Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

6.3 Bijlage Uitgaven en financiering budgetdisciplinesector sociale zekerheid en arbeidsmarkt

1 Inleiding

Inhoud

Deze bijlage beschrijft de uitgaven en financiering voor de budgetdisciplinesector sociale zekerheid en arbeidsmarkt (SZA). In de volgende paragraaf wordt een beeld geschetst van de opbouw van de SZA-uitgaven en de ontwikkeling van het uitgavenkader voor de periode 2008–2011. Hierbij wordt ingegaan op de volumeontwikkeling die hieraan ten grondslag ligt. Deze paragraaf besluit met een toetsing van de SZA-uitgaven aan de ijklijn en een overzicht van de mutaties sinds de Begroting 2010. In paragraaf drie wordt de financiering van de SZA-uitgaven voor de jaren 2010 en 2011 toegelicht. Het betreft hier de premiegefinancierde uitgaven. In deze paragraaf zijn de door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgestelde premiepercentages voor de volks- en werknemersverzekeringen opgenomen. Ook is een overzicht opgenomen van de voor het SZA-kader relevante premie-uitgaven. In de laatste paragraaf wordt een overzicht gegeven van de exploitatiesaldi en vermogensposities van de sociale fondsen.

2 Uitgaven SZA-kader 2008-2011

Aansluiting bij begroting

Deze paragraaf geeft een overzicht van de SZA-uitgaven voor 2011. De totale begrotingsgefinancierde uitgaven bedragen komend jaar € 25,9 mld, terwijl de totale premiegefinancierde uitgaven € 48,6 mld bedragen. In het samenstel van uitgaven (samen € 74,5 mld) is echter sprake van een dubbeltelling. De sociale fondsen worden namelijk voor een deel gevuld uit begrotingsmiddelen. Een van de oorzaken daarvan is dat de opbrengsten van de AOW-premie onvoldoende zijn om de uitgaven te dekken. Zonder de bijdrage vanuit de begrotingsmiddelen zou het ouderdomfonds dus een structureel exploitatietekort laten zien. Daarnaast worden er begrotingsmiddelen naar de fondsen overgeboekt om de fondsen te compenseren voor lagere premie-inkomsten als gevolg van de herziening van het belastingstelsel in 2001. Al deze zogeheten «rijksbijdragen» worden verantwoord op artikel 51 van de begroting. Om dubbeltelling van de rijksbijdragen te voorkomen worden de begrotingsgefinancierde uitgaven verminderd met de rijksbijdragen van € 12,0 mld (inclusief bijdrage aan AOW spaarfonds). Verder vallen de apparaatsuitgaven van SZW en enkele andere uitgaven niet onder het SZA-kader maar onder het kader Rijksbegroting eng. Deze uitgaven worden dan ook niet meegeteld. De ontvangsten van ruim € 1,2 mld worden op het totaalbedrag in mindering gebracht. Daarnaast worden de SZA-uitgaven in 2011 vermeerderd met een bijzondere uitgave van € 12 mln. Het grootste gedeelte van de uitgaven uit de stimuleringspakketten – waartoe in het voorjaar van 2009 is besloten als reactie op de economische crisis – maakt geen onderdeel uit van de SZA-uitgaven. Deze worden op de totaaltelling in mindering gebracht. De totale uitgaven onder het SZA-kader bedragen dan € 60,7 mld. De bedragen staan in de begroting vermeld in constante prijzen. Het SZA-uitgavenkader is echter in lopende prijzen. Het gevonden bedrag wordt daarom verhoogd met de relevante loon- en prijsbijstellingen. De totale uitgaven onder het SZA-uitgavenkader komen daarmee in 2011 op € 61,8 mld.

Tabel 6.3.1: SZA uitgaven 2011 (x € 1 mln)
 

Begrotings-gefinancierde uitgaven

Premie-gefinancierde uitgaven

Totaal

A Totaal artikelen

25 881

48 633

74 513

1. Correctie dubbeltelling rijksbijdragen

11 990

   

2. Uitgaven Rijksbegroting eng

278

   

3. Ontvangsten

1 036

213

 

4. Bijzondere uitgaven

12

   

5. Stimuleringspakketten

78

220

 

B Totale uitgaven (constante prijzen) (A – 1 – 2 – 3 + 4 – 5)

12 511

48 200

60 711

       

6. Loon- en prijsbijstelling

243

832

 

Totale uitgaven (lopende prijzen) (B + 6)

12 754

49 032

61 786

Bron: SZW

Uitgavenontwikkeling

De uitgaven in het SZA-kader zijn onder te verdelen naar verschillende regelingen (zie tabel 6.3.2). De uitgaven aan de werkloosheidswet (WW) laten na de forse stijgingen in 2009 (+ 72%) en 2010 (+ 14%) in 2011 voor het eerst weer een daling zien (– 5%). De bijstandsuitgaven volgen met vertraging in mindere mate de oploop in de werkloosheid. Dit komt mede door de afspraak uit het Bestuurlijk Akkoord dat het macrobudget slechts wordt aangepast voor conjuncturele veranderingen boven een bandbreedte van 12 500 uitkeringen. De arbeidsongeschiktheidsuitgaven (WAO, WIA en WAZ) nemen in 2011, na een constante ontwikkeling in de jaren ervoor, af met ruim € 300 mln. Daar staat tegenover dat de ZW-uitgaven (uit hoofde van de ziektewet) en de WAZO-uitgaven (aan zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen) langzaam oplopen. Ook de uitgaven aan de Wajong nemen toe; de stijging vlakt echter af (2% in 2011).

De uitgaven aan Anw-uitkeringen lopen al enkele jaren terug, als gevolg van de herziening van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW). Als gevolg van het destijds ingevoerde overgangsrecht zal vanaf 2021 sprake zijn van een stabiele situatie. De ouderdomsuitgaven lopen als gevolg van de vergrijzing jaarlijks op met 3%. De re-integratieuitgaven (incl. basisdienstverlening UWV) nemen in 2011 af als gevolg van opgelegde kortingen. Ditzelfde geldt voor de afname van het Wsw-budget in 2011 (zie art. 48).

Tabel 6.3.2: Uitgaven SZA-kader 2008–2011 (x € 1 mln)
 

2008

2009

2010

2011

WW-uitgaven (werkloosheid)

2 849

4 890

5 556

5 298

WWB-uitgaven (bijstand)

4 160

4 219

4 286

4 320

WAO/WIA/WAZ-uitgaven (arbeidsongeschiktheid)

9 851

9 855

9 813

9 504

ZW-uitgaven (vangnet ziekte)

1 362

1 525

1 567

1 602

WAZO-uitgaven (zwangerschap en bevalling)

1 000

1 122

1 161

1 172

Wajong-uitgaven

2 238

2 528

2 784

2 829

Anw-uitgaven (nabestaanden en (half)wezen)

1 249

1 190

1 102

1 005

AOW-uitgaven (ouderdom)

27 048

28 905

29 926

30 610

Re-integratieuitgaven

2 418

2 484

2 513

2 180

Sociale werkvoorziening (uitgaven Wsw)

1 936

1 993

1 968

1 842

Overige uitgaven*

349

188

398

1 425

Totaal SZA-uitgaven (x € 1 mln)

54 461

58 898

61 077

61 786

Totaal SZA-uitgaven (in % BBP)

9,1

10,3

10,3

10,0

Noot *: In de overige uitgaven 2011 zijn ook de loon- en prijsbijstellingen opgenomen. Deze zijn voor 2011 nog niet toebedeeld aan de uitgavencategorieën. Het totaal aan SZA-uitgaven is weergegeven in «lopende prijzen».

Bron: SZW

Volumeontwikkelingen

De bovengenoemde ontwikkeling van de uitgaven wordt in sterke mate bepaald door de ontwikkeling van de onderliggende volumecijfers. De volumecijfers zijn afkomstig uit de macro-economische verkenning van het CPB (MEV 2011).

Door de economische crisis is de verwachting dat het volume werkloosheidsuitkeringen (WW) over de periode 2008 tot en met 2011 zal toenemen met 55% (80 000 uitkeringsjaren). In 2011 daalt het aantal WW-uitkeringen echter alweer met 25 000 uitkeringsjaren (– 10%). Het volume bijstandsuitkeringen groeit over dezelfde periode met 3%; deze groei vindt grotendeels plaats in 2010. Het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (WAO/WIA) neemt gestaag af met ongeveer 3% per jaar. In 2011 ligt het volume 40 000 uitkeringsjaren lager dan in 2008. Het aantal ziektewetuitkeringen en het aantal wajong-uitkeringen stijgt daarentegen. Voor beide geldt dat de groei in 2011 afneemt. Het aantal nabestaanden neemt jaarlijks af, vanwege de geleidelijke uitstroom van «oude gevallen» (het overgangsrecht uit de voormalige AWW). Onder druk van de vergrijzing stijgt het aantal ouderdomsuitkeringen met 3% per jaar.

In totaal zorgen bovenstaande ontwikkelingen voor een stijging van het aantal uitkeringsgerechtigden met 50 000 uitkeringsjaren in 2011. Over de periode 2008–2011 is het aantal inactieven toegenomen met 6%. Het aantal actieven is juist met 2% afgenomen. Als gevolg van beide ontwikkelingen is de I/A-verhouding verslechterd van 62,6% in 2008 naar 68,3% in 2011, zie tabel 6.3.3.

Tabel 6.3.3: Volumeontwikkelingen en I/A verhouding 2008–2011 (x 1 000 uitkeringsjaren)
 

2008

2009

2010

2011

Werkloosheidsuitkeringen (WW)

143

200

247

222

Bijstandsuitkeringen

275

278

292

282

Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (WAO/WIA/WAZ)

533

517

508

496

Ziektewetuitkeringen (ZW)*

125

131

137

139

Wajong-uitkeringen

168

179

193

206

Nabestaandenuitkeringen (Anw)

97

90

88

81

Ouderdomsuitkeringen (AOW)

2 480

2 544

2 603

2 685

Ziekteverzuim particuliere sector

225

215

191

197

Totaal aantal inactieven

4 046

4 153

4 259

4 307

         

Totaal aantal actieven

6 460

6 384

6 318

6 309

I/A-verhouding

62,6%

65,1%

67,4%

68,3%

Noot *: De ziektewetuitkeringen zijn inclusief zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen (WAZO)

Bron: CPB (MEV 2011)

Toetsing aan ijklijn

In tabel 6.3.4 zijn de uitgaven in het SZA-kader afgezet tegen de ijklijn (het kader waaraan de SZA-uitgaven worden getoetst). Uit deze vergelijking blijkt dat voor de jaren 2008, 2009 en 2011 sprake is van een onderschrijding van de ijklijn. In 2010 ontstaat naar verwachting een kleine overschrijding. De ruimte onder het kader (onderschrijding) in 2008 en 2009 is gebruikt ter oplossing van problematiek in de overige uitgavenkaders (Rijksbegroting in enge zin en het Budgettair Kader Zorg). De onderschrijding van € 0,3 mld in 2011 is de bijdrage van SZW aan de afspraak uit het Aanvullend Beleidsakkoord omtrent de tekortreductie van € 1,8 mld.

In het voorjaar is in verband met de economische crisis tevens besloten de kaders te corrigeren voor de macro-economische mutaties (met name werkloosheid en ruilvoet). Dit betekent dat voor de budgettaire gevolgen van de oplopende werkloosheid niet hoeft te worden omgebogen (de hogere WW-uitgaven leiden zowel tot hogere uitgaven als tot een hogere ijklijn). Ook de ruilvoetmutaties leiden niet tot meer of minder ruimte in het SZA-kader. In tabel 6.3.5 zijn de mutaties in de kaderstand sinds de vorige begroting toegelicht.

De stimuleringsmaatregelen uit het Aanvullend Beleidsakkoord – ingezet als reactie op de economische crisis – zijn buiten de kaders geplaatst. Deze behoren niet tot de SZA-uitgaven. Ze staan in tabel 6.3.4 afzonderlijk vermeld onder de kadertoetsing. In de tabel zijn enkel de stimuleringsuitgaven die via de SZW-begroting lopen weergegeven. Naast deze uitgaven, zijn er in het kader van de aanpak jeugdwerkloosheid middelen uitgekeerd aan gemeenten. Deze middelen, die dus niet in het overzicht zijn opgenomen, bedragen € 60 mln in 2009 en € 30 mln in 2010.

Tabel 6.3.4: Toetsing SZA-uitgaven aan ijklijn (x € 1 mld)
 

2008

2009

2010

2011*

Totale SZA-uitgaven (x € 1 mld)

54,5

58,9

61,1

61,8

IJklijn SZA-uitgaven (x € 1 mld)

54,9

59,4

60,9

62,1

Over / onderschrijding ijklijn SZA (x € 1 mld)

– 0,4

– 0,5

0,2

– 0,3

         

Stimuleringsmiddelen (buiten het kader, x € 1 mln)

 

161

289

298

Arbeidsmarkt

 

125

189

221

Jeugdwerkloosheid

 

7

50

27

Schuldhulpverlening

 

30

50

50

Noot *: De onderschrijding van de ijklijn in 2011 is de bijdrage van SZW aan de afspraak uit het Aanvullend Beleidsakkoord over tekortreductie van € 1,8 mld.

Bron: SZW

Bijstellingen uitgavenkader

In (bovenstaande) tabel 6.3.4 is de kadertoetsing van de periode 2008 tot en met 2011 weergegeven. In tabel 6.3.5 is aangegeven hoe deze toetsing tot stand is gekomen. Startpunt daarbij is de kaderstand Miljoenennota 2010. De mutaties die sindsdien zijn opgetreden, kunnen worden opgedeeld in uitvoeringsmutaties, technische mutaties, intensiveringen en ombuigingen. Ook zorgen de loon- en prijsontwikkelingen voor een mutatie. Daarnaast heeft een aantal kadercorrecties plaatsgevonden.

De uitvoeringsinformatie liet met name tegenvallers zien bij de WAO/WIA, de WAZO en de AOW. De achtergrond van de tegenvaller in de WAO/WIA is divers. Het gaat zowel om een tegenvallende uitstroom in de WAO, hogere instroom in de WIA als om een hoger aantal herlevingen (oude rechten) in de WAO. Uitvoeringsinformatie over de uitgaven aan zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen (WAZO) heeft vorig jaar reeds tegenvallers laten zien. Nadere analyse heeft ertoe geleid dat de loongroei voor vrouwen structureel naar boven is bijgesteld. Daarnaast is het aantal geboortes onder werkende vrouwen structureel toegenomen (omdat meer vrouwen werken komt een groter deel van de nieuw geborenen uit de schoot van een werkende vrouw). Naar boven bijgestelde prognoses rondom de levensverwachting hebben geleid tot een ophoging van de AOW-uitgaven. Daarnaast groeit het aandeel onvolledige AOW-uitkeringen minder snel dan werd verondersteld. De meevallende uitvoeringsmutaties in 2009 betreffen hoofdzakelijk de restituties in de kleine bijstandsregelingen. Deze zijn verwerkt bij slotwet.

Tegenover de uitvoeringsmutaties staat ook een beperkt aantal (beleidsmatige) intensiveringen en ombuigingen. De intensiveringen betreffen een aantal kleine maatregelen. De grootste post betreft een reservering van € 5 mln vanaf 2011 voor de uitkomsten van het akkoord dat in april is gesloten met de BES-eilanden. Onderdeel van dit akkoord zijn een verhoging van de uitkeringen per 2011 en een verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. De ombuigingen hebben betrekking op de maatregelen die zijn getroffen om de eerder genoemde uitvoeringstegenvallers te compenseren (zie ook de tabel met herschikkingsmaatregelen in de beleidsagenda). Het betreft de korting op het Wsw-budget (€ 120 mln exclusief bevriezing), de omvorming van de AOW-tegemoetkoming naar de Mogelijkheid Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen (MKOB) en de verlaging van de tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten (WAO, WIA, WAZ en Wajong), oudere belastingplichtigen (MKOB) en Anw-gerechtigden met € 14 op jaarbasis. Daarnaast is de korting op de AOW-partnertoeslag – reeds aangekondigd in de begroting 2010 – verhoogd van 6% naar 8%.

Naast de uitvoeringsmutaties en de beleidsmatige mutaties is een aantal mutaties opgetreden dat aangemerkt kan worden als technisch. Hieronder vallen reserveringen die vrijvallen en onderuitputting op kleine regelingen en op eerdere beleidsclaims. De technische mutaties hebben over het algemeen geen gevolgen voor burger en bedrijf.

Zoals eerder aangegeven, is in het Aanvullend Beleidsakkoord (voorjaar 2009) besloten het SZA-kader (de ijklijn) te corrigeren voor de budgettaire gevolgen van de oplopende werkloosheid en de ruilvoetmutaties. Hierdoor wordt voorkomen dat voor de oplopende werkloosheidsuitgaven omgebogen dient te worden. De ijklijn wordt normaal gesproken opgehoogd met de prijsontwikkeling van de nationale bestedingen (pNB). In combinatie met de daadwerkelijke prijsontwikkeling van de uitgaven leidt dit tot meer of minder ruimte onder het kader (ruilvoetwinst- of verlies). In tijden van economische crisis is vaak sprake van een ruilvoetwinst. Doordat ook hiervoor gecorrigeerd wordt, leidt de economische crisis niet tot meer (ruilvoet) of minder (werkloosheid) ruimte in het SZA-kader. Naast deze mutaties heeft nog een aantal andere (technische) correcties van de ijklijn plaatsgevonden.

Deze mutaties leiden tezamen tot de nieuwe kadertoetsing. Deze kadertoetsing is reeds toegelicht in tabel 6.3.4.

Tabel 6.3.5: Van Kaderstand naar Kaderstand (x € 1 mld)
 

2009

2010

2011

Kaderstand SZA Begroting 2010

– 0,4

0,0

– 0,2

       

Uitvoeringsmutaties

0,2

– 1,0

– 1,1

w.v. WAO

 

0,2

0,2

w.v. WAZO

 

0,0

0,0

w.v. AOW

 

0,0

0,1

w.v. conjuncturele mutaties*

0,2

– 1,0

– 1,4

       

Beleidsmatige mutaties

0,0

0,0

– 0,5

w.v. intensiveringen

0,0

0,0

0,0

w.v. ombuigingen

0,0

0,0

– 0,5

       

Technische mutaties

0,0

0,0

0,0

       

Mutatie loon- en prijsbijstelling

0,0

– 0,1

– 0,1

       

Kadercorrecties SZA

-0,2

1,3

1,6

w.v. conjuncturele mutaties

– 0,2

1,0

1,4

       

Kaderstand SZA Begroting 2011

– 0,5

0,2

– 0,3

Noot *: Bij het Aanvullend Beleidsakkoord is besloten het SZA-kader te corrigeren voor de budgettaire gevolgen van de oplopende werkloosheid en de ruilvoetmutaties.

Bron: SZW

3 Financiering SZA-uitgaven 2009-2010

Premievaststelling

Jaarlijks stelt de minister van SZW de premiepercentages volks- en werknemersverzekeringen vast. De voorstellen hiertoe voor 2011 zijn in tabel 6.3.6 opgenomen. Deze premiestelling heeft het kabinet beoordeeld binnen het lastenkader voor huishoudens en bedrijven, de koopkrachtontwikkeling en het gewenste EMU-saldo. Het saldo van de premie-inkomsten en de premiegefinancierde uitgaven (het exploitatiesaldo van de fondsen) telt mee voor de berekening van het EMU-saldo.

  • –  Wat betreft de premiepercentages AOW en Anw stelt het kabinet voor deze vast te stellen op hetzelfde niveau als in 2010. Bij het ouderdomsfonds zijn bij dit premiepercentage de premieopbrengsten niet voldoende om de uitgaven te dekken. De inkomsten van het ouderdomsfonds worden daarom aangevuld door middel van rijksbijdragen (zie artikel 51). Beide premies worden gecombineerd geheven met de loon- en inkomstenbelasting in de 1e en 2e schijf.
  • –  De AWf-werkgeverspremie wordt voorlopig vastgesteld op 4,20%, op hetzelfde niveau als in 2010. De werknemerspremie is met ingang van 2009 verlaagd tot 0%. De AWf-premie wordt geheven vanaf een franchise op ongeveer minimumloonniveau tot het maximumdagloon en wordt geïnd door de Belastingdienst. De hoogte van de AWf-premie is nog onder voorbehoud van vaststelling van de sectorfondspremies. Als het UWV voor 2011 een andere (gemiddelde) sectorfondspremie vaststelt dan nu wordt verwacht, dan kan de AWf-werkgeverspremie worden aangepast binnen een lastenneutraal kader.
  • –  De sectorfondspremies voor 2011 worden in oktober 2010 door het UWV vastgesteld, op advies van de verschillende sectoren. Uit de sectorfondsen (voorheen wachtgeldfondsen) wordt het eerste halfjaar van een WW-uitkering gefinancierd. De in de tabel weergegeven premie is een gemiddelde. In werkelijkheid verschilt de premie per sector. In principe worden de sectorpremies lastendekkend vastgesteld. In 2010 is hiervan afgeweken om zeer forse premiestijgingen voor (veelal conjunctuurgevoelige) sectoren te voorkomen. De gemiddelde premie is daardoor beneden lastendekkend niveau vastgesteld (1,48%). Indien de premies voor 2011 wel lastendekkend vastgesteld worden, worden de sectoren alsnog geconfronteerd met een forse premiestijging. Vandaar dat is besloten de uitgangspunten voor vaststelling van de sectorpremies opnieuw aan te passen conform de afspraken van vorig jaar. Sectorfondsen krijgen daarmee 5 jaar de tijd om het fondstekort dat eind 2010 bestaat aan te zuiveren (was 3 jaar). Daarnaast zijn de lastenplafonds voor 2011 (evenals in 2009 en 2010) op een lager niveau vastgesteld. De WW-uitgaven die uitstijgen boven het lastenplafond komen ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds. Als gevolg van beide maatregelen stijgt de gemiddelde premie tot (naar verwachting) slechts 1,81%.
  • –  De Ufo-premie wordt vastgesteld op 0,78%, hetzelfde percentage als in 2010. De premieopbrengsten van het Ufo financieren voornamelijk de zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen bij de overheidswerkgevers. Alleen overheidswerkgevers betalen de Ufo-premie.
  • –  De premie uniforme opslag kinderopvang bedraagt ook in het komende jaar 0,34%. De verplichte werkgeversbijdrage kinderopvang wordt door werkgevers in de marktsector betaald door middel van een opslag op de sectorfondspremie. De overheidswerkgevers betalen de bijdrage door middel van een opslag op de Ufo-premie.
  • –  De Aof-premie is (voorlopig) vastgesteld op 5,10%, een verlaging van 0,60 procentpunt. Deze premie is voor alle werkgevers even hoog en wordt door de minister van SZW vastgesteld. De Aof-premie is lager vastgesteld om onder andere de stijging van de sectorpremies en de stijging van de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage zorg te compenseren. Werkgevers ervaren hierdoor per saldo geen lastenverzwaring. Definitieve vaststelling van de Aof-premie vindt plaats in oktober.
  • –  De Aok-premie wordt door het UWV vastgesteld en door de minister van SZW goedgekeurd. Omdat uit de Aok de eerste vijf jaar van de WAO-uitkeringen wordt gefinancierd, en er geen nieuwe instroom in de WAO meer plaatsvindt, wordt de Aok-premie per 1 januari 2011 naar verwachting verlaagd naar 0%. Bij een hogere premie wordt dit gecompenseerd via de Aof-premie.
  • –  De premie voor de Werkhervattingskas, waaruit de uitkeringen voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) wordt betaald, wordt vastgesteld door het UWV. Een eerste inschatting duidt op een rekenpremie van 0,62% in 2011.
Tabel 6.3.6: Premiepercentages voor de sociale verzekeringen

Premie

fonds

verzekering

2010

2011

AOW

Ouderdomsfonds

AOW

17,90%

17,90%

Anw

Nabestaandenfonds

Anw

1,10%

1,10%

         

AWf-werkgevers

Algemeen Werkloosheidsfonds

WW

4,20%

4,20%

AWf-werknemers

Algemeen Werkloosheidsfonds

WW

0,00%

0,00%

Sfn

Sectorfondsen (gemiddelde premie)

WW, 1e 6 maanden

1,48%

1,81%

Ufo

Uitvoeringsfonds voor de overheid

ZW overheidswerkgevers

0,78%

0,78%

KO

Uniforme opslag kinderopvang

Kinderopvang

0,34%

0,34%

         

Aof

Arbeidsongeschiktheidsfonds

WAO,WGA, IVA

5,70%

5,10%

Aok

Arbeidsongeschiktheidskas (rekenpremie)

WAO, 1e 5 jaar

0,07%

0,00%

Whk

Werkhervattingskas (rekenpremie)

WGA

0,59%

0,62%

Bron: SZW

Premie-uitgaven

Bij de raming van de premieontvangsten is rekening gehouden met de zogenaamde premie-uitgaven. Een premie-uitgave is een overheidsuitgave in de vorm van een derving of uitstel van premieontvangsten die voortvloeit uit een voorziening in de wet voor zover die voorziening niet in overeenstemming is met de primaire heffingsstructuur van de wet. Drie regelingen zijn expliciet opgenomen in de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv): de premievrijstelling oudere werknemers, de premiekorting arbeidsgehandicapte en zieke werknemers en de premievrijstelling marginale arbeid16. De premievrijstelling oudere werknemers wordt vanaf 1-1-2009 langzaam afgebouwd en vervangen door een premiekortingsregeling. In het wetsvoorstel Premiekorting oudere werknemers is een premiekorting geregeld voor het in dienst nemen van uitkeringsgerechtigden van 50 jaar en ouder en voor het in dienst houden van werknemers in de leeftijd 62 jaar en ouder.

Daarnaast zijn er enkele regelingen die een lagere grondslag tot gevolg hebben en daardoor voor een lagere premieafdracht zorgen. Dit zijn de werknemersspaarregelingen (spaarloon) en de feestdagenregeling. Tegenover de lagere premieafdracht van deze regelingen staat ook een lagere aanspraak op uitkeringen. Uit onderstaande tabel blijkt dat de premie-uitgaven werknemersverzekeringen worden geraamd op € 1,2 mld in 2011.

Tabel 6.3.7: De premie-uitgaven in de werknemersverzekeringen (x € 1 mln)
 

2010

2011

Premievrijstelling oudere werknemers*

807

652

Premiekorting oudere werknemers

255

311

Premiekorting arbeidsgehandicapten

44

45

Spaarloon

186

179

Feestdagen

37

39

     

Totaal

1 330

1 225

Noot *: Vanaf 2009 wordt de premievrijstelling voor oudere werknemers afgebouwd. De premiekorting oudere werknemers is hiervoor in de plaats gekomen.

4 Sociale fondsen 2009–2010

Exploitatiesaldi

In tabel 6.3.1 is onderscheid gemaakt tussen begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitgaven. De premiegefinancierde uitgaven lopen via de sociale fondsen. Op basis van de eerdergenoemde premiepercentages voor 2010 en 2011 en de verwachte ontwikkeling van de betreffende grondslagen zijn de ontvangsten van de sociale fondsen geraamd, zie tabel 6.3.8 en 6.3.9. Hierbij is rekening gehouden met de bijdragen aan de fondsen van het rijk en de onderlinge betalingen van de fondsen. Het saldo tussen betaalde en ontvangen onderlinge betalingen is voor de sociale verzekeringen negatief, omdat uit sommige van deze fondsen premies voor de zorgverzekering worden betaald. Tegenover deze negatieve saldi staan dus positieve saldi bij de zorgfondsen.

In de onderstaande tabellen zijn de arbeidsongeschiktheidsfondsen (de Aok, het Aof en het Whk) samengevoegd. Dit geldt eveneens voor de werkloosheidsfondsen (het AWf en de sectorfondsen). In de praktijk betreft het hier gescheiden fondsen. In tabel 6.3.10 staan de vermogens van de werkloosheidsfondsen wel afzonderlijk weergegeven.

Het exploitatiesaldo van de fondsen is het verschil tussen de premie-inkomsten en de premiegefinancierde uitgaven van de fondsen. In 2010 bedraagt dit saldo naar verwachting € – 5,5 mld voor alle fondsen samen, tegenover een exploitatiesaldo van € – 4,3 mld over 2009. In 2011 neemt het exploitatietekort naar verwachting af naar € 2,9 mld. De achtergrond bij deze tekorten in de huidige laagconjunctuur is gelegen in de afspraken uit de begrotingsregels. Daarin is een expliciete scheiding tussen uitgaven en inkomsten opgenomen. Een stijging van de uitgaven wordt daardoor niet gecompenseerd via een verhoging van de inkomsten. De inkomsten, die als gevolg van de economische neergang dalen, zijn daardoor onvoldoende om de gestegen uitgaven te financieren, waardoor een negatief exploitatiesaldo ontstaat. Het exploitatietekort van de fondsen maakt onderdeel uit van het totale (negatieve) EMU-saldo.

Het verslechterde exploitatiesaldo wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de verslechterde exploitatiesaldi van de WW-fondsen. Naast de invloed van recessie speelt daarbij de verlaging van de AWf-premies in 2009 een belangrijke rol. Voor werkgevers is de premie verlaagd met 0,6 procentpunt; voor werknemers bedroeg de daling 3,5 procentpunt.

Het positieve exploitatiesaldo in het ouderdomsfonds wordt in het volgende jaar verrekend met de uitbetaling van de rijksbijdrage. Het exploitatiesaldo van het Anw-fonds loopt op, omdat er steeds minder mensen gebruik maken van de Anw. Dankzij de invoering van de WIA is de instroom in de arbeidsongeschiktheidsregelingen aanzienlijk afgenomen. Bij aantrekkende premieontvangsten loopt het exploitatiesaldo van de arbeidsongeschiktheidsfondsen de komende jaren weer op.

Overigens zijn in het laatste rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte kanttekeningen geplaatst bij de fondssystematiek (13e rapport Studiegroep Begrotingsruimte, blz. 72 e.v.). De fondssystematiek past goed bij de verzekeringsgedachte in de sociale verzekeringen. De relatie tussen uitgaven en inkomsten die door middel van een fonds wordt gelegd, is echter niet in overeenstemming met de scheiding die in de begrotingssystematiek tussen beide bestaat. Dit kan leiden tot verwarring wanneer bijvoorbeeld maatregelen worden getroffen om de sociale zekerheidsuitgaven te beperken. Lagere uitgaven worden niet (automatisch) gevolgd door lagere premieopbrengsten, waardoor fondsvermogens zullen groeien. Doordat de sociale fondsen onderdeel zijn van het geïntegreerd middelenbeheer (schatkistbankieren), hebben fondsvermogens hun historische functie (buffer om fluctuaties op te vangen) inmiddels verloren. Als gevolg van de huidige begrotingssystematiek verworden fondsvermogens tot niets meer dan een (gewenste) onevenwichtigheid tussen inkomsten en uitgaven. Op basis hiervan heeft de Studiegroep Begrotingsruimte geconcludeerd dat de fondsconstructie in begrotingstechnische zin geen toegevoegde waarde heeft.

Tabel 6.3.8: Overzicht sociale verzekeringen 2010 (x € 1 mln)
 

AOW

Anw

WAO

WW

Totaal

Premies

16 726

1 179

10 392

5 398

33 695

Bijdragen van het rijk

12 273

68

330

360

13 032

Ontvangen onderlinge betalingen

0

0

1 003

2 274

3 277

Saldo Interest

1

14

47

– 25

37

Totaal Ontvangsten

29 000

1 261

11 771

8 007

50 040

Uitkeringen/ Verstrekkingen

29 790

1 078

9 537

7 743

48 149

Uitvoeringskosten

134

24

453

904

1 515

Betaalde onderlinge betalingen

0

75

1 267

4 576

5 919

Totaal Uitgaven

29 924

1 178

11 258

13 223

55 583

           

Exploitatiesaldo

– 924

84

513

– 5 216

– 5 543

Bronnen: SZW, CPB (MEV 2011) en Ministerie van Financiën (MN 2011)

Tabel 6.3.9: Overzicht sociale verzekeringen 2011 (x € 1 mln)
 

AOW

Anw

WAO

WW

Totaal

Premies

21 688

1 534

9 585

6 064

38 871

Bijdragen van het rijk

8 163

91

310

367

8 931

Ontvangen onderlinge betalingen

0

0

878

648

1 526

Saldo Interest

– 11

25

59

– 190

– 117

Totaal Ontvangsten

29 840

1 650

10 831

6 889

49 211

Uitkeringen/ Verstrekkingen

29 902

992

9 356

7 616

47 866

Uitvoeringskosten

136

22

536

940

1 634

Betaalde onderlinge betalingen

0

73

1 239

1 263

2 576

Totaal Uitgaven

30 037

1 088

11 132

9 818

52 076

           

Exploitatiesaldo

– 197

562

– 301

– 2 929

– 2 865

Bronnen: SZW, CPB (MEV 2011) en Ministerie van Financiën (MN 2011)

Vermogenspositie

In tabel 6.3.10 staat voor de jaren 2010 en 2011 de vermogenspositie van de verschillende fondsen weergegeven. Het normvermogen is geraamd op basis van de geraamde uitgaven en ontvangsten en het moment waarop deze plaatsvinden. Als de totale uitgaven en ontvangsten stijgen, stijgt dus ook het normvermogen. Om het feitelijk vermogen aan te passen aan een gestegen normvermogen is een positief exploitatiesaldo nodig. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij de AOW. Omdat bij de AOW de rijksbijdragen de ontvangsten aanvullen tot het benodigde exploitatiesaldo is het aanwezige vermogen hier gelijk aan het benodigde vermogen. Er is dan ook geen sprake van een vermogensoverschot.

De sectorfondsen (ook wel wachtgeldfondsen genaamd) hebben in 2010 en 2011 een vermogenstekort. De sectorpremies worden nagenoeg lastendekkend vastgesteld, maar gedurende het jaar kan de realisatie van de uitgaven afwijken van hetgeen geraamd werd ten tijde van vaststelling van de premies. De opgelopen tekorten hoeven niet direct weggewerkt te worden. De sectorfondsen krijgen hier 5 jaar de tijd voor. Ook het (feitelijk) vermogen in het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) slaat in 2011 om in een tekort. Dit zorgt niet voor risico’s met betrekking tot de uitbetaling van uitkeringen. Het AWf maakt onderdeel uit van de totale Rijksbegroting en is in feite niets anders dan een rekening van het UWV bij het ministerie van Financiën. In de afgelopen jaren ontving het UWV (de fondsen) een rentevergoeding van het ministerie van Financiën voor het positieve saldo. In het geval er een negatief vermogen ontstaat, betaalt het UWV hiervoor een rente aan het ministerie van Financiën. Het ministerie van Financiën garandeert hiermee dat het UWV altijd over voldoende middelen kan beschikken. Het zogenoemde «leeglopen van de fondsen» vormt derhalve geen enkel risico voor de uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen. Wel maakt deze leegloop onderdeel uit van de verslechtering van het EMU-saldo van de afgelopen jaren.

De andere fondsen hebben wel een vermogensoverschot. Voor de WAO-fondsen is het totale vermogensoverschot in 2010 en 2011 respectievelijk € 2,4 mld en 2,7 mld. Voor de sociale fondsen samen betekent dit dat het vermogensoverschot in 2011 daalt van € 2,5 mld naar € – 0,3 mld. Het feitelijk (aanwezige) vermogen bedraagt in 2011 echter ruim € 3,9 mld.

Tabel 6.3.10: Vermogens sociale fondsen (x € 1 mln)
 

Ultimo 2010

Ultimo 2011

 

Feitelijk vermogen

Norm-vermogen

Vermogens-overschot

Feitelijk vermogen

Norm-vermogen

Vermogens-overschot

AOW

1 377

1 377

0

1 382

1 382

0

Anw

1 010

122

888

1 555

82

1 473

WAO

2 865

484

2 381

3 113

459

2 654

AWf

1 569

1 857

– 288

– 1 759

1 857

– 3 616

Sectorfondsen

– 86

454

– 540

– 410

423

– 833

Ufo

78

26

53

35

26

9

Totaal sociale fondsen

6 812

4 319

2 494

3 915

4 229

– 314

Bron: CPB (MEV 2011)

Noot 16: De premievrijstelling marginale arbeid heeft een verwaarloosbaar budgettair beslag. De premie-uitgaven voor de volksverzekeringen AOW en Anw worden verantwoord in de Miljoenennota in het totaal van de gecombineerde heffing voor de loon- en inkomstenbelasting.