Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

6.4 Bijlage Inkomensbeleid

Inleiding

In artikel 41 is het generieke koopkrachtbeeld voor 2011 gepresenteerd, het zogenaamde standaardkoopkrachtbeeld. Hierbij wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van de consumentenprijsindex (CPI), de ontwikkeling van contractlonen, uitkeringen en pensioenen en de wijzigingen in belasting- en premietarieven. De koopkracht is alleen gepresenteerd voor bepaalde standaardgroepen.

Over alle huishoudens bezien wordt de koopkrachtontwikkeling in 2011 gemiddeld licht negatief geraamd. De raming voor de mediane koopkrachtstijging bedraagt – ¼%. De koopkrachtdaling wordt onder andere veroorzaakt doordat de loonontwikkeling niet boven de inflatie uitkomt. Daarnaast stijgen in 2011 de zorgpremies fors en worden de aanvullende pensioenen gemiddeld genomen niet geïndexeerd. Bij deze raming wordt – evenals in het generieke koopkrachtbeeld – geen rekening gehouden met dynamische ontwikkelingen zoals een loonsverhoging, het vinden van een beter betaalde baan of een verandering in de huishoudsamenstelling.

Naast de generieke maatregelen, die voor iedereen gelden, zijn er ook specifieke maatregelen. In deze bijlage inkomensbeleid wordt ingegaan op de specifieke maatregelen die de koopkracht van verschillende huishoudens raken. In tabel 6.4.1 staan de maatregelen die voor 2011 van belang zijn.

Tabel 6.4.1 Overzicht van beleidsmaatregelen met specifieke inkomenseffecten in 2011

Thema

Beleidsmaatregel

Inkomenseffect

1. Kinderen

Verhogen bedragen kindgebonden budget vanaf het tweede kind

+

 

Niet indexeren kinderbijslag en kindgebonden budget

 

Bezuiniging kinderopvangtoeslag

 

Wijziging indicatiestelling TOG

+/–

2. Zorg

Afbouw vermenigvuldigingsfactor fiscale regeling ziektekosten

 

Pakketmaatregelen en verhoging eigen bijdrage binnen de ZVW

+/–

 

Korting persoonsgebonden budgetten

 

Invoering minimum eigen bijdrage AWBZ intramuraal

3. Wonen

Verhoging eigen bijdrage huurtoeslag

4. Onderwijs

Niet indexeren van de normbedragen in de studiefinanciering

5. Sociale Zekerheid

Korting AOW-partnertoeslag

 

Omvorming van de AOW-tegemoetkoming

 

Korting van tegemoetkomingen MKOB, Anw en AO

 

Ziektewetmaatregelen

6. Overig

Versobering uitbetaling algemene heffingskorting

 

Verhoging accijns op tabak

 

Maatregelen rond transitie BES

+

 

Verruiming mogelijkheden kwijtschelding lokale lasten

+

 

Maatregelen op het terrein van Justitie

Mede door deze maatregelen treedt er spreiding op in de koopkrachtontwikkeling. De spreiding in het koopkrachtbeeld als gevolg van de bovenstaand maatregelen wordt getoond in figuur 6.4.1. De meeste maatregelen die grote groepen burgers raken – waaronder de aanpassing van het kindgebonden budget, de bezuiniging op de kinderopvangtoeslag, de bezuiniging op de huurtoeslag, de kortingen op de tegemoetkomingen voor oudere belastingplichtigen (MKOB), Anw en arbeidsongeschikten en de versobering van de uitbetaling van de algemene heffingskorting – zijn meegenomen in de puntenwolk. Maatregelen die kleinere groepen raken – zoals de aanpassing van de TOG-indicatie, de maatregelen in de ziektewet, maatregelen op het terrein van justitie en de verruiming van kwijtschelding – dan wel waarvan gegevens ontbreken over wie precies geraakt worden – zoals geldt voor pakketmaatregelen in de ZVW en de korting op persoonsgebonden budgetten – zijn niet meegenomen in de puntenwolk. In de puntenwolk zijn overigens zelfstandigen niet opgenomen.

Figuur 6.4.1: statische koopkrachtontwikkeling huishoudens (op basis van MEV 2011)

De specifieke maatregelen worden hieronder verder toegelicht.

Toelichting op de specifieke maatregelen

1. Kinderen

Verhogen kindgebonden budget vanaf het tweede kind en niet indexeren kinderbijslag en kindgebonden budget

In 2009 is de Wet Kindgebonden Budget ingevoerd. Hierdoor ontvangen ouders met een inkomen tot ongeveer anderhalf keer modaal een bedrag dat afhankelijk is van het aantal kinderen. In 2011 worden de bedragen van het kindgebonden budget voor tweede en volgende kinderen eenmalig verhoogd. De nieuwe bedragen voor het kindgebonden budget worden € 1 011 voor het eerste kind, € 488 voor het tweede kind (+ € 177), € 386 voor het derde kind (+ € 203), € 305 voor het vierde kind (+ € 199), € 203 voor het vijfde kind (+ € 152) en € 102 voor het zesde en volgende kind (+ € 51). Hier tegenover staat dat de bedragen voor het kindgebonden budget en de kinderbijslag niet worden geïndexeerd.

Het niet indexeren van de kinderbijslag en het kindgebonden budget heeft negatieve inkomenseffecten omdat zonder deze bezuinigingsmaatregel alle bedragen verhoogd zouden worden. Het verhogen van de bedragen voor het tweede en volgende kind heeft een positief inkomenseffect voor de huishoudens met meer dan één kind. Deze verhoging heeft vooral een positief inkomenseffect voor lage inkomens omdat een nominale verhoging relatief meer effect heeft voor lagere inkomens. Vanaf een inkomen van ongeveer anderhalf keer modaal heeft een verhoging van de bedragen geen enkel effect omdat er rond deze inkomensgrens geen recht meer bestaat op kindgebonden budget.

Bezuiniging kinderopvangtoeslag

In 2011 worden de percentages in de kinderopvangtoeslagtabel neerwaarts aangepast, waardoor huishoudens die gebruik maken van formele kinderopvang minder kinderopvangtoeslag ontvangen. Dit leidt voor deze huishoudens tot een gemiddeld negatief inkomenseffect van 1%. De maatregel is inkomensneutraal vormgegeven, wat inhoudt dat het inkomenseffect bij benadering gelijk is voor verschillende inkomensniveaus. Het effect kan per huishouden wel verschillen door een verschillend gebruik van kinderopvang (verschillend aantal afgenomen uren of een verschillende uurprijs). Door deze spreiding varieert het inkomenseffect onder de 495 000 (juli 2010) kinderopvanggebruikers tussen 0 en – 3%, waarbij de grote meerderheid zich tussen 0 en – 2% bevindt.

Wijziging indicatiestelling TOG

De Tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen (TOG) geeft ouders van gehandicapte kinderen recht op een tegemoetkoming van circa € 210 per kwartaal. Per 1 april 2010 is in de indicatie het criterium gewijzigd, waardoor alleen ouders van kinderen die geïndiceerd zijn voor tien of meer uren AWBZ-zorg per week recht krijgen op een tegemoetkoming. Tegelijkertijd is voor 2010 een extra vergoeding van € 1 460 geïntroduceerd voor TOG-gerechtigde alleenverdienershuishoudens.

Vanaf 1 oktober 2010 geldt het nieuwe indicatiecriterium ook voor «zittende» gevallen. Naar verwachting verliezen circa 35 000 huishoudens hierdoor hun tegemoetkoming. Als overgangsregime ontvangen zij nog wel twee kwartalen een halve tegemoetkoming. In 2011 ontvangen ouders die niet aan de nieuwe criteria voldoen hiermee nog € 105 (één kwartaal halve tegemoetkoming), tegen € 735 in 2010 (drie kwartalen gehele tegemoetkoming; één kwartaal halve tegemoetkoming). Voor een paar met twee kinderen en een modaal inkomen betekent dit in 2011 een inkomenseffect van ongeveer – 2,5%.

Hier staat tegenover dat er 11 000 nieuwe TOG-gerechtigden zijn door de wijziging van de TOG. Voor hen is er een positief inkomenseffect, dat deels (voor drie kwartalen) in 2010 neerslaat en deels (voor één kwartaal) in 2011. Voor een paar met twee kinderen en een modaal inkomen betekent dit in 2011 een inkomenseffect van ongeveer + 0,8% ten opzichte van 2010.

2. Zorg

Afbouw vermenigvuldigingsfactor fiscale regeling ziektekosten

Per 2009 is de Buitengewone Uitgavenregeling (BU) vervangen door de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg). De overgang van de Buitengewone Uitgavenregeling naar de Wtcg heeft in 2009 geresulteerd in een aanzienlijke spreiding in inkomenseffecten. Ook in 2011 zijn er, zij het in beperktere mate, inkomenseffecten samenhangend met de Wtcg.

Binnen de Wtcg is namelijk sprake van een nieuwe fiscale regeling voor specifieke ziektekosten. Binnen deze fiscale regeling kunnen kosten worden afgetrokken van ondermeer genees- en heelkundige hulp, voorgeschreven medicijnen, hulpmiddelen, reiskosten naar zorgaanbieders, diëten en extra kleding en beddengoed. In de Buitengewone Uitgavenregeling gold voor een aantal specifieke kostenposten een vermenigvuldigingsfactor van 2,13 bij huishoudens met een (gezamenlijk) verzamelinkomen tot circa € 32 000. In de nieuwe fiscale regeling blijft deze vermenigvuldigingsfactor gelden voor 65-plussers, maar wordt deze voor 65-minners afgebouwd: van 2,13 in 2009 naar 1,77 in 2010 en 1,40 in 2011 en verder. Hierdoor treden in 2011 negatieve inkomenseffecten op bij 65-minners met aftrekbare zorgkosten die onder de vermenigvuldigingsfactor vallen en een gezamenlijk verzamelinkomen tot circa € 32 000. De omvang van dit inkomenseffecten neemt toe met de hoogte van de specifieke ziektekosten. Verder neemt het inkomenseffect toe als de aftrekpost doorwerkt in het recht op inkomensafhankelijke regelingen zoals de zorgtoeslag en de huurtoeslag en dergelijke. Naar verwachting hebben in 2011 zo’n 325 000 huishoudens negatieve inkomenseffecten als gevolg van de afbouw van deze vermenigvuldigingsfactor naar het structurele niveau van 1,4. Het gaat hierbij voor 93% van de betrokken huishoudens om inkomenseffecten kleiner dan 1,5%.

Pakketmaatregelen en verhoging eigen bijdragen binnen de ZVW

Voor 2011 zijn diverse pakketmaatregelen voorgesteld binnen de Zorgverzekeringswet (ZVW). Zo wordt tandheelkunde voor 18 tot en met 21-jarigen geschrapt, evenals anticonceptie voor vrouwen ouder dan 21 jaar, extracties door tandheelkundig specialisten, gebruik van antidepressiva bij milde tot matige depressies en eenvoudige mobiliteitshulpen zoals krukken, loophekjes en rollators. Tevens wordt de eigen bijdrage voor fysiotherapie uitgebreid naar de eerste twaalf (in plaats van de eerste negen) behandelingen.

De beperking van het basispakket brengt met zich mee dat de door de verzekerde gemaakte kosten voor de zorg waar dit op van toepassing is toenemen. Dit effect treedt bijvoorbeeld op via het afsluiten van een aanvullende verzekering. Anderzijds zullen de eigen betalingen in het kader van het eigen risico voor sommige verzekerden afnemen. De verhoging van de eigen bijdrage voor fysiotherapie leidt tot extra uitgaven voor verzekerden die gebruik maken van dit type zorg. In de koopkrachtberekeningen is rekening gehouden met een gemiddelde toename van de eigen betalingen met ongeveer € 16 per volwassene als gevolg van de pakketmaatregelen en de verhoging van eigen bijdragen in de ZVW. De daadwerkelijke eigen betalingen zullen uiteraard per huishouden variëren afhankelijk van het zorggebruik.

De pakketbeperkingen en de verhoging van eigen bijdrage fysiotherapie leiden er toe dat minder zorgkosten hoeven te worden gedekt door premies voor de zorgverzekering. Het drukkend effect op de nominale en inkomensafhankelijke premie heeft positieve gevolgen voor het besteedbaar inkomen van alle verzekerden. Kanttekening hierbij is wel dat een drukkend effect op de nominale premie in veel gevallen wordt afgeroomd door een lagere zorgtoeslag. Het saldo-effect van hogere eigen betalingen en lagere premies is afhankelijk van het daadwerkelijke zorggebruik.

Korting persoonsgebonden budgetten

Voor 2011 is een korting voorzien van 3% op alle persoonsgebonden budgetten. Tevens worden de persoonsgebonden budgetten in 2011 niet geïndexeerd. Deze maatregel heeft negatieve inkomensgevolgen voor 126 000 huishoudens die een persoonsgebonden budget ontvangen. De omvang van het effect is afhankelijk van de hoogte van het persoonsgebonden budget.

Invoering minimum eigen bijdrage AWBZ intramuraal

Op dit moment betaalt een bewoner van een intramurale instelling met bijvoorbeeld alleen een AOW-uitkering een hoge eigen bijdrage intramuraal van rond € 450 per maand. Ook bewoners met alleen een Wajong-uitkering betalen een gemiddelde bijdrage die hoger is dan de € 400 per maand. In AWBZ-instellingen is echter een groep bewoners waarbij de hoge eigen bijdrage lager is dan € 400 per maand. Per 2011 wordt een maatregel genomen die er voor zorgt dat iedereen die langdurig in een AWBZ-instelling verblijft en geen thuiswonende partner heeft minimaal € 400 per maand eigen bijdrage betaalt.

Voor circa 23 000 mensen zal de eigen bijdrage door deze maatregel toenemen. De minister van VWS heeft de Tweede Kamer toegezegd nader te inventariseren om welke groepen van cliënten het precies gaat. Tevens gaat hij na hoe geregeld kan worden dat deze mensen na het betalen van de eigen bijdrage minimaal het bedrag aan zak- en kleedgeld ter vrije besteding overhouden.

3. Wonen

Verhoging eigen bijdrage huurtoeslag

Met ingang van 1 januari 2011 wordt de eigen bijdrage in de huurtoeslag met € 0,86 per maand extra verhoogd. Dit ter invulling van een in de begroting van 2010 aangekondigde bezuiniging in de huurtoeslag. Deze maatregel raakt alle circa één miljoen ontvangers van huurtoeslag. Inkomenseffecten van deze maatregel liggen tussen de 0 en maximaal – 0,1% voor huishoudens met een inkomen op het sociaal minimum.

4. Onderwijs

Niet indexeren van de normbedragen in de studiefinanciering

In 2011 worden de normbedragen die gelden voor de basis- en aanvullende beurs niet geïndexeerd. Indexatie vindt normaal gesproken plaats op basis van de systematiek t-2. Het niet indexeren van de basisbeurs heeft een negatief inkomenseffect voor alle studenten met een recht op de basisbeurs. Het niet indexeren van de aanvullende beurs heeft alleen een negatief inkomenseffect voor de studenten waarvan de ouders minder dan € 45 000 verdienen. In 2011 hebben naar schatting 246 600 studenten een gehele of gedeeltelijke aanvullende beurs.

5. Sociale zekerheid

Korting AOW-partnertoeslag

Gehuwde AOW-gerechtigden ontvangen in principe 50% van het nettominimumloon per maand. Als beide partners 65 jaar of ouder zijn ontvangen zij dus samen 100%. Zolang één van de partners nog geen 65 jaar is bestaat er recht op een partnertoeslag, die tot en met 2010 maximaal 50% van het netto minimumloon bedraagt. De uiteindelijke hoogte van de partnertoeslag is afhankelijk van de inkomsten van de jongere partner.

AOW’ers die vanaf 1 januari 2011 recht hebben dan wel recht krijgen op een partnertoeslag voor de jongere partner, krijgen vanaf deze datum te maken met een korting op de toeslag. De hoofdregel is een generieke korting van 8%. Indien echter het gezamenlijke inkomen onder de 110% van het wettelijk minimumloon (WML) ligt, dan wordt de partnertoeslag niet gekort. Huishoudens met een gezamenlijk inkomen dat net boven 110% van het WML worden gekort tot deze grens. In dergelijke gevallen valt de korting dus lager uit dan 8%. Het aantal huishoudens dat te maken heeft met deze maatregel bedraagt 161 000.

Gemiddeld ontvangt een AOW’er met partnertoeslag ongeveer € 6 400 bruto per jaar aan partner-toeslag. Een korting van 8% houdt in dat een huishouden ongeveer € 500 per jaar minder ontvangt. Voor huishoudens met beperkte extra inkomsten bovenop de AOW, die net boven de inkomensgrens van 110% WML zitten betekent dit een inkomensdaling van maximaal 3%. Bij toenemende aanvullende inkomsten neemt het procentuele inkomenseffect af. Aangezien de meeste 65-plussers aanvullende inkomsten (bijvoorbeeld in de vorm van aanvullend pensioen) hebben, is het inkomenseffect over het algemeen lager.

Omvorming van de AOW-tegemoetkoming

De AOW-tegemoetkoming is een koopkrachtinstrument bedoeld om ouderen gericht te kunnen ondersteunen in de koopkracht. De AOW-tegemoetkoming is een bedrag bovenop de AOW-uitkering. De AOW-tegemoetkoming bedraagt in 2010 € 411 euro per jaar. Deze AOW-tegemoetkoming wordt omgevormd naar een koopkrachtregeling voor oudere belastingplichtigen (MKOB). Dit betekent dat oudere niet-belastingplichtigen het recht op de tegemoetkoming verliezen. Dit zijn AOW-ers die in het buitenland wonen en niet in Nederland belasting betalen. Deze maatregel heeft alleen inkomenseffecten voor AOW-ers die in het buitenland wonen. Het gaat hier om ongeveer 260 000 AOW-ers. Het precieze inkomenseffect is onder andere afhankelijk van het fiscale stelsel in het betreffende land en de hoogte van het inkomen.

Korting van tegemoetkomingen MKOB, Anw en AO

De tegemoetkomingen voor oudere belastingplichtigen (MKOB), nabestaanden (Anw) en arbeidsongeschikten (WAO, WIA, WAZ en Wajong) worden in 2011 gekort. Bij de Anw-tegemoetkoming gaat het om een bruto toeslag op de feitelijke uitkering die maandelijks aan alle Anw-gerechtigden wordt verstrekt. De AO-tegemoetkoming betreft een netto bedrag dat jaarlijks wordt uitgekeerd aan degenen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering van het UWV die ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn. Normaliter worden deze tegemoetkomingen jaarlijks geïndexeerd. In de begroting 2010 was reeds aangekondigd dat deze tegemoetkomingen in 2010 en 2011 niet geïndexeerd zouden worden. Daarnaast worden de tegemoetkomingen in 2011 gekort met een bedrag van € 14. Als gevolg van het achterwege laten van de indexering en de korting van de MKOB hebben ouderen met alleen AOW te maken met een negatief inkomenseffect van ca. 0,2%. Voor de korting van de andere tegemoetkomingen gelden vergelijkbare inkomenseffecten. Overigens staat tegenover de verlaging van de MKOB wél een verhoging van de ouderenkorting. De inkomenseffecten als gevolg van de verlaging van de MKOB en de verhoging van de ouderenkorting zijn ook meegenomen in het standaardbeeld.

Ziektewet-maatregelen

In de Ziektewet (ZW) wordt een aantal maatregelen genomen die inkomensefffecten in 2011 hebben. Zo worden de inkomsten van iemand met het recht op ziekengeld die – deels – werkt voortaan verrekend met het ziekengeld, waarbij een vast percentage van de inkomsten is vrijgesteld. Deze systematiek wordt ook gehanteerd in de WIA. In de huidige situatie in de ZW bestaat er een vrijstelling van arbeidsinkomsten tot een bepaald bedrag en daarboven vindt volledige verrekening plaats van de inkomsten met het ziekengeld. Dit heeft negatieve inkomenseffecten voor iedereen, die werkt in de ZW. De omvang van het inkomenseffect is afhankelijk van de hoogte van de bijverdienste.

Een tweede maatregel is dat het recht op WW in 2011 niet meer wordt verlengd als iemand een periode van de tijd ziek is. Zodra een werkloze ziek wordt dan komt hij of zij in de ziektewet terecht. In de periode dat iemand in de ziektewet zit wordt in de nieuwe situatie dus ook WW-recht verbruikt. Dat betekent bijvoorbeeld dat een zieke werkloze na een twee jaar durende ziekteperiode twee jaar recht op WW heeft verbruikt. Dit heeft negatieve inkomenseffecten voor zieke WW-ers. Zij komen met deze maatregel eerder in de bijstand terecht.

6. Overig

Versobering uitbetaling algemene heffingskorting

Voor iedere belastingplichtige geldt de algemene heffingskorting. De algemene heffingskorting vermindert de verschuldigde inkomstenbelasting. De algemene heffingskorting is in beginsel dan ook niet hoger dan de verschuldigde inkomstenbelasting. Hierdoor kunnen niet of weinig verdienende belastingplichtigen de algemene heffingskorting niet of niet helemaal te gelde maken. Voor niet of weinig verdienende partners geldt hierop een uitzondering voor zover hun partner inkomstenbelasting verschuldigd is. In dat geval wordt de algemene heffingskorting uitbetaald aan de niet of weinig verdienende partner.

Het gevolg van de uitbetaling van de algemene heffingskorting is dat een partner die zich niet op de arbeidsmarkt begeeft of een kleine deeltijdbaan heeft een kleinere prikkel tot (meer) werken ervaart. De uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de niet of weinig verdienende partner wordt om die reden sinds 2009 stapsgewijs (in 15 jaar met 6 2/3%-punt per jaar) afgebouwd. Het wordt zo voor de minstverdienende partner meer lonend om te gaan werken. Er wordt gestreefd naar een zekere balans tussen de inkomenspositie van kostwinnersgezinnen en de participatiebevordering van niet of weinig verdienende partners. Daarom bestaat een uitzondering op de beperking: gezinnen met een kind van vijf jaar of jonger. Voor hen blijft de uitbetaling van de algemene heffingskorting onverkort van toepassing. Daarnaast bestaat een uitzondering voor partners die geboren zijn voor 1 januari 1972; ook voor hen blijft de uitbetaling van de algemene heffingskorting onverkort van toepassing. In totaal hebben circa 120 000 huishoudens wél te maken met de versobering van de uitbetaling van de algemene heffingskorting. Voor een alleenverdiener met een modaal inkomen en twee kinderen gaat het hierbij om een inkomenseffect van crica 0,5%.

Verhoging accijns op tabak

In 2011 wordt de accijns op sigaretten en shag verhoogd. De prijs stijgt door de verhoging van de accijns met bijvoorbeeld ongeveer 26 cent voor een pakje sigaretten van 19 stuks. Deze beleidsmatige prijsstijging werkt ook door in het consumentenprijsindexcijfer, en het gemiddelde effect zit hiermee in de koopkrachtcijfers verwerkt. De daadwerkelijke effecten zijn afhankelijk van het rookgedrag binnen een huishouden.

Maatregelen rond transitie BES

De transitie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba naar bijzondere gemeenten van Nederland per 10 oktober 2010 heeft ook gevolgen voor de inkomens van de inwoners van de BES. Het uitgangspunt voor de transitie is steeds geweest dat niemand er op achteruit gaat. Maatregelen die spelen zijn onder andere de invoering van een nieuw belastingstelsel, verhoging van het ouderdomspensioen (AOV), verhoging van het nabestaandenpensioen (AWW), verhoging van de onderstandsuitkeringen en aanpassing van het minimumloon naar het niveau van Bonaire. Naast deze maatregelen wordt gewerkt aan verbetering van de sociaal-economische situatie op onder andere het terrein van scholing en arbeidsmarkt.

Verruiming mogelijkheden kwijtschelding lokale lasten

Het is het streven per 2011 de mogelijkheden te verruimen kwijtschelding te verlenen van belastingen en heffingen die door gemeenten, provincies of waterschappen worden geheven. Decentrale overheden krijgen de mogelijkheden om bij de beoordeling van de kwijtscheldingsaanvraag uit te gaan van de ruimere vermogensnormen uit de Wet werk en bijstand in plaats van de normen uit de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 zoals deze nu gelden. De nadere regels met betrekking tot de wijze waarop de kosten van bestaan in aanmerking worden genomen blijven daarnaast gewoon bestaan. Daarnaast wordt de mogelijkheid gecreëerd voortaan zelfstandige ondernemers op gelijke voet als particulieren in aanmerking te laten komen voor kwijtschelding van lokale belastingen. De kwijtschelding in dit voorstel kan alleen lokale belastingen betreffen die géén relatie hebben met een onderneming die door de belastingplichtige wordt gedreven of een beroep betreffen dat door hem wordt uitgeoefend.

De gemeenteraad, provinciale staten of het algemeen bestuur kunnen besluiten al dan niet van deze ruimere mogelijkheden gebruik te maken. In het geval van deze mogelijkheden gebruik wordt gemaakt heeft dat positieve inkomenseffecten voor huishoudens met een vermogen onder de ruimere norm en voor zelfstandigen met een inkomen onder de inkomensnorm om voor kwijtschelding in aanmerking te komen. Deze norm verschilt per gemeente.

Het wetsvoorstel rond verruiming van de kwijtschelding is ingediend bij de Tweede Kamer en wacht op behandeling. Insteek is wel om het wetsvoorstel op 1 januari 2011 in werking te laten treden.

Maatregelen op het terrein van justitie

De boetes stijgen in 2011 met 15%. Deze stijging werkt niet door in de koopkrachtcijfers omdat boetes door het CBS niet worden meegenomen bij de berekening van de consumentenprijsindex. Daarnaast worden de griffierechten verhoogd met een totale budgettaire opbrengst van € 15 mln. Deze verhoging is wel verwerkt in de consumentenprijsindex, en het gemiddelde effect zit hiermee in de koopkrachtcijfers verwerkt. De daadwerkelijke effecten zijn afhankelijk van de te betalen boetes en griffierechten per huishouden.