Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

HOOFDSTUK 4: BATEN-LASTENDIENSTEN

AGENTSCHAP SZW

Tabel 4.1 Begroting van baten en lasten Agentschap SZW voor het jaar 2011 (x € 1 000)
 
Realisatie 20091
Raming 20102

2011

2012

2013

2014

2015

Baten

             

Opbrengst moederdepartement

12 026

13 264

16 561

14 572

14 300

12 289

12 289

Opbrengst overige departementen

1 268

1 378

1 100

979

578

375

375

Opbrengst derden

Rentebaten

24

10

30

30

30

30

30

Vrijval Voorzieningen

Baten out of pocket

4 369

3 606

3 800

3 300

3 000

1 300

1 300

Exploitatiebijdrage

890

Onttrekking aan bestemmingsreserve

452

1 532

Totaal baten

19 029

19 790

21 491

18 881

17 908

13 994

13 994

               

Lasten

             

Apparaatskosten

             

– personele kosten

14 344

11 502

13 945

12 109

11 631

9 446

9 446

– materiële kosten

4 186

8 068

7 326

6 592

6 097

4 368

4 368

Rentelasten

 

30

30

30

30

30

30

Afschrijvingskosten

             

– Materieel

46

55

50

50

50

50

50

– Immaterieel

125

135

140

100

100

100

100

Overige kosten

             

– Dotaties voorzieningen

23

– Bijzondere lasten

Totaal Lasten

18 724

19 790

21 491

18 881

17 908

13 994

13 994

               

Saldo van baten en lasten

305

0

0

0

0

0

0

Noot 1: Slotwet

Noot 2: Raming na 1e suppletore begroting 2010

Algemeen

Het Agentschap SZW voert (subsidie)regelingen uit op het terrein van het sociaal-economische beleid, in het bijzonder op het gebied van Werk en Inkomen. Het gaat hierbij om internationale en nationale (subsidie)regelingen. De programmaperiode van de Europese regeling loopt tot en met 2013 met afrondende werkzaamheden in de jaren daarna. De omvang van de organisatie is na 2013 afhankelijk van een eventuele nieuwe programmaperiode. Een nieuwe programmaperiode is nog ongewis. Hiermee is rekening gehouden in de meerjarencijfers door 2014 lineair door te trekken naar 2015. In bovenstaande begroting is nog geen rekening gehouden met eventueel nieuw te acquireren subsidieregelingen.

De kernactiviteiten van het Agentschap SZW worden gevormd door de uitvoering van de Europese subsidieregelingen. In maart 2010 is de eindafrekening van de subsidieregelingen ESF en Equal van de programmaperiode 2000–2006 aan de Europese Commissie gezonden.

De uitvoering van een aantal nationale regelingen zal in de komende jaren worden afgerond. Momenteel worden voorbereidingen getroffen om de uitvoering van enkele nieuwe opdrachten op te starten.

Baten

Opbrengsten moederdepartement

De opbrengst van het moederdepartement betreft grotendeels de uitvoering van de Europese subsidies te weten ESF doelstelling 2 2007–2013. Daarnaast worden in opdracht van het moederministerie diverse andere regelingen uitgevoerd met variërende looptijden. De uitvoering van ESF doelstelling 2 2007–2013 kent in 2011 een piek in de werkzaamheden.

Opbrengst overige departementen

Agentschap SZW voert de volgende subsidieregelingen in opdracht van andere departementen uit:

  • –  regeling Kinderopvang in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW);
  • –  bekostiging van de Wet Inburgering (Nieuwkomers) in opdracht van het Ministerie VROM (WWI);
  • –  tijdelijke stimuleringsregeling Inburgering op de Werkvloer in opdracht van het Ministerie VROM (WWI);
  • –  helpdesk Inburgering in opdracht van het Ministerie van VROM;
  • –  regeling Tegemoetkoming in de Adoptiekosten van het Ministerie van Justitie.

Rentebaten

De rentebaten worden ontvangen over de liquide middelen op de Rekening Courant bij het Ministerie van Financiën.

Baten out of pocket

De baten out of pocket betreffen specifieke wensen van de opdrachtgevers waarvan de werkelijke kosten afzonderlijk in rekening worden gebracht bij de opdrachtgevers. De kosten betreffen hoofdzakelijk communicatie- en ICT-kosten; gedurende de periode 2010 – 2014 is er ook sprake van kosten voor uitbesteding van taken.

Onttrekking bestemmingsreserve

Het Agentschap SZW beschikt met instemming van het Ministerie van Financiën (in 2007 verleend) over een geoormerkte bestemmingsreserve. De kosten voortvloeiend uit de krimp van het takenpakket van het Agentschap SZW worden hieruit opgevangen.

Lasten

Personele kosten

De personele kosten vormen de belangrijkste kostenpost voor het Agentschap SZW. Het verloop van de regelingen en hiermee het aantal activiteiten bepaalt in hoge mate de ontwikkeling in de personele kosten. Het huidige personeelbestand bestaat uit een kern van vast en tijdelijk ambtelijk personeel; daarnaast vindt noodzakelijke inhuur van externen plaats (via mantelcontracten SZW).

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan uit personeelsgebonden kosten (reis-, verblijf- en opleidingskosten), huisvestingskosten, automatiseringskosten, kantoorkosten en de kosten van voorlichting & communicatie en advies & onderzoek. De out of pocketkosten (waaronder ook de uitbesteding van taken) maken onderdeel uit van deze post.

Rentelasten

De rentelasten hebben voornamelijk betrekking op de betalingen van toegekende wettelijke renten.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten betreffen de kosten van afschrijving van materiële en immateriële activa, zoals hardware en software.

Bijzondere lasten

Het Agentschap SZW verwacht geen bijzondere lasten te realiseren.

Saldo van baten en lasten

Het saldo van baten en lasten zal in het jaar van ontstaan opgenomen worden in het onverdeelde resultaat. In het jaar daarop wordt het resultaat verwerkt in overeenstemming met het besluit van de eigenaar.

Tabel 4.2 Kasstroomoverzicht Agentschap SZW voor het jaar 2011 (x € 1 000)
   
Realisatie 20091
Raming 20102

2011

2012

2013

2014

2015

1

Rekening courant RHB 1 januari

(incl. deposito)

4 208

3 965

2 583

2 623

2 623

2 673

2 723

                 

2

Totaal operationele kasstroom

– 255

– 1 282

190

150

150

150

150

                 

3a

– /– totaal investeringen

– 3

– 100

– 150

– 150

– 100

– 100

– 100

3b

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

15

3

Totaal investeringskasstroom

12

– 100

– 150

– 150

– 100

– 100

– 100

                 

4a

– /– eenmalige uitkering aan moederdepartement

4b

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

4c

–/– aflossingen op leningen

4d

+/+ beroep op leenfaciliteit

4

Totaal financieringskasstroom

                 

5

Rekening courant RHB 31 december (incl. deposito)

3 965

2 583

2 623

2 623

2 673

2 723

2 773

Noot 1: Slotwet

Noot 2: Raming na 1e suppletore begroting 2010

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het geraamde saldo van baten en lasten, gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in het werkkapitaal.

Investeringskasstroom

De investeringskasstroom wordt bepaald door de geschatte investeringen in materiële en immateriële activa. Kleinschalige investeringen (op het gebied van hard- en software) worden uit eigen vermogen gefinancierd.

Tabel 4.3 Overzicht doelmatigheidsindicatoren en kengetallen Agentschap SZW: Financiële indicatoren
 

2011

2012

2013

20141

2015

Tarieven/uur:

         

– Voorcalculatorisch integraal uurtarief (gemiddeld)

€ 87,86

€ 85,88

€ 85,84

€ 91,80

€ 91,80

– Index ten opzichte van 2010 (2010 = 100)

98,2

96,0

95,9

102,6

102,6

Omzet per produktgroep (pxq) ( x 1 000)

         

– Totale omzet (excl.OOP)

€ 17 661

€ 15 551

€ 14 878

€ 12 664

€ 12 664

– Omzet Europese: nationale regelingen (1)

85 : 15

86 : 14

90 : 10

89 : 11

89 : 11

– Omzet productenregelingen: urenregelingen (2)

90 : 10

90 : 10

90 : 10

90 : 10

90 : 10

FTE-totaal:

         

– FTE-totaal (excl. externe inhuur)

157

149

142

110

110

Omzet per fte:

         

– omzet per FTE inclusief externe inhuur

€ 97 083

€ 94 823

€ 94 764

€ 101 312

€ 101 312

Saldo van baten en lasten (%) (3)

         

– saldo van baten en lasten

0

0

0

0

0

– saldo van baten en lasten als % van de totale baten

0%

0%

0%

0%

0%

Productiviteit:

         

– declarabiliteit

= gedeclareerde uren (direct)/beschikbare uren

75%

75%

75%

75%

75%

Ziekteverzuimpercentage:

         

– Ziekteverzuimpercentage (totaal incl.langdurig)

4,9%

4,9%

4,9%

4,9%

4,9%

Uitvoeringskosten per opdracht: (4)

         

Europees: ESF-2 2007–2013 (obv offerte 2010)

         

– uitvoeringskosten/gemiddelde projectsubsidie

4,7%

4,5%

4,5%

4,5%

4,5%

Nationaal: Kinderopvang (obv offerte 2010) (5)

         

– uitvoeringskosten/gemiddelde projectsubsidie

6,7%

nvt

nvt

nvt

nvt

Noot 1: Er is geen rekening gehouden met een nieuwe programmaperiode ESF 2014 –2020. Dit veroorzaakt een breuk in de orderportefeuille en komt tot uiting in de indicatoren en kengetallen 2014 en 2015.

Toelichting financiële indicatoren

  • (1) 

    De uitvoering van de subsidieregeling ESF-2 2007–2013 is een gewaarborgde opdracht tot en met 2014. De inhoud van de programmaperiode 2014–2020 is nog onzeker.

    De nationale opdrachten die het Agentschap SZW uitvoert, zijn doorgaans kortlopend. In de begroting is uitgegaan van de opdrachten die met zekerheid door het Agentschap SZW worden uitgevoerd. Er wordt voorzichtigheidshalve niet vooruitgelopen op prospecten of lopende onderhandelingen.

  • (2) 

    Productenregelingen: uitvoeringskosten = gerealiseerde producten x afgesproken productprijs.

    Urenregelingen: uitvoeringskosten = werkelijk bestede uren x uurtarief.

    Het streven is om elke opdracht als productregeling uit te voeren. Uitzonderingen zijn opdrachten waarbij geen sprake is van concrete producten en nieuwe regelingen waarbij nog onvoldoende ervaringsgegevens beschikbaar zijn om een productprijs te berekenen.

  • (3)  Het Agentschap SZW heeft geen winststreven. In de begroting is het saldo van baten en lasten nihil.
  • (4)  De hoogte van de uitvoeringskosten per project wordt met name bepaald door de subsidie-vereisten die de opdrachtgever stelt. Bovendien speelt de gemiddelde projectsubsidie een rol. De benodigde behandeltijd stijgt niet evenredig met de projectomvang.
  • (5)  De subsidieregeling Kinderopvang is, zoals de meeste nationale regelingen, kortlopend. Deze regeling loopt vanaf 2011 af. Desondanks zijn de uitvoeringskosten van Kinderopvang als indicator opgenomen omdat dit momenteel de enige nationale productenregeling is die met zekerheid nog in 2011 wordt uitgevoerd.
Tabel 4.4 Overzicht doelmatigheidsindicatoren en kengetallen Agentschap SZW: Kwalitatieve indicatoren
 

2011

2012

2013

2014

2015

– Klanttevredenheid: (1)

         

totaalwaardering onderzoek

6,90

7,00

7,10

7,20

7,20

– Telefonische bereikbaarheid: (2)

         

% oproepen dat leidt tot contact

92%

95%

99%

99%

99%

% van contact binnen 15 seconden

60%

65%

70%

75%

75%

– Uitkomsten bezwaar- en beroepsprocedures: (3)

         

% bezwaarprocedures geheel gegrond

7%

5%

5%

5%

5%

% bezwaarprocedures deels gegrond

16%

15%

15%

15%

15%

% beroepsprocedures geheel of deels gegrond

25%

22%

20%

20%

20%

– Aanvragen/einddeclaraties via internet:

         

Europese regelingen

95%

95%

95%

95%

95%

Nationale regelingen

50%

60%

75%

90%

90%

– Doorlooptijd beschikkingen:

         

% tijdige beschikkingen

99%

99%

99%

99%

99%

Aantal dwangsommen betaald

0

0

0

0

0

Bedrag dwangsommen betaald

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

– Doorlooptijd betalingen:

         

% tijdige betalingen

99%

99%

99%

99%

99%

Aantal malen wettelijke rente betaald

0

0

0

0

0

Bedrag wettelijke rente betaald

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

€ 0

Toelichting doelmatigheidsindicatoren

  • (1)  De gemiddelde tevredenheid van de klanten is in 2010 gemeten en bedroeg 6,75. Streven is om in 2014 uit te komen op een score die hoger is dan het gemiddelde van de benchmark (7,12). Het is niet zeker of dit klanttevredenheidsonderzoek jaarlijks zal worden uitgevoerd.
  • (2)  In 2009 is een onderzoek naar de telefonische bereikbaarheid uitgevoerd. De gemeten bereikbaarheid voor de opgenomen indicatoren bedroeg 92% respectievelijk 60%. Streven is om de telefonische bereikbaarheid de komende jaren te verhogen.
  • (3)  De bezwaar- en beroepsprocedures worden door directie WBJA van het Ministerie van SZW uitgevoerd. De resultaten van de procedures zijn ontleend aan de rapportages van WBJA. Voor beroeps- en hoger beroep procedures is geen onderscheid te maken tussen geheel of gedeeltelijk gegrondverklaringen. Het Agentschap SZW hecht meer waarde aan de uitkomsten van de beroepsprocedures als indicator voor de kwaliteit van het subsidieverleningsproces dan aan bezwaarprocedures. Bij de bezwaarprocedures kunnen door de aanvragers namelijk nieuwe feiten en/of omstandigheden worden aangedragen. De gegrondverklaringen in bezwaar geven dus niet in alle gevallen een oordeel over de kwaliteit van het subsidieverleningsproces.

INSPECTIE WERK EN INKOMEN

Tabel 4.5 Begroting van baten en lasten IWI voor het jaar 2011 (x € 1 000)
 
Realisatie 20091

Raming 20102

2011

2012

2013

2014

2015

Baten

             

Opbrengst moederdepartement

16 600

14 065

10 530

10 650

10 675

10 675

10 675

Opbrengst overige departementen

Opbrengst derden

Rentebaten

112

70

35

30

25

20

15

Vrijval voorziening

337

Exploitatiebijdrage

5 636

Totaal baten

22 685

14 135

10 565

10 680

10 700

10 695

10 690

               

Lasten

             

Apparaatskosten

             

– personele kosten

12 960

9 715

8 300

8 300

8 300

8 300

8 300

– materiële kosten

3 790

2 280

2 150

2 150

2 150

2 150

2 150

Rentelasten

28

10

Afschrijvingskosten

             

– Materieel

52

45

40

25

25

25

20

– Immaterieel

25

75

75

75

75

50

Overige kosten

             

– Dotaties voorzieningen

5 828

– Bijzondere lasten

Totaal Lasten

22 683

12 125

10 565

10 550

10 550

10 525

10 470

               

Saldo van baten en lasten

2

2 010

130

150

170

220

Noot 1: Slotwet

Noot 2: Managementrapportage mei 2010

Algemeen

De Inspectie Werk en Inkomen (IWI) draagt door haar toezicht bij aan het doeltreffend functioneren van het stelsel van werk en inkomen. IWI is de onafhankelijke toezichthouder voor de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Het doel van het toezicht van IWI is: onafhankelijk inzicht bieden in de effectiviteit van de uitvoeringspraktijk in samenhang met het beleid op het terrein van werk en inkomen. IWI houdt systeemgericht toezicht. De focus ligt meer op de werking en opbrengsten van het stelsel dan op het functioneren van de afzonderlijke uitvoeringsorganisaties.

Het toezicht van IWI is signalerend: de inspectie heeft geen interventiemogelijkheden. IWI rapporteert over haar toezichtonderzoeken aan de bewindslieden van SZW. Het is aan hen en de uitvoeringsorganisaties om er gevolgen aan te verbinden voor verbetering van de uitvoering en/of het beleid.

In de begrotingen 2011 tot en met 2015 is rekening gehouden met een formatie van 83,7 fte. In de raming 2010 werd nog rekening gehouden met een formatie van 120,6 fte. De afname is het gevolg van de reorganisatie van IWI per 1 maart 2010, waarbij enkele IWI-taken (totaal 29,3 fte) zijn overgeheveld naar andere onderdelen van het departement, alsmede een reductie in de formatie als gevolg van een wijziging in de taken van IWI.

IWI bestaat uit 4 programma-afdelingen (Participatie, Informatieprocessen, Dienstbare overheid en Inkomenszekerheid) en een stafeenheid en wordt geleid door de directeur IWI. IWI maakt samen met de drie directies van de AI en de SIOD onderdeel uit van de Inspectie SZW in oprichting. De inspecteur-generaal SZW staat aan het hoofd van de Inspectie SZW in oprichting.

Baten

Opbrengst moederdepartement

IWI heeft een jaarplan 2011 opgesteld met een uitwerking van de toezichtsactiviteiten in programma’s. IWI levert daarnaast expertise en verricht onderzoek op verzoek van bewindslieden of beleidsdirecties. Binnen de programma’s worden diverse onderzoeken uitgevoerd uitmondend in nota’s van bevindingen. De nota’s van bevindingen zijn de basis voor de twee programmarapportages per programma.

Eind 2010 zal het jaarplan van IWI worden uitgewerkt in de Tarievennota 2011, waarbij per onderzoek de kostprijs zal worden aangegeven (geplande uren maal tarief). De realisatie van de Tarievennota is de basis voor de opbrengsten van IWI. De doorbelasting van de geleverde producten van IWI aan het moederdepartement geschiedt op basis van de ingeplande uren ad 78 456 uur tegen het gecalculeerde uurtarief van € 134,22 per uur. Dit leidt in 2011 tot een opbrengst van € 10 530 000.

Rentebaten

De rentebaten hebben betrekking op de rekening courant en de depositorekeningen bij het Ministerie van Financiën.

Lasten

Apparaatskosten

Personele kosten

Zoals eerder aangegeven zijn de personeelskosten voor 2011 gebaseerd op een formatie van 83,7 fte. Voor de inhuur van personeel en deskundigen is een begrotingspost opgenomen conform de SZW-norm voor inhuur. Daarnaast zijn bedragen opgenomen voor rechtspositionele regelingen, opleidingen en overige personeelskosten.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan uit de kosten voor automatisering/ICT, huisvestingskosten en bureaukosten. Voor zover deze kosten gerelateerd zijn aan de omvang van de personele formatie zijn deze in vergelijking met de voorgaande begroting neerwaarts bijgesteld. Met ingang van 2011 huurt IWI alleen nog de 1e etage in het Rijkskantoor Beatrixpark.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten betreffen de kosten van afschrijving van materiële en immateriële activa, zoals meubilair, hardware en software. De afschrijvingstermijnen zijn afhankelijk van de economische levensduur van de activaposten 3, 5 of 8 jaar.

Saldo van baten en lasten

De begroting 2011 sluit exact. De daarop volgende jaren ontstaat er een klein positief resultaat, oplopend tot ruim € 0,2 miljoen in 2015. De resultaten kunnen nog beïnvloed worden door noodzakelijke dotaties aan de reorganisatie voorziening 2009. Dit doet zich voor als gedetacheerde medewerkers in tegenstelling tot de verwachting geen vaste aanstelling krijgen bij de inlenende organisatie en bij IWI terugkeren en in het geval dat boventallige medewerkers geen andere werkomgeving vinden.

Tabel 4.6 Kasstroomoverzicht IWI voor het jaar 2011 (x € 1 000)
   
Realisatie 20091
Raming 20102

2011

2012

2013

2014

2015

1

Rekening courant RHB 1 januari

(incl. deposito)

12 685

15 193

12 616

8 359

7 939

7 742

7 592

                 

2

Totaal operationele kasstroom

–/– 2 231

–/– 2 240

–/– 4 257

–/– 420

–/– 197

–/– 150

–/– 3

                 

–/– totaal investeringen

–/– 378

3b

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

7

3

Totaal investeringskasstroom

–/– 371

                 

4a

–/– eenmalige uitkering aan moederdepartement

–/– 526

–/– 337

4b

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

5 636

4c

–/– aflossingen op leningen

4d

+/+ beroep op leenfaciliteit

4

Totaal financieringskasstroom

5 110

–/– 337

                 

5

Rekening courant RHB 31 december (incl. deposito)

15 193

12 616

8 359

7 939

7 742

7 592

7 589

Noot 1: Slotwet

Noot 2: Managementrapportage mei 2010

Toelichting bij het kasstroomoverzicht

De operationele kasstroom betreft de mutaties in de voorzieningen, de afschrijvingen en het saldo van baten en lasten. Voor 2011 is de operationele kasstroom –/– € 4 257 000 (respectievelijk mutatie voorzieningen –/– € 4 372 000 + afschrijvingen € 115 000, het saldo baten en lasten 2011 is begroot op nihil). De mutatie in de operationele kasstroom van 2011 ten opzichte van 2010 wordt voornamelijk veroorzaakt door het geraamde positieve saldo van baten en lasten in 2010 en het ontbreken daarvan in 2011. Bij huidig inzicht zullen de uitgaven uit de voorzieningen vanaf 2012 afnemen.

IWI verwacht de komende jaren geen investeringen te hoeven doen in materiële en immateriële activa.

Tabel 4.7 Overzicht doelmatigheidsindicatoren en kengetallen IWI

Omschrijving generiek deel

2011

2012

2013

2014

2015

Tarieven/uur

134,22

133,71

132,05

132,05

132,05

FTE-totaal (excl. externe inhuur)

83,7

83,7

83,7

83,7

83,7

Saldo van baten en lasten (%)

1,22

1,41

1,59

2,06

           

Kwaliteitsindicator 1: Tijdigheid afronding projecten

60

70

80

80

80

           

Verklarende variabelen:

         

Declarabiliteit toezichtmedewerkers (%)

68

69

70

70

70

Inhuur extern (in % van loonsom inclusief inhuur)

8

8

8

8

8

Overhead (in % van totale formatie)

20

20

20

20

20

Toelichting doelmatigheidsindicatoren

De belangrijkste producten van IWI zijn de programmarapportages over de werking van het stelsel van werk en inkomen. Jaarlijks worden per programma twee rapportages uitgebracht. Als basis voor deze rapportages worden de resultaten van circa drie samenhangende onderzoeken gebruikt. De omvang van deze onderzoeken kan zeer verschillend zijn waardoor het niet mogelijk is om een standaard kostprijs per product (groep) en een omzet per productgroep te hanteren.

Uitgaande van de declarabiliteitsnorm van 68% voor toezichtmedewerkers en projectsecretarissen, 50% voor programmamanagers en 18% voor stafmedewerkers komt het uurtarief voor 2011 op € 134,22. De komende jaren daalt het tarief licht.

IWI is in per 1 maart 2010 gereorganiseerd. De nieuwe formatie is 83,7 fte. De werkelijke bezetting is vooralsnog hoger. De boventallige medewerkers zullen worden begeleid naar nieuw werk op vaste basis of middels detachering met uitzicht op een vaste aanstelling. De kosten van de boventallige medewerkers worden gefinancierd uit een reorganisatievoorziening.

In de tabel is één kwaliteitsindicator opgenomen. In de jaarrekening 2009 was daarnaast de ontwikkeling van het aantal rapporten opgenomen. Deze laatste is niet meer relevant omdat het uitgangspunt van de inspectie is om jaarlijks per programma twee programmarapportages (totaal 8) uit te brengen.

IWI stuurt op een tijdige afronding van haar producten, maar stemt het moment van uitbrengen ook af op de actualiteit. De afgelopen jaren liep ongeveer de helft van de producten om uiteen lopende redenen vertraging op. Ook hier geldt dat een gestelde norm haalbaar moet zijn. De komende jaren zal het normpercentage tijdigheid afronding projecten omhoog gaan van 60% in 2011 tot 70% in 2012 en 80% vanaf 2013.

Bovendien werkt IWI aan verbetering van de producten zelf. Veel medewerkers hebben een basiscursus onderzoeksvaardigheden gevolgd. Daarop aansluitend hebben 15 medewerkers de mastercourse «Toezichtonderzoek in de sociale zekerheid» afgerond. Binnenkort start een tweede groep aan deze opleiding. IWI tracht daarnaast de kwaliteit en effectiviteit van haar producten verder te verbeteren door het bespreken van haar werkprogramma met de stakeholders, het organiseren van feedback bijeenkomsten en interne kenniskringen die bij elk onderzoek adviseren over opzet, analyse en conclusies. Deze activiteiten laten zich niet meten in indicatoren.

De specifieke doelmatigheidsindicatoren zijn ontwikkeld voor subsidie-, inspectie- en ICT-baten-lastendiensten. IWI is een baten-lastendienst die onderzoek verricht. De aard van de werkzaamheden van IWI maakt het niet mogelijk deze doelmatigheidsindicatoren te gebruiken. Daarentegen heeft IWI enkele verklarende variabelen in tabel 4.7 opgenomen.

De norm voor direct productieve uren (declarabiliteit) voor toezichtmedewerkers voor 2011 is gesteld op 68% (in de begroting 2010 was een declarabiliteit van 65% opgenomen). Mede als gevolg van de reorganisatie per 1 maart 2010 blijft de directe productiviteit in 2010 onder de norm. IWI heeft naar aanleiding van deze constatering een traject in gang gezet om de directe productiviteit van haar medewerkers te verbeteren. Aangezien een norm haalbaar moet zijn is er in de begroting 2011 voor gekozen om de oorspronkelijke norm voor 2011 op een lager percentage, te weten 68%, vast te stellen. Hierbij is onder meer rekening gehouden met enkele personeelsbijeenkomsten in het kader van de vorming van de SZW-inspectie en de doorloop van de mastercourse «Toezichtonderzoek in de sociale zekerheid» in het kader van de verdere professionalisering van de toezichtmedewerkers. Deze activiteiten hebben een neerwaarts effect op de declarabiliteit van medewerkers. In 2012 wordt de norm verhoogd naar 69% en vanaf 2013 naar 70%.