Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Algemene doelstelling

Een internationaal concurrerende energievoorziening die betrouwbaar, veilig en duurzaam is.

Binnen de Noordwest-Europese context creëert de overheid (met name EL&I) de randvoorwaarden voor een concurrerende energiemarkt om ervoor te zorgen dat energiebedrijven efficiënt produceren, afnemers een efficiënte prijs betalen en vraag en aanbod zo goed mogelijk op elkaar worden afgestemd. Daarnaast zorgt EL&I voor een doeltreffend reguleringskader voor het netbeheer om te bereiken dat de netten de markt tegen redelijke tarieven en voorwaarden faciliteren. Participatie van EL&I in Europese en Noordwest-Europese fora, waaronder het Pentalaterale energieforum, heeft de verdere ontwikkeling van de Noordwest-Europese elektriciteits- en gasmarkt als doel. De Elektriciteitswet en de Gaswet dienen op nationaal niveau voor het realiseren van een goed functionerende elektriciteits- en gasmarkt.

Zie artikelonderdeel 14.1 Optimale ordening en werking van de energiemarkten in de Noordwest-Europese context voor het financiële instrument dat hierop betrekking heeft.

Voorzieningszekerheid gaat om de korte en langere termijn beschikbaarheid van energie. Niet alleen om olie en gas, maar steeds meer ook om duurzame energie. Voorzieningszekerheid vereist internationale samenwerking: regionaal, met de directe buurlanden, binnen de EU en mondiaal. De Gasrotondestrategie levert een bijdrage aan de voorzieningszekerheid van Nederland. De afgelopen jaren is kwantitatief gebleken dat de Nederlandse gasmarkt forse stappen vooruit heeft gezet (zie de Voortgangsrapportage Gasrotonde 2011; bijlage bij TK, 2011–2012, 29 023, nr. 112). Mede hierdoor is niet alleen de voorzieningszekerheid van Nederland verbeterd, ook zijn er veel nieuwe economische activiteiten gegenereerd en wordt de concurrentiekracht van de gassector versterkt, ook in Noordwest-Europees verband. Gebaseerd op deze positieve ontwikkelingen zal de Gasrotondestrategie verder worden voortgezet ondanks het kritische onderzoek van de Algemene Rekenkamer in juni 2012 over nut, noodzaak en risico’s van de Gasrotonde. In mijn reactie heb ik aangegeven van mening te zijn dat de Gasrotondestrategie van aanvang aan is onderbouwd en dat de Tweede Kamer zowel daarover als over de voortgang frequent is geïnformeerd. Conform de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer wordt in de reguliere voortgangsrapportage wel nadrukkelijker inzicht gegeven in de mate waarin de Staat betrokken is bij de realisatie van de Gasrotonde. Zie artikelonderdeel 14.2 Optimale Bevorderen van de voorzieningszekerheid voor het financieel instrumentarium dat hierop betrekking heeft.

Nederland is gehouden aan een verplichte Europese doelstelling van 20% CO2-emissiereductie en 14% duurzame energie in 2020. Om deze doelen te bereiken wordt ingezet op meerdere sporen: bevorderen van energieinnovatie, stimuleren van duurzame energieproductie, bevorderen van energiebesparing en bevorderen van CO2-emissiereductiemaatregelen.

Het energie-innovatiebeleid richt zich op het ontwikkelen van technologie, producten en diensten voor energiebesparing en productie van duurzame energie die de kostprijs verlagen en het aanbod vergroten. De topsectorenaanpak staat hierbij centraal. De groei van het aandeel duurzame energie moet worden bereikt met de meest kostenefficiënte opties, met name via de SDE+ regeling. Onderzocht wordt of een verplichting voor bij- en meestook van biomassa in kolencentrales of een leveranciersverplichting mogelijk en wenselijk is. Daarnaast wordt energie-efficiëntie in samenwerking met het bedrijfsleven gestimuleerd vanwege de voordelen die een efficiëntere omgang met energie ook voor het bedrijfsleven heeft.

De Meerjarenafspraken Energie-efficiëntie (MJA's) zijn voor de industrie het instrument om op een efficiënte wijze energiebesparing te realiseren. De kern is dat bedrijven rendabele energie-efficiencymaatregelen nemen en het kabinet als tegenprestatie zich inspant om knelpunten op te lossen en ondersteuning te verlenen bij kennisontwikkeling en kennisdeling. De belangrijkste instrumenten om CO2-emissiereductie te behalen zijn ETS en CCS. Op het gebied van kernenergie is de stralingsbescherming zeer belangrijk evenals het beoordelen en begeleiden van de vergunningaanvraag voor een nieuwe Hoge Flux Reactor. Zie artikelonderdeel 14.3 Bevorderen van een duurzame en veilige energievoorziening voor het financieel instrumentarium dat hierop betrekking heeft.

Rol en Verantwoordelijkheid

De Minister van EL&I is op grond van de Elektriciteitswet en de Gaswet verantwoordelijk voor het energiebeleid. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

  • •  het stimuleren van een goed werkende Europese energiemarkt met een adequate infrastructuur;
  • •  het creëren van randvoorwaarden waardoor de energievoorziening internationaal kan concurreren en het verdienpotentieel van de energiesector ten volle wordt benut;
  • •  het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige winning van onze bodemschatten;
  • •  het coördineren van energie-infrastructuur van nationaal belang middels de Rijkscoördinatieregeling;
  • •  het stimuleren van een evenwichtige brandstofmix gericht op transitie naar een duurzame en betrouwbare energievoorziening;
  • •  het stimuleren van energiebesparing en (de)centrale duurzame energieopwekking;
  • •  het stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van innovatieve energietechnologieën ten behoeve van de verduurzaming van de energievoorziening;
  • •  het stimuleren van energie-efficiëntie in de industrie en energie sectoren;
  • •  het stimuleren van de verdergaande reductie van CO2-uitstoot van energiebedrijven en industrie;
  • •  het reguleren van veilige toepassingen van kernenergie.

Beleidswijzigingen

De Nederlandse Mededingingsautoriteit heeft in 2012 een evaluatie van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet verricht. In dit kader is een aantal aanbevelingen gedaan om de energiemarkt te verbeteren door de regeldruk te verminderen en efficiënter toezicht mogelijk te maken. In 2013 zal een wetsvoorstel worden ingediend waarin uitvoering wordt gegeven aan de uitkomsten van de evaluatie, inclusief een aantal maatregelen met het oog op de transitie naar een duurzame energievoorziening.

In Europees verband wordt naar verwachting begin 2013 regelgeving rond investeringen in infrastructuur en intelligente netten afgerond. Afhankelijk van het tempo waarin hierover besluitvorming tot stand komt, zal in 2013 de benodigde implementatieregelgeving worden voorbereid.

Budgettaire gevolgen van beleid

De financiële instrumenteninzet van artikel 14 is gekoppeld aan de volgende artikelonderdelen:

  • 14.1  Optimale ordening en werking van de energiemarkten in de Noordwest-Europese context;
  • 14.2  Bevorderen van de voorzieningszekerheid;
  • 14.3  Bevorderen van een duurzame en veilige energievoorziening.

Achter ieder instrument staat het betreffende artikelonderdeel.

Bedragen x € 1 mln
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

VERPLICHTINGEN

3 155,5

2 274,8

1 996,2

263,5

220,4

217,8

184,6

Waarvan garantieverplichtingen

21,3

46,8

         

UITGAVEN

1 027,7

1 243,7

1 312,8

1 438,5

1 505,2

1 610,1

1 607,3

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

95%

       
               

Subsidies

             

– Stadsverwarming (14.1)

4,5

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

– Topsectoren Energie (14.3)

34,9

22,5

23,8

23,2

39,6

20,7

40,2

– Energie-innovatie (IA) (14.3)

22,3

36,5

31,7

19,7

7,9

2,4

2,4

– Green Deal (14.3)

0,0

17,1

25,0

30,0

5,0

20,0

0,0

– MEP (14.3)

658,9

645,3

555,0

492,0

388,0

293,0

202,7

– SDE (14.3)

57,5

131,9

244,9

425,9

564,0

687,0

707,2

– SDE+ (14.3)

0,0

0,0

100,0

200,0

300,0

414,0

483,0

– CCS (14.3)

12,4

81,2

49,4

49,1

22,4

8,7

8,7

– Hoge Flux Reactor (14.3)

8,2

7,3

7,3

7,3

7,3

8,1

8,1

– Aanschafsubsidie zonnepanelen (14.3)

0,0

22,0

30,0

0,0

0,0

0,0

0,0

– Elektrisch rijden (14.3)

4,0

4,1

4,1

2,2

1,1

0,0

0,0

– Overige subsidies (14.3)

31,5

21,9

15,6

5,3

2,0

0,0

0,0

Garanties

             

– Geothermie (14.3)

6,1

           

Opdrachten

             

– O&O bodembeheer (14.2)

0,3

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

– Joint implementation (14.3)

13,1

33,3

33,7

2,3

0,0

0,0

0,0

– Straling (14.3)

3,2

7,6

9,5

7,7

3,0

1,7

1,2

– Pallas (14.3)

0,0

10,1

10,1

10,1

10,1

0,0

0,0

– Onderzoek en opdrachten (14.3)

3,3

4,4

4,0

4,3

4,1

4,5

4,4

Bijdragen aan baten-lastendiensten

             

– Agentschap NL

36,7

37,1

36,3

31,0

28,1

27,3

26,7

– NVWA

0,4

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

0,7

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

             

– Doorsluis COVA heffing (14.2)

89,3

93,0

93,0

93,0

93,0

93,0

93,0

– TNO bodembeheer (14.2)

3,7

2,1

2,1

2,1

2,1

2,1

2,1

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

             

– ECN/NRG (14.3)

37,2

63,8

35,0

31,0

25,4

25,2

25,2

– Diverse instituten (14.2)

0,4

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

               

ONTVANGSTEN

11 299,4

12 079,9

12 194,9

12 047,4

12 247,4

12 161,4

11 730,4

– COVA

89,3

93,0

93,0

93,0

93,0

93,0

93,0

– SDE+

0,0

0,0

100,0

200,0

300,0

414,0

483,0

– Aardgasbaten

11 165,6

11 950,0

12 000,0

11 750,0

11 850,0

11 650,0

11 150,0

– Ontvangsten zoutwinning

2,4

1,8

1,8

1,8

1,8

1,8

1,8

– Diverse ontvangsten

42,1

35,2

0,2

2,7

2,7

2,7

2,7

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Energie-investeringsaftrek (EIA)

144

151

151

161

161

161

161

Met de energie-investeringsaftrek (EIA) stimuleert EL&I investeringen in energiezuinige bedrijfsmiddelen en bedrijfsmiddelen voor een efficiënte opwekking van hernieuwbare energie. Investeringen in bedrijfsmiddelen die voldoen aan de generieke besparingsnormen van de EIA kunnen deels van de fiscale winst worden afgetrokken. Alleen de nieuwste typen bedrijfsmiddelen komen in aanmerking voor EIA en op deze manier stimuleert de EIA de marktintroductie van een nieuwe generatie efficiënte bedrijfsmiddelen.

Budgetflexibiliteit

Subsidies: Van het totale subsidiebudget is 94% juridisch verplicht. Dit percentage is hoog als gevolg van uitfinanciering van t/m 2012 aangegane verplichtingen, met name langlopende uitbetalingen op reeds afgegeven beschikkingen in het kader van de MEP/SDE en verplichtingen die in 2011 en 2012 zijn aangegaan op de SDE+.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 67% juridisch verplicht. Het betreft uitfinanciering van in voorgaande jaren afgegeven beschikkingen, met name in het kader van Joint Implementation en kernenergie.

Bijdragen aan baten-lastendiensten: Het budget betreft de uitfinanciering van de opdracht 2013 aan Agentschap NL en de NVWA en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Op dit onderdeel is geen sprake van budgetflexibiliteit. Het betreft met name de doorsluis van de COVA-heffing op aardolieproducten, bedoeld voor het dekken van de kosten van het aanhouden van voorraden. Dit is gebaseerd op nationale en internationale wetgeving.

Bijdragen (inter)nationale organisaties: Van het beschikbare budget voor (inter)nationale organisaties is 74% juridisch verplicht. De bijdrage aan ECN betreft een al langlopende gevestigde en op overeenkomsten gebaseerde subsidierelatie ten behoeve van energieonderzoek. Dit betekent dat er op dit onderdeel sprake is van enige budgetflexibiliteit, zij het beperkt op de korte termijn.

Interne begrotingsreserve

De interne begrotingsreserve voor de garantieregeling Geothermie is bedoeld om het budget voor deze regeling meerjarig in te kunnen zetten en een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten en uitgaven op te vangen. Om gebruik te kunnen maken van de garantieregeling Geothermie betalen marktpartijen een premie aan de uitvoerder van de regeling (Agentschap NL) die wordt gestort in de interne begrotingsreserve.

Stand interne begrotingsreserve per 31 december 2011 (x € 1 mln)

Interne begrotingsreserve Geothermie

11,4

Toelichting op de financiële instrumenten

Artikelonderdeel 14.1 Optimale ordening en werking van de energiemarkten in de Noordwest-Europese context

Subsidies

Stadsverwarming

De tegemoetkoming in verband met Stadsverwarmingsprojecten betrof een jaarlijkse uitkering op basis van de regeling Overgangswet ElektriciteitsProductieSector (OEPS) aan elektriciteitsbedrijven. Deze tegemoetkoming is geëindigd per 31-12-2010. Dit betreft dus de uitfinanciering van oude verplichtingen.

Kengetal HHI en C3

De C3 is het gezamenlijk marktaandeel van de drie grootste leveranciers. De mate van concentratie op de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas vormt een indicatie voor de concurrentie op die markten. Een indicator hiervoor is de Herfindahl-Hirschman Index (HHI). Een markt met een HHI onder de 1 800 punten wordt gezien als een competitieve markt en een markt met een index tussen de 1 800 en 8 000 punten wordt gezien als een geconcentreerde markt.

Kengetal

2008

2009

2010

2011

Ambitie 2013

1. Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit

– HHI

2 279

2 285

2 263

2 456

Stabiliseren tussen 1800–2500

– C3

81%

81%

81%

85%

Daling/lager

2. Concentratiegraad in de retailsector gas

– HHI

2 104

2 187

2 158

2 344

Stabiliseren tussen 1800–2500

– C3

79%

76,4%

79%

83%

Daling/lager

Bron: NMa Energiekamer

Artikelonderdeel 14.2 Bevorderen van de voorzieningszekerheid

Opdrachten

O&O bodembeheer

Dit betreft opdrachten ten behoeve van de Mijnraad en de Technische commissie bodem beweging (Tcbb) en diverse opdrachten in verband met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (WABO).

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Doorsluis COVA heffing

Het crisisbeleid op het gebied van de olievoorzieningszekerheid dient verstoringen in de olieaanvoer op te vangen. Door de Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) en het oliebedrijfsleven worden in opdracht van EL&I strategische olievoorraden aangehouden in lijn met hetgeen hierover geregeld is in de Wet voorraadvorming aardolieproducten (Wva) 2001.

De uitgavenreeks op de EL&I-begroting betreft de doorsluis van de ontvangen voorraadheffingen naar de COVA. De voorraadheffing is een heffing ingesteld op aan accijns van minerale oliën onderworpen aardolieproducten. De heffing bedraagt momenteel € 5,90/m³ en wordt door de minister van Financiën geheven en ingevorderd door de Belastingdienst. De Minister van EL&I keert de opbrengst van heffing uit aan de stichting COVA ter dekking van de operationele kosten en financieringslasten van de COVA. Afhankelijk van een tijdige behandeling in het parlement zal er per 1 januari 2013 in lijn met de bepalingen in de nieuwe Wva 2012 een verhoging van de voorraadheffing worden doorgevoerd. In deze wet is onder andere de EU Richtlijn 2009/119/EU over strategische aardolievoorraden geïmplementeerd. De voorziene verhoging van de voorraadheffing per 2013 is, in afwachting van de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wva 2012, nog niet in de begroting 2013 verwerkt.

TNO bodembeheer

Dit betreft een bijdrage aan TNO voor de adviestaak voortvloeiend uit de Mijnbouwwet en Mijnbouwregeling. De adviserende taak ligt op het vlak van het opsporen en winnen van delfstoffen (olie, gas en steenzout) en aardwarmte en het opslaan van stoffen in de (diepe) ondergrond van Nederland.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Diverse instituten

Nederland participeert in een aantal internationale organisaties of programma’s, die zich bezig houden met voorzieningszekerheid. Het gaat dan om het International Energy Agency (IEA), het Energy Charter Treaty (ECT), het International Energy Forum, het Gas Exporting Countries Forum en het Nederlands Polair Programma. Daarnaast is Nederland samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken en een aantal bedrijven partner in het Clingendael International Energy Programme (CIEP).

Voornaamste acties in 2013:

  • •  Versteviging van de samenwerking met de directe buurlanden. Via het Pentalaterale forum bestaat dergelijke samenwerking al wel, maar ook bilateraal zal er meer naar samenwerking moeten worden gezocht met Duitsland, Frankrijk, het Vereningd Koninkrijk, Noorwegen en België vanwege belangen die Nederland respectievelijk Nederlandse bedrijven daar hebben.
  • •  Nederland wil actief mee doen aan concrete activiteiten op het terrein van gas van organisaties als het International Energy Agency. In dit kader zal worden gewerkt aan de uitvoering van het Implement Agreement Gas Olie dat Nederland samen met Noorwegen in 2012 in IEA-verband gelanceerd heeft om innovaties en nieuwe technologieën op het terrein van gas (en olie) te bevorderen.

Kengetal

2008

2009

2010

2011

Elektriciteitsstoring in minuten per jaar

22 min

26,5 min

34 min

23 min

Bron: Netbeheer Nederland

Toelichting

Het aantal storingsminuten per huishouden per jaar geeft een indicatie van de leveringszekerheid van elektriciteit.

Artikelonderdeel 14.3 Bevorderen van een duurzame en veilige energievoorziening

Subsidies

Topsectoren Energie

Met de komst van het topsectorenbeleid zullen de energie-innovatiemiddelen gerichter worden ingezet om bij te dragen aan het R&D investeringsbeleid van de Nederlandse energiesector. Door de betere samenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen en overheden zal de aansluiting van onderzoek op de behoeften vanuit de markt worden versterkt. De in april 2012 afgesloten innovatiecontracten en de vorming van Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI's) vormen hiervoor een eerste stap. Voor de topsector energie worden reguliere innovatiemiddelen op de EL&I begroting en een speciaal voor innovatie afgezonderd deel van de SDE+middelen ingezet.

Voornaamste acties in 2013:

Het versterken van de concurrentiekracht van de gassector door verder in te zoomen op nieuwe innovaties en technologieën. Samen met de industrie en kennisinstellingen zal uitvoering worden gegeven aan het Innovatiecontract gas in het kader van het Topsector Energie. Hierbij speelt het in 2012 opgerichte Topconsortium Kennis en Innovatie Gas een cruciale rol bij het implementeren van innovatie en technologische programma’s, het bevorderen van samenwerkingsverbanden en het bevorderen van de export van de Nederlandse kennis en expertise op gasgebied.

Energie-innovatie (Innovatie Agenda Energie)

In de periode 2008–2011 is een groot aantal specifieke innovatieprogramma's die deel uitmaken van de Innovatie Agenda Energie (IA) uitgewerkt en opgestart. Het met deze innovatieagenda gemoeide budget van € 450 mln is inmiddels belegd met programma's/projecten. Het betreft hier interdepartementaal opgezette programma's op het gebied van duurzame elektriciteitsvoorziening, groene grondstoffen (biobased economy), groen gas, energiebesparing gebouwde omgeving, duurzame mobiliteit, energie-efficiency in de industrie en de kas als energiebron. Een belangrijk deel van deze programma's wordt onder regie van EL&I uitgevoerd. Voorbeelden hiervan zijn het opzetten van proeftuinen voor intelligente netten (Smart Grids) en het FLOW-programma in de sector offshore wind. Dit betrof een eenmalige impuls vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) en wordt nu vervangen door het topsectorenbeleid.

Kengetal

2008

2009

2010

2011

2012

Ambitie 2013

Private R&D-investeringen (uitgedrukt in % van omzet)1

Bron: CBS

2.0%

n.v.t.

2.4%

n.v.t.

n.n.b

n.v.t.

Aantal deelnemende bedrijven bij TKI2

Bron: AgNL

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.n.b

10% groei t.o.v. 2012

Kwaliteit van het Nederlandse energieonderzoek gemeten als retourpercentage van het zevende EU kaderprogramma thema energie3

Bron: AgNL

8,3%

7,5%

6,8%

7,4%

n.n.b.

7,5%

Noot 1: Onderzoek naar private R&D investeringen vindt elke twee jaar plaats. Voor 2009, 2011 en 2013 zijn daardoor geen investeringen beschikbaar. Daarom is er ook geen ambitie opgenomen voor 2013. De cijfers over 2012 komen in de zomer van 2014 beschikbaar.

Noot 2: In september 2012 zullen de TKI’s opgericht zijn. Dan is ook duidelijk hoeveel bedrijven zich hebben aangesloten.

Noot 3: De cijfers betreffen cumulatieve cijfers vanaf de start van het zevende kaderprogramma in 2007. De realisatie 2011 heeft betrekking op de periode 2008 tot en met 2011. Het retourpercentage in KP7 energie voor Nederland is 7,4%. Dit is ruim boven de Nederlandse bijdrage aan het kaderprogramma thema energie van circa 5%.

Bron: «Nederland in KP7», AgentschapNL, 2011.

Green Deal

De Rijksoverheid helpt burgers, bedrijven, organisaties of andere overheden bij het realiseren van duurzame initiatieven die moeilijk van de grond komen. Ze doet dit door een Green Deal af te sluiten. De overheid kan op verschillende manieren helpen bij de totstandkoming van Green Deals, door partijen aan elkaar te koppelen, informatie te verstrekken, onduidelijke regels te schrappen of onduidelijkheden in vergunningverlening daar waar mogelijk weg te nemen. Een belangrijk doel van de Green Deals is dat oplossingen voor problemen bij individuele projecten bijdragen aan het (sneller) ontsluiten van een groter potentieel. Bij de selectie van Green Deal voorstellen worden de volgende criteria gebruikt: het project is in de kern rendabel; het project kan op kortere termijn tot resultaat leiden en bij succes leidt het initiatief tot nieuwe economische activiteiten of een kostenbesparing op korte of langere termijn voor het bedrijfsleven. Een compleet overzicht van Green Deals is te vinden op: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/duurzame-economie/green-deal.

Voornaamste acties in 2013:

  • •  Het optimaal gebruik maken van de mogelijkheden die de Nederlandse Liquified Natural Gas (LNG) terminal biedt om LNG in te zetten als brandstof voor de scheepvaart en zodoende een bijdrage te leveren aan de reducties van emissies. Dit zal met name worden gedaan door uitvoering te geven aan de Green Deal LNG die in 2012 getekend is.

MEP/SDE

Dit betreft de uitfinanciering van verplichtingen die in het verleden in het kader van de Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP) en Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) zijn aangegaan. De MEP-subsidie is verleend aan elektriciteitsproducenten met wind-, zon- en waterkracht en biomassa. Producenten hebben hiervoor tot 18 augustus 2006 een subsidieaanvraag in kunnen dienen. Projecten met een MEP-beschikkingen ontvangen MEP-subsidie tot aan het einde van de subsidietermijn. De MEP-subsidie geldt voor een periode van 10 jaar. Aan het eind van de looptijd wordt de definitieve subsidie vastgesteld.

De regeling SDE is de opvolger van de MEP. De SDE is een exploitatiesubsidie die de onrendabele top (het verschil tussen de kostprijs van duurzame energie en fossiele energie) vergoedt voor projecten op het gebied van hernieuwbaar gas en hernieuwbare elektriciteit en is daarmee breder dan de MEP. In 2011 is de SDE omgevormd en aangepast tot de SDE+.

SDE+

Nederland is gehouden aan de EU-doelstelling van 20% duurzame energie. Voor Nederland betekent dit dat het percentage duurzame energie moet stijgen van de huidige ca 4% naar 14% in 2020. Dit vereist een enorme inspanning. De groei van het aandeel duurzame energie moet worden bereikt met de meest kostenefficiënte opties. Realisatie vindt voornamelijk plaats door de uitvoering van de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie + (SDE+).

De SDE+ beoogt het aandeel duurzame energie in Nederland op een kosteneffectieve wijze te vergroten. De SDE+ richt zich op de opties hernieuwbare elektriciteit, groen gas en hernieuwbare warmte en subsidieert het verschil tussen de kostprijs van duurzame energie en fossiele energie; de zogenaamde onrendabele top. De kosteneffectiviteit wordt bereikt door goedkopere projecten voorrang te verlenen bij het verkrijgen van subsidie. Met de nu geraamde budgetten voor de SDE+ zal het aandeel duurzame energie in de komende jaren met circa 0,5 procentpunt per jaar kunnen groeien, afhankelijk van de beschikbare projecten en de ontwikkeling van de energieprijs. Windenergie op land zal, als relatief goedkope duurzame energieoptie, naar verwachting een grote bijdrage leveren aan het aandeel duurzame energie. De Rijkscoördinatieregeling wordt ingezet om wind op land te faciliteren. Onderzocht wordt of een verplichting voor bij- en meestook van biomassa in kolencentrales of een leveranciersverplichting mogelijk en wenselijk is. Over de vormgeving vindt overleg plaats met de energiesector. Het kabinet onderzoekt hoe de import van hernieuwbare energie kan bijdragen aan het behalen van de doelstelling voor hernieuwbare energie in 2020.

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Duurzame energieproductie

4,2%

2011

14%

2020

CBS

CCS

Op de lange termijn lijkt de inzet van CO2-afvang en opslag (Carbon Capture and Storage, CCS) onontkoombaar om de ambitieuze klimaatdoelen te halen. Daarom stimuleert het kabinet de ontwikkeling van CCS om ervoor te zorgen dat CCS – indien nodig – tijdig industriebreed kan worden ingezet door de energieproductiesector en industriële sectoren die grote hoeveelheden CO2 uitstoten. Nederland behoort, samen met enkele andere landen, Europees en wereldwijd tot de koplopers op het gebied van CCS. Nederlandse onderzoeksinstellingen en bedrijven die betrokken zijn geweest bij de voorbereiding of uitvoering van grootschalige CCS-projecten, kunnen die kennis en ervaring wereldwijd benutten. Dat is goed voor onze economie en voor het klimaat.

Het beleid bestaat uit het steunen van onderzoek en het opzetten van twee grootschalige demonstratieprojecten met opslag onder zee. Het gaat om het ROAD project; afvang en opslag bij de nieuwe E.ON kolencentrale op de Maasvlakte (€ 150 mln cofinanciering van het Rijk). Daarnaast is er het Green Hydrogen project. De initiatiefnemers hebben hiervoor een NER300-subsidieaanvraag bij de Europese Commissie ingediend. Dit project betreft de realisatie van een CO2-afvanginstallatie bij de nieuwe waterstoffabriek van Air Liquide in Rozenburg. De CO2 zal uiteindelijk in de Noordzee worden opgeslagen. Het Rijk heeft € 60 tot € 90 mln cofinanciering toegezegd. Vanzelfsprekend staat veiligheid daarbij voorop.

Hoge Flux Reactor (HFR)

De HFR in Petten is eigendom van de Europese Commissie en wordt geëxploiteerd door de Nucleair Research Group (NRG). De exploitatie van de HFR wordt ondersteund door een reeks aanvullende onderzoeksprogramma's. De voor de HFR opgenomen middelen betreffen de Nederlandse bijdrage aan het «aanvullend programma» van het Joint Research Centre van de Europese Commissie, dat in de HFR wordt uitgevoerd. Het voornaamste doel van het aanvullend onderzoeksprogramma 2012–2015 van de HFR, is een constante en betrouwbare neutronenflux voor experimentele doeleinden te leveren. De totale bijdrage van Nederland, Frankrijk en België voor het aanvullend programma 2012–2015, plus de verwachte commerciële inkomsten (uit de commerciële productie van radio-isotopen voor medische diagnoses), waarborgt een afdoende operationele begroting om de kosten voor de exploitatie van de reactor in de periode 2012–2015 te dekken.

Aanschafsubsidie zonnepanelen

In 2012 is voor het eerst budget beschikbaar gesteld voor een tijdelijke subsidieregeling voor investeringen in zonnepanelen voor kleinverbruikers. Kleinverbruikers kunnen een subsidie ontvangen van 15% van de prijs van de aangeschafte materialen, tot een maximum van € 650,–. De regeling wordt ook in 2013 opengesteld.

Elektrisch rijden

Dit betreft de uitvoering van het plan van aanpak elektrisch vervoer: «Elektrisch rijden in de versnelling». In dit plan wordt de introductie van elektrisch vervoer bevorderd zodat op den duur een zelfdragende markt kan ontstaan. Een aantal focusgebieden en kansrijke marktsegmenten wordt actief gestimuleerd. In samenwerking met andere departementen zorgt EL&I voor gunstige randvoorwaarden: onder andere fiscaal beleid, het bewaken van een open marktmodel voor oplaaddienstverlening en door eigen aankoop- en aanbestedingsbeleid van het Rijk.

Overige subsidies

Dit betreft de uitfinanciering van verplichtingen van reeds beëindigde subsidieregelingen. Dit betreft met name de uitfinanciering van het Besluit Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur (BSIK), Transitiemanagement en duurzame warmte.

Garanties

Geothermie

Geothermie of aardwarmte betreft het winnen van warmte uit diepe aardlagen. In 2020 is het mogelijk 11 petajoule (PJ) door middel van aardwarmte te realiseren en ook na 2020 is het potentieel voor warmte en elektriciteit uit aardwarmte groot. Het ontbreken van een (betaalbare) verzekering is momenteel een belangrijk knelpunt voor de toepassing van aardwarmte.

De garantieregeling Geothermie heeft als doel het afdekken van het risico dat het boren van putten voor de toepassing van aardwarmte niet succesvol is. De overheid dekt dit risico af door middel van het uitgeven van garanties aan marktpartijen. Een derde openstelling van de garantieregeling staat gepland in het najaar van 2012. Beoogd wordt dat marktpartijen het risico op termijn zelf gaan afdekken.

Opdrachten

Joint Implementation

Een deel van de nationale Kyoto-doelstelling wordt gerealiseerd met binnenlandse CO2-reductie. De rest wordt ingevuld met CO2-reductie via aankoop van onder andere Joint Implementation (JI)-rechten in het buitenland.

De kern van JI is dat landen met reductieverplichtingen deze in andere landen kunnen realiseren.

De doelstelling voor de vermeden CO2-uitstoot is 20 Mton, te realiseren over de periode 2008–2012. Over de periode 2008–2011 is inmiddels 12,4 Mton gerealiseerd en geleverd.

In 2013 worden in principe geen emissierechten meer aangekocht. Er is geen streefwaarde voor 2013, de Kyoto periode loopt tot en met 2012. Wel kan het zijn dat er in 2013 (en eventueel 2014–2015) nog emissierechten geleverd worden die in 2012 gegenereerd zijn door de JI projecten. De uiterlijke termijn voor levering van emissierechten gegenereerd tijdens de Kyoto periode is 2015. Het is dus wel denkbaar dat er nog betalingen plaatsvinden in 2013 voor de JI-rechten die zijn gegenereerd in 2012.

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Raming 20131

Streefwaarde

Planning

Bron

1. CO2-uitstoot sectoren industrie/energie

94 Mton

1990

0

109,2 Mton

2012

AgNL

– waarvan: absoluut plafond sector industrie/energie voor bedrijven die vallen onder het emissiehandelssysteem

     

86,8 Mton

2012

AgNL

2. Vermeden CO2-uitstoot voor 2012 via Joint Implementation (JI) en gegroende Assigned Amount Units (AAU’s)

nvt

 

0

19,2 Mton

2012

AgNL

Noot 1: Geen raming voor 2013; de Kyotoperiode loopt tot en met 2013.

Straling

Dit betreft de beoordeling van vergunningen voor nucleaire installaties, het uitvoeren van stresstesten en het bewaken van stralingswaarden. Het toepassen van kernenergie vraagt om prioriteit voor de nucleaire veiligheid. Dit geldt zowel voor bestaande nucleaire inrichtingen als bij het ontwerpen van een nieuwe onderzoeksreactor in Petten. Hiervoor zal een robuust beleidskader en actuele regelgeving voor nucleaire veiligheid en beveiliging worden opgesteld overeenkomstig de meeste recente internationale inzichten.

De uitkomsten van de in 2012 uitgevoerde stresstest bij alle nucleaire inrichtingen zullen worden geimplementeerd. In 2013 start een interactief beleidsproces zodat in 2014 een «Afvalstoffenplan voor radioactief afval» kan worden vastgesteld. Ook zal een zelfevaluatie worden uitgevoerd om na te gaan of Nederland voldoet aan de eisen die de International Atomic Energy Agency (IAEA) stelt aan onder andere het beleid, de regelgeving, het toezicht en de wijze waarop de Nederlandse overheid is georganiseerd. In 2014 zal een IAEA-reviewteam ons land bezoeken en deze zelfevaluatie beoordelen. Het Bijdragebesluit Kernenergiewet zal worden herzien.

Pallas

Een excellente en solide nucleaire kennisinfrastructuur in Nederland is van groot belang voor de nucleaire gezondheidszorg, een verantwoorde toepassing van kernenergie en voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie. Het kabinet en de provincie Noord-Holland investeren elk maximaal € 40 mln in het project Pallas met als doel de realisatie van een nieuwe onderzoeksreactor in Petten. Deze bijdrage is bedoeld voor het ontwerp, de aanbesteding en de vergunningprocedure van de reactor. Voor de realisatie van de onderzoeksreactor wordt een nieuwe, onafhankelijke organisatie opgericht. Deze krijgt de opdracht om te zorgen voor een gezonde businesscase. De bouw en exploitatie van de reactor moet volledig privaat met risicodragend kapitaal worden gefinancierd. Daarbij geldt dat de gemaakte kosten voor ontwerp, aanbesteding en vergunningprocedure door de private investeerders moeten worden terugbetaald.

Onderzoek en opdrachten

Dit betreft kleinere onderzoeksopdrachten – veelal kleiner dan een looptijd van één jaar – die dienen ter ondersteuning van het energiebeleid en die veelal gericht zijn op beantwoording van één specifieke vraag (al dan niet op verzoek van de Tweede Kamer).

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

ECN/NRG

Energie Onderzoekcentrum Nederland (ECN) ontwikkelt als kennisinstelling hoogwaardige kennis en technologie voor een duurzame energievoorziening en brengt deze naar de markt. In de Topsectoraanpak blijven de kennisinstellingen een belangrijke rol spelen, waarbij de onderzoeksprogrammering in belangrijke mate zal worden afgestemd op de onderzoeks- en innovatieagenda (innovatiecontract) voor de Nederlandse energiesector. Voor de Nuclear Research Group (NRG) betreft het onderzoeksactiviteiten op het gebied van de nucleaire veiligheid, radioactief afval en stralingsbescherming. Centraal daarbij staat de ontwikkeling van kennis, producten en processen voor veilige toepassing van nucleaire technologie voor energie, milieu en gezondheid.

Toelichting op de ontvangsten

COVA

Betreft ontvangsten uit hoofde van de voorraadheffing COVA, zoals toegelicht bij de uitgavenpost «Doorsluis COVA heffing».

SDE+

Zoals aangekondigd in het Regeerakkoord uit 2010, worden de uitgaven van de subsidie SDE+ gefinancierd via een opslag op de energierekening. Deze gaat in per 2013, in het jaar dat de eerste substantiële betalingen uit hoofde van de SDE+ worden verwacht. De wet die de opslag mogelijk gaat maken is eind 2011 ingediend bij de Tweede Kamer. In lijn met de geraamde uitgaven van de SDE+ lopen de ontvangsten uit de heffing geleidelijk op naar € 1,4 mld per jaar, het bedrag dat overeenkomstig het Regeerakkoord uit 2010 in structurele zin de bovengrens vormt voor het totaal van de uitgaven van de SDE+regeling en haar voorlopers, te weten de MEP en de SDE.

Aardgasbaten

De raming van de aardgasbaten voor 2012 en verder is gebaseerd op het meest recente scenario van het CPB uit de concept-Macro-Economische Verkenning (concept-MEV). De volgende variabelen zijn hierbij relevant:

Verwachting 2012–2013

2012

2013

Productie aardgas totaal

Bron: TNO

77 mld m3

72 mld m3

Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,27

1,25

Olieprijs (dollar/vat)

Bron: CBS/CPB

104

95

Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

Bron: APX Endex

23,7

23,9

Kengetallen

2008

2009

2010

2011

1. Gewonnen volume aardgas kleine velden

Bron: TNO

36 mld m3

34 mld m3

32 mld m3

29,2 mld m3

2. Aantal boringen exploratie onshore en offshore

Bron: TNO

13

15

12

17

3. Aantal boringen productie onshore en offshore

Bron: TNO

14

28

35

29

4. Productie aardgas totaal

Bron: TNO

79 mld m3

74 mld m3

86 mld m3

78,6 mld m3

5. Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,47

1,39

1,33

1,39

6. Olieprijs (dollar/vat)

Bron: CBS/CPB

97,0

61,5

79,5

111,3

7. Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

Bron: APX Endex

25,9

13,0

15,8

22,9

  • 1 t/m 4  In het kader van voorzieningszekerheid is het van belang dat het aardgas dat zich bevindt in de Nederlandse kleine velden ook wordt gewonnen. Dit omvat zowel het produceren van reeds ontdekte velden (kengetal 1, 3 en 4) als het exploreren van nieuwe velden (kengetal 2). EL&I stelt de randvoorwaarden middels een concurrerend mijnbouwklimaat, marktpartijen nemen de productie en exploratie voor hun rekening. Kengetal 1 geeft de totale hoeveelheid gewonnen gas uit kleine velden (onshore en offshore). Kengetal 4 geeft de totale aardgasproductie in Nederland weer, dus aardgas gewonnen uit kleine velden en het Groningerveld.
  • 5 t/m 7  De bepalende factoren voor de geraamde aardgasbaten zijn de aardgasprijs en het volume van de verkopen. De aardgasprijs is gerelateerd aan enerzijds de prijs van olie in dollars in combinatie met de euro/dollar-koers en anderzijds aan de prijs van gas die onafhankelijk van de olieprijs op de markt tot stand komt op onder andere gasbeurzen.