Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

4.3 Europese geldstromen

Inleiding

Deze bijlage biedt inzicht in de Europese geldstromen voor zover relevant voor de beleidsterreinen van EL&I. Er wordt ingegaan op de Europese begroting, op het Meerjarig Financieel Kader en op een aantal EU-fondsen en EU-programma’s voor de periode 2007–2013 en voor de periode 2014–2020.

De Europese begroting

De Europese begroting is een belangrijk instrument voor het realiseren van de met de lidstaten gedeelde meerjarige beleidsdoelen. Niet elk beleidsdoel vraagt om een evenredige financiële vertaling. Er zijn immers ook andere instrumenten beschikbaar om afgesproken doelen te realiseren, zoals wetgeving. Met circa € 130 mld per jaar (circa 1% van het Bruto Nationaal Inkomen (BNI) van de EU) vormt de Europese begroting evenwel een aanzienlijke geldstroom.

Eens in de zeven jaar vindt een herijking plaats van de hoofdlijnen van het EU-beleid in de Europese begroting. Deze herijking van het EU-beleid vindt plaats via het vastleggen van het Meerjarig Financieel Kader (MFK). In het MFK worden zowel de maximale omvang van de jaarbegrotingen als de verdeling van het geld over de hoofdthema’s van het beleid vastgelegd. Parallel hieraan wordt in het Eigen Middelen Besluit de financiering van het EU-beleid geregeld. Deze afspraken worden aangevuld met een Interinstitutioneel Akkoord over begrotingsaangelegenheden tussen Europese Commissie, Europees Parlement en Raad.

Voor de uitvoering in medebewind van het Europees Beleid worden vanuit de directoraten-generaal van de Europese Commissie eisen gesteld aan de uitvoering door de lidstaat. Deze eisen zijn vastgelegd in Raadsverordeningen en uitgewerkt in Commissieverordeningen en bijbehorende richtsnoeren. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de geharmoniseerde en eenduidige uitvoering van het EU-beleid. Nederland ontvangt uit de diverse EU-fondsen middelen voor de uitvoering van het EU-beleid.

Meerjarig Financieel kader 2014–2020

De Commissie heeft in juni 2011 het voorstel gepresenteerd voor het EU Meerjarig Financieel Kader 2014–2020. De Commissie stelt voor de periode 2014–2020 voor de vastleggingen een plafond voor van € 1 025 mld en voor de betalingen een plafond van ruim € 972 mld. Naast dit bedrag stelt de Commissie voor om ruim € 58 mld aan verplichtingen aan te kunnen gaan buiten het MFK. Het gaat hierbij deels om uitgaven die ook in de lopende periode buiten het MFK gefinancierd kunnen worden, en deels om uitgaven die op dit moment binnen het MFK vallen.

Ter financiering van de begroting stelt de Commissie twee nieuwe eigen middelen voor: een financiële transactiebelasting en een nieuw BTW-middel. Het bestaande op de grondslag van de BTW gebaseerde eigen middel komt te vervallen. De Commissie wil hiermee de in haar ogen noodzakelijke autonomie van de financiering van de begroting versterken en zodoende vermijden dat lidstaten te veel nadruk leggen op hun afdrachten en nettopositie. Aan de financieringskant van de begroting stelt de Commissie verder een correctiemechanisme voor waarin jaarlijks een vast bedrag van de BNI-afdrachten mag worden afgetrokken. Dit systeem zou alle bestaande correcties moeten vervangen. Tot slot stelt de Commissie voor de vergoeding voor de inning van de traditionele eigen middelen te verlagen van 25% naar 10%. Dit betekent een verlaging van de zogenaamde perceptiekostenvergoeding voor de traditionele eigen middelen (douane- en landbouwheffingen) van 25% naar 10%.

De Nederlandse inzet in de MFK-onderhandelingen is verwoord in de Kamerbrieven van maart en september 2011 (TK, 21 501–20, nrs. 529 en 553). Deze inzet moet leiden tot het realiseren van de hoofddoelstelling van het kabinet: substantieel lagere afdrachten aan de EU met een hervormde begroting die is toegespitst op de prioriteiten van dit decennium. Uitgangspunt daarbij is een sobere en effectieve begroting, die toekomstbestendig is en waarvan de lasten evenwichtig worden verdeeld. Het Kabinet zet daarom in op een verlaging van het Commissievoorstel met tenminste € 100 mld in betalingen. Daarnaast zet het Kabinet in op behoud van de huidige korting die het ontvangt op de EU-afdrachten en behoud van de perceptiekostenvergoeding van 25%.

Tenminste 85% van het EU-budget raakt EL&I beleidsterreinen. De inzet van EL&I op het MFK richt zich op Gemeenschappelijk Landbouw Beleid, Gemeenschappelijk Visserijbeleid, cohesiebeleid en onderzoek en innovatie, maar gaat ook verder dan dat met beleidsterreinen als energie, ICT, ruimtevaart, Globaliseringsfonds en horizontale MFK-elementen.

De Europa-2020 strategie

De Europa 2020-strategie is de langetermijnstrategie van de Europese Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei. Deze strategie moet zowel een goede uitweg uit de crisis bieden als ambitieuze structurele hervormingen in gang zetten. Nederland heeft positief gereageerd op de strategie waarbij de nadruk wordt gelegd op groei en werkgelegenheid, met een centrale plaats voor sociaal- en duurzaamheidsbeleid. In de ogen van Nederland en de Commissie zou de EU-begroting zoveel mogelijk moeten bijdragen aan het realiseren van de Europa 2020 strategie. De strategie heeft vijf hoofddoelstellingen, waarvan twee voornamelijk liggen op het terrein van EL&I. Dat is het doel om R&D uitgaven te doen stijgen tot 3% van het bruto binnenlands product en het doel om energie-efficiëntie en duurzame energie te bevorderen en CO2 uitstoot te verminderen.

Eigen Middelen EU

De Eigen Middelen van de EU bestaan uit de volgende onderdelen:

  • 1.  Traditionele eigen middelen (vooral invoerrechten)
  • 2.  BTW-afdracht
  • 3.  Afdracht op basis van het Bruto Nationaal Inkomen (BNI)

De voor EL&I relevante afdrachten zijn de zogenaamde douanerechten op landbouwproducten en productieheffingen (categorie 1: Traditionele eigen middelen). Deze ontvangsten worden op de EL&I begroting verantwoord (artikel 16) en worden na aftrek van een perceptiekostenvergoeding (25%) via de begroting van Buitenlandse Zaken afgedragen aan de EU. De ontvangsten voor douanerechten op landbouwproducten worden voor 2013 geraamd op circa € 250 mln.

De verschillende EU-programma’s en EU-fondsen

De Europese Commissie stelt voor de realisatie van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, het Gemeenschappelijk Visserijbeleid en het Europees structuurbeleid middelen uit EU-fondsen aan de lidstaten beschikbaar.

Voor EL&I zijn de volgende EU-programma’s en EU-fondsen relevant:

  • 1.  Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 1e pijler (GLB): het Europees Lanbouwgarantiefonds (ELGF);
  • 2.  Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2e pijler (POP): het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO);
  • 3.  Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB): het Europees Visserijfonds (EVF);
  • 4.  Europees Structuurbeleid: Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO);
  • 5.  Zevende Kaderprogramma voor onderzoek en technologishe ontwikkeling (KP7);
  • 6.  Programma’s Eurostars en Joint Technology Initiatives (JTI);
  • 7.  Horizon 2020 (periode 2014–2020, opvolger van KP7).

Binnen het GLB zijn twee pijlers te onderscheiden. De eerste pijler bestaat uit inkomenssteun en markt- en prijsbeleid. Met behulp van instrumenten als interventiemaatregelen, rechtstreekse inkomenssteun en exportrestituties richt deze pijler zich op het stabiliseren van landbouwprijzen en -inkomens. De tweede pijler betreft het plattelandsbeleid. Deze pijler richt zich op de kwaliteit van alle plattelandsgebieden in de EU.

Het GVB is in de eerste plaats gericht op de ontwikkeling van een verantwoorde visserijketen waarmee een evenwichtige en duurzame exploitatie van de visstand wordt bevorderd. Hiertoe zijn in EU-verband regels opgesteld, zoals beperkingen voor bepaalde visserijmethoden. Tevens zijn afspraken gemaakt ter bevordering van de stabiliteit van de vismarkt.

Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) wordt in Nederland gebruikt voor het uitbouwen van de sterke punten in de regio en voor innovatie. Ook worden uit het fonds grensoverschrijdende programma's (Interreg) gefinancierd.

Daarnaast zijn er een aantal communautaire programma’s die uitgevoerd worden door de Europse Commissie en waarvoor EU steun kan worden verkregen. Dit betreft met name het 7e Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP7) voor de periode 2007–2013 en haar opvolger, Horizon 2020, kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, periode 2014–2020. Een beperkt deel van het budget voor het Europees Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling wordt gealloceerd bij publiekpublieke en publiekprivate programma’s. Uitvoering van dat deel van het budget geschiedt niet door de Europese Commissie (zoals regulier het geval is bij het Kaderprogramma) maar door de daarvoor opgerichte samenwerkingsvorm.

1. Gemeenschappelijk Landbouwbeleid1e pijler (GLB): Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)

De EU-steun voor het GLB bedraagt jaarlijks circa € 1 mld voor inkomenssteun en markt- en prijsmaatregelen. De steun voor markt- en prijsmaatregelen fluctueert afhankelijk van de marktomstandigheden. Ten aanzien van het GLB is EL&I verantwoordelijk voor een recht- en doelmatige uitvoering van het op EU-niveau vastgestelde beleid binnen Nederland. De uitvoering van het GLB is aan stringente Europese voorwaarden gebonden die met name de rechtmatigheid van de uitvoering moeten waarborgen. Deze voorziet ondermeer in uitvoering door een beperkt aantal erkende betaalorganen, een erkennende instantie, een coördinerende en een certificerende instantie. De bedragen die Nederland ontvangt voor dit beleid komen uit het Europees Landbouwgarantiefonds.

Bedrijfstoeslag

Tot 2003 was het subsidiebeleid in de landbouw gebaseerd op de omvang van de productie. Dit beleid was de hoofdoorzaak van de toen veelvuldig voorkomende overschotten op de Europese markt voor agrarische producten. In 2003 is besloten om de subsidie los te koppelen van productie. In plaats daarvan krijgen boeren een bedrijfstoeslag. Aan de berekening van de bedrijfstoeslag ligt het «historisch model» ten grondslag. Dit betekent dat de toeslag wordt berekend op basis van de subsidies die de ondernemer tussen 2000 en 2002 ontving.

Om de bedrijfstoeslag te krijgen moet voldaan worden aan een flink aantal wettelijke voorschriften. De verbinding van de bedrijfstoeslag aan deze wettelijke voorschriften wordt «cross-compliance» genoemd.

Nederland is in 2006 begonnen met de betaling van ontkoppelde inkomenssteun. In de zuivelsector geldt de ontkoppeling vanaf 1 januari 2007. De slachtpremies voor kalveren en volwassen runderen, de notenpremie en de eiwitpremie zijn in 2010 ontkoppeld. In 2012 is de steun voor aardappelzetmeel, de verwerkingssteun voor gedroogde voedergewassen, de verwerkingssteun voor vlas en hennep en de steun voor zaaizaad van vlas losgekoppeld van de productie.

Verordening (EG) nr. 73/2009: artikel 68

Op basis van artikel 68 mag Nederland een deel van de nationale enveloppe voor inkomenssteun herbestemmen voor het stimuleren van bijvoorbeeld milieuvriendelijke landbouw, kwaliteitslandbouw en risicoverzekeringen. Hiermee kunnen de betreffende middelen behouden blijven in de eerste pijler. Nederland wil met artikel 68 de ontwikkeling van dier- en milieuvriendelijke productiemethoden bevorderen, een brede weersverzekering initiëren, de introductie van een elektronisch identificatie- en registratiesysteem voor schapen en geiten bevorderen en een vaarvergoeding beschikbaar stellen in waterrijke landbouwgebieden met percelen die louter over water zijn te bereiken.

In 2011 is besloten het bestaande pakket artikel 68 maatregelen te continueren en in 2012 en 2013 verder uit te bouwen (TK, 28 625, nr. 125).

In onderstaande tabel 1 is een overzicht gegeven van de lopende artikel 68 maatregelen in 2012 en 2013.

Tabel 1. Overzicht van de artikel 68 maatregelen in 2012 en 2013

(Begrote bedragen x € mln)

2012

2013

Dierenwelzijn

   

– Investeringsregeling duurzame stallen (alle dierlijke sectoren)

15,2

14,2

– Subsidieregeling diervriendelijk produceren (leghennen, vleesrunderen, vleeskalveren, varkens en vleeskuikens; elk € 300 000)

1,5

1,5

– Diervriendelijke kalvervloeren

0,8

0,8

– Stimulering precisielandbouw en milieuvriendelijke bewaarplaatsen

10,0

10,0

Vaarvergoeding

1,1

1,1

Elektronische identificatie en registratie schapen/geiten

   

– Investering identificatie en registratie

1,5

1,5

Verzekeringen

   

– brede weersverzekering

5,6

5,6

– risicoverzekeringen dier/plant

2,2

2,2

Totaal

37,9

36,9

Melkquotering

In 2008 en 2009 is het melkquotum met 2,5% verruimt en vanaf 2010 wordt dit quotum jaarlijks met 1% verruimd. De Europese Commissie zal regelmatig met nieuwe marktrapporten komen en daarbij bezien of er ruimte is voor verdere maatregelen in het kader van de zachte landing van het melkquotum. Het eerstvolgende rapport zal eind 2012 verschijnen. Het eerdere besluit om de melkquotering per 2015 te beëindigen staat nog steeds.

Tabel 2. Omvang Nederlandse melkquotum in de periode 2010–2015 (x 1 000 kg)

jaar

2010/11

2011/12

2012/13

2013/14

2014/15

Quotum

11 696 089

11 813 050

11 931 181

12 050 493

12 050 493

Markt- en prijsbeleid

Het markt- en prijsbeleid is afgebouwd met als doel de landbouw marktgerichter te maken. Zo zijn interventieregelingen beperkt in duur en omvang en zijn een aantal interne afzetmaatregelen afgeschaft. Wel is de schoolfruit- en schoolmelkregeling als afzetbevorderende maatregel gecontinueerd. Ook blijft het afgeslankte interventieprijssysteem bestaan als vangnet voor ernstige marktverstoringen. Daarnaast blijft de particuliere opslagregeling voor enkele producten jaarlijks opengesteld. Voor Nederland is deze regeling met name voor boter van belang.

Specifiek voor de zuivelsector is in het in 2012 geaccordeerde «zuivelpakket» de mogelijkheid gecreëerd dat producentenorganisaties ten behoeve van hun leden onderhandelen met zuivelverwerkers over de voorwaarden in de leveringscontracten. Daarnaast kunnen lidstaten in de zuivelsector leveringscontracten verplichten tussen boeren en verwerkers van rauwe melk. Van deze optie zal Nederland vooralsnog geen gebruik maken.

De ontkoppeling van subsidie en productie is praktisch voltooid, zodat ook via deze weg de landbouw zich meer zal laten leiden door marktimpulsen. Zoals nu is afgesproken, zal de steun in alle sectoren, met uitzondering van de gekoppelde zoogkoepremie (in Nederland al ontkoppeld sinds 2007) uiterlijk 2012 moeten zijn ontkoppeld. Sommige EU-lidstaten handhaven echter de koppeling voor enkele producten zoals voor vezelgewassen.

2. Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2e pijler (POP) : Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)

Het Nederlandse Plattelandsontwikkelingsprogramma voor de periode 2007–2013 (POP2) is in juni 2007 door de Europese Commissie goedgekeurd en daarmee in werking getreden.

Met het POP2 streeft Nederland drie inhoudelijke doelen na, in lijn met de doelen van verordening 1698/2005:

  • •  het versterken van het concurrentievermogen van de land- en bosbouw;
  • •  de verbetering van natuur en milieu door landbeheer;
  • •  het verhogen van (a) de leefkwaliteit op het platteland en (b) diversificatie van de plattelandseconomie.

Een vierde doel is meer procesmatig van aard en betreft het bevorderen van lokale plattelandsontwikkeling via de LEADER-aanpak. Dit is een gebiedsgerichte en bottom up-werkwijze voor bepaalde aspecten van plattelandsproblematiek. Het programma LEADER+, voorheen onderdeel van het Structuurbeleid, maakt sinds 2007 deel uit van het POP2.

In tabel 3 is een overzicht opgenomen van de financiële bijdragen vanuit het Europese Fonds voor Plattelandsontwikkeling. Het betreft het totaal door de EU voor Nederland gereserveerde middelen uit het Programma voor Plattelandsontwikkeling voor de periode 2007–2013 (POP2). Tevens is aangegeven welk deel van deze gereserveerde middelen beschikbaar is in 2013.

Daarnaast is de realisatie per april 2012 aangegeven en het bedrag dat in de rest van de programmaperiode nog gedeclareerd kan worden.

De gerealiseerde uitgaven worden op declaratiebasis in rekening gebracht bij het ELFPO via de erkende betaalorganen Dienst Regelingen (ELGF) en Dienst Landelijk Gebied (ELFPO). De betaalorganen verantwoorden deze declarabele uitgaven bij de EU-Landbouwfondsen.

In de tabel zijn de oorspronkelijk geraamde middelen opgenomen voor de periode 2007–2013. Het betreffen dus geen gerealiseerde uitgaven over 2007 tot en met 2010. Dit houdt verband met de (N+2)-regel die de Europese Commissie hanteert voor de tweede pijler: lidstaten kunnen 2 jaar na afloop van het betreffende EU-begrotingsjaar een declaratie indienen over de projecten. Zo mogen de jaartranches van 2007 bijvoorbeeld uiterlijk tot en met 2009 uitgegeven worden. De uitgaven voor de programmaperiode 2007–2013 kunnen tot uiterlijk 2015 worden gedaan.

Tabel 3. Middelen GLB, pijler 2 ten gunste van Nederland voor de periode 2007–2013 (bedragen x € 1 mln) en 2013 tov realisatie per 1 april 2012
 

Beschikbaar totale periode 2007–2013

Waarvan beschikbaar in 2013

Realisatie

per 1 april

2012

Restant beschikbaar voor de periode april 2012 t/m 2015

GLB/pijler 2 (POP2) inc. Health Check en Economisch Herstelplan

       

As 1: Versterking concurrentiekracht landbouw en bosbouw

202

38

48

154

As 2: Verbetering van het milieu en het platteland

184

32

102

82

As 3: Leefkwaliteit op het platteland en diversificatie plattelandseconomie

150

24

68

82

As 4: Uitvoering LEADER-aanpak

54

8

27

27

Kosten technische bijstand

3

0,7

2

1

Totaal POP

593

102,7

247

346

Uitvoering van de POP2-maatregelen gebeurt op basis van de provinciale verordeningen en financiële regelingen van EL&I. Op de besteding van deze geldstromen is één beheers- en controlemechanisme van toepassing. De Minister van EL&I is als beheersautoriteit voor het POP2 eindverantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige uitvoering van het POP2.

Health-check GLB en Economische Herstelplan

In november 2008 is in het kader van de Health Check van het GLB besloten financiële middelen over te hevelen van de 1e pijler naar de 2e pijler (progressieve modulatie). Ook zijn er aanpassingen gedaan in het kader van het Economische Herstelplan. Daarmee is er circa € 97 mln EU-steun beschikbaar gekomen voor het Nederlandse POP2 in de periode 2009–2013.

In onderstaande tabel is de besteding van de middelen aangegeven.

Tabel 4. Additionele EU-bijdrage 2009–2013 op basis van Health Check en Economisch Herstel Plan (POP-NU) (x € 1 mln)

As

Overheidsbijdragen totaal

Procentuele ELFPO-bijdrage (%)

Bedrag ELFPO-

bijdrage

1. Versterking concurrentiekracht landbouw en bosbouw

74,1

75%

55,6

2. Verbetering van het milieu en het platteland

40,9

75%

30,7

3. Leefkwaliteit op het platteland en diversificatie plattelandseconomie

15,1

75%

11,3

4. Uitvoering LEADER-aanpak

0

n.v.t.

0

Kosten technische bijstand

0

n.v.t.

0

Totaal

130,1

 

97,6

Met de ophoging van bovengenoemde gelden komt de totale enveloppe POP2 voor Nederland voor de periode 2007–2013 op ongeveer € 593 mln. EU-middelen.

Voorbereiding voor een nieuw GLB 2014–2020 (pijler 1 en 2)

Op 12 oktober 2011 is de Europese Commissie met wetgevingsvoorstellen gekomen voor de vormgeving van het nieuwe GLB na 2013.

De volgende punten vormen gezamenlijk de kern van deze hervormingsplannen:

  • 1. 

    Meer gerichte inkomenssteun voor boeren

    De Commissie wil vasthouden aan het systeem van directe inkomenssteun. Met het behoud van de directe steun wil de Commissie groei en werkgelegenheid stimuleren. De steun wordt wel meer gericht en gemaximeerd.

  • 2. 

    Zogeheten «groene» betalingen voor productiviteit op de lange termijn en behoud van ecosystemen

    De Commissie wil dat de agrarische sector naast economisch ook «ecologisch concurrerend» wordt. Daarom wil zij 30% van de directe steun geven aan boeren die zijn overgegaan op milieuvriendelijke bedrijfsvoering. Hiermee wordt afgestapt van straffen en verplichtingen en overgegaan op positieve financiële prikkels om milieuvriendelijk gedrag te stimuleren.

  • 3. 

    Meer directe en adequate middelen om nieuwe economische uitdagingen het hoofd te kunnen bieden

    Europa wil boeren gaan helpen bij het opzetten van collectieve fondsen en verzekeringssystemen om de gevolgen van grote prijsschommelingen in de sector te kunnen opvangen.

  • 4. 

    Een meer concurrerende en gebalanceerde voedselketen

    De agrarische sector is niet concurrerend genoeg omdat boeren niet goed georganiseerd zijn en daardoor geen vuist kunnen maken tegen de bedrijven die hun producten afnemen. Ook zijn afstanden vaak lang, waardoor de kosten toenemen. De Commissie wil faciliteiten in de wetgeving vastleggen om deze tekortkomingen aan te pakken.

  • 5. 

    Meer investeren in onderzoek en innovatie

    De Europese Commissie wil het budget voor onderzoek en innovatie in de agrarische sector verdubbelen tot meer dan 4,5 miljard euro. Daarnaast wil zij ervoor zorgen dat boeren gemakkelijker toegang krijgen tot nieuwe kennis.

  • 6. 

    Aanmoedigen van initiatieven die zowel landbouw als milieu aangaan

    Het gezamenlijke land- en bosbouwareaal in Europa beslaat twee derde van het gehele Europese landoppervlak. Land- en bosbouw bepalen dus voor een groot gedeelte hoe de ruimte waarin wij leven eruit ziet. De Commissie wil initiatieven ondersteunen die ervoor zorgen dat economie en milieu hand in hand gaan, rekening houdend met de verschillende regionale karakteristieken.

  • 7. 

    Financiële steun voor beginnende jonge boeren

    Meer dan twee derde van de Europese boeren is ouder dan 55 jaar. Om de toekomst van de sector zeker te stellen wil de Commissie jonge boeren gedurende de eerste vijf jaar van het bestaan van hun bedrijf extra financiële ondersteuning bieden.

  • 8. 

    Stimulering van werkgelegenheid en ondernemerschap in plattelandsgebieden

    De Commissie wil de economie in plattelandsgebieden extra ondersteunen door jonge en kleine dynamische bedrijven een «Start Up Kit» van maximaal € 70 000 te bieden om hun bedrijf zonder al te veel bureaucratie te kunnen opstarten.

  • 9. 

    Meer aandacht besteden aan kwetsbare gebieden

    Sommige agrarische gebieden zijn extra kwetsbaar omdat zij bergachtig zijn, de bodem minder vruchtbaar is, of omdat zij meer dan andere gebieden onderhevig zijn aan de gevolgen van klimaatverandering. Toch is de agrarische sector vaak de enige vorm van economie die in deze gebieden kan bestaan. De Commissie wil daarom extra geld uittrekken voor ondersteuning aan deze gebieden, mede vanwege de sociale gevolgen die verloedering met zich mee zou brengen.

  • 10. 

    Een eenvoudiger en efficiënter gemeenschappelijk landbouwbeleid

    De 30% van de subsidie-ontvangers die slechts 3% van het landbouwoppervlak beheert, moet voor hun geld door dezelfde bureaucratische molen als de grotere bedrijven. Kleine bedrijven zijn daardoor procentueel meer tijd en geld kwijt aan dergelijke bezigheden. Daarom wil de Commissie de administratieve lasten voor kleine boerenbedrijven verminderen.

Nederlandse inzet bij de voorbereiding voor een nieuw GLB 2014–2020 (pijler 1 en 2)

De belangrijkste punten van de Nederlandse inzet zijn:

  • 1.  de vervanging (op termijn) van de huidige directe betalingen door doelgerichte betalingen. De directe betalingen zouden niet langer gebaseerd moeten zijn op in het verleden gerealiseerde productie en premies. De toekomstige, doelgerichte betalingen zullen zich moeten richten op:
    • a.  versterking van concurrentiekracht, duurzaamheid en innovatievermogen van de landbouwsector;
    • b.  de beloning voor bovenwettelijke maatschappelijke prestaties op het terrein van bijvoorbeeld natuur, milieu, landschap, diergezondheid en dierwelzijn;
  • 2.  geen uitbreiding van het markt- en prijsbeleid; beperking tot een «vangnet-niveau», met een inzet op afschaffing van de exportsubsidies per 2013;
  • 3.  een plattelandsbeleid dat zich richt op Europese prioriteiten en daarbinnen op agrarische activiteiten;
  • 4.  vereenvoudiging van het GLB in combinatie met een versterking van het financieel beheer en de financiële verantwoording (TK, 31 335, nr. 11), gericht op een verlaging van de administratieve lasten voor de boer en de uitvoeringslasten voor de overheid. Hierbij moet de rechtmatigheid van de besteding van Europese middelen geborgd zijn;
  • 5.  volwaardige aandacht voor de externe effecten van het GLB specifiek voor ontwikkelingslanden.

De Nederlandse inzet bij de gesprekken over het nieuwe GLB zal in lijn zijn met de Nederlandse inzet in de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader voor 2014–2020 (TK, 21 501-20, nr. 553). Hierbij wordt ingezet op een substantiële vermindering van de Nederlandse afdrachten aan de EU en een hervormde begroting, die is toegespitst op de prioriteiten van dit decennium. De budgettaire omvang van het nieuwe GLB sluit aan bij de relevante moties van de Kamer (TK, 32 502, nr. 7) en (TK, 32 500 XIII, nr. 115).

3. Gemeenschappelijk Visserij Beleid (GVB): Europees Visserij Fonds (EVF)

Het GVB is in de eerste plaats gericht op de ontwikkeling van een verantwoorde visserijketen waarmee een evenwichtige en duurzame exploitatie van de visstand wordt bevorderd. Hiertoe zijn in EU-verband regels opgesteld, zoals beperkingen voor bepaalde visserijmethoden. Tevens zijn afspraken gemaakt ter bevordering van de stabiliteit van de vismarkt.

Nederland maakt gebruik van het Europees Visserij Fonds (EVF) om deze doelen te bereiken.

Europees Visserij Fonds (EVF)

Nederland ontvangt uit het EVF een communautaire bijdrage van € 48,6 mln voor de periode 2007–2013. Daarnaast levert Nederland een nationale bijdrage van € 72,1 mln. In het operationeel programma EVF is de gedetailleerde financiële tabel voor de gehele programmeringsperiode 2007–2013 opgenomen. De bijdrage van de EU voor de periode 2007–2013 heeft betrekking op duurzame visserijmethoden (€ 16,9 mln), maatregelen op het terrein van aquacultuur, binnenvisserij, verwerking en afzet (€ 7,5 mln), innovatieve projecten (€ 16,8 mln), gebiedsgerichte activiteiten (€ 5 mln) en technische bijstand (voorbereiding, toezicht, administratieve ondersteuning) (€ 2,4 mln).

In tabel 5 zijn de maatregelen voor 2013 aangegeven.

Tabel 5. Geraamde programma-uitgaven voor het jaar 2013 (bedragen x € 1 mln)
 

EU

EL&I

Totaal

Europees Visserij Fonds (EVF)

     

OD 21.14 Bevorderen duurzame vangst

en kweek van schelpdieren

     

Duurzame visserijmethodes

0,1

1,0

1,1

Aquacultuur, binnenvisserij, verwerking

en afzet

0,4

0,6

1,0

Innovatieve proefprojecten

3,6

4,5

8,1

Gebiedsgerichte activiteiten

1,7

0,81

2,5

Technische bijstand

0,4

0,4

0,8

Totaal

6,2

7,3

13,5

Noot 1: betreft bijdragen van de provincies

Onderstaande tabel bevat de verdeling van de financiële verplichtingen over de jaren. De daadwerkelijke uitgaven vallen mogelijk in andere jaren (de n+2 regel). Nederland hanteert in het overzicht de jaartranches zoals de Europese Commissie deze heeft aangegeven. Deze zijn gebaseerd op het prijsniveau 2007.

Tabel 6. Overzicht jaarlijks beschikbare middelen EVF en nationaal (x € 1 mln)
 

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Totaal

EVF

6,5

6,7

6,8

6,9

7,1

7,2

7,4

48,6

Nationaal

21,0

8,0

8,6

9,3

7,4

10,9

6,8

72,0

Totaal

27,5

14,7

15,4

16,2

14,5

18,1

14,2

120,6

Ontwikkelingen GVB 2014–2020

De Commissie heeft in de Raad van juli 2011 haar pakket met voorstellen, met uitzondering van het voorstel voor het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV), gepresenteerd78. In de Raad van december 201179 is het voorstel voor het EFMZV, gepresenteerd. De onderhandelingen zijn in het voorjaar van 2012 gestart. In de kabinetsreactie80 op de GVB wetgevingsvoorstellen is de inzet van het kabinet voor de onderhandelingen vastgelegd. Naar verwachting zal de besluitvorming over het hervormde GVB pas in 2013 worden afgerond.

4. Het Europees Structuurbeleid

Bij het vaststellen van de Financiële Perspectieven van de EU zijn voor de periode 2007–2013 middelen gereserveerd voor de EU-structuurfondsen.

Nederland ontvangt in deze periode circa € 1,9 mld, waarvan € 1,660 mld bestemd is voor Doelstelling 2 (regionale Concurrentiekracht en Werkgelegenheid) en € 291 mln voor Doelstelling 3/Interreg IV (Europese Territoriale Samenwerking). De verdeling van het budget uit de structuurfondsen is neergelegd in het Nationaal Strategisch Referentiekader (NSR).

Naast de Europese middelen worden de projecten ook uit rijksmiddelen gefinancierd, die namens het rijk op de EL&I begroting staan. Gegevens over de EFRO-middelen en de rijkscofinanciering zijn opgenomen in artikel 18 van deze begroting.

De Europese Structuurfondsen hebben als doel de economische concurrentiekracht te versterken en de cohesie tussen regio’s en lidstaten binnen Europa te vergroten. EL&I is lidstaat verantwoordelijk voor vier landsdelige programma’s en één grensoverschrijdend programma, Euregio Maas–Rijn. Daarnaast maakt Nederland nog deel uit van drie andere grensoverschrijdende programma’s. Voor de periode 2007–2013 is hiervoor ongeveer € 1,1 mld Europees geld beschikbaar, wat komt uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling.

Binnen de landsdelige programma’s zijn drie prioriteiten waarop geïnvesteerd wordt, waarbij de innovatieprioriteit zeer populair is. Deze is ingesteld naar aanleiding van de Lissabon-agenda. Daarnaast wordt er ook geïnvesteerd in regio’s en steden, om deze aantrekkelijker te maken voor mensen en bedrijven om zich daar te vestigen.

Inmiddels is de huidige programmaperiode over de helft en zijn in grote mate de middelen toegekend aan projecten. Daarmee is ook een omslagpunt bereikt waarbij de nadruk van de programma’s verschuift van de selectie van projecten naar het beheer op de uitvoering van deze projecten. Voor EL&I houdt dit in dat bij de reguliere taken de nadruk komt te liggen op twee hoofdonderwerpen: het ondersteunen van de managementautoriteiten bij het beheer en de discussie over de toekomst van het cohesiebeleid. De focus zal liggen op de onderhandelingen met de Commissie en de andere lidstaten. In de Nederlandse kabinetsinzet is aangegeven dat de toekomstige middelen enkel worden gericht op de armste regio’s in de armste lidstaten. Naast dit budgettaire aspect zal een belangrijk deel van de discussie gaan over vereenvoudiging van beheer en controle en de koppeling van de middelen aan de Europa 2020 strategie. In deze strategie wordt opgeroepen om te investeren in slimme en duurzame groei.

Ontwikkelingen structuurbeleid 2014–2020

In de Nederlandse kabinetsinzet is aangegeven dat de toekomstige middelen enkel worden gericht op de armste regio’s in de armste lidstaten. Dit standpunt is niet van toepassing op de grensoverschrijdende samenwerking. Het kabinet is van mening dat dit voor alle lidstaten van belang is. Naast dit budgettaire aspect zal een belangrijk deel van de discussie gaan over vereenvoudiging van beheer en controle en de koppeling van de middelen aan de Europa 2020–strategie. In deze strategie wordt opgeroepen om te investeren in slimme en duurzame groei. In oktober 2011 zijn de voorstellen voor de nieuwe programmaperiode gepresenteerd. De cohesiemiddelen moeten worden geïnvesteerd in 11 thema’s, die een sterke koppeling met de Europa 2020 strategie kennen. Belangrijk hierbij is de focus op innovatie, MKB en low carbon. Daarnaast dient sterk ingezet te worden op meer resultaatgerichtheid en goed financieel beheer. In de komende maanden zal EL&I met de regio’s werken aan de programmatische uitwerking van deze voorstellen. Hierbij is het ook belangrijk dat er wordt gekeken naar de synergiemogelijkheden met H2020 en de andere Europese fondsen zoals ESF en ELFPO. Een van de mogelijkheden om dit tot stand te brengen is smart specialisation strategy (S3) die opgesteld dient te worden om te mogen investeren in het thema innovatie. Deze S3 vereist een duidelijke visie over de sterktes van een regio en hoe de verschillende Europese en nationale middelen daar aan bij kunnen dragen. In dit licht is onder meer een goede koppeling te maken met Horizon 2020, door in te zetten op enerzijds de kennisinfrastructuur en anderzijds op de valorisatie van de onderzoeksresultaten die zijn geboekt door inzet van Horizon 2020.

5. Zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP7) periode 2007–2013

KP7 heeft tot doel de wetenschappelijke en technologische basis van de Europese industrie en kennisinstellingen te verbeteren en de Europese concurrentiepositie binnen het mondiale krachtenspel te versterken. Daarnaast dient het programma ook een maatschappelijk doel: wetenschap en de industrie uitdagen om oplossingen te ontwikkelen voor belangrijke maatschappelijke vraagstukken.

Ondersteuning gebeurt door financiering van onderzoekssamenwerking, individuele onderzoekers op grond van excellente onderzoeksvoorstellen, mobiliteit van onderzoekers en door capaciteitsversterking.

Budget en uitvoeringsverantwoordelijkheid van dit programma liggen bij de Europese Commissie. EL&I werkt voor de Nederlandse inzet in het kaderprogramma nauw samen met OCW en andere departementen. Agentschap NL stimuleert en ondersteunt Nederlandse deelnemers aan het kaderprogramma, in opdracht van EL&I, andere departementen en de Europese Commissie.

In de periode van 2007 tot en met 2013 trekt de Europese Commissie ruim € 50 mld uit voor het stimuleren van onderzoek en innovatie. Gebaseerd op ervaringen uit het verleden zal Nederland jaarlijks ongeveer 6,7% terugontvangen, grotendeels via programma- en projectsubsidies.

6. Eurostars en JTI’s

Naast bijdrages aan projecten draagt de Europese Commissie vanuit het Kaderprogramma ook bij aan publiekpublieke en publiekprivate programma's. Publiekpublieke programma's zijn gebaseerd op artikel 185 van het EU-werkingsverdrag en worden ook nationaal gecofinancierd. Het Ministerie van EL&I cofinanciert één daarvan direct, het artikel 185 initiatief Eurostars, dat gericht is op het MKB. Indirect (via het standaardeninstituut VSL) wordt het artikel 185 initiatief European Metrology Research Programme door het Ministerie van EL&I gecofinancierd. De publiekprivate programma's, zogenaamde Joint Technology Initiatives, worden in een aantal gevallen eveneens nationaal gecofinancierd. Het Ministerie van EL&I cofinanciert de JTI's Artemis en Eniac gericht op respectievelijk embedded computing systems en nano electronica.

De verwachting is dat onder Horizon 2020 het koppelen van nationale publieke financiering aan Europese middelen verder door zal zetten. Dit leidt ertoe dat het aantal samenwerkingsvormen waarvoor nationale cofinanciering vereist is, zal toenemen.

7. Horizon 2020 (kaderprogramma voor onderzoek en innovatie) periode 2014– 2020

Horizon 2020 is de opvolger van KP7, en omvat ook de eerder afzonderlijke European Institute of Innovation and Technology (EIT) en de innovatiegerelateerde onderdelen uit het Concurrentiekracht en Innovatieprogramma (CIP).

Meer nog dan in KP7 zal Horizon 2020 gericht zijn op maatschappelijke uitdagingen. Bovendien is een sterk punt het samenbrengen van onderzoek en innovatie in één strategisch kader en toegang tot financiering en ondersteuning van precommercieel en innovatiegericht aanbesteden. Horizon 2020 moet daarmee één van de belangrijkste instrumenten worden om ook de Europese Onderzoeksruimte te versterken.

De door het kabinet vastgestelde economische topsectoren sluiten goed aan op de maatschappelijke uitdagingen en de industriële technologieën in Horizon 2020. De innovatiecontracten binnen deze topsectoren zijn voor Nederland leidraad bij de onderhandelingen over de verdere invulling van deze programmaonderdelen.

Voortbouwend op de discussie over Horizon 2020 is cofinanciering van Europese Public Private Partnerships (PPP’s) op het gebied van onderzoek en innovatie een belangrijk aandachtspunt voor Nederland. Nederland zet zich in voor een flexibele constructie waarbij lidstaten zelf kunnen kiezen of, en op welke wijze, ze bij willen dragen aan deelname van nationale bedrijven en kennisinstellingen aan de Europese PPP’s.

Noot 78: TK, 2010–2011, 21 501 32, nr. 503 en nr. 509

Noot 79: TK, 2011–2012, 21 501 32, nr. 530 en nr. 539

Noot 80: TK, 2011–2012, 32 201, nr. 20