Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

12 Een sterk innovatievermogen

Algemene doelstelling

Een sterker innovatievermogen van de Nederlandse economie.

Rol en verantwoordelijkheid

Innovatie, de vernieuwing van producten, diensten en productieprocessen, is een belangrijke bron voor de welvaartsgroei van de Nederlandse economie. Innovatie verhoogt de productiviteit van Nederlandse bedrijven, verbetert de Nederlandse concurrentiepositie en draagt waar mogelijk bij aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. Nederland heeft een 8e positie in de Innovation Union Scoreboard en wordt met die score tot de «innovatievolgers» gerekend. Nederland is daarmee nog fors verwijderd van een kopgroep van «innovatieleiders». Nederland scoort bovengemiddeld bij onder andere de publieke R&D-uitgaven, het aantal aangevraagde octrooien en het aantal geregistreerde handelsmerken. Nederland heeft een benedengemiddelde score bij onder andere de private R&D-uitgaven, het aantal innoverende MKB-bedrijven en de omzet die bedrijven behalen met nieuwe en verbeterde producten.

De ambitie is dat Nederland mondiaal tot de top 5 van de kenniseconomieën behoort. Mondiaal, omdat het van belang is dat Nederland zich niet alleen meet met andere EU-landen, maar ook bijvoorbeeld met landen zoals de Verenigde Staten, Japan en Zwitserland. De R&D uitgaven zijn een belangrijke inputfactor voor innovatie. In het Nationaal Hervormingsprogramma 2011 heeft Nederland zich ten doel gesteld dat in 2020 2,5% van het BBP aan R&D wordt uitgegeven. Het kabinet kiest hiermee voor een ambitieuze doelstelling, rekening houdend met de Nederlandse sectorstructuur.

Beoogd wordt om met het nieuwe bedrijfslevenbeleid een verhoging van de private R&D intensiteit te realiseren. Door onderzoek meer in samenwerking met het bedrijfsleven te laten plaatsvinden, via onder andere vraagsturing en publiekprivate samenwerking, wil het kabinet bevorderen dat publiek gefinancierde kennisontwikkeling maximaal benut kan worden door het bedrijfsleven. Kennisbenutting door het bedrijfsleven is immers een essentiële schakel in de keten kennis – kunde – kassa. Daarbij wordt de publieke kennisontwikkeling in sterkere mate gericht op de topsectoren in het nieuwe bedrijfslevenbeleid.

Innovatie is een zaak van ondernemers en bedrijven die daartoe (financiële) risico’s nemen. Omdat ondernemers zich de bijkomende maatschappelijke baten niet volledig kunnen toe-eigenen, bestaat het risico dat zij minder innoveren dan maatschappelijk gezien gewenst is. Het Ministerie van EL&I stimuleert daarom private R&D en innovatie. Hiervoor worden subsidies, kredieten en fiscale instrumenten ingezet.

Met deze maatregelen wordt tegemoet gekomen aan de aanbevelingen die Nederland heeft gekregen van de Europese Commissie in het kader van de Europa 2020-strategie die als doel heeft om investeringen in private R&D, innovatie en een nauwere samenwerking tussen bedrijfsleven en onderzoek te bevorderen door het geven van passende prikkels in de context van het nieuwe bedrijfslevenbeleid.

Indicator

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

R&D-uitgaven als % van het BBP1

1,82%

2009

1,8%

2,5%

2020

CBS

– waarvan private sector

0,86%

2009

0,9%

n.v.t.

   

– waarvan publieke sector

0,96%

2009

0,9%

     

Noot 1: De getoonde uitsplitsing van R&D-uitgaven naar publieke en private sector heeft betrekking op de plaats van uitvoering en niet op de financieringsbron. De publiek gefinancierde R&D-uitgaven (inclusief WBSO) zijn voor 2009 te becijferen op 0,92% van het BBP, de privaat gefinancierde R&D-uitgaven (na aftrek van WBSO) op 0,90% van het BBP.

Kengetallen

Kengetal

2006

2007

2008

2009

2010

Ambitie

Innovation Union Scoreboard: positie van Nederland binnen EU27-landen

10e

10e

9e

9e

8e

Positie verbeteren

Aantal bij WIPO aangevraagde octrooien, per mln personen van de beroepsbevolking (Nederland)

520

498

485

499

453

 

Aantal bij WIPO aangevraagde octrooien: Positie Nederland binnen OECD

6e

6e

6e

6e

7e

Positie verbeteren

Bron: Europese Commissie (Innovation Union Scoreboard)

Bron: WIPO (aantal aangevraagde octrooien), OECD (omvang beroepsbevolking)

Kengetal

2002

2004

2006

2008

2010

Ambitie

Aandeel innoverende bedrijven:

           

– Industrie (EU27-gemiddelde)

40

42

42

42 (44)

N.n.b.

Aandeel verhogen

– Diensten (EU27-gemiddelde)

25

29

32

31 (35)

N.n.b.

Aandeel verhogen

Aandeel innoverende bedrijven dat (de laatste drie jaar) technologisch heeft samengewerkt met publieke partijen:

           

– Researchinstellingen (EU27-gemiddelde)

13

9

8

10 (6)

N.n.b

Bovengemiddelde positie handhaven

– Universiteiten (EU27-gemiddelde)

13

12

11

14 (10)

N.n.b

Bovengemiddelde positie handhaven

N.n.b.= Nog niet bekend

Bron: CBS en Eurostat (uitkomsten van innovatie-enquêtes, die tweejaarlijks worden gehouden)

Toelichting

Het Innovation Union Scoreboard van de Europese Commissie geeft een totaalbeeld van de innovatieprestaties van EU-landen aan de hand van 24 indicatoren.

De sterkte die Nederland heeft bij het aantal aangevraagde octrooien, wordt hierboven apart weergegeven met het aantal aangevraagde octrooien bij de WIPO, per miljoen personen van de beroepsbevolking. De hoge score van Nederland is mede te danken aan de aanwezigheid in Nederland van de hoofdkantoren van enkele kennisintensieve bedrijven.

Het aandeel innoverende bedrijven geeft het percentage bedrijven weer dat de laatste drie jaar bezig is geweest met technologische innovatie. Het aandeel van innoverende bedrijven dat de laatste drie jaar heeft samengewerkt met publieke partijen is vervolgens een maatstaf voor publiekprivate interactie bij innovatie.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1 mln

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

VERPLICHTINGEN

756

984

708

494

465

407

327

UITGAVEN

719

858

814

693

589

476

378

               

Programma-uitgaven

643

785

748

636

542

433

342

12.1 Bevorderen van publiek/private kennisontwikkeling voor topsectoren en maatschappelijke vraagstukken

522

647

583

476

407

281

241

12.2 Meer bedrijven die meer (technologische) kennis ontwikkelen, delen en benutten

120

138

165

160

135

152

101

               

Bijdragen baten-lastendiensten

76

73

66

57

47

43

36

Bijdrage aan Agentschap NL

76

73

66

57

47

43

36

               

ONTVANGSTEN

180

52

45

44

46

52

53

Diverse ontvangsten

9

2

2

2

2

2

2

Ontvangsten uit het FES

129

           

Ontvangsten luchtvaartkredietregeling

 

10

   

1

2

4

Ontvangsten Technische ontwikkelingsprojecten

8

10

10

5

4

3

2

Ontvangsten Uitdagersfaciliteit

1

           

Ontvangsten Rijksoctrooiwet

31

29

29

29

29

29

29

Ontvangsten innovatiekredieten

   

3

6

10

15

15

Ontvangsten Eurostars

 

1

2

2

1

1

1

Terugontvangsten Agentschap NL

2

           

Budgetflexibiliteit

  • •  Circa 76% van de middelen op operationele doelstelling 12.1 is juridisch verplicht. Dit betreffen o.a. de bijdragen aan de verschillende instituten zoals o.a. TNO en Deltares (79% van € 186 mln), de middelen voor de Innovatieprogramma’s (76% van € 247 mln), bijdrage aan Technologiestichting STW (83% van € 22 mln) en de verschillende innovatieve onderzoeksprogramma’s (96% van € 12,2 mln). Verder zijn de middelen voor Internationaal innoveren (o.a. Eureka en opkomende markten) volledig juridisch verplicht.
  • •  Van de € 83,4 mln voor lucht- en ruimtevaart op operationele doelstelling 12.1, is circa 46% bestuurlijk gebonden. Het restant is juridisch verplicht.
  • •  Van de totale kasuitgaven op operationele doelstelling 12.2 is er gemiddeld gezien zo’n 67% van het instrumentarium juridisch verplicht, dit is circa € 111 mln in 2012. Het gaat dan o.a. om de bijdrage aan Syntens (64%), een deel van de IPC’s (83%) en een gedeelte van het Innovatiefonds (51%). Voor het andere deel van het Innovatiefonds geldt dat het benodigde kasbudget niet juridisch verplicht is maar dat dit budget wel nodig is voor betalingen binnen dit fonds.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

4

8

8

8

8

8

8

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

868

870

864

715

715

715

715

De Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) en de Innovatiebox zijn fiscale maatregelen en staan daarom niet als uitgaven op deze begroting. Aangezien het belangrijke instrumenten zijn worden ze hieronder toegelicht.

Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO)

Doel en beschrijving:

De WBSO is een fiscale faciliteit ter bevordering van R&D, waarmee de loonkosten voor het verrichten van R&D worden verlaagd. Het overgrote deel van de WBSO is bestemd voor werknemers in loondienst. Voor zelfstandig ondernemers is de WBSO een aftrekpost voor speur- en ontwikkelingswerk in de inkomstenbelasting.

Voornaamste acties in 2012:

Uit de bestaande evaluaties blijkt de WBSO een effectieve regeling te zijn voor het bevorderen van speur- en ontwikkelingswerk. De WBSO wordt opnieuw geëvalueerd. In februari 2012 wordt de publicatie van de evaluatie van de WBSO over de jaren 2006- 2010 verwacht. Op basis van de uitkomsten van de evaluatie zullen mogelijk nadere specifieke acties in 2012 en verder worden genomen.

Indicatoren

Het gebruik van de WBSO blijkt uit het aantal toegekende uren voor speur- en ontwikkelingswerk. In 2010 is dit aantal met 9,0% gegroeid tot 73 700 jaren (in 2009 bedroeg de groei nog 8,4%). Het aantal aanvragers is t.o.v. 2009 met 17% gegroeid tot 19 450. Uit de evaluatie van de WBSO uit 200710 blijkt dat met name voor het MKB de toegevoegde waarde van de WBSO groot is. Door onder meer de definitieverruiming en de incidentele intensiveringen is het aantal ondernemers dat een WBSO indient de afgelopen jaren aanzienlijk gegroeid. De verwachting is echter dat in 2012 de regeling qua aantal aanvragers en budget zal stabiliseren.

Indicator

2009

2010

groei

Streefwaarde 2012

Aantal S&O-arbeidsjaren

67 600

73 700

9,0%

73 700

Aantal ondernemers met een S&O-verklaring

16 620

19 450

17,0%

19 450

Aantal ondernemers met een S&O-verklaring die gebruik maken van de startersfaciliteit

3 430

4 180

21,8%

4 180

Innovatiebox

Doel en beschrijving:

De innovatiebox (tot 1 januari 2010: octrooibox), feitelijk een verlaagd tarief voor vennootschapsbelasting voor alle opbrengst uit innovatie, is er op gericht om innovatie te bevorderen evenals om het vestigingsklimaat te verbeteren. De innovatiebox is een generieke maatregel en staat open voor zowel het MKB als grote bedrijven. De innovatiebox is van toepassing op de voordelen uit een door de ondernemer zelf voortgebracht immaterieel activum waarvoor een octrooi is verleend of waarvoor in de onderzoeksfase een S&O-verklaring is afgegeven (WBSO). De toepassing van de innovatiebox betekent dat een ondernemer geen 25% maar 5% vennootschapsbelasting hoeft te betalen over voordelen behaald met het immaterieel activum.

Operationele doelstelling 12.1

Bevorderen van publiek/private kennisontwikkeling voor topsectoren en maatschappelijke vraagstukken

Motivering

Samenwerking tussen het bedrijfsleven, de kennisinstellingen en de overheid speelt een essentiële rol bij het bevorderen van publiek/private kennisontwikkeling. De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie coördineert het innovatiebeleid en is verantwoordelijk voor het aansturen van het toegepaste onderzoek door TNO en alle Grote Technologische Instituten (GTI’s: DLO, ECN, Marin, Deltares en NLR). Voor de drie laatstgenoemde GTI’s geschiedt deze aansturing in samenspraak met de Minister van Infrastructuur en Milieu en voor NWO en KNAW samen met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Nagestreefd wordt de kennisinfrastructuur een optimale rol te laten spelen voor het nieuwe bedrijfslevenbeleid. Dit betekent versterking van de vraagsturing en het scherper inzetten van middelen en inspanningen van de kennisinfrastructuur voor de topsectoren. Zo zullen TNO en de GTI’s hun onderzoek, via versterking van de vraagprogrammering, meer richten op de topsectoren. NWO en KNAW zullen een substantieel deel van hun onderzoeksmiddelen inzetten op onderzoek dat voortvloeit uit de kennis- en onderzoeksagenda’s van de topsectoren. Zowel voor het fundamentele als voor het toegepaste onderzoek geldt dat er middelen beschikbaar blijven die buiten de topsectoren om kunnen worden ingezet.

De inzet (regierol) van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie op het gebied van innovatie en het nieuwe bedrijfslevenbeleid is dat gedurende deze kabinetsperiode een toenemend deel van de publieke middelen voor kennis en innovatie ten goede komt aan de topsectoren. Dit komt tot uitdrukking in de indicator «Percentage rijksmiddelen TNO/GTI’s voor de topsectoren». Een belangrijk instrument om dit te bereiken, is verbetering van de vraagsturing bij het toegepaste onderzoek. Het is dus ook van belang hiervoor een indicator te ontwikkelen. Het streven is om deze indicator in de begroting 2013 in te voeren.

Indicator bij de operationele doelstelling

 

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

Topsectoren: % van rijksmiddelen TNO/GTI’s voor topsectoren

Niet van toepassing

Niet van toepassing

48%1

68%

2015

EL&I

Noot 1: De indicator heeft betrekking op de rijksmiddelen voor TNO/GTI’s inclusief de middelen voor wettelijke taken van TNO en DLO.

Financieel overzicht instrumentarium

Bedragen x € 1 mln

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

12.1 Bevorderen van publiek/private

kennisontwikkeling voor topsectoren

en maatschappelijke vraagstukken

522,5

647,0

583,2

475,7

406,7

281,3

241,1

               

Institutioneel onderzoek

62,0

214,0

207,6

190,2

177,8

169,6

169,6

Lucht-1 en Ruimtevaart

88,7

112,9

81,7

74,0

84,5

34,5

43,2

Internationaal innoveren

22,1

4,2

3,8

6,1

3,6

1,7

0,4

Innovatieprogramma’s/Topsectoren

214,2

211,9

244

175,5

123,5

62,1

20,6

Overig2

132,1

101,0

42,2

26,6

14,0

11,2

4,9

Onderzoek en opdrachten

3,4

3,1

3,9

3,4

3,4

2,3

2,4

Noot 1: Betreft vooral uitfinanciering.

Noot 2: Deze post bestaat met name uit: uitfinanciering Innovatieve onderzoeksprogramma’s, High Tech Topprojecten, Smartmix en Nanolab.

Instrumenten en activiteiten

TNO & GTI’s

Doel en beschrijving:

Samen met de universiteiten bestaat de kennisinfrastructuur in Nederland met name uit TNO en de vijf zogenoemde «Grote Technologische Instituten» (GTI’s). Het Ministerie van EL&I investeert samen met enkele andere ministeries grootschalig in deze instituten, omdat hier belangrijk onafhankelijk onderzoek in Nederland plaatsvindt, dat belangrijke kansen kan creëren voor innovatie en economische groei.

  • •  TNO is het grootste instituut voor (natuurwetenschappelijk) toegepast onderzoek in Nederland. TNO bestrijkt een breed onderzoeksgebied en is daarmee het enige instituut dat kennis ontwikkelt op alle topsectoren, en daarnaast op thema’s zoals defensie, maatschappelijke veiligheid, leefomgeving, arbeid en gezondheid en ICT. TNO beschikt over een aantal instrumenten om kennis te valoriseren, zoals contractonderzoek, het SBIR-instrument en het oprichten van nieuwe bedrijven met kennis van TNO en in samenwerking met het bedrijfsleven.
  • •  Deltares is een GTI op het gebied van deltatechnologie. Als onafhankelijk kennisinstituut en specialistisch adviseur levert Deltares bijdragen aan innovatieve oplossingen voor water-, ondergrond- en deltavraagstukken die het leven in delta’s, kust- en riviergebieden veilig, schoon en duurzaam maken.
  • •  MARIN is een internationaal toonaangevende GTI op het gebied van hydromechanisch en nautisch onderzoek. Samen met Nederlandse en internationale universiteiten wordt fundamenteel en toegepast onderzoek verricht om de kennis en gereedschappen voor de sector te ontwikkelen.
  • •  Het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) is een GTI dat een kennisbasis onderhoudt en ontwikkelt op het gebied van militaire- (ten behoeve van het Ministerie van Defensie) en civiele luchtvaart (ten behoeve van het ministerie van Infrastructuur en Milieu). Daarnaast wordt de ontwikkelde kennis samen met bedrijven uit de sector lucht- en ruimtevaart ingezet voor nieuwe commerciële mogelijkheden. Met de rijksbijdrage vindt toegepast onderzoek plaats en worden belangrijke onderzoeksfaciliteiten als vluchtnabootsers en windtunnels in bedrijf gehouden.
  • •  De GTI’s ECN en DLO worden toegelicht in respectievelijk artikel 14 en 16.

Voornaamste acties in 2012:

Het richten van het onderzoek op de uitwerking van de agenda’s van de topsectoren uit het nieuwe bedrijfslevenbeleid. In 2012 worden hiertoe in het kader van de op te stellen «roadmaps» afspraken gemaakt tussen overheid, kennisinstellingen en bedrijfsleven over de procesmatige en inhoudelijke invulling van de vraagsturing. Daarnaast blijft er ruimte voor onderzoek in het kader van maatschappelijke thema’s zoals leefomgeving, maatschappelijke veiligheid, arbeid en gezondheid.

Indicatoren

Met de indicator «klanttevredenheid cofinanciers bij kennisontwikkeling TNO» wordt de algemene tevredenheid gemeten van bedrijven (MKB en grootbedrijf) die aan cofinancieringprojecten deelnemen in het onderzoeksprogramma van TNO.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

Klanttevredenheid TNO cofinanciering

(schaal van 1–10)

7,3

2010

8,0

8,0

2012

TNO

Klanttevredenheid NLR

(schaal van 1–10)

8,68

2009

8,2

8,2

2012

NLR

Toelichting: Zowel het NLR als TNO werken met een 5-puntsschaal. Voor de leesbaarheid zijn de waarden omgerekend naar een 10-puntsschaal. Het NLR scoort in 2009 boven de norm (8,2) voor onderzoeksorganisaties.

TTI’s

Doel en beschrijving:

Een Technologisch Top Instituut (TTI) vormt de sterke, verbindende schakel tussen wetenschap en toepassing. Dus tussen fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek en productontwikkeling, zoals in de afgelopen 15 jaar is gebleken. Een TTI is een PPS-constructie tussen bedrijven, kennisinstituten (TNO/GTI), universiteiten, en maatschappelijke organisaties dat is opgezet om vraagsturing van (fundamenteel) onderzoek te realiseren met een gelijktijdige opdracht tot valorisatie van de opgedane kennis. Als onderdeel van deze PPS-constructie verstrekt EL&I een financiële bijdrage. Voorbeelden van TTI’s zijn Wetsus (Watertechnologie), CTMM (Centre for Transnational Molecular Medicine), TIFN (Top Institute Food & Nutrition) en TTI Groene Genetica.

Voornaamste acties in 2012:

  • •  Nut, noodzaak en rol van de individuele TTI's wordt bezien in het kader van de agenda's van de topsectoren. Dit kan voor een aantal TTI's betekenen dat ze worden gecontinueerd, anderen zullen fuseren en waarschijnlijk zal ook een aantal TTI's verdwijnen.
  • •  Het huidige businessmodel van TTI’s is vooral gericht op subsidie die gematched wordt met bedrijfsparticipatie. Om te zorgen dat bedrijven meer betrokken raken bij de onderzoeksprogrammering zal EL&I samen met participerende bedrijven en kennisinstellingen trachten het businessmodel aan te passen.

Ruimtevaart

Doel en beschrijving:

Ruimtevaartonderzoek is binnen de EU gebundeld vanwege de hoge kosten die daaraan verbonden zijn. Via de European Space Agency (ESA) investeert Nederland met publieke middelen in het Europese ruimtevaartbeleid. Periodiek komen daarvoor de Europese ministers bij elkaar om voor de komende jaren te bepalen waar dit ruimtevaartonderzoek op gericht zal worden. Inzet van Nederland is om daarbij vooral in te zetten op programma’s op wetenschappelijk, industrieel en technologisch gebied, waar Nederland in excelleert en waardoor deze Nederlandse positie verder wordt versterkt. Door te investeren in ruimtevaart draagt EL&I ook bij aan oplossingen van maatschappelijke vraagstukken. Ruimtevaartdata worden bijvoorbeeld gebruikt voor aardse toepassingen bij oplossingen van maatschappelijke vraagstukken op de volgende gebieden: klimaat en landbouw, milieu, mobiliteit, veiligheid en defensie.

Voornaamste acties in 2012:

  • •  Bevorderen gebruik van ruimtevaartgegevens door de Topsectoren. Het gebruik van ruimtevaartgegevens kan de inzet van de topsectoren bij het oplossen van maatschappelijke vraagstukken versterken.
  • •  Besluitvorming over de nieuwe Nederlandse inschrijvingen in onderzoekprogramma's van ESA tijdens de ESA-ministersconferentie van eind 2012. De inschrijving in ESA-programma's is voor Nederland een belangrijk instrument om de doelstellingen van het ruimtevaartbeleid te realiseren.

Indicator

De prestatie-indicator ruimtevaart geo-return betreft research- en leveringsopdrachten van ESA aan de Nederlandse industrie en kennisinstellingen. Deze opdrachten komen voort uit de Nederlandse contributies aan diverse R&D-programma’s van ESA. Daarbij wordt door ESA een return van 0,9 (90%) van de bijdragen van lidstaten aan deze programma’s gegarandeerd.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

Ruimtevaart geo-return

(juste retour)

1,15

2009

1,07

1

2012

ESA

Technologiestichting STW

Doel en beschrijving:

STW (Stichting voor de Technische Wetenschappen) financiert technisch wetenschappelijk onderzoek aan Nederlandse universiteiten en instituten. Met de bijdrage van EL&I worden de zogenoemde Perspectiefprogramma's gefinancierd. Deze zijn erop gericht een bijdrage te leveren aan technologische innovatie in Nederland. Dat gebeurt door het ontwikkelen van nieuwe technologie in samenwerking met gebruikers, waarbij private partijen meefinancieren. Onderdeel van de perspectiefprogramma's zijn specifieke activiteiten gericht op valorisatie en ondernemerschap.

Voornaamste acties in 2012:

De te honoreren perspectiefprogramma’s van STW zullen inhoudelijk worden aangesloten op de kennisagenda's van de topteams. Dat gebeurt door de onderzoeksvoorstellen behalve op excellentie en utilisatie ook te toetsen op inpassing in de kennis- en innovatieagenda's van de topsectoren.

Zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP7)

Doel en beschrijving:

In de periode van 2007 tot en met 2013 trekt de Europese Commissie ruim € 50 mld uit voor het stimuleren van onderzoek en innovatie. Dit geld wordt ingezet via het Zevende Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP7). Het doel is de wetenschappelijke en technologische basis van Europa en haar Europeseindustrie en kennisinstellingen te verbeteren en de Europeseconcurrentiepositie te versterken. Dit gebeurt door financiering van onderzoekssamenwerking, individuele onderzoekers op grond van excellente onderzoeksvoorstellen, mobiliteit van onderzoekers en door capaciteitsversterking. Budget en uitvoeringsverantwoordelijkheid van dit programma liggen bij de Europese Commissie. EL&I zal voor de Nederlandse inzet in het kaderprogramma nauw samenwerken met OCW en andere departementen. Agentschap NL stimuleert in opdracht van EL&I en andere departementen Nederlandse deelname aan het kaderprogramma. Gebaseerd op ervaringen uit het verleden zal Nederland jaarlijks ongeveer 6,7% (€ 400 mln) terugontvangen, grotendeels via programma- en projectsubsidies.

Voornaamste acties in 2012:

In 2012 zal in het bijzonder aandacht uitgaan naar het verbeteren van de innovatie impact van KP7. De Commissie zal hieraan meer aandacht geven bij het beoordelen van de onderzoeksvoorstellen in KP7. Voor EL&I zal de aandacht uitgaan naar het verbinden van KP7 met het nationale innovatiebeleid, in het bijzonder de economische topsectoren, het op peil houden van de deelname van Nederlandse partijen in KP7 en het verbeteren van de bedrijfsdeelname aan KP7. Dit zal EL&I vooral stimuleren door in de Europese onderhandelingen de werkprogramma's zoveel te beïnvloeden ten gunste van de behoeftes van potentiële Nederlandse deelnemers en door via Agentschap NL advieswerkzaamheden en informatievoorziening over het kaderprogramma te verzorgen. Agentschap NL zal zich in dit verband in het bijzonder richten op potentiële MKB-deelnemers, zowel voor de specifieke MKB-oproepen in de thema’s van KP7 als voor de generieke MKB-programma’s in KP7 zoals Eurostars en Research for the Benefit of Small and medium-sized enterprises (SME’s).

Tevens wordt gestimuleerd dat MKB’s aansluiten bij meer ervaren KP-deelnemers. Ook zal in 2012 in het bijzonder aandacht uitgaan naar discussies in de Raad voor Concurrentievermogen in reactie op het commissievoorstel over het toekomstige Europese financieringsprogramma voor onderzoek en innovatie «Horizon 2020: het kaderprogramma voor onderzoeken innovatie» voor de periode van 2014 tot en met 2020. Het kabinetsstandpunt hieromtrent is op 15 april 2011 door de Minister van EL&I en de Staatssecretaris van OCW naar de Tweede Kamer gestuurd. Naar verwachting zullen in 2012 ook nieuwe EuropeseInnovatiepartnerschappen (EIPs) op grote maatschappelijke uitdagingen zoals water, grondstoffen en landbouw uitgewerkt worden. EL&I zal via de Raad voor Concurrentievermogen de Nederlandse inzet in deze EIPs verzorgen en zal bij de uitwerking van de EIPs in het bijzonder de verbinding leggen met de economische topsectoren.

Operationele doelstelling 12.2

Meer bedrijven die meer (technologische) kennis ontwikkelen, delen en benutten

Motivering

Om zo veel mogelijk innovatie te genereren wordt het investeren in het ontwikkelen, delen en benutten van kennis gestimuleerd. Daarvoor wordt een breed en toegankelijk pakket aan instrumenten ingezet dat bestaat uit onder meer voorlichting, subsidies, kredieten, fiscale faciliteiten en het inkoopbeleid.

Het gebruik van instrumenten toont zich in de indicator «Aantal bedrijven dat gebruik maakt van regelingen». De streefwaarde voor 2012 ligt aanzienlijk lager dan de referentiewaarde (2010) als gevolg van het niet continueren van diverse subsidieregelingen en het aflopen van de crisismaatregelen. Voor 2012 streeft EL&I er naar dat 20 000 bedrijven gebruik maakt van regelingen.

Indicator bij de operationele doelstelling

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van regelingen

26 3501

2010

20 000

2012

AgNL

Noot 1: Deze waarde is inclusief het aantal bedrijven dat gebruik maakte van crisismaatregelen en niet gecontinueerde subsidieregelingen zoals innovatievouchers en de innovatieprogramma’s

Financieel overzicht instrumentarium

Bedragen x € 1 mln

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

12.2 Meer bedrijven die meer

(technologische) kennis ontwikkelen,

delen en benutten

120,2

137,7

165,2

160,2

135,2

152,4

101,1

               

Innovatie Prestatie Contracten

32,1

19,1

41,2

37,2

22,5

30,3

29,5

Innovatiefonds: innovatiekrediet

   

56,7

69,5

80,5

89,3

42,5

Innovatiefonds: risicokapitaal

   

27,5

23,7

23,7

25,7

25,6

Oude financieringsinstrumenten

28,1

65,2

         

Syntens

33,0

33,0

30,9

19,9

     

Eurostars

2,2

6,1

7,6

8,6

7,3

5,9

2,3

Bijdragen organisaties1

3,0

1,7

1,3

1,3

1,2

1,2

1,2

Overig2

21,7

12,5

         

Noot 1: Het betreft onder andere de bijdrage aan World Intellectual Property Organization (WIPO) en de Adviesraad voor Wetenschap en Techniek (AWT)

Noot 2: Deze post bestaat voornamelijk uit de uitfinanciering van eerder aangegane verplichtingen. Het betreft met name de Innovatievouchers.

Instrumenten en activiteiten

Innovatie Prestatie Contracten (IPC's)

Doel en beschrijving:

De IPC’s zijn gericht op MKB-bedrijven die gezamenlijk willen innoveren. Onder begeleiding van een belangenorganisatie voor ondernemingen (penvoerder) worden meerjarige innovatieprojecten uitgevoerd. Samenwerking en kennisoverdracht staan centraal. Daarnaast biedt de regeling aan brancheorganisaties financiële ondersteuning om kansrijke samenwerkingsverbanden te onderzoeken. Met de verkenning van samenwerking kan de penvoerder de mogelijkheden tot samenwerken voor MKB-ers van verschillende branches in Nederland inventariseren. Ook internationale branches kunnen samenwerken met de verkenning van internationale samenwerking.

Voornaamste acties in 2012:

  • •  Monitoren van de tenders van de meerjarige innovatieprojecten (nieuw in 2011). De uitkomsten hiervan worden betrokken bij de vormgeving van de IPC regeling 2012.
  • •  Verkennen en toepassen van mogelijkheden voor verhoging van de efficiëntie bij uitvoering van de regeling, met name door digitalisering.

Innovatiefonds

Doel en beschrijving:

Met het in het Regeerakkoord aangekondigde innovatiefonds wordt voorzien in een grote behoefte van ondernemers aan risicokapitaal voor innovatie. Het kabinet stelt daarvoor tot en met 2015 een beleidsruimte van ruim € 500 mln (verplichtingen) beschikbaar. De bedoeling van dit fonds is dat succesvolle investeringen ook weer terugvloeien naar het fonds, waardoor een belangrijke mate van revolverendheid wordt bereikt. Met het Innovatiefonds worden ondernemers beter in staat gesteld om te kunnen investeren in rendabele nieuwe (duurzame) producten, diensten en processen. Het innovatiefonds zal dit via twee mechanismen realiseren:

  • 1.  Met innovatiekredieten die rechtstreeks aan ondernemingen worden verstrekt en waarmee ontwikkelingsprojecten (producten, processen en diensten) worden gestimuleerd, waaraan substantiële technische en daaruit voortvloeiende financiële risico’s zijn verbonden en die voor hun financiering niet of onvoldoende terecht kunnen op de kapitaalmarkt.
  • 2.  Met het beschikbaar stellen van risicokapitaal aan ondernemingen via participaties door investeringsfondsen. Het verbeteren van de risicokapitaalmarkt richt zich zowel op de «early stage»-risicokapitaalmarkt (met name technostarters) en de «later stage»-risicokapitaalmarkt (snel groeiende veel belovende innovatieve ondernemingen).

Het innovatiefonds bouwt onder meer voort op bestaande succesvolle revolverende innovatie-instrumenten, zoals het Innovatiekrediet en de Seed capital-regeling.

Aansluitend overzicht geeft weer welke begrotingsruimte (cumulatief) beschikbaar is voor het Innovatiefonds, uitgaande van de nu voorliggende meerjarencijfers.

Ontwikkeling Innovatiefonds
 

2012

2013

2014

2015

Verplichtingen per jaar

177

112

112

112

Verplichtingen cumulatief

177

289

401

513

         

Kas per jaar

84

93

104

115

Kas cumulatief

84

177

281

396

Voornaamste acties in 2012:

  • •  Aanpassen van het Innovatiekrediet voor opname in het Innovatiefonds mogelijk maken van financiering van de innovatieambities vanuit de topsectoren met innovatiekredieten en openstellen van innovatiekredieten voor ondernemingen groter dan het MKB.
  • •  Aanpassen van de Seed Capital regeling voor opname in het Innovatiefonds en de uitwerking van een instrument voor de later-stage risicokapitaalmarkt.

Indicatoren

EL&I hanteert voor de innovatiekredieten een indicator die aangeeft hoeveel private R&D-uitgaven worden ondersteund met het innovatiekrediet. De streefwaarde voor 2012 is vastgesteld op basis van het beschikbare verplichtingen bedrag voor innovatiekredieten in 2012: € 95 mln. Maximaal 35% van de subsidiabele innovatieprojectkosten wordt door EL&I gefinancierd. De streefwaarde is daarom vastgesteld op € 271 mln (€ 95 mln gedeeld door 0,35).

Voor het stimuleren van de risicokapitaalmarkt wordt een indicator gehanteerd die aangeeft hoeveel risicokapitaal in totaal (private- en overheidsbijdrage) beschikbaar komt voor innovatieve ondernemingen. Deze substantiële verhoging (streefwaarde 2012: € 74 mln) ten opzichte van het referentiejaar (2009: € 39 mln) wordt voorzien door het initiatief (in oprichting) om in 2012 ook de later stage risicokapitaalmarkt te stimuleren.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

Omvang van de private R&D-uitgaven ondersteund met een innovatiekrediet

€ 111 mln

2009

€ 271 mln

€ 271 mln

2012

EL&I

Omvang gestimuleerd risicokapitaal voor innovatieve bedrijven

€ 39 mln

2009

€ 74 mln

€ 74 mln

2012

EL&I

Syntens

Syntens is het landelijk netwerk dat als doel heeft het MKB aan te zetten tot succesvol innoveren. Syntens geeft voorlichting, activeert en ondersteunt op het gebied van innovatie. In het Regeerakkoord 2010 is opgenomen dat de subsidie aan Syntens op termijn wordt stopgezet. Dit betekent concreet dat in 2012 en 2013 een efficiency-korting van 5% wordt opgelegd en dat in 2014 de subsidie volledig zal worden gestopt.

Indicator

De prestatie-indicator geeft het oordeel van klanten van Syntens weer over het totale pakket van activiteiten van Syntens. ROMA marktonderzoek voert in opdracht van Syntens elk jaar een klantevredenheidsonderzoek uit op basis van een representatieve steekproef. Naast het totaal oordeel gaat het onderzoek ook in op deelaspecten van de dienstverlening en geeft eventuele verbeterpunten aan.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

Klanttevredenheid

Syntens (schaal van 1–10)

8,0

2010

8,0

8,0

2012

Syntens/ROMA Marktonderzoek

Eurostars

Doel en beschrijving:

De regeling Eurostars ondersteunt MKB-bedrijven en kennisinstellingen die met buitenlandse partijen in Europese landen willen samenwerken in projecten die gericht zijn op technologische innovatie. Een voorwaarde voor ondersteuning is dat binnen 2 jaar na afloop van het project een marktintroductie is voorzien en dat een project geleid wordt door een MKB'er, die minimaal 50% van de projectkosten voor zijn rekening neemt. Het programma slaagt er goed in marktgerichte innovatie tot stand te brengen. Nederland ontvangt zo’n 25% retour van de subsidiemiddelen die worden ingezet. Tegenover elke subsidie-euro staan ongeveer 3 euro’s die door deelnemers worden bijgedragen. Eurostars heeft een looptijd tot 2014.

Voornaamste acties in 2012:

  • •  In 2012 en 2013 wordt € 3 mln extra beschikbaar gesteld voor dit instrument.
  • •  In 2012 zal in discussies over de toekomst (na 2013) van Eurostars door Nederland worden ingezet op een combinatie van instrumenten gericht op stimulering van R&D voor en door het MKB in één groter en efficiënter instrument voor zowel het high tech, mid tech als het low tech MKB. Daarbij kan het bestaande succesvolle Eurostars instrument als voorbeeld dienen.

De overheid als opdrachtgever voor duurzame innovatie: SBIR en innovatiegericht inkopen

Doel en beschrijving:

Het kabinet beoogt een groter deel van haar inkoopbudget in te zetten voor het vinden van innovatieve oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken. Daarmee wordt ook de innovatiekracht van het bedrijfsleven gestimuleerd. Met «innovatiegericht inkopen» en het «Small Business Innovation Research (SBIR) programma» onderzoekt EL&I samen met andere overheidsorganisaties welke inkooptrajecten zich lenen voor het inkopen en laten ontwikkelen van innovatieve oplossingen en stimuleert zo nodig die trajecten.

Er zijn inmiddels 30 SBIR programma’s gestart. De verwachting is dat in 2012 het aantal SBIR projecten verder zal toenemen, mede door de impuls van het topsectorenbeleid.

In 2011 heeft de eerste meting van de rijksbrede prestatie-indicator innovatiegericht inkopen plaatsgevonden. Het aantal van 20 aanbestedingen is gehaald. De verwachting is dat het aantal inkopen dat ruimte geeft en leidt tot aanschaf van innovatieve oplossingen zal stijgen door het topsectorenbeleid en de inspanningen in de afgelopen periode.

Voornaamste acties in 2012:

  • •  Uitwerken welke inkooptrajecten zich lenen voor het inkopen en laten ontwikkelen van innovatieve oplossingen in aansluiting op de topsectorenagenda en de ambities op het gebied van duurzaam inkopen.
  • •  Stimuleren van internationale inkooptrajecten waarbij gebruik gemaakt wordt van de Europese call for proposals on Public Procurement of Innovation en Pre-Commercial Procurement.
  • •  Organiseren regionale en landelijke bijeenkomsten met als doel om innovatiegerichte inkopen en SBIR projecten te starten.

Indicator

Indicator

Referentiewaarde1

Peildatum

Raming 2012

Streef-waarde

Planning

Bron

Aantal door de aanbestedende dienst uitgevoerde innovatie gerichte aanbestedingen

44

2011

50

>20

2012

EL&I

Noot 1: de referentiewaarde over 2011 is in 2011 gemeten met cijfers uit 2010.

Bijdrage aan Agentschap NL

Netwerk Technisch Wetenschappelijke Attachés

Doel en beschrijving:

Het TWA-netwerk (onderdeel van Agentschap NL) bevordert de samenwerking van Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheidsorganisaties met het buitenland met als doel het innovatievermogen van Nederland te bevorderen. Het netwerk staat ten dienste van Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheidsorganisaties die actief zijn in het buitenland. Daarbij concentreert het zich op de topsectoren waar deze innovaties genereren die voor de Nederlandse kenniseconomie en de hele innovatieketen van belang zijn.

Indicator

De prestatie-indicator klanttevredenheid TWA-netwerk geeft aan in hoeverre de cliënten (bedrijven, kennisinstellingen, overheid) van het TWA-netwerk tevreden zijn met de geboden dienstverlening door de TWA’s.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

Klanttevredenheid TWA-netwerk (schaal van 1–10)

8,5

2010

7,5

7,5

2012

TWA / AgNL

Kennisbescherming

Doel en beschrijving:

Een goed functionerend stelsel van intellectuele eigendomsrechten is een belangrijke voorwaarde voor een innoverende en dynamische economie. Essentieel daarbij is het vinden van de juiste balans tussen enerzijds kennisbescherming en anderzijds de verspreiding en benutting van octrooikennis. De uitvoeringsorganisatie NL-Octrooicentrum (NL-OC, onderdeel van Agentschap NL)) is belast met de verlening en registratie van octrooien, de inning van taksen en de uitvoering van andere wettelijke taken onder de Rijksoctrooiwet 1995; voor het stimuleren van het gebruik van het octrooisysteem en van de kennis die in octrooidatabanken is opgeslagen, geeft NL-OC voorlichting aan bedrijven, kennisinstellingen en overheden.

Voornaamste acties in 2012:

Vervolmaken van het Europese octrooistelsel (EU-octrooi en Europese octrooirechtspraak), het uitvoeren van acties op communautair niveau voortvloeiend uit de evaluatie van het Europese merkenrechtsysteem, en het werken aan een wetsvoorstel voor een beperkte kwekersvrijstelling. In Beneluxverband is sprake van de modernisering van de rechtspraak over merkenrechten en modellen.

Indicator

NL-OC doet op meerdere momenten in een jaar een klanttevredenheidsonderzoek. Met een rapportcijfer geven de klanten (MKB-bedrijven, particulieren, kenniscentra en octrooigemachtigden) een totaaloordeel voor de totale dienstverlening van NL-OC.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2012

Streefwaarde

Planning

Bron

Klanttevredenheid NL-OC (schaal van 1–10)

7,7

2010

7,5

7,5

2012

NL-OC/AgNL

Noot 10: Evaluatie WBSO 2001–2005: effecten, doelgroepbereik en uitvoering. Bijlage bij TK, 30 800 XIII, nr. 51