Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

42 Arbeidsparticipatie

Algemene doelstelling

Zorgdragen voor een toename van de arbeidsparticipatie

Omschrijving van de samenhang in het beleid

Om te bevorderen dat het aandeel werkenden in de beroepsbevolking (verder) toeneemt, creëert SZW via wet- en regelgeving, ondersteuning van gemeenten, aansturing van uitvoeringsinstanties en overleg met sociale partners voorwaarden om verhoging van de arbeidsparticipatie te stimuleren. Deze voorwaarden hebben in hun samenhang betrekking op het verbeteren van de concurrentiekracht van de Nederlandse economie, het verhogen van het scholingsniveau van de beroepsbevolking en het bevorderen van gelijke kansen op arbeidsdeelname.

Verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor:

  • •  beleid dat het makkelijker dan wel aantrekkelijker maakt om tot de arbeidsmarkt toe te treden;
  • •  het creëren van prikkels om (meer) te gaan werken;
  • •  het stimuleren van de samenwerking tussen sociale partners, de gemeenten en UWV zodat betrokken partijen en instanties effectief kunnen opereren.

Externe factoren

Het behalen van de doelstelling hangt af van de conjuncturele ontwikkelingen.

Indicatoren

Participatiedoelstellingen

Onder bruto arbeidsparticipatie wordt verstaan het aantal mensen met een baan of direct beschikbaar voor een baan van minimaal 12 uur per week als percentage van de bevolking van 20–64 jaar. Anders dan bij de netto arbeidsparticipatie (zie tabel 42.2) worden bij de bruto arbeidsparticipatie de werklozen meegeteld.

In het kader van de nieuwe Europa 2020 strategie is een Europa brede participatiedoelstelling afgesproken van 75% in 2020 (netto arbeidsparticipatie 20–64 jaar van minimaal 1 uur per week). Lidstaten dienen een nationale invulling te geven aan deze participatiedoelstelling. Door de crisis is het behalen van de in de begroting 2011 opgenomen bruto participatiedoelstelling van 80% in 2016 moeilijk geworden. Het kabinet heeft in dit licht besloten om deze doelstelling naar 2020 te verschuiven. De doelstelling zal daarmee dienen als nationale invulling van de Europa 2020 strategie. Om daarnaast meer uitdrukking te geven aan de specifieke uitdaging waar Nederland voor staat (verhogen van het aantal gewerkte uren) zal tevens een participatiedoelstelling in voltijdsequivalenten van 62,5% in 2020 gehanteerd worden.

Tabel 42.1 Indicatoren algemene doelstelling
 

Realisatie

2008

Realisatie

2009

Realisatie

2010

Streven

2020

Bruto arbeidsparticipatie 20–64 jaar (% >12 uur werkt of wil werken)1

76

76

76

80

Participatie in voltijdsequivalenten (FTE)2

59,8

62,5

Noot 1: Bron: CPB, Centraal economisch plan (CEP)

Noot 2: Bron: CPB, Berekening SZW

Kengetallen

Om de voortgang op de doelstellingen te monitoren wordt naast de indicatoren ook naar andere kengetallen gekeken. De volgende kengetallen zijn opgenomen:

  • •  Netto participatie 15–64 jaar (inclusief uitsplitsing naar ouderen en vrouwen): onder netto participatie wordt verstaan het aantal mensen met een baan van minimaal 12 uur per week. Omdat een groot deel van het onbenut arbeidspotentieel bij vrouwen en ouderen ligt, wordt in het bijzonder naar de ontwikkeling van de participatie van deze groepen gekeken. Om de doelstellingen te behalen zal met name de participatie van deze groepen moeten stijgen.
  • •  Werkloosheid (inclusief uitsplitsing naar jongeren): om te bezien hoe de conjuncturele situatie het behalen van de doelstelling beïnvloedt wordt gekeken naar de ontwikkeling van de werkloosheid. Zoals verwacht heeft de conjunctuur de jeugdwerkloosheid sterker beïnvloed dan de totale werkloosheid.
Tabel 42.2 Kengetallen algemene doelstelling
 

Realisatie

2008

Realisatie

2009

Realisatie

2010

Netto arbeidsparticipatie 15–64 jaar1

68,2

67,8

67,1

Netto arbeidsparticipatieouderen (55–65 jaar)

46,3

47,9

48,7

Netto arbeidsparticipatie vrouwen

59,2

59,7

59,7

Netto arbeidsparticipatie etnische minderheden

56,9

55,2

52,8

Werkloosheid (%)

3,8

4,8

5,4

Percentage werkloze jongeren (18–26 jaar) wet WIJ2

5,3

8,0

8,7

Noot 1: Bron: CBS, Statline

Noot 2: Bron: CBS, EBB Kernprogramma

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 42.3 Begrotingsuitgaven Artikel 42 (x € 1 000)

artikelonderdeel

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Verplichtingen

37 156

32 622

1 235

809

809

809

809

Uitgaven

38 089

32 775

1 123

747

787

809

809

               

Programma-uitgaven

17 231

14 554

1 123

747

787

809

809

waarvan juridisch verplicht

   

30%

0%

0%

0%

0%

               

Operationele Doelstelling 2

             

Scholing en EVC

1 837

1 425

0

0

0

0

0

               
Operationele Doelstelling 31
             

Stimulering Arbeidsparticipatie

5 931

8 069

0

0

0

0

0

Jeugdwerkloosheid

7 375

3 485

0

0

0

0

0

Overig

2 088

1 575

0

0

0

0

0

               

Operationele Doelstelling 4

             

Subsidies

0

0

678

252

292

314

314

Overig

0

0

445

495

495

495

495

               

Apparaatsuitgaven

20 858

18 221

0

0

0

0

0

Personeel en materieel

20 858

18 221

0

0

0

0

0

               

Ontvangsten

17 444

17 237

0

0

0

0

0

Noot 1: Operationele doelstelling 3 is met ingang van de begroting 2012 vervallen.

Toelichting

Programma-uitgaven

De in het kader van de economische crisis getroffen tijdelijke arbeidsmaatregelen Scholing en EVC zijn beëindigd. Operationele doelstelling 3 is met ingang van de begroting 2012 vervallen. De vanaf 2012 resterende middelen voor arbeidsparticipatie zijn toegevoegd aan artikel 47 (Aan het Werk: Bemiddeling en Re-integratie).

Vanuit artikel 43 zijn operationele doelstelling 3 en 4 overgeheveld en samengevoegd tot operationele doelstelling 4 «Zorgdragen voor gelijke mogelijkheden voor arbeidsmarktdeelname» van dit artikel. De daling in het subsidiebudget behorend bij operationele doelstelling 4 per 2013 is het gevolg van de subsidietaakstelling.

Ontvangsten

Met ingang van de begroting 2012 is er geen sprake meer van ontvangsten op artikel 42. Dit wordt veroorzaakt doordat de boeteopbrengsten van de WAV met ingang van 2012 van artikel 42 overgaan naar artikel 43.

Tabel 42.4 Premiegefinancierde uitgaven Artikel 42 (x € 1 000)

Artikelonderdeel

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Uitgaven

0

0

1 207 343

1 274 525

1 340 383

1 407 075

1 449 905

               

Programma-uitgaven

0

0

1 174 687

1 195 126

1 215 797

1 238 466

1 238 449

Operationele doelstelling 4

             

Zwangerschaps/bev. verlof uitkeringslasten

0

0

1 147 501

1 169 880

1 192 671

1 215 971

1 215 979

Zwangerschaps/bev. verlof uitvoeringskosten

0

0

27 186

25 246

23 126

22 495

22 470

               

Nominaal

0

0

32 656

79 399

124 586

168 609

211 456

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Uitkeringslasten zwangerschaps- en bevallingsverlof

Dit begrotingsjaar zijn voor het eerst de premiegefinancierde uitgaven voor zwangerschaps- en bevallingsverlof opgenomen onder de nieuwe doelstelling 4 «Zorgdragen voor gelijke mogelijkheden voor arbeidsmarktdeelname» van dit artikel. Voorheen waren deze uitgaven opgenomen in artikel 43 Arbeidsverhoudingen.

Voor de komende jaren wordt een lichte stijging verwacht van de uitgaven aan uitkeringen voor zwangerschaps- en bevallingsverlof. De stijging van de uitgaven wordt veroorzaakt door een verdere toename van de arbeidsparticipatie van vrouwen, zowel in aantal als in uren. Daarnaast zal naar verwachting het brutosalaris van vrouwen die een uitkering vanwege zwangerschaps- en bevallingsverlof ontvangen, sneller stijgen dan de loonvoet in Nederland.

Uitvoeringskosten zwangerschaps- en bevallingsverlof

Er heeft een budgetneutrale herschikking van de uitvoeringskosten UWV plaatsgevonden als gevolg van een herijking van het model waarmee deze kosten worden berekend en toebedeeld aan de verschillende wetten. Vanaf 2013 is bovendien de regeerakkoordtaakstelling technisch in de uitvoeringskosten van het UWV verwerkt. Als gevolg hiervan zijn de uitvoeringskosten voor zwangerschaps- en bevallingsverlof in 2012 en latere jaren hoger dan in 2011.

Tabel 42.5 Fiscale uitgaven artikel 42 (lopende prijzen x € 1 mln)

Artikelonderdeel

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Algemene doelstelling

             

Vitaliteit: Doorwerken

746

882

519

727

760

778

979

Vitaliteit: Mobiliteit

103

197

410

738

939

1 100

1 230

Vitaliteit: Loopbaanfaciliteiten1

160

160

160

490

490

490

490

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

2

2

2

2

2

2

2

Premievrijstelling oudere werknemers

807

652

487

327

186

61

0

               

Operationele doelstelling 2

             

Afdrachtvermindering onderwijs

377

367

372

378

384

390

396

               

Operationele doelstelling 4

             

Ouderschapsverlofkorting

0

0

63

64

65

66

67

Noot 1: Het onderdeel loopbaanfaciliteiten uit het vitaliteitspakket wordt vanaf 2013 mede gefinancierd uit de middelen die vrijvallen door het afschaffen van de spaarloonregeling

Bron: Ministerie van Financiën

Toelichting

Vitaliteitspakket

Om duurzame inzetbaarheid te vergroten en langer doorwerken te stimuleren, introduceert het kabinet het vitaliteitspakket (zie ook de beleidsagenda). Pensioenhervormingen vergroten de noodzaak dat werkenden gezond, vitaal en productief arbeid verrichten tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. Dat wordt bereikt door (langer) doorwerken te stimuleren, in te zetten op het verhogen van de mobiliteit en door loopbaanfaciliteiten te introduceren die investeringen in duurzame inzetbaarheid vergroten.

Vitaliteitspakket: Doorwerken

Gemiddeld genomen treden mensen rond hun 62ste uit. Om langer doorwerken gerichter te stimuleren, introduceert het kabinet in 2013 een werkbonus 62-plus voor werknemers. Deze werkbonus vervangt de huidige additionele arbeidskorting voor werknemers die 58 jaar of ouder zijn2 en de doorwerkbonus voor werknemers die 62 jaar of ouder zijn.3 Met de nieuwe werkbonus wordt langer doorwerken met name voor lage inkomens aantrekkelijker. Om het ook voor werkgevers aantrekkelijk te blijven maken om werknemers van 62-plus in dienst te houden, blijft een werkbonus 62-plus voor werkgevers4 behouden.

Vitaliteitspakket: Mobiliteit

Het onderdeel mobiliteit bestaat, vanaf 2013, uit het introduceren van mobiliteitsbonussen voor het in dienst nemen van arbeidsgehandicapten en uitkeringsgerechtigden ouder dan 50 jaar5. Daarnaast wordt er een nieuwe mobiliteitsbonus voor het in dienst nemen van een werknemer ouder dan 55 jaar geïntroduceerd.

Tot en met 2012 is in deze reeks de huidige premiekorting oudere uitkeringsgerechtigden en de huidige premiekorting arbeidsgehandicapten opgenomen. De premiekorting oudere uitkeringsgerechtigden bestaat sinds 2009 en vervangt de premievrijstelling oudere werknemers (zie onder). De oploop tot en met 2012 wordt verklaard door volgroeiing van de regeling.

Vitaliteitspakket: Loopbaanfaciliteiten

Om investeringen in duurzame inzetbaarheid over de loopbaan te stimuleren worden verschillende loopbaanfaciliteiten geïntroduceerd. Zo zal het kabinet een regeling voor vitaliteitssparen introduceren die het voor werkenden aantrekkelijk maakt om te sparen voor perioden van inkomensachteruitgang bijvoorbeeld om een transitie Van-Werk-Naar-Werk (VWNW) zo soepel mogelijk te laten verlopen. Daarnaast introduceert het kabinet een overgangsregeling voor de levensloopregeling. Ook verlaagt het kabinet de drempel voor de fiscale aftrek van scholingsuitgaven. Tot slot compenseert het kabinet sociale partners voor een extra inzet op het introduceren van een VWNW-budget en intersectorale scholing.

Premievrijstellling oudere werknemers

De premievrijstelling oudere werknemers wordt vanaf 1-1-2009 langzaam afgebouwd en is vervangen door een premiekortingsregeling. De premiekortingsregelingen zijn onderdeel van het vitaliteitspakket (doorwerken en mobiliteit).

Ouderschapsverlofkorting

Dit begrotingsjaar zijn voor het eerst de belastinguitgaven voor de ouderschapsverlofkorting opgenomen onder de nieuwe doelstelling 4 «Zorgdragen voor gelijke mogelijkheden voor arbeidsmarktdeelname» van dit artikel. Voorheen waren deze uitgaven opgenomen in artikel 43 Arbeidsverhoudingen.

Grafiek budgetflexibiliteit per operationele doelstelling 2012

Toelichting

De juridische verplichting bij OD 4 betreft onder andere de bekostiging van de Commissie Gelijke Behandeling.

Operationele doelstelling

1 Beheerste ontwikkeling van de arbeidskosten

Motivering

Om ervoor te zorgen dat onze economie innovatief, concurrerend en ondernemend blijft en ook bij toenemende internationale concurrentie de welvaart kan waarborgen, is een beheerste ontwikkeling van de arbeidskosten van belang.

Instrumenten en activiteiten

  • •  Beheerste ontwikkeling van belastingen en premies die ten laste komen van het arbeidsinkomen. Hiermee wordt voorkomen dat belasting- en premiedruk worden afgewenteld en tot hogere arbeidskosten leiden.
  • •  Bevorderen dat sociale partners goede afspraken maken over een verantwoorde contractloonontwikkeling. Lonen vormen een belangrijk onderdeel van de totale arbeidskosten.

Doelgroepen

De doelgroepen zijn zowel burgers als bedrijven.

Indicatoren

  • •  Arbeidskosten. De relatieve ontwikkeling van de arbeidskosten verbetert indien de arbeidskosten per eenheid product van de Nederlandse industrie minder stijgen of meer dalen dan die van de concurrenten. De belangrijkste concurrenten voor de Nederlandse economie zijn de eurolanden. Daarom zetten we de ontwikkeling van de Nederlandse arbeidskosten af tegen die van het eurogebied. De ontwikkeling van de arbeidskosten per eenheid product wordt in sterke mate bepaald door de contractlonen die de sociale partners in vrije loononderhandelingen overeenkomen.
  • •  Wig. De gemiddelde wig is het verschil tussen loonkosten en het nettoloon als percentage van de loonkosten. Dit is een goede indicator van de lastendruk zoals werkgevers en werknemers die ervaren. De veranderingen in het stelsel van belastingen en premies komen daarin goed traceerbaar tot uitdrukking. Vanuit het oogpunt van participatie is een stijgende wig ongunstig. Daar staat tegenover dat een verlaging van de wig afhankelijk is van de budgettaire ruimte voor lastenverlichting. Om deze redenen is het dan ook niet mogelijk om een streefcijfer te formuleren. Wel houdt het kabinet de lastenontwikkeling goed in de gaten en zal het indien gewenst maatregelen treffen.
Tabel 42.6 Indicatoren operationele doelstelling 1
 

Realisatie

2010

Streven

2011

Streven

2012

Ontwikkeling arbeidskosten t.o.v. eurogebied (%)

– 1,4

0,25

1,75

Omvang van wig inclusief werkgeverslasten (%)

42,8

Bron: CPB, Macro Economische Verkenning

Kengetallen

  • •  Arbeidskosten. In tabel 42.7 worden ter aanvulling op de genoemde indicator in tabel 42.6 de afzonderlijke waarden weergegeven van de ontwikkeling van de arbeidskosten per eenheid product in de industrie in Nederland en bij de euroconcurrenten (alle landen binnen de Europese Unie die de euro als munteenheid hanteren). De ontwikkeling van de arbeidskosten per eenheid product wordt bepaald door de mutatie van de loonvoet ten opzichte van de productiviteitsontwikkeling.
Tabel 42.7 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie

2010

Raming

2011

Raming

2012

Ontwikkeling arbeidskosten per eenheid product in de industrie (%):

     

1. Nederland

– 7,8

– 2,50

0,5

2. Euroconcurrenten

– 6,4

– 2,75

– 1,25

Bron: CPB, Macro Economische Verkenning

Operationele doelstelling

2 Stijging van het aandeel werkenden en werklozen in de beroepsbevolking met een startkwalificatie

Motivering

Om duurzame arbeidsparticipatie te bevorderen, is het van belang dat meer mensen een startkwalificatie behalen. Een startkwalificatie (MBO-2 of HAVO-VWO) is het onderwijsniveau dat nodig is om te kwalificieren voor duurzaam werk.

Instrumenten en activiteiten

  • •  Het Ervaringscertificaat (EVC);
  • •  Fiscale tegemoetkoming scholingskosten ten behoeve van werkgevers en werknemers;
  • •  Leerwerkloketten adviseren bedrijven en individuen over leermogelijkheden en financiële prikkels vanuit de overheid, zoals de fiscale tegemoetkoming voor werkgevers;
  • •  Om leerlingen van het praktijkonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs succesvol naar de arbeidsmarkt te begeleiden, worden scholen, gemeenten, kenniscentra en bedrijven in de 30 arbeidsmarktregio’s desgewenst tijdelijk ondersteund bij het opzetten van werkscholen.

Doelgroepen

Werkenden en werkzoekenden zonder startkwalificatie.

Indicatoren

De streefwaarde van het kabinet voor het aandeel van de 25–65 jarige beroepsbevolking dat een startkwalificatie bezit was 79% in 2010. Dit streven is gehaald. Voor 2011 en volgende jaren is voor deze indicator geen streefcijfer meer vastgesteld. De nieuwe langetermijnstrategie van de Europese Unie, Europa 2020, is er wederom op gericht dat minder jongeren vroegtijdig de school verlaten. Wat de streefwaarde voor deze indicator was in 2010 op EU niveau, is doorgetrokken naar 2020 (10%). Nederland heeft zichzelf hierin 8% als doel gesteld. Met deze strategie wordt voorkomen dat jongeren de arbeidsmarkt betreden zonder startkwalificatie.

Tabel 42.8 Indicatoren operationele doelstelling 2
 

Realisatie

2010

Streven

2011

Streven

2012

Aandeel in de beroepsbevolking (25–65 jaar) met startkwalificatie (%)

79

Bron: CBS, Statline

Operationele doelstelling

4 Zorgdragen voor gelijke mogelijkheden voor arbeidsmarktdeelname

Motivering

Waarborgen dat een ieder gelijke mogelijkheden heeft voor arbeidsdeelname door het wegnemen van praktische belemmeringen bij de combinatie arbeid en zorg en door het bieden van een wettelijk instrumentarium gericht op gelijke behandeling bij arbeid.

Instrumenten

  • •  Wet arbeid en zorg;
  • •  Wet aanpassing arbeidsduur;
  • •  Levensloopregeling;
  • •  Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen;
  • •  Wet verbod van onderscheid op grond van arbeidsduur;
  • •  Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid;
  • •  Wet gelijke behandeling van tijdelijke en vaste werknemers;
  • •  Commissie gelijke behandeling;
  • •  Commissie klachtenbehandeling aanstellingskeuringen.

Activiteiten

  • •  Wetsvoorstel modernisering verlof en arbeidstijden (8 augustus 2011 aangeboden aan de Tweede Kamer);
  • •  Implementatie van de Richtlijn 2010/18/EU inzake ouderschapsverlof;
  • •  Het tegengaan van discriminatie op de arbeidsmarkt door middel van voorlichting, onderzoek en overleg met sociale partners.

Doelgroepen

  • •  Werkgevers, (potentiële) werknemers en hun vertegenwoordigers;
  • •  Relevante belangenorganisaties en organisaties van professionals;
  • •  Zelfstandigen (ZEZ).

Indicatoren

Indicator is het aandeel werknemers dat moeite heeft met de combinatie arbeid en zorg. Deze indicator is samengesteld uit de percentages werkenden die in het kader van de Nationale enquête arbeidsomstandigheden melden vaak of zeer vaak hetzij familie- of gezinsactiviteiten te missen of te verwaarlozen als gevolg van het werk of – omgekeerd – werkzaamheden te missen of te verwaarlozen als gevolg van familie- en gezinsverantwoordelijkheden. Hiermee vormt het gepresenteerde percentage een benadering van het aantal werknemers voor wie de combinatie van arbeid en zorg een probleem vormt. Streven is dat bij een groeiende arbeidsparticipatie de percentages ten minste niet toenemen.

Tabel 42.9 Indicatoren operationele doelstelling 4
 

Realisatie

2005

Realisatie

2008

Realisatie

2010

Streven

2012

Aandeel werknemers met moeite combinatie arbeid-zorg

       

– Verwaarloost gezinsactiviteiten door werk

9,6%

9,4%

9,1%

≤ 9,1%

– Verwaarloost werk door gezinsactiviteiten

2,0%

1,9%

2,3%

≤ 2,3%

Bron: TNO, Nationale enquête arbeidsomstandigheden

Kengetallen

  • •  Als kengetal voor de arbeidsmarktpositie van vrouwen worden de – ongecorrigeerde – beloningsverschillen gehanteerd. Tot en met de begroting 2010 waren de gegevens over beloningsverschillen ontleend aan een analyse door de Arbeidsinspectie (AI); met ingang van de begroting 2011 vormen gegevens van het CBS daarvoor de grondslag. In dit gegeven komen alle factoren tot uitdrukking die leiden tot een verschil in bruto uurloon tussen mannen en vrouwen, waaronder leeftijd, beroeps- en functieniveau en aard van de sector waarin de betrokken werknemer werkzaam is. Naar verwachting is slechts een beperkt deel toe te schrijven aan verschil in beloning voor gelijk(waardig) werk. Met het oog op de arbeidsparticipaptiebeslissingen die partners bij de komst van kinderen nemen, is relevant dat de beloningsverschillen bij 25- tot 35-jarigen beperkt zijn (– 7,9% in het bedrijfsleven en 0,2% bij de overheid).
  • •  De kengetallen over zwangerschaps- en bevallingsverlof, adoptieverlof, ouderschapsverlof en de levensloopregeling betreffen het gebruik (aantal toekenningen respectievelijk deelnemers). Over ouderschapsverlof is het aantal personen vermeld dat in een jaar ouderschapsverlof heeft opgenomen.
Tabel 42.10 kengetallen doelstelling 4
 

Realisatie

20061

Realisatie

20072

Realisatie

2008

Ongecorrigeerde beloningsverschillen (%)

     

Verschil man-vrouw bedrijfsleven

– 23

– 22

– 22

Verschil man-vrouw overheid

– 12

– 14

– 15

Noot 1: Bron: SZW/AI, de arbeidsmarktpositie van werknemers in 2006

Noot 2: Bron: CBS, Beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen, 2010

Tabel 42.11 Kengetallen operationele doelstelling 4
 

Realisatie

2008

Realisatie

2009

Realisatie

2010

Zwangerschaps- en bevallingsverlofuitkering (x 1 000)

     
– Aantal toekenningen werknemers1

135

139

137

– Aantal toekenningen zelfstandigen

7,4

7,5

7,4

Adoptieverlof (x 1 000)

     

– Aantal toekenningen werknemers

1,2

1,2

1,3

Ouderschapsverlof (x 1 000)

     
– Aantal werknemers met ouderschapsverlof (betaald en onbetaald)2

124

-

– Aantal ontvangers ouderschapsverlofkorting3

22

78

82

Levensloopregeling (x 1 000)

     
– Aantal actieve deelnemers4

270

237

229

Noot 1: Bron: UWV, Jaarverslag

Noot 2: Bron: CBS, EBB module Arbeid en zorg. De eerstvolgende meting vindt plaats in 2011

Noot 3: Bron: Ministerie van Financiën, Belastingdienst

Noot 4: Bron: CBS, EBB module Levensloop

Artikel

Noot 2: Het gaat dan om belastingplichtigen die aan het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 57 jaar heeft bereikt.

Noot 3: Het gaat dan om belastingplichtigen die aan het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt.

Noot 4: Het betreft hier de premiekorting voor het in dienst houden van werknemers ouder dan 62 jaar.

Noot 5: Het betreft hier het verhogen van de huidige premiekortingen voor het in dienst nemen van uitkeringsgerechtigden ouder dan 50 jaar en arbeidsgehandicapten.