Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

4.2 Europese geldstromen

Inleiding

Deze bijlage biedt inzicht in de Europese geldstromen die relevant zijn voor de EU-gevoelige beleidsterreinen van het Ministerie van EL&I. Zij bevat een samenhangend overzicht van deze geldstromen en de cofinanciering met EL&I-middelen en middelen van andere overheden. De betreffende EU-middelen zijn gestoeld op het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) en het Structuurbeleid.

Binnen het GLB zijn twee pijlers te onderscheiden. De eerste pijler bestaat uit inkomenssteun en markt- en prijsbeleid. Met behulp van instrumenten als interventiemaatregelen, rechtstreekse inkomenssteun en exportrestituties richt deze pijler zich op het stabiliseren van landbouwprijzen en -inkomens. De tweede pijler betreft het plattelandsbeleid. Deze pijler richt zich op de kwaliteit van alle plattelandsgebieden in de EU.

Het GVB is in de eerste plaats gericht op de ontwikkeling van een verantwoorde visserijketen waarmee een evenwichtige en duurzame exploitatie van de visstand wordt bevorderd. Hiertoe zijn in EU-verband regels opgesteld, zoals beperkingen voor bepaalde visserijmethoden. Tevens zijn afspraken gemaakt ter bevordering van de stabiliteit van de vismarkt.

Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) wordt in Nederland gebruikt voor het uitbouwen van de sterke punten in de regio en voor innovatie. Ook worden uit het fonds grensoverschrijdende programma's (Interreg) gefinancierd.

1. Gemeenschappelijk Landbouwbeleid

De eerste pijler en de tweede pijler van het GLB worden vanuit de twee Europese Landbouwfondsen gefinancierd: respectievelijk het Europees Landbouw Garantie Fonds (ELGF) en het Europees Landbouw Fonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO).

De geldstromen vanuit het ELGF worden volledig Europees gefinancierd.

Bij de geldstromen vanuit de tweede pijler (ELFPO) is er sprake van cofinanciering van beleid middels een meerjarig doelstellingsprogramma: het Plattelands Ontwikkelingsprogramma (POP).

In tabel 1 is een overzicht van de geraamde financiële bijdragen vanuit de Europese Landbouwfondsen opgenomen. Het betreft door de EU voor Nederland gereserveerde middelen voor de periode 2007–2013. De gerealiseerde uitgaven worden op declaratiebasis in rekening gebracht bij het ELGF en het ELFPO via de erkende betaalorganen Dienst Regelingen en Dienst Landelijk Gebied. De betaalorganen verantwoorden deze declarabele uitgaven bij de EU-Landbouwfondsen.

In de tabel zijn de oorspronkelijk geraamde middelen opgenomen voor de periode 2007–2013. Het betreffen dus geen gerealiseerde uitgaven over 2007 tot en met 2010. Dit houdt verband met de (N+2)-regel die de Europese Commissie hanteert voor de tweede pijler: lidstaten kunnen 2 jaar na afloop van het betreffende EU-begrotingsjaar een declaratie indienen over de projecten. Zo mogen de jaartranches van 2007 bijvoorbeeld uiterlijk tot en met 2009 uitgegeven worden. De uitgaven voor de programmaperiode 2007–2013 kunnen tot uiterlijk 2015 worden gedaan.

Tabel 1 Middelen GLB ten gunste van Nederland voor de periode 2007–2013 (bedragen x € 1 mln)
 
20071

2008

2009

2010

2011

2012

2013

1. GLB/pijler 1 (indicatief)

1 050,0

1 020,0

1 000,0

1 000,0

1 000,0

900,0

900,0

2. GLB/pijler 2 (POP2) incl. Health Check en Economisch Herstelplan

             

As 1: Versterking concurrentiekracht landbouw en bosbouw

21,3

21,7

21,6

30,4

33,3

35,8

37,8

As 2: Verbetering van het milieu en het platteland

20,6

21,7

23,7

26,8

27,9

30,4

32,2

As 3: Leefkwaliteit op het platteland en diversificatie plattelandseconomie

21,0

21,7

21,0

22,3

22,0

22,7

25,7

As 4: Uitvoering LEADER-aanpak

7,0

7,2

7,0

7,0

6,8

6,8

6,6

Kosten technische bijstand

0,7

0,4

0,3

0,7

0,4

0,4

0,4

Subtotaal POP

70,6

72,7

73,6

87,2

90,4

96,1

102,7

Totaal GLB

1 120,6

1 092,7

1 073,6

1 087,2

1 090,4

996,1

1 002,7

Noot 1: Betreft geen gerealiseerde uitgaven maar oorspronkelijk geraamde EU-middelen voor de lidstaat Nederland voor de periode 2007–2013.

Toelichting

GLB/pijler 1

De financiële bijdragen voor GLB pijler 1 zijn indicatief. Hierin zullen naar verwachting wijzigingen optreden als gevolg van veranderde marktomstandigheden (o.a. minder exportsteun en interventie) en als gevolg van de tussentijdse Health Check van het GLB.

GLB/pijler 2 (POP2)

Voor de tweede pijler van het GLB (POP2) zijn voor Nederland door de EU oorspronkelijk in 2007 jaartranches beschikbaar gesteld van circa € 70 mln. Bij het EU-plattelandsbeleid is sprake van cofinanciering van overheidsbijdragen aan begunstigden (Rijk en andere overheden). Met een jaarlijkse cofinanciering van 50% komt dit op een totaal van € 140 mln per jaar.

Het POP 2 kent vier assen (zie tabel 1). Financiering vanuit EL&I vindt vooral plaats vanuit as 1. De provincies dragen zorg voor de cofinanciering van as 2, 3 en 4. De cofinanciering van de totale overheidsbijdrage aan subsidiabele projecten door EL&I (kavelruil en beheersovereenkomsten) loopt via het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG).

Health Check/progressieve modulatie

In november 2008 is in het kader van de Health Check besloten financiële middelen over te hevelen van de 1ste pijler naar de 2de pijler (progressieve modulatie). De wijze waarop deze middelen worden ingezet voor maatregelen is vastgelegd in een bijstelling van het POP-2 programma. In de Health Check is ook vastgelegd dat deze modulatiemiddelen besteed moeten worden aan een aantal nieuwe doelen, de zogenaamde Nieuwe Uitdagingen (POP-NU).

Het POP kent een nationaal cofinancieringpercentage van 50%, voor POP-NU geldt een cofinancieringspercentage van 25%.

Afdrachten aan de EU

Tegenover de ontvangsten staan ook afdrachten aan de EU, die onderdeel uitmaken van de Eigen Middelen van de EU. De voor EL&I relevante afdrachten zijn de zogenaamde douanerechten op landbouwproducten en productieheffingen. Deze ontvangsten worden op de EL&I begroting verantwoord (artikel 16) en worden na aftrek van een perceptiekostenvergoeding (25%) via de begroting van Buitenlandse Zaken afgedragen aan de EU. In onderstaand overzicht zijn de ontvangsten weergegeven:

Tabel 2 Toelichting op de ontvangsten

Bedragen x € 1 000

Raming 2012

Landbouwheffingen (incl. productieheffingen)

302 999

EU-ontvangsten

5 685

   

Totaal ontvangsten

308 684

1a. De eerste pijler van het GLB

Markt- en prijsbeleid en inkomenssteun

Rechtstreekse steun

Terwijl de interne markt groeide is het GLB de afgelopen jaren aangepast aan nieuwe uitdagingen in de samenleving. Het beleid richt zich sindsdien meer op de marktgerichtheid en het concurrentievermogen van de sector, waarbij het vooral inzet op ruimte voor de markt en een grote rol voor productieomstandigheden in plaats van productieverhoging en prijsondersteuning.

Het hervormingsbesluit van 2003 is een beslissend keerpunt in de evolutie van het GLB. Er werden twee nieuwe principes in het GLB verankerd: marktwerking en vermaatschappelijking. De landbouwministers besloten namelijk om het markt- en prijsbeleid grotendeels te vervangen door (ontkoppelde) inkomenstoeslagen. De ongewenste maximalisering van productie en subsidie is daarmee doorgesneden. Verder besloot men dat voor het verkrijgen van EU-subsidie moet worden voldaan aan maatschappelijke randvoorwaarden op het gebied van milieu, voedselkwaliteit en dierenwelzijn en goede landbouw en milieucondities (cross compliance). Hiermee kreeg duurzame productie als maatschappelijke randvoorwaarde een nog nadrukkelijker plek in het GLB.

Ten aanzien van het GLB is EL&I verantwoordelijk voor een recht- en doelmatige uitvoering van het communautair vastgestelde beleid binnen Nederland. De uitvoering van het GLB is aan stringente Europese voorwaarden gebonden die met name de rechtmatigheid van de uitvoering moeten waarborgen. Deze voorziet ondermeer in uitvoering door een beperkt aantal erkende betaalorganen, een erkennende instantie, een coördinerende en een certificerende instantie.

Marktmaatregelen

Op de WTO-top van eind 2005 zijn in Hongkong afspraken gemaakt over de totale uitfasering per 2013 van exportrestituties aan bedrijven die landbouwproducten exporteren naar landen buiten de EU.

Health Check GLB eerste pijler (markt- en prijsbeleid en inkomenssteun)

In november 2008 is een akkoord bereikt over de Health Check en uitgewerkt in een Verordening van de Raad (EG) nr. 73/2009. De besluiten zijn door Nederland uitgewerkt en gepresenteerd aan de Tweede Kamer (TK, 28 625, nr. 67). De Nederlandse invulling is op 15 juli 2009 aan de Europese Commissie gemeld.

Het betreffen de volgende maatregelen voor de eerste pijler van het GLB:

• Verordening (EG) nr. 73/2009: artikel 68

Op basis van artikel 68 mag Nederland een deel van de nationale enveloppe voor inkomenssteun herbestemmen voor het stimuleren van bijvoorbeeld milieuvriendelijke landbouw, kwaliteitslandbouw en risicoverzekeringen. Hiermee kunnen de betreffende middelen behouden blijven in de eerste pijler. Nederland wil met artikel 68 de ontwikkeling van dier- en milieuvriendelijke productiemethoden bevorderen, een brede weersverzekering initiëren, de introductie van een elektronisch identificatie- en registratiesysteem voor schapen en geiten bevorderen en een vaarvergoeding beschikbaar stellen in waterrijke landbouwgebieden met percelen die louter over water zijn te bereiken.

Vanaf 1 januari 2010 zijn de vier maatregelen in werking getreden. Binnen het bestaande pakket Dierenwelzijn zijn per 1 januari 2011 nog de submaatregelen diervriendelijk produceren (tussensegmenten) en managementmaatregelen in werking getreden. De beide submaatregelen waren al eerder per 15 juli 2009 bij de Europese Commissie gemeld.

In onderstaande tabel 3 is een overzicht gegeven van de lopende artikel 68 maatregelen in 2010 en 2011.

Tabel 3 Overzicht van de lopende artikel 68 maatregelen in 2010 en 2011

(bedragen x € mln)

2010

2011

Dierenwelzijn

   

– Investeringsregeling duurzame stallen (alle dierlijke sectoren)

10,5

9,5

– Subsidieregeling diervriendelijk produceren / tussensegmenten (openstelling voor leghennen, vleesrunderen, vleeskalveren, varkens en vleeskuikens; elk € 200 000)

1,0

– Diervriendelijke maatregelen (vleesvarkens en vleeskuikens; elk € 500 000)

1,0

– Vaarvergoeding

1,0

1,0

Elektronische identificatie en registratie schapen/geiten

   

– Investering identificatie en registratie

1,5

1,5

Omnummersubsidie

2,0

 
Brede Weersverzekering1

7,0

8,0

Totaal

22,0

22,0

Noot 1: Naast bovengenoemde EU-middelen wordt voor de maatregel brede weersverzekering 25% aan nationale cofinanciering bijgedragen

Toelichting

Voor de maatregelen uit artikel 68 heeft Nederland in 2010 en 2011 een bedrag van € 22 mln beschikbaar. In 2010 en doorlopend in 2011, is artikel 68 ingezet met gebruikmaking van de zogenaamde onbenutte middelen (TK, 28 625, nr. 67).

De onbenutte middelen zijn middelen waarvoor wel toeslagrechten zijn uitgegeven, maar die niet zijn verzilverd. De onbenutte middelen lopen echter sterk terug doordat ze beter worden benut door de agrarische ondernemers. Voor de jaren 2011, 2012 en 2013 zullen de onbenutte middelen naar verwachting dalen naar respectievelijk € 10, € 9 en € 7,5 mln. Voor 2011 is besloten om het programma van € 22 mln ongewijzigd voort te zetten en het verschil in 2011 te financieren uit de eigen begroting.

Voor 2012 en 2013 is de inzet voor artikel 68 aangepast. Zie hiervoor de paragraaf over de voorgenomen inzet artikel 68 in 2012 en 2013 (nieuwe ontwikkelingen).

• Melkquotering

Na de reeds eerder geaccordeerde quotumverhoging van 2,5% per 1 april 2008 is ook per 1 april 2009 het Nederlandse melkquotum wederom met 2,5% verhoogd. Hiervan vloeit 1% quotumstijging voort uit een afgesproken jaarlijkse quotumstijging van 1% gedurende 5 achtereenvolgende jaren die voor alle lidstaten geldt. Nederland kreeg in 2009 nog 1,5% extra uit een aanpassing van de positieve vetcorrectie. Afgesproken is ook dat de Commissie regelmatig met nieuwe marktrapporten zal komen met daarbij voorstellen voor verdere maatregelen in het kader van de zachte landing van het melkquotum. Het eerstvolgende rapport zal eind 2012 verschijnen.Het eerdere besluit om de melkquotering per 2015 te beëindigen is herbevestigd.

• Marktordening

Het markt- en prijsbeleid wordt verder afgebouwd met als doel de landbouw marktgerichter te maken. Zo worden interventieregelingen verder beperkt en wordt een aantal interne afzetmaatregelen afgeschaft. Wel blijft het afgeslankte interventieprijssysteem bestaan als vangnet voor ernstige marktverstoringen. De ontkoppeling wordt verder doorgezet, zodat ook via deze weg de landbouw zich meer zal laten leiden door marktimpulsen. Zoals nu is afgesproken, zal de steun in alle sectoren, met uitzondering van de gekoppelde zoogkoepremie (in Nederland al ontkoppeld sinds 2007) uiterlijk 2012 moeten zijn ontkoppeld. Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om in 2010 de premie voor eiwithoudende gewassen en de areaalbetaling voor noten te ontkoppelen. Daarnaast heeft Nederland de slachtpremies (kalveren en runderen) per 2010 ontkoppeld. Nederland maakt geen gebruik van de mogelijkheid om de productiesteun voor zetmeelaardappelen en de steun voor zaaizaad eerder te ontkoppelen dan in 2012.

• Vereenvoudiging

De vereenvoudiging van het GLB vindt plaats binnen het programma Better Regulation. Hierbij staat verminderde administratieve lastendruk voor de sector centraal.

Nieuwe ontwikkelingen GLB 1e pijler

Extra maatregelen artikel 68 2012 en 2013

Vooruitlopend op de hervormingen van het GLB na 2013 zal EL&I de toepassing van het huidige artikel 68 aanpassen en verder uit bouwen (dit artikel maakt het mogelijk inkomenssteun deels doelgericht in te zetten). EL&I zet hiermee een stap richting een nieuw GLB na 2013 waarin Nederland inzet op vervanging van de huidige directe GLB-betalingen door doelgerichte betalingen.

De aanpassingen aan en het uitbouwen van artikel 68 bevat de volgende elementen:

  • –  Voor de regeling «Integraal duurzame stallen» zullen meer middelen beschikbaar gesteld worden. De regeling levert een grote bijdrage aan de verbetering van met name dierenwelzijn en milieu.
  • –  Daarnaast zal het dierenwelzijn verder worden gestimuleerd door met ingang van 2012 de stimuleringsregeling managementmaatregelen uit te breiden naar de kalverhouderij. Tot nu toe stond deze maatregel alleen open voor vleesvarkens en vleeskuikens. Met deze uitbreiding zullen er ook meer middelen beschikbaar komen.
  • –  Voor de kalverhouderij wordt daarnaast nog een onderzoek gestart om welzijnsvriendelijke vloeren in de kalverstal te stimuleren.
  • –  De middelen voor de vaarvergoeding zullen worden verhoogd en het toepassingsgebied zal worden uitgebreid naar de Biesbosch. De maatregel is nu reeds van toepassing in de gebieden Laag Holland en de Weerribben en Wieden.
  • –  Naast deze impuls voor verduurzaming van de veehouderij zal extra aandacht gegeven worden aan verdere verduurzaming van de plantaardige productie. Daartoe zal precisielandbouw gestimuleerd worden. Precisielandbouw helpt de milieubelasting met mineralen en/of gewasbeschermingsmiddelen te reduceren.
  • –  Via artikel 68 zullen tijdelijk middelen beschikbaar worden gesteld om een verzekering afzetschade broedeieren voor pluimveevermeerderaars te introduceren voor de economische gevolgschade, die het gevolg zijn van een onverhoopte uitbraak van Aviare Influenza (AI).

Een samenvatting van de voornemens is met begroting opgenomen in tabel 4.

Tabel 4 Voorgenomen inzet artikel 68 in 2012 en 2013

(bedragen x € mln)

2012

2013

Dierenwelzijn:

   

• Investeringsregeling duurzame stallen (alle dierlijke sectoren)

15

14

• Subsidieregeling diervriendelijk produceren (leghennen, vleesrunderen, vleeskalveren, varkens en vleeskuikens; elk € 200 000)

1,0

1,0

• Stimulering managementmaatregelen (vleesvarkens, kalveren en vleeskuikens; elk € 500 000)

1,5

1,5

Stimulering precisielandbouw en milieuvriendelijke bewaarplaatsen

10,0

10,0

Vaarvergoeding

1,1

1,1

Elektronische identificatie en registratie schapen/geiten

   

• Investering identificatie en registratie

1,5

1,5

Verzekeringen (brede weersverzekering, verzekering broedeieren)1

7,8

9,8

Totaal begrote uitgaven

37,9

38,9

Onbenutte middelen

9,0

7,5

Herbestemming generieke betalingen

28,9

31,4

Noot 1: Voor de verzekeringen wordt voorzien in een nationale cofinanciering van 25%.

Collectieven

Om de doelgerichtheid van de betalingen uit de tweede pijler verder te vergroten, onderzoekt EL&I de mogelijkheden om binnen het GLB te werken met samenwerkingsverbanden, zogenaamde boerencollectieven, voor verdergaande innovatie, agrarisch natuur- en landschapsbeheer en het versterken van de multifunctionaliteit. Streven is om door het sluiten van contracten met zulke boerencollectieven, zoals agrarische natuurverenigingen, Europese gelden effectiever en meer op maat in te zetten. In 2012 zullen de eerste conclusies getrokken worden. Indien nodig zullen aanpassingen in de Europese wetgeving worden bepleit om effectief met dergelijke samenwerkingsverbanden te kunnen werken.

Marktregulering

Transparantie is in de markt- en prijsontwikkelingen, ook binnen het GLB, van groot belang. Grotere transparantie kan bereikt worden door bijvoorbeeld betere openbaar beschikbare prijsinformatie. Er wordt momenteel een onderzoek uitgevoerd naar de prijsvorming van landbouwproducten in relatie tot de verdeling van de marges binnen de keten. Ook is in Brussel het zogenaamde High Level Forum for a better functioning food supply chain ingesteld, die onder andere naar de prijsvorming in de keten kijkt. Zij komt in 2012 met aanbevelingen. Tot slot kan de verdere ontwikkeling van termijnmarkten wellicht bijdragen aan de gewenste prijstransparantie en tegelijkertijd bijdragen aan stabilisatie van markten. In dit kader zullen de consequenties van de mededingingsregels voor het functioneren van de agro- en foodwereld worden onderzocht.

Coherentie, gevolgen GLB voor ontwikkelingslanden

De belangrijkste maatstaf om de effecten van het huidige en toekomstige GLB op ontwikkelingslanden te meten, is de mate van handelsverstorendheid van het GLB. Die kan worden gemeten in termen van markttoegang en in de aard van de verleende steun. De aard van de ondersteuning van boeren via het GLB, is ingrijpend gewijzigd. In 1990 gold circa 90% van de GLB-steun als handelsverstorend, volgens de geldende definities van WTO. Nu geldt nog slechts circa10% van de GLB-steun als handelsverstorend. Het GLB is daarmee duidelijk ontwikkelingsvriendelijker geworden. Markttoegang en het beperken van marktverstoring voor ontwikkelingslanden blijven een punt van aandacht. De voorziene wereldwijd volledige uitfasering van nog resterende exportsubsidies in 2013, zal de beperkte nog resterende handelsverstoring van het GLB in 2012 nog verder verminderen.

Voorbereiding voor een nieuw GLB

In de herfst van 2011 zal, zoals nu is voorzien, de Europese Commissie met wetgevingsvoorstellen komen voor de vormgeving van het nieuwe GLB na 2013. De inzet van het kabinet hierbij is weergegeven in de Kabinetsreactie op de Commissiemededeling van 26 november 2010 (TK, 28 625, nr. 108), met een nadere uitwerking in de antwoorden op Kamervragen (TK, 28 625, nr. 117). De lijn is dat het kabinet inzet op een nominale bevriezing van het budget door een verdere marktoriëntatie van de sector waarbij de directe betalingen op den duur vervangen worden door doelgerichte betalingen gericht op versterking van de concurrentiekracht, duurzaamheid en innovatie en op beloning voor maatschappelijke prestaties op bijvoorbeeld het gebied van natuur en landschap. Hiernaast blijft verdere vereenvoudiging, voor agrarisch ondernemers en uitvoeringsorganisaties, een speerpunt.

1b. De tweede pijler van het GLB

Het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007–2013 (POP2)

Het Nederlandse Plattelandsontwikkelingsprogramma voor de periode 2007–2013 (POP2) is in juni 2007 door de Europese Commissie goedgekeurd en daarmee in werking getreden.

Met het POP2 streeft Nederland drie inhoudelijke doelen na, in lijn met de doelen van verordening 1698/2005:

  • –  het versterken van het concurrentievermogen van de land- en de bosbouw;
  • –  de verbetering van natuur en milieu door landbeheer;
  • –  het verhogen van (a) de leefkwaliteit op het platteland en (b) diversificatie van de plattelandseconomie.

Een vierde doel is meer procesmatig van aard en betreft het bevorderen van lokale plattelandsontwikkeling via de LEADER-aanpak. Dit is een gebiedsgerichte en bottom up-werkwijze voor bepaalde aspecten van plattelandsproblematiek. Het programma LEADER+, voorheen onderdeel van het Structuurbeleid, maakt sinds 2007 deel uit van het POP2.

Voor Nederland is er voor de periode 2007–2013 ruim € 486 mln uit het ELFPO beschikbaar voor het POP2. Op basis van een door Nederland gekozen cofinancieringpercentage van 50% voor het gehele POP2 wordt dit bedrag door Nederland (Rijk, provincies en andere overheden gezamenlijk) verdubbeld ten behoeve van besteding in het kader van het POP2.

Als gevolg van de hervorming van de marktordening Groenten en Fruit (GMO) zijn EU-middelen vrijgekomen die ingezet worden voor POP2. Het plafond voor POP2 is als gevolg hiervan in totaal met € 9,7 mln verhoogd. Ook voor deze gelden is de nationale cofinanciering 50%.

Aanvullend op deze bedragen verwachten LNV en provincies in de periode 2007–2013 ongeveer € 840 mln in te zetten op maatregelen uit het POP2.

De provincies leveren het overgrote deel van de nationale cofinanciering. EL&I levert ongeveer 10% van de cofinanciering.

Uitvoering van de POP2-maatregelen gebeurt op basis van de provinciale verordeningen en financiële regelingen van EL&I. Op de besteding van deze geldstromen is één beheers- en controlemechanisme van toepassing. De Minister van EL&I is als beheersautoriteit voor het POP2 eindverantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige uitvoering van het POP2.

Health-check GLB en Economische Herstelplan

In november 2008 is in het kader van de Health Check van het GLB besloten financiële middelen over te hevelen van de 1e pijler naar de 2e pijler (progressieve modulatie). Ook zijn er aanpassingen gedaan in het kader van het Economische Herstelplan. Daarmee is er circa € 97 mln EU-steun beschikbaar gekomen voor het Nederlandse POP2 in de periode 2009–2013.

De extra middelen dienen besteed te worden aan zes geïdentificeerde «Nieuwe Uitdagingen» (POP-NU): biodiversiteit; klimaatverandering; waterbeheer; hernieuwbare energie; innovatie voor deze vier uitdagingen; en structuurversterking melkveehouderij. Het kader voor de besteding van deze middelen is de bestaande plattelandsverordening 1698/2005. Uit nationale middelen moet voor deze Nieuwe Uitdagingen niet 50% maar 25% nationale cofinanciering worden bijgedragen.

Nederland zet een bedrag van € 32,5 mln in aan nationale cofinanciering. Nederland zal dit budget inzetten voor akkerranden, water, milieuverbetering, innovatie in de landbouw, duurzame energie en breedbandinternet.

Tabel 5 Additionele EU-bijdrage 2009–2013 op basis van Health Check en Economisch Herstel Plan (POP-NU) (x € 1 mln)

As

Overheidsbijdragen totaal

Procentuele ELFPO-bijdrage (%)

Bedrag ELFPO- bijdrage

1. Versterking concurrentiekracht landbouw en bosbouw

74,1

75%

55,6

2. Verbetering van het milieu en het platteland

40,9

75%

30,7

3. Leefkwaliteit op het platteland en diversificatie plattelandseconomie

15,1

75%

11,3

4. Uitvoering LEADER-aanpak

0

n.v.t.

0

Kosten technische bijstand

0

n.v.t.

0

Totaal

130,1

 

97,6

Met de ophoging van bovengenoemde gelden komt de totale enveloppe POP2 voor Nederland voor de periode 2007–2013 op ongeveer € 593 mln EU-middelen.

2. Gemeenschappelijk Visserij Beleid (GVB)

Het GVB is in de eerste plaats gericht op de ontwikkeling van een verantwoorde visserijketen waarmee een evenwichtige en duurzame exploitatie van de visstand wordt bevorderd. Hiertoe zijn in EU-verband regels opgesteld, zoals beperkingen voor bepaalde visserijmethoden. Tevens zijn afspraken gemaakt ter bevordering van de stabiliteit van de vismarkt.

Nederland maakt gebruik van het Europees Visserij Fonds (EVF) om deze doelen te bereiken.

Europees Visserij Fonds (EVF)

Nederland ontvangt uit het EVF een communautaire bijdrage van € 48,6 mln voor de periode 2007–2013. Daarnaast levert Nederland een nationale bijdrage van € 72,1 mln. In het operationeel programma EVF is de gedetailleerde financiële tabel voor de gehele programmeringsperiode 2007–2013 opgenomen. De bijdrage van de EU voor de periode 2007–2013 heeft betrekking op duurzame visserijmethoden (€ 16,9 mln), maatregelen op het terrein van aquacultuur, binnenvisserij, verwerking en afzet (€ 7,5 mln), innovatieve projecten (€ 16,8 mln), gebiedsgerichte activiteiten (€ 5 mln) en technische bijstand (voorbereiding, toezicht, administratieve ondersteuning) (€ 2,4 mln).

In onderstaande tabel zijn de maatregelen voor 2012 aangegeven:

Tabel 6 Geraamde programma-uitgaven voor het jaar 2012 (bedragen x € 1 mln)
 

EU

EL&I

Totaal

Europees Visserij Fonds (EVF)

     

OD- 21.14 Bevorderen duurzame vangst

en kweek van schelpdieren

     

Duurzame visserijmethodes

1,3

1,7

3,0

Aquacultuur, binnenvisserij, verwerking

en afzet

1,9

2,7

4,6

Innovatieve proefprojecten

2,6

5,1

7,7

Gebiedsgerichte activiteiten

1,0

1,01

2,0

Technische bijstand

0,4

0,4

0,8

Totaal

7,2

10,9

18,1

Noot 1: betreft bijdragen van de provincies

Onderstaande tabel bevat de verdeling van de financiële verplichtingen over de jaren. De daadwerkelijke uitgaven vallen mogelijk in andere jaren (de n+2 regel). Nederland hanteert in het overzicht de jaartranches zoals de Europese Commissie deze heeft aangegeven. Deze zijn gebaseerd op het prijsniveau 2007.

Tabel 7 Overzicht jaarlijks beschikbare middelen EVF en nationaal (x € 1 mln)
 

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Totaal

EVF

6,5

6,7

6,8

6,9

7,1

7,2

7,4

48,6

Nationaal

21,0

8,0

8,6

9,3

7,4

10,9

6,8

72,0

Totaal

27,5

14,7

15,4

16,2

14,5

18,1

14,2

120,6

Hervorming GVB

Met het verschijnen van het Groenboek in mei 2009 is de discussie gestart over de toekomst van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid na 2012. Op veel punten zijn de resultaten van het huidige Gemeenschappelijk Visserijbeleid niet positief. Hervorming van dit beleid is noodzakelijk. Veel uitdagingen moeten worden opgepakt, bijvoorbeeld als het gaat om de bijvangsten. Innovatie en duurzaamheid staan daarbij centraal. Doelstellingen daarbij zijn dat er sprake moet zijn van een duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen (visbestanden) binnen en buiten Europese wateren van de EU, perspectief voor een maatschappelijk geaccepteerde duurzame visserijsector en een doeltreffend, uitvoerbaar en handhaafbaar pakket aan maatregelen voor het beheer van de visserijbestanden.

Eind 2009 is de Nederlandse visie op een nieuw Europees visserijbeleid – Vis, als duurzaam kapitaal – aan de Europese Commissie aangeboden. De visie bevat drie belangrijke nieuwe speerpunten, die het tot nu toe gevoerde beleid zouden kunnen doorbreken: duurzaam gebruik van het ecologisch kapitaal, een grotere rol voor de markt en afstemmen van de besluitvorming op lange termijn doelstellingen. Bij het vormgeven van de Nederlandse visie is een brede doelgroep betrokken. De resultaten van deze consultaties zijn gebruikt voor de kabinetsvisie op de herziening.

Het jaar 2010 is gebruikt om de belangrijkste thema’s en opties voor hervorming te verkennen en te inventariseren. De Commissie zal naar verwachting medio 2011 haar pakket met voorstellen presenteren, waarna de onderhandelingen zullen starten. Dit moet in 2012 tot finale besluitvorming leiden.

3. Het Europees Structuurbeleid

Bij het vaststellen van de Financiële Perspectieven van de EU zijn voor de periode 2007–2013 middelen gereserveerd voor de EU-structuurfondsen.

Nederland ontvangt in deze periode circa € 1,9 mld, waarvan € 1,660 mld bestemd is voor Doelstelling 2 (regionale Concurrentiekracht en Werkgelegenheid) en € 291 mln voor Doelstelling 3/Interreg IV (Europese Territoriale Samenwerking). De verdeling van het budget uit de structuurfondsen is neergelegd in het Nationaal Strategisch Referentiekader (NSR).

Naast de Europese middelen worden de projecten ook uit rijksmiddelen gefinancierd, die namens het rijk op de EL&I begroting staan. Gegevens over de EFRO-middelen en de rijkscofinanciering is opgenomen in artikel 18 van deze begroting.

De Europese Structuurfondsen hebben als doel de economische concurrentiekracht te versterken en de cohesie tussen regio’s en lidstaten binnen Europa te vergroten. EL&I is lidstaat verantwoordelijk voor vier landsdelige programma’s en één grensoverschrijdend programma, Euregio Maas-Rijn. Daarnaast maakt Nederland nog deel uit van drie andere grensoverschrijdende programma’s. Voor de periode 2007–2013 is hiervoor ongeveer € 1,1 mld Europees geld beschikbaar, wat komt uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO).

Binnen de landsdelige programma’s zijn drie prioriteiten waarop geïnvesteerd wordt, waarbij de innovatieprioriteit zeer populair is. Deze is ingesteld naar aanleiding van de Lissabon-agenda. Daarnaast wordt er ook geïnvesteerd in regio’s en steden, om deze aantrekkelijker te maken voor mensen en bedrijven om zich daar te vestigen.

Inmiddels is de huidige programmaperiode over de helft en zijn in grote mate de middelen toegekend aan projecten. Daarmee is ook een omslagpunt bereikt waarbij de nadruk van de programma’s verschuift van de selectie van projecten naar het beheer op de uitvoering van deze projecten. Voor EL&I houdt dit in dat bij de reguliere taken de nadruk komt te liggen op twee hoofdonderwerpen: Het ondersteunen van de managementautoriteiten bij het beheer en de discussie over de toekomst van het cohesiebeleid. Met het verschijnen van het 5e Cohesieverslag is deze discussie in het najaar van 2010 gestart. Na het verschijnen van de concept verordeningen rond de zomer van 2011, zal in de tweede helft van 2011, maar vooral in 2012 de focus liggen op de onderhandelingen met de Commissie en de andere lidstaten. In de Nederlandse kabinetsinzet is aangegeven dat de toekomstige middelen enkel worden gericht op de armste regio’s in de armste lidstaten. Naast dit budgettaire aspect zal een belangrijk deel van de discussie gaan over vereenvoudiging van beheer en controle en de koppeling van de middelen aan de Europa 2020 strategie. In deze strategie wordt opgeroepen om te investeren in slimme en duurzame groei.

4. Overige Europese financiering

TSE/BSE kosten

Bedragen x € 1 mln
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

BSE/TSE testkosten

2,6

2,9

2,6

2,0

2,0

2,0

2,0

TSE transmissible (of overdraagbare spongiforme encefalopathieën) betreft de verzamelnaam voor de ziekten BSE bij runderen en Scrapie bij schapen en geiten. Het genoemde bedrag voor 2011 heeft de status van aanvraag bij de EU. De EU-bijdrage komt ten goede aan meerdere partijen, niet alleen de rijksoverheid. In de tweede helft van 2011 is er een afbouw van de verplichte beheersmaatregelen. Dat kan in de jaren na 2010 leiden tot geringere kosten en een geringere bijdrage vanuit de EU.