Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

41 Inkomensbeleid

Algemene doelstelling

Zorgdragen voor een evenwichtige en activerende inkomensontwikkeling

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Een evenwichtige inkomensontwikkeling bereiken en tegelijkertijd financiële prikkels voor werkaanvaarding in stand houden en verbeteren.

Bij het inkomensbeleid speelt constant een afweging tussen het streven naar een evenwichtige inkomensontwikkeling, de bestrijding van de armoedeval en het streven naar evenwichtige overheidsfinanciën. Een maatregel die één doelstelling dichterbij brengt, leidt er vaak toe dat een andere doelstelling lastiger bereikbaar wordt. Verkleining van de werkloosheidsval impliceert bijvoorbeeld dat de koopkrachtontwikkeling van werkenden en uitkeringsgerechtigden uit elkaar gaan lopen. Een verhoging van de arbeidskorting versterkt de arbeidsmarktprikkels, maar heeft budgettaire gevolgen.

Verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor:

  • •  het volgen en beoordelen van de inkomensontwikkeling van burgers door middel van standaard koopkrachtcijfers en armoedevalcijfers en indien mogelijk en wenselijk corrigerend optreden;
  • •  het in kaart brengen en beoordelen van de gevolgen van het geheel aan beleidsvoorstellen voor het koopkrachtbeeld en de armoedeval.

Externe factoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

  • •  de financieel-economische situatie en daarmee de mogelijkheden om negatieve effecten te compenseren;
  • •  algemene factoren zoals loon- en prijsontwikkeling.

Effectgegevens

Behalen van deze doelstelling heeft als effect dat:

  • •  een evenwichtige inkomensontwikkeling tot stand komt, met bijzondere aandacht voor groepen zonder perspectief op de arbeidsmarkt, huishoudens met kinderen en de middeninkomens;
  • •  de arbeidsparticipatie wordt gestimuleerd.

Indicatoren

Voor de algemene doelstelling zijn geen aparte prestatie-indicatoren geformuleerd, omdat op dit aggregatieniveau onvoldoende concrete doelstellingen geformuleerd kunnen worden. Verwezen wordt naar de indicatoren voor de operationele doelstellingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 41.1 Begrotingsuitgaven artikel 41 (x € 1 000)

artikelonderdeel

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen

1 722

1 980

1 916

772

772

772

772

Uitgaven

1 359

2 048

2 006

822

772

772

772

               

Programma uitgaven

352

965

862

822

772

772

772

waarvan juridisch verplicht

   

10%

0%

0%

0%

0%

               

Operationele Doelstelling 2

             

Subsidies

40

40

45

5

5

5

5

Overig

312

925

817

817

767

767

767

               

Apparaatsuitgaven

1 007

1 083

1 144

0

0

0

0

Personeel en materieel

1 007

1 083

1 144

0

0

0

0

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Grafiek budgetflexibiliteit per operationele doelstelling

Toelichting

De programma-uitgaven in dit artikel betreffen hoofdzakelijk onderzoeksbudgetten. Van deze budgetten is voor 2011 reeds 10% juridisch verplicht.

Operationele doelstelling

1 Het bereiken van een zo evenwichtig mogelijk over de verschillende inkomensgroepen gespreide inkomensontwikkeling

Motivering

Te komen tot een evenwichtige inkomensverdeling en bescherming van de inkomenspositie van groepen zonder perspectief op de arbeidsmarkt, huishoudens met kinderen en de middeninkomens.

Instrumenten

  • –  Generiek koopkrachtbeeld in de vorm van een standaard koopkrachtoverzicht;
  • –  Specifieke inkomenseffecten van afzonderlijke maatregelen die niet in het generieke koopkrachtbeeld tot uitdrukking komen. Een overzicht van deze maatregelen is in bijlage 6.4 (inkomensbeleid) opgenomen.

Activiteiten

  • –  Beoordelen van de inkomenseffecten van beleid en zo mogelijk corrigerend optreden. In 2011 spelen de volgende voor het algemene inkomensbeeld relevante maatregelen:
    • •  Zowel actieven als inactieven hebben voordeel van de verlaging van het tarief van de eerste belastingschijf met 0,45%-punt. Inactieven en actieven hebben ook voordeel van het verlengen van de eerste, tweede en derde belastingschijf met respectievelijk € 300, € 250 en € 450.
    • •  Werkenden hebben voordeel van het verhogen van de arbeidskorting. De arbeidskorting stijgt voor lage en middeninkomens met € 75 en voor hogere inkomens met € 55.
    • •  De koopkracht van alleenstaande ouders wordt negatief beïnvloed door een verlaging van de alleenstaande ouderkorting met € 20.
    • •  Gezinnen met kinderen hebben nadeel van het niet indexeren van de bedragen van het kindgebonden budget en de kinderbijslag. Gezinnen met meerdere kinderen hebben voordeel van de verhoging van de bedragen van het kindgebonden budget vanaf het tweede kind. Het bedrag van het tweede kind stijgt met € 177 naar € 488 in 2011. Voor het derde, vierde, vijfde en het zesde en volgende kind bedraagt de verhoging respectievelijk € 203, € 199, € 152 en € 51. Vanwege de inkomensafhankelijkheid van de regeling hebben hogere inkomens geen voordeel van deze intensivering.
    • •  Gezinnen met kinderen die gebruik maken van kinderopvang hebben nadeel van de bezuinigingen in de kinderopvangtoeslag. Het precieze effect op de koopkrachtontwikkeling is afhankelijk van de persoonlijke situatie (waaronder betaalde uurprijs en aantal gebruikte uren kinderopvang) en komt gemiddeld uit op – 1% tot – 1¼%.
    • •  Alleenverdieners hebben nadeel van het afbouwen van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting. In 2011 wordt de overdraagbaarheid met 6 2/3% beperkt, dit komt overeen met een bedrag van € 133. Alleenverdieners met een partner geboren voor 1972 of met kinderen tot 6 jaar hebben geen last van deze maatregel.
    • •  Ouderen hebben per saldo voordeel van de verhoging van de ouderenkorting met € 50 en de verlaging van de tegemoetkoming voor oudere belastingplichtigen (MKOB, voorheen AOW-tegemoetkoming) met € 14. Vanwege de verzilveringsproblematiek profiteren niet alle ouderen (volledig) van de verhoging van de ouderenkorting.
  • –  Monitoren van de loonontwikkeling, de inflatie, zorgpremies en de pensioenpremies:
    • •  De contractlonen stijgen volgens de raming gemiddeld met 1½% in 2011;
    • •  Het wettelijk minimumloon stijgt met 1¼%;
    • •  De consumentenprijzen stijgen met 1½%;
    • •  De nominale zorgpremie stijgt met gemiddeld € 104 van € 1 107 naar € 1 211;
    • •  De inkomensafhankelijke bijdrage voor de ZVW stijgt van 7,05% in 2010 naar 7,75% in 2011;
    • •  Aanvullende pensioenen worden gemiddeld genomen niet geïndexeerd;
    • •  De gemiddelde pensioenpremie (werknemersdeel) stijgt van 3½% in 2010 naar 3¾% in 2011.

Doelgroepen

De verschillende inkomensgroepen, met bijzondere aandacht voor groepen met weinig perspectief op de arbeidsmarkt, huishoudens met kinderen en de middeninkomens.

Indicatoren

De inkomensontwikkeling van burgers wordt gevolgd door middel van standaard koopkrachtcijfers zoals gepresenteerd in tabel 41.2. Deze cijfers laten voor een aantal standaardhuishoudens de inkomensontwikkeling zien als gevolg van de gemiddelde loon- en prijsontwikkeling en als gevolg van generieke maatregelen, zoals aanpassingen in belastingen, (ziektekosten)premies en kinderbijslag.

Het standaardkoopkrachtbeeld voor 2011 laat een beeld zien waarin de meeste huishoudens een geringe koopkrachtdaling hebben. De mediane koopkracht ligt volgens het CPB op – ¼%. Deze negatieve koopkrachtontwikkeling wordt deels veroorzaakt doordat de loonontwikkeling niet boven de inflatie uitkomt. Daarnaast stijgen in 2011 de zorgpremies. Hoewel het compenserende koopkrachtpakket het koopkrachtverlies beperkt, heeft een deel van de huishoudens een (geringe) negatieve koopkrachtontwikkeling. De spreiding rond de mediaan hangt verder samen met de gevolgen van al eerder ingezet beleid zoals het beperken van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting, het inkomensafhankelijker maken van de arbeidskorting en het intensiveren van het kindgebonden budget. De koopkrachtontwikkeling van ouderen met een aanvullend pensioen wordt negatief beïnvloed doordat het aanvullende pensioen gemiddeld genomen niet wordt geïndexeerd.

In bijlage 6.4 (inkomensbeleid) wordt nader ingegaan op de omvang en spreiding in de koopkrachteffecten als gevolg van de niet in het generieke beeld opgenomen maatregelen.

Tabel 41.2 Indicatoren operationele doelstelling 1: Standaard koopkrachteffecten (in %)

Actieven

Raming

2010

Raming

2011

Alleenverdiener met kinderen

   
modaal1

– 1¼

– ¼

2 x modaal

– 1¼

– 1

     

Tweeverdieners

   
modaal + ½ x modaal met kinderen2

– 1

– ¼

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

– 1

– ¼

modaal + modaal zonder kinderen

– ¾

– ½

2 x modaal + modaal zonder kinderen

– 1

– ¼

     

Alleenstaande

   

minimumloon

– ½

0

modaal

– ¾

0

2 x modaal

– 1

– ¼

     

Alleenstaande ouder

   

minimumloon

– ¼

½

modaal

– 1

¼

Inactieven

Raming 2010

Raming 2011

Sociale minima

   

paar met kinderen

– ½

¼

alleenstaande

– ¼

– ½

alleenstaande ouder

– ½

½

     

AOW (alleenstaand)

   

(alleen) AOW

– ¼

– ½

AOW + € 10 000

– ½

– ¾

     

AOW (paar)

   

(alleen) AOW

– ½

– ¾

AOW + € 10 000

– ½

– ¾

Noot 1: De beperking van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting is meegenomen in de koopkrachtcijfers 2011. Alleenverdieners met een partner geboren voor 1972 of met kinderen tot 6 jaar hebben geen last van deze maatregel, waardoor de koopkracht van deze groepen ¼% tot ½% hoger uitvalt. In de koopkrachtcijfers van 2010 is de beperking van de overdraagbaarheid nog niet meegenomen omdat de groep die binnen de gepresenteerde groep werd geraakt minder dan de helft van de populatie betrof.

Noot 2: In dit beeld is geen rekening gehouden met de bezuinigingen in de kinderopvangtoeslag. De koopkrachtontwikkeling van huishoudens die gebruik maken van kinderopvang ligt gemiddeld 1 tot 1¼% lager.

Bron: SZW-berekeningen

Operationele doelstelling

2 In stand houden en verbeteren van financiële prikkels voor werkaanvaarding

Motivering

Bijdragen aan een activerend inkomensbeleid.

Instrumenten

Armoedevaltoets, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar de werkloosheidsval, de herintredersval en de deeltijdval.

Activiteiten

In 2011 spelen de volgende maatregelen die van belang zijn voor de armoedeval:

Negatieve effecten

  • •  Er zijn negatieve effecten op de armoedeval (zowel de werkloosheidsval, de herintredersval als de deeltijdval) bij huishoudens met kinderen als gevolg van de bezuiniging op de kinderopvangtoeslag. Huishoudens met kinderen die naar de kinderopvang gaan moeten immers meer betalen voor extra uren kinderopvang. Voor alleenstaande ouders die vier dagen gaan werken op minimumloonniveau neemt hierdoor de inkomensachteruitgang bij het aanvaarden van werk toe.
  • •  Ook zijn er negatieve armoedevaleffecten voor huishoudens met kinderen als gevolg van de verhoging van de bedragen in het kindgebonden budget voor tweede en volgende kinderen. Door de verhoging van de bedragen kunnen huishoudens een hoger bedrag aan kindgebonden budget verliezen bij een stijging van het inkomen. Dit speelt vooral in het geval van herintreding of extra uren werken door de minstverdienende partner.
  • •  Daarnaast hebben de stijging van de nominale zorgpremie – met hieraan gekoppeld een stijging van de zorgtoeslag – en de stijging van de inkomensafhankelijke bijdrage voor de ZVW negatieve effecten op de armoedeval. Dit beïnvloedt met name de herintredersval en de deeltijdval.
  • •  De daling van de alleenstaande ouderkorting met € 20 heeft een negatief effect op de werkloosheidsval voor alleenstaande ouders.

Positieve effecten

  • •  Er zijn positieve effecten op de armoedeval (zowel werkloosheidsval, herintredersval als deeltijdval) als gevolg van de verlaging van het tarief van de eerste belastingschijf met 0,45%-punt en als gevolg van de verlenging van de lengtes van de eerste, tweede en derde belastingschijf met respectievelijk € 300, € 250 en € 450. Belastingplichtigen komen hierdoor minder snel in een hogere schijf met bijbehorend hoger tarief terecht.
  • •  Verder zijn er positieve effecten op de armoedeval (zowel werkloosheidsval, herintredersval als deeltijdval) als gevolg van de stijging van de arbeidskorting voor inkomens tot ca. € 43 000 met € 75 en voor hogere inkomens met € 55.
  • •  Ook het verhogen van de eigen bijdrage in de huurtoeslag heeft positieve effecten. Huishoudens krijgen hierdoor minder huurtoeslag en verliezen ook minder huurtoeslag bij een hoger inkomen.
  • •  Positieve effecten zijn er ten slotte voor de herintredersval en de deeltijdval als gevolg van de afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting. Door de afbouw van overdraagbaarheid kan de algemene heffingskorting in mindere mate overgedragen worden aan de alleenverdiener dan wel meestverdienende partner. De algemene heffingskorting wordt alleen volledig ontvangen wanneer de niet-werkende of minstverdienende partner (meer) gaat werken.

Doelgroepen

Huishoudens die door een hogere arbeidsparticipatie hun inkomen kunnen verbeteren.

Indicatoren

Tabel 41.3 presenteert indicatoren voor de ontwikkeling van de werkloosheidsval, de herintredersval en de deeltijdval. De werkloosheidsval geeft de inkomensvooruitgang aan bij het aanvaarden van werk vanuit een bijstandsuitkering. De herintredersval is de inkomensvooruitgang bij het aanvaarden van werk door de niet-werkende partner. De deeltijdval wordt gemeten als de inkomensvooruitgang bij één dag extra werken door de minstverdienende partner.

Nieuwe informatie over de gemiddelde uurprijzen in de kinderopvang heeft geleid tot een aanpassing van de berekening van de armoedeval in 2010. Als gevolg van de aanpassing is de werkloosheidsval voor alleenstaande ouders die 4 dagen gaan werken tegen het minimumloon dan wel tegen 120% van het minimumloon bijvoorbeeld 2%-punt negatiever dan vorig jaar werd voorzien. Bij de herintredersval en deeltijdval gaat het veelal om kleinere aanpassingen.

Ook nieuwe informatie over de gemiddelde hoogte van de huren – wat doorwerkt in de hoogte van de huurtoeslag – heeft geleid tot een aanpassing van de berekeningen. Dit leidt bijvoorbeeld voor een alleenstaande die gaat werken tegen 120% van het minimumloon tot een verslechtering van de werkloosheidsval met 2%-punt.

Tabel 41.3 Indicatoren operationele doelstelling 2
 

Vooruitgang in %

Extra euro’s per maand

(afgerond op € 5)

 

2010

2011

verschil*

2010

2011

verschil

Werkloosheidsval

           
(inkomensvooruitgang bij aanvaarden werk in plaats van bijstand)**
           
             

Aanvaarden werk op minimumloonniveau

           

Alleenverdiener met kinderen

2%

2%

0%

40

40

0

Alleenstaande

14%

14%

0%

155

160

5

Alleenstaande ouder (gaat 4 dagen werken)

– 4%

– 5%

– 1%

– 65

– 85

– 20

Aanvaarden werk op 120% minimumloonniveau

           

Alleenverdiener met kinderen

5%

4%

– 1%

85

80

– 5

Alleenstaande

21%

22%

1%

235

245

10

Alleenstaande ouder (gaat 4 dagen werken)

8%

7%

-1%

140

125

-15

             

Herintredersval

           
(inkomensvooruitgang bij 2½ dag werken door niet-werkende partner)***
           
             

Hoofd minimumloon, partner minimumloonniveau

13%

11%

-1%

240

220

– 20

Hoofd 120% minimumloon, partner 120% minimumloonniveau

19%

18%

0%

355

355

0

             

Deeltijdval minstverdienende partner

           

(inkomensvooruitgang bij 1 dag extra werken)

           
             

Hoofd minimumloon

           

Partner gaat van 2 naar 3 dagen werk (minimumloonniveau)

6%

5%

– 1%

125

115

– 10

Partner gaat van 3 naar 4 dagen werk (minimumloonniveau)

7%

7%

0%

145

145

0

Hoofd modaal

           

Partner gaat van 2 naar 3 dagen werk (minimumloonniveau)

7%

7%

0%

175

170

– 5

Partner gaat van 3 naar 4 dagen werk (minimumloonniveau)

7%

6%

– 1%

185

170

– 15

Partner gaat van 2 naar 3 dagen werk (120% minimumloonniveau)

8%

8%

– 1%

210

195

– 15

Partner gaat van 3 naar 4 dagen werk (120% minimumloonniveau)

8%

7%

– 1%

215

195

– 20

Partner gaat van 2 naar 3 dagen werk (modaal niveau)

12%

12%

– 1%

340

325

– 15

Partner gaat van 3 naar 4 dagen werk (modaal niveau)

8%

7%

0%

240

225

– 15

Noot *: Vanwege afronding zijn de waarden niet altijd gelijk aan het verschil in de eerste twee kolommen.

Noot **: Er wordt uitgegaan van een voltijdbaan (5 dagen), tenzij anders vermeld.

Noot ***: Er wordt uitgegaan van een huishouden met 2 kinderen tussen 6 en 11 jaar. Om de armoedevalcijfers tussen 2010 en 2011 onderling te kunnen vergelijken is de beperking van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting meegenomen in de armoedevalcijfers van 2010 én 2011. In de begroting 2010 was de beperking van de overdraagbaarheid zowel in 2009 als 2010 niet meegenomen in de armoedevalcijfers.

Bron: SZW-berekeningen

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

Tabel 41.4 Onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

AD/OD

A. Start

B. Afgerond

Vindplaats

Evaluatieonderzoek ex ante

Geen

     

Beleidsdoorlichting

Artikel 41

AD

A. 2010

B. 2011

 

Effecten onderzoek ex post

Geen

     

Overig evaluatieonderzoek

Geen

     

Toelichting

De beleidsdoorlichting van artikel 41 is vergeleken met de begroting van vorig jaar iets verlaat van 2010 naar 2011. De reden hiervoor is dat hierdoor kan worden aangesloten bij nieuwe beschikbare databestanden van het CBS.

Artikel