Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2.1 De Beleidsagenda

2.1.1 De Beleidsagenda

2012 in een oogopslag

Het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) staat voor een ondernemend Nederland, met een sterke internationale concurrentiepositie en met oog voor duurzaamheid. EL&I zet zich in voor een uitstekend ondernemersklimaat. Door te zorgen voor goede randvoorwaarden en ondernemers de ruimte te geven om te vernieuwen en te groeien. Door aandacht te hebben voor onze natuur en leefomgeving. Door samenwerking te stimuleren tussen onderzoekers en ondernemers. Zo bouwen we onze topposities in landbouw, industrie, diensten en energie verder uit en investeren we in een krachtig en duurzaam Nederland.

Met een compacte, slagvaardige overheid werkt EL&I aan het verdienvermogen van de economie, langs de volgende actielijnen:

  • 1.  Nederland internationaal sterk positioneren: inzetten op de top. Door:
    • –  Meer focus op de topsectoren bij de onderzoeksprogrammering van grote onderzoeksinstituten via innovatiecontracten.
    • –  Het verzilveren van internationale kansen voor bedrijven via economische missies en een transitiefaciliteit voor opkomende economieën.
    • –  Een overbrugging van belangrijke samenwerkingsverbanden tussen het bedrijfsleven en de overheid, zoals de Technologische Topinstituten, bij de overgang naar een nieuw innovatiebeleid.
  • 2.  Ruimte bieden aan ondernemerschap en innovatie. Door:
    • –  Investeringen in innovatie te ondersteunen, met behulp van € 500 mln lastenverlichting in deze kabinetsperiode via de Research & Development Aftrek.
    • –  Meer durfkapitaal voor kansrijke innovatieve projecten beschikbaar te stellen via het Innovatiefonds MKB+ voor de financiering van commercieel kansrijke innovaties.
    • –  Een vermindering van de regeldruk met 10% via het Programma Regeldruk Bedrijven.
    • –  Betere en goedkopere dienstverlening aan ondernemers via ondernemerspleinen en door de heffingen van de Kamers van Koophandel met 10% te verlagen in 2012 en volledig af te schaffen per 2013.
  • 3.  Duurzame welvaart bevorderen, met oog voor mens en natuur. Door:
    • –  Een decentralisatie van natuurbeleid.
    • –  Een brede inzet van de Programmatische Aanpak Stikstof.
    • –  Het vergroten van de bekendheid van de OESO-richtlijnen voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen bij bestuursvoorzitters van beursgenoteerde bedrijven.
  • 4.  Werken aan een toekomstbestendige landbouwproductie en energievoorziening. Door:
    • –  Vermindering van het antibioticagebruik met 20% per 1 januari 2012.
    • –  Green deals af te sluiten tussen burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden.
    • –  De productie van duurzame energie te verhogen door de inzet van de Stimuleringsregeling duurzame energie (SDE+).
Daarnaast werkt EL&I mee aan het Rijksbrede traject voor een compacte en krachtige overheid, zoals beschreven in het Regeerakkoord. Door twee ministeries te fuseren en taken te schrappen naar aanleiding van het Regeerakkoord realiseert EL&I in 2015 een besparing op het apparaatbudget van totaal € 288,1 mln1. In 2012 wordt een eerste besparing ingeboekt van € 49,1 mln. Onder meer door:
  • –  Het opdrachtenpakket van Agentschap NL in te krimpen in 2012 met € 6,4 mln (ongeveer 2,5%). Dit volgt rechtstreeks uit het kabinetsbesluit om in deze kabinetsperiode € 500 mln aan subsidies te schrappen.
  • –  De bijdrage aan de Dienst Landelijk Gebied in 2012 te verlagen met circa € 18 mln (ongeveer 14,5%), door Ecologische Hoofdstructuur te herijken en de uitvoering van het natuurbeleid te decentraliseren.
  • –  De fusie van de NMa, de OPTA en de Consumentenautoriteit per 1 januari 2013.

De Beleidsagenda

Nieuwe markten, nieuwe kansen

De economie bevindt zich in onrustig vaarwater. De huidige volatiliteit op de financiële markten; de schuldenproblematiek in de Eurozone en de VS; de stagnatie van de economische groei in de grote industrielanden en een mogelijke afzwakking van de groei van de wereldhandel: het zijn factoren die het voorzichtige economisch herstel dat de afgelopen twee jaar in Nederland had ingezet, vertragen. Dit komt niet geheel onverwachts. De geschiedenis leert ons dat het herstel na een financiële crisis die zowel overheden als de private sector treft, doorgaans de nodige tijd vergt. Wel is het verloop van financiële crises sterk verschillend. Zeker is dat rust op de financiële markten een voorwaarde is voor een krachtig economisch herstel. Om de financiële problemen in Europa op te lossen is het dan ook nodig dat alle lidstaten van de Europese Unie begrotingsdiscipline betrachten en structurele hervormingen doorvoeren. Daarvoor is een steviger economische sturing in Europa nodig. Want een sterk Nederland kan niet zonder een sterk Europa.

Tegelijkertijd betekent de snelle groei van opkomende economieën dat we internationaal intensief moeten zoeken naar duurzame oplossingen voor maatschappelijke opgaven. Want hoe zorgen we voor de toegang tot voldoende energie, voedsel en grondstoffen? Hoe gaan we in Europa en de rest van de wereld om met de stijgende CO2-uitstoot? En hoe behouden we natuur en biodiversiteit? In Nederland, maar ook in landen als China, Japan en andere EU-landen, speelt ook nog het vraagstuk van de vergrijzing.

De wereldeconomie kenmerkt zich door toenemende internationale concurrentie, maar ook door grote kansen voor groei en ontwikkeling. Er ligt voor Nederland een enorm potentieel in de opkomende economieën en in groeimarkten zoals energie, agrofood en water, waar Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen internationaal aan de top staan. Wereldwijd groeit de vraag naar duurzame, innovatieve oplossingen. De maatschappelijke uitdagingen van vandaag vormen daarmee de groeimarkten van morgen. De kennis, kunde en innovatiekracht om deze nieuwe groeimarkten te veroveren liggen bij MKB’ers, agrariërs, industriëlen en onderzoekers. Zij worden ondersteund door een kleine maar krachtige overheid die keuzes durft te maken, die krachten bundelt en die ruimte geeft en verantwoordelijkheid laat. Een overheid die met partijen investeert in een uitmuntend vestigings- en leefklimaat.

Kansen verzilveren over de grenzen heen

De snelle veranderingen in de wereld brengen onzekerheden met zich mee. Veel burgers ervaren die als een bedreiging. Toch is er alle reden om de toekomst met vertrouwen tegemoet te treden. Nederland heeft altijd volop weten te profiteren van de groei van de wereldhandel. Onze ondernemers tonen zich al eeuwen bedreven in het verzilveren van kansen in tijden van verandering. Nederland is een handelsland: we zijn de vijfde exporteur van de wereld, de vijfde investeerder in het buitenland en (na de VS) de tweede exporteur van agrarische producten.

Een open houding naar de wereld is dan ook cruciaal voor de Nederlandse economie. Opvallend is dat veel Nederlandse exporterende bedrijven nog sterk gericht zijn op de traditionele handelspartners in Europa en de Verenigde Staten. Hoewel deze landen van groot belang voor Nederland blijven, kan de Nederlandse economie nog meer dan nu profiteren van groei in opkomende landen als China, India, Turkije, Brazilië en Rusland. Nederland blijft daarbij achter bij veel andere EU-landen. Hier liggen kansen. De Nederlandse overheid behartigt de belangen van Nederlandse ondernemers die internationaal aan de weg timmeren, door te werken aan een versterking van de Europese interne markt, door zich actief op te stellen in de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en andere internationale fora. En door bilaterale betrekkingen verder te verbeteren zodat ondernemers toegang krijgen en houden tot nieuwe groeimarkten. Dienstverlening aan Nederlandse bedrijven is een kerntaak van onze ambassades, consulaten en de Netherlands business support offices. We trekken ook buitenlandse investeerders aan die een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse economie kunnen leveren. Bijvoorbeeld door ze te ondersteunen met praktische adviezen en waar mogelijk bureaucratische barrières weg te nemen.

Een open houding is ook essentieel om ambities te verwezenlijken op het terrein van energie, klimaat, biodiversiteit en voedsel. Dit vereist per definitie een internationale aanpak. Het kabinet zet zich daarom binnen de EU onverminderd in voor een gelijk speelveld op internationale energiemarkten; voor versterking van de grensoverschrijdende infrastructuur die nodig is voor betrouwbare en efficiënte gas- en elektriciteitsmarkten in Noordwest Europa; voor internationale afspraken over klimaat en biodiversiteit; voor duurzame grondstofketens2 en voor de verduurzaming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid.

Ruimte geven en verantwoordelijkheden laten aan ondernemers en burgers

Ondernemerschap staat voor dynamiek en aanpassingsvermogen. Die hebben we hard nodig in een snel veranderende wereld. Het zijn ondernemers en burgers die kansen verzilveren. Zij leveren de grootste bijdrage aan groei, welvaart en werkgelegenheid. Ondernemers richten hun vizier ook steeds vaker op duurzame manieren van produceren, ze komen met oplossingen voor maatschappelijk opgaven, zoals in de zorg, en ze investeren in een goede leefomgeving. De afgelopen jaren heeft zich in Nederland een ware ondernemerschaprevolutie voltrokken. Inmiddels verdient één op de acht werkende Nederlanders zijn of haar geld als ondernemer. Daarmee is Nederland ondernemender dan bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Nederland moet het hebben van mensen met een ondernemende instelling, ongeacht de plek waar zij werken. Of het nu gaat om het MKB of het grootbedrijf, een universiteit of een ziekenhuis. In deze tijd gaat het meer dan ooit om de bereidheid te vernieuwen en ideeën te ontwikkelen en het vermogen met de omgeving mee te veranderen. Goed presterende bedrijven moeten kunnen doorgroeien. Ook nieuwe ondernemingen in Nederland moeten tot grote hoogte kunnen groeien: ondernemingen die klein gestart zijn, bijvoorbeeld vanuit een universiteit, kennisinstelling, of als spin-off van een high-tech bedrijf.

Het is dus zaak dat ondernemers, ook de startende, hun kansen kunnen grijpen. Een belangrijke factor voor hun succes is dat ondernemers kunnen beschikken over goed gekwalificeerde werknemers en vaklieden. Daarvoor is goed onderwijs nodig dat aansluit op de arbeidsmarkt. Ook moeten mensen makkelijk van baan kunnen wisselen. Ondernemerschap stimuleren is vooral ruimte geven en verantwoordelijkheden laten aan ondernemers en burgers. Ondernemers kunnen dan doen waar ze goed in zijn: ondernemen. Dat betekent dat de overheid niet onnodig beperkingen oplegt: zij geeft ruimte waar mogelijk, en ondersteunt en controleert waar nodig. Dus geen onnodige regels, maar wel één digitaal loket waar ondernemers voor al hun overheidszaken terecht kunnen. Geen ingewikkelde subsidieaanvragen, maar wel goede toegang tot (risico-)kapitaal. Geen nationale koppen op Europese regelgeving, maar wel steun voor ondernemers in de landbouw die zich inspannen voor het behoud van natuur en biodiversiteit. Deze overheid mobiliseert ondernemers, onderzoekers en burgers die zich inzetten voor duurzaamheid. Deze overheid ondersteunt hen, bijvoorbeeld met de Green Deal. Kortom, deze overheid loopt niet in de weg, maar geeft ondernemers een steun in de rug, wanneer het nodig is.

Kennis, kunde en kassa: krachten bundelen

Om ons groeivermogen te versterken moeten we de krachten bundelen. Alleen zo kunnen we de kennis en kunde bij bedrijven en kennisinstellingen optimaal ontwikkelen én benutten. Het gaat om kennis, kunde én kassa.

Het kabinet heeft daarom in samenwerking met het bedrijfsleven en kennisinstellingen ambitieuze plannen opgesteld voor de negen topsectoren. Naast energie zijn dat water, high tech systems, logistiek, creatieve industrie, life sciences, chemie agro-food en tuinbouw. Met hoofdkantoren als tiende sectordoorsnijdend thema. In die sectoren is ons land sterk. Daar ligt onze meerwaarde; daar moeten we kansen pakken en uitbouwen. Het grote voorbeeld is het agrofood complex rondom het Wageningen University & Research Centre.

Met de topsectorenaanpak beoogt de regering geen sterke sectoren te creëren, maar optimaal te ondersteunen. Overheid, bedrijven en kennisinstellingen werken samen aan optimale condities voor de succesvolle vernieuwing van de topsectoren. De wensen van ondernemers en onderzoekers staan hierbij centraal om zo met gerichte publieke inspanningen de gezamenlijke ambities te helpen verwezenlijken. Door de krachten te bundelen – ook met decentrale overheden – versterken we niet alleen ons toekomstig groei- en verdienvermogen, maar brengen we ook oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen dichterbij. Zo bereiken we méér, ook nu de overheid ingrijpend moet bezuinigen.

Kortom, met een open en ondernemende instelling, een bundeling van krachten en een compacte, slagvaardige overheid werken we hard aan economisch herstel en kunnen we nieuwe markten veroveren. Het Ministerie van EL&I draagt daaraan bij door in te zetten op vier actielijnen:

  • 1.  Nederland internationaal sterk positioneren: inzetten op de top;
  • 2.  Ruimte bieden aan ondernemerschap en innovatie;
  • 3.  Duurzame welvaart bevorderen, met oog voor mens en natuur;
  • 4.  Werken aan een toekomstbestendige landbouwproductie en energievoorziening.

1. Nederland internationaal sterk positioneren: inzetten op de top

Vrijwel geen land ter wereld profiteert zo veel van internationale handel als Nederland. We hebben alles in huis om deze positie vast te houden en te zorgen voor onze welvaart in de toekomst. Maar dit gebeurt niet vanzelf. Het kabinet zet daarom in op een sterke internationale positionering van die economische topsectoren waarmee Nederland zich onderscheidt van andere landen. Tegelijkertijd moeten we ons internationaal sterk profileren. Multilateraal, in de EU en WTO, maar ook bilateraal, in de contacten met onze belangrijkste (toekomstige) handelspartners.

1.1 Topsectoren en innovatie

De Nederlandse economie beschikt over unieke internationaal concurrerende sectoren. De overheid heeft op veel terreinen direct invloed op de concurrentiekracht van deze topsectoren. Op verzoek van het kabinet hebben tien topteams daarom specifieke knelpunten en kansen geïdentificeerd die van belang zijn voor de verdere versterking van de topsectoren. De knelpunten oplossen is een taak van de publieke en private sector gezamenlijk. Een taak die moet worden opgepakt op zowel regionaal, nationaal als internationaal niveau en over de grenzen van ministeries en overheden heen. De bedrijfslevenaanpak vormt daarmee een vernieuwende vorm van publiekprivate samenwerking. Door ondernemerschap, kennis en creativiteit optimaal te benutten om de nieuwe technologieën van morgen te ontwikkelen.

Op 17 juni 2011 hebben de topteams hun agenda’s aan het kabinet aangeboden. In de kabinetsreactie, die gelijktijdig met deze begroting naar de Tweede Kamer is gestuurd, zijn de sectoragenda’s vertaald naar één samenhangende beleidsagenda. Een beleidsagenda over de volle breedte van het overheidsbeleid: van buitenlandbeleid tot onderwijsbeleid (in aansluiting op de strategische agenda hoger onderwijs, onderzoek en wetenschap en het actieplan MBO), van regeldruk tot innovatiebeleid en van ontwikkelingssamenwerking tot infrastructuur en ICT. De breedte van het overheidsbeleid komt goed tot uiting in het overzicht aan het eind van deze beleidsagenda.

De belangrijkste resultaten in 2012 zijn:

Het opstellen van innovatiecontracten zodat kennis en kunde wordt omgezet in kassa

  • –  Partners uit de «gouden driehoek» van ondernemers, onderzoeksinstellingen en overheden werken de actieagenda’s van de topsectoren uit tot innovatiecontracten die partijen uit de hele kennisketen inhoudelijk en financieel committeren. Op basis van de innovatiecontracten besluit het kabinet in 2012 over de inzet van kennismiddelen.
  • –  In 2012 wordt de financiering van de Technologische Topinstituten (TTI’s) voortgezet als overbrugging tijdens de oprichting de nieuwe kennisinfrastructuur rond de innovatiecontracten voor topsectoren. TTI’s en andere vormen van publiekprivate samenwerking zorgen voor een betere aansluiting tussen de vraag van het bedrijfsleven en het aanbod vanuit kennisinstellingen. Ze zorgen ook voor een betere internationale profilering van sterke kennisclusters.
  • –  Het kabinet introduceert in 2013 een fiscale aftrek van 25% voor de bijdrage van bedrijven aan Topconsortia Kennis & Innovatie (TKI). Deze fiscale stimulans draagt in belangrijke mate bij aan de ambitie van het kabinet om in 2015 minimaal € 500 mln aan TKI’s te hebben, waarvan tenminste 40% wordt gefinancierd door de private sector.

Het verbinden van de kennisketen, door meer focus op de topsectoren bij de onderzoeksprogrammering van TNO, DLO en GTI’s en van NWO en STW

  • –  De Innovatiecontracten en Publiek-Private Instituten beslaan de hele keten van fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek en valorisatie. Het kabinet verschuift in deze periode stapsgewijs onderzoeksbudgetten naar de topsectoren. Onder leiding van de boegbeelden werken bedrijven, kennisinstellingen en overheid innovatiecontracten voor de topsectoren uit. In deze contracten participeren NWO, KNAW en de toegepaste kennisinstituten in 2015 voor ten minste € 600 mln.
  • –  NWO reserveert voor 2012 al een vrije impuls van € 70 mln voor de Topconsortia Kennis & Innovatie voor de topsectoren. Het STW budget wordt structureel verhoogd met € 10 mln voor topsectoren (eindplaatje bijdrage NWO 2015: richting € 100 mln).
  • –  In 2012 wordt bij TNO een schuif van € 10 mln van niet-prioritaire sectoren naar de topsectoren doorgevoerd. Voor meer samenwerking met het MKB wordt het huidige budget van € 24 mln voor co-financieringsprojecten van TNO verhoogd tot minstens € 40 mln in 2015; ook wordt de Small Business Innovation Research (SBIR)-regeling van TNO bij sommige andere toegepaste kennisinstituten ingevoerd (eindplaatje bijdrage TNO 2015: richting € 75 mln).

Nederland maakt de transitie naar een Biobased Economy en heeft in 2020 een internationale toppositie.

  • –  Het kabinet ondersteunt het idee vanuit bedrijfsleven en kennisinstellingen (topteams) om een intersectorale, op marktkansen georiënteerde high levelgroup op te zetten die het Businessplan voor de Biobased Economy zal uitwerken.
  • –  Eind 2011 is een interdepartementale strategische agenda gereed: die wordt vanaf 2012 uitgevoerd. In de agenda wordt de strategische verbinding gelegd tussen nationale, regionale en Europese ambities en investeringen. Hiervoor worden economische diplomatie, nieuwe technologische samenwerkingsverbanden en marktverkenningen ingezet.
  • –  In het najaar van 2011 wordt bepaald welke business cases in 2012 worden uitgevoerd.

1.2 Buitenlandse markten, Nederlandse kansen

De Nederlandse inbreng in de EU en de WTO is gericht op vrij handel- en investeringsverkeer, maar ook op markttoegang voor ontwikkelingslanden. Daarnaast werkt het kabinet aan het vergroten van de kansen van het Nederlandse bedrijfsleven op internationale markten, via een combinatie van financiële ondersteuning, advisering en economische diplomatie. Hierbij zal het postennet een actieve rol moeten vervullen, met oog voor de kansen van het Nederlandse bedrijfsleven. De focus ligt hierbij op kansrijke internationale markten waar de meerwaarde van een overheidsrol het grootste is. Bijvoorbeeld opkomende economieën zoals China, Brazilië, Turkije, India en Vietnam. Hier wordt in de komende jaren 70% van de groei van de wereldeconomie gerealiseerd en juist op deze markten is het Nederlandse bedrijfsleven nog onvoldoende aangesloten. Doel van de overheidsinzet is dat Nederlandse bedrijven in de toekomst meer profiteren van deze snel groeiende afzetmarkten.

Dat neemt niet weg dat de EU, met Duitsland als onze belangrijkste handelspartner, voor Nederland een belangrijk speelveld blijft. Als handelsnatie plukt Nederland de vruchten van een sterke Europese economie. Het kabinet zet daarom onder meer in op een sterkere interne markt, het terugdringen van Europeseregeldruk en de modernisering van de Europese begroting. Bijvoorbeeld in de onderhandelingen over een toekomstbestendig GLB (zie actielijn 4).

De belangrijkste resultaten in 2012 zijn:

Internationale kansen voor bedrijven verzilveren door economische diplomatie: 17 economische missies in 2012 en een transitiefaciliteit voor opkomende economieën

  • –  Kabinetsbreed wordt gekozen voor die buitenlandse markten die kansrijk zijn voor de Nederlandse economie. Met tenminste 17 economische missies naar landen als China, India, Turkije, Brazilië en Rusland zal het kabinet er alles aan doen om deze kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven te verzilveren.
  • –  In 2012 gaat de Transitiefaciliteit van start om de economische banden te versterken met landen zoals Zuid-Afrika en Vietnam die een groot economisch potentieel hebben en waarmee onze ontwikkelingsrelatie eindigt. Via de Transitiefaciliteit worden ondernemers begeleid bij activiteiten op deze markten.
  • –  In 2012 is voor de transitiefaciliteit € 5 mln beschikbaar en dit loopt op van € 10 mln in 2013 naar uiteindelijk € 15 mln per jaar vanaf 2014.

Tenminste 15 significante buitenlandse investeerders in topsectoren naar Nederland halen in de komende drie jaar

  • –  In de werving van buitenlandse investeringen komt de nadruk te liggen op het aantrekken van hoogwaardige, strategische investeringen in de topsectoren. De ambitie voor 2012 is om minstens 150 investeringsprojecten ter waarde van € 625 mln (3 000 banen) aan te trekken.
  • –  Via strategische acquisitie treden experts uit de topsectoren zelf in overleg met hun internationale netwerk van bedrijven om buitenlandse investeerders te interesseren voor hoogwaardige investeringen in Nederland. Zoals R&D investeringen, Europese hoofdkantoren of shared service centers. Het gaat om uitbreidingen en nieuwe investeringen.
  • –  De Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA, onderdeel van Agentschap NL) staat hiervoor aan de lat, in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven en lokale partners.

2. Ruimte bieden aan ondernemerschap en innovatie

Een uitstekend ondernemers- en vestigingsklimaat daagt mensen uit. Of het nu gaat om agrarische zzp’ers of om multinationals. De bewindspersonen van EL&I zijn namens het kabinet dé gesprekspartner van ondernemend Nederland. Ze waken ervoor dat er ruimte blijft voor ondernemen en innovatie, door ervoor te zorgen dat belangrijke randvoorwaarden op orde zijn. Zoals een lagere regeldruk, een goede toegang tot kapitaal (via BMKB en Groeifaciliteit en Innovatiefonds) en een goede overheidsdienstverlening (via Antwoordvoorbedrijven en Ondernemerspleinen). Daarbij investeert het kabinet ook in ruimtelijke condities voor ondernemers (via de vernieuwing van het omgevingsrecht en de Ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte). Dat resulteert in een sterke concurrentiepositie. De ondernemersquote (aantal ondernemers in Nederland) stijgt: van 10,7% in 2004 naar 12,3% in 2010.

Ondernemers ondernemen niet vanwege subsidies, maar omdat ze kansrijke ideeën en lef hebben. Het kabinet schrapt daarom voor € 500 mln aan subsidies voor het bedrijfsleven en gebruikt de opbrengst voor belastingvoordeel en durfkapitaal voor vernieuwende bedrijven. Deze verschuiving van specifiek beleid naar generiek beleid legt de prikkel weer waar die hoort: bij de ondernemer.

In een concurrerend ondernemingsklimaat speelt marktordening een cruciale rol. Via instituten als de NMa en de OPTA wordt gewerkt aan gezonde concurrentieverhoudingen en goed functionerende markten. En via wetgeving zoals de mededingingswet, de elektriciteits-, gas-, en warmtewet. Daarnaast is EL&I specifiek verantwoordelijk voor een efficiënt werkende telecommunicatie- en postmarkt en waarborgt het de publieke belangen daarbij (veiligheid, betrouwbaarheid, toegankelijkheid en transparantie). Dat geldt ook voor elektronische communicatie.

De belangrijkste resultaten in 2012 zijn:

€ 500 mln lastenverlichting voor bedrijven in deze kabinetsperiode via de Research & Development Aftrek (RDA) waardoor investeren in innovatie fiscaal aantrekkelijk wordt

  • –  Door inzet van de Research & Development Aftrek (RDA), een verhoogde aftrek via een heffingskorting. Hierdoor worden R&D-investeringen in bedrijfsmiddelen (afschrijvingen) en exploitatiekosten in mindering gebracht op de jaarlijks verschuldigde inkomsten- en vennootschapsbelasting. Het kabinet introduceert de RDA per 1 januari 2012. Deze aftrek heeft een budget van € 250 mln in 2012 dat zal oplopen naar € 500 mln in 2015.

Betere financiering van ondernemerschap

  • –  Het Innovatiefonds MKB+ start per 1 januari 2012 en bestaat uit innovatiekredieten, die rechtstreeks aan ondernemingen worden verstrekt en uit risicokapitaal dat via investeringsfondsen bij ondernemingen terechtkomt.
  • –  Een budget van € 95 mln3 aan innovatiekredieten leidt in 2012 tot ongeveer € 270 mln aan private R&D-investeringen. Een verdrievoudiging van de publieke investering.
  • –  Daarnaast streeft het kabinet in 2012 naar de beschikbaarheid van € 80 mln4 aan risicokapitaal door overheid en private investeerders met behulp van onder andere de (verbrede) seed capital regeling.
  • –  Het budget voor de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) is voor 2011 inmiddels verhoogd van € 765 mln naar € 1 mld. Dit vooruitlopend op de honorering van de aanvraag ingediend bij het Europees Investeringsfonds (EIF) voor ondersteuning op de BMKB voor de jaren 2011–2013. De BMKB wordt beleidsmatig versoberd om tot een betere kostenbeheersing te komen, met als doel dat meer bedrijven van de regeling gebruik kunnen blijven maken, terwijl een premieverhoging zo mogelijk achterwege dan wel beperkt kan blijven.
  • –  Voortzetting van de crisismaatregel Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) in 2012. De nog onbenutte garantieruimte onder de € 1,5 mld wordt opnieuw opengesteld, waarbij de maximale garantie per bedrijf wordt teruggebracht van € 75 mln naar € 25 mln.
  • –  Om een bredere groep (potentiële) kleinere ondernemers te kunnen bereiken met microfinanciering zal Qredits via een pilot in 2012 de mogelijkheid krijgen om leningen tot € 50 000 te verstrekken (was € 35 000).

Betere dienstverlening aan ondernemers voor minder geld: via ondernemerspleinen en door lagere heffingen van de Kamers van Koophandel met 10% ten opzichte van 2011

  • –  Ondernemers kunnen straks voor al hun overheidszaken terecht bij het Ondernemersplein.
  • –  In 2012 wordt hiermee gestart, vooruitlopend op de formele realisatie (inclusief wetgeving) in 2013. Over de organisatorische consequenties wordt de Tweede Kamer in het najaar van 2011 nader geïnformeerd.
  • –  Voorop staat dat de Kamers van Koophandel (KvK’s) moeten moderniseren, waarbij de huidige 12 KvK’s en de vereniging KvKNL zullen fuseren tot 1 zelfstandig bestuursorgaan. Hiertoe zal een wetsvoorstel Kamers van Koophandel eind 2011 worden aangeboden aan de Raad van State.
  • –  Ook verlaagt het kabinet in 2012 de KvK-heffingen met reëel 10 % ten opzichte van 2011/begin 2012.
  • –  Het kabinet is hierbij voornemens om de jaarlijkse verplichte heffingen van de Kamers van Koophandel vanaf 2013 af te schaffen en te vervangen door een systeem van begrotingsfinanciering. Met deze omschakeling wordt een additionele forse besparing gerealiseerd, evenals een substantiële verlaging van de administratieve lasten.

Programma Regeldruk Bedrijven zorgt in 2012 voor een vermindering van de regeldruk met 10%

  • –  Een belangrijke kabinetsmaatregel in 2012 is de vereenvoudiging van de winstaangifte inkomstenbelasting. In 2012 wordt het mogelijk op basis van XBRL de winstaangifte in te dienen en daarmee kunnen ondernemers een forse administratieve lastenvermindering van naar verwachting € 162 mln realiseren.
  • –  In januari 2012 beginnen de inspectievakanties voor rijksinspecties. Dit betekent dat een bedrijf (onder bepaalde voorwaarden) maximaal twee bezoeken per jaar van de rijksinspecties kan verwachten5.
  • –  Voor nalevingskosten wordt in deze kabinetsperiode een nationale nullijn ingesteld. Dit levert een reductie van € 200 mln op. Voor 2012 worden toenames zoveel mogelijk gecompenseerd.
  • –  De doelstelling om tot 2012 de regeldruk voor burgers per saldo niet te laten stijgen wordt door EL&I gehaald. Er is sprake van een kleine netto reductie (– 9 000 uren).
  • –  Ook in de EU wordt hard gewerkt aan een reductie van regeldruk. Met de afronding van het lopende EU-actieprogramma in 2012 moet 25% lastenvermindering voor bedrijven worden gerealiseerd. Prioritaire dossiers zijn onder meer ondernemingsrecht, GLB en structuurfondsen.

Fusie NMa, OPTA en Consumentenautoriteit per 1 januari 2013

  • –  In de komende maanden wordt bij de Tweede Kamer de wet ingediend die per 1 januari 2013 de instelling regelt van de nieuwe toezichthouder, waarmee drie huidige toezichthouders worden samengevoegd (NMa, OPTA en Consumentenautoriteit).
  • –  Waar mogelijk binnen het bestaande wettelijk kader, wordt in 2012 de feitelijke samenvoeging al gerealiseerd. Bijvoorbeeld het samenvoegen van de back offices van ConsuWijzer.

Uitgifte van frequenties voor de 800, 900, 1800 MHz om ruimte te geven aan de groei van mobiel internet

  • –  In het voorjaar 2012 zal de uitgifte van de vergunningen voor mobiele communicatie (800, 900 en 1800 MHz) plaatsvinden.
  • –  Doel is om via bestendig en voorspelbaar frequentiebeleid bij te dragen aan effectieve concurrentie op de markt voor mobiele communicatie, ook op langere termijn.
  • –  Daarbij wordt ruimte geboden aan continuïteit van dienstverlening en innovatie en wordt marktconforme beprijzing van frequentieruimte nagestreefd.

3. Bevorderen van duurzame welvaart, met oog voor mens en natuur

Welvaart en welzijn in Nederland gaan verder dan een uitmuntend ondernemingsklimaat. De p van profit is onlosmakelijk verbonden met de p van planet en de p van people. Daarbij gaat het om een aantrekkelijke directe leefomgeving, voldoende bescherming voor consumenten en om een bredere verantwoordelijkheid voor de wereld om ons heen.

Natuur is essentieel voor onze kwaliteit van leven en staat in nauwe verbinding met onze economische ontwikkeling. Zeker in Nederland waar de hoge ruimtedruk ervoor zorgt dat natuur vrijwel altijd verbonden is met andere functies, zoals wonen, werken en recreëren. Het kabinet zet in op een natuurbeleid waarbij we voldoen aan de internationale verplichtingen, op een haalbare en betaalbare manier. Het zet niet in op zoveel mogelijk, maar op zo goed mogelijk.

De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) wordt kleiner dan oorspronkelijk beoogd, maar ook kwalitatief beter. Het kabinet wil de herijkte EHS in 2018 realiseren. Zodra de onderhandelingen met de provincies over de herijking van het natuurbeleid zijn afgerond, worden het beheer en de afronding van de EHS gedecentraliseerd. In 2012 verschuift de nadruk van de aankoop van nieuwe gebieden naar het in beheer nemen van reeds verworven gebieden. De Natura 2000-gebieden vormen de kern van de nieuwe nationale EHS en zorgen ervoor dat Nederland kwetsbare natuur met Europees belang beschermt.

Wie het over een goede balans tussen planet, -people en -profit heeft, denkt aan maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO). MVO is al jaren onlosmakelijk verbonden met het Nederlandse economische beleid. In eerste instantie ligt de verantwoordelijkheid voor MVO bij het bedrijfsleven. Het kabinet speelt een actieve rol door MVO onder de aandacht te brengen bij bedrijven. Bijvoorbeeld als het gaat om het normatief kader waarbinnen Nederlandse ondernemingen in het buitenland zakendoen.

In een aantrekkelijke leefomgeving speelt ook een adequate bescherming van consumenten een belangrijke rol. Via de Wet Handhaving Consumentenbescherming en de Consumentenautoriteit werken we aan de bescherming van consumenten in brede zin. Maar we zetten ons ook in voor specifieke consumentenbelangen, bijvoorbeeld op het terrein van telecommunicatie en ICT.

De belangrijkste resultaten in 2012 zijn:

Decentralisatie uitvoeringstaken natuurbeleid

  • –  In 2012 worden de taken en middelen voor de uitvoering van het natuurbeleid gedecentraliseerd.
  • –  Binnen de afgesproken kaders zullen de provincies de EHS gaan afronden en zullen de provincies zorg dragen voor een adequaat beheer.

Breed gebruik van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) om belemmeringen voor economische ontwikkeling gerelateerd aan stikstofdepositie weg te nemen

  • –  De PAS bevat bindende afspraken om het stikstofprobleem rond Natura 2000-gebieden aan te pakken. Specifieke instrumenten bepalen hoeveel ruimte er is voor stikstofgerelateerde economische ontwikkeling, zodat er weer vergunningen kunnen worden verleend.
  • –  In 2012 zal de PAS volledig van start gaan.

Eén integrale natuurwet, die zorgt voor minder regeldruk voor ondernemers en burgers

  • –  In 2012 wordt een wetsvoorstel natuur ingediend bij de Tweede Kamer. Met dit wetsvoorstel worden de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet geïntegreerd, gemoderniseerd en vereenvoudigd ter voldoening aan de doelstellingen uit het regeerakkoord.
  • –  Belangrijk onderdeel is het zoveel mogelijk opschonen van regelgeving, waardoor de lastendruk voor burgers en bedrijfsleven kan worden verminderd.
  • –  Tegelijkertijd wordt met het wetsvoorstel een adequate implementatie van internationale verplichtingen geborgd én worden nationale koppen op die verplichtingen geslecht.

Vergroten van de bekendheid van OESO-richtlijnen MVO bij bestuursvoorzitters van beursgenoteerde bedrijven

  • –  In 2011 speelde Nederland een belangrijke rol bij de update van de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen. Cruciaal is nu de bekendheid hiervan bij het bedrijfsleven.
  • –  Conform de richtlijnen is een Nationaal Contactpunt (NCP) opgericht, dat niet alleen meldingen van vermeende schendingen van de richtlijnen behandelt, maar de richtlijnen ook actief onder de aandacht van ondernemingen brengt.
  • –  In 2012 worden alle bestuursvoorzitters van beursgenoteerde bedrijven door het NCP actief op de hoogte gesteld over de betekenis van de richtlijnen voor het internationaal opereren van hun bedrijf.

4. Werken aan een toekomstbestendige landbouwproductie en energievoorziening

Een zekere energievoorziening en een duurzame landbouwproductie zijn onlosmakelijk verbonden met onze duurzame welvaart in de toekomst. Het gaat om betrouwbaarheid, zekerheid en duurzaamheid. En om de cruciale bijdrage die deze sectoren leveren aan onze economische groei.

4.1 Een duurzame landbouwproductie

Een duurzame landbouwproductie is essentieel voor onze duurzame welvaart in de toekomst. De agrofoodsector en de tuinbouw leveren niet alleen een cruciale bijdrage aan onze economie, maar staan ook aan de wieg van oplossingen voor de maatschappelijke uitdagingen van onze tijd. Want hoe kunnen we ervoor zorgen dat in 2050 9 miljard mensen voldoende te eten hebben? Hoe zorgen we dat een vergrijzende bevolking gezond blijft? En hoe bestrijden we voedselgerelateerde ziekten? De agrofoodsector en de tuinbouw kunnen antwoorden bieden op deze vraagstukken. Zo bezien zijn deze uitdagingen ook geweldige economische kansen.

Het kabinet zet zich in om de internationale toppositie van de agrofood- en tuinbouwsector verder te versterken. Dat vergt nauwe samenwerking in de Gouden Driehoek tussenbedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid. De agrofood en tuinbouw zijn niet voor niets topsectoren. Met als focus: duurzaam, innovatief en internationaal. Duurzaam door ervoor te zorgen dat de productie van hoogwaardig voedsel gepaard gaat met zo min mogelijk grondstoffen. Innovatief door de ontwikkeling van nieuwe producten die bijdragen aan gezondheid, duurzaamheid, smaak en gemak. En internationaal door onze sterke exportpositie te verbeteren via de inzet van onze diplomatieke voorposten in het buitenland. Blijvend aandachtspunt is de versterking van het maatschappelijk draagvlak. Het bedrijfsleven zelf speelt hierbij een belangrijke rol. Door actief contact te zoeken met de samenleving en door een zo hoog mogelijke transparantie.

Het Europees gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid (GLB en GVB) speelt een centrale rol bij de (inter)nationale uitdagingen rond voedselzekerheid, natuur, landschap en economie. Het nieuwe GLB moet ondernemers stimuleren om concurrentiekracht, innovatievermogen en duurzaamheid van de agrarische sector en het platteland te versterken. Het kabinet acht het noodzakelijk dat in het kader van de hervorming van het GLB de directe inkomenssteun wordt vervangen door doelgerichte betalingen. Dit is essentieel voor de houdbaarheid van het landbouwbeleid en de toekomstige legitimatie hiervan.

Wereldwijd zet het kabinet zich in voor fytosanitaire en veterinaire zaken en daarmee voor markttoegang en exportkansen voor het Nederlandse bedrijfsleven. Voedselveiligheid en voedselzekerheid staan daarbij centraal. Samen met de Wereldbank en de FAO werkt het kabinet aan de uitvoering van het actieprogramma van de conferentie Agriculture, Food Security and Climate Change, die in 2010 werd gehouden in Den Haag.

Verder neemt het kabinet waar mogelijk en verantwoord wettelijke belemmeringen weg voor de verduurzaming van de voedselketen en blijft het een rol spelen bij de verduurzaming van de veehouderij. Bijvoorbeeld om dierenwelzijn te vergroten, de discussie rondom megastallen te begeleiden en de ontwikkeling van duurzame stallen te stimuleren. Het kabinet ziet geen overheidsrol meer in het ondersteunen van marktontwikkelingsonderzoeken en campagnes voor gedragsverandering. Dit is een verantwoordelijkheid voor het bedrijfsleven zelf. Het is aan marktpartijen zelf om hiervoor convenanten af te sluiten en keteninitiatieven op te zetten.

De belangrijkste resultaten in 2012 zijn:

Actieve bijdrage van Nederland aan wereldwijde voedselzekerheid

  • –  Implementatie van het actieprogramma van de conferentie Agriculture, Food Security and Climate Change in 2010 en organisatie van de follow-up conferentie in Vietnam in 2012.
  • –  In nauwe samenwerking met het Ministerie van Buitenlandse Zaken operationaliseren van uitvoeringsprogramma's voor landbouw en voedselzekerheid in 6 Afrikaanse speerpuntlanden voor ontwikkelingssamenwerking en uitwerking samenwerkingsprogramma’s door de topsectoren agro&food en tuinbouw&uitgangsmaterialen gericht op duurzame agroketens en voedselzekerheid in derde landen.
  • –  Ondersteuning van en participatie in het Early Action Program for climate smart agriculture van de Wereldbank, in 10 tot 15 Afrikaanse landen.

Verduurzaming van de agroproductie: een toekomstvisie op het mestbeleid en 6% duurzame stallen in 2012

  • –  De Nederlandse visie op het mestbeleid wordt onder meer gebaseerd op de resultaten van de evaluatie van de Meststoffenwet die begin 2012 gereed is. Hoofddoel is de verbetering van de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater.
  • –  Vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn 2014–2017: Gestreefd wordt naar inhoudelijke overeenstemming met de Europese Commissie over dit programma uiterlijk begin 2013, zodat de voorbereidingen voor de implementatie vanaf 2014 tijdig kunnen worden gestart.
  • –  Analoog aan de uitvoeringsagenda duurzame veehouderij is de ambitie voor 2012 dat 6% van de stallen integraal duurzaam is.

Verminderen van antibioticagebruik met 20% per 1 januari 2012

  • –  Eind 2011 moet een vermindering van het gebruik van antibiotica in de veehouderij zijn gerealiseerd van 20% ten opzichte van 2009.
  • –  Hiertoe wordt er onder meer ingezet om het gebruik van diergeneesmiddelen transparant te maken, de positie van de Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit te verstrekken en de positie van de dierenarts te borgen.

Verbetering dierenwelzijn

  • –  Het kabinet zal ter stimulering van innovatieve stallen in 2012 de Small Business Innovation Research (SBIR) opnieuw openstellen.
  • –  In 2012 vindt de uitwerking plaats van de nieuwe Nota Dierbeleid. Dit is onder meer een actualisatie van de Nota Dierenwelzijn en de Nationale Agenda Diergezondheid. Daarin staat een aanpak voor extremen, zoals dierenmishandeling en misstanden in de fokkerij.
  • –  In 2012 wordt een pilot-project onder drie hondenrassen afgerond. Ook worden in 2012 algemene verzorgingsnormen vastgesteld voor alle houders en wordt het verbod op dierenmishandeling verduidelijkt.
  • –  Het kabinet zal zorgen voor de implementatie van Europese regelgeving. Zo zal bijvoorbeeld eind 2012 iedere ondernemer zijn zeugen in groepen moeten hebben gehuisvest.

Onderhandelingen over een nieuw Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB)

  • –  In 2012 wordt onderhandeld over een nieuw GLB dat in 2014 in werking moet treden. Het gaat hierbij om directe betalingen, marktordening en plattelandsbeleid.
  • –  Nederland zet in op twee doelen: versterking van de concurrentiekracht en het belonen van (bovenwettelijke) maatschappelijke prestaties mbt natuur, milieu en dierenwelzijn.
  • –  Vooruitlopend op de hervormingen wordt de toepassing van het huidige artikel 686 aangepast. Dit is een stap richting een nieuw GLB waarin de huidige directe GLB-betalingen worden vervangen door doelgerichte betalingen.
  • –  De aanpassingen aan en het uitbouwen van artikel 68 bevatten de volgende elementen:
    • •  Meer middelen voor de regeling «Integraal duurzame stallen».
    • •  Uitbreiding van de vaarvergoedingsregeling naar de Biesbosch.
    • •  Extra aandacht voor de verduurzaming van de plantaardige productie. Bijvoorbeeld via stimulering van de precisielandbouw.
    • •  Tijdelijke inzet van budget voor het afdekken van vervolgschaderisico’s bij dierziekten.

Voorbereidingen voor een nieuw Gemeenschappelijke Visserijbeleid (GVB) en Europees Visserij Fonds (EVF) vanaf 2014

  • –  Het Europesevisserijbeleid wordt in 2012 herzien.
  • –  De Nederlandse speerpunten voor de toekomst van het Europesevisserijbeleid zijn:
    • •  Het ecologische kapitaal: de visbestanden en de zee.
    • •  Een grotere rol voor de markt. Via certificering en via de keten.
    • •  Verandering van besluitvorming en het beter beleggen van verantwoordelijkheden.

4.2 Een toekomstbestendige energievoorziening

Een schone en betrouwbare energievoorziening is essentieel voor duurzame economische groei. Dat vergt een blijvende inzet van ondernemers, onderzoekers en overheid. De afgelopen tien jaar is de structuur van de energievoorziening fundamenteel veranderd. De energiemarkt is geliberaliseerd en buitenlandse partijen spelen een prominente rol in de Nederlandse energievoorziening. Dit heeft geleid tot een efficiëntere en meer betrouwbare energievoorziening voor burgers en bedrijven.

Het kabinet bouwt verder aan een duurzame en betrouwbare energiehuishouding. De innovatiekracht van de energiesector moet verder worden vergroot om de transitie naar een CO2-arme economie in 2050 te verwezenlijken. Het is niet groen of groei, maar groen èn groei. Een betrouwbare energievoorziening bestaat in de komende decennia uit een evenwichtige mix van groene en grijze energie uit binnen- en buitenland. Zowel gas – de schoonste fossiele brandstof – als kernenergie kunnen bijdragen aan de transitie naar een duurzame energiehuishouding.

Effectief energiebeleid is per definitie internationaal beleid; daarom zetten we extra in op energiediplomatie en verbinden we ons alleen aan internationale en Europeseklimaatdoelstellingen. Minder vanzelfsprekend was tot nu toe dat energiebeleid ook vooral economisch beleid is. Zonder energie geen groei. Wij kijken voortaan naar energie niet alleen als essentiële randvoorwaarde voor bedrijvigheid in Nederland, maar ook als een sector op zichzelf. Een hoogwaardige en innovatieve sector die een substantiële bijdrage levert aan het nationaal inkomen, de export en de werkgelegenheid. En die bovendien oplossingen kan bieden voor maatschappelijke uitdagingen als klimaatverandering en schaarste aan fossiele brandstoffen.

De zakelijke en realistische benadering van het kabinet houdt ook in dat we zoeken naar de goedkoopste en meest efficiënte manier om de Europese klimaat- en duurzaamheidsdoelen te halen. Voor de middellange termijn (2020) richten we ons daarom op de goedkoopste en meest efficiënte vormen van duurzame energie, zoals windenergie op land en groen gas, die we stimuleren via de SDE+. Daarnaast wordt met de sector overlegd over verplichte bij- en meestook in kolencentrales.

Investeringen in een duurzame economie leveren een belangrijke bijdrage aan het terugdringen van de CO2-uitstoot. Daarom sluit het kabinet green deals tussen private en publieke partijen. Via green deals op het gebied van duurzame energie en energiebesparing beoogt het Kabinet obstakels weg te nemen en initiatieven uit de samenleving een extra impuls te geven. Via resultaatafspraken nemen het Rijk, medeoverheden, bedrijven en/of maatschappelijke organisaties hun verantwoordelijkheid om concrete duurzame projecten te realiseren. De green deal strekt verder dan energie en beslaat ook andere duurzame terreinen als water, grondstoffen en mobiliteit.

De belangrijkste resultaten in 2012 zijn:

Green deals tussen burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties en de Rijksoverheid om kansen te benutten op het raakvlak van groen en groei

  • –  Het kabinet wil dat op korte termijn zo veel mogelijk duurzame projecten van de grond komen.
  • –  Projecten om energie te besparen of duurzaam decentraal op te wekken. Maar ook projecten op het gebied van duurzaam ondernemen, beter gebruik van grondstoffen, duurzaam inkopen en duurzame mobiliteit.
  • –  Het kabinet gaat hierbij helpen door mensen aan elkaar te koppelen, informatie te verstrekken, onnodige regels te schrappen of onduidelijkheid over vergunningen weg te nemen.
  • –  In 2011 worden de eerste green deals gesloten. In 2012 moeten de eerste concrete projecten en resultaten zichtbaar zijn en volgt een nieuwe ronde green deals.

De stimuleringsregeling duurzame energie (SDE+) om het aandeel duurzame energie in de energieproductie te verhogen

  • –  Het doel van de stimuleringsregeling duurzame energie (SDE+) is om de goedkoopste vormen van duurzame energie te stimuleren, zodat Nederland in 2020 de doelstelling van 14% duurzame energieproductie verwezenlijkt.
  • –  De SDE+ subsidieert het verschil tussen de kostprijs van duurzame energie en fossiele energie, de zogeheten onrendabele top, en wordt in 2012 weer in meerdere fasen opengesteld.

Verplichting tot het bij- en meestoken van biomassa in kolencentrales om het aandeel duurzame energie in de energieproductie te verhogen

  • –  Het kabinet overlegt met de sector over bij- en meestook van biomassa in kolencentrales. De uitwerking is mede afhankelijk van de uitkomsten van dit overleg en vindt plaats in 2012.
  • –  De verplichte bij- en meestook kan een eerste stap zijn richting een leveranciersverplichting voor duurzame energie. Zo’n verplichting moet wel voldoen aan de stringente voorwaarden, die zijn opgenomen in het Energierapport, bijvoorbeeld om windfall profits te voorkomen.

Een vergunning voor tenminste één nieuwe kerncentrale

  • –  Het kabinet heeft besloten deze kabinetsperiode een vergunning te verlenen voor tenminste één nieuwe kerncentrale indien de aanvraag aan de te stellen voorwaarden voldoet.
  • –  De ramp in Fukushima bevestigt de visie van het kabinet dat veiligheid een essentiële randvoorwaarde is voor de toepassing van kernenergie. Daarom hecht Nederland aan een Europese stresstest en een goede evaluatie van de kernramp in Japan.
  • –  In Nederland geldt de stresstest voor kerncentrales en onderzoeksreactoren. De resultaten van de Europese stresstest komen in 2012 beschikbaar.

Adequate energie-infrastructuur en minderheidsprivatisering landelijke netbeheerders

  • –  Het kabinet maakt een wetsvoorstel om private partijen de mogelijkheid te geven om een minderheidsaandeel te verwerven in TenneT en Gasunie. Dit om grensoverschrijdende participaties mogelijk te maken en privaat kapitaal aan te trekken.
  • –  Doel is ook om de regeldruk te verminderen en het investeringsklimaat te verbeteren. Hiertoe wordt de regulering aangepast om netbeheerders meer ruimte te geven om te investeren in hun netten.
  • –  De regelgeving zal eveneens een uitdrukkelijk criterium vaststellen om te bepalen wat een redelijk rendement is.
  • –  Om de bovenstaande zaken te regelen wordt het wetgevingstraject STROOM opgestart. In 2012 wordt de eerste tranche van wetgeving aan de Tweede Kamer aangeboden.

Overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren

In de aansluitende tabel wordt een meerjarig overzicht gegeven van de middelen die in 2012–2015 beschikbaar zijn binnen de begrotingen van een aantal departementen voor het topsectorenbeleid. Een afnemend deel van deze middelen is reeds belegd met uitgaven voor lopende programma’s. Deze zijn deels al in lijn met de agenda’s van de topsectoren of worden daar in 2012 zo veel mogelijk mee in lijn gebracht.

In de begroting en het jaarverslag van EL&I zal voortaan een geactualiseerd overzicht van de budgettaire tabel worden opgenomen zodat de Kamer de uitgaven voor het topsectorenbeleid op hoofdlijnen kan volgen. Budgetten worden daarnaast door de verantwoordelijke ministers verantwoord via de reguliere begrotingscyclus.

In de Bedrijfslevenbrief die gelijktijdig met deze begroting aan de Tweede Kamer wordt aangebonden wordt nader ingegaan op de wijze waarop budgetten wordt toegewezen aan topsectorenprogramma’s.

Overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren (in € mln in kasbedragen)1 De kasbedragen hebben deels betrekking op reeds aangegane verplichtingen. Daarnaast worden in de periode 2012–2015 nieuwe verplichtingen aangegaan (onder andere € 500 mln via het Innovatiefonds) die weer leiden tot kasbedragen na 2015.
 

2012

2013

2014

2015

Budgethouder

I Generiek

 

A. Ondernemerschap, innovatie en onderwijs

         
1. Innovatiefonds MKB+2

84

93

104

115

EL&I

2. RDA

250

375

500

500

ELI/FIN

3. Aanvullend fiscaal innovatiepakket (RDA+/WBSO/KWR)3

30

100

100

100

ELI/FIN

4. Betatechniek

33

33

22

22

OCW

           

II Specifiek voor topsectoren

 

B. Kennis en innovatie

 

5. NWO/KNAW aandeel topsectoren

90

175

260

350

OCW

6. Toegepast onderzoek (TNO, GTI’s, DLO)

200

215

230

250

EL&I, DEF

7. Bevorderen innovatiekracht topsectoren

150

145

139

90

EL&I

8. Profilering kennisinfrastructuur4

50

50

50

50

OCW

           

C. Onderwijs en arbeidsmarkt

         

9. Professionele masters

0

7

7

7

OCW

10. Centra voor Innovatief Vakmanschap5

4

4

4

4

OCW/EL&I

           

D. Internationaal

         

11. Internationaal ondernemen en ontwikkelingsamenwerking (Buza)

200

235

270

300

BuZa

12. Internationaal ondernemen (EL&I)

10

10

10

10

EL&I

           

E. Specifieke bijdragen departementen

         

13. VWS: Life Sciences & Health/zorg

106

85

74

49

VWS

14. EL&I: Energie-innovatie

81

100

90

101

EL&I

15. EL&I: Voeding + tuinbouw

30

35

40

50

EL&I

16. I&M: Logistiek

9

19

17

25

I&M

17. I&M: Water

12

13

13

25

I&M

18. OCW: creatief

0

11

11

11

OCW

19. Defensie

20

20

20

20

DEF

           

Totaal

1 359

1 725

1 961

2 079

 

Noot 2: Dit leidt tot een fonds met een omvang t/m 2015 van circa € 500 mln.

Noot 3: Het bedrag in 2012 is bestemd voor het handhaven van het plafond in de WBSO op € 14 mln. Vanaf 2013 is het bedrag bestemd voor ophoging van de WBSO, fiscale stimulering van de mobiliteit van kenniswerkers en voor de RDA+.

Noot 4: Onder andere voor Onderzoeksinfrastructuur en STW.

Noot 5: Het bedrag is cumulatief € 16,4 mln. Voor de «Centers of Expertise» is een bedrag in dezelfde orde van grootte beschikbaar.

Agendering beleidsdoorlichtingen

Agendering beleidsdoorlichtingen

Artikel/Operationele doelstelling

2012

2013

2014

2015

11

Goed functionerende economie en markten

     

x

12

Een sterk innovatievermogen

     

x

13

Een excellent ondernemingsklimaat

   

x

 

14

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

 

x

   

15

Een sterke internationale concurrentiepositie

   

x

 

16

Concurrerende, duurzame en veilige agro-, visserij- en voedselketens

   

x

 

17

Groen onderwijs van hoge kwaliteit

 

x

   

18

Natuur en regio

     

x

Toelichting

Het instrument van periodieke beleidsdoorlichting wordt in de geïntegreerde EL&I-begroting voortgezet. Vanaf 2013 zullen alle algemene beleidsdoelstellingen periodiek worden doorgelicht. De uitkomsten hiervan worden aan de Tweede Kamer aangeboden.

2.1.2 Financieel kader

Onderstaand is een selectie opgenomen van de belangrijkste wijzigingen (kasuitgaven en ontvangsten) vanaf de standen van de Voorjaarsnota.

Uitgaven (in € mln)
   

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Stand ontwerp-begroting 2011(incl. amendementen)

3 152,0

2 962,5

2 576,9

2 390,8

2 204,9

 

Mutaties Incidentele Suppletoire Begroting

2 748,8

2 217,4

2 112,2

1 864,3

1 748,2

 

Stand na incidentele suppletoire begroting

5 900,8

5 179,9

4 689,1

4 255,0

3 953,1

 

Mutaties VJN

129,2

116,0

89,3

22,2

97,8

 

Stand VJN

6 030,0

5 295,9

4 778,4

4 277,2

4 050,9

 
               

Nieuwe mutaties

           

Artikel 12 Een sterk innovatievermogen

           

1.

Uitvoeringskosten WBSO

 

5,0

5,0

5,0

5,0

 

2.

Voeding innovatiefonds t.b.v. innovatiekredieten

 

20,0

30,0

40,0

45,0

– 5,0

3.

Innovatieprogramma's/ bijdrage MIA-V

15,1

14,4

       

4.

Bijdrage Defensie aan taakstelling TNO

 

0,5

1,5

3,1

4,2

4,5

5.

Bijdrage SZW aan onderzoek TNO

 

4,5

       

6.

I&M bijdrage aan NLR

       

2,0

1,3

               

Artikel 13 Een excellent ondernemersklimaat

           

7.

Borgstelling MKB Kredieten

29,0

         

8.

ACTAL

2,2

         

9.

Bio Based Economy

2,1

         

10.

Subsidietaakstelling Regeerakkoord

2,5

6,8

13,5

17,5

24,0

24,0

11.

Ondernemerspleinen

   

147,0

142,0

138,0

138,0

               

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energiehuishouding

           

12.

Energie-innovatie en energiebesparing

– 44,0

– 14,0

6,5

16,6

– 3,5

14,0

13.

Carbon Capture Storage

7,0

4,8

– 4,8

     

14.

SDE+

   

100,0

200,0

300,0

372,0

15.

Elektrisch Rijden

12,0

4,3

3,3

     
               

Artikel 15 Een sterke internationale comcurrentiepositie

           

16.

Transitiefaciliteit

 

5,0

10,0

15,0

15,0

15,0

Artikel 16 Concurrerende, duurzame veilige agro-, visserij- en voedselketens

           
               

17.

Uitbetaling verliesdeclaraties borstellingsfaciliteit

5,0

         

18.

Antibioticagebruik veehouderij/handhaving EU-regelgeving

1,0

6,0

1,0

1,0

   
               

Artikel 17 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

           

19.

Schoolmaatschappelijk werk

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

               

Artikel 18 Natuur en regio

           

20.

Programmatische Aanpak Stikstof

39,5

39,5

37,4

     

21.

Decentralisatiekorting, aandeel I&M

5,0

5,0

       

22.

Lagere bijdrage ILG

– 4,2

– 4,5

– 2,1

     

23.

Intensivering verdrogingsbestrijdng

3,6

3,6

3,6

     
               

Artikel 40 Apparaat

           

24.

DICTU

4,3

         

25.

Besteding Bekker-middelen

11,6

4,7

       
               

Artikel 41 Nominaal en onvoorzien

           

26.

Verlaging prijsbijstelling 2011

 

– 9,0

– 9,0

– 9,0

– 9,0

– 9,0

               

Diverse artikelen

           

27.

Invulling taakstelling zorg en restproblematiek Rijksbegroting

 

16,7

15,5

8,6

8,3

8,3

28.

Apparaattaakstelling EL&I

 

29,4

100,4

219,8

286,3

300,4

29.

Invulling apparaat taakstelling EL&I

 

– 49,1

– 120,6

– 241,1

– 287,7

– 302,0

30.

Inzet prijsbijstelling 2010 en 2011

– 28,8

– 38,9

– 43,3

– 33,3

– 31,8

– 31,4

               

Overige mutaties

– 14,4

21,2

16,6

58,9

18,6

 

Stand ontwerpbegroting 2012

6 079,5

5 372,8

5 091,0

4 722,3

4 566,3

4 399,9

Toelichting nieuwe mutaties na de Voorjaarsnota (VJN) 2011

Artikel 12 Een sterk innovatievermogen

1. Uitvoeringskosten Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

Deze mutatie betreft de toevoeging van middelen voor de uitvoeringskosten van de WBSO. De WBSO is een fiscaal instrument waarbij de uitvoeringskosten op de begroting van EL&I worden geraamd nadat de uitvoering is overgegaan naar Agentschap NL. Gezien de intensivering van de WBSO is verhoging van het uitvoeringsbudget noodzakelijk. In het kader van de voorjaarsbesluitvorming 2011 heeft een herprioritering plaatsgevonden om de extra uitvoeringskosten te financieren. Het betreft meerjarig de inzet van nog niet gecommitteerde voormalige FES middelen.

2. Voeding innovatiefonds ten behoeve van innovatiekredieten

Deze mutatie betreft het naar voren halen van middelen voor de voeding van het innovatiefonds (operationele doelstelling 12.2). Daartoe worden EL&I middelen uit de periode 2016–2023 naar de periode 2012–2015 geschoven.

3. Innovatieprogramma’s/bijdrage MIA-V

In het kader van de Maatschappelijke Innovatie Agenda Veiligheid (MIA-V) en de uitvoering van de daarbijbehorende Small Business Innovation Research-regeling (SBIR) worden er middelen overgeboekt van het Ministerie van V&J naar het ministerie van EL&I. Er worden twee SBIR projecten uitgevoerd. Het eerste SBIR project is gericht op Fysieke bescherming (van hulpverleners) en het tweede SBIR-project is gericht op simulatie en serious gaming

4. Bijdrage Defensie aan taakstelling TNO

Middels deze mutatie levert het Ministerie van Defensie haar aandeel in de taakstelling voor het TNO in het kader van de efficiënte Rijksdienst, die geparkeerd is op de begroting van EL&I.

5. Bijdrage SZW aan onderzoek TNO

Met deze mutatie worden er middelen overgeboekt vanuit het Ministerie van SZW voor de uitvoering van onderzoek door TNO voor het thema Arbeidsparticipatie en vergrijzing.

6. I&M bijdrage aan NLR

In het kader van de herverkaveling van het innovatiebeleid naar EL&I heeft een overboeking van de bijdrage aan Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) van het Ministerie van I&M plaatsgevonden.

Artikel 13 Een excellent ondernemingrsklimaat

7. Borgstelling MKB Kredieten

De raming voor schade-uitgaven wordt verhoogd met € 29 mln, omdat als gevolg van het economische klimaat ook in 2011 meer schadedeclaraties worden verwacht dan eerder geraamd. Dekking wordt gevonden binnen het totaal van de EL&I begroting.

8. ACTAL

Vanuithet Ministerie van BZK worden er middelen overgeboekt voor de Instelling Adviescollege toetsing regeldruk (Actal) 2011–2015.

9. Bio Based Economy (BBE)

Voor de uitvoering van het project BBE wordt in 2011 een bedrag van € 2,1 mln beschikbaar gesteld. De verhoging van het budget wordt gedekt uit niet verdeelde loon- en prijsbijstelling. Doelstelling is om de ontwikkeling van BBE te versnellen. De reden is dat BBE onder andere een belangrijke bijdrage levert aan een duurzame ontwikkeling door verlaging van de uitstoot van broeikasgassen en vermindering van de afhankelijkheid van fossiele grondstoffen.

10. Subsidietaakstelling regeerakkoord

Een deel van de aan EL&I bij regeerakkoord opgelegde subsidietaakstelling van in totaal € 550 mln structureel kan niet worden gekort op de bestaande budgetten van artikel 13 en wordt ingevuld door hiervoor de prijsbijstelling in te zetten.

11. Ondernemerspleinen

Per 2013 zal een bijdrage uit de EL&I begroting de heffing van de Kamer van Koophandel vervangen, waarmee de integratie van de Kamer van Koophandel tot de nieuwe «ondernemerspleinen» wordt gefaciliteerd.

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

12. Energie-innovatie en energiebesparing

De mutatie betreft het doorschuiven van middelen samenhangend met energie-innovatie en energiebesparing, om in 2012 en verder invulling te kunnen geven aan het topsectorenbeleid. Hierover neemt het kabinet in het najaar een nader besluit. In 2011 wordt daarom geen subsidieregeling opengesteld.

13. Carbon Capture Storage (demonstratie-projecten opslag en afvang CO2)

Met deze mutatie worden gereserveerde middelen naar voren gehaald ten behoeve van de afwikkeling van het CO2-opslagdemonstratieproject in Barendrecht en worden er middelen ter beschikking gesteld ten behoeve van het kleinschalige CO2-afvangdemonstratieproject Pegasus fase 1b.

14. SDE+

In het Regeerakkoord is vastgelegd dat de opwekking van duurzame energie stimulering verdient in de overgangsfase naar een concurrerende positie. Besloten is om daartoe de Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE) om te vormen tot een SDE+ regeling, waarmee duurzame energieprojecten kunnen worden gestimuleerd. De financiering van de SDE+ vindt plaats door een opslag op de energierekening en in de toekomst mogelijk voor een deel uit een kolen- en gasbelasting voor grote stroomproducenten. De raming voor deze heffing was reeds op de begroting opgenomen en nu worden conform de afspraken uit het Regeerakkoord ook de middelen voor de uitgaven van de aanvullende post van het Rijk beschikbaar gesteld, zodat de regeling opgesteld kan worden.

15. Elektrisch Rijden

Deze mutatie betreft het overhevelen van de middelen van het dossier Elektrisch Rijden van het ministerie van I&M naar het Ministerie van EL&I. Het gaat om de middelen voor een meerjarige opdracht die het Agentschap NL zal uitvoeren ten behoeve van het programma «Proeftuinen Hybride en Elektrisch Rijden».

Artikel 15 Een sterke internationale concurrentiepositie

16. Transitiefaciliteit

Om de overgang van een Ontwikkelingssamenwerkingsrelatie (OS-relatie) naar een normale economische bilaterale relatie te begeleiden zal een transitiefaciliteit op de begroting van EL&I worden gecreëerd. Deze faciliteit heeft als doel om instrumenten in te zetten in partnerlanden met economisch potentieel die niet onder ODA vallen. Door de instelling van deze transitiefaciliteit wordt de oorspronkelijke OS-relatie uitgefaseerd. De middelen voor deze transitiefaciliteit komen beschikbaar uit de HGIS-middelen.

Artikel 16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

17. Uitbetaling verliesdeclaraties borgstellingsfaciliteit

EL&I verwacht in 2011 in totaal € 10 mln uit te betalen aan verliesdeclaraties van de Borgstellingsfaciliteit Landbouw. Om deze uitbetaling mogelijk te maken is in de 1e suppletoire begroting/Voorjaarsnota 2011 al € 5 mln onttrokken aan de interne begrotingsreserve borgstellingsfaciliteit. Thans wordt er additioneel € 5 mln onttrokken.

18. Antibioticagebruik veehouderij/handhaving EU-regelgeving

Om het antibioticagebruik in de veehouderij terug te dringen is intensivering van toezicht door de nVWA noodzakelijk. Voor deze intensivering wordt voor de periode 2011 t/m 2014 jaarlijks € 1 mln beschikbaar gesteld. Daarnaast wordt voor 2012 de bijdrage aan de nVWA met € 5 mln verhoogd voor activiteiten in het kader van handhaving van de Europese regelgeving.

Artikel 17 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

19. Schoolmaatschappelijk werk

EL&I ontvangt van het Ministerie van OCW een bijdrage voor het schoolmaatschappelijk werk in het groen onderwijs. Deze bijdrage heeft onder meer tot doel om voortijdig schoolverlaters te begeleiden van school naar werk.

Artikel 18 Natuur en regio

20. Programmatische Aanpak Stikstof (PAS).

Conform het Regeerakkoord worden de middelen van de aanvullende post van het Rijk beschikbaar gesteld ten behoeve van de Programmatische Aanpak van de Stikstofproblematiek. Het betreft hier maatregelen van het Rijk om de stikstofbelasting terug te dringen zodat (economische) ontwikkeling in de omgeving van Natura 2000-gebieden mogelijk blijft en de natuur goed wordt beschermd.

21. Decentralisatiekorting, aandeel I&M

Bij Nota van Wijziging op de begroting 2011 is de decentralisatiekorting op het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) en de EHS-budgetten van € 125 mln voor 2012 en 2013 aflopend naar € 85 mln vanaf 2015 volledig verwerkt op de EL&I-begroting. De decentralisatiekorting resulteert in een aandeel van € 5 mln in 2012 en 2013 bij het Ministerie van I&M. Hiertoe vindt een budgetoverheveling plaats vanuit de begroting van het Ministerie van I&M.

22. Lagere bijdrage ILG

De bijdrage van het Ministerie van I&M aan het ILG voor bufferzones, milieukwaliteit, duurzaam watergebruik en duurzaam ondernemen wordt neerwaarts bijgesteld. Dit leidt tot een verlaging van zowel de uitgaven als de ontvangsten op de EL&I begroting. De vrijkomende middelen op de begroting van I&M worden ingezet voor EHS-projecten (Hart voor Dieren en Renkumse Beekdal) en het opruimen van verspreid liggend glas.

23. Intensivering verdrogingsbestrijding

Het Ministerie van I&M levert voor de jaren 2011–2013 een bijdrage aan de intensivering van de verdrogingsbestrijding van natuurgebieden binnen de EHS.

Artikel 40 Apparaat

24. DICTU

De bijdrage aan Dienst ICT Uitvoering (DICTU) wordt voornamelijk verhoogd voor het outsourcingstraject kantoorautomatisering en de versnelde afschrijvingskosten op oude computers.

25. Besteding Bekker-middelen

In het kader van maatregelen Sociaal Flankerend Beleid sector Rijk 2008–2012 en van de Vernieuwing Rijksdienst zijn in 2009 en 2010 middels tranches middelen aan de EL&I-begroting toegevoegd. Deze middelen worden ingezet om de krimp van de EL&I-organisatie verantwoord te kunnen realiseren en voor investering in de infrastructuur en services voor communicatie met bedrijven (agrosector) en burgers via het internet. Dit laatste levert een bijdrage aan de krimptaakstelling van EL&I en geeft bovendien het terugdringen van de «administratieve lasten» bij bedrijven en burgers een impuls. In 2009 en 2010 was sprake van onderbesteding op deze zgn. Bekkermiddelen voor het Sociaal Flankerend Beleid en de ICT projecten. Deze zullen in 2011 en 2012 tot uitbetaling komen.

Artikel 41 Nominaal en onvoorzien

26. Verlaging prijsbijstelling 2011

Bij Voorjaarsnota 2011 is abusievelijk te veel prijsbijstelling tranche 2011 aan departementen toegedeeld. Voor EL&I betreft dit een reeks van € 9 mln structureel vanaf 2012.

Dit leidt tot een navenant tekort op de operationele doelstelling «prijsbijstelling» van dit artikel. Dit tekort zal in beginsel in mindering worden gebracht op toekomstige prijsbijstelling (tranche 2012).

Hierover zal besluitvorming plaatsvinden bij Voorjaarsnota 2012.

Diverse artikelen

27. Invulling taakstelling zorg en restproblematiek Rijksbegroting

Aan het Ministerie van EL&I is bij de ontwerpbegroting 2012 een taakstelling opgelegd als bijdrage aan de problematiek op het terrein van de zorg en rest-problematiek op de Rijksbegroting. Deze taakstelling is ingevuld door hiervoor grotendeels de prijsbijstelling 2010 en 2011 in te zetten.

28 en 29. Apparaattaakstelling EL&I

Voor deze kabinetsperiode is een forse apparaattaakstelling opgelegd aan EL&I. Enerzijds is een generieke apparaattaakstelling opgelegd van vier keer 1,5%. Hiervan is 1,5% opgelegd bij Miljoenennota 2011 (doelmatigheidskorting) en bij Regeerakkoord Rutte/Verhagen de overige drie keer 1,5% (2012–2014). Dit betreft dus een taakstelling oplopend naar 6% in 2015 op de personele en materiële uitgaven van EL&I. Anderzijds is een additionele apparaattaakstelling opgelegd zowel aan oud-LNV (10%) als aan oud-EZ (17%) uit hoofde van de forse beleidsextensiveringen en verantwoordelijkheidsverschuivingen op het domein van EL&I, zoals de fusie van oud-LNV en oud-EZ in EL&I en de decentralisatie van natuur- en regionaal economisch beleid en de subsidietaakstelling Regeerakkoord. Tevens is zowel aan oud-LNV als aan oud-EZ bij begroting 2010 door het kabinet Balkenende IV een taakstelling versobering bedrijfsvoering Rijksdienst opgelegd, die nog ingevuld dient te worden. Tot slot is een deel van de apparaattaakstelling zoals opgelegd aan de baten-lastendiensten P-direkt, DWM, RGD en ABD/TMG, die alle werkzaamheden voor het concern EL&I verrichten, doorbelast aan EL&I. Dit leidt tot een totale apparaattaakstelling EL&I van circa € 30 mln in 2012 oplopend naar € 286 mln in 2015 (en € 330 mln in 2018).

Gezien de forse omvang van de apparaattaakstelling is de taakstelling specifiek en gericht ingevuld in lijn met het Regeerakkoord. In artikel 40 (Apparaat) wordt ingegaan op de invulling. Om de taakstelling te kunnen realiseren zullen in de eerste jaren (2012 tot en met 2014) kosten uit hoofde van sociaal flankerend beleid worden gemaakt. Conform kabinetsafspraak dienen departementen deze kosten zelf op te vangen door extra om te buigen op de apparaatuitgaven. Dit verhoogt de -in de eerste jaren- te realiseren en in te vullen taakstelling ten opzichte van hetgeen door het kabinet aan het Ministerie van EL&I is opgelegd.

30. Inzet prijsbijstelling 2010 en 2011

De prijsbijstelling 2011 en het nog beschikbare restant van de prijsbijstelling 2010 is ingezet ter dekking van uitvoeringsproblematiek op de EL&I begroting. Dit betreft onder andere het deels niet kunnen invullen van de subsidietaakstelling uit het regeerakkoord en de aan EL&I bij begroting 2012 opgelegde aanvullende taakstelling als bijdrage in de problematiek op het terrein van de zorg en de rest problematiek op de Rijksbegroting (zie reeks onder nummer 26).

Ontvangsten (in € mln)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Stand ontwerp- begroting 2011

8 048,3

8 200,3

7 931,5

7 301,1

7 976,7

 

Mutaties Incidentele Suppletoire Begroting

2 696,6

2 229,9

2 522,8

2 984,1

2 160,0

 

Stand na incidentele suppletoire begroting

10 744,9

10 430,2

10 454,3

10 285,2

10 136,7

 
             

Ontvangstenmutaties VJN

1 667,2

1 400,0

750,0

– 100,0

– 200,0

 

Stand ontwerp-begroting na VJN

12 412,1

11 830,2

11 204,3

10 185,2

9 936,7

 
             

Nieuwe ontvangstenmutaties na VJN

           

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energiehuishouding

           

1. Gasbaten

100,0

1 100,0

450,0

– 50,0

– 100,0

 
             

Artikel 15 Een sterke internationale concurrentiepositie

           

2. Transitiefaciliteit

   

5,0

     
             

Artikel 16 Een concurrerende, duurzame en veilige agro-, visserij- en voedselketen

           

3. Onttrekking interne begrotingsreserve voor verliesdeclaraties borgstellingsfaciliteit

5,0

         
             

Artikel 18 Natuur en regio

           

4. Lagere bijdrage ILG

– 4,2

– 4,5

– 2,1

     
             

Overige mutaties

12,4

6,9

6,9

5,5

4,0

 

Stand ontwerpbegroting 2012

12 525,3

12 932,6

11 664,1

10 140,7

9 840,7

9 728,6

Nieuwe Mutaties na VJN

Toelichting nieuwe mutaties na de Voorjaarsnota (VJN)

Artikel 14 Een doelmatige en duurzame energiehuishouding

1. Gasbaten

Naar aanleiding van de Koninginne-MEV (KMEV) is de raming voor de gastbaten aangepast. Deze aanpassing wordt met name veroorzaakt door de bijstelling van de olieprijs.

Artikel 15 Een sterke internationale concurrentiepositie

2. Transitiefaciliteit

Betreft bijdrage uit de HGIS-middelen ten behoeve van de instelling van een transitiefaciliteit.

Artikel 16 Concurrerende, duurzame en veilige agro-, visserij en voedselketen

3. Onttrekking interne begrotingsreserve voor verliesdeclaraties Borgstellingsfaciliteit

De verwachting is dat dit jaar € 10 mln moet worden uitbetaald aan verliesdeclaraties van de borgstellingsfaciliteit landbouw. Bij Voorjaarsnota 2011 is hiervoor reeds € 5 mln onttrokken aan de interne begrotingsreserve borgstellingsfaciliteit. De verhoging ad € 5 mln betreft de additionele onttrekking aan deze interne begrotingsreserve ten behoeve van de uitbetaling van verliesdeclaraties in de landbouw.

Artikel 18 Natuur en regio

4. Lagere bijdrage ILG

Het Ministerie van I&M verlaagt haar bijdrage aan het ILG voor projecten op het terrein van bufferzones, milieukwaliteit, duurzaam watergebruik en duurzaam ondernemen. Dit betekent dat de uitgaven- en ontvangstenraming van EL&I voor bovengenoemde artikelen naar beneden wordt bijgesteld.

Overzicht invulling subsidietaakstelling

In het Regeerakkoord is een subsidietaakstelling opgenomen van in totaal € 500 mln structureel op ondernemingsklimaatsubsidies en internationale bedrijfslevenprogramma’s (€ 200 mln) en themagerichte innovatiesubsidies (€ 300 mln), die bij Nota van Wijziging in de begroting 2011 is verwerkt. Deze taakstelling kwam bovenop de subsidietaakstelling van € 50 mln inzake de in het Aanvullend Beleidsakkoord (Kabinet Balkenende IV) opgenomen besparing van € 3,2 mld. Het totale taakstellingsbedrag voor 2011 (€ 60 mln) is bij Incidentele Suppletoire Begroting ingevuld (TK, 32 609 XIII, nr. 1). Conform het verzoek van de Kamer wordt in de aansluitende tabel een verdere specificatie van de invulling van de genoemde subsidietaakstellingen gegeven.

Kas (in € mln)

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Artikel 11

           

Bijdrage Agentschap Telecom

 

– 1,0

– 1,0

– 1,0

– 1,0

– 1,0

Bijdrage aan Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit

 

– 1,0

– 1,0

– 1,0

– 1,0

– 1,0

             

Artikel 12

           

Bijdrage aan Syntens

– 0,5

– 2,6

– 13,4

– 29,6

– 29,6

– 29,6

Eurostars

 

0,4

1,5

0,0

– 0,4

– 1,1

Institutioneel onderzoek

– 3,7

– 1,6

– 15,6

– 16,4

– 13,4

– 8,0

Innovatieprogramma's

– 10,0

– 56,8

– 69,3

– 154,1

– 179,4

– 177,2

Lucht- en ruimtevaart

5,0

– 5,4

– 11,8

6,4

– 30,1

– 37,5

Internationaal innoveren

   

2,1

– 0,1

– 2,3

– 6,7

Opkomende Markten (ISOM)

 

– 0,6

– 2,3

– 3,5

– 5,3

– 6,7

Kredietregeling Innovatie Samenwerking

 

– 14,6

– 17,4

– 20,3

– 20,3

– 20,3

             

Artikel 13

           

Toerisme

 

– 5,0

– 9,1

– 12,8

– 12,8

– 12,8

Microkredieten

 

– 2,0

– 2,5

– 2,5

– 5,0

– 2,5

Valorisatie

   

– 7,5

3,0

 

4,5

Bijdragen aan instituten

 

– 1,2

– 2,4

– 2,4

– 2,4

– 2,4

Bevorderen Ondernemerschap

 

– 0,6

– 0,4

– 3,2

– 3,8

– 7,1

Ondernemerschap en Onderwijs

   

– 0,8

– 0,1

– 0,2

– 0,3

Besluit Subsidies Regionale Investeringsprojecten

0,3

– 0,9

– 2,5

– 4,8

– 4,5

– 4,1

Programma Implementatie Agenda ICT (PRIMA)

 

– 2,0

– 4,9

– 7,0

– 10,0

– 10,0

Niet verdeelde loon- en prijsbijstelling

– 2,5

– 6,8

– 13,5

– 17,5

– 24,0

– 24,0

             

Artikel 14

           

Stadsverwarming

 

– 19,5

– 19,5

– 19,5

– 19,5

– 19,5

Energie-innovatie

 

– 3,5

– 6,3

– 10,6

– 15,7

– 17,1

Duurzame Warmte

 

– 0,3

– 1,9

– 3,0

– 4,0

– 4,7

Carbon Capture and Storage

         

– 1,0

Transitiemanagement

 

– 1,7

– 2,2

– 1,7

– 1,0

– 0,6

Bijdrage Energieonderzoek Centrum Nederland

   

– 1,2

– 4,5

– 6,2

– 7,0

             

Artikel 15

           

Bijdragen diverse organisaties

 

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

Programma Starters op Buitenlandse Markten (PSB)

0,0

– 1,5

– 2,9

– 3,5

– 4,1

– 3,2

Instrumentele uitgaven

0,0

– 0,2

– 2,2

– 3,7

– 4,1

– 4,5

Acquisitie van buitenlandse bedrijven in Nederland

– 0,1

– 2,3

– 3,4

– 3,6

– 3,7

– 3,7

Management training

0,4

– 2,0

– 2,0

– 2,0

– 2,0

– 2,0

Overige programmatische aanpak

0,0

– 1,0

– 4,0

– 6,9

– 9,9

– 12,3

Internationaal excelleren 2getthere

0,0

– 3,2

– 8,5

– 13,6

– 12,4

– 10,4

Publiek Privaat Programmeren

 

0,1

1,0

3,4

6,1

8,5

             

Artikel 18

           

Bedrijventerreinen

 

– 0,3

– 0,3

– 1,0

– 7,3

– 22,9

Cofinanciering EZ in EFRO-programma's

     

– 6,3

– 7,8

– 10,4

Pieken in de Delta

– 7,4

– 15,7

– 40,5

– 56,5

– 75,3

– 113,2

Andere gebiedsgerichte bijdragen

   

2,5

2,5

– 10,0

 

Bijdrage Regionale Ontwikkelings Maatschappijen

 

– 1,8

– 3,6

– 5,4

– 5,8

– 7,3

             
Reeds bij Incidentele Suppletoire Begroting1 ingevuld

– 60,0

         

Overige kasverlagende maatregelen

18,6

– 6,0

– 43,8

2,3

– 22,1

28,5

             

Totaal

– 60,0

– 160,0

– 310,0

– 400,0

– 550,0

– 550,0

Noot 1: TK, 32 609 XIII, nr. 1

Noot 1: Een toelichting is opgenomen in artikel 40 (apparaat).

Noot 2: Zie ook de grondstoffennotitie van dit kabinet: TK, 32 852, nr. 1.

Noot 3: Betreft verplichtingenbedragen.

Noot 4: Idem.

Noot 5: Met de invoering van de inspectievakantie voldoet het kabinet aan de motie Elias (295151, nr. 132).

Noot 6: Dit artikel maakt het mogelijk inkomenssteun deels doelgericht in te zetten.