Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2 Europese geldstromen

1. Inleiding

Deze EU-bijlage biedt inzicht in de Europese geldstromen die relevant zijn voor de beleidsterreinen van EZ. Deze bevat een samenhangend overzicht van deze geldstromen en de cofinanciering met EZ-middelen en middelen van andere overheden en private partijen. De betreffende EU-middelen zijn gestoeld op het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) en het EU-Structuurbeleid.

Binnen het GLB zijn twee pijlers te onderscheiden. De eerste pijler bestaat voor een klein deel nog uit het klassieke markt- en prijsbeleid en voor het grootste deel uit de zogenaamde (merendeels ontkoppelde) inkomenssteun. De tweede pijler betreft het plattelandsbeleid. Het markt- en prijsbeleid richt zich op het stabiliseren van de landbouwprijzen en -inkomens. Hiervoor worden instrumenten ingezet als exportrestituties en interventiemaatregelen. Het klassieke markt- en prijsbeleid is de laatste jaren stap voor stap afgebouwd en inmiddels grotendeels vervangen door een generiek systeem, de van de productie ontkoppelde directe inkomenssteun, waarbij de steun verbonden is aan maatschappelijke prestaties op het gebied van milieu, natuur, voedselveiligheid en dierenwelzijn. Het plattelandsbeleid richt zich op versterking van de concurrentiekracht van de landbouw, op diversificatie van de plattelandseconomie en op het zorgdragen voor natuur- en landschapsbeheer.

Het GVB is in de eerste plaats gericht op de ontwikkeling van een verantwoorde visserijketen waarmee een evenwichtige en duurzame exploitatie van de visstand wordt bevorderd. Hiertoe zijn in EU-verband regels opgesteld onder andere ten aanzien van minimummaaswijdten, minimum maten, gesloten tijden en gebieden en beperkingen voor bepaalde visserijmethoden. Tevens zijn afspraken gemaakt ter bevordering van stabiliteit van de vismarkt. Het EU-structuurbeleid is tot slot gericht op versterking van de sociale en economische cohesie tussen de regio’s in de EU. Naast het plattelandsbeleid uit de 2e pijler van het GLB, zijn ook vanuit dit beleid maatregelen gericht op de ontwikkeling van het platteland aan de orde.

2. Europese middelen: uitgaven en ontvangsten

Aan de genoemde elementen van het Europese beleid op het terrein van EZ zijn geldstromen naar de lidstaten verbonden. Vanaf oktober 2006 bestaan er twee fondsen voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, te weten het Europese Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europese Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO). De geldstromen uit de eerste pijler worden volledig Europees gefinancierd. Bij de plattelandsmaatregelen uit de tweede pijler dient er sprake te zijn van nationale cofinanciering door de overheid.

Het GVB bestaat voornamelijk uit gezamenlijke afspraken en regelgeving op communautair niveau. De gezamenlijke afspraken en regelgeving uit het GVB worden vanuit Brussel ondersteund door subsidies verbonden aan het Europees Visserij Fonds (EVF).

Voor de uitvoering van het Europees structuurbeleid zijn meerjarige afspraken over doelstellingen gemaakt (Doelstelling 2, D2). De afspraken verbonden aan Doelstelling 2 worden deels medegefinancierd vanuit het Europees Fonds voor de Regionale Ontwikkeling (EFRO).

In tabel 1 is een overzicht van de ontvangen programmagelden vanuit de EU voor het GLB opgenomen voor 2012. De uitgaven uit hoofde van het markt- en prijsbeleid en de inkomenssteun geschieden buiten begrotingsverband en komen via officieel erkende betaalorganen in Nederland (DR en DLG) rechtstreeks vanuit de EU bij de belanghebbende terecht. Deze uitgaven worden door de betaalorganen (buiten de begroting van het Ministerie van Economische Zaken) verantwoord richting de Europese Commissie. Uitgaven en ontvangsten voor plattelandsbeleid die behoren tot het Plattelandsontwikkelingsplan (POP) worden voor wat betreft de uitgaven door het Ministerie van Economische Zaken wel op de begroting van dit ministerie verantwoord.

Tabel 1 Programma-uitgaven voor het jaar 2012 (x € 1 mln)
 

Begroting 2012

Realisatie 2012

Financieringsbron Beleid

EU1

EZ

Overig2

EU

EZ

Overig

GLB

           

Inkomens- en productiesteun/markt – en prijsbeleid

900,0

n.v.t.

n.v.t.

865

n.v.t.

n.v.t.

             

Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007–2013 (POP-2)

           

Verbetering van het concurrentievermogen van de land- en bosbouwsector (as 1)

35,8

10,3

15,1

23,2

9,3

10,4

Verbetering van het Milieu en het platteland (as 2)

30,4

0,7

24,2

37,8

0,7

31,4

De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie (as 3)

22,7

0

21,1

26,9

0

26,6

Uitvoering leader-aanpak (as 4)

6,8

0

6,8

9,9

0

9,9

Kosten technische bijstand

0,4

0,2

0,2

0,4

0,2

0,2

Totaal POP

96,1

11,2

67,4

98,2

10,2

78,5

waarvan POP-NU (Nieuwe uitdagingen)

26,4

5,2

3,6

14,1

1,7

3,0

Noot 1: De EU-bijdragen worden buiten begrotingsverband geraamd en verantwoord. De EU-ontvangsten betreffen de bij de EC gedeclareerde uitgaven over de periode 16 oktober 2011 tot en met 15 oktober 2012.

Noot 2: De post «Overig» betreft de nationale cofinanciering door andere overheden dan het Rijk (provincies, gemeenten, waterschappen etc.)

Inkomenssteun- en productiesteun

De bij de EU gedeclareerde uitgaven over de periode 16 oktober 2011 tot en met 15 oktober 2012 bedragen per saldo € 865 mln. Hiervan heeft € 781 mln betrekking op uitbetalingen voor rechtstreekse steun aan agrariërs in de vorm van de Bedrijfstoeslagregeling (BTR) en heeft een bedrag van € 143 mln betrekking op exportrestituties en steunmaatregelen van landbouwproducten. In dezelfde periode heeft Nederland € 59 mln afgedragen aan het Landbouwgarantiefonds. Dit betreffen zogenaamde bestemmingsontvangsten (financiële correcties in het kader van de goedkeuring van de rekeningen, terugvorderingen in verband met onregelmatigheden en superheffing).

Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007–2013 (POP 2)

Ter uitvoering van de maatregelen uit de Verordening worden rijksregelingen en provinciale programma’s ingezet. POP2 is op 20 juli 2007 door de Europese Commissie goedgekeurd en is in 2009 op basis van het Health Check besluit en het economisch herstelplan aangepast. De uitgaven kunnen middels de N+2-regeling worden ingelopen. Tot en met 2012 is er € 395 mln bij de EU gedeclareerd. De tot en met 2012 gerealiseerde bijdrage van de EU blijft op as 1 achter bij de raming. De oorzaak ligt hierbij vooral bij uitgaven voor verbetering van de landbouwinfrastructuur (circa € 20 mln).

Douane-rechten op landbouwproducten en productieheffingen

Tegenover de Europese subsidie-uitgaven staan ook afdrachten aan de EU. De voor EZ relevante afdrachten zijn de zogenaamde douanerechten op landbouwproducten en productieheffingen. Deze douanerechten en productieheffingen zijn een deel van de totale afdrachten van Nederland aan de Europese Unie. Verantwoording over de EU-afdrachten vindt plaats via het jaarverslag van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

(in € mln)
 

Begroting

Realisatie

Douanerechten op landbouwproducten en productieheffingen

303

251

Deze ontvangsten worden verantwoord op artikel 16 van de begroting. De lagere ontvangsten zijn het gevolg van de economische crisis waardoor de invoer van landbouwproducten is afgenomen.

3. De eerste pijler van het GLB (markt- en prijsbeleid, inkomenssteun)

Het markt- en prijsbeleid richt zich op de stabilisatie van landbouwprijzen en -inkomens. Sinds 1992 is regelmatig sprake van hervormingen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. In hoofdlijnen kan worden gesteld dat de klassieke instrumenten als exportrestituties, productiesteun en interventie vergaand zijn afgebouwd. In 2006 heeft de eerste ontkoppeling van de productie plaatsgevonden. In 2012 is de laatste ontkoppeling gerealiseerd. Een groot aantal steunregelingen (zoals akkerbouw, dierlijke regelingen met uitzondering van de slachtpremies) zijn daarbij opgenomen in de bedrijfstoeslagregeling.

In november 2008 heeft de EU in het kader van de Health Check het landbouwbeleid opnieuw aangepast. Op voorstel van de Commissie is de EU verder gegaan op de weg die was ingeslagen in de Mid Term Review van 2003 met het doel het GLB verder te moderniseren en bij te sturen zodat de EU-landbouw beter in kan spelen op de groeiende vraag naar duurzame landbouwproducten. Het markt- en prijsbeleid wordt verder afgeslankt.

Artikel 68

Met het Health Check-akkoord is een zogenaamd artikel 68 geïntroduceerd waarmee een deel van de nationale enveloppe voor inkomenssteun kan worden herbestemd voor het stimuleren van bijvoorbeeld milieuvriendelijke landbouw, kwaliteitslandbouw en risicoverzekeringen. Van belang is daarbij dat gebruik van artikel 68 betekent dat de betreffende middelen behouden blijven in de eerste pijler. Afgesproken is dat het vanaf 2010 mogelijk wordt om artikel 68 toe te passen. Verschillende doelen, waaronder dierenwelzijnmaatregelen, kunnen met het nu gecreëerde artikel 68 worden gediend.

Tabel 3. Overzicht van de artikel 68 maatregelen in 2012

(Begrote bedragen x € mln)

Begroting 2012

Realisatie 2012

Dierenwelzijn

   

• Investeringsregeling duurzame stallen (alle dierlijke sectoren)

15,0

5,2

• Subsidieregeling diervriendelijk produceren (leghennen, vleesrunderen, vleeskalveren, varkens en vleeskuikens; elk € 300.000)

1,0

0,2

• Stimulering managementmaatregelenen (vleesvarkens, kalveren en vleeskuikens; elk € 500.000)

1,5

0,8

• Stimulering precisielandbouw en milieuvriendelijke bewaarplaatsen

10,0

0

Vaarvergoeding

1,1

0,5

Elektronische identificatie en registratie schapen/geiten

   

• Investering identificatie en registratie

1,5

1,3

Verzekeringen

   

• brede weersverzekering, verzekering broedeieren)

7,8

4,7

     

Totaal

37,9

12,7

  • •  de begrotingsbedragen betreffen het budget voor 2012, de bedragen die kunnen worden aangevraagd;
  • •  de realisatiecijfers betreffen grotendeels de uitgaven over het subsidiejaar 2011, de aanvragen voor 2011 moeten uiterlijk zijn uitbetaald per 30 juni 2012.
  • •  De investering in duurzame stallen is verspreid over twee jaren waardoor de realisatiecijfers lager zijn dan aangegane verplichtingen.
  • •  De maatregel Stimulering precisielandbouw en milieuvriendelijke bewaarplaatsen is vanaf 2012 opengesteld waardoor er in 2012 nog geen realisatiecijfers bekend zijn.
  • •  Alleen voor de maatregel «brede weersverzekering» geldt dat ruim 90% van de steunaanvragen 2012 ook in 2012 zijn betaald.

In 2012 is € 12,7 mln uitgegeven in het kader van artikel 68 (subsidiejaar 2011). De maatregel Stimulering managementmaatregelen is gericht op aanpassingen in de bedrijfsvoering die bijdragen aan het verhogen van het dierenwelzijn in de varkens- en pluimveesector. Deze maatregelen moeten om een structurele verbetering aan het dierenwelzijn te leveren dagelijks worden toegepast. De controle op het voldoen aan deze subsidievoorwaarde bleek in de praktijk moeilijk en kon bovendien alleen op het bedrijf zelf worden vastgesteld. Dit leidde tot onevenredig hoge uitvoeringslasten, zodat besloten is om de maatregel met ingang van 2012 niet meer open te stellen. Het budget van € 1,5 mln is herbestemd voor duurzame stallen, diervriendelijke kalvervloeren en het diervriendelijk produceren en is daarmee niet voor het bevorderen van dierenwelzijn verloren gegaan. De maatregel voor een verzekering voor afzetschade van broedeieren als gevolg van Aviaire Influenza (vogelgriep) in de pluimveesector is niet opengesteld. Een belangrijke reden daarvoor is het feit dat de sector geen aanvraagprocedure heeft gestart voor het verkrijgen van de vergunning van De Nederlandse Bank (DNB). Daarnaast kon de verzekering per 2012 niet doorgaan omdat er vanuit de sector geen draagvlak bleek te zijn om de benodigde (hoge) heffing op te leggen voor een buffer, nodig voor het opstarten van de verzekering.

Zuivel

In 2012 zijn voor de zuivel in hoofdlijnen onderstaande aanpassingen doorgevoerd.

Interventie voor boter en magere melkpoeder

In de huidige regeling kan voor de periode van 1 maart tot en met 31 augustus magere melkpoeder en boter ter interventie worden aangeboden tot maximaal 109.000 ton (magere melkpoeder) en 30.000 ton (boter). Deze maxima gelden voor de gehele EU.

In 2012 werd geen boter en geen magere melkpoeder via interventie uit de markt genomen.

Particuliere opslagregeling voor boter

In kalenderjaar 2012 werd bijna 41.500 ton boter ingeslagen en ruim 42.000 ton uitgeslagen. Van deze hoeveelheid heeft ruim 8.000 ton betrekking op boter die in 2011 (PO-regeling 2011/2012) werd ingeslagen. Aan het eind van het kalenderjaar was ruim 7.500 ton boter in de particuliere opslag aanwezig.

Afzetsteun voor melkeiwit

De steunmaatregel voor melkeiwit is niet toegepast. De Europese Commissie heeft aangekondigd deze regeling per 2014 te willen beëindigen.

Melkquotering

Het besluit om de melkquotering te laten eindigen op 1 april 2015 is in 2012 niet ter discussie gesteld. Wel heeft een aantal lidstaten informeel laten weten ook na 2015 een vorm van quotering te willen handhaven.

In 2008 is besloten dat de melkquota gedurende vijf achtereenvolgende jaren uitgebreid zouden worden. Deze uitbreiding zou de overgang naar de afschaffing van de melkquotering in 2015 moeten vergemakkelijken («zachte landing»). Voor het quotumjaar 2012/2013 is het melkquotum in Nederland voor de vierde maal met 1% verhoogd (118.131 ton). Het totale quotum voor Nederland bedraagt daarmee 11.931.181 ton.

4. De tweede pijler van het GLB (plattelandsbeleid)

Het Plattelandontwikkelingsprogramma (afgekort POP) is een Europees subsidieprogramma dat gericht is op de ontwikkeling van het platteland in brede zin. In de uitvoering ervan is sprake van EU- en nationale cofinanciering. Het POP 2007–2013 (ook wel POP2) volgt op de eerste periode 2000–2006.

Programmadocument POP2

Nederland heeft voor de programmeringsperiode 2007–2013 een landsdekkend POP opgesteld, zonder opdeling in regionale of provinciale programma’s. Dit programma is in juni 2007 goedgekeurd door de Europese Unie. De uitvoering van dit programma loopt in grote lijnen via twee sporen: een sectoraal spoor (via het ondernemersprogramma van EZ) en een gebiedsgericht programma (deels via het Investeringsbudget Landelijk Gebied).

In het EU-plattelandsbeleid is sprake van vier hoofddoelen, «assen» genoemd, waarbinnen Europa een aantal maatregelen voorstelt. Elke lidstaat maakt een programma waarin de vier assen terugkomen:

As 1. Verbetering van het concurrentievermogen van de land- en bosbouwsector.

As 2. Verbetering van het milieu en het platteland.

As 3. De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie.

As 4: Invoeren van de Leader-aanpak.

Het aan de Health Check besluiten aangepaste Nederlandse Plattelandsontwikkelings Programma is eind 2009 goedgekeurd, waardoor voor de jaren 2010 tot en met 2013 aanvullend circa € 150 mln beschikbaar is voor ondersteuning van maatschappelijke waarden op het gebied van natuur-, milieu-, gebied- en waterkwaliteit, innovatie en duurzame energie. De uitvoering van de maatregelen zal voor een belangrijk deel door de provincies ter hand worden genomen, inclusief de nationale cofinanciering.

Financiële verordening (EG) nr. 1290/2005

Bij de (inhoudelijke) verordening hoort de verordening met betrekking tot financiering van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid die op 21 juni 2005 door de Europese Commissie is vastgesteld. In de financiële verordening is onder meer bepaald dat voor POP het N+2 regime gaat gelden. De financiële verordening bevat daarnaast (gedetailleerde) bepalingen met betrekking tot toezicht, evaluatie, beheer en controle. Nederland ontvangt voor het POP in de periode 2007–2013 ruim € 593 mln EU financiering (inclusief Health Check middelen). Voor het reguliere deel van deze gelden mag de EU financiering maximaal 50% bedragen en dient Nederland de Europese gelden altijd op te hogen met een minstens even grote bijdrage. Met het Health-Check akkoord zijn extra gelden (€ 97 mln) toegevoegd aan het POP-2 programma. Afgesproken is dat de lidstaat hier zorg draagt voor 25% co-financiering en dat het EU-aandeel 75% bedraagt. In het programmadocument is hierin voorzien. Tegelijk met de Health Check voorstellen is het oorspronkelijk budget met nog eens € 9 mln aan modulatiegelden opgehoogd waarvoor de nationale financiering van 50% ook van toepassing is.

Tabel 4. Additionele EU- en nationale bijdrage 2009–2013 op basis van Health Check en Economisch Herstel Plan (POP-NU) (x € 1 mln)

As

Bijdrage ELFPO

2009–2013

Bijdrage nationaal

2009–2013

Realisatie

Health Check

t/m 2012

(EU+Nat)

1. Versterking concurrentiekracht landbouw en bosbouw

55,6

18,5

8

2. Verbetering van het milieu en het platteland

30,7

10,2

11,4

3. Leefkwaliteit op het platteland en diversificatie plattelandseconomie

11,3

3,8

0,5

4. Uitvoering LEADER-aanpak

0

0

0

Kosten technische bijstand

0

0

0

Totaal

97,6

32,5

19,9

5. Europees Visserij Fonds

De Europese Commissie heeft, in het kader van het Europees Visserij Fonds (EVF), een communautaire bijdrage van € 48,6 mln toegekend aan Nederland voor de periode 2007–2013. Daarnaast levert Nederland een nationale bijdrage van € 72,1 mln. Onderstaande tabel bevat een overzicht van de uitgaven in 2012.

Tabel 5 Europees Visserij Fonds (EVF) (x € 1 mln)
 

Begroting 2012

Realisatie 2012

 
EU1
EZ2

Totaal

EU

EZ

Totaal

Europees Visserij Fonds (EVF)

7,2

10,9

18,1

4,1

10,2

14,3

             

Duurzame visserijmethodes (As 1 EVF)

1,3

1,7

3,0

0,3

2,0

2,3

Aquacultuur, binnenvisserij, verwerking en afzet (As 2 EVF)

1,9

2,7

4,6

0,7

0,7

1,4

Innovatieve proefprojecten (As 3 EVF)

2,6

5,1

7,7

1,9

5,6

7,5

Gebiedsgerichte activiteiten (As 4 EVF)

1,0

1,03

2,0

0,8

1,5

2,3

Technische bijstand (As 5 EVF)

0,4

0,4

0,8

0,4

0,4

0,8

Noot 1: De communautaire bijdrage van de EU wordt geboekt op een artikel buiten begrotingsverband.

Noot 2: De nationale bijdrage voor het EVF wordt verantwoord op begrotingsartikel U16.11 «Versterking concurrentiekracht en verduurzaming agroketens en visserij».

Noot 3: Betreft bijdragen provincies

Per ultimo 2012 is een bedrag van € 36 mln ingezet aan EVF middelen. Dit is gelijk aan 75% van het beschikbare EVF-budget. Dit wordt geflankeerd met de inzet van ruim € 72 mln aan nationaal publieke middelen. Tot en met 2012 heeft het EVF-programma jaarlijks aan de te behalen uitgavennorm (N+2) voldaan.