Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

4.3 Financieringsactiviteiten publiek-private sector

4.3.1 Algemene beleidsdoelstelling

Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen bij investeren in en verwerven, afstoten en beheren van de financiële en materiële activa van de Staat.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De minister van Financiën is verantwoordelijk voor het aandeelhouderschap van de meeste staatsdeelnemingen. In 2011 is verder gegaan met de implementatie van de vier sporen (strategie, investeringsbeslissingen, vermogenspositie, beloningsbeleid) van het deelnemingenbeleid. Het afgelopen jaar lag het zwaartepunt van het aandeelhouderschap op de beoordeling van de investeringsagenda van de deelnemingen.

In 2011 zijn de aandelen in de financiële instellingen (ABN AMRO Group NV, ASR Nederland NV en ABN AMRO Preferred Investments BV), die tijdens de kredietcrisis zijn verworven en nog in directe handen van de Staat waren, overgedragen aan de Stichting Administratiekantoor Beheer Financiële Instellingen (NLFI)30 tegen uitgifte van certificaten in het kapitaal van de onderneming. NLFI draagt de verantwoordelijkheid voor het ontwikkelen en implementeren van een financieel gezonde beheer- en exitstrategie voor deze deelnemingen. De hoofdlijnen van het exitbeleid zijn verwoord in de brief die op 24 januari 2011 naar de Kamer is gestuurd. Het belang dat de Staat heeft in RFS Holdings B.V. is nog niet overgedragen wachtende onderzoek naar mogelijke verplichtingen met betrekking tot de overdracht. Wachtende de overdracht worden de aandelen beheerd door NLFI.

Als gevolg van de kredietcrisis heeft de Staat in 2008 steun verleend aan ING, SNS en AEGON door de koop van zogenoemde Core Tier 1 securities die de instellingen uitgaven om hun kapitaalpositie te versterken. ING heeft in 2011 voor € 2 miljard aan securities teruggekocht en daarbovenop een premie van € 1 miljard betaald. Aegon heeft in 2011 in twee tranches alle nog uitstaande securities – in totaal € 1,5 miljard – samen met een premie van € 750 miljoen teruggekocht.

Ten slotte bevordert de minister van Financiën het binnen budget, op tijd en met de gewenste kwaliteit realiseren van publieke investeringsprojecten die in samenwerking met de markt worden verwezenlijkt. De rol van waaruit Financiën deze doelstelling tracht te realiseren kan variëren. Zo heeft Financiën bij projecten als de Compacte Rijksdienst, het sourcingprogramma Defensie en de veiling van telecomfrequenties in 2011 een adviserende rol gespeeld ten aanzien van de vraag hoe dergelijke projecten binnen de geldende publieke voorwaarden zo doelmatig mogelijk kunnen worden vormgegeven. Daarnaast is Financiën beleidsverantwoordelijk voor de contractvorm Design – Build – Finance – Maintain – (Operate) (DBFM(O)) en ziet zij erop toe dat het instrument daar wordt ingezet waar DBFM(O) het meest geëigende instrument is. Hierbij heeft Financiën een coördinerende en toetsende rol.

Externe factoren

De wijze waarop de uitgangspunten van het deelnemingenbeleid worden toegepast wordt beïnvloed door een aantal externe factoren. Zo maakt de minister van Financiën als aandeelhouder van de staatsdeelnemingen gebruik van de wettelijke kaders die voor aandeelhouders gelden en gebruik van de rechten die voortvloeien uit de statuten van ondernemingen. Bij een aantal staatsdeelnemingen is de Staat geen enig aandeelhouder; in zulke gevallen wordt de zeggenschap gedeeld met medeaandeelhouders. Daarnaast hebben het bestuur en de Raad van Commissarissen hun eigen bevoegdheden en verantwoordelijkheden om de belangen van de onderneming te kunnen dienen. Tijdens de periodieke gesprekken die de Staat heeft met deze organen, worden de behaalde financiële resultaten en het publiek belang dat met de onderneming is gemoeid uitvoerig besproken. Het publiek belang wordt eveneens geborgd door beleidsdepartementen. Beleidsdepartementen zijn verantwoordelijk voor het opstellen van wet- en regelgeving, waarbinnen een staatsdeelneming dient te opereren. De minister van Financiën stuurt de deelnemingen aan op het efficiënt omgaan met middelen binnen het regulerings- en het beleidsmatige kader. Het behalen van een adequaat rendement gelet op de financieringskosten en risico’s van de betreffende staatsdeelneming speelt hierbij een centrale rol. Hiernaast ziet de minister van Financiën erop toe dat beleidswensen van vakdepartementen niet ten koste gaan van de realisatie van een redelijk rendement.

Het kabinet heeft in de Kabinetsvisie op PPS/DBFM(O) besloten om bij publieke investeringsprojecten de oordelen van DBFM(O) optimaal te willen benutten en DBFM(O) bij zoveel mogelijk projecten toe te passen. In principe zal het Rijk daarom voor DBFM(O) kiezen indien dit meerwaarde oplevert. Verder op afstand staande decentrale overheden en semi-publieke partijen in de zorg en onderwijs zijn autonoom en verantwoordelijk voor hun eigen projecten. Het kabinet heeft daarom besloten deze sectoren niet meer actief te stimuleren om DBFM(O) toe te passen. Het is aan hen om te beslissen of zij DBFM(O) willen toepassen. Het is hun keuze of zij net als het Rijk de voordelen van DBFM(O) optimaal willen benutten met het oog op betere dienstverlening voor de burger tegen lagere kosten. In deze sectoren heeft Financiën tot maart 2011 de partijen bij het toepassen van DBFM(O) bij publiek-private investeringen gefaciliteerd.

Tabel budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 3 Financieringsactiviteiten publiek-private sectorBedragen x € 1 000

Algemene beleidsdoelstelling: Optimaal financieel resultaat bij de realisatie van publieke doelen bij investeren in en verwerven afstoten en beheren van de financiële en materiële activa van de Staat

    

Realisatie

Vastgestelde begroting incl. ISB

Verschil

 

2007

2008

2009

2010

2011

2011

2011

Verplichtingen

165 352

37 073 208

58 803 151

–27 770 244

1 027 232

645 857

381 375

Waarvan betalingsverplichting:

       

Verwerving vermogenstitels

50 000

23 340 000

429 667

0

0

0

0

Verplichting kapitaalstorting Tennet

0

0

0

0

600 000

0

600 000

Verplichting kapitaalconversie Fortis

0

0

1 350 000

0

0

0

0

Verplichting Tweede herkapitalisatie ABN AMRO

0

0

2 600 000

1 031 000

0

0

0

Verplichting Fonds Financiële Structuurversterking

0

13 750 000

0

0

0

0

0

Verplichting Superdividend NS naar Prorail

  

0

1 400 000

0

0

0

Meerjarenverplichting aan ING

0

0

19 818 996

1 618 794

461 193

330 000

131 193

        

Waarvan garantieverplichting:

       

Regeling BF

–34 322

–34 716

–11 081

–6 390

–8 322

0

–8 322

Voorwaardelijke verplichting Capital Relief Instrument

0

0

32 611 091

–32 611 091

0

0

0

Garantie Counter Indemnity

0

0

0

950 000

0

0

0

Garanties en vrijwaringen (FCI, NS, WST en Tennet)

139 861

0

1 060 447

–167 198

–49 092

0

–49 092

        

Waarvan overige verplichtingen

9 813

17 924

944 031

14 641

23 453

315 857

–292 404

        

Uitgaven

63 029

37 110 341

9 285 937

6 837 399

3 603 150

3 339 457

263 693

Programma-uitgaven

50 769

37 096 262

9 237 444

6 824 282

3 585 769

3 330 400

255 369

        

Doelst. 1 Aangaan, beheer en afstoten van Staatsdeelnemingen

       

Dotatie begrotingsreserve TenneT

   

1 644

4 800

4 800

0

Kapitaalstorting Tennet

    

300 000

0

300 000

Verwerving vermogenstitels

50 000

23 340 000

429 667

0

0

0

0

        

Doelstelling 2 PPS en activabeleid

       

PPS

335

546

324

6

0

0

0

Onderhoud- en beheerkosten GOB

0

3 725

0

0

0

0

0

        

Doelstelling 3 Beheer van Financiele Instellingen (BFI)

       

Kapitaalverstrekkingen ING, Aegon en SNS REAAL

0

13 750 000

0

0

0

0

0

Kapitaalconversie Fortis

0

0

1 350 000

0

0

0

0

Mandatory Convertible Note

0

0

2 600 000

0

0

0

0

Tweede herkapitalisatie ABN AMRO

   

928 000

0

0

0

Kasschuif tweede herkapitalisatie ABN AMRO

    

0

302 000

–302 000

Kapitaalstorting couponbetaling MCN

   

103 000

0

0

0

        

Doelstelling 4 Back-up faciliteit ING

       

Funding Fee

0

0

3 903 293

4 345 040

3 242 213

2 978 000

264 213

Management Fee

0

0

58 754

46 592

38 756

44 000

–5 244

        

Overige programma-uitgaven

       

Regeling BF

428

1 959

13 918

0

0

1 600

–1 600

Afkoop bijdrage exploitatiebijdrage Westerscheldetunnel

0

0

881 464

0

0

0

0

Uitkering superdividend NS naar Prorail

0

0

0

1 400 000

0

0

0

Uitvoeringskosten tijdelijke regeling tankstations

6

32

24

0

0

0

0

        

Apparaatsuitgaven

12 260

14 079

48 493

13 117

17 381

9 057

8 324

Personeel en materieel

2 712

2 882

3 686

4 106

3 783

4 281

–498

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

9 548

11 197

44 807

9 011

13 598

4 776

8 822

        

Ontvangsten

2 930 366

2 409 470

16 130 388

7 970 200

9 925 613

4 170 414

5 755 199

Programma-ontvangsten

2 930 366

2 409 470

16 130 388

7 970 200

9 925 613

4 170 414

5 755 199

        

Doelst. 1 Aangaan, beheer en afstoten van Staatsdeelnemingen

       

Opbrengst onttrekking vermogenstitels

305 626

379 201

1 400 000

154 600

9 000

0

9 000

Dividend staatsdeelnemingen

659 264

602 677

537 238

617 686

423 226

267 060

156 166

Rente en aflossing div. leningen

79 029

75 021

71 014

67 007

62 999

62 999

0

Afdracht Holland Casino

79 238

45 815

–11 952

9 839

0

0

0

Afdrachten Staatsloterij

110 959

100 535

94 787

108 395

102 423

90 000

12 423

Winstuitkering DNB

983 107

1 181 268

1 279 950

1 658 738

544 278

698 000

–153 722

Terugstorting agio

24 804

19 080

0

0

0

0

0

Premie-ontvangsten garantie TenneT

 

 

 

1 644

4 800

4 800

0

Opbrengst verkoop vermogenstitels

684 509

0

1 320 924

355

150

0

150

        

Doelstelling 3 Beheer van Financiële Instellingen (BFI)

       

Dividend Financiële instellingen

 

 

0

6 410

216 244

0

216 244

Aflossing securities ING, Aegon en SNS Reaal

0

0

6 185 000

500 000

3 500 000

0

3 500 000

Couponbetalingen Fonds fin. Structuurversterking

0

0

1 250 845

154 715

1 750 472

0

1 750 472

Terug te vorderen uitvoeringskosten staatsdeelnemingen

0

2 036

11 772

4 884

4 839

0

4 839

Premie-inkomsten Capital Relief Instrument

0

0

28 214

165 482

0

 

0

Renteontvangsten Mandatory Convertible Note

0

0

0

103 000

0

 

0

Premie-inkomsten Counter Indemnity

  

0

25 555

25 555

25 555

0

        

Doelstelling 5 Back-up faciliteit ING

       

Portefeuille ontvangsten

0

0

3 819 253

4 058 123

3 012 250

2 717 000

295 250

Garantie Fee

0

0

129 260

102 502

85 262

96 000

–10 738

Additionele garantie fee

0

0

0

153 939

128 048

144 000

–15 952

Additionele fee

0

0

13 535

77 067

55 409

65 000

–9 591

        

Overige programma-ontvangsten

       

Regeling BF/PPM

3 830

3 835

548

258

658

0

658

Tijdelijke regeling subsidie tankstations

0

2

0

0

0

0

0

Toelichting bij tabel budgettaire gevolgen van beleid

Verplichtingen

Verplichting kapitaalstorting TenneT (+ € 600 mln.)

Als landelijk netbeheerder heeft Tennet de wettelijke taak om onder meer het landelijk hoogspanningsnet te onderhouden en daar waar nodig uit te breiden en te verzwaren. Voor het uitvoeren van de investeringsagenda in Nederland en om de huidige credit rating te behouden was een aanvulling van het eigen vermogen van Tennet noodzakelijk. Hiertoe is een verplichting van € 600 mln. aangegaan.

Meerjarenverplichting aan ING (+ € 131,2 mln.)

In 2009 is de Staat een Illiquid Assets Back-up Facility overeengekomen met ING. Als gevolg daarvan is er voor de Staat een meerjaren betalingsverplichting aan ING ontstaan. Deze verplichting is toegenomen door de verplichting tot het betalen van een management fee en rentevergoeding over 2011. Daarnaast is de omvang van de verplichting in euro toegenomen door de depreciatie van de euro ten opzichte van de dollar in 2011. De totale betalingsverplichting aan ING is ultimo 2011 afgenomen tot ongeveer € 10,3 mld. (zie saldibalans).

Garanties en vrijwaringen (– € 49,1 mln.)

Van de nog openstaande verplichtingen die voortvloeien uit garanties en vrijwaringen die in het kader van het beheer of na de verkoop van deelnemingen zijn afgeven, is in 2011 € 49,1 miljoen komen te vervallen. Dit is het gevolg van de aflossing die de NS heeft gedaan op de leningen die onder Eurofima uitstaan en waarvoor Financiën garant staat.

Overige verplichtingen (– € 292,4 mln.)

Deze mutatie wordt voornamelijk verklaard door de post «verrekening RFS». Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de uitgaven.

Uitgaven

Kapitaalstorting Tennet (+ € 300 mln.)

De kapitaaluitbreiding van Tennet is in totaal € 600 mln. De uitbreiding wordt in twee tranches uitbetaald, waarbij de eerste tranche in 2011 is voldaan.

Kasschuif tweede herkapitalisatie ABN AMRO (– € 302 mln.)

De kasschuif ziet op het restant van de post «verrekening RFS», waarvoor in het kapitaalplan een bedrag was gereserveerd ter waarde van € 740 mln. Aangezien de verrekening met RFS heeft plaatsgevonden en de Z-share voor 100% gekapitaliseerd is, worden de geraamde middelen niet meer uitgegeven. De € 302 mln. is daarmee komen te vervallen.

Funding fee (+ € 264,2 mln.)

De funding fee is hoger dan geraamd in de begroting voor 2011. Dit komt door de hogere ontvangsten op de IABF (zie toelichting bij de ontvangsten) en doordat elke dollar die binnenkomt, gebruikt wordt om (versneld) te voldoen aan de verplichting aan ING.

Management fee (– 5,2 mln.)

De wisselkoers op moment dat de management fee is betaald was hoger dan de gebruikte rekenkoers (de waarde van één euro uitgedrukt in dollars). Hierdoor is de management fee lager uitgevallen.

Regeling Bijzondere Financiering (– € 1,6 mln.)

Onder de regeling BF staan nog een paar kredieten uit. In 2011 hebben deze kredieten niet tot een schade geleid.

Uitvoeringskosten staatsdeelnemingen (+ € 8,8 mln.)

De hogere uitgaven zien ten eerste op de uitbetaling van een claim in verband met een garantie die ten tijde van de verkoop van 2/3 van de aandelen in Connexxion door de Staat is afgegeven. Ten tweede zien de hogere uitgaven op de (bruto) kosten voor NLFI.

Ontvangsten

Opbrengst onttrekking vermogenstitels (+ € 9 mln.)

Twinning is een staatsdeelneming in afbeheer. Door de verkoop van een aantal participaties beschikte Twinning over overtollige financiële middelen. Deze heeft Twinning in de vorm van een superdividend aan de Staat uitgekeerd.

Dividend staatsdeelnemingen (+ € 156,2 mln.)

Het van de staatsdeelnemingen ontvangen dividend viel mee. Dit werd voornamelijk veroorzaakt door hogere dan verwachte dividenden van de Gasunie, BNG en Schiphol.

Afdrachten staatsloterij (+ € 12,4 mln.)

De meevaller is veroorzaakt door een hoger dan verwachte restafdracht.

Winstafdracht DNB (– € 153,7 mln.)

De winstafdracht door DNB valt lager uit dan geraamd. De reden hiervoor is dat DNB vanwege de toename van de balansbrede risico’s heeft besloten om over het boekjaar 2011 geen interim-dividend uit te keren.

Opbrengst verkoop vermogenstitels (+ € 0,15 mln.)

Eind 2006 heeft de Staat haar belang in het Archeologisch Dienstencentrum (ADC) afgestoten. Bij deze verkoop is een earn out regeling (= mogelijkheid tot extra opbrengst) afgesproken. In 2011 heeft ADC onder de earn out regeling een bedrag van circa € 0,1 mln. uitgekeerd aan de Staat.

Dividend financiële instellingen (+ € 216,2 mln.)

Dit betreft enerzijds het door ABN AMRO en ABN AMRO Preferred Investments uitgekeerde interim-dividend. Anderzijds betreft het de door de aandeelhouders van RFS (de Staat, RBS en Banco Santander) uitgekeerde kapitaalsurplus in RFS.

Aflossing securities Aegon en ING en repurchase fee ( + € 5,25 mld.)

Aegon heeft voor € 1,5 miljard aan securities teruggekocht en daarbovenop een premie betaald van € 750 miljoen. ING heeft voor € 2 miljard aan securities teruggekocht en daarbovenop een premie betaald van € 1 miljard en opgelopen interest van € 472 000.

Terug te vorderen uitvoeringskosten staatsdeelnemingen (+ € 4,8 mln.)

In 2011 zijn er advieskosten doorbelast die samenhangen met de inhuur van externen vanwege de crisisgerelateerde maatregelen.

Portefeuille ontvangsten (+ € 295,3 mln.)

De ontvangsten uit de portefeuille zijn in 2011 hoger dan geraamd in de begroting 2011. Dit is het gevolg van vervroegde aflossingen van de huizenbezitters op de hypotheken.

Garantie fee (– € 10,7 mln.)

De wisselkoers op moment dat de garantie fee is ontvangen was hoger dan de gebruikte rekenkoers (de waarde van één euro uitgedrukt in dollars). Hierdoor is de garantie fee lager uitgevallen.

Additionele betalingen (– € 16,0 mln. en – € 9,6 mln.)

De additionele betalingen vallen iets lager uit dan geraamd in de begroting van 2011. Ook dit komt doordat de gebruikte rekenkoers lager was dan de gemiddelde wisselkoers op moment van ontvangst.

Regeling BF (+ € 0,7 mln.)

Onder de regeling BF staan nog een aantal kredieten uit. Over deze kredieten is provisie uitgekeerd aan de Staat.

4.3.2 Operationele doelstellingen

4.3.2.1 Operationele doelstelling 1: Aangaan, beheer en afstoten van staatsdeelnemingen in lijn met bedrijfseconomische principes en met het oog op het verantwoord behartigen van publieke belangen.

Doelbereiking

In 2011 zijn een aantal accenten gelegd. Er is veel aandacht uitgegaan naar het beoordelen van investeringsvoorstellen van een aantal staatsdeelnemingen. Conform de statuten van de ondernemingen dienen investeringen die boven een vooraf vastgestelde drempelwaarde liggen ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de algemene vergadering van aandeelhouders, in casu de minister van Financiën. De investeringsvoorstellen worden onder meer beoordeeld op nut en noodzaak en op de financiële implicaties voor de onderneming en de aandeelhouder.

Ultimo 2011 is met 93%32 van de staatsdeelnemingen overeenstemming bereikt over een nieuw beloningsbeleid. Hierdoor is over de hele linie van de portefeuille van staatsdeelnemingen een forse matiging van bestuurdersbeloningen gerealiseerd.
Net als in 2010 is ook dit jaar een «Jaarverslag Beheer staatsdeelnemingen»33 uitgebracht. Dit verslag gaat in den brede in op het beheer van de staatsdeelnemingen in het jaar 2010. De ontwikkelingen worden beschreven aan de hand van de pijlers uit het deelnemingenbeleid. Daarnaast wordt het jaar 2010 per staatsdeelneming geëvalueerd.

Meetbare gegevens

De minister van Financiën beoordeelt periodiek of staatsaandeelhouderschap nog steeds noodzakelijk is. De samenstelling van de portefeuille kan veranderen indien een rol voor de Staat als aandeelhouder minder voor de hand ligt of zelfs niet meer wenselijk wordt geacht. Dat zou aanleiding kunnen zijn om op termijn het afstoten van een belang te overwegen.

De staatssecretaris van het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft in maart 2011 aan de Kamer gemeld dat het kabinet geen rol meer ziet voor de Staat als aandeelhouder in Holland Casino en de Staatsloterij34. Voordat privatisering kan plaatsvinden, dient echter wel het regelgevend kader voor de marktordening te worden ingevuld, teneinde het publiek belang adequaat te kunnen borgen. Het ministerie van Veiligheid en Justitie is belast met de herziening van de voorwaarden van de concessieverlening.
Medio 2011 is ook middels het Energierapport aan de Kamer gemeld dat onderzoek wordt gedaan naar minderheidsprivatiseringen bij Tennet en Gasunie35. Een minderheidsprivatisering maakt kruiselingse participaties over de grens beter mogelijk en is interessant gezien de toenemende financieringsbehoefte van de ondernemingen, die voortkomt uit hun uitgebreide investeringsagenda. In de situatie van eventuele minderheidsprivatiseringen moet worden beoordeeld of een kleiner belang leidt tot ongewenste vermindering van de zeggenschap van de Staat als aandeelhouder. Ook moet in ogenschouw worden genomen dat de Staat na een minderheidsprivatisering rekening moet houden met de positie van minderheidsaandeelhouders.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

kengetal1

2007

2008

2009

2010

Streef-waarde 2011

2011

– % deelnemingen dat de Corporate Governance Code «comply or explain» toepast

86

85

88

942

100

88

– % van deelnemingen dat minimaal een C-rating heeft conform de richtlijnen van het Global Reporting Initiative (GRI)

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

90

88

– % deelnemingen waarvan het beloningsbeleid conform de methodiek3 is vastgesteld

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

90

93

– % van deelnemingen met dividend pay-out ratio4 van ten minste 40%

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

70

47

– % van deelnemingen met een minimum return on equity (RoE) van 8%

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

60

47

Noot 1: Deelnemingen met volwaardige bedrijfsactiviteiten en waarvan het aandeelhouderschap in het beheer is van de minister van Financiën zijn meegenomen in de kengetallen. Voor beloningsbeleid zijn Thales en KLM buiten beschouwing gelaten vanwege de beperkte toepasbaarheid van de methodiek.

Noot 2: In 2010 werd een andere wijze van meting gebruikt waardoor het percentage hoger uitviel. Per 2011 is de meting van de streefwaarde gewijzigd.

Noot 3: Kamerstukken II 2008/09, 28 479, nr. 39

Noot 4: Niet voor alle staatsdeelnemingen geldt een uitbetaling van dividend middels een vooraf vastgesteld dividend pay-out ratio.

Bron: Jaarverslagen en statuten van de ondernemingen uit de huidige portefeuille staatsdeelnemingen (exclusief verworven financiële deelnemingen naar aanleiding van de kredietcrisis)

De meetbare indicatoren 2 t/m 5 zijn voor het eerst in de ontwerpbegroting 2011 opgenomen. Deze zijn representatief voor het publieke karakter en de bedrijfseconomische principes die gehanteerd worden bij het uitoefenen van het aandeelhouderschap. Ten behoeve van de realisatiecijfers over 2011 wordt gekeken naar de realisaties die samenhangen met het verslagjaar/boekjaar 2010 van de staatsdeelnemingen. Immers, er kan niet op 2011 worden teruggeblikt zonder de officiële jaarrekeningen en jaarverslagen over 2011.

Er zijn twee indicatoren die toelichting behoeven vanwege de significante afwijking van de streefwaarde.

Het minimum rendement op eigen vermogen dat als streefwaarde is opgenomen wordt niet door 60% van de staatsdeelnemingen gerealiseerd, maar slechts door 47% van de staatsdeelnemingen. Dit heeft een drietal oorzaken. Ten eerste wordt het veroorzaakt doordat een aantal staatsdeelnemingen een grote investeringsagenda heeft, waarbij de rendementen pas over een aantal jaren worden gerealiseerd. Ten tweede is er in sommige gevallen vanwege ongunstige marktomstandigheden sprake van tegenvallende resultaten. Tenslotte zijn er staatsdeelnemingen die een gereguleerd rendement hebben, dat lager ligt dan 8%. De uiteindelijk gerealiseerde pay-out ratio hangt veelal samen met het rendement. De staatsdeelneming dient namelijk niet door financiële key ratio’s te zakken, die de continuïteit van de staatsdeelneming in gevaar zouden kunnen brengen. De pay out-ratio kan daarom soms lager liggen dan als norm wordt gehanteerd binnen het staatsdeelnemingenbeleid. De overige indicatoren werden wel behaald of liggen heel dicht bij de streefwaarde.

4.3.2.2. Operationele doelstelling 2: Het binnen budget, op tijd en met de gewenste kwaliteit realiseren van publieke transacties, met name investeringsprojecten, die in samenwerking met de markt worden verwezenlijkt

Doelbereiking

Naast de meer traditionele rol van bewaken van de uitgaven en ontvangsten van de staat, adviseert de minister van Financiën bij complexe investeringsprojecten en financiële transacties waarvoor andere beleidsdepartementen primair verantwoordelijk zijn. Financiën adviseert hoe geld en middelen kunnen worden ingezet zodat publieke doelen worden bereikt met de gewenste kwaliteit, binnen budget, op tijd en met goede beheersing van de risico’s. In 2011 heeft Financiën meegewerkt aan het realiseren van een efficiëntere en effectievere organisatie binnen het sourcingprogramma Defensie door sourcingafwegingen en -trajecten te faciliteren. In het programma Compacte Rijksdienst heeft Financiën het gebruik van business cases geïntroduceerd om vooraf de mogelijke financiële resultaten inzichtelijk te maken, waarmee tevens een bijdrage wordt geleverd aan het verbeteren van de projectbeheersing. Ook is in 2011 onderzoek verricht naar de vraag of publiek-private samenwerkingsvormen een bijdrage kunnen leveren aan een doelmatige realisatie van windenergie op zee.

Advisering over complexe financiële transacties betrof onder andere het verdelen van schaarse vergunningen, zoals het veilen van telecomfrequenties, het verlenen van radiofrequenties en het verstrekken van vergunningen voor online gaming. Tenslotte valt het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB) onder de verantwoordelijkheid van de minister van Financiën, waarbij wordt gestuurd op het vastgesteld financieel kader. Het streven naar een bedrijfseconomisch doelmatig handelen in vastgoed door het Rijk komt terug in de algemene doelstelling en operationele doelstellingen 1 en 2 van artikel 7.

Naast het toezien en adviseren bij deze complexe projecten is ingezet op het verder implementeren van DBFM(O) bij wegen en gebouwen van het Rijk. De minister van Financiën is verantwoordelijk voor het algemene DBFM(O) beleid, de coördinatie van dat beleid inclusief een goede kennisdeling en ziet erop toe dat het beleid goed wordt toegepast. Met de komst van het kabinet Rutte, is in 2011 de kabinetsvisie op DBFM(O) opnieuw geformuleerd. Het kabinet wil de voordelen van DBFM(O) optimaal benutten en DBFM(O) bij zoveel mogelijk projecten toepassen. In principe zal het Rijk voor DBFM(O) kiezen indien dit meerwaarde oplevert. Bij de decentrale sectoren (zorg, scholen en infrastructuurprojecten van decentrale overheden) is vastgesteld dat decentrale partijen zelf verantwoordelijk zijn of zij DBFM(O) willen toepassen en de vruchten daarvan willen plukken. Het Rijk, waaronder de Rijkswaterstaat, de Rijksgebouwendienst en het ministerie van Financiën, is desgewenst bereid om decentrale partijen hierbij te faciliteren door barrières voor DBFM(O) weg te nemen alsmede door kennis en expertise ter beschikking te stellen. Het loket «PPSsupport» zal hiervoor het contactpunt vormen.

Meetbare gegevens

Voor wat betreft de toepassing bij uitvoering (de zogenoemde «Design-Build-Finance-Maintain-Operate» DBFMO-contracten) is het aantal goed toegepaste PPC’s een indicator. Een Public Private Comparator (PPC) bevat een kostenvergelijking, waarbij een project in een DBFM(O)-variant wordt vergeleken met hetzelfde project in een traditionele variant. Een PPC biedt basis voor de besluitvorming over de DBFM(O)-variant van een project. In de PPS-code Rijksoverheid 2008 is vastgelegd dat voor alle voorgenomen investeringen in Rijksgebouwen (nieuwbouw of renovatie) boven € 25 mln. en Rijksinfrastructuur boven de € 60 mln. PPC’s worden uitgevoerd. Daarmee is het aantal uitgevoerde PPC’s afhankelijk van het aantal voorgenomen investeringen.

Onderstaande indicator is met de ontwerpbegroting 2011 uitgebreid. Buitenom het aantal uitgevoerde ppc’s, wordt in het jaarverslag 2011 ook getoond hoe vaak gekozen wordt voor DBFM(O) bij een positieve ppc toets. De verantwoordelijkheid voor de beslissing om volgens pps (DBFMO) aan te besteden, ligt bij de vakdepartementen en, bij gebouwgebonden pps, tevens bij de cliënten van de Rijksgebouwendienst. De vakdepartementen dragen de primaire verantwoordelijkheid voor het welslagen van de projecten en dus voor het behalen van doelstellingen van bedrijfseconomische efficiëntie en doelmatigheid.

Realisatie meetbare gegevens bij de operationele doelstelling

Overzicht uitgevoerde PPC’s en DBFM(O)-projecten

Type Onderzoek

2007

2008

2009

2010

20111

I&M-infra

     

Uitgevoerde ppc’s

5

3

5

6

7

PPC’s met meerwaarde DBFM(O)

2

1

5

4

7

• Gekozen voor DBFM(O)

1

1

1

0

1

• Besluit nog nemen

1

0

2

2

6

• Gekozen voor niet DBFM(O)-contract

0

0

2

2

0

BZK-Rijksgebouwendienst

     

Uitgevoerde ppc’s

5

3

3

2

3

PPC’s met meerwaarde DBFM(O)

3

2

3

2

2

• Gekozen voor DBFM(O)

3

2

2

2

2

• Besluit nog nemen

0

0

0

0

0

• Gekozen voor niet DBFM(O)-contract

0

0

1

0

0

Defensie

     

Uitgevoerde ppc’s

0

1

0

0

0

PPC’s met meerwaarde DBFM(O)

0

1

0

0

0

• Gekozen voor DBFM(O)

0

1

0

0

0

• Besluit nog nemen

0

0

0

0

0

• Gekozen voor niet DBFM(O)-contract

0

0

0

0

0

Scholen

     

Uitgevoerde ppc’s

0

1

1

2

0

PPC’s met meerwaarde DBFM(O)

0

1

1

1

0

• Gekozen voor DBFM(O)

0

0

0

0

0

– • Besluit nog nemen

0

0

0

1

0

• Gekozen voor niet DBFM(O)-contract

0

1

1

0

0

Zorg

     

Uitgevoerde ppc’s

0

0

0

0

0

PPC’s met meerwaarde DBFM(O)

0

0

0

0

0

• Gekozen voor DBFM(O)

0

0

0

0

0

• Besluit nog nemen

0

0

0

0

0

• Gekozen voor niet DBFM(O)-contract

0

0

0

0

0

Decentrale overheden

     

Uitgevoerde ppc’s

0

0

0

0

3

PPC’s met meerwaarde DBFM(O)

0

0

0

0

3

• Gekozen voor DBFM(O)

0

0

0

0

0

• Besluit nog nemen

0

0

0

0

3

• Gekozen voor niet DBFM(O)-contract

0

0

0

0

0

Noot 1: Voor de sectoren scholen, zorg en decentrale overheden zijn de cijfers tot maart 2011.

Bron: Vakdepartementen. Vakdepartementen geven aan als ze een PPC hebben uitgevoerd en wat de uitkomst is. Op basis van deze informatie is de tabel tot stand gekomen.

4.3.2.3 Operationele doelstelling 3: Het beheren/verbeteren van de duurzame waarde en het afstoten dan wel afwikkelen van de tijdelijke overheidsinvesteringen in de gesteunde en overgenomen financiële instellingen

Doelbereiking

In 2011 zijn de aandelen van de financiële instellingen (ABN AMRO Group NV, ASR Nederland NV en ABN AMRO Preferred Investments BV), die tijdens de kredietcrisis zijn aangegaan en nog in directe handen van de staat waren, overgedragen aan de Stichting Administratiekantoor Beheer Financiële Instellingen (NLFI) tegen uitgifte van certificaten in het kapitaal van de onderneming (Wet van 19 mei 2011 houdende Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen).41 Deze overdracht, die bij wet is geregeld, vond plaats op verzoek van de Tweede Kamer en beoogt de politieke invloed op het aandeelhouderschap te minimaliseren. NLFI is vanaf 29 september 2011verantwoordelijk voor het beheer van de aandelen in de financiële instellingen. De minister van Financiën heeft een aantal belangrijke bevoegdheden t.a.v. besluiten van NLFI. Deze zijn vastgelegd in de wet en de statuten. NLFI draagt de verantwoordelijkheid voor het ontwikkelen en implementeren van een financieel gezonde beheerstrategie. Daarnaast ontwikkelt NLFI de exitstrategie voor deze deelnemingen, welke indien de minister dat wenst ook kan worden uitgevoerd door NLFI. Het belang dat de Staat heeft in RFS Holdings B.V. is nog niet overgedragen wachtende onderzoek naar mogelijke verplichtingen met betrekking tot de overdracht. Wachtende de overdracht worden de aandelen beheerd door NLFI.

In 2011 heeft ING € 2 miljard afgelost en daar bovenop een premie van € 1 miljard betaald. ING heeft te kennen gegeven de Staat zo snel mogelijk volledig te willen terugbetalen, maar dit gezien de aanhoudende crisis in de eurozone voorzichtig te willen benaderen.

In 2011 heeft AEGON het laatste deel van de steun afgelost die het bedrijf eind 2008 van de Staat heeft gekregen. Hiermee is AEGON de eerste van de financiële instellingen die de staatssteun geheel heeft afbetaald.

Meetbare gegevens

De uitkomst bij de indicatoren sluit aan bij de gestelde doelstellingen:

Prestatie-indicator

 

2007

t/m

2010

Streefwaarde 2011

2011

De deelneming past de Corporate Governance Code «comply or explain» toe

ABN AMRO:

nvt

Ja

Ja

 

ASR:

nvt

Ja

Ja

De deelneming heeft minimaal een C-rating conform de maatstaven van het Global Reporting Initiative (GRI)

ABN AMRO:

nvt

Nee

Ja

 

ASR

nvt

Ja

Ja

Voor de deelneming is een nieuw en duurzaam beloningsbeleid vastgesteld

ABN AMRO:

nvt

Ja

Ja

 

ASR:

nvt

Ja

Ja

De deelneming hanteert een pay-out ratio van ten minste 40%

ABN AMRO:

nvt

Ja

Nee

 

ASR:

nvt

Ja

Nee

Bron: jaarverslagen en statuten van de door de kredietcrisis verworven financiële deelnemingen

ASR heeft in 2011 over het boekjaar 2010 geen dividend aan de Staat uitgekeerd. Ook ABN AMRO heeft in 2011 over het boekjaar 2010 geen dividend aan de Staat uitgekeerd. ABN AMRO heeft daarentegen in 2011 wel een interim-dividend van € 200 miljoen uitgekeerd.

4.3.2.4 Operationele doelstelling 4: Behalen van een zo optimaal mogelijk financieel resultaat voor de illiquid Asset Back-up Faciliteit binnen de contractvoorwaarden en onder aanvaardbaar risico

Bij elke doelstelling worden zogenaamde prestatie-indicatoren opgenomen. Dit zijn meetbare gegevens die inzicht geven in de mate van doelbereiking binnen de verantwoordelijkheid van Financiën.

Soms is het niet mogelijk om indicatoren op te nemen wanneer bijvoorbeeld Financiën niet één op één de uitkomst van het beleid kan beïnvloeden, zoals ook bij de IABF. Wanneer het niet mogelijk is om een prestatie-indicator of kengetal op te nemen, wordt dit bij de desbetreffende operationele doelstelling uitgelegd. Voor de IABF is daarom bepaald dat na afloop van elk jaar (ex post) het resultaat op de transactie zal worden verantwoord.

Doelbereiking

De IABF is één van de kredietcrisismaatregelen. Begin 2009 hebben de Staat en ING Groep N.V. (ING) overeenstemming bereikt over een back-up faciliteit (IABF) die betrekking heeft op de gesecuritiseerde Amerikaanse hypothekenportefeuille van ING (de Alt-A portefeuille).42
De transactie bestaat uit zes kasstromen (figuur 1). In de transactie was initieel sprake van vier kasstromen. De Staat heeft 80% van het risico op de Alt-A portefeuille overgenomen en ontvangt van ING 80% van alle kasstromen die binnenkomen op de portefeuille. Daarnaast ontvangt de Staat een garantiefee. De Staat betaalt een funding fee en een management fee aan ING. Later is een additionele betaling overeengekomen tussen de Staat en ING, waardoor twee extra kasstromen zijn toegevoegd.43 De extra betalingen komen overeen met een verhoging van de garantiefee met 0,826 procentpunt en een verlaging van de funding fee met 0,5 procentpunt. De management fee en de (extra) garantie fee worden jaarlijks berekend over de resterende omvang van de portefeuille.
Figuur 1: kasstromen Illiquid Assets Back-up Facility
In juni 2011 heeft ING de verkoop van ING Direct US aangekondigd. De Tweede Kamer is reeds geïnformeerd over de gevolgen van de verkoop van ING Direct US voor de IABF44. De verkoop heeft uiteindelijk in januari 2012 doorgang gevonden. Als gevolg van de verkoop en de afspraken die gemaakt zijn om de IABF over te brengen van ING Direct US naar ING Bank N.V. zal de Staat een vergoeding van ING ontvangen. De vergoeding ziet op het omzetten van de kasstromen naar een verhandelbare lening die in de repo kan worden gebruikt. Met ingang van 2012 zal daarom het aantal kasstromen met één worden uitgebreid. Dit zal tot uiting komen in de volgende suppletoire begroting.
Voorafgaand aan het tot stand komen van de transactie is de portefeuille geanalyseerd. Op basis daarvan is de prijs bepaald. In 2010 is het verwachte resultaat (vooruitkijkend) op de transactie geanalyseerd.45 Daarbij is rekening gehouden met de meest recente ontwikkelingen en inzichten. Het uiteindelijke resultaat op de transactie zal pas na afloop bekend zijn. Contractueel is dit na ca. 40 jaar. Tot die tijd kunnen met behulp van een aantal kerncijfers de ontwikkeling van de gerealiseerde resultaten worden gevolgd (terugkijkend).

Meetbare gegevens

In tabel 1 zijn de omvang de zes kasstromen uit de transactie in 2010 en 2011 weergegeven.

Tabel 1: kasstromen 2010 en 2011

In mln. €

2010

2011

Totaal uitgaven

  

1. Funding fee

4 345

3 242

2. Managament fee

47

39

 

4 392

3 281

Totaal ontvangsten

  

3. Portefeuille ontvangsten

4 058

3 012

4. Garantie fee

103

85

5. Additionele garantie fee

154

128

6. Additionele fee

77

55

 

4 392

3 281

Saldo

0

0

Het kasstromen overzicht laat zien dat elke US dollar (in de tabel zijn dollars omgerekend naar euro’s) die uit de portefeuille of als fee is binnengekomen in 2010 en 2011 ook weer is terugbetaald aan ING. De kasstromen geven beperkt inzicht in de resultaten op de IABF. Een balans en resultaat gebaseerd op een bedrijfseconomische benadering geeft meer inzicht.

Door (vervroegde) aflossingen en afboekingen (verliezen) is de omvang van de RMBS portefeuille in 2011 teruggelopen met ca. $ 3,7 mld. van $ 21,5 mld. (€ 16,1 mld.) tot $ 17,8 mld. (€ 13,8 mld.). De dollars die zijn binnengekomen zijn gebruikt om (versneld) te voldoen aan de verplichting aan ING. Als gevolg daarvan is de gegarandeerde waarde in 2011 teruggelopen met ca. $ 4,1 mld. van $ 17,1 mld. (€ 12,8 mld.) tot $ 13,0 mld. (€ 10,1 mld.) per ultimo 2011. De cijfers in euro en de voor omrekening gebruikte wisselkoersen zijn terug te vinden in tabel 2.

Tabel 2: openingsbalans en balans ultimo 2009, 2010 en 2011 in € mln.

Balans per

31-12-2010

31-12-2011

Balans per

31-12-2010

31-12-2011

RMBS portefeuille

16 085

13 751

Guaranteed Value (GV)

12 761

10 055

Kas ($-rekening)

0

0

Buffer in de transactie

2 728

3 432

Te ontvangen RMBS hoofdsom

291

183

Te betalen GV

323

209

Te ontvangen RMBS interest

48

39

Te betalen funding fee

22

17

Te ontvangen rente

6

4

Resultaat

596

263

Totaal activa

16 429

13 976

Totaal passiva

16 429

13 976

Eurodollar koers

1,3362

1,2939

Eurodollar koers

1,3362

1,2939

In tabel 2 staan ook nog enkele posten vermeld die reeds zijn verwerkt in de resultaten voor 2011, maar per 31-12-2011 nog niet zijn ontvangen van ING of nog niet zijn betaald aan ING.

Balans en relatie met de saldibalans

De saldibalans in bijlage C van het jaarverslag vermeldt de resterende meerjaren betalingsverplichting per ultimo 2011. De meerjaren verplichting (€ 10,26 mld.) is opgebouwd uit de gegarandeerde waarde ultimo 2011 (€ 10,06 mld.) plus een verplichting van de Staat aan ING die begin 2012 is voldaan, maar betrekking heeft op december 2011 (€ 0,2 mld.). De verplichting luidt in US dollar en wordt omgerekend naar euro met de ECB referentiekoers.

De saldibalans in bijlage C vermeldt ook de omvang van de Alt-A portefeuille die tegenover de verplichting aan ING staat. De omvang van de Alt-A portefeuille luidt in US dollar en wordt omgerekend naar euro met de ECB referentiekoers. De nominale omvang van dat deel van de Alt-A portefeuille waarvoor de Staat risico’s heeft overgenomen bedroeg € 13,75 mld. per ultimo 2011. Het op de saldibalans vermelde bedrag (€ 13,93 mld.) omvat daarnaast een deel van de portefeuille-ontvangsten die in december 2011 door ING zijn ontvangen, maar pas in januari 2012 zijn betaald aan de Staat (€ 0,18 mld.).

Buffer in de transactie

In tabel 3 is de omvang van de buffer in de transactie zichtbaar. De buffer in de transactie is sinds het aangaan van de transactie toegenomen van 10% tot 26,9% van de nominale omvang van de portefeuille per ultimo 2011. Dit is inclusief het resultaat over 2011.

De buffer neemt jaarlijks toe met de omvang van het resultaat. In 2010 was er sprake van een positief resultaat van € 596 mln. en in 2011 was het resultaat € 263 mln. Het verschil van € 333 mln. wordt veroorzaakt door minder ontvangen fees als gevolg van een dalende portefeuille en oplopende verliezen.

Als er sprake is van een negatief resultaat, bijvoorbeeld door forse verliezen op de portefeuille, daalt de omvang van de buffer in absolute zin. Relatief gezien zal de groei van de buffer dan stagneren of afnemen. De toename in de buffer is gevolg van het financieringsvoordeel, het netto resultaat op de fees en doordat de verliezen beperkt zijn gebleven. Tabel 3 illustreert dit.

Tabel 3: ontwikkeling van de buffer in de transactie

Oorspronkelijke omvang van de buffer 26-01-2009

10,0%

Toename door financieringsvoordeel

1,8%

Toename door netto resultaat op de fees

0,4%

Toename buffer doordat verliezen beperkt zijn

1,8%

Omvang van de buffer 31-12-2009

14,0%

Toename door financieringsvoordeel

2,7%

Toename door netto resultaat op de fees

1,3%

Toename buffer doordat verliezen beperkt zijn

2,7%

Omvang van de buffer 31-12-2010

20,7%

Toename door financieringsvoordeel

2,6%

Toename door netto resultaat op de fees

1,3%

Toename buffer doordat verliezen beperkt zijn

2,3%

Omvang van de buffer 31-12-2011

26,9%

Het financieringsvoordeel in 2011 is nagenoeg gelijk als in 2010. Dit komt door het effect van de additionele betaling die overeenkomt met een verlaging van de funding fee. Deze additionele betaling is eind 2009 overeengekomen en heeft daardoor in zowel 2010 als in 2011 effect, maar heeft slechts beperkt effect gehad in 2009. Daarnaast is ook het effect van de lagere financieringskosten zichtbaar. De verplichting aan ING neemt versneld af doordat elke dollar die binnenkomt weer wordt terugbetaald aan ING. De omvang van de financieringskosten neemt daardoor sneller af dan de omvang van de renteontvangsten uit de portefeuille.

De toename van de buffer als gevolg van het netto resultaat op de fees is in 2011 gelijk aan die in 2010. De additionele betaling die overeenkomt met een verhoging van de garantiefee, die eveneens eind 2009 is overeengekomen, heeft in 2010 voor het eerst effect gehad en dit werkt door in 2011.

Doordat de buffer in 2010 is gestegen, kunnen daarmee in 2011 meer verliezen worden opgevangen. De verliezen op de portefeuille nemen weliswaar toe (zie later in dit verslag), maar blijven ook in 2011 nog achter ten opzichte van de omvang van de buffer. Hierdoor stijgt de buffer in de transactie in 2011 vooralsnog verder.

Buffer in de obligaties

Naast de buffer in de transactie is er ook sprake van een buffer in de obligaties, de zogenaamde credit enhancement. Het merendeel van de obligaties in de portefeuille kent door hun kwaliteit een buffer. De gemiddelde credit enhancement in de portefeuille is in 2011 verder afgenomen en bedraagt nu ca. 11,55 (zie figuur 2). De credit enhancement geeft aan hoe groot de bescherming is tegen verliezen op de onderliggende hypothekenpool doordat deze verliezen eerst worden opgevangen door «overcollateralization» of (houders van) obligaties met een lagere rating. Indien op een obligatie sprake is van een credit enhancement van 0 komen de eerstvolgende verliezen op de onderliggende hypothekenpool voor rekening van de houder(s) van die obligatie.

Figuur 2: gemiddelde credit enhancement

Ontwikkeling van de verliezen op de portefeuille

Als de gemiddelde credit enhancement in de portefeuille afneemt, zullen de verliezen die voor rekening van de Staat komen toenemen. Door toenemende verliezen zal in eerste instantie de buffer in de transactie dus minder hard stijgen of bij forse verliezen zelfs gaan afnemen. Dat de verliezen voor rekening van de Staat sneller toenemen is reeds zichtbaar in 2011 (zie figuur 3). Het totale verlies blijft vooralsnog beperkt tot ca. 1,4% van de oorspronkelijke omvang van de portefeuille. Tot op heden zijn de verliezen lager dan verondersteld was in de meest recente begroting van 2011, welke gebaseerd was op de meest recente analyse.

Figuur 3: cumulatief verlies (% van de oorspronkelijke omvang portefeuille)

4.3.3 Overzicht afgeronde onderzoeken

Type Onderzoek

Onderzoekonderwerp

AD of OD

Start

Afgerond

Vindplaats

Beleidsdoorlichting

     

Effectenonderzoek ex post

Overig evaluatieonderzoek

Kabinetsvisie DBFMO/PPS

OD2

2011

2011

Kamerstukken II 2010/11, 28 753, nr. 23

Toelichting tabel

In 2011 heeft de Tweede Kamer met de komst van het nieuwe kabinet gevraagd om de nieuwe kabinetsvisie op DBFMO. Deze is in maart 2011 aan de Tweede Kamer verzonden. De kabinetsvisie is gebaseerd op analyses van de ervaringen met DBFMO tot nu toe zowel op Rijksniveau als op decentraal niveau (bij onderwijshuisvesting, zorghuisvesting en infrastructuur van decentrale overheden). Grotendeels zijn deze ervaringen al verwoord in de DBFMO Voortgangsrapportages 2010, 2008, 2006 en eerdere rapportages. De bijlage bij de kabinetsvisie op DBFMO bevat de laatste stand van zaken ten aanzien van DBFMO. Bij het opstellen van de Ontwerpbegroting 2011 was dit evaluatieonderzoek nog niet voorzien, waardoor dit het onderzoek niet is aangekondigd in de begroting.

Noot 30: Op 29 september 2011. Wet van 19 mei 2011 houdende Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen, Kamerstukken II 2010/11, 32 613, nr. 3.

Noot 32: Thales en KLM zijn niet opgenomen in het beloningskader vanwege het geringe belang dat de staat heeft in de deelnemingen en dientengevolge de beperkte zeggenschap. Hiernaast opereren de deelnemingen in een volledig commerciële omgeving, waardoor vergelijking met genormeerde topinkomens uit de (semi)publieke sector minder voor de hand ligt.

Noot 33: Kamerstukken II 2011/12, 28 165, nr. 131.

Noot 34: Kamerstukken II 2010/11, 24 557, nr. 124.

Noot 35: Kamerstukken II 2010/11, 31 510, nr. 45.

Noot 41: Kamerstukken II 2010/11, 32 613, nr. 3.

Noot 42: Kamerstukken II 2008/09, 31 371, nr. 95.

Noot 43: Kamerstukken II 2009/10, 31 371, nr. 273.

Noot 44: Kamerstukken II 2010/11, 31 371, nr. 362.

Noot 45: Kamerstukken II 2010/11, 31 371, nr. 353.