| Rijksbegroting | Overzicht | Voorbereiding | Uitvoering | Verantwoording | |
|---|---|---|---|---|---|
| 2012 |
|
|
|
||
Artikel 53 Klimaat en Luchtkwaliteit
Algemene doelstelling
Het tegengaan van klimaatverandering door menselijke beïnvloeding, als ook de vermesting van het milieu en aantasting van de gezondheid door luchtverontreiniging.
Omschrijving van de samenhang van beleid
In het klimaatbeleid is sprake van drie sporen:
- • Voor de periode 2008–2012 moet Nederland in het kader van het Kyoto-protocol onder een plafond blijven van jaarlijks gemiddeld 200,3 Mton CO2 (inclusief JI/CDM).
- • Voor de middellange termijn, tot en met 2020, gaat het Kabinet uit van de doelen uit het Europees klimaat- en energiepakket.
- • Voor de lange termijn, 2 050, geldt de mondiale doelstelling om de temperatuurstijging wereldwijd gemiddeld onder de 2 graden te houden.
In het luchtkwaliteitsbeleid is er eveneens sprake van drie sporen:
- • Uitvoering van het in 2009 van kracht geworden Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) ter implementatie van EU-normen voor NO2 en fijn stof.
- • Verdere uitvoering van de in 2001 in de Wet milieubeheer (Wm) en het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP) geïmplementeerde National Emissions Ceilings-richtlijn (NEC-richtlijn) met emissieplafonds voor 2010 voor zwaveldioxide (SO2), stikstofoxide (NOx), ammoniak (NH3) en vluchtige organische stoffen (NMVOS) en de specifieke doorvertaling daarvan naar de verschillende sectoren.
- • In 2011/2012 in internationaal verband vaststellen van nieuwe emissieplafonds voor 2020, die tot aanpassing van de NEC-richtlijn leiden en voor de luchtkwaliteit in Nederland en omringende landen een belangrijke kwaliteitsimpuls zijn.
Verantwoordelijkheid
De Minister van IenM is verantwoordelijk voor:
- • De coördinatie van het Nederlandse klimaatbeleid en zorg dragen voor de inbreng in internationale kaders.
- • De coördinatie van het reductiebeleid van overige (niet CO2) broeikasgassen (met uitzondering van methaan en lachgas in de landbouw), de CO2 emissie-eisen aan voertuigen, in de transportsector en de introductie en duurzaamheid van biobrandstoffen in het vervoer.
- • Het emissiehandelssysteem: de Nederlandse Emissieautoriteit toetst als onafhankelijk toezichthouder de naleving van de regels voor emissiehandel.
- • De implementatie van de Europese F-gassen verordening in verband met regulering van productie, consumptie en gebruik van ozonlaagafbrekende stoffen en voor de Nederlandse inbreng in het internationale beleid ter bescherming van de ozonlaag.
- • Het luchtkwaliteitsbeleid en voor de Nederlandse inbreng daarover in de internationale kaders.
- • Het treffen van emissiebeperkende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit is voor een belangrijk deel de verantwoordelijkheid van IenM (eisen aan industriële installaties via de implementatie van de EU Richtlijn Industriële Emissies, NOx– emissiehandel en in EU-verband stellen van normen aan voertuigen en (bio)brandstoffen).
- • De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) coördineert het energiebeleid. EL&I is verantwoordelijk voor de reductie van CO2 in de energiesector en de industrie, in de glastuinbouw, voor het beleid voor afvang en opslag van CO2 en voor de reductie van de broeikasgassen methaan en lachgas in de landbouw. EL&I is ook verantwoordelijk voor het mechanisme van Joint Implementation (JI). Samen met het Clean Development Mechanism (CDM) bij IenM, is dit een internationaal mechanisme om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen.
- • De Minister van BZK is verantwoordelijk voor de reductie van CO2 in de gebouwde omgeving.
- • De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de mede op milieugrondslag gebaseerde belastingen op onder andere voertuigen, brandstoffen en energie.
Externe factoren
Het behalen van de doelstelling is afhankelijk van:
- • Voldoende adequate afspraken op Europees en mondiaal niveau over bronbeleid en van
- • Draagvlak en verantwoordelijkheidsbesef in de samenleving (bedrijven, burgers en overheden) om de gestelde doelen te verwezenlijken en indien noodzakelijk het eigen gedrag daartoe aan te passen.
Effecten van beleid
Zie meetbare gegevens bij de operationele doelstellingen.
Budgettaire gevolgen van beleid
| 53. Klimaat en luchtkwaliteit | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Verplichtingen | 0 | 51 518 | 76 595 | 73 537 | 30 695 | 24 288 | 16 231 |
| Uitgaven | 0 | 76 317 | 74 454 | 72 691 | 30 695 | 24 288 | 16 231 |
| 53.08 Tegengaan klimaatverandering | 0 | 12 466 | 11 547 | 10 435 | 11 436 | 12 184 | 9 442 |
| 53.14 Verbeteren luchtkwaliteit | 0 | 46 239 | 39 924 | 54 151 | 12 626 | 5 366 | 2 713 |
| 53.16 Stimuleren van duurzame mobiliteit | 0 | 13 281 | 14 576 | 2 189 | 2 391 | 2 497 | 1 024 |
| 53.18 Bevorderen duurzame industrie | 0 | 4 331 | 8 407 | 5 916 | 4 242 | 4 241 | 3 052 |
| Ontvangsten | 0 | 0 | 0 | 700 000 | 700 000 | 700 000 | 700 000 |
Budgetflexibiliteit
Deze tabel geeft voor het jaar 2012 per artikelonderdeel de programmamiddelen weer en maakt de mate van budgetflexibiliteit inzichtelijk door middel van vijf categorieën. De verhoudingen binnen de artikelonderdelen worden zowel procentueel als nominaal gepresenteerd.
Toelichting:
53.08 Tegengaan klimaatverandering en bescherming van de ozonlaag
De juridisch gebonden bedragen zijn het gevolg van in eerdere jaren verstrekte subsidies. De bestuurlijk gebonden budgetten betreffen voornamelijk de bijdrage aan de NEa. Beleids gebonden budgetten betreffen de Kyoto/roadmap 2 050 inspanningen.
53.14 Verbeteren luchtkwaliteit
De juridisch verplichte budgetten betreffen uitgaven met betrekking tot de uitvoering van het NSL. De beleidsmatig gebonden budgetten betreffen onderzoekskosten (opdracht aan ECN en inzake verzuring).
53.16 Stimuleren duurzame mobiliteit
De juridisch verplichte budgetten betreffen de uitvoeringskosten voor de bepaling van verkeersemissies. Beleidsmatig gebonden zijn de budgetten voor de stimulering van verkeersmaatregelen (o.a. roetfilters).
53.18 Het bevorderen van duurzame industrie
Beleidsmatig gebonden zijn de budgetten voor de uitvoering van diverse regelingen door AgentschapNL. Bestuurlijk gebonden zijn de uitgaven verbonden aan uitvoeringskosten voor emissiereducties bij de industrie. Beleidsmatig gebonden is het budget voor de uitvoering van de ProMT (milieutechnologie).
Operationele doelstellingen
Operationele doelstelling
53.08 Tegengaan klimaatverandering en bescherming van de ozonlaag
Motivering
Klimaatverandering is een probleem dat op wereldschaal opgelost moet worden. De motivering van het klimaatbeleid ligt in de volgende doelstellingen:
- • Nederland kent in het kader van het Kyoto-protocol een verplichting om de nationale broeikasgasemissies in de periode 2008–2012 met 6% te reduceren ten opzichte van 1990.
- • Voor 2020 geldt voor de Europese ETS-bedrijven een plafond dat 21% lager ligt dan de uitstoot in 2005.
Voor de sectoren die niet onder het ETS (Emission Trading System) vallen, geldt een doelstelling van 104,6 Mton CO2– equivalenten in 2020. De raming voor de niet ETS sectoren voor 2020 is 98,8 Mton. Daarmee is de doelstelling – zonder inzet van reducties in het buitenland – haalbaar. De raming is exclusief het effect van de invoering van 130 km/u en de wijzigingen in de fiscale stimulering van zuinige auto’s en ook exclusief de effecten van de Green Deal in de SDE+.
Tussen de departementen is onderstaande afspraak gemaakt over de verdeling van de emissieruimte in 2020:
| CO2 industrie en energie | CO2 verkeer en vervoer | CO2 Gebouwde omgeving | CO2 Land- en tuinbouw | Overige broeikasgassen Landbouw | Resterende overige broeikasgassen |
|---|---|---|---|---|---|
| EL&I | IenM | BZK | EL&I | EL&I | IenM |
| 10,7 | 35,0 plus effect 130 km/h en wijziging fiscaliteit | 22,5 | 5,75 | 16 | 8,8 |
Toelichting:
In deze tabel zijn de ramingen per sector weergegeven. In de brief «Kabinetsaanpak klimaatbeleid op weg naar 2020» is opgenomen, dat indien in een sector tegenvallers optreden, die samenhangen met (de uitvoering van) beleid van het vakdepartement, de voor deze sector verantwoordelijke bewindspersoon in beginsel compenserende maatregelen zal nemen.
- • In de Europese Raad is afgesproken om voor 2050 te streven naar een EU reductie van broeikasgassen met 80%-95% ten opzichte van 1990, in de context van de noodzakelijke reducties volgens het IPCC door de groep van ontwikkelde landen, als bijdrage aan de 2-graden doelstelling.
- • Om de concentraties van ozonlaagafbrekende stoffen te verminderen zijn in internationaal verband afspraken gemaakt. Aantasting van de ozonlaag leidt tot verhoogde UV-straling waardoor gezondheidsproblemen, met name huidkanker en oogproblemen zoals staar, toenemen. De meeste ozonlaagafbrekende stoffen zijn ook zeer sterke broeikasgassen.
- • In 2020 moet een aandeel van 10% hernieuwbare energie in het vervoer bereikt zijn. Dit komt overeen met een emissiereductie van tussen de 3 en 3,5 Mton CO2 in 2020, mede afhankelijk van de ontwikkeling van soorten biobrandstoffen («tweede generatie») die mogen dubbeltellen in het halen van deze doelstelling. Stapsgewijs wordt naar de doelstelling voor 2020 toegewerkt, waarbij de tussendoelen tot en met 2014 al zijn vastgelegd.
Instrumenten
- • Beperking van de emissieruimte via het emissiehandelssysteem (ETS) en het CO2– kostenvereveningssysteem voor de glastuinbouw.
- • Internationale normstelling, bijvoorbeeld voor de CO2– uitstoot van nieuwe voertuigen en elektrische apparaten.
- • Convenanten en afspraken met verschillende sectoren en bedrijven (industrie, energie, landbouw, verkeer en vervoer en gebouwde omgeving) en met medeoverheden.
- • Fiscale faciliteiten zoals de energie-investeringsaftrek.
- • Kennisoverdracht en -ontwikkeling, en een op innovatie gerichte transitiebenadering.
- • Aanvullen en/of aanscherpen van afspraken in internationale verdragen.
- • Ter aanvulling op nationaal beleid het aankopen van CO2-rechten via het Clean Development Mechanism en Joint Implementation (CDM/JI, zie hiervoor artikel 57).
- • Nederland wil op EU-niveau het indirect landgebruik op een adequate manier meegewogen hebben in de duurzaamheidsbeoordeling. Het ontwikkelen van duurzaamheidseisen voor vaste biomassa voor energie wordt opgepakt in samenwerking met het bedrijfsleven, waarbij de voorkeur is om deze in Europees verband te realiseren.
- • Mondiale samenwerking via onder met het Global Bio-Energy Partnership (GBEP) en het Biodiversiteitsverdrag, waar wordt ingezet op (vrijwillige) internationale afspraken over duurzaamheid en bescherming van gebieden die rijk zijn aan biodiversiteit en koolstofvoorraad.
Meetbare gegevens
De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:
Klimaatbeleid (CO2 en overige broeikasgassen)
- • In 2012 loopt het Reductieprogramma overige broeikasgassen af. Daarmee zijn grote reducties behaald: 45% vermindering van emissies ten opzichte van het basisjaar 1990. Het doel blijft in samenwerking met de sectoren zoveel mogelijk verlagen van de emissies van methaan, lachgas en de gefluoreerde broeikasgassen: SF6, PFK’s en HFK’s. Voor een aantal kansrijke bronnen zal het reductiebeleid in 2012 worden voortgezet.
- • De Europese F-gassen verordening is in 2011 geëvalueerd. Dit leidt mogelijk tot herziening die in 2012 in de Nederlandse regelgeving moet worden geïmplementeerd.
- • Vervolg op de eind 2011 uitgebrachte routekaart klimaat 2050. In de routekaart wordt aangegeven langs welke wegen Nederland zich kan ontwikkelen tot een klimaatneutrale samenleving (low-carbon economy), zodanig dat ook het verdienpotentieel voor de Nederlandse economie wordt bevorderd.
- • Het vervolg in 2012 bestaat uit het ontwikkelen van beleidsopties, pilots en het in kaart brengen en wegnemen van belemmeringen voor klimaatmaatregelen door bedrijven, deels als onderdeel van de lokale klimaatagenda.
- • Het uitvoeren van de lokale klimaatagenda 2011–2014. Een belangrijk deel van de uitvoering van het klimaatbeleid vindt plaats door inspanningen van lokale overheden. Samen met lokale bestuurders is de lokale klimaatagenda samengesteld, waarin uitvoering, versnelling, kennisdeling en opschaling van succesvolle rendabele klimaatinitiatieven centraal staan.
Emissiehandel
- • De realisatie van het afgesproken emissieplafond is gegarandeerd doordat de bedrijven die onder het ETS al hun emissies in 2012 zullen moeten afdekken met emissierechten, onder toezicht staan van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa).
- • Implementatie van de herziening van het emissiehandelssysteem ETS in de EU wordt in 2012 afgerond.
- • IenM werkt aan maatregelen om fraude of misbruik van het ETS verder tegen te gaan door nadere regelgeving en een betere uitvoering (ETS register).
- • In Europees verband wordt de Nederlandse inzet geleverd in het Comité Klimaatverandering ten aanzien van de EU-besluiten ter uitwerking van de ETS-richtlijn.
- • Ten behoeve van een gelijk speelveld draagt IenM in het International Carbon Action Partnership bij aan het overdragen van expertise aan landen die willen beginnen aan emissiehandel. Daarnaast werkt IenM aan harmonisatie van de uitvoering van het ETS in de EU door het delen van beste praktijken in het EU ETS Compliance Forum.
- • IenM stelt in 2012 het nationaal toewijzingsbesluit vast voor toewijzing van emissierechten voor de periode 2013–2020. Daarnaast besluit IenM over de toewijzing aan de nieuwkomers (startende ETS-bedrijven of uitbreidingen).
- • In opdracht van IenM vinden in 2012 één of twee veilingen van emissierechten plaats van in totaal 4 miljoen emissierechten.
Bescherming van de ozonlaag
- • Jaarlijkse voortgangsrapportage aan de Europese Commissie en het UNEP Ozon-secretariaat.
- • In Europees verband bijdragen aan (aanscherping van de) internationale afspraken over de bescherming van de ozonlaag in samenhang met het tegengaan van klimaatverandering. In 2012 zet IenM onder andere in op afspraken over:
- • beperking van de quota voor productie en consumptie van de ozonlaagafbrekende stoffen;
- • terugbrengen van het gebruik van methylbromide voor quarantaine toepassingen en voorafgaand aan vervoer (onder andere gassen van containers);
- • klimaatvriendelijke alternatieven voor HCFKs; en
- • vernietiging van CFK’s in bestaande toepassingen (met name in ontwikkelingslanden).
Hernieuwbare energie in het vervoer (nationaal, Europees en mondiaal)
- • Het verwezenlijken van de jaardoelstelling door middel van een verplichting voor degenen die in 2012 biobrandstoffen op de markt brengen om 4,5% daarvan in de vorm van hernieuwbare energie te realiseren, waaronder duurzame brandstoffen.
- • Het verbreden van het toepassen van hernieuwbare energie voor het vervoer naar de luchtvaart en de binnenvaart (dit laatste mede afhankelijk van de uitvoeringslasten en van stappen die in omringende landen worden gezet).
- • Oplevering van een geautomatiseerd register, te beheren door de NEa, waarmee bedrijven per 2013 de vereiste transacties registreren.
- • In Brusselse onderhandelingen wil Nederland bereiken dat de effecten van indirecte verschuiving van landgebruik voor de productie van biobrandstoffen mee worden genomen in de duurzaamheidbeoordeling, leidend tot een aanpassing van de Europese wetgeving.
- • Ontwikkeling van duurzaamheidscriteria voor het gebruik van vaste biomassa voor energie, bij voorkeur in Europees verband.
Indicatoren
| Jaar | 2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | → | 2020 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| % | 2 | 3,25 | 3,75 | 4 | 4,25 | 4,5 | 5 | 5.5 | → | 10 |
Extracomptabele verwijzingen
Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.
Operationele doelstelling
53.14 Verbeteren Luchtkwaliteit
Motivering
Slechte lucht schaadt, vooral bij langdurige blootstelling, de gezondheid en heeft negatieve effecten op de natuur. Daarom dient de luchtkwaliteit te verbeteren. In Europees verband zijn normen vastgesteld waar Nederland aan moet voldoen. IenM zorgt voor de Nederlandse inbreng bij het tot stand komen van de Europese richtlijnen en let daarbij op hetgeen in Nederland redelijkerwijs haalbaar is.
Instrumenten
- • Wet- en regelgeving: de Wet milieubeheer hoofdstuk 5 (Wet luchtkwaliteit), AMvB’s: besluit derogatie, besluit richtwaarden, Besluit gevoelige bestemmingen, Besluit Niet In Betekenende Mate bijdragen; ministeriële regelingen zoals de Smog regeling en de Regeling beoordeling luchtkwaliteit; het NSL, de jaarlijkse monitoring NSL; de EU richtlijn 2008/50/EG (luchtkwaliteitsrichtlijn), de EU richtlijn 2001/81/EG (NEC-richtlijn), de Conventie inzake Grensoverschrijdende luchtverontreiniging over grote afstand (CLRTAP).
- • Financiële prikkels en fiscale instrumenten: subsidieverlening aan lokale overheden in het kader van het NSL, en subsidieregelingen en fiscale prikkels voor bronmaatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit.
Meetbare gegevens
De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:
Luchtkwaliteit
- • Op basis van de monitoringsgegevens wordt voor 1 oktober een jaarlijkse rapportage over luchtkwaliteit aan de Europese Commissie gestuurd over het voorgaande jaar.
- • In november 2012 komt de derde monitoring van het NSL gereed.
Emissieplafonds voor luchtverontreinigende stoffen
- • In 2012 zullen de definitieve emissiecijfers van 2009 worden gerapporteerd van de stoffen die vallen onder de NEC-richtlijn. 2010 is het eerste jaar waarin aan de emissieplafonds op grond van de NEC-richtlijn moet worden voldaan.
- • De tweejaarlijkse voortgang van de NEC-richtlijn wordt in kaart gebracht in de Balans voor de Leefomgeving.
- • IenM werkt in VN-verband (VN Economische Commissie voor Europa) aan nieuwe emissieplafonds voor luchtverontreinigende stoffen. Naar verwachting zal dit in 2011/2012 leiden tot vaststelling van nieuwe emissieplafonds voor 2020/2030. Deze emissieplafonds worden vervolgens in de Nederlandse wet- en regelgeving geïmplementeerd.
Indicatoren
| 1990 | 2000 | 2009 | 2010 | 2010 | 2012 | 2015 | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Gotenburg Protocol | NEC-Richtlijn | Raming PBL1
| Raming PBL | ||||
| SO2 | 192 | 73 | 38 | 50 | 50 | 41 | 41 |
| NOx | 563 | 394 | 279 | 266 | 260 | 259 | 237 |
| NH3 | 356 | 162 | 125 | 128 | 128 | PM | 124 |
| VOS | 464 | 232 | 154 | 191 | 185 | PM | 146 |
Noot 1: Raming PBL van mei 2011 (publicatienummer 5002530020) is de meest recente raming met betrekking tot vermelde stoffen.
Bron: Nederlandse rapportage aan Conventie inzake luchtverontreiniging over grote afstand (CLRTAP), 15 februari 2011. http://cdr.eionet.europa.eu/nl/eu/colqt3lza Eén kiloton (Kton) is één miljoen kilogram.
Extracomptabele verwijzingen
Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.
Operationele doelstelling
53.16 Stimuleren Duurzame Mobiliteit
Motivering
Het verkeer, exclusief internationale lucht- en scheepvaart, neemt in Nederland 19% van de uitstoot van alle broeikasgassen voor zijn rekening en is daarmee op de energiesector na de grootste veroorzaker van klimaatverandering. Daarnaast draagt het verkeer bij aan andere milieuproblemen, zoals luchtverontreiniging. Zo komt 63% van de NOx emissies in Nederland van het verkeer. Om schadelijke gezondheidseffecten weg te nemen en om te voorkomen dat toekomstige generaties met de milieugevolgen van mobiliteit worden belast, moeten broeikasgassen en luchtverontreinigende emissies van het verkeer sterk worden gereduceerd.
Instrumenten
- • Wet- en regelgeving voor voer- en vaartuigen: EU Richtlijnen (NEC) en EU Verordeningen (CO2– normstelling voor voertuigen en Euronormen voor voertuigen en emissienormen voor NOx en PM10 voor vaartuigen en andere mobiele machines), nationaal milieuzones voor vrachtwagens en het NSL.
- • Wet- en regelgeving ter implementatie van EU-richtlijnen ten aanzien van de brandstofkwaliteit en hernieuwbare energiebronnen, gericht op vermindering van de CO2-emissies als gevolg van de inzet van fossiele motorbrandstoffen.
- • Subsidieverlening, zoals de stimulering van de aankoop van Euro VI-vrachtauto’s en bussen.
- • Fiscale instrumenten, zoals de fiscale bijtelling van de auto van de zaak, de differentiatie van Belasting van Personenauto’s en Motorrijwielen (BPM) en de Motorrijtuigenbelasting (MRB).
- • Voorlichting en kennisoverdracht op het gebied van duurzame mobiliteit.
- • Vrijwillige afspraken met marktpartijen en andere overheden, zoals het convenant over milieuzonering.
Meetbare gegevens
De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:
Vermindering van de uitstoot van broeikasgassen door het verkeer
- • Publicatie van het Brandstofverbruikboekje 2012.
- • Komen tot een voorstel voor een typekeuringsmethodiek in UN-ECE verband voor bepaling van de CO2– emissies van personenauto’s.
- • Komen tot een voorstel voor een EU-verplichting dat nieuwe benzineauto’s op afzienbare termijn geschikt moeten zijn voor biobrandstoffen (flexfuel).
- • Publicatie van een aangepast energielabel voor personenauto’s.
- • Indien in 2011 geen substantiële mondiale klimaatafspraken voor de internationale zeescheepvaart kunnen worden gemaakt, zal IenM zich conform de afspraken in de Europese Raad en op basis van een voorstel van de Europese Commissie, inzetten voor de totstandkoming van Europese afspraken, die volgens de Europese Commissie in 2016 in werking zouden kunnen treden.
Vermindering van de uitstoot van luchtverontreinigende emissies door het verkeer
- • In januari 2012 start de stimulering van de in bedrijfname van Euro VI- vrachtauto’s en bussen met als doel in 2012 tweeduizend toegelaten voertuigen in Nederland. Dit leidt tot een jaarlijkse emissiereductie van 1,6 kton NOx vanaf 2014 en draagt bij aan het wegnemen van luchtkwaliteitknelpunten op het hoofdwegennet.
- • IenM zal de realisatie van 3 prijswinnende milieuverbeterplannen voor de vermindering van de uitstoot van NOx en fijnstof door binnenvaartschepen financieren en de met de milieuverbeterplannen opgedane kennis verbreiden binnen de sector.
- • Voor retrofit dual fuel vrachtwagens, die tegelijkertijd op zowel aardgas of LPG als op diesel rijden, loopt een testprogramma, op grond waarvan Nederland in 2012 een typegoedkeuringsmethode zal vaststellen om te borgen dat de emissie van luchtverontreinigende stoffen en de veiligheid aan de eisen blijven voldoen.
- • Publicatie van de aangescherpte kwaliteitseisen aan retrofit bij LPG-installaties.
| Indicator | Basiswaarde 1990 | Peiljaar 2009 | Streefwaarde 20121
|
|---|---|---|---|
| NOx | 327,0 Kton | 170 Kton | 158,0 Kton |
| SO2 | 18 Kton | 3 Kton | 4,0 Kton |
| PM10 | 20 kton | 10 kton | – |
| NH3 | 1 Kton | 3 Kton | 3,0 Kton |
| NMVOS | 181 Kton | 45 Kton | 55,0 Kton |
| CO2 | 30 Mton | 38 Mton | 38,7 Mton |
| Gemiddelde CO2– emissie nieuwe personenauto’s | 170 g/km (2005) | 135 g/km | 120 g/km (2015) |
| 95 g/km (2020) |
Noot 1: De streefwaarde 2012 is gelijk aan de in het kader van de NEC-richtlijn vastgestelde emissieplafonds voor 2010. Eind 2011 worden in het kader van het Gotenburg-protocol nationale emissieplafonds voor 2020 vastgesteld. Binnen EU-verband worden deze plafonds in 2013 vastgelegd. Nederland zal deze emissieplafonds versleutelen naar emissieplafonds voor sectoren.
Bron: Milieu- en Natuurcompendium PBL/CBS, 14 september 2010
Extracomptabele verwijzingen
Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.
Operationele doelstelling
53.18 Het bevorderen van duurzame industrie
Motivering
De industrie, inclusief de elektriciteitsproductie, speelt een sleutelrol in het bereiken van een duurzame samenleving, niet alleen als een bron van milieubelasting maar ook als bron van innovatieve oplossingen voor milieuproblemen. Een deel van die milieuproblemen wordt veroorzaakt door luchtverontreinigende emissies. De Minister van IenM is verantwoordelijk voor het ontwikkelen en uitvoeren van beleid dat zich richt op het tegengaan van luchtverontreiniging. Europese afspraken over de milieukwaliteit, zoals vastgelegd in de NEC-richtlijn en de richtlijn voor luchtkwaliteit, maken de komende jaren een verdere reductie noodzakelijk, rekening houdend met de economische groei. Deze paragraaf beperkt zich tot luchtverontreiniging; het onderdeel emissiehandel broeikasgassen is opgenomen in operationeel doel 53.08.
Instrumenten
- • Wet- en regelgeving: normstelling voor de uitstoot van industriële installaties is in veel gevallen het belangrijkste instrument. De basis voor de normstelling ligt veelal in de Richtlijn industriële emissies, die wordt doorvertaald naar de Nederlandse situatie via algemene regels en vergunningen. Dit geldt ook voor de milieuverslaglegging: grote bedrijven rapporteren jaarlijks volgens Europese regels hun emissies en/of afvoer van afval via het elektronisch milieujaarverslag.
- • Financiële prikkels en fiscale instrumenten: milieu-innovatie wordt gestimuleerd via fiscale instrumenten die zijn gekoppeld aan de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting. Dit zijn de milieu-investeringsaftrek (MIA), de willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL) en de Regeling Groenprojecten.
- • Kennisoverdracht en -ontwikkeling: kennis wordt overgedragen via een helpdesk van AgentschapNL.
- • Samenwerking met de industrie en andere overheden: met koplopers in het bedrijfsleven, brancheorganisaties en andere overheden vindt overleg plaats en worden afspraken gemaakt over de invulling van milieutaakstellingen.
Meetbare gegevens
De belangrijkste prestaties in 2012 zijn:
Tegengaan van luchtverontreiniging
- • Afronding implementatie van de Richtlijn industriële emissies inclusief de gerelateerde vereenvoudiging van Nederlandse regelgeving over industriële emissies en bijbehorende invoeringsbegeleiding en ICT-ondersteuning van vergunningverleners (gemeenten, provincies, waterschappen, Rijkswaterstaat) en het bedrijfsleven.
- • De Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR) is vereenvoudigd en wettelijk verankerd in het Activiteitenbesluit als vangnet voor situaties waar Europese regelgeving nog niet voorziet in voldoende normstelling.
- • Bijdrage van Nederland aan de totstandkoming in de EU van nieuwe BREF’s (BAT Referentiedocumenten) die innovatie in de industrie stimuleren, zodat milieudoelen binnen bereik blijven en meer ruimte ontstaat voor economische en ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat om BREF’s voor grote stookinstallaties, organische bulkchemie en monitoring. De definitieve documenten moeten eind 2012 gereed zijn.
- • De fiscale regelingen MIA, VAMIL en Groenprojecten worden uitgevoerd. Met fiscale voordelen, in totaal ter grootte van ruim € 300 mln, worden goedkope financieringsmogelijkheden geschapen voor milieuvriendelijke investeringen die bijdragen aan de doelen van het milieu- en natuurbeleid van heel IenM en EL&I.
- • Het sectorplafond voor fijn stof voor 2010 is behaald. Het beleid richt zich thans op het behalen van de plafonds in 2015 en 2020. De maatregelen hiertoe zijn beschreven in het NSL. Zie ook tabel 53.5 voor ontwikkeling van het plafond.
Indicatoren
| Realisatie 2008 | Doelstelling 2010 | Doelstelling 2015 | Doelstelling 2020 | |
|---|---|---|---|---|
| PM10 emissie industrie (incl. op- en overslag) in Kton | 10,8 | 10 | 10,5 | 10,0 |
Bron: Fijn stof en BBT: Achtergrondrapportage Actieplan Fijn Stof en Industrie (juni 2008); Actieplan Fijn stof en Industrie (juni 2008), VROM
Extracomptabele verwijzingen
Extracomptabele verwijzing is hier niet van toepassing.
