Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Internetbijlage 6 Staatsbalans 2011 en toelichting op de afzonderlijke balansposten

1.1. Inleiding Staatsbalans

De bijlage Staatsbalans omvat de balans van de Staat der Nederlanden ultimo 2011, die is afgezet tegen de balans ultimo 2010, zoals gepubliceerd in het Financieel Jaarverslag van het Rijk (FJR) 2010.

Met de Staatsbalans kan inzicht worden verkregen in:

  • – omvang en samenstelling van het vermogen van de Staat;
  • – de wijzigingen in de vermogensbestanddelen in het afgelopen jaar;
  • – de oorzaken van deze wijzigingen.

Als waarderingsstelsel wordt het Europees Stelsel van nationale en regionale rekeningen gebruikt (ESR 1995), dat op grond van Europese vereisten ook wordt gebruikt voor de vaststelling van EMU-saldo en EMU-schuld. De staatsbalans beperkt zich tot de bezittingen, vorderingen en schulden van het Rijk.

De staatsbalans is geen instrument waarmee informatie over toekomstige ontwikkelingen van de overheidsfinanciën kan worden gegeven. Hiervoor worden andere documenten beschikbaar gesteld.

Ter uitvoering van de motie-Van Geel, ingediend tijdens het Verantwoordingsdebat 2010, heeft de Algemene Rekenkamer in 2011 een onderzoek naar de Staatsbalans uitgevoerd. Naar aanleiding van dit onderzoek is een discussie gevoerd met leden van de Eerste en Tweede Kamer en heeft een schriftelijk overleg met de Tweede Kamer plaatsgehad over de informatievoorziening over de overheidsfinanciën. Er bleek behoefte te bestaan aan meer duidelijkheid over de rol die de Staatsbalans vervult in relatie tot andere documentatie.

Daarom is dit jaar in paragraaf 2.5 van het Financieel jaarverslag van het Rijk een overzicht gegeven van de documenten die het meest belangrijk zijn voor het kunnen beoordelen van de overheidsfinanciën. Samengevat is hier het volgende vermeld:

De Staatsbalans in relatie tot andere documenten

In hoofdstuk 2 van het FJR zijn de ontwikkelingen weergegeven in uitgaven en inkomsten en in het EMU-saldo en de EMU-schuld, die hiervan een resultante zijn. De EMU-schuld geeft de bruto schuld van de overheid weer, maar biedt daarmee geen volledig inzicht in de financiële positie van de overheid; hiervoor moeten ook de bezittingen in ogenschouw worden genomen. De Staatsbalans geeft een overzicht van de omvang en samenstelling van het vermogen van de Staat en daarmee van de bezittingen én schulden. Meer specifiek is in de Monitor Financiële Interventies, die bij iedere budgettaire nota wordt uitgebracht, informatie opgenomen (waar onder relevante balansposten) die betrekking hebben op de maatregelen, genomen naar aanleiding van de kredietcrisis.

Enkele beperkingen van de Staatsbalans zijn, dat de reikwijdte slechts de rijksoverheid beslaat en dat toekomstige rechten en verplichtingen (bijvoorbeeld belastingopbrengsten, uitgaven voor vergrijzing) niet op de balans zijn opgenomen. De reikwijdte van de Overheidsbalans, die het CBS bij de Nationale Rekeningen uitbrengt, strekt zich uit tot de gehele overheid en geeft dus een vollediger beeld. Garanties zijn niet opgenomen op de balans, maar worden gepresenteerd in het Garantieoverzicht bij de Miljoenennota en het FJR.

Voor analyses over de houdbaarheid van de overheidsfinanciën ligt de focus op de toekomstige ontwikkeling van overheidsfinanciën. Dat betekent dat een inschatting nodig is van toekomstige uitgaven- en inkomstenstromen, gegeven de huidige budgettaire positie. Dit zijn geen balansgrootheden. Houdbaarheid wordt vervolgens geanalyseerd aan de hand van een houdbaar schuldniveau op lange termijn. Het CPB gebruikt daarbij de methode van generational accounting en brengt eens in de vier jaar een vergrijzingsstudie uit. Voor de middellange termijn brengt het CPB Economische Verkenningen uit, met aandacht voor overheidsfinanciën bij ongewijzigd beleid. Het Ministerie van Financiën heeft in 2011 met de Schokproef Overheidsfinanciën inzicht willen geven in de ontwikkeling van de overheidsfinanciën indien forse schokken optreden.

De afgelopen jaren zijn de toelichtingen in de staatsbalans sterk uitgebreid. Ook in voorliggende staatsbalans is extra aandacht aan de toelichtingen besteed.

Onder de post A2, Overige niet-financiële activa, is onder andere het onroerend goed in bezit van het rijk opgenomen. Door de Algemene Rekenkamer is geconstateerd, dat de ministeries voor het rijksvastgoed dat zij in beheer hebben uiteenlopende waarderingsgrondslagen hanteren. Op dit moment worden binnen het beheer van de rijksbrede vastgoedportefeuille initiatieven genomen tot verbetering van de informatie over het vastgoed. Een eerste opstelling in de nieuwe vorm wordt voorzien voor 2013, terwijl in 2014 een meer definitieve opstelling beschikbaar moet zijn. De verbeterde opstelling zal te zijner tijd een plek krijgen in de staatsbalans/overheidsbalans.

1.2. Staatsbalans per 31 december 2011

De ontwikkeling van het staatsvermogen

Het staatsvermogen is toegenomen van 14,5 miljard euro negatief in 2010 tot 1 miljard negatief in 2011. Hoewel in 2011 de staatschuld verder is toegenomen tot 55,3% bbp, laat de ontwikkeling van het staatsvermogen een lichte toename zien. Ten opzichte van 2010 is het totaal van niet-financiële activa fors gestegen, de totale vorderingen zijn licht gestegen en de totale schulden zijn sterk toegenomen (ca. 28 miljard).

De grootste mutaties betreffen de volgende posten. De winstrechten minerale reserves zijn gestegen als gevolg van herwaarderingen. In 2011 heeft er een prijsstijging in de winstrechten minerale reserves plaatsgevonden van 34,7 miljard. De waarde van de aandelen, securities en overige deelnemingen zijn gestegen als gevolg van volumeveranderingen, mutaties in de reserves en mutaties in het eigen vermogen. Ook de waarde van de staatsobligaties is sterk gestegen (39,3 miljard) als gevolg van volumemutaties (25,1 miljard) en prijsmutaties (14,2 miljard). Voor een uitgebreidere toelichting op de afzonderlijke balansposten zij verwezen naar hoofdstuk 2 van deze staatsbalans.

Figuur 1. Ontwikkeling staatsvermogen

In Tabel 1 is de ontwikkeling van het vermogen van de Staat weergegeven, uitgesplitst naar de drie verklarende factoren: de mutatie van het EMU-saldo van het Rijk, de mutatie als gevolg van herwaardering van balansposten en de mutatie in netto financiële transacties.

Tabel 1 ontwikkeling staatsvermogen
 

(x € miljard)

   

1. Staatsvermogen ultimo 2010

– 14,5

   

2. Mutatie door EMU-saldo Rijk

– 17,2

   

3. Mutatie door herwaarderingen

31,4

– waarvan minerale reserves

34,8

– waarvan reserves deelnemingen

7,6

– waarvan staatsobligaties

– 14,2

   

4. Mutatie door netto financiële transacties en overig

– 0,7

   

5. Staatsvermogen ultimo 2011 (5= 1+2+3+4)

– 1,0

Deze posten kunnen als volgt worden toegelicht.

Het EMU-saldo van de overheid in 2011 bedroeg – 4,7 bbp, circa 28 miljard euro negatief. Het rijksdeel van het EMU-saldo liet over 2011 een negatief saldo van 17,2 miljard euro zien.

De mutatie van de herwaarderingen met circa 31 miljard euro betreft het saldo van vier posten, te weten: de minerale reserves, reserves van deelnemingen, staatsobligaties en niet-financiële vaste activa. De herwaardering van de minerale reserves is de resultante van hogere olieprijzen en hogere dollarkoers en is inclusief nieuwe velden. De toename van de reserves circa 7,6 miljard is geconcentreerd bij De Nederlandsche Bank (met 5,6 miljard). De herwaardering van de staatsobligaties bedraagt 14,2 miljard negatief.

De mutatie van de netto financiële transacties en overig bedraagt 0,7 miljard euro negatief. Dit is de resultante van diverse posten.

Samenstelling van het staatsvermogen

Tabel 2 Overzicht van activa en passiva (x € miljoen)
 

2010

2011

     

A Niet-financiële activa

190 676

219 665

A1 Winstrechten minerale reserves

108 900

133 800

A2 Overige niet-financiële activa

81 776

85 865

     

B Vorderingen

169 583

182 310

B1 Chartaal geld en deposito’s

340

651

B2 Langlopende effecten

13 540

10 845

B3 Financiële derivaten

2 038

9 260

B4 Verstrekte kortlopende leningen

16 076

19 682

B5 Verstrekte langlopende leningen

28 259

30 249

B6 Aandelen en overige deelnemingen

72 804

77 218

B7 Handelskredieten en transitorische posten

36 526

34 406

     

C Schulden

374 765

402 963

C1 Chartaal geld en deposito’s

468

835

C2 Kort lopende waardepapieren

53 228

43 387

C3 Staatsobligaties

257 812

297 088

C4 Kortlopende leningen

20 294

22 811

C5 Langlopende leningen

22 603

19 570

C6 Handelskredieten en transitorische posten

20 360

19 272

D Staatsvermogen (A+B-C)

– 14 507

– 989

De afzonderlijke balansposten worden toegelicht in hoofdstuk 2 van de staatsbalans. Meer in het algemeen springt de toename van de financiële derivaten en afname van de kortlopende waardepapieren in het oog. De Garantieregeling voor bancaire leningen van 200 miljard euro is niet geactiveerd op de balans. Garanties hebben het karakter van een contingent liability (voorwaardelijke verplichting) en mogen volgens ESR 1995 regelgeving als zodanig niet geactiveerd worden op de balans. In een bijlage van het FJR is een overzicht van alle garantieregelingen opgenomen.

Segmentering van het vermogen

Onder segmentering van het staatsvermogen wordt verstaan in hoeverre het vermogen van de staat als het ware al een specifieke bestemming heeft gekregen in de vorm van positieve saldi van de fondsen van de rijksbegroting, zoals het Infrastructuurfonds, het Waddenfonds en het Diergezondheidsfonds. Positieve saldi van begrotingsfondsen kunnen beschouwd worden als een soort van geoormerkt staatsvermogen. Bij een negatief staatsvermogen, zoals in 2011 het geval is, geeft segmentering inzicht hoeveel negatief het niet-vastliggende staatsvermogen bedraagt. Ultimo 2011 bedroeg het saldo van de begrotingsfondsen 178 mln. euro positief. Tabel 3 bevat een overzicht van de opbouw van dit saldo. Gegeven het negatief vermogen ultimo 2011 van 1 miljard euro, bedraagt het niet-vastliggend staatsvermogen 1,2 miljard euro negatief.

Tabel 3. Saldi van begrotingsfondsen van de rijksbegroting per 31 december 2011 per fonds

(x € miljoen)

 

Naam Begrotingsfonds

Saldo

Infrastructuurfonds

103

Fonds Economische Structuurversterking

0

Waddenfonds

67

BTW-Compensatiefonds

0

Gemeentefonds

0

Provinciefonds

0

Diergezondheidsfonds

8

BES-fonds

0

   

Subtotaal

178

   

Spaarfonds AOW

45 511

   

Totaal ultimo 2011

45 689

De ontvangsten van de begrotingsfondsen met het vermogen nul worden ieder jaar gelijk gesteld aan de uitgaven van deze begrotingsfondsen. Het vastliggen van vermogen in begrotingsfondsen blijkt met een omvang van bijna 0,2 miljard euro beperkt van omvang te zijn. Daarbij is het saldo van het AOW-spaarfonds niet meegeteld, gezien het afwijkende karakter van dit saldo. Het AOW spaarfonds is het enige fonds waar alleen ontvangsten op worden geboekt en waar verder geen uitgavenmutaties in plaatsvinden. Het AOW-spaarfonds is overigens boekhoudkundig op 1 januari 2012 opgeheven.

1.3. Opstelling Staatsbalans volgens ESR 1995

De Staatsbalans wordt opgesteld volgens het Europees Stelsel van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap (ESR 1995). Aangezien de Staatsbalans is gebaseerd op het ESR 1995 kunnen de waarderings- en afbakeningsvraagstukken worden opgelost volgens een internationaal aanvaarde methodologie. De consolidatiekring is beperkt tot de Staat der Nederlanden. De omschrijving van de overheid is in het ESR 1995 ruimer dan de rechtspersoon van de Staat der Nederlanden; ofwel de gemeenten, provincies en overige decentrale overheden blijven in de staatsbalans buiten beschouwing. In het ESR 1995 is een economische invalshoek gekozen.

Wat betreft de waarderingsgrondslag is in het ESR 1995 gekozen voor een waardering op basis van de marktwaarde in plaats van een waardering op basis van de nominale of historische waarde en voor lineaire afschrijvingen. Waar geen marktwaarde voorhanden is, wordt deze geraamd. In voorkomende gevallen wordt dit toegelicht bij de betreffende balanspost.

Consolidatiekring

De financiële gegevens van de Centrale administratie van ’s Rijks schatkist (CAR) en van de ministeries, de begrotingsfondsen en de baten-lastendiensten zijn integraal geconsolideerd. De interne schuldverhoudingen zijn in de consolidatie geëlimineerd.

Toelichtingen in internetbijlage

In de gedrukte versie van het FJR is van de bijlage Staatsbalans uitsluitend het algemene deel opgenomen (paragrafen 1.1 tot en met 1.3). Het volledige document, inclusief de toelichting op de afzonderlijke balansposten, is opgenomen als internetbijlage bij het FJR.

2. Toelichting op de afzonderlijke balansposten

Zoals aangegeven is het Staatsvermogen in 2011 toegenomen van 14,5 miljard euro negatief naar ca. 1 miljard euro negatief. De belangrijkste mutaties in de verschillende balansposten worden hierna afzonderlijk toelicht, onderverdeeld naar niet-financiële activa, vorderingen en schulden.

A Niet-financiële activa

A1 Winstrechten minerale reserves

Conform het ESR 1995 is de netto contante waarde berekend van de toekomstige winstrechten van de Staat, samenhangend met de gas-, olie- en zoutwinning. De waarde ervan bedraagt ultimo 2011 133,8 miljard euro. Ten opzichte van 2010 zijn de toekomstige winstrechten samenhangende met de gas-, olie en zoutwinning met 34,8 miljard euro toegenomen. Deze toename van de winstrechten van minerale reserves wordt in het onderstaande overzicht uitgesplitst. Voor de berekening van het aardgas wordt uitgegaan van een verwacht productievolume voor de komende 25 jaar (plan gasafzet loopt niet verder dan 25 jaar). In de berekening zijn de aardgasbaten exclusief vennootschapsbelasting verwerkt. Dit is in lijn met ESR 1995 om geen toekomstige belastinginkomsten op de staatsbalans te activeren. Voor de periode 2012–2017 zijn de nominale ramingen volgens de meerjarencijfers contant gemaakt tegen de lange rente op staatsobligaties. Voor de jaren 2018 en verder zijn de gasbaten contant gemaakt tegen een reële disconteringsvoet van 4%.

Tabel A1.1 Mutatie in de winstrechten uit minerale reserves in 2011

x € miljoen

 

stand ultimo 2010

108 900

   

Volume mutatie

 

a) aardgas verkocht 2011

– 11 166

b) nieuwe velden winbaar geworden

1 300

Prijs mutatie

 

c) herwaardering aardgas

34 766

   

winstrechten 2011

133 800

Toelichting bij de bovenstaande cijfers:

De toename van de winstrechten uit minerale reserves komt vooral door een hogere prijsraming ultimo 2011. De post «nieuwe velden winbaar geworden» betreft vooral de aardgasbaten op basis van het gas dat naar verwachting pas in 2036 gewonnen zal worden. Het jaar 2036 is in 2011 pas voor het eerst meegenomen in de raming winstrechten uit minerale reserves omdat er een 25 jaarsplanning gehanteerd wordt voor de aardgasbaten.

Prijsontwikkeling van de minerale reserves

Aan de raming van de minerale reserves ultimo 2011 liggen veronderstellingen voor een hogere olieprijs en lagere dollarkoers ten grondslag. De onderstaande tabel laat deze veronderstellingen zien.

Tabel A1.2 Prijsveronderstellingen raming minerale reserves

prijsveronderstellingen raming minerale reserves

Staatsbalans 2010

Staatsbalans 2011

Dollarkoers voor 2011

1,34

1,39

Dollarkoers voor 2012

1,34

1,29

Dollarkoers voor 2013

1,30

1,29

Dollarkoers voor 2014

1,33

1,29

Dollarkoers voor 2015

1,35

1,29

Dollarkoers voor 2016 e.v.

1,35

1,29

Olieprijs voor 2011

97,3

111,3

Olieprijs voor 2012

97,3

110,8

Olieprijs voor 2013

78,0

110,8

Olieprijs voor 2014

79,5

110,8

Olieprijs voor 2015

81,0

110,8

Olieprijs voor 2012–2034

65,0

110,8

Volumemutatie minerale reserves

Ultimo 2011 bedroeg het volume van de aardgasvoorraad 61 miljard kubieke meter minder dan ultimo 2010. Deze afname is de resultante van twee tegenovergestelde bewegingen. Aan de ene kant nam de voorraad af met het gasverbruik in 2011. Aan de andere kant nam de voorraad toe door de verandering van de verwachte productie uit het Groningerveld in de periode 2011–2035 en de toevoeging van de verwachte productie in 2036, die nu voor het eerst in de verwachte productie meeloopt. De onderstaande tabel laat de volumeontwikkeling zien.

Tabel A1.3. Ontwikkeling gasvolume 2011
 

x miljarden kubieke meter

1) Staatsbalans ultimo 2010

1 057

   

2) Verbruik 2011

74

3) Toename winbare voorraad

13

   

4) Staatsbalans ultimo 2011 (4=1–2+3)

996

A2 Overige niet-financiële activa

De rijkseigendommen zijn van zeer uiteenlopende aard. Het gaat bijvoorbeeld om:

  • – goederen van culturele aard, dit zijn kunstwerken in de musea. Opgemerkt zij dat in Rijksmusea ook veel kunst hangt dat eigendom is van derde partijen en derhalve buiten de consolidatiekring van de staatsbalans valt. Zo is de Nachtwacht in het Rijksmuseum eigendom van de gemeente Amsterdam en valt daarmee buiten de staatsbalanscijfers.
  • – gebouwen in bezit van de Staat. Deze gebouwen zijn te splitsen in:
    • • gebouwen in het buitenland, dit zijn de ambassades en ambtswoningen die in bezit zijn van de Staat;
    • • gebouwen die de Rijksgebouwendienst (RGD) in eigendom heeft waaronder burgerlijke rijksgebouwen. Dit zijn bijvoorbeeld de kantoorpanden van de ministeries die in rijkseigendom zijn;
    • • militaire gebouwen.
  • – militaire terreinen;
  • – landbouwgronden in eigendom van de Staat. Deze landbouwgronden zijn in bezit bij Rijksvastgoed en ontwikkelingsbedrijf (voorheen Domeinen), bij Bureau Beheer Landbouwgronden en Staatsbosbeheer.
  • – kanalen, rivierwerken, zee- en oeververbindingen, waterwegen, de Afsluitdijk, primaire waterkeringen en de Hogesnelheidslijn-Zuid;
  • – diverse vaartuigen, computers, inventaris, installaties, software (ook de roerende zaken van de baten-lastendiensten zijn hierin opgenomen).

De algemene principes van de waarderingsgrondslagen van niet-financiële activa zijn als volgt:

De grondslag voor de bepaling van de afschrijving is voor iedere groep van activa de geschatte gebruiksduur, waarbij rekening wordt gehouden met de restwaarde. De vaststelling van de gebruiksduur en de bepaling van de (rest)waarde geschieden steeds in overeenstemming met CBS-regels in overleg met deskundigen van de ministeries, waaronder deze activa ressorteren.

Op de uitgaven voor de verharding van wegen wordt in het jaar van investering 50% afgeschreven. Op gebouwen en waterbouwkundige werken bedragen de afschrijvingen 1% per jaar, waarbij rekening wordt gehouden met een geschatte residuwaarde. Op gronden wordt niet afgeschreven.

Op dit moment worden binnen het beheer van de rijksbrede vastgoedportefeuille initiatieven genomen tot verbetering van de informatie over het vastgoed. Een eerste opstelling in de nieuwe vorm wordt voorzien voor 2013, terwijl in 2014 een meer definitieve opstelling beschikbaar moet zijn.

De goederen zijn conform ESR 1995 gewaardeerd tegen marktprijzen. In het merendeel van de gevallen is voor de benadering hiervan uitgegaan van de geïndexeerde historische kostprijs. Deze worden door middel van indexcijfers herleid tot de vervangingswaarde. In sommige gevallen wordt om doelmatigheidsredenen een globale methode gehanteerd (kantoorinventarissen, bibliotheken, automatiseringsmiddelen, telefooncentrales, gereedschappen, e.d.).

Tabel A2.1 Mutatie in de overige niet-financiële activa in 2011
 

x € miljoen

stand ultimo 2010

81 776

   

aankopen activa 2011

2 932

verkopen activa 2011

– 78

afschrijvingen activa 2011

– 1 967

herwaardering activa 2011

3 201

   

stand ultimo 2011

85 865

De samenstelling van het bedrag miljard euro en de mutaties van de materiële activa zijn meer specifiek in tabel A2.2. weergegeven.

Tabel A2.2. Mutatie van de materiële activa naar belangrijkste gebruikers in 2011

(x € miljoen)

waarde per 31-12-2010

Investeringen – verkopen in 2011

Afschrijvingen in 2011

herwaardering in 2011

Waarde per 31-12-2011

Ministerie van Defensie

2 907

289

485

67

2 778

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

61 278

1 889

707

2 267

64 727

Ministerie van Landb. Natuur en Voedselkw.

1 437

– 15

0

33

1 456

Ministerie van Buitenlandse Zaken

486

13

61

– 5

432

Baten-lastendiensten

15 124

673

688

827

15 936

– waarvan burgerlijke rijksgebouwen

12 145

446

351

727

12 967

– waarvan rijksvastgoed en ontwik.bedr.

1 327

– 4

0

62

1 386

– waarvan diverse baten lasten diensten

1 653

230

337

38

1 584

Diversen

543

6

26

12

535

           

Totaal

81 776

2 855

1 967

3 201

85 865

Het bedrag miljard euro per 31 december 2011 kan als volgt worden onderverdeeld naar onroerende en roerende goederen:

Tabel A2.3. Samenstelling van de materiële activa per 31 december 2011

Onroerende goederen

 

84 125

– Ministerie van Verkeer en Waterstaat

64 703

 

– Burgerlijke rijksgebouwen

12 967

 

– Ministerie van Defensie

2 608

 

– Rijksvastgoed en Ontwikkelingsbedrijf

1 389

 

– Landbouwgronden

1 648

 

– Gebouwen buitenland

448

 

– Baten-lastendiensten

362

 

Roerende goederen

 

1 740

– Goederen van culturele aard

331

 

– Baten-lastendiensten

1 218

 

– Overige

191

 
     

Totaal

 

85 865

B Vorderingen

B1 Chartaal geld en deposito’s

Tabel B1.1 Samenstelling van de balansbedragen Chartaal geld en deposito’s

(x € miljoen)

2010

2011

     

De Nederlandsche Bank N.V.

6

3

Overige saldi

334

333

Buy/Sellbacktransacties

0

315

     

Totaal

340

651

Toelichting op de post chartaal geld en deposito’s

De chartale en girale betaalmiddelen bestaan uit de saldi van De Nederlandsche Bank N.V. en de andere banken, zoals ABN AMRO, Rabobank, ING bank, waar bij het Ministerie van Financiën op 31 december 2011 een saldo op de rekeningen staat. Verder worden er door het Agentschap van het ministerie van Financiën ook deposito’s zoals deposito’s u/g en buy/sellbacktransacties afgesloten op de geldmarkt.

Toelichting op de post mutatie chartaal geld en deposito’s.

De post chartaal geld en deposito’s is in 2011 toegenomen met 311 mln. euro. Deze toename wordt veroorzaakt door de toename van de buy/sellbacktransacties per 31 december 2011.

De stand van de buy/sellbacktransacties was eind 2010 nihil. De stand per ultimo 2011 is 315 mln. euro.

Een buy en sellbacktransactie is een contante aankoop van een hoeveelheid stukken in combinatie met een gelijktijdig afgesloten termijnverkoop van dezelfde stukken (bijvoorbeeld staatsobligaties of DTC’s). In de tussenliggende periode wordt de facto een bedrag in de geldmarkt uitgezet, waarover een rentevergoeding wordt ontvangen.

De tijdelijk uitgezette gelden (deposito U/G) zijn in 2011 evenals 2010 nihil. Deze post is daarom niet opgenomen in het overzicht. Dit zijn leningen voor zeer korte termijn (1 dag tot enkele weken). De deposito’s worden gebruikt voor de dekking van de dagelijkse tekorten van de schatkist. Banken, overheden en grote bedrijven verstrekken elkaar deze deposito’s. De tarieven voor het in- en uitlenen van geld komen op de geldmarkt tot stand via contacten per telefoon en via elektronische systemen. Ter beperking van het kredietrisico bij deposito’s wordt alleen aan kredietwaardige partijen geld uitgeleend en is het uitgeleende bedrag per partij beperkt tot een maximum dat afhankelijk is van de kredietwaardigheid van de desbetreffende partij.

Tabel B1.2 Mutatie in chartaal geld en deposito’s in 2011

x € miljoen

 

stand ultimo 2010

340

   

aankopen Buy/Sellbackgelden 2011

315

afname kasgelden 2011

– 4

   

stand ultimo 2011

651

In tabel B1.2 zijn de hierboven toegelichte mutaties uitgesplitst in aankopen Buy/sellbackgelden (ca 0,3 miljard euro) en afname van kasgelden 2011.

B2 Langlopende effecten

De post langlopende effecten m.u.v. aandelen (exclusief financiële derivaten) omvat alle transacties in effecten m.u.v. aandelen met een lange oorspronkelijke looptijd. Dit zijn effecten m.u.v. aandelen die de houder het onvoorwaardelijke recht geven op een vast of contractueel vastgelegd variabel inkomen in geld in de vorm van couponbetalingen (rente) en/of een afgesproken vast bedrag op een bepaalde datum of bepaalde data, dan wel vanaf een datum die bij de emissie is vastgelegd.

Tabel B2.1 Samenstelling van de balansbedragen langlopende effecten

(x € miljoen)

2010

2011

     

– Alt-A Hypotheken portefeuille ING

12 761

10 055

– Leningen lopende inschrijving Curaçao

658

658

– Leningen lopende inschrijving Sint Maarten

121

132

     

Totaal

13 540

10 845

In 2009 is met ING een Iiquid Assets Back-up Facility (IABF) overeengekomen. Als gevolg daarvan is de Nederlandse Staat economisch eigenaar geworden van 80% van de Alt-A portefeuille van ING. Deze post is opgenomen onder B2 lang lopende effecten. De opbouw van de balanswaarde per 31 december 2011 kan als volgt worden toegelicht:

Tabel B2.2 Opbouw balanswaarde IABF 2011

(x € miljoen)

   
     

Portefeuille (nominaal)

 

13 752

–/– Buffer in de IABF transactie (na verwerking resultaat 2011)

 

3 697

Balanswaarde Alt-A portefeuille (IABF)

 

10 055

     

Tegenover deze portefeuille staat een verplichting van de Staat aan ING, die ultimo 2011 10,1 miljard euro bedroeg. Dit bedrag is opgenomen onder C5, langlopende leningen.

Daarnaast is er voor de IABF sprake van nog te ontvangen en nog te betalen bedragen, deze posten zijn opgenomen onder B7.a en C6.a.

De Nederlandse Staat heeft in oktober 2010 voor 0,8 miljard euro aan leningen (het betreft obligatieleningen) verstrekt aan Curaçao en Sint Maarten. Deze komen voort uit de verplichting die Nederland op grond van de Rijkswet Financieel toezicht heeft, om tegen het actuele rendement op staatsleningen in te schrijven op geldleningen die de nieuwe landen Curaçao en Sint Maarten aantrekken (op 10 oktober 2010 is het land Nederlandse Antillen opgehouden te bestaan). Op 12 oktober 2011 heeft de Nederlandse Staat een lening verstrekt aan het land Sint Maarten van 10,6 mln. euro. De (maximale) looptijd van deze lening is 5 jaar.

Tabel B2.3 Mutatie langlopende effecten 2011

x € miljoen

 

stand ultimo 2010

13 540

   

afname lang lopende effecten 2011

– 2 706

toename leningen lopende inschrijving Curaçao en Sint Maarten

11

   

stand ultimo 2011

10 845

B3 Financiële Derivaten

Vanaf 2007 worden de financiële derivaten in de staatsbalans opgenomen. Financiële derivaten zijn beleggingsinstrumenten die hun waarde ontlenen aan een ander goed. De voornaamste financiële derivaten die de Staat in bezit heeft, zijn renteswaps. Renteswaps worden ingezet voor risicomanagement. Een renteswap is een overeenkomst tussen twee partijen waarmee gedurende de looptijd een vaste rente wordt geruild tegen een variabele rente. Daar alleen de rentedelen worden geruild, vindt er op het moment van afsluiten geen kasstroom plaats.

Tabel B3. Mutatie Financiële derivaten in 2011

x € miljoen

 

stand ultimo 2010

2 038

   

mutatie Financiële derivaten 2011

7 222

   

stand ultimo 2011

9 260

Toelichting op de post mutatie financiële derivaten

Het bedrag van de per balansdatum 31 december 2011 uitstaande vordering uit hoofde van Financiële derivaten bedraagt 9,3 miljard euro. De renteswaps hebben per ultimo 2011 een positieve marktwaarde voor de Staat. De marktwaarde van een swap is de contante waarde van de toekomstige rentebetalingen en renteontvangsten.

B4 Verstrekte kortlopende leningen

Verstrekte kortlopende leningen omvatten alle verstrekte kredieten waarvan de oorspronkelijke looptijd maximaal één jaar, en in uitzonderlijke gevallen maximaal twee jaar bedraagt.

Tabel B4.1 Samenstelling balansbedragen kortlopende leningen in 2011

(x € miljoen)

2010

2011

     

College voor Zorgverzekeringen

10 419

14 167

Uitvoering Werknemersverzekering

2 299

1 659

Diverse leningen en rc RWT’s en Sociale fondsen

3 358

3 856

     

Totaal

16 076

19 682

Toelichting op de post kortlopende leningen

De kortlopende leningen betreffen alle debetsaldi van de rekening-courant en de verstrekte leningen aan de Rechtpersonen met een Wettelijke Taak (RWT’s) en Sociale Fondsen bij het ministerie van Financiën zoals geregeld in de Wet geïntegreerd middelenbeheer (Stb. 1997, nr. 908). Zie voor verdere uitleg bij C4 en B4.2 (CVZ).

B4.2 Mutatie van de verstrekte kortlopende leningen in 2011

x € miljoen

 

stand ultimo 2010

16 076

   

toename leningen en negatief rekening courantsaldo 2011

498

toename rekening courant saldo College voor Zorgverzekeringen 2011

3 748

afname rekening courant saldo Uitvoering Werknemersverzekering 2011

– 640

   

stand ultimo 2011

19 682

Toelichting op de post mutatie verstrekte kortlopende leningen

Deze post is ten opzichte van 2010 toegenomen met 3,6 miljard euro. Deze mutatie toename wordt voornamelijk veroorzaakt door de toename van de negatieve rekening-courantstand van het College van Zorgverzekeringen.

B5 Verstrekte langlopende leningen

De verstrekte langlopende leningen worden onderverdeeld in diverse vorderingen en leningen aan Nederlandse ondernemingen in verband met deelnemingen. De verstrekte langlopende leningen omvatten alle verstrekte kredieten die niet het karakter dragen van deposito’s en waarvan de oorspronkelijke looptijd gewoonlijk langer is dan één jaar.

Tabel B5.1 Samenstelling en mutatie Verstrekte langlopende leningen 2011

(x € miljoen)

2010

2011

     

a. Diverse vorderingen

   

– Studievoorschotten

16 924

18 326

– Lening aan Griekenland

1 248

3 194

– Lening ABP voor VUT fonds

430

670

– Voorschotten inzake landinrichtingprojecten

450

442

– Op derden te verhalen ruil- en herverkavelingskosten

376

389

– Vorderingen Dienst der Domeinen

558

362

– Vordering op ondernemingen aan wie risico-kapitaal verstrekt is voor de handel met ontwikkelingslanden

488

503

– Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden N.V. (inzake leningen aan diverse landen)

261

241

– Ontwikkelingskredieten aan industrie en handel

195

176

– NIO begrotingslening

200

200

– Depositogarantiestelsel (DGS)

93

2

– HSA beheer N.V.

89

192

– Vordering op de Nederlandse Antillen en Aruba met betrekking tot het leninggedeelte van de ontwikkelingshulp

28

26

– Vordering op de Internationale Ontwikkelingsassociatie terzake van de special action account

12

12

– Lening Railinfrabeheer

114

0

– Diverse vorderingen

2 095

1 701

     

Subtotaal

23 561

26 436

     
     

b. Leningen aan Nederlandse ondernemingen in verband met

   

deelnemingen

   

– Fortis Bank Nederland

4 575

3 750

– Internationale Nederlanden Groep N.V.

59

0

– Kliq B.V.

45

45

– Centrale Organisatie voor Radioactief Afval N.V.

18

18

– NIB Capital Bank N.V.

1

0

     

Subtotaal

4 698

3 813

     

Totaal generaal

28 259

30 249

a. Toelichting op de post diverse vorderingen

Het totaal van de verstrekte langlopende leningen is in 2011 met 2 miljard euro toegenomen. De diverse vorderingen zijn per saldo met 2,9 miljard euro toegenomen. Deze toename wordt voor een belangrijk deel verklaard door een toename van de studievoorschotten (1,4 miljard euro). In het afgelopen jaar is het aantal studerenden dat gebruik maakt van de leenfaciliteit sterk toegenomen. Daarnaast is er in 2010 met het oog op het behoud van de financiële stabiliteit in de eurozone voor Griekenland een leningenprogramma gestart. Het Nederlandse aandeel in dit programma is in 2011 1,9 miljard euro.

b. Toelichting op leningen aan Nederlandse ondernemingen in verband met deelnemingen

De leningen aan Nederlandse ondernemingen i.v.m. deelnemingen zijn met 0,9 miljard euro afgenomen. Deze afname wordt verklaard door de aflossing van 0,8 miljard euro van de aan Fortis verstrekte lening.

In het jaarverslag van begrotingshoofdstuk IXB zijn de kapitaalverstrekkingen aan ING, Aegon en SNS REAAL opgenomen onder de extracomptabele vorderingen. Echter volgens ESR 1995–methodologie, die bij de Staatsbalans dient te worden gevolgd, zijn dit geen vorderingen maar securities in de betreffende ondernemingen. Daarom zijn deze posten onder B6 a2, securities ING, Aegon en SNS opgenomen.

B5.2 Mutatie van de verstrekte langlopende leningen in 2011

x € miljoen

 

stand ultimo 2010

28 259

   

toename lang lopende leningen 2011

2 815

afname lang lopende leningen aan Fortis Bank Nederland

– 825

   

stand ultimo 2011

30 249

Toelichting op de post mutatie verstrekte langlopende leningen

Het overbruggingskrediet aan Fortis Bank Nederland is een langlopende lening van in totaal 3,8 miljard euro per ultimo 2011.

B6 Aandelen en overige deelnemingen

Deze post bestaat uit deelnemingen van de Staat in Nederlandse ondernemingen en deelnemingen in internationale instellingen. De securities van ING Bank N.V., Aegon N.V. en SNS Reaal NV zijn apart zichtbaar gemaakt in tabel B6.1 onder a2.

De post aandelen en overige deelnemingen van in totaal 77,2 miljard euro kan als volgt worden gespecificeerd:

Tabel B6.1 Samenstelling Aandelen, securities en overige deelnemingen in 2011

(x € miljoen)

2010

2011

     

a1. Deelnemingen in Nederlandse ondernemingen

   

– De Nederlandsche Bank N.V.

22 047

27 609

– Fortis Bank Nederland NV

4 506

0

– ASR Nederland NV

1 389

1 931

– Prorail B.V.

14 817

16 231

– RFS Holdings B.V.

7 580

0

– ABN AMRO Group N.V.

0

11 877

– N.V. Nederlandse Gasunie

5 310

5 261

– N.V. NS Groep

2 871

2 831

– N.V. Luchthaven Schiphol

2 063

2 155

– N.V. Bank Nederlandse Gemeenten

1 127

1 130

– Tennet TSO B.V.

719

1 103

– Havenbedrijf Rotterdam

480

516

– Ultra-Centrifuge Nederland N.V.

365

466

– Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V.

133

158

– Nederlandse Waterschapsbank N.V.

180

184

– Energiebeheer Nederland B.V.

158

174

– Connexxion N.V.

55

57

– Overige deelnemingen

1 122

973

Subtotaal

64 922

72 656

     
     

a2. Securities ING, Aegon, SNS

   

– ING Bank N.V.

5 000

3 000

– Aegon N.V.

1 500

0

– SNS Reaal N.V.

565

565

Subtotaal

7 065

3 565

     

b. Deelnemingen in internationale instellingen

   

– Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling

199

205

– Europese Investeringsbank

369

521

– Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling

130

155

– Aziatische Ontwikkelingsbank

30

29

– Afrikaanse Ontwikkelingsbank

19

18

– Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank

12

10

– Internationale Financieringsmaatschappij

42

43

– Multilateraal Agentschap voor Investeringsgaranties

6

6

– Inter-Amerikaanse Investeringsmaatschappij

9

8

– European Financial Stability Facility

1

2

     

Subtotaal

817

997

     

Totaal generaal

72 804

77 218

a. Toelichting op de post deelnemingen en securities in Nederlandse ondernemingen

De deelnemingen en securities zijn gewaardeerd tegen de intrinsieke waarde (alle bezittingen van een onderneming minus alle schulden die er zijn, dit is het eigen vermogen van een onderneming) conform het ESR 1995. De intrinsieke waarde wordt berekend aan de hand van de gepubliceerde jaarrekeningen van vorig jaar van de desbetreffende onderneming, voor de Staatsbalans 2011 is dat dus de jaarrekening 2010. De reden hiervoor is dat op het moment van het opstellen van de staatsbalans niet alle jaarverslagen 2011 van de Nederlandse deelnemingen gepubliceerd zijn. Om deze reden is, evenals in voorgaande jaren, besloten om de deelnemingen te waarderen tegen de waarde ultimo het jaar daarvoor, in casu 2010. Aankopen, verkopen, kapitaalinjecties die in 2011 hebben plaatsgevonden worden opgenomen tegen de contante waarde/verkrijgingsprijs. De mutaties in de waardering van de deelnemingen, die voortvloeien uit de publicaties van de jaarverslagen 2011, worden meegenomen in de staatsbalans van volgend jaar.

Bij de eerste opname van deze deelnemingen in de Staatsbalans wordt er gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs en in het jaarverslag daarna tegen boekwaarde van het eigen vermogen. Het verschil tussen de verkrijgingprijs en de netto vermogenswaarde komt ten gunste of ten laste van het netto staatsvermogen. Bij vervreemding van deelnemingen komt het verschil tussen de balanswaarde en de opbrengst ten gunste dan wel ten laste van het netto staatsvermogen. Op de deelnemingen zijn de nog openstaande stortingsverplichtingen in mindering gebracht.

Het relatieve belang van de staatsdeelnemingen wordt gepubliceerd op de website van het ministerie van Financiën2.

De toename van 4,4 miljard euro in 2011 ten opzichte van 2010 van de deelnemingen en securities in Nederlandse ondernemingen kan als volgt worden gespecificeerd:

Tabel B6.2. Mutatie van de deelnemingen en securities in Nederlandse ondernemingen in 2011

(x € miljoen)

   
     

Volumeveranderingen:

 

– 3 200

     

– Kapitaaluitbreiding Tennet TSO

300

 

– aflossing ING Bank N.V.

– 2 000

 

– aflossing Aegon N.V.

– 1 500

 
     

Netto toename van de reserves:

 

7 614

– De Nederlandsche Bank N.V.

5 562

 

– ASR Nederland NV

542

 

– Prorail B.V.

1 414

 

– Diversen

96

 
     

Totaal

 

4 414

Toelichting op de mutatie van deelnemingen en securities in Nederlandse ondernemingen:

  • – De Staat heeft in 2008 securities in ING Bank N.V., Aegon N.V. en SNS Reaal N.V. gekocht. Van deze securities is in 2011 in totaal 3,5 miljard euro afgelost door de instellingen. Alle mutaties in de afgelopen jaren zijn opgenomen in het budgettaire overzicht interventies t.b.v. de financiële crisis (FJR, bijlage 5).
  • – De reserves van de deelnemingen zijn met een totaal van 7,6 miljard euro toegenomen. Een groot gedeelte van deze toename wordt verklaard door de toename (€ 5,6 mrd) van de reserve van De Nederlandsche Bank.
  • – In 2011 heeft er een kapitaaluitbreiding plaatsgevonden bij Tennet TSO van 0,3 miljard euro. Als landelijk netbeheerder heeft Tennet de wettelijke taak om ondermeer het landelijk hoogspanningsnet te onderhouden en daar waar nodig uit te breiden en te verzwaren. Voor het uitvoeren van de investeringsagenda in Nederland en om de huidige credit rating te behouden is een aanvulling van het eigen vermogen van Tennet noodzakelijk. Hiertoe is een verplichting van € 600 mln. aangegaan, die in zowel 2011 als ook in 2012 in twee gelijke tranches van € 300 mln. wordt uitbetaald.

De kapitaalverstrekkingen aan ING, Aegon en SNS REAAL moeten volgens ESR 1995–methodologie onder securities worden verantwoord.

Toelichting staatsdeelnemingen in Fortis Bank Nederland NV, RFS Holdings en securities in 2010

Op 3 oktober 2008 heeft de Staat een deelneming genomen in de Nederlandse activiteiten van Fortis, inclusief ABN AMRO. Concreet verwierf de Staat een 97,8 procent-belang in Fortis Bank Nederland (FBN), een 100 procent belang in ASR Nederland NV (ASR), en een 100 procent belang in Fortis Corporate Insurance NV (FCI). Voor deze aandelen is een prijs betaald van 16,8 miljard euro. Daarnaast heeft de Staat op 24 december 2008 het door FBN aangehouden 33,8-procent-belang in RFS Holdings (RFS) (het door Fortis Bank Nederland gekochte deel van ABN AMRO) overgenomen. Dit is verrekend tegen langlopend vreemd vermogen, uitgegeven door de Staat ad 6,54 miljard euro. Zo ontstond er een «separate» staatsdeelneming, RFS Holding BV.

In 2010 is ABN AMRO Bank N.V. met Fortis Bank (Nederland) N.V. juridisch gefuseerd tot (uiteindelijke) ABN AMRO Group N.V. Laatstgenoemde vennootschap heeft ook het indirecte belang van RFS Holding B.V. in ABN AMRO Group N.V. overgenomen (de zgn, N-share). Per ultimo 2010 is het juridische belang in RFS Holdings B.V. teruggebracht naar de nieuwe verhoudingen na separatie (van 33,38% naar 1,2505%). In RFS worden de nog resterende Z-share assets beheerd door RBS om te worden verkocht of afgewikkeld.

In tabel B6.3 wordt inzichtelijk gemaakt hoe de aanpassing van de waardering in de praktijk uitpakt.

Tabel B6.3 – Aanpassing waardering tussen FJR 2010 en FJR 2011

(x € mld)

FJR2010

BW EV Jaarverslagen 2010

+

∆ BW EV per ultimo 2011

=

FJR2010

           

Boekwaarde Eigen Vermogen zonder pakketbenadering

 

– ASR Nederland N.V.

1,39

1,93

 

0

 

1,93

1

– ABN AMRO Group N.V.

4,51

11,88

 

0

 

11,88

2

– ABN AMRO Preferred Investments B.V.

         

PM

1

– RFS Holdings B.V.

7,58

0,02

 

– 0,02

 

0,00

 

Totaal

13,48

10,17

 

3,31

 

13,81

  • 1) In 2010 is ABN AMRO Bank N.V. met Fortis Bank (Nederland) N.V. juridisch gefuseerd tot (uiteindelijk) ABN AMRO Group N.V. Laatstgenoemde vennootschap heeft ook het indirecte belang van RFS Holding B.V. in ABN AMRO N.V. overgenomen (de zgn. N-share). Per ultimo 2010 is het juridisch belang in RFS Holding B.V. teruggebracht naar de nieuwe verhoudingen na separatie (van 33,38% naar 1,2505%). In RFS worden de nog resterende Z-share assets beheerd door RBS om te worden verkocht of afgewikkeld.
  • 2) Om zichtbaar te maken dat de staat (certificaten van) aandelen heeft in ABN AMRO Preferred Investments B.V. worden deze apart vermeld. De boekwaarde van het belang van de Staat bij deze aandelen is betrokken bij de boekwaarde van ABN AMRO Group N.V.

Toelichting waardering securities ING Bank N.V., Aegon N.V.,SNS REAAL N.V.:

Met betrekking tot de kredietcrisis zijn er aan Aegon, ING, en SNS Reaal in aandelen converteerbare securities verstrekt in het kader van kapitaalinjecties door de Staat. De securities zijn op aanschafwaarde gewaardeerd, verminderd met de aflossingen die er in 2010 en 2011 hebben plaatsgevonden. Er is hier voor waardering van de securities op aanschafwaarde gekozen. Omdat het hier gaat om tijdelijke kapitaalverstrekkingen zijn deze securities voor de aanschafwaarde opgenomen.

b. Toelichting op deelnemingen in internationale instellingen

De bedragen van deze deelnemingen zijn opgenomen voor de nominale waarde.

Het betreft een categorie activa in vreemde valuta, waarvan de balanswaarde wordt omgerekend naar Euro’s met behulp van de koersen van de desbetreffende valuta per balansdatum 31 december 2011.

B7 Handelskredieten en transitorische posten

Tabel B7.1 geeft inzicht in de samenstelling van de handelskredieten en transitorische posten. Vervolgens wordt per post een toelichting gegeven op de verschillende balansbedragen.

Tabel B7.1 Samenstelling balansbedragen handelskredieten en transitorische posten in 2011

(x € miljoen)

2010

2011

     

a. Overlopende activa

6 269

4 757

b. Vorderingen uit hoofde van contracten e.d., waartegenover

9 324

7 841

verplichtingen staan

   

c. Vorderingen verband houdende met vooruitbetalingen

1 227

1 382

inzake langlopende projecten

   

d. Overige vorderingen

19 706

20 426

     

Totaal

36 526

34 406

a. Overlopende activa

Tabel B7.2 Samenstelling van de overlopende activa in 2011

(x € miljoen)

2010

2011

     

Inkomsten uit aardgas NAM

2 128

1 167

Inkomsten uit aargas EBN

311

91

Vordering IJslandse DGS

1 380

1 011

Nog te ontvangen rente vlottende schuld/leningen

285

353

Nog te ontvangen bedragen IABF

344

226

Diverse vorderingen

1 822

1 910

     

Totaal

6 269

4 757

Toelichting op de post overlopende activa

Onder overlopende activa worden baten gerubriceerd, die zijn toegerekend aan de verslagperiode, maar waarvan de feitelijke ontvangst valt in een andere verslagperiode.

In het jaarverslag van begrotingshoofdstuk IXB is de vordering op IJslandse Deposito Garantiestelsel (DGS) opgenomen onder de extra comptabele vorderingen. Echter volgens ESR 1995 methodologie vallen deze posten onder de overlopende transitoria, daarom zijn deze posten hier in de Staatsbalans opgenomen onder B7.a.

Tabel B7.3. Mutatie van de overlopende activa in 2011

x € miljoen

 

stand ultimo 2010

6 269

   

afname inkomsten uit aardgas 2011

– 1 181

afname vordering IJslandse DGS 2011

– 369

afname te ontvangen bedragen vlottende schuld/leningen

– 50

afname diverse vorderingen o.a. van baten lasten diensten 2011

88

   

stand ultimo 2011

4 757

Toelichting bij de post mutatie overlopende activa:

  • – de inkomsten uit aardgas NAM en EBN zijn ontvangsten die nog betrekking hebben op het jaar 2011 en die pas in het jaar 2012 binnen gaan komen. De inkomsten uit aardgas (NAM) betreffen de eindafrekening over 2011. De afname van 2010 naar 2011 is 1,2 miljard euro minder te verwachten inkomsten. De oorzaak is dat de productie in december 2010 veel hoger was dan in december 2011 door het koude weer in december 2010.
  • – de Nederlandse Staat heeft de uitkeringen uit hoofde van het IJslandse Deposito Garantie Stelsel aan depositohouders bij het Nederlandse bijkantoor van de IJslandse bank Landsbanki (Icesave) voorgefinancierd. Als gevolg hiervan is er een vordering ontstaan op het IJslandse DGS. De vordering was in 2010 1 380 mln. euro. Uit de boedel van de failliete Icesave (Landsbanki) hebben alle schuldeisers een deel van hun vordering ontvangen in 2011. De Rijksoverheid heeft een bedrag van € 442,9 mln. ontvangen. Van dit bedrag is 33 mln. euro toegerekend aan de «topping up» en daarom niet in mindering gebracht op de hoofdsom. De hoofdsom bedraagt op basis van het meest recente akkoord na de eerste uitkering uit de boedel van Landsbanki € 919,0 mln. en de rente € 92,6 mln. Dit akkoord is weliswaar in een referendum door IJsland verworpen, maar wordt in de saldibalans tot nadere orde als uitgangspunt genomen voor de berekening van de rente.
  • – De post te ontvangen rente betreft hoofdzakelijk nog te ontvangen rente op de vlottende schuld.
  • – In de balans 2010 van de Illiquid Assets Back-up Facility (IABF) is voor 226 mln. euro aan nog te ontvangen bedragen opgenomen. Aan de creditzijde, onder C6.a, staat eenzelfde bedrag aan nog te betalen bedragen. Zie voor verdere uitleg bij B2, langlopende effecten.
  • – de post diverse vorderingen bestaat uit de vorderingen die de ministeries hebben op derden. Een grote post (0,6 miljard euro) is hier het Ministerie van Veiligheid en Justitie met de vorderingen die voortvloeien uit de batenlastendienst Centraal Justitieel Incasso Bureau. Deze vorderingen betreffen voornamelijk de strafrechtelijke boetes, de vorderingen Mulderfeiten en de vorderingen ontnemingszaken. Verder hebben de batenlastendiensten voor 0,6 miljard euro aan vorderingen uitstaan op derden.

b. Vorderingen uit hoofde van contracten e.d., waar tegenover verplichtingen staan

Het onderdeel vorderingen uit hoofde van contracten e.d., waar tegenover verplichtingen staan, zijn de opgenomen bedragen van langlopende contracten inzake aanschaf van duurzame activa en de uit te voeren werken. De posten B7.b en C6.b bestaan uit twee onderdelen, namelijk vorderingen van het Ministerie van Defensie (3,8 miljard euro) en vorderingen van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (4,0 miljard euro).

c. Vorderingen verband houdende met vooruitbetalingen inzake langlopende projecten

De reeds gedane uitgaven inzake langlopende projecten zijn op de posten B7.b en C6.b in mindering gebracht en opgenomen onder post B7.c.

d. overige vorderingen

Tabel B7.4. Samenstelling van de overige vorderingen in 2011

(x € miljoen)

2010

2011

     

Vordering belastingdienst

18 591

18 940

Metaalwaarde munten in omloop

46

46

Centrale inning van lesgelden

127

136

Diverse vorderingen

942

1 304

     

Totaal

19 706

20 426

Toelichting bij de post overige vorderingen

Onder overige activa zijn de bedragen opgenomen, die niet overlopend zijn of niet onder andere specifieke omschreven balanshoofden gerubriceerd kunnen worden, zoals saldi van nog te verrekenen posten in het betalingsverkeer.

Tabel B7.5. Mutatie van de overige vorderingen in 2011

x € miljoen

 

stand ultimo 2010

19 706

   

toename belastingvordering 2011

349

toename diverse vorderingen ministeries 2011

371

   

stand ultimo 2011

20 426

Toelichting bij de post mutatie overige vorderingen:

  • – de vordering op de Belastingdienst zijn de belastingen die in januari 2012 zullen worden ontvangen maar volgens ESR nog moeten worden toegerekend aan december 2011. De vordering van de Belastingdienst per ultimo 2011 is 0,3 miljard euro hoger dan per ultimo 2010. Deze toename is gelegen in de relatief hogere belastingontvangsten in januari 2012. Een groot deel van deze ontvangsten moeten volgens het ESR namelijk worden toegerekend aan 2011.
  • – de metaalwaarde van de munten in omloop is in 2011 gelijk gebleven t.o.v. 2010.
  • – de centrale inning van lesgelden is in 2011 ongeveer gelijk gebleven.
  • – de diverse vorderingen zijn de nog te ontvangen betalingen van derden door de ministeries. Deze post is in 2011 met 0,4 miljard euro toegenomen.

C Schulden

C1 Chartaal geld en deposito’s

Tabel C1.1 Samenstelling van chartaal geld en deposito’s in 2011

(x € miljoen)

2010

2011

     

Munten in omloop

451

485

Sell/buybacktransacties

17

350

     

Totaal

468

835

Toelichting op de post chartaal geld en deposito’s

De post chartaal geld en deposito’s is in 2011 in totaal met 367 mln. euro toegenomen. Deze post omvat de nominale schuld uit hoofde van in circulatie gebrachte munten en de sell en buybacktransacties.

Een sell-en-buyback transactie is een verkoop van een hoeveelheid stukken in combinatie met een gelijktijdig afgesloten termijnaankoop van dezelfde stukken (bijvoorbeeld staatsobligaties of Dutch Treasury Certificates (DTC’s). In de tussenliggende periode wordt de facto een bedrag in de geldmarkt opgenomen, waarover een rentevergoeding wordt betaald.

Bij de in circulatie gebrachte munten is het bedrag exclusief de munten in handen van De Nederlandsche Bank N.V. en de munten van de Staat in het muntdepot. Niet geconsolideerd is er voor de munten in de kassen van de ministeries. Deze maken deel uit van balanspost B1 Chartaal geld en deposito’s. Verzamelaarsmunten worden conform het ESR 1995 niet opgenomen als schuld. De metaalwaarde van de munten in omloop is op de balans opgenomen onder B7.d.

Tabel C1.2. Mutatie van chartaal geld en deposito’s in 2011

x € miljoen

 

stand ultimo 2010

468

   

toename munten in omloop 2011

34

toename sell/buybackstransacties 2011

333

   

stand ultimo 2011

835

Toelichting op de post mutatie chartaal geld en deposito’s

De sell/buybacktransacties zijn in 2011 met 333 mln. euro toegenomen ten opzichte van 2010. De munten in omloop zijn in 2011 t.o.v. 2010 met 34 mln. euro toegenomen.

C2 Kortlopende waardepapieren

Tabel C2.1. Samenstelling van de kortlopende waardepapieren in 2011

(x € miljoen)

2010

2011

     

Dutch Treasury Certificates

47 812

33 802

Commercial Paper

5 417

9 585

     

Totaal

53 228

43 387

Toelichting op de post kortlopende waardepapieren

Onder de kortlopende waardepapieren vallen de Dutch Treasury Certificates (DTC’s) en de Commercial Papers (CP’s). De totale afname van deze post betreft 9,8 miljard euro.

Tabel C2.2. Mutatie van de kortlopende waardepapieren in 2011

x € miljoen

 

stand ultimo 2010

53 228

   

afname Dutch Treasury Certificates 2011

– 14 010

toename Commercial Paper 2011

4 169

   

stand ultimo 2011

43 387

Toelichting op de post mutatie kortlopende waardepapieren

Het bedrag van de per balansdatum 31 december 2011 uitstaande schuld uit hoofde van DTC’s bedraagt 43,4 miljard euro. In de balans is de disconto van de schuld in mindering gebracht.

DTC’s zijn kortlopend schatkistpapier dat de Staat gebruikt om een deel van de financieringsbehoefte op te vangen. De DTC’s worden vooral gebruikt om een groot negatief schatkistsaldo dat zich over een periode van meerdere maanden voordoet te dekken. Meestal hebben deze een looptijd van 3 tot 12 maanden. De omvang van ieder programma wordt afgestemd op de ontwikkeling van het schatkistsaldo. DTC’s worden uitgegeven en verhandeld op discontobasis. Dit houdt in dat ze door de Staat worden geveild tegen minder dan 100% van de hoofdsom die aan het einde van de looptijd wordt afgelost. Het verschil tussen aankoopwaarde en hoofdsom vertegenwoordigt voor de belegger het behaalde rendement. Voor de Staat is dit verschil het betaalde rendement, ofwel de kosten die worden gemaakt voor het lenen van kort geld.

Het bedrag van de per balansdatum 31 december 2011 uitstaande schuld uit hoofde van Commercial Papers (CP’s) bedraagt 9,6 miljard euro. In de balans is de disconto van de schuld in mindering gebracht.

Sinds 2007 maakt het Agentschap van het Ministerie van Financiën ook gebruik van CP’s. Dit zijn schuldbewijzen met een korte looptijd, variërend van een week tot enkele maanden, die worden ingezet om tijdelijke kastekorten van het rijk te financieren. CP is een geldmarktinstrument dat wordt uitgegeven en verhandeld op discontobasis. CP kent flexibele uitgiftemomenten en looptijden. CP dient als «brug» tussen de kortlopende deposito’s en de langer lopende DTC’s.

C3 Staatsobligaties

Tabel C3.1. Samenstelling van de staatsobligaties

(x € miljoen)

2010

2011

Verschil

       

1. Waardering tegen marktprijs

257 812

297 088

39 276

2. Waardering tegen nominaal

240 368

265 414

25 046

       

3. Verschil (1–2)

17 444

31 674

14 230

Toelichting op de post staatsobligaties

De staatsobligaties zijn conform ESR 1995 gewaardeerd tegen marktprijzen. De waardeverandering van 39,3 miljard euro is opgebouwd uit een volumecomponent van 25,1 miljard euro en een prijscomponent van 14,2 miljard euro. Om in 2011 te voorzien in de financieringsbehoefte van de Staat is een groter beroep op de kapitaalmarkt gedaan. Hierdoor is de omvang van de staatsobligaties gestegen met 25,1 miljard euro (volumecomponent). De prijsmutatie heeft geen gevolgen voor de EMU-schuld. De EMU-schuld luidt in ESR-categorieën, doch uitdrukkelijk is bepaald dat voor de excessieve-tekortenprocedure over de schuld in nominale termen gerapporteerd dient te worden. Voor de EMU-schuld is dus het bedrag van 265,4 miljard euro relevant.

C4 Kortlopende leningen

Tabel C4.1. Samenstelling van de kortlopende leningen in 2011

(x € miljoen)

2010

2011

     

Deposito O/G

3 265

975

Collaterals

2 356

10 634

Uitvoering Werknemersverzekeringen

6 949

3 516

Sociale Verzekeringsbank

2 472

1 718

Investeringsfaciliteit voor Oost Europa

99

98

Diverse deposito’s en rc RWT’s

5 153

5 870

     

Totaal

20 294

22 811

Toelichting op de post kortlopende leningen

Kortlopende leningen omvatten alle ontvangen kredieten waarvan de oorspronkelijke looptijd maximaal één jaar, en in uitzonderlijke gevallen maximaal twee jaar bedraagt. Hieronder vallen deposito’s O/G, sell en buybacktransacties, rekening courantkredieten, voorschotten en voorfinancieringen.

Tabel C4.2. Mutatie van de kortlopende leningen in 2011

x € miljoen

 

stand ultimo 2010

20 294

   

afname deposito 2011

– 2 290

toename collaterals 2011

8 278

afname positief rekening courantsaldo 2011

– 3 471

   

stand ultimo 2011

22 811

Toelichting op de post mutatie kortlopende leningen

De tijdelijk opgenomen gelden (deposito O/G) zijn in 2011 ten opzichte van 2010 afgenomen met 2,3 miljard euro. Dit zijn leningen voor zeer korte termijn (1 dag tot enkele weken). De deposito’s worden gebruikt voor de dekking van de dagelijkse tekorten van de schatkist. Banken, overheden en grote bedrijven verstrekken elkaar deze deposito’s. De tarieven voor het in- en uitlenen van geld komen op de geldmarkt tot stand via contacten per telefoon en via elektronische systemen.

De waarde van de collaterals is in 2011 ten opzichte van 2010 met 8,3 miljard euro toegenomen. Collaterals zijn onderpanden (geld) die bij het Agentschap van het ministerie van Financiën worden afgegeven als dekking voor positieve markwaarde van derivaten (swapcontracten). De omvang van het onderpand is afhankelijk van de marktwaarde van de swaps. Door de toegenomen marktwaarde van de swaps is het gestorte onderpand toegenomen met 8,3 mld.

Een sell en buybacktransactie is een contante verkoop van een hoeveelheid stukken in combinatie met een gelijktijdig afgesloten termijnaankoop van dezelfde stukken (bijvoorbeeld staatsobligaties of DTC’s). In de tussenliggende periode wordt de facto een bedrag in de geldmarkt opgenomen, waarover een rentevergoeding wordt betaald.

De rekening-courantstanden met een credit (tegoed) saldo op de rekening courant en uitgezette deposito’s staan onder de post kortlopende leningen. De Rwt’s en sociale fondsen met een debet saldo (tekort) van de rekening-courant staan onder B4.

In 1998 is de Wet geïntegreerd middelenbeheer in werking getreden. Gevolg hiervan is dat de Sociale Verzekeringsbank, de Uitvoering Werknemersverzekeringen en het College voor Zorgverzekeringen geen zelfstandig middelenbeheer meer voeren. Dit middelenbeheer, ook wel schatkistbankieren genoemd, is geïntegreerd in de schatkist door middel van een rekening-courant verhouding. Uit dien hoofde is ultimo 2011 een schuld opgenomen aan de Uitvoering Werknemersverzekeringen van per saldo circa 3,5 miljard euro. De schuld aan de Sociale Verzekeringsbank bedraagt 1,7 miljard euro. De vordering op het College voor Zorgverzekeringen bedraagt 14,2 miljard euro.

C5 Langlopende leningen

Tabel C5.1. Samenstelling van de langlopende leningen in 2011

(x € miljoen)

2010

2011

     

Verplichting Alt-A hypothekenportefeuille ING

12 762

10 055

Onderhandse Floating Rate Note (FRN) lening voor Fortis

7 000

7 000

Onderhandse Staatsleningen

2 684

2 423

Div. voorfinancieringen via V&W

6

0

Overige

151

92

     

Totaal

22 603

19 570

Toelichting op de post langlopende leningen

De verstrekte langlopende leningen omvatten alle verstrekte kredieten die niet het karakter dragen van deposito’s en waarvan de oorspronkelijke looptijd gewoonlijk langer is dan één jaar en in uitzonderlijke gevallen minimaal meer dan twee jaar. Hieronder vallen de verplichting Alt-A hypothekenportefeuille ING (zie voor verdere uitleg over dit onderwerp bij onderdeel B2), onderhandse lening voor Fortis, onderhandse staatsleningen en diverse langlopende rekening-courantkredieten.

Tabel C5.2. Mutatie van de langlopende leningen in 2011

x € miljoen

 

stand ultimo 2010

22 603

   

afname Alt-A hypothekenportefeuille ING 2011

– 2 707

afname onderhandse staatsleningen 2011

– 267

afname overige langlopende leningen 2011

– 59

   

stand ultimo 2011

19 570

Toelichting op de post langlopende leningen

  • – De post Onderhandse Floating Rate Notes (FRN) is de onderhandse lening die geplaatst is bij Fortis Bank SA/NV (Brussel) om een deel van het overbruggingskrediet dat de Staat aan Fortis Bank Nederland verstrekt heeft te financieren. In 2011 is er door de Staat niets afgelost op de Floating Rate Notes.
  • – De langlopende schuld Alt-A hypothekenportefeuille ING is in 2010 met 2,7 miljard afgenomen. Zie voor een toelichting onderdeel B2.
  • – Conform ESR 1995 zijn de onderhandse staatsleningen tegen de nominale waarde gewaardeerd. De Staat heeft direct geld geleend bij geldgevers en de afspraken over deze leningen zijn onderling gemaakt. De balansmutatie in 2011 is een afname van 0,3 miljard euro. De Nederlandse Staat heeft per 10 oktober 2010 Antilliaanse schuldtitels overgenomen ten bedrage van 1,3 miljard euro. De nog resterende looptijd van de schuldtitels varieert van minder dan een jaar tot circa 20 jaar. In 2011 is op de Antilliaanse schuldtitels 0,1 miljard afgelost.
  • – De overige leningen op lange termijn zijn in 2011 afgenomen met 59 mln. euro. De post diverse voorfinancieringen via V&W zijn de langlopende leningen die het ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft gekregen van derden. Deze leningen zijn in 2011 afgelost. De overige leningen zijn, van de Wet geïntegreerd middelenbeheer-deelnemers, rekening-courant tegoeden die in de schatkist voor langere periode worden aangehouden.

C6 Handelskredieten en transitorische posten

Tabel C6.1 geeft inzicht in de samenstelling van de handelskredieten en transitorische posten. Vervolgens wordt per post een toelichting gegeven op de verschillende balansbedragen.

Tabel C6.1. Samenstelling van de handelskredieten en de transitorische posten in 2011

(x € miljoen)

2010

2011

     

a. Overlopende passiva

10 013

10 227

b. Verplichtingen uit hoofde van contracten e.d., waartegenover vorderingen staan

9 324

7 841

c. Overige schulden

1 023

1 204

     

Totaal

20 360

19 272

a. Overlopende passiva

Tabel C6.2. Samenstelling van de overlopende passiva in 2011

(x € miljoen)

2010

2011

     

Lopende interest van de staatsschuld

6 218

6 315

Commissie van de Europese Gemeenschappen

418

622

Te betalen rente vlottende schuld

128

210

Nog te betalen bedragen IABF

344

226

Diverse schulden

2 905

2 854

     

Totaal

10 013

10 227

Toelichting op de post overlopende passiva

Onder overlopende activa zijn lasten gerubriceerd, die zijn toegerekend aan de verslagperiode, maar waarvan de feitelijke betaling valt in een andere verslagperiode. Toelichting bij de post overlopende passiva:

Tabel C6.3. Mutatie van de overlopende passiva in 2010

x € miljoen

 

stand ultimo 2010

10 013

   

toename lopende interest van de staatsschuld 2011

97

toename rekening courant Comm. van de Eur. Gem. 2011

204

afname te betalen bedragen o.a. rente 2011

– 36

afname diverse schulden van o.a. de batenlastendiensten 2011

– 51

   

stand ultimo 2011

10 227

Toelichting op de post mutatie overlopende passiva

  • – lopende interest van de staatsschuld zijn de rentekosten die al in de uitgaven van 2011 van begrotingshoofdstuk IXA zijn opgenomen maar nog in 2012 betaald moeten worden.
  • – de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft bij het ministerie van Financiën een rekening-courant waar hun tegoed bij de Nederlandse Staat wordt aangehouden. In 2011 is er t.o.v. 2010 204 mln. euro minder betaald een de Commissie.
  • – De rente die in 2011 nog betaald moet worden over het vlottende gedeelte van de schuld.
  • – In de balans 2011 van de Illiquid Assets Back-up Facility (IABF) is voor 226 mln. euro aan nog te betalen bedragen opgenomen. Aan de debetzijde, onder B7.a staat eenzelfde bedrag aan nog te ontvangen bedragen. Zie voor verdere uitleg bij B2, langlopende effecten.
  • – het saldo van de post diverse schulden bestaat voornamelijk uit de korte termijn schulden die de batenlastendiensten hebben bij derden.

b. Verplichtingen uit hoofde van contracten e.d., waartegenover vorderingen staan

Voor een toelichting wordt verwezen naar balanspost B7.b.

c. overige schulden

Tabel C6.4. Samenstelling van de overige schulden in 2011

(x € miljoen)

2010

2011

     

Diverse schulden

1 023

1 204

     

Totaal

1 023

1 204

Toelichting op de post overige schulden

De post «overige schulden» is in 2011 in totaal 181 mln. euro toegenomen. Onder overige passiva zijn de bedragen opgenomen, die niet overlopend zijn of niet onder andere specifieke omschreven balanshoofden gerubriceerd kunnen worden, zoals saldi van nog te betalen posten.

Tabel C6.5. Mutatie van de overige schulden in 2011

x € miljoen

 

stand ultimo 2010

1 023

   

toename diverse schulden ministeries 2011

181

   

stand ultimo 2011

1 204

Toelichting op de post mutatie overige schulden

  • – De diverse schulden bestaan uit de ontvangsten buiten begrotingsverband van de ministeries. De kleine toename in 2011 wordt veroorzaakt door iets meer ontvangsten buiten begrotingsverband bij diverse ministeries.

Niet uit de balans blijkende verplichtingen

Tabel C7 Niet uit de balans blijkende verplichtingen in 2011

(x € miljoen)

2010

2011

     

a. Militaire pensioenen

7 460

8 960

b. vakantieaanspraak ambtenaren

286

327

     

Totaal

7 746

9 287

In aansluiting op ESR 1995 zijn de posten schulden militaire pensioenen en vakantieaanspraak ambtenaren niet op de Staatsbalans opgenomen en worden ze hier afzonderlijk opgenomen. Het betreft hier de via een omslagstelsel gefinancierde militaire pensioenen. Het deel van de militaire pensioenen dat via kapitaaldekking gefinancierd maakt onderdeel uit van de balans van het ABP.

Noot 2: www.minfin.nl/onderwerpen/staatsdeelnemingen