Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2.3 Overheidsfinanciën in 2013

In 2013 komt het begrotingstekort naar verwachting uit op 16,7 miljard euro (uitgedrukt in een percentage van de economie is dit 2,7 procent van het bbp). De totale uitgaven bedragen in 2013 naar verwachting 248,9 miljard euro, waarvan ruim de helft wordt besteed aan sociale zekerheid en zorg. De totale inkomsten voor 2013 worden geraamd op 235,4 miljard euro, met als grootste categorieën de omzetbelasting en de loon- en inkomstenbelasting (in totaal ongeveer een derde van de rijksinkomsten). Het begrotingstekort van de centrale overheid komt neer op het verschil tussen deze uitgaven en de inkomsten (in 2013 een tekort van 13,5 miljard euro).

Begrotingstekort in 2013 16,7 miljard euro

Behalve de centrale overheid, hebben ook gemeentes, provincies en waterschappen een tekort op de begroting. Het gezamenlijke tekort van deze decentrale overheden wordt voor 2013 geraamd op 3,2 miljard euro. Het tekort van de centrale overheid plus het tekort van de decentrale overheden vormen samen het begrotingstekort van de gehele collectieve sector, ofwel het totale EMU-saldo van de overheid. Zie figuur 2.2 voor de samenhang tussen uitgaven, inkomsten en begrotingstekort.

Figuur 2.2 Samenhang uitgaven, inkomsten en saldo 2013 (in miljarden euro’s)

Het begrotingstekort

In 2013 voldoet Nederland weer aan de 3 procentgrens. In 2014 ligt bij ongewijzigd beleid het begrotingstekort weer boven de 3 procentgrens

Met het geraamde begrotingstekort van 2,7 procent bbp voldoet Nederland in 2013 weer aan de saldogrens die is afgesproken binnen Europa (zie figuur 2.2). Nederland is hiermee nog niet klaar. Zoals figuur 2.3 laat zien, zal het tekort in 2014 bij ongewijzigd beleid verslechteren en boven de 3 procentgrens uitkomen.

Figuur 2.3 Ontwikkeling EMU-saldo sinds 1990 (in procenten bbp)

Zonder het Begrotingsakkoord zou het tekort in 2013 niet op 2,7 procent van het bbp uitkomen, maar op 4,4 procent. Door de maatregelen van het Begrotingsakkoord verbetert het tekort tussen 2012 en 2013 naar verwachting met 1,1 procent van het bbp, namelijk van 3,8 procent in 2012 naar 2,7 procent in 2013.

Box 2.1 Wat zijn de Europese eisen?

In Europa zijn regels afgesproken op het gebied van de overheidsfinanciën. Naar aanleiding van de schuldencrisis zijn deze regels – mede op aandringen van Nederland – flink strenger gemaakt, waarbij het ook makkelijker is geworden om sancties op te leggen aan landen die zich niet aan deze regels houden.

De Europese begrotingsregels zijn met name vastgelegd in het Stabiliteits- en Groeipact (SGP). De drie uitgangspunten van het SGP zijn:

  • •  Het begrotingstekort mag niet groter zijn dan 3 procent van het bbp.
  • •  De overheidsschuld moet lager zijn dan 60 procent van het bbp of in voldoende mate afnemen. Hierbij wordt rekening gehouden met het schuldverhogende effect van de deelname aan Europese crisismaatregelen.
  • •  Op de middellange termijn mogen landen niet structureel meer uitgeven dan dat zij ontvangen. Deze eis is weergegeven in de Medium-Term Objective (MTO). Dit is een structureel saldo (het saldo na correctie voor de conjunctuur) dat lidstaten moeten nastreven. De MTO verschilt voor iedere lidstaat, omdat bij de berekening ervan rekening wordt gehouden met specifieke omstandigheden zoals de vergrijzingsgerelateerde kosten die op een land afkomen.

Omdat Nederland sinds 2009 een tekort boven de 3 procentgrens heeft, is de Europese Commissie een zogenoemde buitensporigtekortprocedure tegen Nederland gestart. Landen die in een dergelijke procedure zitten, krijgen aanbevelingen om de overheidsfinanciën te verbeteren en een deadline waarbinnen dit moet zijn gebeurd. De belangrijkste aanbevelingen voor Nederland zijn:

  • •  Het buitensporige tekort moet uiterlijk in 2013 gecorrigeerd zijn. Met andere woorden vanaf 2013 moet het begrotingstekort weer voldoen aan de 3 procentgrens.
  • •  Over de periode 2011–2013 moet jaarlijks het structurele saldo met gemiddeld ¾ procentpunt van het bbp verbeteren.

Vanaf het moment dat de buitensporigtekortprocedure wordt stopgezet, zal Nederland richting de MTO moeten bewegen. Bovendien moet Nederland, omdat de overheidsschuld boven de 60 procentgrens ligt, zorgen dat deze schuld in voldoende mate gaat afnemen. Concreet betekent dat vanaf dat moment de volgende eisen gelden voor Nederland:

  • •  Een in voldoende mate afnemende schuld is een schuld waarbij het overschot boven de 60 procentgrens gemiddeld met 1/20 deel per jaar vermindert (de zogenoemde schuldbenchmark). Als de schuld van Nederland uitkomt op ongeveer 70 procent van het bbp, dan moet deze dus jaarlijks met gemiddeld 0,5 procentpunt afnemen (= (70–60)/20 procentpunt). Omdat deze eis nieuw is, is er een overgangsperiode afgesproken. Pas drie jaar nadat de buitensporigtekortprocedure is stopgezet, hoeft Nederland hieraan te voldoen. In de tussentijd is het voldoende als de schuld zich richting de schuldbenchmark beweegt.
  • •  Landen met een schuld boven de 60 procentgrens moeten per jaar hun structurele saldo verbeteren met gemiddeld meer dan 0,5 procentpunt van het bbp totdat ze de MTO hebben bereikt. In 2009 is voor Nederland de MTO vastgesteld op een structureel saldo tussen de – 0,5 procent van het bbp en 0,5 procent van het bbp. In het najaar zal de MTO echter opnieuw worden vastgesteld op basis van recentere cijfers.
  • •  Omdat het lastig is om het structurele saldo precies vast te stellen, zal er ook gekeken worden naar de reële uitgavengroei. Zolang de MTO nog niet is bereikt, moet de reële uitgavengroei lager zijn dan de structurele economische groei, tenzij belastingverhogende maatregelen genomen worden om de reële uitgavengroei te compenseren.

In deze Miljoenennota wordt voor 2012 een begrotingstekort geraamd van 3,8 procent van het bbp. Dit betekent een neerwaartse bijstelling van de raming voor 2012 met 0,9 procentpunt ten opzichte van de Miljoenennota een jaar geleden. De verwachting voor het begrotingstekort in 2013 (2,7 procent van het bbp) wijkt met 0,2 procentpunt af van de raming in de vorige Miljoenennota (2,5 procent van het bbp). Deze verslechtering ten opzichte van de raming in de vorige Miljoenennota – de zogenoemde verticale ontwikkeling – wordt in tabel 2.5 toegelicht.

Tabel 2.5 Verticale toelichting EMU-saldo
 

2012

2013

EMU-saldo Miljoenennota 2012

– 2,9%

– 2,5%

Belasting- en premie-inkomsten

– 1,5%

– 0,9%

Gasbaten

0,0%

0,2%

Rente-uitgaven

0,2%

0,3%

Zorguitgaven

– 0,1%

0,0%

Uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen

– 0,2%

– 0,4%

Nominale ontwikkeling

0,0%

0,2%

Verlenging nullijn

0,1%

0,3%

EU-afdrachten

0,1%

0,0%

EMU-saldo lokale overheden

0,2%

0,0%

Overig

0,1%

0,1%

EMU-saldo Miljoenennota 2013

– 3,8%

– 2,7%

De neerwaarts bijgestelde raming voor de belasting- en premie-inkomsten zorgt voor een aanzienlijke verslechtering van het begrotingstekort ten opzichte van de Miljoenennota een jaar geleden. Deze verslechtering hangt nauw samen met de neerwaarts bijgestelde verwachting van de economische groei. De ramingen voor de zorguitgaven en de uitgaven aan de werkloosheidsuitkeringen zijn gestegen ten opzichte van de vorige Miljoenennota en verslechteren zodoende ook de raming van het begrotingstekort. Dit geldt met name voor de uitgaven aan de werkloosheidsuitkeringen, die als gevolg van een verslechterende economische ontwikkeling zijn gestegen ten opzichte van de raming van een jaar eerder.

De ramingen voor de gasbaten (de gasprijs is deels gekoppeld aan de naar verwachting hogere olieprijs) en de rente-uitgaven (vanwege lagere rentevoeten ten opzichte van een jaar geleden) hebben daarentegen een tekortverbeterend effect. Ook de nominale ontwikkeling zorgt voor een verbetering van het tekort. Dit hangt samen met de lagere loon- en prijsontwikkeling ten opzichte van de verwachting een jaar geleden. Aanvullend leidt de verlenging van de nullijn voor ambtenaren – waartoe besloten is in het Begrotingsakkoord – voor een verbetering van het tekort. Verder zijn de EU-afdrachten neerwaarts bijgesteld ten opzichte van de raming een jaar geleden. Het tekort van de decentrale overheden maakt deel uit van het begrotingstekort. De raming van het tekort van de decentrale overheden is voor 2012 verbeterd vergeleken met de raming in de vorige Miljoenennota.

Het is ook nuttig om te kijken hoe het begrotingstekort zich door de jaren heen ontwikkelt door de huidige raming voor 2012 af te zetten tegen de huidige raming voor 2013. Dit wordt de horizontale ontwikkeling van het saldo genoemd. In tabel 2.6 is de ontwikkeling van het saldo tussen 2012 en 2013 te zien.

Tabel 2.6 Horizontale toelichting EMU-saldo

EMU-saldo 2012

– 23,1

– 3,8%

Noemereffect

 

0,1%

Belasting- en premie-inkomsten

12,4

2,0%

Gasbaten

– 0,9

– 0,2%

Zorguitgaven

– 1,6

– 0,3%

Uitgaven aan sociale zekerheid

– 2,6

– 0,4%

Overige uitgaven

– 0,6

– 0,1%

EMU-saldo 2013

– 16,7

– 2,7%

De horizontale ontwikkeling staat weergegeven in miljarden euro’s en in een percentage van het bbp. Het bbp verandert echter van jaar tot jaar. Het CPB raamt het bbp voor 2012 op 607 miljard euro; voor 2013 gaat het om 622 miljard euro. Een hoger bbp zorgt voor een beter begrotingstekort, uitgedrukt in percentage van dit bbp. Dit effect wordt het noemereffect genoemd. In tabel 2.6 is te zien dat het noemereffect zorgt voor verbetering van het saldo, uitgedrukt in een percentage van het bbp is dat 0,1 procentpunt.

De belasting- en premie-inkomsten stijgen in 2013 met 12,4 miljard euro ten opzichte van 2012. Deze stijging zorgt voor een verbetering van het begrotingstekort in 2013 ten opzichte van de raming voor 2012. De gasbaten zorgen daarentegen voor een verslechtering vanwege de lagere olieprijs in 2013. Tegelijkertijd stijgen in 2013 de uitgaven aan de zorgsector en aan sociale zekerheid ten opzichte van 2012. Dit zorgt voor een verslechtering van het tekort.

Structureel saldo

Structureel begrotingstekort in 2013 1,2 procent van het bbp

Het structurele saldo geeft een beeld van de structurele ontwikkeling van de overheidsfinanciën. Dit saldo komt in 2013 naar verwachting uit op – 1,2 procent van het bbp (zie tabel 2.7). Het structurele saldo speelt een rol in de voor Nederland geldende Europese saldodoelstellingen (zie box 2.1). Zolang Nederland in de buitensporigtekortprocedure zit, moet het structurele saldo met ongeveer gemiddeld ¾ procentpunt per jaar verbeteren. Het structurele saldo verbetert tussen 2011 en 2013 met 2,2 procentpunt, waardoor Nederland voldoet aan deze eis. Vanaf 2013 moet het structurele saldo met meer dan 0,5 procentpunt per jaar verbeteren.

Tabel 2.7 Structureel EMU-saldo (in procenten bbp)
 

2011

2012

2013

Feitelijk EMU-saldo

– 4,5%

– 3,8%

– 2,7%

Af: Conjuncturele component / incidentele componenten

– 1,1%

– 1,6%

– 1,5%

Structureel EMU-saldo Miljoenennota 2013

– 3,4%

– 2,3%

– 1,2%

Overheidsschuld

Overheidsschuld in 2013 447 miljard euro

De overheidsschuld komt in 2012 naar verwachting uit op 434 miljard euro (71,5 procent van het bbp) en in 2013 op 447 miljard euro (71,9 procent van het bbp). De schuld verandert doorgaans door twee factoren. Ten eerste door het begrotingstekort. Bij een tekort moet de overheid lenen om de gewenste uitgaven te kunnen financieren en bij een overschot kan de overheid juist de schuld aflossen. Voor 2013 wordt een tekort voorzien. Door dit begrotingstekort stijgt volgend jaar de schuld. Daarnaast verandert de schuld door zogenoemde «financiële transacties». Dit zijn bijvoorbeeld het aangaan of aflossen van leningen en aan- of verkopen van aandelen die niet meetellen voor het saldo, maar wel meetellen in de schuld. Wanneer de schuld wordt uitgedrukt als percentage van het bbp, dan speelt ook de ontwikkeling van het bbp een grote rol in de kwantificering van de schuld (het noemereffect). Net als bij de toelichting op het begrotingstekort, kan ook de verandering in de overheidsschuld verticaal en horizontaal worden toegelicht. Tabel 2.8 geeft de verticale toelichting weer.

Tabel 2.8 Verticale toelichting EMU-schuld
 

2012

2013

EMU-schuld Miljoenennota 2012

65,3%

66,1%

Noemereffect

1,7%

2,3%

Doorwerking schuldraming t–1

0,5%

4,4%

EMU-saldo

0,9%

0,1%

EFSF

2,1%

0,3%

Europees Stabilisatie Mechanisme (ESM)

0,3%

0,1%

Schatkistbankieren

0,0%

– 1,0%

Aflossing kapitaalsteun ING

0,6%

– 0,2%

ING back-up faciliteit

0,1%

– 0,1%

Overig

0,1%

– 0,1%

EMU-schuld Miljoenennota 2013

71,5%

71,9%

Noemereffect

Ten opzichte van de raming van een jaar eerder is de overheidschuld in beide jaren verslechterd. Allereerst speelt het noemereffect een rol: de huidige raming van het bbp voor 2012 wijkt af van de raming van het bbp voor 2012 van een jaar eerder. Vorig jaar werd namelijk rekening gehouden met een bbp voor 2012 van 623 miljard euro en 644 miljard euro voor 2013. Nu is deze raming aanmerkelijk lager. Als gevolg van deze lagere raming stijgt de schuld uitgedrukt in het percentage van het bbp; dit geldt voor beide jaren. Vervolgens is de hoogte van de schuld altijd afhankelijk van de ontwikkeling van de schuld in voorgaande jaren. In tabel 2.8 staan de veranderingen in de schuld ten opzichte van de vorige Miljoenennota. De verandering die zich in 2011 (Nationale rekeningen) voor heeft gedaan, beïnvloedt de beginstand van de schuld in 2012 en daarmee ook de hoogte van de schuld in latere jaren. Voor 2012 is het totaal aan veranderingen in de schuld ten opzichte van de raming in de vorige Miljoenennota 4,4 procent (met uitzondering van het noemereffect). Deze veranderingen verhogen de schuld in 2012 en daarmee ook de «startpositie» van de schuld voor 2013. Dit effect is te zien in tabel 2.8 bij «doorwerking schuld jaar t–1».

Financiële transacties

De verslechtering van het begrotingstekort ten opzichte van de raming in de vorige Miljoenennota zorgt ook voor een verslechtering van de raming van de overheidsschuld. Daarnaast zorgen de financiële transacties die gerelateerd zijn aan de financiële crisis voor een aanpassing van de schuldraming. Zo wordt het Nederlandse aandeel in leningen van het tijdelijke noodfonds EFSF conform de Eurostatregels aan de Nederlandse overheidsschuld toegerekend. In 2012 neemt de schuld met 13 miljard euro toe doordat het EFSF leningen verstrekt aan Griekenland, Ierland, Portugal en Spanje. In 2013 leiden de EFSF-leningen tot een toename van de overheidsschuld met een kleine 2 miljard euro. Daarnaast zorgt de versnelde kapitaalstorting in het permanente noodfonds ESM tot een schuldtoename van 1,8 miljard euro in 2012 en 2013. Hiervan was de helft in 2013 reeds verwerkt in de vorige Miljoenennota.

In lijn met publieke uitlatingen van ING is de inschatting dat ING dit jaar een gedeelte van de nog uitstaande steun zal terugbetalen, maar niet de in de vorige Miljoenennota begrote 4,5 miljard euro. ING heeft aangegeven het terugbetalen van de staatssteun als topprioriteit te zien en dit zo snel mogelijk te willen doen. Op basis hiervan is in deze Miljoenennota een voorzichtige inschatting gemaakt van mogelijke tranches waarin terugbetaald zou kunnen worden. ING behoudt haar contractuele rechten. Een eventuele terugbetaling dit jaar en komende jaren dient te worden goedgekeurd door De Nederlandsche Bank. De Staat en ING voeren momenteel gesprekken met de Europese Commissie over de terugbetaling en de aanpassing van het herstructureringsplan. De gewijzigde eurodollarkoers leidt tot aanpassingen in de ING back up faciliteit. De bijbehorende meerjarenverplichting is conform de Eurostatregels in de overheidsschuld opgenomen.

Schatkistbankieren

In het Begrotingsakkoord is afgesproken dat in 2013 decentrale overheden verplicht zullen gaan schatkistbankieren. Doordat de decentrale overheden hun tegoeden onderbrengen in de schatkist van het Rijk hoeft de Nederlandse Staat minder geld te lenen op de financiële markten, waardoor de overheidsschuld daalt (zie ook box 2.2). Op basis van technische aannames is de verwachting dat schatkistbankieren tot een schuldafname van circa 6 miljard euro zal leiden in 2013. Dit leidt daarmee tot een verbetering van de schuldraming ten opzichte van de vorige Miljoenennota.

In tabel 2.9 staat de horizontale toelichting van de ontwikkeling van de overheidsschuld tussen 2012 en 2013. Ook hier is weer sprake van een noemereffect. In dit geval is sprake van een verlagend effect op de ontwikkeling van de schuld. Het bbp van 2013 is namelijk groter dan het bbp van 2012. Er zijn ook schuldverhogende effecten. Zo bedraagt in 2013 het begrotingstekort bijna 17 miljard euro, waarvoor moet worden geleend en waardoor dus de schuld toeneemt. Ook de leningen uit hoofde van het EFSF verhogen de overheidsschuld tussen 2012 en 2013, namelijk naar verwachting met 1,9 miljard euro ofwel 0,3 procent van het bbp. Daarnaast leidt de kapitaalstorting in de Europese Investeringsbank (EIB) tot 0,4 miljard euro schuldtoename in 2013. Hiertegenover staat dat het schatkistbankieren door decentrale overheden tot een schuldafname van naar verwachting circa 6 miljard euro leidt tussen 2012 en 2013. Ook de ING back-up faciliteit verlaagt de schuld. Deze faciliteit wordt namelijk geleidelijk afgebouwd.

Tabel 2.9 Horizontale toelichting EMU-schuld
 

in mld euro

in procenten bbp

EMU-schuld ultimo 2012

434,4

71,5%

   

– 1,7%

EMU-tekort 2013

16,7

2,7%

EFSF

1,9

0,3%

Kapitaaluitbreiding EIB

0,4

0,1%

Schatkistbankieren

– 6,0

– 1,0%

ING back-up faciliteit

– 1,5

– 0,2%

Overige financiële transacties en ktv's

1,3

0,2%

EMU-schuld ultimo 2013

447,2

71,9%

De overheidsschuld de komende jaren boven de 60 procentgrens

In figuur 2.4 is te zien dat de Nederlandse overheidsschuld de komende jaren boven de in Europa afgesproken grens blijft van 60 procent van het bbp. Ook als rekening wordt gehouden met het schuldverhogende effect van de deelname aan de Europese crisismaatregelen, ligt de schuld nog ruim boven de 60 procentgrens. Daarom moet Nederland zorgen dat de schuld de komende jaren op een dalend pad wordt gebracht. Hiervoor zijn extra maatregelen nodig, omdat de overheid zonder deze extra maatregelen de komende jaren meer blijft uitgeven dan er aan belastingen en premies binnenkomt.

Figuur 2.4 Ontwikkeling EMU-schuld sinds 1990 (in procenten van het bbp)

Box 2.2 Waaruit bestaat de overheidsschuld?

De overheidsschuld is de uitstaande schuld van de gehele overheid aan partijen buiten de overheid. Dit betekent dat de onderlinge schuldverhouding tussen overheidslagen tegen elkaar weggestreept wordt bij de berekening van de overheidsschuld.

De overheidsschuld is een brutoschuldbegrip. Dit betekent dat (financiële) bezittingen van de overheid – bijvoorbeeld de staatsdeelnemingen in Schiphol of de Nederlandse Spoorwegen – niet in mindering worden gebracht op de uitstaande schulden. Een ander voorbeeld is de uitzettingen van decentrale overheden bij banken: ook deze bezittingen worden niet in mindering gebracht op de uitstaande schuld van de overheid. De achterliggende reden voor het hanteren van een brutoschuldbegrip is dat het arbitrair is welke bezittingen wel en welke niet moeten worden meegeteld. Waarom zou bijvoorbeeld een investering in een financiële instelling wel mogen worden afgetrokken van de schuld, maar een investering in wegen niet? Ook is het moeilijk om de exacte waarde van bezittingen op een eenduidige manier vast te stellen en zijn veel bezittingen niet liquide te maken. Het brutoschuldbegrip is dan ook de internationale standaard. Financiële marktpartijen en kredietbeoordelaars maken internationale vergelijkingen op basis van de bruto schuld. Ook het IMF, de OESO en landen buiten de EU werken met het brutoschuldbegrip.

Bezittingen van de overheid zijn dus niet zichtbaar in de overheidsschuld. Informatie over zowel de bezittingen als de schulden van de overheid staat op de overheidsbalans en de staatsbalans. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) publiceert jaarlijks de overheidsbalans in de Nationale Rekeningen. De overheidsbalans geeft een overzicht van de bezittingen en schulden van de hele overheid. Voor het aandeel van de Staat is de staatsbalans beschikbaar in het Financieel Jaarverslag van het Rijk. Het gaat hierbij zowel om financiële activa (vorderingen) en passiva (schulden) als om niet-financiële activa als gebouwen, wegen en de gasvoorraad.

Hoe doet Nederland het ten opzichte van andere Europese landen?

Bijna alle Europese landen moeten de overheidsfinanciën verbeteren. Op basis van ramingen van de Europese Commissie is in figuur 2.5 voor alle eurolanden weergegeven welk begrotingstekort en welke overheidsschuld in 2013 wordt verwacht. Met de stippellijnen zijn de grenzen uit het Stabiliteits- en Groeipact weergegeven: de verticale stippellijn geeft de 3 procentgrens voor het tekort weer, en de horizontale lijn geeft de 60 procentgrens voor de schuld weer.

Figuur 2.5 Overzicht EMU-saldo en EMU-schuld voor het jaar 2013 binnen het eurogebied

Bron: European Economic Forecast – Spring 2012 (Europese Commissie), met uitzondering voor Nederland, waarvoor de meest recente raming is gebruikt

Alleen Finland, Luxemburg, en Estland hebben de afgelopen jaren nog nooit een tekort boven 3 procentgrens of een overheidsschuld boven de 60 procentgrens gehad. In 2011 is het tekort van Duitsland, Oostenrijk, Malta weer onder de 3 procentgrens uitgekomen, maar de overheidsschuld in deze landen ligt nog wel boven de 60 procentgrens. Volgens de buitensporigtekortprocedure moeten Italië en België in 2012 het tekort onder de 3 procentgrens brengen. De ramingen van de Europese Commissie geven aan dat dit naar verwachting gaat lukken. Wel hebben beide landen een schuld die ruim boven de 60 procentgrens ligt.

Naast Nederland moeten ook Frankrijk, Portugal, Slowakije en Slovenië in 2013 het begrotingstekort terugbrengen tot onder de 3 procentgrens. Hoewel dit nog niet uit de figuur blijkt, hebben deze landen aangegeven in 2013 aan deze eis te zullen voldoen. Alle Europese landen brengen in het najaar de begroting voor 2013 uit. Eventuele nieuwe maatregelen die aangekondigd worden in deze begrotingen zijn logischerwijs nog niet meegenomen in figuur 2.5. Later dit jaar verschijnen nieuwe ramingen van de Europese Commissie met daarin de meest actuele cijfers waarin dus ook de maatregelen uit de komende begrotingen zijn meegenomen (European Economic Forecast – Autumn 2012). De overige landen hoeven pas na 2013 weer onder de 3 procentgrens uit te komen.

Hoewel er dus grote verschillen zijn qua tekort en schuld, werken alle Europese landen aan het verbeteren van hun overheidsfinanciën.