweede termijn volgt op die van de Kamer. Wat u graag wilt, gaat dus niet lukken. Misschien kunt u in de schorsing even met de minister overleggen.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Voorzitter. Mag ik dit voorstel amenderen met een andere mogelijkheid? Wellicht kan de minister antwoorden op hetgeen nog niet is beantwoord, alvorens de Kamer in tweede termijn reageert? Ik zou dat zeer wenselijk en plezierig vinden. Mocht dat niet kunnen, dan verzoek ik u als voorzitter om enige clementie te hebben bij de interrupties.

De voorzitter:

Die zal ik ook hebben.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Als u dat toezegt, maakt u mij heel blij.

De voorzitter:

Ik vind het heel plezierig als de Kamer zich houdt aan mijn vergaderorde. Men mag van mij interrumperen, als men dat kort doet. Als deze korte interrupties in tweeën gebeuren, kan er meer worden gevraagd. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan uw verzoek.

De vergadering wordt van 12.00 uur tot 12.12 uur geschorst.

De heer De Roon (PVV):

Voorzitter. De minister volhardt in het onzalige idee om Patriots naar Turkije te sturen en in het onzalige idee om stevig te bezuinigen op de Koninklijke Marechaussee. Mijn fractie is daar niet gelukkig mee. De minister heeft ons vanochtend in de schriftelijke beantwoording van de vragen die gisteren zijn gesteld over de Koninklijke Marechaussee, laten weten dat operationele capaciteiten zo veel mogelijk zijn ontzien, waardoor de operationele taken niet in het geding zijn. Toch geeft de minister 60 miljoen euro minder uit aan operationele eenheden van de Koninklijke Marechaussee. Ik denk dat het heel goed is om dat als Kamer tegen te houden. Dat kan op basis van het amendement dat ik heb ingediend: 42 miljoen gaan we niet uitgeven aan het sturen van patriotraketten naar Turkije, maar ter beschikking stellen aan de Koninklijke Marechaussee.

Ik zal een aantal moties indienen. De eerste luidt als volgt.

Motie

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat honderden Nederlandse mannen en vrouwen onder zeer gevaarlijke omstandigheden werk verrichten in Kunduz;

overwegende dat de hoop op een succesvolle missie als sneeuw voor de zon verdwijnt;

overwegende dat Nederlandse militairen en politietrainers niet moeten worden uitgezonden op een missie die gedoemd is te mislukken;

verzoekt de regering, de politietrainingsmissie zo snel mogelijk te beëindigen en onze mannen en vrouwen in Afghanistan veilig terug te brengen naar Nederland,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid De Roon. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 28 (33400-X).

De heer De Roon (PVV):

Ik heb het met de minister gehad over de gedachte om in het toetsingskader voor uitzendingen naar het buitenland het criterium "nationale en economische belangen" op te nemen. De minister zegt dat dit impliciet al zit in de opzet van dat toetsingskader. Dan zal ze er hopelijk ook geen bezwaar tegen hebben dat ik een motie indien om het dan nog even expliciet in het toetsingskader op te nemen.

Motie

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Toetsingskader 2009 betrekking heeft op de inzet van Nederlandse militaire eenheden;

overwegende dat het kabinet de Nederlandse krijgsmacht moet inzetten ter bescherming van nationale en economische belangen;

overwegende dat de bescherming van nationale en economische belangen niet specifiek is benoemd bij de aandachtspunten van het Toetsingskader;

verzoekt de regering, het Toetsingskader 2009 aan te passen en de bescherming van nationale en economische belangen als specifiek en concreet aandachtspunt toe te voegen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid De Roon. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 29 (33400-X).

De heer De Roon (PVV):

Gisteren en ook al eerder heeft de minister gesproken over een diversiteitsnota. Daarover heb ik de volgende motie.

Motie

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de minister van Defensie op korte termijn een diversiteitsnota zal presenteren;

overwegende dat selectie van personeel uitsluitend moet plaatsvinden op basis van kwaliteit;

verzoekt de regering, in haar diversiteitsbeleid geen streefcijfers te formuleren voor de instroom en doorstroom van personeel op basis van geslacht en etnische herkomst,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid De Roon. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 30 (33400-X).

De heer Vuijk (VVD):

Voorzitter. Allereerst een woord van dank aan de minister voor de uitgebreide beantwoording die we hebben gekregen. De VVD herkent zich zeer in de antwoorden.

Ik heb een opmerking over het beheer. De minister heeft over het beheer gesproken. Ze onderkent dat daar problemen mee zijn en dat daarvoor een oplossing nodig is. Ze heeft voldoende toegezegd dat daarover in januari verder gesproken zal worden.

Ik kom op het amendement over CODEMO ten behoeve van de ondersteuning van het midden- en kleinbedrijf, van het bedrijfsleven. Ik heb het enthousiasme van de minister goed gehoord. De minister staat heel positief tegenover dat amendement. We zien de stemming hierover dus graag tegemoet.

De minister heeft uitgebreid stilgestaan bij de regionale belangen. Er zijn hierover meerdere moties ingediend door de heren Knops en Bosman met als strekking dat de plannen van de regio's meegewogen moeten worden. Het is goed dat die strekking in de stukken terug is te zien.

Mevrouw Hachchi (D66):

De heer Vuijk hield gisteren zijn maidenspeech en we mochten hem daarom gisteren niet interrumperen. In tweede termijn mag dat wel en die kans grijp ik met beide handen aan.

Gisteren las ik in de Zeeuwse media dat de VVD gezegd zou hebben dat de minister alternatieven van Doorn voor de verhuizing van de marinierskazerne naar Vlissingen moet overwegen. Klopt dat?

De heer Vuijk (VVD):

Gisteren heb ik heel duidelijk gezegd dat wij in de stukken van de minister willen zien hoe de alternatieven van de regio's zijn meegewogen. Doorn is al gekomen met alternatieve plannen en ik zou graag in het algemeen overleg van eind januari van de minister horen hoe zij daarmee is omgegaan.

Mevrouw Hachchi (D66):

Ik weet dat de heer Vuijk een nieuw Kamerlid is voor de VVD, maar de VVD heeft echt nog niet zo lang geleden, namelijk voor de zomer, hierover een ander standpunt ingenomen. We hebben toen uitvoerig gesproken over de manier waarop we om zouden gaan met die verhuizing naar Vlissingen. Wordt er wel een eerlijke vergelijking gemaakt met de alternatieven van Doorn, de gemeente Utrecht en de Utrechtse Heuvelrug? De VVD nam in dat debat het standpunt in dat toenmalig minister Hillen alleen maar de optie Vlissingen hoefde te overwegen. Waarom is de VVD eigenlijk van standpunt veranderd? Wat heeft de heer Vuijk het licht doen zien?

De heer Vuijk (VVD):

Het licht zien is altijd goed. Het was niet de bedoeling om een nieuwe situatie te creëren. Er liggen twee moties van de heren Bosman en Knops en ik wil dat die op een gedegen manier worden uitgevoerd. De minister moet met andere woorden alternatieven meewegen en ons laten zien hoe die afweging precies tot stand is gekomen.

De heer Knops (CDA):

De heer Vuijk heeft gisteren een uitspraak gedaan over het al dan niet bezuinigen op operationele eenheden. Ik heb daaruit opgemaakt dat de VVD-fractie operationele eenheden in stand wil houden. Op zijn website staat echter iets anders. Daar staat: krijgsmachtonderdelen die niet inzetbaar zijn voor nieuwe moderne missies moeten inkrimpen of worden hervormd. Staat dat niet op gespannen voet met wat de heer Vuijk hierover heeft gezegd?

De heer Vuijk (VVD):

De VVD is van mening dat wij een veelzijdig inzetbare krijgsmacht nodig hebben, een expeditionaire krijgsmacht. De heer Knops refereert aan een uitspraak waarin staat dat van onderdelen die niet bij die expeditionaire krijgsmacht passen, eventueel afstand kan worden gedaan. Dat is de strekking van de door de heer Knops aangehaalde tekst.

De voorzitter:

Mijnheer Knops, tot slot.

De heer Knops (CDA):

Ik constateer dat de VVD dus wel degelijk bereid is om te snijden in operationele eenheden en dat de eerdere uitspraken hierover niet correct waren.

De heer Vuijk (VVD):

De heer Knops haalt twee zaken door elkaar. Hij verbindt ze althans op een manier die ik niet deel. De VVD heeft de volgende uitspraak gedaan: de krijgsmacht wordt ontzien. Daarmee doelen we op mogelijke bezuinigen als gevolg van het regeerakkoord. In het regeerakkoord staat dat Defensie, de krijgsmacht, ontzien zal worden. Daarnaast heeft de minister aangegeven dat de troepen worden ontzien bij de rijksbrede nominale taakstelling. Daar houden wij ons aan.

De voorzitter:

De heer Dijkgraaf mag interrumperen.

De heer Knops (CDA):

Voorzitter, ik wil graag nog een keer interrumperen. U zou coulance betrachten bij de interrupties.

De voorzitter:

In de hoeveelheid vragen die gesteld worden, niet in de hoeveelheid interrupties achter elkaar.

De heer Knops (CDA):

Dit is mijn eerste interruptie in het betoog van de heer Vuijk.

De voorzitter:

U hebt twee keer achter elkaar geïnterrumpeerd.

De heer Knops (CDA):

Ik maak hier toch bezwaar tegen.

De voorzitter:

Ik ook.

De heer Knops (CDA):

Gisteren zat hier een voorzitter die alles vrijliet. Ik krijg nu geen antwoord op mijn vraag, althans onvoldoende. Ik verzoek u om nog één aanvullende vraag te mogen stellen.

De voorzitter:

Ik maak er bezwaar tegen dat steeds in de vergadering over de orde van de vergadering wordt gediscussieerd. Ik ben net coulant geweest. Ik heb toen gezegd dat u een derde vraag mocht stellen omdat ik u blijkbaar overviel met mijn wijziging van de orde van de vergadering. Ik was mij er niet van bewust dat die orde eerder anders was, maar ik ben toen coulant geweest. Ik ga nu naar de heer Dijkgraaf.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Voorzitter. De heer Vuijk heeft een prachtig verhaal neergezet over Defensie en ambities. Wij weten allemaal hoezeer het budget onder druk staat. De fracties van de SGP en de ChristenUnie hebben een amendement ingediend om 60 miljoen extra door te sluizen naar de begroting van Defensie. Eigenlijk is het een overbodige vraag, maar ik stel hem toch. Ik neem aan dat de heer Vuijk dat amendement steunt?

De heer Vuijk (VVD):

Wij streven ernaar om de begroting, de rijkshuishouding, op orde te krijgen. De minister heeft een budget meegekregen. Uit de voorstellen van de heer Dijkgraaf maak ik op dat hij meer geld naar Defensie wil sluizen dan is afgesproken in het regeerakkoord. De VVD-fractie wil daarin niet meegaan.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Die mening is inhoudelijk raar. De VVD-fractie gaat niet akkoord met extra geld voor Defensie. Blijkbaar is dat de mening van de heer Vuijk. Gegeven zijn verhaal zou hij dolblij moeten zijn met de mogelijkheid van 40 miljoen extra naar Defensie. Gelet op al zijn ambities zou hij dolblij moeten zijn met dit prachtige amendement waarmee wordt beoogd 40 miljoen door te sluizen naar Defensie.

De heer Vuijk (VVD):

Het is altijd aardig om als nieuweling te worden overladen met complimenten. Ik ervaar dat zo en ik dank de heer Dijkgraaf daarvoor. De VVD-fractie heeft uiteengezet hoe zij aankijkt tegen Defensie en de krijgsmacht van de toekomst. Zij ziet een veelzijdig inzetbare krijgsmacht voor zich. Hoe dat er concreet uit gaat zien en wat dat gaat kosten, is aan de minister. Ik zie in dat verband graag de toekomstvisie van de minister tegemoet. De spanning die zit tussen wat door een aantal leden badinerend "het wensenlijstje" van de VVD werd genoemd en wat wij straks zien in de visie van de minister is niet dat het allemaal groter en forser moet worden, maar dat er een afweging gemaakt moet worden in relatie tot het budget dat de minister tot haar beschikking heeft en die expeditionaire krijgsmacht. Die moeten bij elkaar worden gebracht. De minister heeft vanochtend heel helder uitgelegd dat er een afweging moet worden gemaakt ten aanzien van het in stand houden van de drie afzonderlijke krijgsmachtonderdelen en het voortzettingvermogen van die krijgsmacht. Daarin zit de wisselwerking, niet in het zoeken naar meer geld op allerlei andere onderdelen van de rijksbegroting.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Ik zat ernaast. Ik dacht dat "molensteen" het terugkerende thema van deze begroting zou zijn, in verband met een zekere straaljager, maar de minister heeft dat veranderd in het thema "ik kom erop terug". Ik stel dan ook vast dat de Tweede Kamer in de wachtkamer is gezet, waarschijnlijk voor een jaar. Zij moet wachten op de visie die de minister gaat maken. De minister duldt geen inspraak en wil geen varianten maken en voorleggen aan de Kamer ondanks de fundamentele discussie die gevoerd moet worden over de krijgsmacht van de toekomst. Ik breng in herinnering de indringende woorden van de Rekenkamer: "voortzetten van het huidige beleid inclusief aanschaffen van de JSF (...), legt een groot beslag op de beschikbare budgetten van het Ministerie van Defensie. Dit beleid dwingt de minister tot indringende keuzes over de samenstelling" en ook over het ambitieniveau van de krijgsmacht. Misschien wil niet iedereen het hardop zeggen, maar eigenlijk is voor mij glashelder dat het hoogste ambitieniveau – veelzijdig inzetbaar, hoogste geweldspectrum – absoluut strijdig is met het budget.

Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de minister een visie op de krijgsmacht gaat maken en dat de mogelijke aanschaf van de JSF daarbij een cruciale rol speelt;

overwegende dat in 2010 in opdracht van Defensie Verkenningen zijn opgesteld met daarin meerdere varianten voor de inrichting van de krijgsmacht;

van mening dat het zinvol is om opnieuw meerdere varianten op te stellen van de krijgsmacht, waaronder een krijgsmacht zonder JSF;

verzoekt de regering, diverse varianten van een toekomstige krijgsmacht aan de Kamer voor te leggen, ruim voordat de definitieve toekomstvisie wordt vastgesteld,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 31 (33400-X).

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik sluit af met een gedenkwaardig citaat van de premier met betrekking tot de Joint Strike Fighter. "Ik hoef dat ding niet", zei de premier. Ik breng daarbij in herinnering dat het kabinet altijd met één mond spreekt.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Voorzitter. De Kamer heeft over deze begroting tot nu toe, in twee wetgevingsoverleggen en in de eerste termijn van dit debat, elf uur gesproken. Er is veel waardering geuit, maar er zijn ook veel zorgen geuit. Dat heeft ook de PvdA-fractie gedaan. Wij hebben veel zaken besproken en veel zaken goed kunnen bespreken. Ik heb een minister gehoord die ervoor gaat, een minister die inzet toont, die betrokken is en die gepassioneerd is voor onze krijgsmacht en voor de mannen en vrouwen die er werken. Dat is een goed uitgangspunt. Ik benadruk nogmaals dat dit een groot goed is – volgens mij delen wij dat met zijn allen in de Kamer – want dit hebben wij niet op alle terreinen. Ook wat de PvdA-fractie betreft is dit een groot goed.

Ook de zorgen delen wij. De minister heeft een aantal zaken toegezegd, waardoor de begroting voor 2013 in ieder geval duidelijker voor ons wordt. Verduidelijking gaven ook de antwoorden op gestelde vragen die de minister vanochtend om 9.30 uur heeft toegestuurd, met name over de inzetbaarheid. Ik heb begrepen dat wij daarop in februari terugkomen in een gesprek met de minister.

In verband met de brief inzake de visie op de krijgsmacht heb ik de minister horen zeggen dat er een bijeenkomst komt. Ik ben nieuwsgierig wat de minister daarmee bedoelt. Dit is volgens mij namelijk toch een toezegging aan de Kamer dat wij samen met haar onze gedachten hierover kunnen vormen. December 2013 is ver weg. Wij zullen nog veel overleg hebben. Bovendien zal in september, op Prinsjesdag, natuurlijk al de begroting voor 2014 voor ons liggen. Ik kan me voorstellen dat een en ander aan elkaar gekoppeld is. Daarop krijg ik graag een reactie van de minister. De visie die mogelijk aan het eind van volgend jaar zal komen en de begroting voor 2014 zijn immers zaken die parallel lopen. Ik hoor echter graag van de minister wat zij daarmee gaat doen.

Ik heb goed naar de minister geluisterd en heb haar horen zeggen dat de vijf strategische politieke vragen uit het eindrapport Verkenningen meegenomen zullen worden. Dat zijn natuurlijk cruciale vragen, die volgens mij Kamerbreed leven.

Diversiteit is voor de Partij van de Arbeid een groot punt. Of de minister nu niet aan streefcijfers wil of wel, in ieder geval krijgen wij ook daarover een notitie. Ik vraag wél om streefcijfers. Waarom? In de afgelopen vijftien jaar is vanuit de krijgsmacht gesproken over emancipatie en vervolgens over gender, en nu gaat het over diversiteit. Waar het om gaat, is een gemengde krijgsmacht, waarin mannen en vrouwen een plek krijgen binnen de verhoudingen op de werkvloer zoals die horen te zijn om goed de werkzaamheden te kunnen verrichten. Daarop wil ik nog graag een reactie van de minister.

Wij hebben gesproken over veteranen. Ik verneem graag van de minister wanneer wij de Algemene Maatregelen van Bestuur van haar kunnen ontvangen, zodat de Kamer daarover kan debatteren. Dat moet zo snel mogelijk gebeuren. Het dossier is op orde, al blijft het voor mij nog een punt van extra aandacht. Over in ieder geval de vastlegging hoor ik graag iets meer.

De can do-mentaliteit is een term die vaak hier valt. Collega Hachchi had het er al over. Ik wil graag afsluiten met het volgende. Wijlen minister Relus ter Beek, die minister was van 7 november 1989 tot 22 augustus 1994, had vele uitspraken. Over deze can do-mentaliteit had hij een gevleugelde: als de minister het wil, gebeurt het. Ik wil die graag aan deze minister meegeven. Ik heb hier het boek "Manoeuvreren. Herinneringen aan Plein 4" van Relus ter Beek voor mij. De minister heeft haar betoog opgehangen aan de helikopterview, een letterlijke en een figuurlijke. Ik kan mij voorstellen dat het de komende periode voor haar veel manoeuvreren wordt tussen de krijgsmachtdelen, tussen tegengestelde belangen, tussen belangen aan alle kanten die niet makkelijk zijn, tussen paars en rood, tussen groen en noem maar op. Ik wens de minister heel veel succes toe en heel veel plezier bij het manoeuvreren aan Plein 4.

De heer Knops (CDA):

Voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording van alle vragen.

Wij zijn wat teleurgesteld over het feit dat wij een jaar moeten wachten tot er een visie is, en wij niet alleen, ook het personeel dat in de lopende reorganisatie zit die mogelijk zwaar beïnvloed kan worden door die nieuwe visie. Daarom heb ik een motie op dit punt.

Motie

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering voornemens is voor eind 2013 met een visie te komen op de toekomst van de krijgsmacht, waarbij de budgettaire kaders leidend zijn;

constaterende dat het regeerakkoord voorziet in taakstellingen op Defensie, terwijl bovendien de taakstellingen uit het begrotingsakkoord 2012 nog verwerkt moeten worden;

overwegende dat Defensie nu al een grootschalige reorganisatie aan het uitvoeren is, met ingrijpende consequenties voor het personeel;

overwegende dat het risico groot is op nieuwe pijnlijke maatregelen gezien de omvang van de taakstellingen op Defensie, hetgeen ook consequenties kan hebben voor de lopende reorganisatie;

overwegende dat het door de regering gekozen tijdpad om tot een toekomstvisie te komen, in combinatie met de taakstellingen, de onrust en onzekerheid onder het personeel nog groter maakt;

verzoekt de regering, uiterlijk op 1 juni aanstaande te komen met ten minste een toekomstvisie op hoofdlijnen, om zodoende duidelijkheid te kunnen geven aan het personeel,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Knops, Hachchi en Segers. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 32 (33400-X).

Motie

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er sprake is van fundamentele onzekerheid over de toekomstige ontwikkeling van de internationale veiligheidssituatie, dat het potentieel voor conflicten groeit en het palet van veiligheidsrisico's en kwetsbaarheden zich verbreedt;

overwegende dat deze ontwikkelingen de instandhouding van een veelzijdig inzetbare krijgsmacht rechtvaardigen, die in staat is haar grondwettelijke taken naar behoren te vervullen;

verzoekt de regering om bij het ontwikkelen van haar visie op de toekomst van de krijgsmacht alles in het werk te stellen om recht te doen aan het uitgangspunt om de operationele eenheden te ontzien, en daarmee de veelzijdige inzetbaarheid van de krijgsmacht zoveel mogelijk te behouden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Knops. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 33 (33400-X).

Motie

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Defensie de afgelopen jaren met forse taakstellingen geconfronteerd is en als gevolg daarvan de grootste reorganisatie in decennia doorvoert;

constaterende dat de Defensie-uitgaven zich momenteel als percentage van bnp op het laagste niveau ooit bevinden;

constaterende dat de minister van Defensie van mening is dat de grens van bezuinigingen bereikt is;

overwegende dat verdere bezuinigingen op Defensie negatieve gevolgen zullen hebben voor de omvang en samenstelling van de krijgsmacht, en daarmee voor de rol die Nederland kan spelen als betrouwbaar bondgenoot, die verantwoordelijkheid neemt voor internationale vrede en veiligheid;

verzoekt de regering, in het geval van onverhoopte tegenvallers voor de rijksfinanciën de komende kabinetsperiode af te zien van verdere bezuinigingen op Defensie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Knops. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 34 (33400-X).

De heer Vuijk (VVD):

Ik heb een vraag over de visie. Die gaat met name over de eerste motie. De heer Knops wil daar graag voor de zomer een uitspraak van de minister over. Nu is de opmerking dat de regering regeert en de Kamer controleert, al eerder gevallen. Waarom wil de heer Knops vasthouden aan die versnelling? In het regeerakkoord is afgesproken dat een en ander voor het eind van het jaar komt. Waarom moet dat sneller?

De heer Knops (CDA):

Het is wel een heel merkwaardige figuur dat ik mij zou moeten conformeren aan hetgeen uzelf in het regeerakkoord hebt afgesproken. Dat probeer ik juist te bestrijden. De minister van Defensie in de vorige periode had een taakstelling van 1 miljard. Daar hebben de partij van de heer Vuijk en mijn partij voor getekend. Binnen een halfjaar lag er een visie. Nu ligt er een taakstelling waarvan deze coalitie zegt dat die zeer bescheiden is en nu wordt er een jaar voor uitgetrokken. Is het dan zo onredelijk dat ik vraag om op zijn minst binnen halfjaar – ik heb het nog netjes geformuleerd – met een visie op hoofdlijnen te komen? Ik ben namelijk niet van plan om het komende halfjaar een sabbatical te nemen, op mijn rug te gaan liggen en te wachten tot er een visie komt en in de tussentijd niets te mogen vinden.

De heer Vuijk (VVD):

Ik kan begrijpen dat de heer Knops het met mij eens is dat er een zorgvuldige visie moet komen en dat het niet afgeraffeld moet worden. Er zijn verschillende ministeries bij betrokken en er moet nog wel wat overlegd worden met elkaar. Er ligt de opdracht om in die visie te verwerken dat er een opvolger van de F-16 komt. Dat is allemaal niet niets. Ik blijf dus bij mijn vraag: waarom moet dat sneller? De motie van de heer Knops bewerkt op zijn best een versnelling van vier maanden. Ik vind dat een erg zware inzet voor het CDA.

De heer Knops (CDA):

Ik zou het kunnen begrijpen als de minister van Defensie vanuit haar rol in de regering die regeert deze argumenten zou inbrengen tegen mijn motie, maar de heer Vuijk is net als ik Kamerlid. Hij zou ook moeten aandringen op snelheid. Natuurlijk is zorgvuldigheid ook van belang. Ik bagatelliseer helemaal niets, want het is een heel complexe reorganisatie. Ik vind het echter onverteerbaar als we een vierde van de regeerperiode zitten te wachten op een visie op de rest van die regeerperiode. Daarom heb ik deze motie ingediend.

Mevrouw Hachchi (D66):

Voorzitter. Ik dank de minister voor haar antwoorden in eerste termijn. Zowel in het debat van vorige week als in dit plenaire begrotingsdebat is duidelijk dat de Kamer grote belangstelling heeft voor die visie. Laten we niet vergeten wat de aanleiding is voor die visie, namelijk het project vervanging F-16. De minister gaf vorige week nog aan dat de regering regeert en de Kamer controleert, maar ze bood vandaag ook een opening. Ze zei dat ze vindt dat de Kamer zich moet kunnen herkennen in die visie. Daarom kan ik aangeven dat mijn fractie niet gaat afwachten, maar dat ze de minister wel degelijk zal uitnodigen voor een debat over de vervanging van de F-16, de JSF en die visie.

In mijn eerste termijn heb ik het Defensieonderdeel uit het regeerakkoord kort samengevat als "het boodschappenlijstje van de VVD en de karige portemonnee van de PvdA". Ik heb van de minister geen antwoord gekregen op de vraag of zij de ambities bijstelt als missies of projecten duurder uitvallen of dat er dan extra geld naar Defensie gaat. Ik zou ook graag een reactie krijgen op haar uitspraken in het interview in De Telegraaf van afgelopen weekend. In navolging van haar voorganger gaf zij daarin aan dat de grens is bereikt. Doet de minister ook in dit huis de uitspraak dat zij geen extra bezuinigingen bovenop het regeerakkoord accepteert? Als zij daar duidelijkheid over kan geven, heel graag.

De minister heeft al wel duidelijkheid gegeven over haar uitspraak over het ontzien van de troepen. Ik wil daar een motie over indienen. De minister heeft aangegeven dat het geen harde uitspraak is, maar een streven. Ook een streven wil de Kamer kunnen volgen.

Motie

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de minister van Defensie bij haar aantreden beloofde dat "op de troepen niet verder zal worden bezuinigd";

constaterende dat de minister schriftelijk heeft aangegeven onder "de troepen" te verstaan de operationele commando's CZSK, CLAS en CLSK, zoals opgenomen in doelstellingen matrices in de begroting 2013;

verzoekt de regering, de Kamer gedurende de kabinetsperiode tijdens de begrotingscyclus bij de reguliere contactmomenten (Voorjaarsnota, begroting, Najaarsnota) te informeren over de ontwikkeling van het aantal troepen en de daaraan gekoppelde middelen op basis van deze nulmeting,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Hachchi en Knops. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 35 (33400-X).

Mevrouw Hachchi (D66):

Over het beheer is veel gezegd. De minister komt met een brief. Dan hebben we het over de opmerkingen van de Rekenkamer en over de vragen welke ambities de minister gaat stellen en hoe zij die veranderingen gaat realiseren. Er komt ook een brief over de inzetbaarheid, want laten we wel wezen, wij gaan over de inzetbaarheid van de krijgsmacht. Dat is een van de belangrijkste onderwerpen waarnaar de aandacht van deze minister zal uitgaan. Die brieven zien wij dus tegemoet.

Wat betreft de Europese defensiesamenwerking heb ik de minister uitgenodigd om met meer te komen dan alleen de voorbeelden die zij ook in haar eerste termijn noemde. Ik vroeg of zij een tipje van de sluier kon oplichten. De minister gaf echter aan dat zij er niet op vooruit wil lopen, omdat er nog werk verzet moet worden. Daarom dien ik de volgende motie in. Ik hoop dat de minister die omarmt.

Motie

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het regeerakkoord is afgesproken dat er een nieuwe visie op de krijgsmacht van de toekomst ontwikkeld wordt, maar dat de regering in de brief over het onderzoek daarnaar Europese samenwerking niet benoemt;

overwegende dat de Adviesraad Internationale Vraagstukken eerder dit jaar in een advies concludeerde dat de noodzaak tot Europese defensiesamenwerking sterker is dan ooit;

van mening dat de krijgsmacht in de toekomst de kansen voor Europese samenwerking zal moeten benutten om de Nederlandse en Europese ambities om een betekenisvolle rol op en nabij het Europese continent te spelen, te kunnen waarmaken;

verzoekt de regering om de mogelijkheden voor meer Europese samenwerking te betrekken in de nieuwe visie op de krijgsmacht, en hierbij in ieder geval in te gaan op de aanbevelingen uit het AIV-advies over Europese defensiesamenwerking,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Hachchi en Klaver. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 36 (33400-X).

De heer Vuijk (VVD):

De VVD is natuurlijk niet te beroerd om ook D66 nog enig podium te geven. Mevrouw Hachchi zoekt voortdurend naar spanning tussen de VVD en de PvdA. Zij wijst op het boodschappenlijstje van de VVD. Ik heb daar in mijn eigen inbreng ook iets over gezegd. Mevrouw Hachchi relateert dit aan de middelen die er zouden zijn. Op het boodschappenlijstje van de VVD staat dat zij een technologisch hoogwaardige krijgsmacht wil, die snel en flexibel inzetbaar is. De VVD schetst als het ware een kader dat zij interessant vindt voor de minister en dat zij kan meenemen als zij met haar visie aan de slag gaat. Mevrouw Hachchi spreekt over het begrip "samenwerking", maar verder hoor ik niet zoveel. Ik ben dus benieuwd wat voor krijgsmacht D66 eigenlijk wil.

Mevrouw Hachchi (D66):

Ik vind het heel vriendelijk dat de heer Vuijk D66 een podium wil geven om haar visie op de krijgsmacht te uiten. Ik wil dat bewaren voor het desbetreffende debat. Dat lijkt mij het geëigende moment om onze visie te uiten. Wel vind ik het belangrijk om tijdens deze begrotingsbehandeling in ieder geval één onderwerp naar voren te halen dat ik gemist heb, namelijk Europese defensiesamenwerking. Daarom heb ik zojuist een motie ingediend om mee te geven dat mijn fractie Europese defensiesamenwerking graag prominent wil terugzien in de visie van de minister.

De heer Vuijk (VVD):

Dat vind ik jammer, omdat de begrotingsbehandeling volgens mij hét moment is om aan te geven wat mevrouw Hachchi zou willen. Ik begin te begrijpen waarom zij graag op een debat in het voorjaar wil wachten om er uitgebreid op in te gaan. Maar volgens mij had zij ook van de gelegenheid gebruik kunnen maken om juist hier een kader voor de minister te schetsen en vervolgens af te wachten wat zij daarmee doet. Mevrouw Hachchi bereikt hiermee dat …

De voorzitter:

Mijnheer Vuijk, wat is uw vraag?

De heer Vuijk (VVD):

Ik vind het jammer dat mevrouw Hachchi uitstel veroorzaakt. Is zij het mij eens dat zij uitstel veroorzaakt?

Mevrouw Hachchi (D66):

Dat is onzin. Ik kan dan haar simpel op reageren. De heer Vuijk kan het verkiezingsprogramma van D66 volgens mij nog online vinden. Daarin staat wat zij van Defensie vindt. Daarbij moet hij zeker op de context letten, waarin daarin verschilt D66 echt van de VVD. D66 leert wel van wat militairen in de praktijk brengen. Zij geven duidelijk aan dat defensie, diplomatie en ontwikkelingssamenwerking, de drie d's, ontzettend belangrijk zijn. Die factoren moet je in samenhang bezien. De partij van de heer Vuijk kiest er wel voor om door een rietje naar Defensie te kijken. Dat hebben wij ook gezien aan de keuzes die zijn partij voor ontwikkelingssamenwerking maakt. Nogmaals, het is te gek voor woorden dat de heer Vuijk aangeeft dat ik iets probeer te vertragen. Sterker nog, ik wil in het nieuwe jaar graag zo snel mogelijk met deze minister van gedachten wisselen over de visie op de krijgsmacht. Daar is iets meer tijd voor nodig dan een interruptiedebat. Dat zal de heer Vuijk ook weten, al zal ik dat hem als nieuw lid van deze Kamer vergeven.

De heer Segers (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik dank de minister voor haar beantwoording. Ik zie uit naar haar visie en de beleidsbrief. Met verschillende collega's ben ik van mening dat dit wel wat sneller kan dan binnen een jaar en om die reden ondersteun ik het verzoek van de CDA-fractie.

Wij hebben onze zorgen geuit over de omvang van de krijgsmacht, maar met het oog op de visievorming en de zorg over de omvang van onze krijgsmacht hebben wij een motie voorbereid.

Motie

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de NAVO voor haar bondgenoten een norm van 2% bnp voor Defensiebestedingen hanteert;

constaterende dat Nederland door ingrijpende bezuinigingen op Defensie niet meer in de buurt komt van deze norm;

van mening dat dit de onderlinge solidariteit binnen de NAVO ondergraaft;

verzoekt de regering, in haar beleidsbrief in te gaan op de volgende punten:

  • de wijze waarop de huidige defensiebestedingen van invloed zijn op het ambitieniveau conform de Verkenningen;
  • de wijze waarop de regering omgaat met de NAVO-norm;
  • de investeringen die nodig zijn om de aan de NAVO-bondgenoten gedane beloften weer waar te kunnen maken;
  • het overleg met en binnen de NAVO over het opnieuw handhaven van de genoemde norm,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Segers en Dijkgraaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 37 (33400-X).

De heer Segers (ChristenUnie):

Ik heb een vraag gesteld over het opnieuw investeren in materiaal. De minister zou daar in tweede termijn op terugkomen, maar veiligheidshalve dien ik hierover toch een motie in. Ik ben benieuwd naar de reactie van de minister.

Motie

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Brits onderzoek en het Europees Defensie Agentschap hebben aangetoond dat de kosten van Defensiemateriaal veel sneller stijgen dan de jaarlijkse inflatie;

constaterende dat dit in potentie grote gevolgen kan hebben voor de Defensiebegroting en daarmee voor het gehanteerde ambitieniveau;

verzoekt de regering, de stijging van de materiaalkosten voor de Nederlandse defensie en de gevolgen hiervan in kaart te brengen en de Kamer bij de aangekondigde beleidsbrief hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Segers. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 38 (33400-X).

De heer Segers (ChristenUnie):

Ik kom op de mogelijke onderbesteding van het budget voor internationale veiligheid. Dat is Defensiegeld dat bij de begroting vandaan komt. Het lijkt ons fair en eerlijk dat bij een mogelijke onderbesteding die middelen weer terugvloeien naar de Defensiebegroting. Om die reden dien ik de volgende motie in.

Motie

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er een apart budget komt voor internationale veiligheid;

constaterende dat dit budget gefinancierd wordt uit de Defensiebegroting;

verzoekt de regering, bij mogelijke onderbesteding van dit budget het resterende bedrag terug te laten vloeien naar de Defensiebegroting,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Segers, Knops, Dijkgraaf en De Roon. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 39 (33400-X).

De heer Segers (ChristenUnie):

Mijn laatste motie betreft de geestelijke verzorging. Ik ben niet helemaal gerustgesteld door het schriftelijke antwoord van de minister, omdat niet duidelijk is wat er na 2016 gaat gebeuren.

Motie

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er momenteel onderzoek wordt gedaan naar nut en noodzaak van de geestelijke verzorgers (GV'ers) bij Defensie en dat de uitkomsten vanaf 2016 kunnen leiden tot bezuinigingen op de GV'ers;

overwegende dat GV'ers een onontbeerlijke vertrouwensfunctie binnen defensie vervullen en dat uit de inhoud van gesprekken met GV'ers niet wordt gerapporteerd binnen de interne defensieorganisatie;

verzoekt de regering, ook na 2016 bij bezuinigingen de geestelijk verzorging zo veel mogelijk te ontzien en in ieder geval niet zodanig te korten dat het aantal beschikbare GV'ers in verhouding tot het op dat moment aanwezige aantal militairen wordt verkleind,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Segers, Eijsink, Knops, Dijkgraaf en Hachchi.

Zij krijgt nr. 40 (33400-X).

De heer Klaver (GroenLinks):

Voorzitter. Ik heb twee moties.

Motie

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de VN-Veiligheidsraad in de afgelopen jaren de bescherming van burgers verschillende keren als hoofddoel heeft gedefinieerd in het mandaat voor internationale interventies;

constaterende dat de VN op het gebied van burgerbescherming richtlijnen en instrumenten heeft ontwikkeld en nog aan het ontwikkelen is;

constaterende dat Nederland steeds vaker deelneemt aan internationale militaire missies waarbij bescherming van burgers een belangrijke rol speelt;

overwegende dat net als de VN ook de regering zich inzet om de vertaling te maken van theorie naar praktijk, blijkens de beleidsnotitie Bescherming van burgers in gewapende conflicten;

verzoekt de regering, bij het ontwikkelen van de nieuwe visie op de krijgsmacht ook bescherming van burgers aandacht te geven, om bij te dragen aan de vertaling van de theorie op dit onderwerp naar de praktijk in het veld,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Klaver, Van Ojik en Hachchi. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 41 (33400-X).

Motie

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat evaluaties van missies belangrijke lessen kunnen opleveren voor toekomstige missies;

overwegende dat de instelling van een onafhankelijke commissie bij de eindevaluatie van de Nederlandse bijdrage aan ISAF tussen 2006 en 2010 de transparantie over de missie heeft vergroot en een omvattender beeld heeft opgeleverd van de missie;

overwegende dat het ministerie van Buitenlandse Zaken al jaren werkt met een onafhankelijke evaluatiedienst;

verzoekt de regering, een systeem van onafhankelijke evaluatie van missies op te zetten door het ministerie van Defensie en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Klaver, Jasper van Dijk en Van Ojik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 42 (33400).

De heer Klaver (GroenLinks):

De laatste 30 seconden van mijn tijd wil ik graag gebruiken voor een slotvraag. In de eerste termijn heeft collega Van Ojik gevraagd naar de genderexpertise die aanwezig is binnen het ministerie van Defensie. Hij heeft gevraagd of ondanks alle bezuinigingen deze expertise in stand gehouden kan worden. Ik zou een concrete toezegging willen horen dat deze expertise in stand wordt gehouden.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Voorzitter. Dank aan de minister voor haar beantwoording in krijgsmachttempo: niet meer dan nodig is, maar wel adequaat. Ik haal de woorden van mevrouw Eijsink aan die mij troffen: als de minister het wil, gebeurt het. Ik verwijs naar de aangenomen motie-Van der Staaij c.s., mede ingediend door mevrouw Hachchi en de heer Voordewind, op stuk nr. 72 (32500) waarin staat: "verzoekt de regering om op grond van de Verkenningen een financieel perspectief te ontwikkelen door een consistente relatie te leggen tussen het ambitieniveau, de daarvoor benodigde samenstelling en toerusting van de krijgsmacht en het daaruit voortvloeiende niveau van defensiebestedingen voor de lange termijn (…)". Als ik de aangehaalde woorden aan de motie koppel, zeg ik tegen de minister: geef de Kamer, rekening houdend met het regeerakkoord en de afgesproken financiële kaders, de doorkijk om die consistente relatie ook te zien liggen. Ik weet zeker dat de minister het wil, er ligt een heel duidelijke uitspraak van de Kamer, dus ik vraag de minister: geef ons alstublieft die visie.

Ik sluit af met die prachtige woorden uit Spreuken 12 vers 20: degenen die vrede raden, hebben blijdschap. Dit wens ik de minister toe, maar zeker ook de ambtenaren en de militairen.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 12.55 uur tot 13.30 uur geschorst.