Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

ARTIKEL 11. STUDIEFINANCIERING

11.1 Algemene doelstelling: Het stelsel van studiefinanciering biedt studenten in het hoger onderwijs en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg (vanaf 18 jaar) de financiële mogelijkheden om in Nederland en daarbuiten onderwijs te kunnen volgen.

Omschrijving

Onderwijs levert een belangrijke bijdrage aan de bevordering van een duurzame groei van de Nederlandse (kennis)economie en aan de maatschappelijke participatie van burgers. OCW waarborgt met studiefinanciering de toegankelijkheid van en de deelname aan het onderwijs door de financiële belemmeringen weg te nemen voor de volgende doelgroepen:

  • •  deelnemers van 18 jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg (bol) van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo);
  • •  studenten in het hoger beroepsonderwijs (hbo);
  • •  studenten in het wetenschappelijk onderwijs (wo).

De overheid zet haar middelen voor studiefinanciering zo in dat het onderwijs voor iedereen toegankelijk is, ook voor mensen met een lager inkomen. Van de ouders wordt verwacht dat zij, indien mogelijk, bijdragen in de financiering van de studie van hun kinderen. Hiervoor zijn richtbedragen, maar de hoogte van de bijdrage is een zaak tussen ouders en kinderen. Omdat de studie een investering is in de eigen toekomst, is het redelijk dat ook de studerende een bijdrage levert.

De uitvoering van de studiefinanciering berust bij DUO.

Verantwoordelijkheid van de minister

De minister is verantwoordelijk voor de doeltreffende en doelmatige werking van het stelsel van studiefinanciering, zoals geregeld in de Wet studiefinanciering 2000. De financiële toegankelijkheid is gewaarborgd: er zijn geen onoverkomelijke financiële belemmeringen om te gaan studeren. Tegelijkertijd wordt recht gedaan aan het principe dat studeren ook investeren is. Tevens wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders daaraan kunnen leveren.

De minister heeft verschillende financiële instrumenten ter beschikking om de financiële toegankelijkheid van het onderwijs te waarborgen. Dit zijn de basisbeurs, de aanvullende beurs, de reisvoorziening, het collegegeldkrediet en de rentedragende leningen (zie tabel 11.1). De beurzen en de studentenreisvoorziening worden veelal in de vorm van een prestatiebeurs verstrekt. Na het binnen 10 jaar behalen van een diploma worden deze omgezet in een gift. Deze instrumenten kunnen binnen en buiten Nederland worden ingezet.

Meetbare gegevens bij de instrumenten

Voor indicatoren over studiefinanciering wordt verwezen naar Trends in Beeld 2011 (www.trendsinbeeld.minocw.nl).

Tabel 11.1 Normbedragen studiefinanciering per maand in euro’s

Normbedragen ho

Normbedragen mbo/bol

 

Uitwonend

Thuiswonend

 

Uitwonend

Thuiswonend

basisbeurs

266,23

95,61

basisbeurs

246,00

75,39

aanvullende beurs

240,92

221,00

aanvullende beurs

328,33

308,40

maximaal leenbedrag

287,54

287,54

maximaal leenbedrag

164,21

164,21

collegegeldkrediet

139,33

139,33

collegegeldkrediet

n.v.t.

n.v.t.

Totaal

934,02

743,48

Totaal

738,54

548,00

Peildatum 1 januari 2011

Beleidswijzigingen

Zoals afgesproken in het Regeerakkoord zal de regering voorstellen om het principe van «studeren is investeren» tot uitdrukking te brengen in de wet. Voor masterstudenten wordt per studiejaar 2012–2013 een sociaal leenstelsel geïntroduceerd ter vervanging van de basisbeurs. Daarbij mogen de studieleningen over een periode van 20 jaar worden terugbetaald.

Daarnaast wordt voorgesteld om de studentenreisvoorziening voor studerenden in het hoger onderwijs die geen recht meer hebben op een basisbeurs met 2 jaar in te korten en om een aantal vereenvoudigingen door te voeren. Studerenden in het hoger onderwijs hebben dan nog recht op een reisvoorziening voor de nominale studieduur vermeerderd met 1 jaar.

Het kabinet wil hard optreden tegen misbruik van de uitwonendenbeurs. Studerenden die per 1 januari 2012 niet woonachtig zijn op het opgegeven adres in de gemeentelijke basisadministratie dienen de teveel ontvangen studiefinanciering terug te betalen en ontvangen een bestuurlijke boete van 50%. Bij recidive is de boete 100% en kan de minister aangifte doen bij het Openbaar Ministerie.

Van de dreiging van een bestuurlijke boete, de landelijke zichtbaarheid van controles aan de deur en de communicatie zal een preventieve werking uitgaan.

11.2 Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 11.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 (bedragen x € 1 000)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

3 790 873

4 188 136

3 746 891

4 231 759

4 333 131

4 342 488

4 383 899

Waarvan garantieverplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

Totale uitgaven

3 790 873

4 188 136

3 746 891

4 231 759

4 333 131

4 342 488

4 383 899

               

Basisbeurs

1 198 484

1 202 320

1 266 547

1 254 118

1 266 075

1 219 471

1 199 690

* Gift (R)

808 120

882 066

1 021 900

1 108 758

1 173 519

1 217 401

1 272 089

* Prestatiebeurs (NR)

390 364

320 254

244 647

145 360

92 556

2 070

– 72 399

               

Aanvullende beurs

629 379

673 895

671 230

685 745

693 018

698 783

707 622

* Gift (R)

523 731

512 896

514 517

543 328

571 679

601 209

636 550

* Prestatiebeurs (NR)

105 648

160 999

156 714

142 417

121 338

97 573

71 072

               

Reisvoorziening

450 811

817 547

196 608

615 930

729 377

742 048

773 298

Bijdrage aan vervoersbedrijven (R)

672 346

996 873

374 318

748 368

844 659

869 940

899 558

* Gift (R)

425 909

468 663

520 583

561 831

599 419

609 151

628 655

* Prestatiebeurs (R)

– 647 443

– 647 989

– 698 294

– 694 270

– 714 701

– 737 042

– 754 915

               

Leenvoorzieningen

1 294 051

1 333 435

1 463 482

1 574 828

1 579 523

1 619 755

1 659 909

* Rentedragende lening (NR)

1 207 497

1 227 012

1 277 663

1 358 313

1 388 666

1 421 694

1 456 045

* Collegegeldkrediet (NR)

86 554

106 423

185 819

216 515

190 857

198 061

203 864

               

Overige uitgaven

125 645

68 906

60 596

4 848

– 24 231

– 26 672

– 45 062

* Overige uitgaven relevant

77 392

83 193

88 753

94 838

98 311

101 338

103 648

* Overige uitgaven niet-relevant

48 253

– 14 287

– 28 157

– 89 989

– 122 542

– 128 010

– 148 710

               

Programma-uitgaven overig

92 503

92 033

88 428

96 289

89 369

89 103

88 442

* Uitvoeringsorganisatie DUO (R)

92 503

92 033

88 428

96 289

89 369

89 103

88 442

Totaal programma-uitgaven

3 790 873

4 188 136

3 746 891

4 231 759

4 333 131

4 342 488

4 383 899

* Waarvan relevant

1 952 557

2 387 735

1 910 206

2 459 143

2 662 255

2 751 099

2 874 027

* Waarvan niet-relevant

1 838 316

1 800 401

1 836 685

1 772 616

1 670 876

1 591 389

1 509 872

Totaal ontvangsten

629 024

697 424

755 386

827 974

899 195

970 396

1 044 540

               

Terugbetaling leningen

629 024

697 424

755 386

827 974

899 195

970 396

1 044 540

* Terugontvangsten hoofdsom (NR)

337 562

373 330

414 046

456 436

499 998

544 269

588 923

* Ontvangen rente en relevante hoofdsom(R)

223 869

249 399

277 345

306 940

336 790

364 705

394 375

* Kortlopende vorderingen (R)

67 593

74 695

63 995

64 598

62 407

61 422

61 242

Totaal ontvangsten

629 024

697 424

755 386

827 974

899 195

970 396

1 044 540

* Waarvan relevant

291 462

324 094

341 340

371 538

399 197

426 127

455 617

* Waarvan niet-relevant

337 562

373 330

414 046

456 436

499 998

544 269

588 923

Toelichting: R = relevant, NR = niet-relevant

Toelichting:

Zowel voor de uitgaven als de ontvangsten wordt een onderscheid gemaakt tussen relevant en niet-relevant. Relevant betekent relevant voor het begrotingstekort/EMU-saldo. De relevante uitgaven worden hoofdzakelijk gevormd door studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en door de omzetting van uitgekeerde prestatiebeurs in gift (na behalen diploma binnen 10 jaar). Onder de niet-relevante uitgaven vallen vooral de prestatiebeurs (zolang die nog niet is omgezet in een gift) en rentedragende leningen. De niet-relevante ontvangsten betreffen hoofdzakelijk aflossingen op de hoofdsom van rentedragende leningen. De relevante ontvangsten worden vooral gevormd door de ontvangen rente op leningen.

Alle middelen zijn meerjarig verplicht. Alternatieve aanwending vereist wijziging van wet- en regelgeving.

Instrumenten

Basisbeurs

Een basisbeurs is een algemene voorziening die er toe bijdraagt dat studenten in het hoger onderwijs en deelnemers van 18 jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg financieel in staat worden gesteld om onderwijs te volgen in Nederland en daarbuiten.

Voor deelnemers in de bol niveau 1 en 2 is de basisbeurs direct een gift. Deelnemers in de bol niveau 1 en 2 zijn destijds niet onder het prestatiebeursregime gebracht, omdat deelnemers op deze niveaus nog niet over een startkwalificatie beschikken. Voor wie er niet in slaagt een startkwalificatie te halen, wordt het terugbetalen van de prestatiebeurs al snel problematisch.

Meetbare gegevens bij de instrumenten

Tabel 11.3 Totaal aantal studerenden met studiefinanciering (vanaf 2011 afgeronde raming)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Studerenden met basisbeurs

606 390

632 900

641 200

630 900

637 000

640 900

645 000

wo

126 838

131 800

122 400

105 500

108 100

110 200

112 100

hbo

260 442

270 100

277 100

282 200

286 500

290 000

293 600

bol

219 110

231 000

241 700

243 200

242 400

240 700

239 300

Alleen (nul)lening

97 841

101 600

119 800

144 400

147 300

149 700

152 100

wo

53 442

55 600

71 800

94 500

96 700

98 600

100 400

hbo

42 647

44 200

46 100

48 000

48 700

49 200

49 800

bol

1 752

1 800

1 900

1 900

1 900

1 900

1 900

Totaal

704 231

734 500

761 000

775 300

784 300

790 600

797 100

Bron 2010: realisatiegegevens DUO; bron 2011–2016: ramingsmodel SF

Toelichting:

Deze gegevens geven een indicatie van het gebruik van de regeling. Het aantal studerenden met studiefinanciering volgt het aantal voltijds studerenden in het ho en de bol, maar ligt lager omdat niet iedere studerende die ingeschreven is ook daadwerkelijk aanspraak heeft op studiefinanciering.

Naast de groep studerenden met een basisbeurs is er een groep die geen aanspraak meer kan maken op de basisbeurs (maximale duur is verbruikt), maar nog wel recht heeft op een lening en de reisvoorziening.

In de gegevens zijn de aantallen studerenden die met meeneembare studiefinanciering een volledige opleiding in het buitenland volgen opgenomen. Ter indicatie: in 2010 betrof dit 7 400 studenten in het ho en 600 in de bol.

Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat het niet het streven is van de overheid dat zoveel mogelijk studerenden gebruik maken van de basisbeurs. Indien studerenden op een andere wijze hun studie kunnen financieren, is de toegankelijkheid van het onderwijs ook gewaarborgd. Uit eerdere analyse van doorstroomgegevens blijkt dat tussen de 15% en 25% van de scholieren met voldoende vooropleiding niet onmiddellijk kiest voor een opleiding in het hoger onderwijs. Financiële motieven spelen bij deze keuze nauwelijks een rol.

Tabel 11.4 Uitgaven basisbeurs gift (bedragen x € 1 miljoen)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

bol direct gift (bol 1/2 en 3/4 met diploma)

119,4

114,7

126,7

126,3

125,9

125,0

124,3

bol omzettingen prestatiebeurs in gift

138,6

161,4

209,8

230,9

242,4

252,7

248,3

ho omzettingen prestatiebeurs in gift

550,1

605,9

685,3

751,5

805,2

839,7

899,5

Totaal

808,1

882,0

1 021,9

1 108,8

1 173,5

1 217,4

1 272,1

Bron 2010: realisatiegegevens DUO; Bron 2011–2016: ramingsmodel SF

Tabel 11.5 Uitgaven basisbeursprestatiebeurs (bedragen x € 1 miljoen)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

ho toekenningen

853,1

888,0

895,7

875,6

887,7

845,2

831,3

ho omzettingen

– 543,9

– 623,7

– 679,2

– 733,6

– 787,4

– 824,4

– 888,8

bol toekenningen

219,1

231,1

238,3

234,5

235,0

233,6

232,4

bol omzettingen

– 137,9

– 175,1

– 210,1

– 231,1

– 242,7

– 252,4

– 247,3

Totaal

390,4

320,3

244,6

145,4

92,6

2,1

– 72,4

Bron 2010: realisatiegegevens DUO; Bron 2011–2016: ramingsmodel SF

Toelichting:

In de tabellen 11.4 en 11.5 worden de geraamde relevante en niet-relevante uitgaven voor de basisbeurs gepresenteerd. De hoogte van de basisbeurs is genormeerd en wordt verstrekt gedurende de nominale studieduur.

Instrumenten

Aanvullende beurs

In de studiefinanciering wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders kunnen leveren aan de investering van hun kinderen. Daartoe wordt rekening gehouden met een zogenoemde ouderlijke bijdrage. In het geval dat ouders onvoldoende inkomen hebben om die bijdrage te leveren, hebben studerenden een extra financiële belemmering te overwinnen. Om deze belemmering weg te nemen wordt, aan hen een aanvullende beurs verstrekt die afhankelijk is van het ouderlijk inkomen.

Studerenden in de bol niveau 3 en 4 en het ho met recht op aanvullende beurs vallen onder het prestatiebeursregime. De eerste 5 maanden krijgen de studenten in het ho de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Deelnemers in de bol niveau 3 en 4 krijgen de eerste 12 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Deze maatregel stelt studerenden in staat om aan het begin van de studie zonder al te grote financiële consequenties een betere studiekeuze te maken. Na deze periode wordt de aanvullende beurs uitgekeerd onder het prestatiebeursregime.

Deelnemers in de bol niveau 1 en 2 met recht op aanvullende beurs krijgen de aanvullende beurs direct als gift, aangezien zij nog geen startkwalificatie hebben bereikt.

Meetbare gegevens bij de instrumenten

Tabel 11.6 Totaal aantal studerenden met aanvullende beurs (vanaf 2011 afgeronde raming)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

wo

25 997

27 700

28 700

29 600

30 200

30 800

31 400

hbo

82 102

87 000

89 500

91 400

92 800

93 900

95 000

bol

103 455

109 100

114 100

114 800

114 500

113 700

113 000

Totaal

211 554

223 800

232 300

235 800

237 500

238 400

239 400

Bron 2010: realisatiegegevens DUO; Bron 2011–2016: ramingsmodel SF

Toelichting:

Het aantal studerenden met een aanvullende beurs geeft een indicatie van het gebruik van deze regeling. Uit de vergelijking van deze gegevens met de aantallen basisbeurs uit tabel 11.3 blijkt dat in 2012 ongeveer 36% van de studerenden met een basisbeurs een aanvullende beurs ontvangt. In de bol wordt vaker een beroep gedaan op de aanvullende beurs dan in het hbo en in het hbo vaker dan in het wo. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat de overheid er niet op aanstuurt dat meer of minder studerenden een aanvullende beurs ontvangen.

Tabel 11.7 Uitgaven aanvullende beurs gift (bedragen x € 1 miljoen)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

bol gift

121,6

120,0

135,6

137,2

137,4

137,0

136,8

bolprestatiebeurs

214,2

171,5

140,1

153,4

165,1

178,1

197,2

ho

188,0

221,4

238,8

252,8

269,2

286,1

302,6

Totaal

523,7

512,9

514,5

543,3

571,7

601,2

636,6

Bron 2010: realisatiegegevens DUO; Bron 2011–2016: ramingsmodel SF

Tabel 11.8 Uitgaven aanvullende beursprestatiebeurs (bedragen x € 1 miljoen)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

ho toekenningen

188,7

259,5

269,9

278,9

286,3

293,0

299,7

ho omzettingen

– 136,2

– 141,2

– 147,7

– 155,6

– 165,0

– 176,4

– 192,5

bol toekenningen

140,6

148,8

157,1

158,0

157,3

155,9

155,0

bol omzettingen

– 87,4

– 106,1

– 122,6

– 138,9

– 157,3

– 175,0

– 191,2

Totaal

105,6

161,0

156,7

142,4

121,3

97,6

71,1

Bron 2010: realisatiegegevens DUO; Bron 2011–2016: ramingsmodel SF

Toelichting:

In de tabellen 11.7 en 11.8 worden de geraamde relevante- en niet-relevante uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. De hoogte van de aanvullende beurs is genormeerd. Deze is naast het inkomen van de ouders onder andere afhankelijk van de woonsituatie van de studerende (thuis- of uitwonend). De aanvullende beurs wordt vanaf 2010 jaarlijks met € 22 per jaar verhoogd (prijspeil 2009) conform een wetswijziging (Kamerstuk 31 790, A).

Naast de prijscomponent is het verloop van deze uitgaven voor een groot deel afhankelijk van de ontwikkeling in het aantal studerenden met minder draagkrachtige ouders. Naast de deelname aan het onderwijs spelen hierbij exogene factoren een rol, zoals de ontwikkeling van de conjunctuur en de daarmee samenhangende inkomensontwikkeling.

Instrumenten

Reisvoorziening

Als onderdeel van het stelsel van studiefinanciering draagt een reisvoorziening bij aan de toegankelijkheid van het onderwijs. Meer in het bijzonder is het doel van de reisvoorziening om studenten te faciliteren in het reizen van huis naar de onderwijsinstelling en van huis naar de stageplaatsen. Studerenden kunnen kiezen tussen een week- of een weekendreisproduct.

Alle studenten in het hoger onderwijs die in de nominale fase van hun studie zitten of daar tot en met studiejaar 2009–2010 drie jaar en met ingang van studiejaar 2010–2011 één jaar op uitlopen, en alle deelnemers van 18 jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg die in de nominale fase van hun studie zitten of daar drie jaar op uitlopen, kunnen gebruikmaken van de reisvoorziening. De reisvoorziening is onderdeel van de prestatiebeurs voor deelnemers in de bol niveau 3 en 4 en voor studenten in het ho. Voor deelnemers in de bol niveau 1 en 2 wordt de reisvoorziening direct als gift verstrekt.

Meetbare gegevens bij de instrumenten

Tabel 11.9 Aantal studenten met een reisvoorziening (vanaf 2011 afgeronde raming)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Aantal gebruikers van het reisrecht

618 274

660 100

669 900

654 300

661 900

667 900

675 400

ho

432 040

454 100

454 300

437 400

445 700

453 300

462 000

bol

186 234

206 000

215 600

216 900

216 200

214 600

213 400

Aantal RBS

17 671

18 500

19 100

19 500

19 800

20 000

20 300

ho

15 076

15 700

16 100

16 500

16 800

17 100

17 400

bol

2 595

2 800

3 000

3 000

3 000

2 900

2 900

Totaal

635 945

678 600

689 000

673 800

681 700

687 900

695 700

Bron 2010: realisatiegegevens DUO; Bron 2011–2016: ramingsmodel SF

Toelichting:

De reisvoorziening kan in twee vormen worden toegekend: een elektronisch reisproduct op een ov-chipkaart of een financiële vergoeding voor studenten die studeren in het buitenland (RBS).

Tabel 11.10 Uitgaven reisvoorziening (bedragen x € 1 miljoen)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Betaling aan vervoersbedrijven

672,3

996,9

374,3

748,4

844,7

869,9

899,6

ho prestatiebeurs

– 477,5

– 481,6

– 507,6

– 499,5

– 517,5

– 537,1

– 553,3

ho omzettingen

300,1

327,5

359,0

381,0

401,7

398,3

409,5

bolprestatiebeurs

– 170,0

– 166,4

– 190,7

– 194,8

– 197,2

– 199,9

– 201,6

bol omzettingen

106,3

121,6

141,2

159,7

175,9

188,4

196,2

RBS en overig

19,5

19,5

20,3

21,1

21,8

22,4

22,9

Totaal

450,8

817,5

196,6

615,9

729,4

742,0

773,3

Bron 2010: realisatiegegevens DUO; Bron 2011–2016: ramingsmodel SF

Toelichting:

De toelichting op de ontwikkeling van de uitgaven reisvoorziening is voor een groot deel vergelijkbaar met die op de uitgaven basisbeurs.

Instrumenten

Leenvoorzieningen

De leenmogelijkheden in de studiefinanciering stellen studerenden in staat om hun eigen bijdrage tegen relatief gunstige voorwaarden via de rijksoverheid te financieren. Leenfaciliteiten kunnen worden gebruikt als alternatief voor of in combinatie met bijverdiensten. Hiermee kunnen studerenden voorkomen dat bijverdienen ten koste van de studie gaat.

Naast een rentedragende lening voor levensonderhoud kunnen studenten in het hoger onderwijs gebruik maken van het collegegeldkrediet. Studenten kunnen het verschuldigde collegegeld jaarlijks lenen, met een maximum van 5 keer het wettelijke collegegeldbedrag.

Tabel 11.11 Niet-relevante uitgaven leenfaciliteit (bedragen x € 1 miljoen)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Rentedragende lening

1 131,5

1 141,0

1 181,7

1 252,3

1 272,7

1 295,7

1 320,0

Omzettingen prestatiebeurs naar rentedragende lening

76,0

86,0

96,0

106,0

116,0

126,0

136,0

Collegegeldkrediet

86,6

106,4

185,8

216,5

190,9

198,1

203,9

Totaal

1 294,1

1 333,4

1 463,5

1 574,8

1 579,5

1 619,8

1 659,9

Bron 2010: realisatiegegevens DUO; Bron 2011–2016: ramingsmodel SF

Toelichting:

Onder de niet-relevante uitgaven vallen de uitgaven die niet relevant zijn voor het begrotingstekort/EMU-saldo, zoals de rentedragende leningen en het collegegeldkrediet.

Instrumenten

Terugbetaling leningen

Het terugbetalingssysteem van leningen is naar draagkracht. Wie gelet op zijn of haar inkomen niet kan terugbetalen, hoeft niet terug te betalen. Voor wie bewust leent, is de studielening hiermee een veilig instrument voor de financiering van onderwijs. Daarnaast kunnen debiteuren met vijf zogenoemde jokerjaren de terugbetaling aan bijzondere omstandigheden aanpassen.

Meetbare gegevens bij de instrumenten

Tabel 11.12 Terugbetaling studieleningen (langlopende vorderingen) (bedragen x € 1 miljoen)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Hoofdsom

337,6

373,3

414,0

456,4

500,0

544,3

588,9

Relevante rentedragende lening

12,3

8,9

6,6

4,9

3,7

2,8

2,2

Rente-ontvangsten

206,4

236,0

266,9

298,7

330,2

359,3

390,0

Renteloos voorschot

5,1

4,5

3,9

3,4

2,9

2,5

2,2

Totaal

561,4

622,7

691,4

763,4

836,8

908,9

983,3

Bron 2010: realisatiegegevens DUO; Bron 2011–2016: ramingsmodel SF

Toelichting:

De ontvangsten ontstaan door terugbetaling van studieleningen. De ontvangsten nemen de komende jaren toe, omdat er in eerdere jaren meer is geleend. De terugontvangen hoofdsom is een niet-relevante ontvangst en de ontvangen rente is relevant. De relevante rentedragende lening betreft leningen van vóór 1992; het renteloze voorschot betreft studieleningen die zijn verstrekt vóór 1986 en waarover geen rente verschuldigd is. Deze ontvangsten zijn aflopend.

Tabel 11.13 Ontvangsten op kortlopende vorderingen (bedragen x € 1 miljoen)
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Achterstalling Lager Recht (ALR)

47,6

58,3

58,1

57,9

57,7

57,5

57,3

Reisvoorziening

19,6

16,0

5,6

6,4

4,4

3,6

3,6

Overig

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

Totaal

67,6

74,7

64,0

64,6

62,4

61,4

61,2

Bron 2010: realisatiegegevens DUO; Bron 2011–2016: ramingsmodel SF

Toelichting:

De kortlopende vorderingen ontstaan doordat onterecht ontvangen studiefinanciering wordt teruggevorderd.