Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2.5 Informatie over de ontwikkeling van de overheidsfinanciën

Informatie over de uitgaven en ontvangsten van de overheid, over het EMU-saldo en over de EMU-schuld – zoals verstrekt in voorgaande paragrafen – is onmisbaar voor de beoordeling van de toestand van de overheidsfinanciën van Nederland is. Naast deze «reguliere» informatie is aanvullend informatie nodig om een goed beeld te schetsen van de overheidsfinanciën nu en straks. In deze paragraaf komen deze andere, aanvullende bronnen van informatie van de overheid aan de orde met ook een accent op de onderlinge samenhang. Zo wordt een completer beeld geschetst van de toestand van de overheidsfinanciën.

2.5.1 Schulden en bezittingen van de overheid

Ultimo 2011 bedroeg de EMU-schuld 65 procent van het bbp ofwel 393 miljard euro. Dit is de resultante van alle tekorten van de overheid in het verleden. Het gaat dan zowel om schulden opgebouwd door de staat als de schulden van de lokale overheden. Sinds 2009 is de overheidsschuld hoger dan de Europese referentiewaarde voor de overheidsschuld van 60 procent van het bbp.

Tabel 2.5.1 Ontwikkeling van de EMU-schuld (in procenten bbp)
 

2008

2009

2010

2011

EMU-schuld (in procenten bbp)

Idem (in mld euro)

58,5%

348

60,8%

347

62,9%

370

65,2%

393

Waarvan schuld lokale overheden(in mld euro)

43

44

47

50

De EMU-schuld is een zogenoemd bruto-schuldbegrip. Dat betekent dat financiële bezittingen van de overheid – zoals het bezit aan staatsdeelnemingen als Schiphol, Nederlandse Spoorwegen en ABN AMRO – niet in mindering mogen worden gebracht op de uitstaande schuld. In het EMU-schuldcriterium blijven de financiële bezittingen dus volledig buiten beschouwing. Een deel van de staatsschuld hangt zelfs samen met aankoop van financiële activa van de staat, zoals aankoop van Fortis in 2008. Voor de beoordeling van de schuldontwikkeling kan daarom niet worden geabstraheerd van de bezittingen. Informatie over zowel de bezittingen als de schulden van de overheid is terug te vinden op de overheidsbalans en de Staatsbalans. Het CBS publiceert jaarlijks in de zomer de overheidsbalans in de Nationale Rekeningen, tot 2014 op experimentele basis. Voor het aandeel van de staat is de staatsbalans beschikbaar. De Staatsbalans is opgenomen in dit FJR als bijlage 3. De overheidsbalans van het CBS en de Staatsbalans van het Ministerie van Financiën geven elk een overzicht van de bezittingen en schulden van de overheid. De balans van het CBS brengt de hele overheid in beeld; de Staatsbalans beperkt zich tot de rechtspersoon Staat der Nederlanden. Het gaat zowel om financiële activa (vorderingen) en financiële passiva (schulden) als om niet-financiële activa als gebouwen, wegen en de gasvoorraad. De activerings- en waarderingsgrondslagen van het ESR 1995 worden voor beide balansen gehanteerd. Daarmee is er eenheid van methodologie bij de opstelling van de overheidsbalans, de EMU-schuld en het EMU-saldo.

De balans geeft een momentopname van het netto-vermogen van de overheid. Toekomstige rechten en verplichtingen ontbreken. Denk bijvoorbeeld aan toekomstige belastingcapaciteit en aan AOW-verplichtingen. De balans – dat geldt zowel voor de overheidsbalans als de staatsbalans – geeft daarom geen inzicht in de ontwikkeling in de overheidsfinanciën op middellange en lange termijn. Daarvoor zijn andere bronnen als de middellange termijn ramingen van het CPB en de ageing studies van het CPB beschikbaar (zie ook paragraaf 2.5.4).

Overheidsbalans

De overheidsbalans ultimo 2010 laat zien dat de bezittingen van de overheid bijna 850 miljard euro bedroegen en de schulden ruim 450 miljard euro. Per saldo was er dus sprake van een positief vermogen van de overheid van ruim 380 miljard euro ofwel 65 procent van het bbp. Voor de periode 2007–2010 bedraagt het vermogen van de overheid circa 70 procent van het bbp. Bij de bezittingen valt op dat 2/3 van de bezittingen zogenoemde niet-financiële activa betreffen zoals grond-, weg- en waterbouwkundige werken, olie- en gasreserves en gebouwen. De waarde van de olie- en gasreserves flucteert aanzienlijk van jaar op jaar. Deze fluctuaties hangen nauw samen met de grote gevoeligheid ervan voor prijsschommelingen in de olieprijs en de euro/dollarkoers. Voorts laat tabel 2.5.2 in regel 4 zien dat de schulden op de overheidsbalans jaarlijks hoger zijn dan de EMU-schuld. Dat lijkt opmerkelijk omdat in beide gevallen sprake is van exact dezelfde afbakening van de overheid. Het verschil hangt vooral samen met waarderingsgrondslagen en reikwijdte van definities. De schulden op de balans worden tegen marktwaarde geregistreerd en de EMU-schuld tegen nominale waarde. De marktwaarde is gevoelig voor mutaties in de rentevoeten. Voorts is de EMU-schuld gedefinieerd exclusief transitorische balansposten.

Tabel 2.5.2 Overheidsbalans: ontwikkelingen in het vermogen van de overheid (in miljarden euro)
 

2007

2008

2009

2010

1. Activa (niet-financiële activa)

wv gebouwen

wv gww

wv olie- en gasreserves

537,4

91,2

219,5

127,4

586,8

95,3

233,0

172,0

587,2

99,9

234,6

224,3

586,7

102,7

246,1

157,1

2. Vorderingen (financiële activa)

163,0

264,3

263,1

257,2

3. Bezittingen (3=2+1)

700,4

851,1

850,3

843,9

4. Schulden

(EMU-schuld)

– 322,3

(– 259,0)

– 424,6

(– 347,5)

– 433,0

(– 347,1)

– 459,5

(– 369,9)

5. Vermogen overheid (5=3+4)

6. Vermogen overheid in % bbp

378,2

66%

426,5

72%

417,3

73%

384,4

65%

Staatsbalans

De Staatsbalans verschijnt jaarlijks als bijlage bij het Financieel Jaarverslag van het Rijk. Het doel van de Staatsbalans is het verschaffen van inzicht in omvang en samenstelling van het vermogen van de Staat, wijziging in de vermogensbestanddelen en de oorzaken van deze wijzigingen. De reikwijdte van de Staatsbalans is beperkt tot de rijksoverheid; medeoverheden en zelfstandige bestuursorganen zijn niet opgenomen op de Staatsbalans. Door die beperking ontstaat een mismatch tussen bezittingen en schulden op de Staatsbalans. Immers een deel van de bezittingen van andere overheden is in het verleden gefinancierd door de staat. Zo bedraagt het verschil tussen de overheidsschuld en staatsschuld in 2010 bijna 60 miljard euro en het verschil tussen de overheidsbezittingen en de bezittingen van de staat bijna 400 miljard euro. Ten overvloede zij opgemerkt dat ook voor de Staatsbalans geldt – net als bij de overheidsbalans al gesignaleerd was – dat het netto vermogen dat uit de Staatsbalans blijkt onvolledig is. Toekomstige rechten (bijvoorbeeld de belastingontvangsten) en verplichtingen (bijvoorbeeld de AOW-verplichtingen) ontbreken. Andere beperking is dat er bij de waardering van vooral de niet-financiële activa arbitraire keuzes gemaakt moeten worden. Tot slot zij opgemerkt dat de balansstand ultimo 2011 voor de niet-beursgenoteerde staatsdeelnemingen nog gebaseerd is op de jaarverslagen van vorig jaar omdat niet alle recente cijfers tijdig beschikbaar komen.

Tabel 2.5.3 Staatsbalans: ontwikkelingen in het vermogen van de staat (in miljarden euro)
 

2008

2009

2010

2011

1. Activa (niet-financiële activa)

167,4

164,9

190,7

219,7

wv rijksgebouwen

  

12,1

13,0

wv gww

  

61,3

64,7

wv olie- en gasreserves1
  

108,9

133,8

2. Vorderingen (financiële activa)

163,0

167,5

169,6

182,3

wv staatsdeelnemingen

 

67,3

72,8

77,2

wv leningen

 

48,1

44,3

49,9

3. Bezittingen (3=2+1)

330,4

332,4

360,3

402,0

4. Schulden

– 351,0

– 350,9

– 374,8

– 403,0

(Staatsschuld EMU-definitie)

(– 199)

(– 212)

(– 240)

(– 265)

5. Vermogen staat (5=3+4)

16,9

– 18,5

– 14,5

– 1,0

Noot 1: De olie- en gasreserves op de staatsbalans zijn lager dan op de overheidsbalans. De reden hiervoor is er onder meer in gelegen dat het CBS ook de toekomstige belastingopbrengsten samenhangende met olie- en gaswinning op de overheidsbalans meeneemt.

De ontwikkeling van het staatsvermogen laat over een langere periode een grillig verloop zien. Uit een onderzoek over de periode 1996–2006 is gebleken dat de grootste schommelingen zich voordoen door waardeveranderingen van de olie- en gasreserves, de staatsdeelnemingen en de staatsobligaties. De waarde van de olie- en gasreserves is nogal gevoelig voor prijsschommelingen in de olieprijs en de euro/dollarkoers. Hetzelfde geldt voor de staatsobligaties: deze zijn tegen marktprijs geactiveerd en als zodanig gevoelig voor ontwikkelingen in de rentevoet.

De meeste jaren is het in de staatsbalans gepresenteerde staatsvermogen negatief. Dit wordt veroorzaakt doordat de rijksoverheid schulden aangaat, maar dat de er uit resulterende bezittingen voor een groot deel elders in de collectieve sector zijn ondergebracht bijvoorbeeld bij lokale overheden, zelfstandige bestuursorganen en scholen.

2.5.2 Monitor Financiële interventies

De financiële en eurocrisis hebben de nodige gevolgen gehad voor de Nederlandse overheidsfinanciën. Deze gevolgen zijn afzonderlijk in kaart gebracht in de zogenoemde Monitor financiële interventies. Sinds de Najaarsnota 2009 omvatten de budgettaire nota’s aan het parlement steeds een actualisatie van de Monitor financiële interventies beginnende in het jaar 2008. De monitor omvat (1) een budgettair overzicht van de maatregelen inclusief het specifieke begrotingsartikel c.q. de saldibalans waarop de maatregelen verantwoord worden, (2) een balans met standen en mutaties, (3) een overzicht van toerekenbare kosten en opbrengsten en (4) een overzicht met garanties. Elk van deze 4 overzichten heeft exact dezelfde opbouw naar specifiek onderwerp. Op dit moment omvat de monitor de volgende onderwerpen:

  • – verwerving FORTIS/RFS/AA;
  • – kapitaalverstrekkingsfaciliteit;
  • – back-up faciliteit ING, garantiefaciliteit bancaire leningen;
  • – IJsland, Griekenland, Europese instrumenten en een rubriek overig.
Tabel 2.5.4 Monitor financiële interventies: gevolgen maatregelen kredietcrisis (in miljarden euro’s)
 

2008

2009

2010

2011

Mutaties in staatsschuld (exclusief toerekenbare rentelasten)

82,2

– 41,0

– 2, 5

– 5,5

Toerekenbare rentelasten

0,5

2,0

1,5

1,3

Balanstotaal Financiële interventies

82,8

62,2

58,7

53,4

Tabel 2.5.4 geeft een geaggregeerd overzicht van de gevolgen van de financiële crisis voor de staatsschuld, de toegerekende rentelasten en het balanstotaal van de operaties. Het balanstotaal bedraagt circa 53 miljard euro. Qua omvang zijn ABN AMRO en de ING back-up faciliteit de grootste balansposten, samen goed voor circa 80 procent van het balanstotaal. Aan de passivazijde staan de financiering opgenomen en de verplichtingen aan ING (Back-up faciliteit) en aan IJsland. Deze activa en passiva maken ook deel uit van de overheidsbalans en de staatsbalans. Behalve deze posten wordt in de monitor ook een overzicht gegeven van de toerekenbare kosten en opbrengsten en van de verstrekte garanties in het kader van de crisismaatregelen. Bij de garanties gaat het alleen om garanties die samenhangen met de financiële en eurocrisis. Een volledig overzicht van garanties van het rijk wordt afzonderlijk gepubliceerd (zie daarvoor de volgende paragraaf 2.5.3).

2.5.3 Voorwaardelijke verplichtingen die niet in de balans tot uiting komen

Voor een totaalbeeld van de toestand van de overheidsfinanciën is ook informatie nodig over risico’s voor de overheidsfinanciën die niet direct uit de begrotingen en balans blijken. Het gaat daar met name om garanties. Een garantie is een voorwaardelijke financiële verplichting van het Rijk aan een derde, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde vooraf afgesproken gebeurtenis (realisatie van een risico) voordoet. Omdat er aan garanties risico’s verbonden zijn wordt meer en meer ingezet op beprijzing van garanties. Het gebruik van het garantie-instrument is de afgelopen paar jaren fors toegenomen uit hoofde van vooral de financiële crisis en de eurocrisis. Overzichten met garanties van het rijk worden al langere tijd gepubliceerd in de Miljoenennota. Tabel 2.5.5 laat zien dat de meeste garanties voorkomen op de begroting van het Ministerie van Financiën voor in totaal 228 miljard euro. De grootste posten zijn daarbij de garanties uit hoofde van de financiële en eurocrisis, de exportkredietverzekering, de deelneming in het IMF en de kernongevallengarantie. Garanties die zijn verstrekt als onderdeel van de crisismaatregelen zijn ook vermeld in de Monitor financiële interventies.

Tabel 2.5.5 Garanties en achterborgstellingen van het Rijk (in miljarden euro’s)
 

2008

2009

2010

2011

Garanties Ministerie van Financiën

wv EFSF

wv Interbancaire leningen

wv DNB – deelneming in kapitaal IMF

wv WAKO

wv EKV

56,0

2,7

9,9

14,0

17,6

145,4

47,1

23,4

14,0

12,3

142,4

25,9

39,0

28,8

14,0

13,4

227,9

97,8

33,2

47,3

14,0

14,5

Garanties Ministerie ELI

4,8

4,3

5,5

5,8

Garanties andere ministeries

14,6

14,6

15,8

16,3

     
Garanties – totaal geëffectueerd risico1

75,3

164,3

163,7

250,0

Geëffectueerd risico als percentage bbp

12,7%

28,8%

27,8%

41,4%

     

Achterborgstellingen

 

192,8

220,2

235,7

wv NHG

 

108,9

126,4

136,2

Noot 1: Geëffectueerd risico. Een garantieregeling van het Rijk kent vrijwel altijd een maximum, dus een plafond. Dit plafond kan een jaarlijks plafond zijn (per jaar mag een maximaal bedrag aan risico worden verleend) of een totaalplafond zijn (er mag nooit meer risico verleend worden dan het plafond).

Vastgesteld kan worden dat de uitstaande garanties ruim 40 procent van het bbp bedragen. De schade-uitkeringen op garanties zijn van een heel andere orde. De jaarlijkse netto schade-uitkeringen zijn daarmee vergeleken beperkt. In 2011 was er zelfs een positief saldo van 300 miljoen euro. Vooral de terugontvangsten uit hoofde van de exportkredietverzekeringen waren hier debet aan.

Het Rijk loopt ook risico’s uit hoofde van achterborgstellingen. Het gaat hierbij om garantieregelingen niet afgegeven door het Rijk zelf, maar door een aangewezen tussenpersoon, bijvoorbeeld een stichting. Het Rijk wordt pas aangesproken als de tussenpersoon niet aan haar verplichtingen kan voldoen. Een voorbeeld van een achterborgstelling is de Nationale Hypotheek Garantie (NHG). Het totaal aan achterborgstellingen is ook opgenomen in tabel 2.5.5.

2.5.4 Toekomstige ontwikkelingen

De Staatsbalans en de overheidsbalans geven inzicht over de financiële situatie van de overheid op een bepaald moment in het verleden. Voor informatie over de toekomst zijn andere bronnen beschikbaar. Voor Nederland maakt het onafhankelijke instituut CPB de vooruitzichten voor de nabije en verre toekomst. De middellange termijn verkenning van het CPB hebben meestal betrekking op een toekomstige kabinetsperiode in geval van ongewijzigd beleid. De houdbaarheidsanalyses van het CPB – de zogenoemde ageing studies – hebben betrekking op de lange termijn.

Voorts heeft het ministerie van Financiën met de publicatie Schokproef Overheidsfinanciën een aantal risico’s voor de overheidsfinanciën in beeld gebracht en bijbehorende simulaties uitgevoerd.

Houdbaarheidsanalyse van het CPB voor de middellange en lange termijn

Voor het beoordelen van de overheidsfinanciën is het ook nodig om naar de verdere toekomst te kijken. De toekomstige begrotingsuitgaven zullen sterk toenemen als gevolg van de kosten van de vergrijzing, zoals de AOW en de zorg.

Beeld houdbaarheidstekort in 2010

De laatste studie van het Centraal Planbureau over de vergrijzing – getiteld Vergrijzing verdeeld – dateert uit 2010. Op basis van projecties van de overheidsuitgaven en –inkomsten wordt berekend hoe het staat met de houdbaarheid van de Nederlandse overheidsfinanciën. Uitgangspunt is daarbij dat alle volgende generaties evenveel profijt hebben van de overheidsfinanciën als bij de huidige generaties het geval is. In tabel 6 zijn de projecties van 2010 uitgedrukt in procenten van het bbp. Het startpunt was de begroting zoals die ten tijde van de studie bij ongewijzigd beleid werd verwacht aan het einde van de huidige kabinetsperiode in 2015. Uit de becijfering resulteert een houdbaarheidstekort. Houdbaarheidstekort is gedefinieerd als de benodigde permanente verbetering van het begrotingssaldo nodig om de overheidsfinanciën houdbaar te maken en onbeheersbare groei van de overheidsschuld op lange termijn te voorkomen. Het houdbaarheidstekort bedroeg toen voor het jaar 2015 circa 29 miljard euro ofwel 4½ procent van het bbp. Als dit gat gedicht is liggen houdbare overheidsfinanciën binnen bereik op langere termijn.

Tabel 2.5.6 Projecties overheidsbegroting (in % bbp)
 

2015

2 040

Uitgaven

49,4

57,7

AOW

5,4

8,5

Zorg

10,3

14,3

Rente

3,1

4,4

Overig

30,7

30,4

Inkomsten

46,6

48,8

Loon- en inkomstenbelasting

23,0

24,7

Indirecte belasting (o.a. btw)

13,3

15,4

Aardgas

1,6

0,1

Overig

8,7

8,6

Begrotingssaldo, EMU-definitie

– 2,9

– 8,9

Begrotingssaldo, robuust

– 2,7

– 5,7

Houdbaarheidstekort

 

Houdbaar saldo

 

Bron: CPB Vergrijzing Verdeeld, 2010

In het regeerakkoord is voor 18 miljard aan maatregelen genomen ter verbetering van de overheidsfinanciën. Mede dankzij dit pakket aan maatregelen resulteerde een afname van houdbaarheidstekort voor 2015 van 29 miljard euro naar 7 miljard euro ofwel 1,1 procent van het bbp in het Centraal Economisch Plan 2012 (in deze cijfers heeft het CPB nog niet alle maatregelen van het kabinet meegenomen).

Update houdbaarheidstekort 2012

Het CPB heeft in maart 2012 in het CEP een nieuwe MLT gepubliceerd. Ten opzichte van de raming van september 2010, waarin de maatregelen van het regeer- en gedoogakkoord zijn verwerkt, is het houdbaarheidstekort met 10 miljard euro verslechterd naar 2,6 procent van het bbp ofwel 17 miljard euro. Deze 10 miljard is de resultante van negatieve en positieve ontwikkelingen. Negatief is vooral het achterblijven van de belastingopbrengsten bij de economische groei.

Schokproef Overheidsfinanciën: risico’s in beeld

In 2011 heeft het ministerie van Financiën de Schokproef Overheidsfinanciën uitgebracht. De schokproef biedt inzicht in de ontwikkeling van de overheidsfinanciën bij forse schokken. Bestaande analyses van bijvoorbeeld het CPB geven al veel informatie over de effecten van beperktere afwijkingen ten opzichte van het basispad. De schokproef kijkt niet alleen naar de directe effecten van schokken op de economie en de overheidsfinanciën, maar ook naar de indirecte effecten als gevolg van interventies in de financiële sector en de overheidsgaranties. Het indirecte effect van overheidsgaranties loopt via de eventuele aanspraak erop. Zo laat de simulatie mondiale economische crisis schuldopdrijvende effecten van garanties zien van circa 2 procent van het bbp in 5 jaar via een beroep op de garantieregelingen als exportkredietverzekering en EFSF.

Daarnaast wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de correlatie tussen risico’s. In de praktijk treden schokken zelden alleen op.

Tabel 2.5.7 Schokproef Overheidsfinanciën. Voorbeeld: gevolgen van simulatie 2: Europese schuldencrisis (mutaties ten opzichte van het basispad)
 

Jaar 1

Jaar 2

Jaar 3

Jaar 4

Jaar 5

Relevant wereldhandelsvolume1

– 7,4

– 8,7

– 5,8

– 5,7

– 6,4

Lange rente2

– 0,1

– 0,1

0,0

0,0

0,0

Bruto binnenlands product

– 2,9

– 4,2

– 4,2

– 4,7

– 5,4

Particuliere consumptie

– 3,6

– 5,0

– 6,3

– 8,1

– 9,1

Uitvoer goederen, exclusief energie

– 5,8

– 7,7

– 5,7

– 5,9

– 6,8

Prijs bruto binnenlands product

– 0,3

– 0,2

1,3

2,8

3,2

Werkloosheid (% beroepsbevolking)

0,9

2,3

2,3

2,1

2,2

EMU-saldo (% bbp)

– 1,3

– 2,3

– 2,4

– 2,4

– 2,6

EMU-schuld (% bbp)

8,4

13,2

14,7

16,2

18,9

Noot 1: Cumulatieve afwijking ten opzichte van het niveau in het basispad in procenten.

Noot 2: Cumulatieve afwijking ten opzichte van het niveau in het basispad in absolute zin (afwijkingen uitgedrukt in %-punt).

De in de schokproef uitgevoerde simulaties laten het effect van schokken zien zonder aanvullende beleidsreactie. In praktijk is het aannemelijk dat bij grote schokken de overheid wel zal reageren. De veronderstelling van het achterwege blijven van een aanvullende beleidsreactie is niettemin nuttig om de effecten van schokken op de overheidsfinanciën inzichtelijk te maken. In lijn met het basispad van het CPB voor de middellange termijn beslaan de simulaties de periode 2011–2015 van het regeerakkoord.

2.5.5 Waar staan we nu?

Voorgaande paragrafen bieden een overzicht van de verschillende bronnen die een licht werpen op de stand van de overheidsfinanciën.

Het EMU-tekort en de EMU-schuld van nu en de toekomst bieden een direct inzicht de ontwikkeling van de overheidsfinanciën. De EMU-schuld geeft immers aan in welke mate de overheid moet lenen op de kapitaalmarkten om de lopende uitgaven te kunnen blijven financieren.  De ontwikkeling van het EMU-saldo laat zien hoe het huishoudboekje er jaarlijks voorstaat en of de overheid erin slaagt een bijdrage te leveren aan verlaging van de EMU-schuld.

De vergrijzigingssommen geven inzicht in de ontwikkeling van de overheidsfinanciën voor de lange termijn: is de overheid in staat om alle generaties op een gelijke wijze te laten delen in de welvaart of wordt een deel van de rekening die door het opbouwen van de overheidsschuld ontstaat, verschoven naar toekomstige generaties. Dit kabinet heeft het houdbaarheidstekort fors verkleind. De recente economische verslechtering heeft echter een deel van deze verbetering van de houdbaarheid teniet gedaan. De overheidsbalans geeft het totaal aan bezittingen en schulden weer. Het brengt het vermogen opgebouwd in het verleden in kaart van de BV Nederland. Het vermogen is onderhevig aan gevoeligheden met betrekking tot waarderingsmethoden van bezit en schuld. Het geeft expliciet geen inzicht in de vraag of de overheidsfinanciën zich op een houdbaar pad bevinden en sluit ook niet aan op het EMU-schuldbegrip.

In (de projecties van) het EMU-tekort, schuld, de overheidsbalans en de vergrijzingssommen wordt geen rekening gehouden met gevoeligheden van de overheidsbegroting voor financiële schokken of de mate waarin de overheid, direct of indirect, garant staat voor andere spelers in de economie. Beide aspecten leveren risico’s op voor de overheidsbegroting die bovenop het EMU-tekort en de vergrijzingssommen kunnen komen. Het eerder vermelde garantieoverzicht en de schokproef overheidsfinanciën geven inzicht in deze risico’s. Door waar mogelijk kostendekkende vergoedingen af te spreken worden risico’s van garanties deels ingeprijsd en daarmee beperkt. Dit laat onverlet dat de risico’s reeds opgelopen zijn tot ruim 40 procent van het bbp. De schokproef laat zien dat externe schokken in samenhang grote maatschappelijke en financiële gevolgen kunnen hebben. Omdat deze schokken zich grotendeels buiten het directe invloedssfeer van de overheid manifesteren is het verbeteren van het (structurele) EMU-saldo en verlaging van de EMU-schuld de beste manier om voorbereid te zijn op dergelijke schokken. Dit onderstreept het belang van financiële buffers om onze economie en de overheidsbegroting door roerige tijden te loodsen.