Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

4.1 Beleidsartikel 01 Bewaking en bestrijding van dierziekten en voorkomen en verminderen van welzijnsproblemen

Algemene doelstelling

Bewaking en bestrijding van bepaalde dierziekten en het voorkomen en verminderen van welzijnsproblemen.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is verantwoordelijk voor:

  • •  Het bestrijden van dierziekten die op basis van wetgeving verplicht moeten worden bestreden en indirect verantwoordelijk voor welzijnsaspecten bij de bestrijding.
  • •  Het tijdig signaleren en afhandelen van verdenkingen en besmettingen door onderzoek en monitoring/bewaking van bepaalde dierziekten (bijvoorbeeld scrapie, bluetongue, brucella melitensis, klassieke en Afrikaanse varkens pest, MKZ, AI, Ziekte van Aujeszky, salmonella en Mycoplasma en BSE).
  • •  Effectieve en doelmatige crisisorganisatie bij dierziekteuitbraken.

Telkens na een uitbraak van een besmettelijke dierziekte vindt een evaluatie plaats op alle onderdelen van bestrijdingsmaatregelen, welzijnsmaatregelen en crisisorganisatie.

Beleidswijzigingen

Beleidswijzigingen op het terrein van het diergezondheid worden opgenomen onder artikel 16 «Concurrerende, duurzame, veilige, agro-,visserij- en voedselketens».

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x 1.000
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

01 Bewaking en bestrijding van dierziekten en voorkomen en verminderen van welzijnsproblemen

             
               

Verplichtingen

11.247

20.194

21.860

21.860

21.860

21.860

21.860

Uitgaven

11.247

20.194

21.860

21.860

21.860

21.860

21.860

waarvan juridisch verplicht

   

100%

       

Beginsaldo

4.636

9.294

         

Programma-uitgaven

11.247

20.194

21.860

21.860

21.860

21.860

21.860

               

Opdrachten

11.247

20.194

21.860

21.860

21.860

21.860

21.860

Bewaking van dierziekten (U1.11)

3.636

4.200

9.307

9.307

9.307

9.307

9.307

Bestrijding van dierziekten (U1.12)

7.460

15.994

12.553

12.553

12.553

12.553

12.553

Voorkomen en verminderen van welzijnsproblemen (U1.13)

0

0

0

0

0

0

0

Overig (U1.14)

151

0

0

0

0

0

0

               

Ontvangsten

15.905

20.194

21.860

21.860

21.860

21.860

21.860

               

Eindsaldo

9.294

           

Budgetflexibiliteit

Er is veelal sprake van doorlopende contracten met bedrijven om bewakingsprogramma’s uit te voeren waardoor die 100% juridisch verplicht zijn.

Financiering DGF

De middelen ter financiering van de uitgaven van het DGF zijn afkomstig van het Rijk, van het bedrijfsleven (middels een heffing) en van de Europese Unie. De bijdrage van het Rijk wordt geraamd en verantwoord in het beleidsartikel 16 van de EZ-begroting. Tot nu toe waren de afspraken over de bijdrage van het bedrijfsleven aan het DGF vastgelegd in het «Convenant financiering bestrijding besmettelijke dierziekten LNV – PVV – PPE – PZ» (Stcrt. Nr. 11754, d.d. 26 juli 2010). Dit convenant gold voor de periode 2010–2014. Overheid en bedrijfsleven hebben de wens uitgesproken de gezamenlijke financiering van de preventie- en bestrijdingskosten, ook na de opheffing van de Productschappen, voort te zetten in 2015. De nieuwe meerjarige afspraken zullen worden vastgelegd in een nieuw convenant Financiering bestrijding besmettelijke dierziekten.

Onderdeel van de nieuwe afspraken zullen de, indien nodig geactualiseerde, plafondbedragen zijn. Een plafond is de maximale financiële bijdrage van een sector aan het Diergezondheidsfonds gedurende de periode van het convenant. Indien de kosten van een uitbraak hoger zijn dan het desbetreffende plafondbedrag, zullen de meerkosten ten laste komen van de overheid. De kosten van de bestrijding bij particulieren en hobbydierhouders worden gedragen door het Rijk.

Voor de actualisering van de plafondbedragen zal gebruik worden gemaakt van berekeningen door Wageningen Universiteit.

Nu de productschappen opgeheven worden, kan het convenant, dat op 31 december 2014 is afgelopen, niet op dezelfde wijze en met dezelfde partijen voor een nieuwe looptijd worden voortgezet. Vanwege het uitgangspunt van een gedeelde verantwoordelijkheid voor het dragen van de kosten ter wering en bestrijding van dierziekten, is het daarom gewenst de sectorbijdrage op een andere wijze te verzekeren. Vanaf 2015 wordt daarom een heffing ingevoerd op basis van Hoofdstuk VIII van de Gezondheid- en welzijnswet voor dieren (Gwwd), onder de naam «diergezondheidsheffing». Het voornemen bestaat om deze diergezondheidsheffing in te voeren op het moment van de beoogde opheffingsdatum van de productschappen, namelijk 1 januari 2015. Het betreft een heffing ten behoeve van de kosten die samenhangen met de bestrijding, bewaking en preventie van, en onderzoek naar besmettelijke dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen in brede zin.

Voor wat betreft de heffingssytematiek van de diergezondheidsheffing is, voor zover mogelijk, aangesloten bij de heffingssystematiek die de productschappen voorheen hanteerden. Omdat de diergezondheidsheffing echter een andere wettelijke grondslag kent, wijkt de heffingssystematiek op sommige onderdelen af van de door de productschappen gehanteerde systematiek.

De tarieven voor de diergezondheidsheffing zijn gebaseerd op een raming voor de verwachte kosten voor de komende drie jaren, waarbij ook rekening is gehouden met de gerealiseerde kosten van de afgelopen tweeënhalf jaar. Op grond van de Gwwd staan de tarieven vast voor drie jaar.

Met de geïntroduceerde heffingen wordt volstaan met een tarief dat voldoende is om de verwachte jaarlijkse kosten van het Diergezondheidsfonds te dekken. Daarbij is nu ook rekening gehouden met kosten in verband met het voorkomen en bestrijden van dierziekten waarvoor de bestrijding en de financiering door EZ is overgenomen van de productschappen, waaronder de Ziekte van Aujeszky, Salmonella, Leukose en Mycoplasma.

Er worden met de opbrengsten van de heffing geen buffers opgebouwd voor uitgaven bij eventuele grote dierziekteuitbraken. Indien mogelijk zullen dergelijke kosten worden voldaan vanuit de huidige reserves bij de bedrijfslichamen dan wel via een ophoging van de heffing in een later stadium.

De opbrengsten uit de diergezondheidsheffing zullen aangewend worden voor die sectoren waaruit die middelen afkomstig zijn. In de administratie van inkomsten en uitgaven van het fonds zullen daartoe per diersoort de daaraan gerelateerde inkomsten en uitgaven worden geadministreerd.

De herijkte uitgangsmaxima in het nieuwe convenant zullen tevens worden geactualiseerd aan de hand van de omvang van de betrokken veestapel (cijfers CBS-LEI).

Toelichting op de artikelonderdelen/instrumenten

01.11 Bewaking van dierziekten

Het niet tijdig opmerken van een dierziekte kan bij bepaalde dierziekten tot grote gevolgen leiden. Daarom is het tijdig signaleren van een besmetting en het adequaat bestrijden van groot belang. Het signaleren van (mogelijke) dierziekten vindt plaats door houders van dieren, dierenartsen,en/of medewerkers van laboratoria/onderzoeksinstellingen, hetzij op basis van klinische verschijnselen dan wel op basis van de uitkomsten van laboratoriumonderzoek. In het geval deze verschijnselen kunnen wijzen op een aangifteplichtige ziekte, dient dit onmiddellijk bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) te worden gemeld. Naast de meldplicht worden in opdracht van EZ bewakings- en monitoringsprogramma’s uitgevoerd die deels door de Europese Unie (EU) verplicht zijn gesteld ter behoud van de dierziektevrij-status. Door bewakingsonderzoeken uit te voeren wordt het risico dat een ziekte niet of niet tijdig wordt opgemerkt gereduceerd. Bewakingsprogramma’s ondersteunen tevens de preventie van de betreffende dierziekten.

Streefwaarden

  • ▪  Behoud van de huidige, officieel door de EU en door de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) verleende, status vrij te zijn van een aantal dierziekten.

Beleidsinstrumenten

De EU en de OIE verlenen onder bepaalde voorwaarden aan lidstaten officiële erkenningen voor het vrij zijn van besmettelijke dierziekten. Deze door de EU erkende statussen «vrij van dierziekten» worden bewaakt op basis van meldingen van actuele uitbraken en – voor bepaalde dierziekten – door het periodiek uitvoeren van bewakingsprogramma’s. Lidstaten en bij de OIE aangesloten landen zijn verplicht om uitbraken van ziekten direct te melden aan de OIE en EU.

Om de door de EU en de OIE verleende erkenningen «vrij van dierziekten» dan wel «verwaarloosbaar risico» te behouden worden bewakingsprogramma’s voor de volgende zes dierziekten uitgevoerd: Brucella melitensis, Brucellose, Blauwtong, BSE, Ziekte van Aujeszky en Aviaire Influenza (AI).

Naast deze officiële vrijstatus zijn er andere redenen voor het uitvoeren van monitoringprogramma’s, bijvoorbeeld de volksgezondheid of nationale diergezondheidsbelangen. Zo is voor Nederland de monitoring op Q-koorts, Mycoplasma gallicum en Salmonella St/Se belangrijk. In 2015 worden deze monitoringsprogramma’s voortgezet.

In verband met de Nederlandse vrijstatus voor Blauwtong per 15 februari 2012 is de uitvoering van de monitoring van Blauwtong viruscirculatie in 2012 aangepast. Nederland voert jaarlijks, zo ook in 2015, een monitoringprogramma uit dat voldoet aan de eisen van de Europese Unie (Verordening 1266/2007, Bijlage I punt 2: blauwtongmonitoring).

In 2013 is het monitoringsprogramma voor TSE bij schapen en geiten aangepast omdat door de gedaalde omvang van het schapen- en geitenbestand conform EU-wetgeving volstaan kan worden met een kleiner aantal monsters. Hiermee is in de begroting rekening gehouden.

Voor een snelle opsporing van dierziekten is de overheid in sterke mate afhankelijk van de opmerkzaamheid van veehouder en dierenarts en van hun bereidheid een verdenking te melden. In aanvulling op de monitoringsprogramma’s worden daarom zogenaamde «early warning»-programma’s uitgevoerd voor AI en KVP. Deze bieden de mogelijkheid om bij een eventuele verdenking van een infectie (een) monster(s) op te sturen voor uitsluitingdiagnostiek.

Prestatiegegevens

Begroting en aantallen dieren en bedrijven 2015.

Begrote uitgaven x € 1.000

Bewaking van dierziekten

Bedrijven

Dieren

Uitgaven

Brucella (schaap, geit)

1.500

14.000

400

Blauwtong (rund, schaap, geit)

291

387

100

BSE rund, bij destructor en bij noodslachting

 

48.000

1.950

TSE schaap/geit, bij destructor1
 

3.000

40

KVP (varkens)

     

– Veehouderij (early warning)

 

540

 

– Veehouderij (tonsillen)

 

4.600

300

– Wilde zwijnen

 

500

150

AI

     

Bedrijfsmatig pluimvee: early warning

 

1.400

 

– Insturen monsters (swabs)

1.500

 

100

– Melding afwijkende verschijnselen (bij GD)

1.200

   

– Bedrijfsmatig pluimvee: monitoring serologische testen

2.700

170.000

 

Wilde vogels:

     

– Monitoring levende wilde vogels

 

5.000

 

– Monitoring dode vogels

 

500

105

Q-koorts (melkmonsters)

380

 

915

       

Subtotaal

   

4.060

       

Overgenomen Productschapstaken

     

Leukose

 

26.000

450

Ziekte van Aujeszky (varken)

   

40

Salmonella Se St (pluimvee)

     
– Bewaking en preventie2
 

9.358

484

– verificatieonderzoek VB

58

 

36

– verificatieonderzoek Leg

26

 

121

– vaccinatie

2.000 koppels leg en 693 koppels vermeerdering

 
4.000 3

Mycoplasma

1.900

 

116

       

Subtotaal

   

5.247

       

Totaal bewaking van dierziekten

   

9.307

       

Begrote sectorbijdrage

     

Rund (inclusief leukose monitoring)

   

1.458

Varken (incl ziekte van Aujeszky)

   

245

Schapen en geiten

   

690

Pluimvee (inclusief Salmonella Se St en mycoplasma)

   

2.802

Noot 1: In 2013 is het monitoringsprogramma voor TSE bij schapen en geiten aangepast omdat door de gedaalde omvang van het schapen- en geitenbestand conform EU-wetgeving volstaan kan worden met een kleiner aantal monsters. Hiermee is in de begroting rekening gehouden

Noot 2: Verwachting 2015: vleeskuikens 85 detectie en 5 serotypering; kalkoenen 6 detectie en 2 serotypering, Vermeerdering 5.600 detectie en 60 serotypering; leg 3.500 detectie en 100 serotypering.Totaal 9.358 monsters die genomen worden.

Noot 3: 50% cofinanciering door EU en 50% door sector.

Bron: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (BSE en TSE), Erasmus Universiteit Rotterdam (onderzoek levende wilde vogels), SOVON en CVI (onderzoek dode wilde vogels) Nederlandse Schapen- en Geitenfokkers Organisatie (Brucella) en Gezondheidsdienst voor Dieren (overig).

De aantallen bedrijven en dieren in bovenstaande tabel zijn indicatief en zijn gebaseerd op realisatiecijfers in voorgaande jaren en een inschatting van ontwikkelingen. De kosten van de basismonitoring zijn niet in de begroting van 2015 opgenomen.

1.12 Bestrijding van dierziekten

Onder de bestrijding van dierziekten vallen:

  • •  Onderzoek naar verschijnselen die kunnen duiden op een aangifteplichtige dierziekte na een melding door een (vee)houder en/of door een dierenarts;
  • •  Onderzoek van verdachte dieren;
  • •  Treffen van voorzieningen om onmiddellijk te kunnen bestrijden;
  • •  Bestrijding van besmettelijke dierziekten zoals Q-koorts, tuberculose, brucellose en leukose;
  • •  Bestrijding van zeer besmettelijke dierziekten zoals AI, MKZ en KVP.

Als veehouders verschijnselen signaleren bij hun dieren die kunnen duiden op een aangifteplichtige dierziekte, is melding daarvan verplicht. Het onderzoeken van deze meldingen is een belangrijke structurele taak van de NVWA. Naast dit structureel onderzoeken van verschijnselen bij dieren als gevolg van een melding, wordt structureel onderzoek uitgevoerd naar brucellose bij runderen als deze runderen binnen een bepaalde periode hun vrucht hebben verloren. Ook bij een positief testresultaat in een bewakingsonderzoek van een aangifteplichtige ziekte wordt dit gemeld bij de NVWA. Indien een bevestigingstest positief is, wordt het bedrijf door de NVWA besmet verklaard en wordt tot bestrijding overgegaan.

De bestrijding van dierziekten omvat feitelijk twee fasen, de eerste fase (de verdenkingsfase) vangt aan als verschijnselen, informatie of resultaten van onderzoek worden gemeld die kunnen duiden op een aangifteplichtige dierziekte, de tweede fase (de bestrijdingsfase) vangt aan als een besmetting is vastgesteld of als er zodanige aanwijzingen zijn dat moet worden uitgegaan van een besmetting.

Zodra sprake is of moet worden uitgegaan van een besmetting, worden onmiddellijk bestrijdingsmaatregelen getroffen door de (permanente) crisisorganisatie van EZ. Vertraging van de bestrijding leidt tot meer besmettingen en daarmede tot langduriger bestrijdingsmaatregelen. Door EZ zijn contracten gesloten met bedrijven voor de beschikbaarstelling van mensen en middelen die een kritische rol vervullen in het bestrijdingsproces. Bestrijding vindt plaats volgens Europese bestrijdingsrichtlijnen. De aanpak is geregeld in diverse draaiboeken van het ministerie. Op www.rijksoverheid.nl staan de actuele draaiboeken.

In bepaalde gevallen kan de inzet van beschermende noodvaccinatie (vaccinatie «voor het leven») een effectieve bestrijdingmethode zijn. In plaats van het in grote aantallen ruimen van dieren kan de uitbraak bij bepaalde dierziekten tot staan worden gebracht door vaccinatie, in een bepaalde cirkel rondom besmette bedrijven. Gezonde gevaccineerde dieren worden niet meer gedood. Op basis van de huidige EU-regelgeving is beschermende noodvaccinatie mogelijk bij de bestrijding van uitbraken van MKZ, KVP en AI. Deze aanpak is op dit moment alleen uitvoerbaar bij dierziekten waarvoor een effectief vaccin beschikbaar is, te weten MKZ en KVP. De mogelijkheid van noodvaccinatie is vastgelegd in de betreffende beleidsdraaiboeken.

Streefwaarden

  • •  Zo snel en effectief mogelijk bestrijden van dierziekten.

Concreet houdt dit in dat bij een melding een onderzoek wordt ingesteld. Voor zover de melding betrekking heeft op verschijnselen die duiden op een zeer besmettelijke dierziekte, moet binnen 3 uur een deskundigenteam ter plaatse een onderzoek instellen.

Beleidsinstrumenten

Voor de bestrijding van dierziekten staan onder andere de volgende instrumenten ter beschikking:

  • •  wettelijke verplichting van houders van dieren en dierenartsen om verschijnselen die duiden op een aangifteplichtige dierziekte te melden;
  • •  klinische inspectie door een team van dierenartsen op bedrijven waar mogelijk sprake is van aangifteplichtige dierziekten;
  • •  monsternames door een team;
  • •  diagnostisch onderzoek van afgenomen monsters bij dieren;
  • •  instellen van stand-still, vervoersverboden, compartimenten;
  • •  vaccineren van dieren;
  • •  onderzoek van dieren op buurtbedrijven en andere relevante bedrijven;
  • •  tracering van een besmetting (van en naar);
  • •  doden van besmette dieren;
  • •  doden van dieren die een reëel gevaar zijn voor verspreiding van de besmetting;
  • •  destructie van (besmette) dieren;
  • •  reinigen en ontsmetten van bedrijven;
  • •  schadeloosstellen van houders voor gedode dieren.

De grondslag voor de inzet van bovenstaande instrumenten zijn:

  • •  EU-richtlijnen en EU-verordeningen;
  • •  GWWD;
  • •  (beleids)draaiboeken;
  • •  crisisorganisatie en voorzieningen.
Begrote uitgaven 2015 x € 1.000

Bestrijding van dierziekten

Uitgaven 1
   

Verdenkingen

 
– Brucellose (verwerpersonderzoek)2

1.000

– KVP

100

– MKZ (rund, schaap, geit)

15

– AI (LPAI)

300

– BSE (rund)

20

– TSE (schaap, geit)

15

– Diagnostiek verdenkingen3

600

   

Voorzieningen

 

– AUV

300

– Calamiteitenreserve destructie4

1.890

– Waakvlamcontracten

650

– Voorziening ZvA, MKZ / KVP

– Overige voorzieningen

2.400

   

Bestrijding

 

Jaarlijks terugkerende kosten bestrijding

2.700

   

Subtotaal

9.990

   

Overgenomen Productschapstaken

 

Bestrijding Ziekte van Aujeszky

760

Bestrijding Salmonella

 

– ruimingskosten

303

– vergoeding waarde dieren5

1.500

   

Subtotaal

2.563

   

Totaal

12.553

   

Begrote sectorbijdrage

 

Rund

2.122

Varken (inclusief ziekte van Aujeszky)

1.835

Schapen en geiten

420

Pluimvee (inclusief Salmonella)

3.208

Noot 1: Begrote bedragen gebaseerd op gerealiseerde kosten 2011–2013 (zie jaarverslagen DGF), daarbij rekening houdend met meerjarige trends en structurele veranderingen.

Noot 2: Aantal bemonsterde dieren geraamd op 11.000.

Noot 3: Met betrekking tot de diagnostiek verdenkingen is een contract gesloten met het CVI waarbij naar schatting € 0,6 mln ten laste van bestrijding dierziekten komt en € 0,3 mln ten laste van bewaking. De kosten worden uiteindelijk afgerekend per diersoort.

Noot 4: Eind 2013 is het geraamde bedrag voor de crisiscapaciteit Rendac 2013 verhoogd van € 1,326 mln tot een bedrag ad € 1,890 mln. Deze verhoging is het gevolg van een eerdere rekenfout van Rendac en is gecontroleerd door de accountant van Rendac en de Auditdienst Rijk.

Noot 5: 50% cofinanciering door EU en 50% door sector.

Toelichting

Kosten van verdenkingen en bestrijding van overige relevante dierziekten worden opgenomen in de suppletoire wetten en in de verantwoording indien zich hierbij uitgaven voordoen.

Dit jaar is er voor gekozen om jaarlijks terugkerende bestrijdingskosten nu wel in de begroting op te nemen. In voorgaande jaren konden deze extra kosten achteraf snel verrekend worden met de productschappen, die zelf zorg droegen voor de inning van deze middelen. De hoogte van de EZ-heffing zal echter voor een periode van drie jaar moeten worden vastgesteld. Daarom is er voor gekozen deze jaarlijks aanwezige kosten meteen op te nemen in de begroting.

1.13 Voorkomen en verminderen van welzijnsproblemen

Bij uitbraken van wettelijk te bestrijden dierziekten treden – op basis van het draaiboek – diverse veterinaire maatregelen in werking. Eén van de maatregelen is het instellen van een vervoersverbod waardoor in bepaalde gebieden het vervoer van bepaalde diercategorieën niet meer is toegestaan dan wel aan stringente voorwaarden is gebonden. Als gevolg van het vervoersverbod kunnen in deze gebieden welzijns- en huisvestingsproblemen ontstaan (meer of grotere dieren dan de beschikbare hokcapaciteit toelaat, met als gevolg onder andere gezondheidsproblemen, agressiviteit, stress etc.). Ter vermindering van de meest urgente welzijnsproblemen kan worden besloten om dieren op te kopen en gecontroleerd af te voeren.

Streefwaarden

Beperken van de welzijnsproblemen bij dieren in geval van een dierziekte uitbraak.

Beleidsinstrumenten

Opkoopregeling:

Een opkoopregeling wordt toegepast als sprake is van of een situatie ontstaat van overvolle stallen als direct gevolg van de bestrijdingsmaatregelen. Bij het instellen van een opkoopregeling kunnen veehouders in een afgebakend gebied hun dieren op vrijwillige basis aan de overheid aanbieden. Hier staat een financiële bijdrage tegenover waarbij aanvullende voorwaarden kunnen worden gesteld.

Er worden geen uitgaven geraamd aangezien er geen indicatie is dat de regeling in 2015 zal worden toegepast.

1.14 Overig

Dit artikel is voor de financiering van overige uitgaven, zoals de eventuele terugstorting van de voorfinanciering naar de begroting van EZ en uitgaven die onder andere betrekking hebben op de voedselveiligheid en daarmee samenhangend de diergezondheid. Omdat het karakter van dergelijke uitgaven op voorhand niet is te voorspellen, kunnen geen streefwaarden worden opgenomen.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen bijdragen van het bedrijfsleven en van het Rijk. De huidige verdeling van de kosten tussen bedrijfsleven en het Rijk is vastgelegd in het «Convenant financiering bestrijding besmettelijke dierziekten LNV-PVV-PPE-PZ (Stcrt nr 11754 dd 26 juli 2010). De kosten van bewaking van dierziekten worden in beginsel 50% door het Rijk en 50% door het bedrijfsleven gefinancierd. De financiering van de kosten van bestrijding is afhankelijk van de soort dierziekte en de noodzakelijke voorzieningen. In aanleg worden deze kosten, tot een per diersoort afgesproken plafond, voor 100% doorberekend aan de veehouderijsectoren; behalve de kosten van de voorzieningen; deze worden gefinancierd door overheid en sector, beide voor 50%. Boven deze plafonds draagt de overheid de resterende kosten in de betreffende convenantperiode. In verband met de in het regeerakkoord afgesproken opheffing van de product- en bedrijfsschappen zal het convenant DGF feitelijk komen te vervallen (TK, 2012–2013, 32 615 nr. 8). Het is noodzakelijk dat de afspraken, onder andere over medefinanciering door het bedrijfsleven, worden voortgezet. In de loop van 2014 wordt in samenwerking met het bedrijfsleven een alternatieve invulling van de afspraken over medefinanciering door het bedrijfsleven uitgewerkt.