Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

4.2 Bijlage Uitgaven en financiering budgetdisciplinesector SZA

1 Inleiding

Inhoud

Deze bijlage beschrijft de uitgaven en financiering voor de budgetdisciplinesector sociale zekerheid en arbeidsmarkt (SZA). In de volgende paragraaf wordt een beeld geschetst van de opbouw van de SZA-uitgaven en de ontwikkeling van het uitgavenkader voor de periode 2011–2015. Hierbij wordt ingegaan op de volumeontwikkeling die hieraan ten grondslag ligt. Deze paragraaf besluit met een toetsing van de SZA-uitgaven aan de ijklijn en een overzicht van de mutaties sinds de startnota. Hierbij worden de ombuigingen die in het kader van de begroting 2012 zijn genomen, afzonderlijk toegelicht. In paragraaf drie wordt de financiering van de SZA-uitgaven voor de jaren 2011 en 2012 toegelicht. Het betreft hier de premiegefinancierde uitgaven. In deze paragraaf zijn de door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgestelde premiepercentages voor de volks- en werknemersverzekeringen opgenomen. Ook is een overzicht opgenomen van de voor het SZA-kader relevante premie-uitgaven. In de laatste paragraaf wordt een overzicht gegeven van de exploitatiesaldi en vermogensposities van de sociale fondsen

2 Uitgaven SZA-kader 2011–2015

Aansluiting bij begroting

Deze paragraaf geeft een overzicht van de SZA-uitgaven voor 2012. De totale begrotingsgefinancierde uitgaven bedragen komend jaar € 31,1 mld, terwijl de totale premiegefinancierde uitgaven € 49,7 mld bedragen. In het samenstel van uitgaven (samen € 80,8 mld) is echter sprake van een dubbeltelling. De sociale fondsen worden namelijk voor een deel gevuld uit begrotingsmiddelen. Een van de oorzaken daarvan is dat de opbrengsten van de AOW-premie onvoldoende zijn om de uitgaven te dekken. Zonder de bijdrage vanuit de begrotingsmiddelen zou het ouderdomfonds dus een structureel exploitatietekort laten zien. Daarnaast worden er begrotingsmiddelen naar de fondsen overgeboekt om de fondsen te compenseren voor lagere premie-inkomsten als gevolg van de herziening van het belastingstelsel in 2001. Al deze zogeheten «rijksbijdragen» worden verantwoord op artikel 51 van de begroting. Om dubbeltelling van de rijksbijdragen te voorkomen worden de begrotingsgefinancierde uitgaven verminderd met de rijksbijdragen van € 10,8 mld. Verder vallen de apparaatsuitgaven van SZW en enkele andere uitgaven niet onder het SZA-kader maar onder het kader Rijksbegroting eng. Deze uitgaven worden dan ook niet meegeteld. De ontvangsten van ruim € 1,1 mld6 worden op het totaalbedrag in mindering gebracht. De totale uitgaven onder het SZA-kader bedragen dan € 68,7 mld. De bedragen staan in de begroting vermeld in constante prijzen. Het SZA-uitgavenkader is echter in lopende prijzen. De uitgaven worden daarom verhoogd met de relevante loon- en prijsbijstellingen. De totale uitgaven binnen het SZA-uitgavenkader komen daarmee in 2012 op € 69,7 mld.
Tabel 4.2.1 SZA-uitgaven 2012 (x € 1 mln)
 

Begrotings-gefinancierde uitgaven

Premie-gefinancierde uitgaven

Totaal

A Totaal artikelen

31 066

49 708

80 774

1. Correctie dubbeltelling rijksbijdragen

10 789

   

2. Uitgaven Rijksbegroting eng

267

   

3. Ontvangsten (excl. werkgeversbijdrage KO)

790

277

 

B Totale SZA-uitgaven (constante prijzen)

(A – 1 – 2 – 3)

19 220

49 431

68 651

       

4. Loon- en prijsbijstelling

267

756

 

Totale SZA-uitgaven (lopende prijzen) (B + 4)

19 488

50 187

69 675

Bron: SZW, Financiële administratie

Uitgavenontwikkeling

De uitgaven in het SZA-kader zijn onder te verdelen naar verschillende regelingen (zie tabel 4.2.2, alle uitgaven zijn inclusief uitvoeringskosten). De uitgaven aan de werkloosheidswet (WW) dalen van 2011 naar 2012 om vervolgens in de jaren daarna op te lopen. Deze oploop in de WW-uitgaven is het gevolg van de door het CPB hoger geraamde werkloosheid. In de bijstand is sprake van een stijging van de uitgaven van 2011 naar 2012, met name veroorzaakt door het aflopen van het Bestuurlijk Akkoord met gemeenten. De oploop van 2013 naar 2014 en 2015 wordt voornamelijk verklaard doordat een deel van de Wajongeren naar de bijstand stroomt als gevolg van de Wet Werken naar Vermogen (WWNV). De arbeidsongeschiktheidsuitgaven (WAO, WIA, WAZ en Wajong) nemen van jaar-op-jaar af. Het beeld voor 2011 en 2012 is hier licht vertekend door een technische maatregel in de bevoorschotting van de Wajong waardoor in 2011 deels wordt vooruitbetaald voor 2012 (zie art. 46). De ZW-uitgaven (o.a. zieke uitzendkrachten) lopen langzaam af terwijl de WAZO-uitgaven (zwangerschaps- en bevallingsverlof) licht oplopen.

De uitgaven aan Anw-uitkeringen lopen al enkele jaren terug, als gevolg van de herziening van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW). Als gevolg van het destijds ingevoerde overgangsrecht zal vanaf 2021 sprake zijn van een stabiele situatie. De ouderdomsuitgaven (AOW) lopen als gevolg van de vergrijzing jaarlijks op met 3%.

De daling van de re-integratie-uitgaven UWV is gedeeltelijk te verklaren door eerder genomen maatregelen en maatregelen uit het regeerakkoord (zowel gerichte re-integratieWW als gerichte bemiddeling). Daarnaast zijn er door een budgetneutrale herschikking van de UWV-uitvoeringskosten minder uitvoeringskosten toegerekend aan re-integratie en meer aan andere UWV-regelingen. Ten slotte worden er in het kader van Werken naar Vermogen vanaf 2013 taken en middelen overgeheveld naar het gebundelde re-integratiebudget voor gemeenten. Het flexibel re-integratiebudget en het Wsw-budget worden vanaf 2013 samengevoegd tot één gebundeld re-integratiebudget voor gemeenten.

De uitgaven aan de kinderopvangtoeslag nemen eerst af als gevolg van genomen maatregelen. De uitgaven aan de kindregelingen (AKW/WKB/TOG) kennen een dalende trend. Deze wordt met name veroorzaakt door een daling in de uitgaven aan het kindgebonden budget (WKB). De overige uitgaven betreffen verschillende «kleinere» regelingen (zoals de Toeslagenwet en de WWB 65+). De oploop na 2011 betreft de loon- en prijsbijstelling. Deze zijn voor de jaren na 2011 nog niet toebedeeld aan de uitgavencategorieën. De uitgavencategorieën zijn daarmee in constante prijzen, terwijl het totaal aan SZA-uitgaven is weergegeven in «lopende prijzen».

Tabel 4.2.2 Uitgaven SZA-kader 2011–2015 (x € 1 mln)
 

2011

2012

2013

2014

2015

WW-uitgaven (werkloosheid)

5 248

4 996

5 147

5 576

5 764

WWB-uitgaven (bijstand)

4 041

4 380

4 390

4 454

4 592

           

WAO/WIA/WAZ/Wajong-uitgaven (arbeidsongeschiktheid)

13 049

11 628

11 877

11 513

11 391

ZW/WAZO-uitgaven (vangnet ziekte+zwangerschap)

2 933

3 008

2 930

2 827

2 806

           

Anw-uitgaven (nabestaanden en (half)wezen)

1 000

877

757

653

571

AOW-uitgaven (ouderdom)

30 669

31 249

32 293

33 215

33 841

           

Re-integratie-uitgaven UWV

963

673

538

421

362

Re-integratiebudget gemeenten1

3 053

3 126

2 952

2 700

2 594

           

Kinderopvangtoeslag

2 862

2 586

2 431

2 475

2 539

Kindregelingen (AKW/WKB/TOG)

4 472

4 256

4 107

4 040

4 024

           

MKOB (tegemoetkoming oudere belastingplichtigen)

631

1 114

1 155

1 191

1 225

Overige uitgaven

757

1 781

3 245

5 071

6 731

           

Totaal SZA-uitgaven (x € 1 mln)

69 679

69 675

71 822

74 135

76 439

totaal SZA-uitgaven (in % BBP)

11,5

11,2

11,1

11,2

11,2

Noot 1: In 2011 en 2012 zijn hier de netto uitgaven aan Wsw en het flexibel re-integratiebudget bij elkaar opgeteld. Voor 2013 en verder betreft het een gebundeld re-integratiebudget in het kader van Werken-naar-Vermogen.

Bron: SZW, Financiële administratie

Volumeontwikkelingen

De bovengenoemde ontwikkeling van de uitgaven wordt in sterke mate bepaald door de ontwikkeling van de onderliggende volumecijfers. De volumecijfers zijn afkomstig uit de administratie van SZW.

De verwachting is dat het volume werkloosheidsuitkeringen (WW) eerst licht daalt naar 2012 en vervolgens oploopt naar 2015. Deze oploop wordt veroorzaakt door de door het CPB hoger geraamde werkloosheid. Het aantal bijstandsuitkeringen loopt eerst af en vanaf 2013 weer op in verband met de invoering van Werken-naar-Vermogen waardoor gedeeltelijk arbeidsgeschikten in aanmerking komen voor bijstand (bestaande bestand wordt ontzien). Het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (WAO/WIA/WAZ/Wajong) neemt gestaag af. In 2015 ligt het volume bijna 30 000 uitkeringsjaren lager dan in 2011. Dit komt enerzijds doordat de WIA minder snel stijgt dan de WAO afneemt en anderzijds door invoering van Werken-naar-Vermogen. Het aantal nabestaanden neemt jaarlijks af, vanwege de geleidelijke uitstroom van «oude gevallen» (het overgangsrecht uit de voormalige AWW). Onder druk van de vergrijzing stijgt het aantal ouderdomsuitkeringen (AOW) met 3% per jaar.

Het aantal kinderen waarvoor kinderopvangtoeslag wordt gegeven kent een stijgend verloop. De maatregelen die genomen zijn om de uitgaven aan kinderopvang te beheersen, remmen de groei van het aantal kinderen waarvoor kinderopvangtoeslag wordt gegeven, maar stopt deze niet volledig. De daling van het aantal kinderen bij de kinderbijslag is het gevolg van demografische ontwikkelingen. Het aantal gezinnen dat in aanmerking komt voor een kindgebonden budget neemt jaarlijks af. De inkomensgrens (waaronder recht is op kingebonden budget) wordt niet geïndexeerd waardoor ieder jaar minder gezinnen recht hebben op kindgebonden budget. Het aantal kinderen met recht op TOG neemt licht toe, voor 2011 is nog overgangsrecht uitbetaald voor de oude TOG.

Tabel 4.2.3 Volumeontwikkelingen Sociale Zekerheid 2011–2015
 

2011

2012

2013

2014

2015

Werkloosheidsuitkeringen (WW)

222

218

225

242

263

Bijstandsuitkeringen

314

304

299

303

312

Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (WAO/WIA/WAZ/Wajong)

728

727

723

704

699

Ziektewetuitkeringen (ZW/WAZO)

145

145

142

136

134

Nabestaandenuitkeringen (Anw)

75

68

61

54

48

Ouderdomsuitkeringen (AOW)

2 429

2 530

2 619

2 695

2 801

           

Kinderopvangtoeslag kinderen

1 705

1 736

1 735

1 764

1 818

Kinderbijslag telkinderen (AKW)

3 468

3 451

3 433

3 426

3 414

Kindgebonden budget gezinnen (WKB)

927

817

734

681

634

Aantal kinderen TOG

49

35

38

40

40

Bron: SZW (Financiële administratie)

Toetsing aan ijklijn

In tabel 4.2.4 zijn de uitgaven in het SZA-kader afgezet tegen de ijklijn (het kader waaraan de SZA-uitgaven worden getoetst). De ijklijn is in de startnota vastgezet op basis van de uitgavenraming na verwerking van het regeerakkoord. Uit deze vergelijking blijkt dat voor 2011 sprake is van een overschrijding van de ijklijn. In 2013 ontstaat een onderschrijding die doorzet naar 2015. De ruimte die per saldo intertemporeel overblijft (€ 0,2 mld), betreft de bijdrage aan de problematiek in het kader BKZ (Budgettair Kader Zorg).

Tabel 4.2.4 Toetsing SZA-uitgaven aan ijklijn (x € 1 mld)
 

2011

2012

2013

2014

2015

Totale SZA-uitgaven

69,7

69,7

71,8

74,1

76,4

IJklijn SZA-uitgaven

69,2

69,7

71,9

74,4

76,7

Over / onderschrijding ijklijn SZA

0,4

0,0

– 0,1

– 0,3

– 0,2

Bron: SZW, Financiële administratie

Bijstellingen uitgavenkader

In (bovenstaande) tabel 4.2.4 is de kadertoetsing van de periode 2011 tot en met 2015 weergegeven. In tabel 4.2.5 is aangegeven hoe deze toetsing tot stand is gekomen. Startpunt daarbij is de startnota van het huidige kabinet. Zoals eerder aangegeven is in de startnota het uitgavenkader vastgesteld op basis van de uitgavenraming na verwerking van het regeerakkoord. De mutaties die sindsdien zijn opgetreden, kunnen worden opgedeeld in macro-economische mutaties, mee- en tegenvallers, ombuigingen en kasschuiven.

De macro-economische mutaties laten per saldo een meevaller zien. Het CPB heeft de raming van de werkloze beroepsbevolking sinds de startnota naar beneden bijgesteld. Dit leidt tot lagere WW-uitgaven. Als gevolg van de hernieuwde verslechterde economische omstandigheden is de werkloosheidsraming in de zomer door het CPB verhoogd. Per saldo resteert echter een meevaller. Daarnaast is voor het SZA-kader sprake van een ruilvoetmeevaller. De uitgaven onder het kader SZA zijn met name afhankelijk van de contractloonontwikkeling. Deze is sterker neerwaarts bijgesteld dan de prijs nationale bestedingen waarmee het kader geïndexeerd wordt. Hierdoor ontstaat ruimte onder het SZA-kader.

De uitvoeringsinformatie laat met name tegenvallers zien bij de kinderopvangtoeslag, de WAO/WIA en de AOW. De tegenvaller in de kinderopvang wordt veroorzaakt door zowel een hogere deelnameontwikkeling (zowel dagopvang als buitenschoolse opvang) als een hoger aantal afgenomen uren. De achtergrond van de tegenvaller in de WAO/WIA is divers. Het gaat zowel om een tegenvallende uitstroom in de WAO, hogere instroom in de WIA als om een hoger aantal herlevingen (oude rechten) in de WAO. Naar boven bijgestelde prognoses rondom de levensverwachting hebben geleid tot een ophoging van de AOW-uitgaven. Daarnaast groeit het aandeel onvolledige AOW-uitkeringen minder snel dan werd verondersteld.

Ter compensatie van de per saldo uitvoeringstegenvallers op de begroting van SZW is een aantal ombuigingsmaatregelen opgesteld. Deze ombuigingsmaatregelen worden in het volgende onderdeel toegelicht (zie tabel 4.2.6). Ten behoeve van het generale budgettaire beeld is een deel van de bekostiging van de Wajong in 2012 een jaar naar voren gehaald middels een kasschuif (zie art. 46).

Tabel 4.2.5 Van Kaderstand naar Kaderstand (x € 1 mld)1Door afronding tellen de mutaties niet in alle jaren op tot de nieuwe kaderstand.
 

2011

2012

2013

2014

2015

Kaderstand SZA Startnota Kabinet Rutte-Verhagen I

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

           

Macro-economische mutaties

– 0,3

– 0,1

– 0,2

– 0,4

– 0,4

w.v. WW/WWB

– 0,3

– 0,1

– 0,2

– 0,3

– 0,3

w.v. ruilvoet

0,0

0,0

0,0

– 0,1

– 0,2

           

Mee- en tegenvallers

0,5

0,6

0,7

0,7

0,9

w.v. Kinderopvangtoeslag

0,2

0,3

0,3

0,3

0,4

w.v. WAO/WIA

0,2

0,1

0,2

0,2

0,3

w.v. AOW

0,1

0,1

0,1

0,2

0,3

           

Ombuigingen (zie tabel 4.2.6)

– 0,1

– 0,2

– 0,6

– 0,7

– 0,7

           

Kasschuiven

0,4

– 0,4

0,0

0,0

0,0

           

Kaderstand SZA Begroting 2012

0,4

0,0

– 0,1

– 0,3

– 0,2

Bron: SZW, Financiële administratie

Ombuigingen

De in het regeerakkoord overeengekomen en in de startnota opgenomen begrotingsregels schrijven voor dat overschrijdingen worden opgevangen binnen het uitgavenkader. De per saldo tegenvallers (zie tabel 4.2.5) leiden voor het SZA-kader tot een overschrijding, welke met ombuigingsmaatregelen is opgelost. De nieuwe ombuigingsmaatregelen zijn nodig om ervoor te zorgen dat in 2015 de € 18 mld bezuiniging wordt gerealiseerd.

De ziektewet wordt gemoderniseerd. Per 2013 wordt de loongerelateerde periode in de ZW beperkt conform de referte-eis in de WW. Na deze periode wordt de ZW-uitkering verlaagd naar 70% van het minimumloon. Daarnaast is het voornemen om per 2013 de keuring op algemeen geaccepteerde arbeid, die momenteel bij de WIA-poort plaatsvindt, te vervroegen. Ten slotte wordt per 2014 differentiatie in de financiering voor het vangnet ZW en de vangnetlasten-WGA ingevoerd. Binnen de kinderopvangtoeslag wordt de maximumuurprijs niet geïndexeerd en wordt de kinderopvangtoeslag gekoppeld aan gewerkte uren. Daarnaast wordt de kinderbijslag vanaf 2013 twee keer halfjaarlijks niet geïndexeerd.

Naast deze beleidsmatige ombuigingen is er sprake van een tweetal taakstellingen. Ten eerste is ten behoeve van de problematiek in de zorg een taakstellende onderuitputting opgelegd van tweemaal € 100 mln in 2012 en 2013. (dit wordt ook zichtbaar in de per saldo onderschrijding binnen het SZA-kader van € 0,2 mld in tabel 4.2.4). Daarnaast wordt bij de voorjaarsbesluitvorming 2012 een taakstelling van ca. € 230 mln per jaar vanaf 2013 belegd met nadere maatregelen om de kaders te laten sluiten op basis van de MEV. Om het beeld sluitend te krijgen zijn ten slotte enkele technische maatregelen genomen. Het betreft onder andere het niet uitkeren van de loon- en prijsbijstelling, waardoor SZW-budgetten niet meegroeien met de loon- en prijsontwikkeling. Dit heeft geen betrekking op de uitkeringsregelingen.

Tabel 4.2.6 Ombuigingsmaatregelen begroting 2012 (x € 1 mln)
 

2011

2012

2013

2014

2015

ZW-maatregelen

   

33

130

170

Kinderopvang

   

130

130

130

Kinderbijslag

   

22

56

67

Ingeleverde ruimte t.b.v. zorg

 

98

100

   

Nader in te vullen taakstelling MEV-problematiek

   

234

234

234

Technische maatregelen

90

116

102

100

101

Totaal

90

214

621

651

701

Bron: SZW, Financiële administratie

3 Financiering SZA-uitgaven 2011–2012

Premievaststelling

Jaarlijks stelt de minister van SZW de premiepercentages volks- en werknemersverzekeringen vast. De voorstellen hiertoe voor 2012 zijn in tabel 4.2.7 opgenomen. Deze premiestelling heeft het kabinet beoordeeld binnen het lastenkader voor huishoudens en bedrijven, de koopkrachtontwikkeling en het gewenste EMU-saldo. Een aantal premiepercentages is nog onder voorbehoud van (definitieve) vaststelling. Het saldo van de premie-inkomsten en de premiegefinancierde uitgaven (het exploitatiesaldo van de fondsen) telt mee voor de berekening van het EMU-saldo.

  • –  AOW en Anw: Wat betreft de premiepercentages AOW en Anw stelt het kabinet voor deze vast te stellen op hetzelfde niveau als in 2012. Bij het ouderdomsfonds zijn bij dit premiepercentage de premieopbrengsten niet voldoende om de uitgaven te dekken. De inkomsten van het ouderdomsfonds worden daarom aangevuld door middel van rijksbijdragen (zie artikel 51). Beide premies worden gecombineerd geheven met de loon- en inkomstenbelasting in de 1e en 2e schijf.
  • –  Sectorfondsen: De sectorfondspremies voor 2012 worden in oktober 2011 door het UWV vastgesteld, op advies van de verschillende sectoren. Uit de sectorfondsen wordt het eerste halfjaar van een WW-uitkering gefinancierd. De in de tabel weergegeven premie is een gemiddelde. In werkelijkheid verschilt de premie per sector. Voor 2012 wordt bij de vaststelling van de sectorpremies teruggekeerd naar de systematiek rond lastenplafonds die tot en met 2008 gold. In 2009, 2010 en 2011 zijn de lastenplafonds op een lager niveau vastgesteld, waardoor conjunctuurgevoelige sectoren met een kleinere premiestijging zijn geconfronteerd. Wel is voor 2012 de termijn voor het inlopen van vermogenstekorten verlengd van 3 naar 5 jaar. Dit heeft tot een demping van de premiestijging met 0,08 procentpunt geleid. De gemiddelde premie stijgt hierdoor tot (naar verwachting) 2,25%.
  • –  AWf: Het Algemeen Werkloosheidsfonds financiert de WW-uitkeringen met een duur langer dan 6 maanden. De AWf-werkgeverspremie wordt voorlopig vastgesteld op 4,50%; 0,30 procentpunt hoger dan in 2011. De verhoging komt voort uit het afschaffen van het spaarloon. Door het vervallen van de werkgeversheffing ontstaat een lastenverlichting; die wordt met de AWf-verhoging geneutraliseerd. De werknemerspremie is met ingang van 2009 verlaagd tot 0%. De AWf-premie wordt geheven vanaf een franchise op ongeveer minimumloonniveau tot het maximumdagloon en wordt geïnd door de Belastingdienst. De hoogte van de AWf-premie is nog onder voorbehoud van vaststelling van de sectorfondspremies. Als het UWV voor 2011 een andere (gemiddelde) sectorfondspremie vaststelt dan nu wordt verwacht, dan kan de AWf-werkgeverspremie worden aangepast binnen een lastenneutraal kader.
  • –  Ufo: De premieopbrengsten van het Ufo financieren voornamelijk de zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen bij de overheidswerkgevers. Alleen overheidswerkgevers betalen de Ufo-premie. De Ufo-premie wordt vastgesteld op 0,78%, hetzelfde percentage als in 2011.
  • –  Werkgeversbijdrage kinderopvang: De premieopslag kinderopvang wordt in 2012 verhoogd van 0,34% naar 0,50%. Het oorspronkelijke opslagpercentage was nog gebaseerd op circa 1/3 van de kosten van kinderopvang in 2007. Aangezien de totale kosten kinderopvang vervolgens fors zijn gestegen, maar het opslagpercentage gelijk is gebleven, betalen werkgevers inmiddels circa 21% van de kosten. Om aan het uitgangspunt van tripartiete financiering tegemoet te komen, heeft het kabinet besloten om de premieopslag te verhogen. Met deze verhoging dragen werkgevers vanaf 2012 één derde deel van de kosten van kinderopvang (zie ook art. 52). De verplichte werkgeversbijdrage kinderopvang wordt door werkgevers in de marktsector betaald door middel van een opslag op de sectorfondspremie. De overheidswerkgevers betalen de bijdrage door middel van een opslag op de Ufo-premie.
  • –  Aof: De Aof-premie is (voorlopig) vastgesteld op 5,05%, een verlaging van 0,05 procentpunt ten opzichte van 2011. Deze premie is voor alle werkgevers even hoog en wordt door de minister van SZW vastgesteld. De Aof-premie is lager vastgesteld om te compenseren voor lastenverzwaringen op andere werkgeversterreinen (zie voor het volledige beeld van werkgeverslasten de Miljoenennota 2012). Definitieve vaststelling van de Aof-premie vindt plaats in oktober.
  • –  Whk: De premie voor de Werkhervattingskas, waaruit de uitkeringen voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) worden betaald, wordt vastgesteld door het UWV. Een eerste inschatting duidt op een rekenpremie van 0,55% in 2012.
Tabel 4.2.7 Premiepercentages voor de sociale verzekeringen

premie

fonds

uitgaven

2011

2012

AOW

Ouderdomsfonds

AOW

17,90%

17,90%

Anw

Nabestaandenfonds

Anw

1,10%

1,10%

         

Sfn

Sectorfondsen (gemiddelde premie)

WW, ZW, WGA

1,90%

2,25%

AWf

Algemeen Werkloosheidsfonds

WW, ZW, re-integratie

4,20%

4,50%

AWf

Algemeen Werkloosheidsfonds

WW, ZW, re-integratie

0,00%

0,00%

Ufo

Uitvoeringsfonds voor de overheid

ZW, WAZO, WGA overheid

0,78%

0,78%

Sfn / Ufo

Uniforme opslag kinderopvang

Kinderopvang

0,34%

0,50%

         

Aof

Arbeidsongeschiktheidsfonds

WAO, WIA, WAZ, WAZO

5,10%

5,05%

Whk

Werkhervattingskas (rekenpremie)

WGA

0,62%

0,55%

Bron: SZW, Financiële administratie

Premie-uitgaven

Bij de raming van de premieontvangsten is rekening gehouden met de zogenaamde premie-uitgaven. Een premie-uitgave is een overheidsuitgave in de vorm van een derving of uitstel van premieontvangsten die voortvloeit uit een voorziening in de wet voor zover die voorziening niet in overeenstemming is met de primaire heffingsstructuur van de wet. Drie regelingen zijn expliciet opgenomen in de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv): de premievrijstelling oudere werknemers, de premiekorting arbeidsgehandicapte en zieke werknemers en de premievrijstelling marginale arbeid7. De premievrijstelling oudere werknemers wordt vanaf 1-1-2009 langzaam afgebouwd en vervangen door een premiekortingsregeling. De premiekorting oudere werknemers geeft een premiekorting voor het in dienst nemen van uitkeringsgerechtigden van 50 jaar en ouder en voor het in dienst houden van werknemers in de leeftijd 62 jaar en ouder. Per 2013 worden de premiekortingen in het kader van het vitaliteitspakket (zie de beleidsagenda en art. 42) omgevormd tot mobiliteitsbonussen. De nominale kortingsbedragen wijzigen, terwijl er ook veranderingen plaatsvinden in de doelgroep. De vormgeving (een korting op de totale premielast) blijft in stand. In tabel 4.2.8 zijn de wijzigingen nog niet zichtbaar.

Daarnaast zijn er enkele regelingen die een lagere grondslag tot gevolg hebben en daardoor voor een lagere premieafdracht zorgen. Dit zijn de werknemersspaarregelingen (spaarloon) en de feestdagenregeling. Tegenover de lagere premieafdracht van deze regelingen staat ook een lagere aanspraak op uitkeringen. De spaarloonregeling wordt per 2012 afgeschaft. De premie-uitgaven werknemersverzekeringen worden geraamd op € 1,2 mld in 2012.

Tabel 4.2.8 De premie-uitgaven in de werknemersverzekeringen (x € 1 mln)
 

2011

2012

Premievrijstelling oudere werknemers1

652

487

Premiekorting oudere werknemers en arbeidsgehandicapten

476

694

Spaarloon

184

0

Feestdagen

36

21

     

Totaal

1 348

1 202

Noot 1: Vanaf 2009 wordt de premievrijstelling voor oudere werknemers afgebouwd. De premiekorting oudere werknemers is hiervoor in de plaats gekomen

Bron: SZW

4 Sociale fondsen 2011-2012

Exploitatiesaldi

In tabel 4.2.1 is onderscheid gemaakt tussen begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitgaven. De premiegefinancierde uitgaven lopen via de sociale fondsen. Op basis van de eerdergenoemde premiepercentages voor 2011 en 2012 en de verwachte ontwikkeling van de betreffende grondslagen zijn de ontvangsten van de sociale fondsen geraamd, zie tabel 4.2.9 en 4.2.10. Hierbij is rekening gehouden met de bijdragen aan de fondsen van het rijk en de onderlinge betalingen van de fondsen. Het saldo tussen betaalde en ontvangen onderlinge betalingen is voor de sociale verzekeringen negatief, omdat uit sommige van deze fondsen premies voor de zorgverzekering worden betaald. Tegenover deze negatieve saldi staan dus positieve saldi bij de zorgfondsen.

In de onderstaande tabellen zijn de arbeidsongeschiktheidsfondsen (het Aof en het Whk) samengevoegd. Dit geldt eveneens voor de werkloosheidsfondsen (het AWf en de sectorfondsen). In de praktijk betreft het hier gescheiden fondsen. In tabel 4.2.11 staan de vermogens van de werkloosheidsfondsen wel afzonderlijk weergegeven.

Het exploitatiesaldo van de fondsen is het verschil tussen de premie-inkomsten en de premiegefinancierde uitgaven van de fondsen. In 2012 bedraagt dit saldo naar verwachting € – 0,8 mld voor alle fondsen samen, tegenover een exploitatiesaldo van € – 4,9 mld over 2011. De achtergrond bij de huidige tekorten is voor een deel gelegen in de afspraken uit de begrotingsregels. Daarin is een expliciete scheiding tussen uitgaven en inkomsten opgenomen. Een stijging van de uitgaven wordt daardoor niet gecompenseerd via een verhoging van de inkomsten. De inkomsten, die als gevolg van de recente economische neergang zijn gedaald, zijn daardoor onvoldoende om de gestegen uitgaven te financieren, waardoor een negatief exploitatiesaldo ontstaat. Het exploitatietekort van de fondsen maakt onderdeel uit van het totale (negatieve) EMU-saldo. De verbetering van het exploitatietekort in 2012 is hoofdzakelijk toe te schrijven aan de premie-inkomsten die aantrekken.

Het negatieve exploitatiesaldo komt grotendeels voor rekening van de WW-fondsen. Naast de invloed van recessie speelt daarbij de verlaging van de AWf-premies in 2009 een belangrijke rol. Voor werkgevers is de premie verlaagd met 0,6 procentpunt; voor werknemers bedroeg de daling 3,5 procentpunt.

Het positieve exploitatiesaldo in het ouderdomsfonds in 2012 wordt in het volgende jaar verrekend met de uitbetaling van de rijksbijdrage. Het exploitatiesaldo van het Anw-fonds loopt op, omdat er steeds minder mensen gebruik maken van de Anw. Dankzij de invoering van de WIA is de instroom in de arbeidsongeschiktheidsregelingen afgenomen. Bij aantrekkende premieontvangsten slaat het exploitatiesaldo van de arbeidsongeschiktheidsfondsen de komende jaren om in een overschot.

Overigens zijn in het laatste rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte kanttekeningen geplaatst bij de fondssystematiek (13e rapport Studiegroep Begrotingsruimte, blz. 72 e.v.). De fondssystematiek past goed bij de verzekeringsgedachte in de sociale verzekeringen. De relatie tussen uitgaven en inkomsten die door middel van een fonds wordt gelegd, is echter niet in overeenstemming met de scheiding die in de begrotingssystematiek tussen beide bestaat. Dit kan leiden tot verwarring wanneer bijvoorbeeld maatregelen worden getroffen om de sociale zekerheidsuitgaven te beperken. Lagere uitgaven worden niet (automatisch) gevolgd door lagere premieopbrengsten, waardoor fondsvermogens zullen groeien. Doordat de sociale fondsen onderdeel zijn van het geïntegreerd middelenbeheer (schatkistbankieren), hebben fondsvermogens hun historische functie (buffer om fluctuaties op te vangen) inmiddels verloren. Als gevolg van de huidige begrotingssystematiek verworden fondsvermogens tot niets meer dan een (gewenste) onevenwichtigheid tussen inkomsten en uitgaven. Op basis hiervan heeft de Studiegroep Begrotingsruimte geconcludeerd dat de fondsconstructie in begrotingstechnische zin geen toegevoegde waarde heeft.

Tabel 4.2.9 Overzicht sociale verzekeringen 2011 (x € 1 mln)
 

AOW

Anw

WAO

WW

Totaal

Premies

20 070

1 400

9 308

6 127

36 905

Bijdragen van het rijk

8 717

90

44

412

9 263

Ontvangen onderlinge betalingen

0

0

835

1 175

2 010

Saldo Interest

19

26

41

–  96

–  10

Totaal Ontvangsten

28 806

1 516

10 228

7 618

48 168

Uitkeringen/ Verstrekkingen

30 544

974

8 836

7 891

48 246

Uitvoeringskosten

124

25

492

924

1 566

Betaalde onderlinge betalingen

0

71

1 244

1 976

3 291

Totaal Uitgaven

30 669

1 071

10 572

10 792

53 104

           

Exploitatiesaldo

–  1 863

445

–  344

–  3 174

–  4 936

Bronnen: SZW, CPB (MEV 2012) en Ministerie van Financiën (MN 2012)

Tabel 4.2.10 Overzicht sociale verzekeringen 2012 (x € 1 mln)
 

AOW

Anw

WAO

WW

Totaal

Premies

21 897

1 453

9 551

7 106

40 007

Bijdragen van het rijk

10 396

84

43

420

10 944

Ontvangen onderlinge betalingen

0

0

835

550

1 385

Saldo Interest

–  5

47

42

–  217

–  133

Totaal Ontvangsten

32 289

1 584

10 472

7 860

52 204

Uitkeringen/ Verstrekkingen

31 472

868

8 533

7 805

48 678

Uitvoeringskosten

141

20

541

993

1 695

Betaalde onderlinge betalingen

0

60

1 233

1 300

2 594

Totaal Uitgaven

31 614

948

10 307

10 098

52 967

           

Exploitatiesaldo

675

636

165

–  2 238

–  763

Bronnen: SZW, CPB (MEV 2012) en Ministerie van Financiën (MN 2012)

Vermogenspositie

In tabel 4.2.11 staat voor de jaren 2011 en 2012 de vermogenspositie van de verschillende fondsen weergegeven. De vermogens van de fondsen worden vergeleken met de normen. Een vermogen gelijk aan de norm geeft aan dat het fonds gemiddeld genomen over het jaar over voldoende liquiditeiten beschikt om de uitkeringen te financieren; overschotten en tekorten bij de fondsen gedurende het jaar worden aangehouden op een rekening-courant bij het rijk. Indien er sprake is van een vermogenstekort zal het rijk niet alleen tijdelijk gedurende het jaar maar ook langduriger deze tekorten moeten aanvullen via de rekening-courant.

Bij het ouderdomsfonds is het feitelijk vermogen gelijk aan het normvermogen. Dit komt doordat de rijksbijdragen (zie art. 51) het exploitatiesaldo aanvullen totdat het normvermogen is bereikt. Binnen het nabestaandenfonds is sprake van een vermogensoverschot. Door het jaarlijkse positieve exploitatiesaldo neemt dit overschot toe. Voor de WAO-fondsen is het totale vermogensoverschot in 2011 en 2012 respectievelijk € 2,5 mld en € 2,9 mld. Ook hier is sprake van een positief exploitatiesaldo.

De sectorfondsen hebben in 2011 en 2012 een vermogenstekort. De sectorpremies worden nagenoeg lastendekkend vastgesteld, maar gedurende het jaar kan de realisatie van de uitgaven afwijken van hetgeen geraamd werd ten tijde van vaststelling van de premies. De opgelopen tekorten hoeven niet direct weggewerkt te worden. De sectorfondsen krijgen hier 5 jaar de tijd voor. Ook het (feitelijk) vermogen in het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) is eind 2011 negatief. Dit zorgt niet voor risico’s met betrekking tot de uitbetaling van uitkeringen. Het AWf maakt onderdeel uit van de totale Rijksbegroting en is in feite niets anders dan een rekening van het UWV bij het ministerie van Financiën. In de afgelopen jaren ontving het UWV (de fondsen) een rentevergoeding van het ministerie van Financiën voor het positieve saldo. In het geval er een negatief vermogen ontstaat, betaalt het UWV hiervoor een rente aan het ministerie van Financiën. Het ministerie van Financiën garandeert hiermee dat het UWV altijd over voldoende middelen kan beschikken. Het zogenoemde «leeglopen van de fondsen» vormt derhalve geen enkel risico voor de uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen. Wel maken de exploitatietekorten, die de leegloop veroorzaken, onderdeel uit van het EMU-saldo in deze jaren.

Voor de sociale fondsen samen betekent dit dat het vermogensoverschot in 2012 daalt van € - 0,1 mld naar € - 1,7 mld. Het feitelijk (aanwezige) vermogen bedraagt in 2012 echter € 2,6 mld.

Tabel 4.2.11: Vermogens sociale fondsen (x € 1 mln)
   

Ultimo 2011

   

Ultimo 2012

 
 

Feitelijk vermogen

Normvermogen

Vermogensoverschot

Feitelijk vermogen

Normvermogen

Vermogensoverschot

AOW

1 437

1 437

0

1 408

1 408

0

Anw

1 629

91

1 539

2 242

79

2 163

WAO

2 970

463

2 507

3 309

456

2 854

AWf

–  891

1 857

–  2 748

–  3 126

1 857

–  4 983

Wgf

–  916

459

–  1 376

–  1 123

507

–  1 630

Ufo

–  22

31

–  53

–  120

33

–  153

Totaal sociale fondsen

4 207

4 337

–  130

2 590

4 339

–  1 749

Bron: CPB, Macro Economische Verkenning 2012

Noot 6: De ontvangsten van de begrotingsartikelen in het SZA-kader (€ 793 mln) wijken af van de totale artikelontvangsten in het taartdiagram aan het begin van deze begroting (€ 1 848 mln). In het taartdiagram zijn ook de artikelontvangsten die betrekking hebben op de budgetdiscipline Rijksbegroting in enge zin en de werkgeversbijdrage kinderopvang meegenomen. Beide behoren niet tot het SZA-kader.

Noot 7: De premievrijstelling marginale arbeid heeft een verwaarloosbaar budgettair beslag. De premie-uitgaven voor de volksverzekeringen AOW en Anw worden verantwoord in de Miljoenennota in het totaal van de gecombineerde heffing voor de loon- en inkomstenbelasting.