Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

42 Arbeidsparticipatie

Algemene doelstelling

Zorgdragen voor een toename van de arbeidsparticipatie

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Om te bevorderen dat het aandeel werkenden in de beroepsbevolking (verder) toeneemt, creëert SZW via wet- en regelgeving, ondersteuning van gemeenten, aansturing van uitvoeringsinstanties en overleg met sociale partners voorwaarden om verhoging van de arbeidsparticipatie te stimuleren. Deze voorwaarden hebben in hun samenhang betrekking op het verbeteren van de concurrentiekracht van de Nederlandse economie, het verhogen van het scholingsniveau van de beroepsbevolking en het bevorderen dat alle groepen van de samenleving op de arbeidsmarkt kunnen participeren.

Verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor:

  • •  beleid en maatregelen die het makkelijker maken om tot de arbeidsmarkt toe te treden;
  • •  het stimuleren van de samenwerking tussen de sociale partners, de gemeenten en UWV.

Externe factoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

  • •  het goed inspelen op conjuncturele ontwikkelingen door de uitvoerende instanties.

Effectgegevens

Behalen van deze doelstelling heeft als effect dat:

  • •  een bijdrage wordt geleverd aan de houdbaarheid van de verzorgingsstaat;
  • •  een structureel tekort aan arbeidskrachten wordt voorkomen;
  • •  de (langdurige) werkloosheid wordt teruggedrongen.

Indicatoren

Bruto arbeidsparticipatie

Onder bruto arbeidsparticipatie wordt verstaan het aantal mensen met een baan of direct beschikbaar voor een baan van minimaal 12 uur per week als percentage van de bevolking van 20–64 jaar. Anders dan bij de netto arbeidsparticipatie (zie tabel 42.7) worden bij de bruto arbeidsparticipatie de werklozen meegeteld.

In het beleidsprogramma van het Kabinet Balkenende IV is het streven geformuleerd om in 2016 een bruto arbeidsparticipatie van 80% te bereiken. In de periode 2007 tot 2011 zou een belangrijke stap in die richting moeten worden gezet. Voor de tussenliggende jaren zijn geen streefwaarden afgesproken. De realisatie van de doelstelling is vanaf 2009 tijdelijk beïnvloed door de recessie. In 2009 lag de bruto arbeidsparticipatie op 76%. Het CPB heeft in de MEV geraamd dat de bruto participatiegraad in 2010 en 2011 niet verder stijgt. Dit tijdelijke effect wordt veroorzaakt doordat mensen zich vanwege de conjuncturele situatie terugtrekken van de arbeidsmarkt. Het is de verwachting dat na de crisis de participatiegraad verder zal doorgroeien.

In het kader van de nieuwe «Europa 2020 strategie» is een EU-brede doelstelling op het gebied van participatie afgesproken van 75% in 2020 (netto arbeidsparticipatie 20–64 jarigen van minimaal 1 uur per week). De hiervan voor Nederland af te leiden doelstelling voor 2020 zal door het nieuwe kabinet worden vastgesteld.

200 000 mensen extra aan de slag

Met de 200 000 doelstelling van het kabinet Balkenende IV wordt beoogd om mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk te helpen. Het gaat het om de volumedaling van werkloosheids-, arbeidsongeschiktheids- en bijstandsuitkeringen in 2011 ten opzichte van 2007. Als gevolg van de economische crisis is het aantal mensen met een werkloosheidsuitkering sterk gestegen. Het is daardoor zeker dat de 200 000 doelstelling niet wordt gehaald.

Tabel 42.1 Indicatoren algemene doelstelling
 

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Streven 2011

Bruto arbeidsparticipatie 20–64 jaar (%)

74

76

76

 

Volume uitkeringen bijstand, ww en arbeids-ongeschikten (uitkeringsjaren x 1 000)

1 183

1 118

1 175

983

Bron: CPB, Macro Economische Verkenning

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 42.2 Begrotingsuitgaven Artikel 42 (x € 1 000)

artikelonderdeel

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen

31 664

123 089

60 664

17 550

17 447

17 447

17 447

Uitgaven

33 310

123 278

60 726

17 612

17 509

17 469

17 447

               

Programma uitgaven

12 822

103 247

42 505

17 612

17 509

17 469

17 447

waarvan juridisch verplicht

   

68%

0%

0%

0%

0%

               

Operationele Doelstelling 2

             

Scholing en EVC

220

41 000

0

0

0

0

0

               

Operationele Doelstelling 3

             

Stimulering Arbeidsparticipatie

5 954

11 413

14 645

17 509

17 509

17 469

17 447

Jeugdwerkloosheid

5 117

48 396

27 000

0

0

0

0

Overig

1 531

2 438

860

103

0

0

0

               

Apparaatsuitgaven

20 488

20 031

18 221

0

0

0

0

Personeel en materieel

20 488

20 031

18 221

0

0

0

0

               

Ontvangsten

20 624

17 237

17 237

17 237

17 237

17 237

17 237

Toelichting

Scholing en EVC (Erkenning van Verworven Competenties)

De in het kader van de economische crisis getroffen tijdelijke arbeidsmaatregelen, omscholingsbonus en EVC-trajecten worden ultimo 2010 beëindigd.

Stimulering arbeidsparticipatie

In aanvulling op en ter versterking van het algemene arbeidsmarktbeleid is besloten tot het uitvoeren van een aantal aanvullende acties om de arbeidsparticipatie te vergroten. Hiervoor is in 2011 een budget van circa € 14,6 mln beschikbaar. Dit budget zal onder meer worden ingezet voor de Tijdelijke subsidieregeling raakvlak onderwijs en arbeidsmarkt (amendement van Hijum, TK 2007/2008, 31 200 XV, nr. 22) en voor projecten uit het interdepartementale programma «Iedereen Doet Mee nieuwe stijl» (N-IDM programma). Dit programma heeft tot doel de arbeidsdeelname van jongeren met een beperking te bevorderen door een integrale interdepartementale agenda gericht op de samenhang van regelingen in de zorg, op school en op het werk.

Daarnaast hebben de 18 gemeenten met aandachtswijken en het UWV de afgelopen jaren (2008–2010) op wijkniveau samengewerkt met als doel het arbeidspotentieel vanuit de wijken aan werk te helpen. In 2010 hebben SZW, WWI, Divosa en UWV gezamenlijk een quick scan uit laten voeren en is naar aanleiding daarvan een handreiking opgesteld. In 2011 zal deze aanpak en de verduurzaming verder gevolgd worden.

Jeugdwerkloosheid

Voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid is in 2011 een bedrag van € 27 mln beschikbaar voor de financiering van het «Actieplan Jeugdwerkloosheid»:

  • •  Voor het uitvoeren van de per regio gemaakte convenantafspraken (zoals bijvoorbeeld het plaatsen van een jongere op een baan, stageplek of leerwerktraject) is € 23 mln beschikbaar;
  • •  Voor het UWV-matchingsoffensief is € 3 mln beschikbaar, onder meer bedoeld voor de creatie van nieuwe banen voor hoger opgeleide schoolverlaters, die andere jongeren begeleiden naar werk;
  • •  Verder is € 1 mln beschikbaar voor aanvullende activiteiten door het projectteam Jeugdwerkloosheid.

Ook in 2011 zal in samenwerking met de collegadepartementen die zich focussen op het thema «jeugd» de jeugdwerkloosheid nauwlettend worden gevolgd.

Overig

Dit betreft beleidsondersteunende onderzoeken op het gebied van arbeidsparticipatie.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben betrekking op de bestuurlijke boetes in het kader van de Wet Arbeid Vreemdelingen.

Tabel 42.3 Belasting- en premie-uitgaven artikel 42 (lopende prijzen x € 1 mln)

Artikelonderdeel

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Operationele doelstelling 2

             

Afdrachtvermindering onderwijs

348

420

367

372

378

384

390

               

Operationele doelstelling 3

             

Arbeidskorting voor ouderen

239

262

293

326

363

396

434

Doorwerkbonus

265

260

296

322

333

343

356

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

2

2

2

2

2

2

2

Premievrijstelling oudere werknemers

939

807

652

487

327

186

61

Premiekorting oudere werknemers

210

255

311

507

851

1 008

1 172

Premiekorting arbeidsgehandicapten

43

44

45

46

47

47

48

Bron: Ministerie van Financiën, Belastingdienst

Toelichting

Afdrachtvermindering onderwijs (WVA)

In tabel 42.3 is het volledige budgettair beslag van de afdrachtvermindering onderwijs gepresenteerd. De meeste onderdelen daarvan vallen onder de beleidsverantwoordelijkheid van het Ministerie van OCW (duale opleidingen). De WVA-startkwalificatie, waar SZW gezamenlijk met OCW voor verantwoordelijk is, is een onderdeel van de afdrachtvermindering onderwijs. Dit betreft een fiscale faciliteit voor werkgevers van werknemers die scholing volgen die gericht is op het behalen van het startkwalificatieniveau. De werkgever moet om voor deze regeling in aanmerking te kunnen komen over een verklaring van het UWV-WERKbedrijf beschikken dat de werknemer voor aanvang van de scholing een werkloze is of een voormalig werkloze is die uitsluitend als gevolg van deelname aan een re-integratietraject van een gemeente of het UWV niet langer een werkloze is. Een ander onderdeel waar SZW gezamenlijk met OCW voor verantwoordelijk is, is de afdrachtvermindering voor werkgevers die een werknemer in dienst hebben die een EVC-procedure volgt bij een erkende EVC-aanbieder. Hierbij geldt de voorwaarde dat de werkgever de kosten van de EVC-procedure voor zijn rekening neemt.

Arbeidskorting voor ouderen en Doorwerkbonus

Ter bevordering van de arbeidsparticipatie geldt voor ouderen die aan het begin van het kalenderjaar 57 jaar of ouder zijn een extra inkomens- en leeftijdafhankelijke arbeidskorting. Ouderen die bij het begin van het kalenderjaar 62 jaar of ouder zijn en blijven werken, ontvangen ter stimulering van de arbeidsparticipatie de doorwerkbonus. De systematiek is vergelijkbaar met de bestaande arbeidskorting voor ouderen vanaf 57 jaar.

De oplopende uitgaven voor de arbeids- en premiekorting voor ouderen en de doorwerkbonus weerspiegelen de voortdurende groei in de arbeidsparticipatie van ouderen.

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

De startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid stimuleert gedeeltelijk arbeidsongeschikten een eigen onderneming te starten om op deze wijze (gedeeltelijk) in het eigen inkomen te kunnen voorzien.

Premievrijstelling- en premiekorting oudere werknemers

De premievrijstelling oudere werknemers wordt vanaf 1-1-2009 langzaam afgebouwd en vervangen door een premiekortingsregeling. In het wetsvoorstel Premiekorting oudere werknemers is een premiekorting geregeld voor het in dienst nemen van uitkeringsgerechtigden van 50 jaar en ouder en voor het in dienst houden van werknemers in de leeftijd 62 jaar en ouder.

Premiekorting arbeidsgehandicapten (zie ook artikel 47)

Het in dienst nemen of houden van gedeeltelijk arbeidsgeschikten geeft de werkgever recht op een premiekorting (artikel 49, eerste lid, onderdeel d, Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv)) op zijn af te dragen premies werknemersverzekeringen van maximaal € 2 042 per jaar. Deze premiekorting geldt onder meer voor de werknemers die recht hebben op een WIA-uitkering of een Wajonguitkering, voor werknemers met een indicatiebeschikking als bedoeld in artikel 11 Wet sociale werkvoorziening en voor werknemers die volgens de CWI een structurele functionele beperking hebben waarbij de gemeente verantwoordelijk is voor ondersteuning bij het vinden van werk.

Grafiek budgetflexibiliteit per operationele doelstelling 2011

Toelichting

OD 3 Juridisch verplicht

In het kader van de aanpak Jeugdwerkloosheid zijn met 30 regio’s convenanten gesloten. Voor het uitvoeren van de gemaakte afspraken in de convenanten worden financiële middelen aan de regio’s beschikbaar gesteld.

OD 3 Beleidsmatig gereserveerd

Op verzoek van de Tweede Kamer wordt uitvoering gegeven aan een 4-jarige subsidieregeling voor jongeren op het gebied van aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt. Verder worden gelden beschikbaar gesteld voor projecten uit het interdepartementale programma «Iedereen Doet Mee nieuwe stijl».

Operationele doelstelling

1 Beheerste ontwikkeling van de arbeidskosten

Motivering

Om ervoor te zorgen dat onze economie innovatief, concurrerend en ondernemend blijft en ook bij toenemende internationale concurrentie de welvaart kan waarborgen is een beheerste ontwikkeling van de arbeidskosten van belang. Een indicatie hiervan wordt gegeven door de arbeidskosten per eenheid product in de industrie in vergelijking met de concurrenten in het eurogebied.

Instrumenten en activiteiten

Beheersing van belastingen en premies die ten laste komen van het arbeidsinkomen. Hiermee wordt voorkomen dat belasting- en premiedruk worden afgewenteld en tot hogere arbeidskosten leiden.

Doelgroepen

De doelgroepen zijn zowel burgers als bedrijven.

Indicatoren

Arbeidskosten

De relatieve ontwikkeling van de arbeidskosten verbetert indien de arbeidskosten per eenheid product van de Nederlandse industrie minder stijgen of meer dalen dan die van de euroconcurrenten (Euroconcurrenten zijn alle landen binnen de Europese Unie die de Euro als munteenheid hanteren). De ontwikkeling van de arbeidskosten per eenheid product in de industrie wordt in belangrijke mate bepaald door de contractlonen die de sociale partners in vrije loononderhandelingen overeenkomen. Als gevolg van de wegvallende vraag door de economische crisis zijn de arbeidskosten per eenheid product in zowel Nederland als in de rest van Europa in 2009 gestegen. De stijging is in Nederland echter beperkter dan in andere landen. In 2010 en 2011 trekt zowel de productie als de loonkosten weer aan. Het sterke herstel van de productie zorgt in 2010 voor een forse daling van de arbeidskosten per eenheid product. In 2011 stijgen de productiviteit en lonen in ongeveer gelijke mate. Bij de euroconcurrenten zien we een vergelijkbaar, maar vertraagd patroon. In vergelijking met de euroconcurrenten is er in Nederland een relatiee daling van de arbeidskosten in 2010 met 0,25% en in 2011 een relatieve stijging met 0,75%.

Wig

De gemiddelde wig op het inkomen uit arbeid (het verschil tussen loonkosten en het netto loon als percentage van de loonkosten) is een goede indicator van de lastendruk zoals werkgevers en werknemers die ervaren. De veranderingen in het stelsel van belastingen en premies komen daarin goed traceerbaar tot uitdrukking. Het CPB gebruikt de indicator bij het opstellen van de loonramingen. De wig op het arbeidsinkomen is in 2009 afgenomen tot 42,2%. De wig wordt voor een deel bepaald door externe factoren. Zo zal mede als gevolg van de stijging van de ziektekostenpremies de wig op het arbeidsinkomen in 2010 toenemen tot 43,0% en in 2011 43,4%. Vanuit het oogpunt van participatie is een hogere wig niet wenselijk. Verlaging van de wig is echter afhankelijk van de beschikbare budgettaire ruimte voor lastenverlichting van burgers en bedrijven. Om bovenstaande redenen is het niet goed mogelijk om een streven te definiëren. Wel houdt het kabinet de lastenontwikkeling goed in de gaten en zal indien gewenst maatregelen treffen.

Administratieve lasten

Deze indicator is vervallen. In het coalitieakkoord was voor de periode 2007 tot 2011 een nieuwe rijksbrede administratieve lastenverlichting van netto 25% voor het bedrijfsleven afgesproken. Over de invulling van de taakstelling en de realisering ervan werd periodiek gerapporteerd in de rijksbrede voortgangsrapportages regeldruk bedrijven en burgers. Als gevolg van de val van het kabinet Balkenende IV vindt geen monitoring van de resultaten meer plaats in de Rijksbegroting. Een eindrapportage is op 27 april 2010 aan de Kamer gestuurd (Kamerstukken II, 2009/2010, 29 515, nr. 318). In deze rapportage is onder andere vermeld dat de huidige realisatie van de lastenreductie 13% is en dat deze verder op zal lopen tot een reductie van netto 20% in 2011. Afhankelijk van de maatregelen van een nieuw kabinet kan de reductie verder oplopen naar 28% ten opzichte van 1 maart 2007.

Tabel 42.4 Indicatoren operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2009

Streven 2010

Streven 2011

Ontwikkeling arbeidskosten t.o.v. EUROgebied (%)

– 1,6

– 0,25

1,75

Omvang van wig inclusief werkgeverslasten (%)

42,2

Bron: CPB, Macro Economische Verkenning

Kengetallen

Arbeidskosten

In tabel 42.5 worden ter aanvulling op de genoemde indicator in tabel 42.4 de afzonderlijke waarden weergegeven van de ontwikkeling van de arbeidskosten per eenheid product in de industrie in Nederland en de ontwikkeling van de arbeidskosten per eenheid product in de industrie bij de euroconcurrenten. De ontwikkeling van de arbeidskosten per eenheid product worden bepaald door de mutatie van de loonvoet ten opzichte van de productiviteitsontwikkeling.

Tabel 42.5 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2009

Raming 2010

Raming 2011

Ontwikkeling arbeidskosten per eenheid product in de industrie

     

1. Nederland

7,9

– 6,0

– 0,25

2. Euroconcurrenten

9,5

– 5,75

– 1,0

Bron: CPB, Macro Economische Verkenning

Operationele doelstelling

2 Stijging van het aandeel werkenden en werklozen in de beroepsbevolking met een startkwalificatie

Motivering

Om duurzame arbeidsparticipatie te bevorderen, is het van belang dat meer mensen een startkwalificatie behalen. Een startkwalificatie (MBO-2 of HAVO-VWO) is het minimale onderwijsniveau dat nodig is om kans te maken op duurzaam werk.

Instrumenten en activiteiten

Algemeen

  • •  Fiscale faciliteiten voor werkgevers (Afdrachtvermindering onderwijs waaronder WVA-startkwalificatie en de afdrachtvermindering voor werkgevers die een werknemer in dienst hebben die een EVC-procedure volgt, zie toelichting bij tabel 42.3);
  • •  Aftrek studiekosten of andere scholingsuitgaven bij de aangifte inkomstenbelasting;
  • •  Subsidieregeling ESF 2007–2013 (voor scholing van o.a. werkenden kan Europese subsidie worden verkregen).

Specifiek: Projectdirectie Leren en Werken

  • •  Tijdelijke stimuleringsregeling Leren en Werken voor werkende jongeren zonder startkwalificatie, werkzoekenden en met werkloosheid bedreigden. Deze regeling, die niet uitsluitend bedoeld is voor mensen zonder startkwalificatie, heeft tot doel de toegankelijkheid van scholing en EVC te bevorderen door het opzetten van een regionale infrastructuur voor een Leven Lang Leren. Dit gebeurt door middel van regionale samenwerking tussen onderwijs, ondernemers en lokale overheid;
  • •  Structurele basisfinanciering voor 44 leerwerkloketten;
  • •  Stimuleringsmaatregel Leercultuur in het MKB. Met deze regeling krijgen bedrijven de kans om met deskundig advies hun interne leercultuur te versterken, gericht op een brede en duurzame inzetbaarheid van hun medewerkers;
  • •  Informatievoorziening (www.ervaringscertificaat.nl en financieel.lerenenwerken.nl).

Deze instrumenten en activiteiten komen voor rekening van de projectdirectie Leren & Werken, een gezamenlijke directie van de ministeries van OCW en SZW. De middelen van de projectdirectie zijn opgenomen in de begroting van het ministerie van OCW, met uitzondering van de basisfinanciering voor leerwerkloketten (zie basisvoorziening UWV op artikel 47).

Doelgroepen

Werkenden en werkzoekenden zonder startkwalificatie.

Indicatoren

Aandeel in de beroepsbevolking met startkwalificatie

Het percentage geeft aan welk deel van de beroepsbevolking (25–65 jaar) een startkwalificatie heeft. Het streven dat meer dan 79% van de beroepsbevolking een startkwalificatie bezit moet in 2010 gerealiseerd zijn. Voor 2011 is er geen streefwaarde. Evenwel dient het niveau van 79% tenminste gehandhaafd te blijven. Door een veranderde (nauwkeuriger) meetmethode van het CBS komt het realisatiepercentage structureel 1% lager uit, waardoor de doelstelling van 80% in 2010 verlaagd is naar 79%. Overigens als gevolg van de krapte op de arbeidsmarkt in 2008 zijn ook veel personen zonder startkwalificatie in staat gebleken tot de arbeidsmarkt toe te treden. Hierdoor lopen de realisatiecijfers achter bij het streefpercentage.

Tabel 42.6 Indicatoren operationele doelstelling 2
 

Realisatie 2009

Streven 2010

Streven 2011

Aandeel in de beroepsbevolking (25–65 jaar) met startkwalificatie (%)

77,6

> 79

 

Bron: CBS, Statline

Operationele doelstelling

3 Wegnemen van factoren die de arbeidsparticipatie van specifieke groepen belemmeren

Motivering

Om te voorkomen dat de arbeidsparticipatie van specifieke groepen achterblijft.

Activiteiten en instrumenten

Activiteiten en instrumenten gericht op jongeren:

  • •  Proactief volgen of de doelstellingen uit de convenantafspraken met de regio’s worden gerealiseerd en de regio’s waar nodig daarbij ondersteuning bieden;
  • •  Matchingoffensief UWV, waarin de vraag naar arbeid beter wordt afgestemd op het aanbod en de kwaliteiten van de jongeren;
  • •  Vierjarige subsidieregeling raakvlak onderwijs en arbeidsmarkt (amendement Van Hijum, TK 2007/2008, 31 200 XV, nr. 22).

Activiteiten en instrumenten gericht op ouderen:

  • •  Extra arbeidskorting;
  • •  Doorwerkbonus;
  • •  Premievrijstelling- en premiekorting oudere werknemers.

Activiteiten en instrumenten gericht op etnische minderheden:

  • •  Ontwikkelen van vaardigheden en competenties onder allochtone jongeren op (v)mbo niveau ter voorbereiding op de arbeidsmarkt;
  • •  Faciliteren van organisaties betrokken bij het naar werk bemiddelen van vluchtelingen;
  • •  Stimuleren van regionale partners in het begeleiden van allochtone vrouwen naar werk in het verlengde van het landelijke project «1001 kracht» (uitvoering motie Arib, Kamerstukken II, 2007/2008, 30 420, nr. 87);
  • •  Stimuleren diversiteitsbeleid onder werkgevers.

Overige activiteiten:

  • •  Handhaven Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV) door de Arbeidsinspectie in samenwerking met de Vreemdelingenpolitie en de Belastingdienst;
  • •  Grensarbeid: In het kader van grensoverschrijdende samenwerking heeft SZW gezamenlijk met het zusterministerie van de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen een internetportal voor grensarbeiders in Nederland en Duitsland opgericht. Er worden voorbereidingen getroffen voor de uitbreiding van deze portal met België en Vlaanderen. Tevens is door de ministers van Nederland en Noord-Rijnland-Westfalen een stuurgroep benoemd die zal adviseren over praktische maatregelen die de grensoverschrijdende arbeidsmarkt en arbeidsmobiliteit kunnen bevorderen. Daarnaast is een netwerk in voorbereiding dat uniformiteit van informatieverstrekking van verschillende instanties bevordert en, indien nodig, op basis daarvan suggesties doet voor aanpassingen voor de genoemde internetportal. Hiermee is invulling gegeven aan de motie Weekers (Kamerstukken II, 2009–2010, 26 834, nr. 26), die opriep tot blijvende aandacht voor de grensarbeidersproblematiek middels bestuurlijk overleg.

Activiteiten en instrumenten gericht op personen met een arbeidsbelemmering zijn opgenomen in artikel 47 en 48.

Doelgroepen

  • •  Jongeren;
  • •  Ouderen;
  • •  Vrouwen;
  • •  Etnische minderheden;
  • •  Arbeidsbelemmerden;
  • •  Grensarbeiders.

Indicatoren

Het kabinet Balkenende IV hanteert als doelstelling om tot 80% bruto arbeidsparticipatie te komen in 2016. De indicator hiervoor is opgenomen onder de algemene doelstelling van dit artikel. De uitsplitsing van deze doelstelling naar specifieke groepen wordt niet zinvol geacht, omdat hiervoor geen specifiek beleid wordt gevoerd. Om de ontwikkeling van de netto arbeidsparticipatie van de specifieke groepen te kunnen volgen in de begroting, zijn hiervoor bij deze operationele doelstelling enkele kengetallen opgenomen.

Kengetallen

Netto arbeidsparticipatie

De genoemde participatiecijfers betreffen de netto arbeidsparticipatie. Dit is het aandeel van mensen met een baan van minimaal 12 uur per week in de genoemde specifieke bevolkingsgroep. Anders dan bij de bruto arbeidsparticipatie (zie tabel 42.1) worden bij de netto arbeidsparticipatie werklozen niet meegeteld.

Werkloze jongeren

Het percentage werkloze jongeren is het aandeel van jongeren in de totale werkloosheidscijfers. Hierbij worden twee cijfers gepresenteerd: de categorie werkloze niet schoolgaande jongeren 18–26 jaar die aansluit bij de Wet investeren in jongeren (WIJ) en de categorie werkloze jongeren 15–22 jaar. Het kengetal van jongeren 15–22 jaar blijft gehandhaafd in de begroting, omdat juist in deze leeftijdscategorie de jeugdwerkloosheid het hoogst is.

Wet arbeid vreemdelingen (WAV)

Overtreding WAV is het percentage van de door de Arbeidsinspectie bezochte bedrijven dat zich niet houdt aan de regels van de Wet Arbeid Vreemdelingen.

Tabel 42.7 Kengetallen operationele doelstelling 3
 

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Netto arbeidsparticipatie 15–64 jaar1

66,2

67,5

67,2

Netto arbeidsparticipatie niet-westerse allochtonen

53,3

56,5

54,7

Netto arbeidsparticipatie ouderen (55–65 jaar)

42,7

44,8

46,8

Netto arbeidsparticipatie vrouwen

57,2

59,0

59,7

Percentage werkloze jongeren (15–22 jaar)2

9,0

8,6

12,8

Percentage werkloze niet-schoolgaande jongeren (18–26 jaar) wet WIJ

5,6

5,3

8,0

Percentage door AI bezochte bedrijven waarbij overtreding WAV is vastgesteld3

18

17

17

Noot 1: Bron: CBS, Statline

Noot 2: Bron: CBS, EBB Kernprogramma

Noot 3: Bron: SZW/AI, jaarverslag

Toelichting

De realisatiecijfers 2009 geven een eerste indicatie van de gevolgen van de economische crisis op de arbeidsparticipatie en werkloosheid (van jongeren). De invloed van de economische crisis op de arbeidsparticipatie van ouderen en vrouwen blijkt uit het afvlakken van de groei. In de hierna volgende grafiek wordt de netto arbeidsparticipatie van specifieke groepen voor de jaren 2001 tot en met 2009 in beeld gebracht.

Grafiek netto arbeidsparticipatie specifieke groepen

Bron: CBS, Statline

Overzicht onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

Tabel 42.8 Onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

AD/OD

A. Start

B. Afgerond

Vindplaats

Evaluatieonderzoek ex ante

Geen

     

Beleidsdoorlichting

Zorgdragen voor een toename van de arbeidsparticipatie

OD 1 en 2

A. 2011

B. 2011

 
   

OD 3

A. 2012/2013

B. 2012/2013

 

Effecten onderzoek ex post

Geen

     

Overig evaluatieonderzoek

Geen

     

Toelichting

De beleidsdoorlichting zal zich richten op OD 1 (beheerste ontwikkeling van de arbeidskosten) en OD 2 (stijging van het aandeel werkenden en werklozen in de beroepsbevolking met een startkwalificatie). Deze twee operationele doelstellingen vormen samen het algemene deel van arbeidsparticipatie. De beleidsdoorlichting van OD 3 (arbeidsparticipatie specifieke groepen) zal voor het onderdeel re-integratie-inspanningen in samenhang met de beleidsdoorlichting Re-integratie (artikel 47) worden bezien (in 2013). Het onderdeel «arbeidsparticipatie ouderen» wordt naar verwachting in 2012 afgerond.

Artikel