Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

2.2 DE BELEIDSARTIKELEN

11 Goed functionerende economie en markten

Algemene doelstelling

Het scheppen van voorwaarden voor een goed functionerende economie en goed functionerende markten, waaronder de markt voor elektronische communicatie.

Goed functionerende markten dragen in belangrijke mate bij aan de economische groei en innovatie. In een goed functionerende markt reageren vraag en aanbod effectief op elkaar. Consumenten en bedrijven profiteren daarvan. Op goed functionerende markten ontstaat een optimale prijs – kwaliteitverhouding van goederen en diensten en hebben gebruikers keuzevrijheid. Het slim benutten van en zorgdragen voor hoogwaardige elektronische communicatie netwerken en digitale infrastructuren waar de Nederlandse samenleving op kan bouwen én vertrouwen draagt bij aan het economisch groeivermogen en een goed functionerende economie.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Telecommunicatiewet en de Postwet 2009 verantwoordelijk voor het stellen van regels voor vaste en mobiele communicatienetwerken respectievelijk de postvoorziening. Daarnaast ziet de Minister van EZ het als een taak eventuele belemmeringen voor het goed functioneren van markten te verminderen of weg te nemen en heeft hij een systeemverantwoordelijkheid voor de statistische informatievoorziening van rijkswege. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Financieren

  • •  Het bijdragen aan het goed functioneren van markten door het financieren van TenderNed (het elektronisch aanbestedingssysteem) en diverse organisaties op het gebied van metrologie, normalisatie, accreditatie en markttoezicht;
  • •  Het financieren van een deel van de exploitatie van het Agentschap Telecom en het verrichten van uitgaven voor opdrachten inzake beleidsvoorbereiding en evaluaties voor frequentiebeleid en veiligheid. Veiligheid heeft hier met name betrekking op het beheersen van risico’s bij openbare elektronische communicatienetwerken en diensten, het voorkomen van internet- en telefoonstoringen en het voorkomen van graafschades aan kabels en leidingen;
  • •  Het financieren van het CBS om het van overheidswege verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken mogelijk te maken.

(Doen) uitvoeren

  • •  Het tegengaan van mededingingsbeperkende gedragingen met de Mededingingswet en uitvoeren van mededingingsbeleid in alle sectoren van de Nederlandse economie;
  • •  Het reguleren van de postmarkt met de Postwet 2009 waardoor een toegankelijke en betaalbare basisvoorziening voor de post is gewaarborgd (universele postdienst);
  • •  Het opstellen van verkeersregels voor het gebruik van de ether, door afspraken te maken in internationaal verband voor harmonisatie en door – in geval van schaarste – te bepalen op welke wijze het spectrum wordt verdeeld;
  • •  Het inzetten op het realiseren van hoogwaardige en innovatieve breedbandige mobiele communicatie en omroeptoepassingen door verruiming van gebruiksmogelijkheden van het spectrum en door de uitgifte van beschikbare frequentieruimte.

Regisseren

  • •  Het bevorderen van goed functionerende markten door het scheppen van randvoorwaarden via wet- en regelgeving;
  • •  Het bewaken van een goede balans tussen de belangen van bedrijven en consumenten met generiek consumentenbeleid waarbij de Wet handhaving consumentenbescherming centraal staat;
  • •  Het scheppen van voorwaarden waarbinnen concurrentie kan plaatsvinden door middel van de Waarborgwet, de Winkeltijdenwet, de Aanbestedingswet 2012, de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie en de Metrologiewet;
  • •  Het op basis van de in 2013 uitgekomen middellange termijnvisie op de ontwikkeling van telecommunicatie, media en Internet in 2015 verder moderniseren van de regelgeving om deze te kunnen laten meegroeien met de ontwikkelingen in de markt en de behoeftes in de samenleving.

Beleidswijzigingen

Op 1 augustus 2014 is de Stroomlijningswet ACM in werking getreden. Onderdeel van de wet is een gestroomlijnde methodiek van doorbelasting van toezichtskosten van de ACM aan ondernemingen die onder toezicht vallen. Deze methodiek, die voor verschuivingen in de toezichtslasten per sector zorgt, zal op 1 januari 2015 van kracht worden.

Een wetsvoorstel ter verhoging van de wettelijke maxima van de ACM-boetes wordt voorbereid. Doelstelling van dit wetsvoorstel is het vergroten van de afschrikkende werking van de ACM-boetes en daarmee van de effectiviteit van het markttoezicht dat de ACM uitoefent. In 2015 zal de parlementaire besluitvorming over het wetsvoorstel plaatsvinden. Naar verwachting treedt de wet in de tweede helft 2015 of de eerste helft 2016 in werking.

In 2014 zal een wetsvoorstel worden ingediend om de eisen aan de Universele Postdienst (UPD) meer in lijn te brengen met de behoeften van gebruikers, met name door het verminderen van het aantal verplichte postvestigingen en brievenbussen. Naar verwachting zal het wetsvoorstel in 2015 in werking treden.

In 2015 wordt de herziening van de Europese metrologische richtlijnen op basis van verordening 765/2008 betreffende accreditatie en marktoezicht en besluit 768/2008 betreffende het verhandelen van producten in de Metrologiewet geïmplementeerd. Hierdoor wordt een aantal technische verbeterpunten doorgevoerd.

Mede naar aanleiding van de lessen uit een overnamepoging van KPN in 2013 is de Tweede Kamer in 2014 geïnformeerd over een beleidsvoornemen om de Minister van Economische Zaken extra bevoegdheden te geven indien een partij overwegende zeggenschap wil verwerven in een telecommunicatiebedrijf dat beschikt over vitale infrastructuur. Voorjaar 2015 zal een wetsvoorstel daartoe voor behandeling worden voorgelegd aan de Tweede Kamer.

In vervolg op de in 2013 uitgekomen middellange termijnvisie op de ontwikkeling van telecommunicatie, media en internet, zijn in 2014 in nauwe samenwerking met alle stakeholders (netwerkpartneraanpak) analyses uitgevoerd en oplossingsrichtingen geformuleerd binnen de thema’s «Markt en toezicht», «Neutraliteit verder in de keten», «Audiovisuele diensten en media», «E-privacy» en «Betrouwbaarheid van netwerken en diensten». De Tweede Kamer zal hierover eind 2014 worden geïnformeerd. In 2015 zullen deze oplossingsrichtingen in samenwerking met andere departementen zoals het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van Veiligheid en Justitie worden meegenomen bij de verdere modernisering van de regelgeving.

De planning is dat de Verzamelwet met diverse wijzigingen van de Telecommunicatiewet eind 2014 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. In 2015 zal dan de parlementaire behandeling door Tweede en Eerste Kamer plaatsvinden en het wetsvoorstel in werking treden.

De verwachting is dat de Tweede Kamer in 2014 instemt met een wetsvoorstel tot aanpassing van artikel 11.7a (de cookiebepaling) van de Telecommunicatiewet. Het wetsvoorstel zorgt er voor dat cookies die geen of nauwelijks gevolgen hebben voor de privacy niet meer onder de informatieplicht en het toestemmingsvereiste vallen. Gebruikers van internet hoeven dan alleen nog maar toestemming te geven voor het plaatsen van cookies als hun privacy daadwerkelijk in het geding is. Na instemming van de Tweede en Eerste Kamer zal de wet begin 2015 in werking kunnen treden.

Aan de Tweede Kamer20 is toegezegd dat het gewijzigde frequentiebeleid, zoals dat in maart 2013 is vastgelegd in de Telecommunicatiewet, na twee jaar wordt geëvalueerd. De evaluatie zal in 2015 worden afgerond. Op basis van de uitkomsten zal eind 2015 worden bezien of het frequentiebeleid bijstelling behoeft.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

VERPLICHTINGEN

214.441

197.186

192.396

182.292

177.891

170.015

170.020

UITGAVEN

216.199

198.280

192.483

183.123

175.774

168.998

169.003

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

98%

       
               

Subsidies

797

1.700

1.400

100

1.100

1.080

 

Digitalisering regionale radio

797

1.700

1.400

100

1.100

1.080

 
               

Opdrachten

8.071

9.282

14.186

13.778

12.910

12.733

13.813

Onderzoek en Opdrachten

2.883

2.183

1.866

1.453

1.453

1.453

1.453

PIANOo/TenderNed

1.572

3.101

6.857

6.517

6.511

6.511

6.511

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

3.616

3.998

5.463

5.808

4.946

4.769

5.849

               

Bijdragen aan agentschappen

14.510

13.030

9.825

9.254

8.551

8.008

8.013

Agentschap Telecom

10.921

10.436

9.825

9.254

8.551

8.008

8.013

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

365

           

DICTU

3.224

2.594

         
               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

190.090

169.839

162.309

155.831

148.777

142.747

142.747

Metrologie

14.969

14.029

13.935

13.263

12.640

11.940

11.940

Raad voor Accreditatie

162

297

105

142

129

127

127

ACM

1.333

422

402

375

375

377

377

CBS

173.626

155.091

147.867

142.051

135.633

130.303

130.303

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

2.731

4.429

4.763

4.160

4.436

4.430

4.430

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

790

1.154

1.039

1.204

1.182

1.059

1.059

Internationale organisaties

1.941

3.215

3.664

2.896

3.194

3.311

3.311

Raad van deskundigen voor de nationale meetstandaarden

 

60

60

60

60

60

60

               

ONTVANGSTEN

3.846.784

53.281

52.265

43.434

30.200

30.200

30.200

Ontvangsten ACM

1.074

           

High Trust

16.655

31.300

31.300

31.300

30.200

30.200

30.200

Diverse ontvangsten

3.829.055

21.981

20.965

12.134

     

Om invulling te geven aan de Kaderrichtlijn, 2002/21/EG, zoals gewijzigd door 2009/140/EG, artikel 3 inclusief considerans 13, wordt opgemerkt dat van het totaalbedrag voor de apparaatsuitgaven van de ACM (inclusief de raming voor ACM op artikel 40), een bedrag van circa € 13,6 mln in 2015 specifiek voor toezicht op de elektronische communicatiesector wordt geraamd (inclusief betreffende kosten van het bestuur van de ACM).

Budgetflexibiliteit

Subsidies: Het bedrag dat geraamd is in 2015 voor deze subsidie vloeit voort uit een verplichting die in het verleden is aangegaan; deze is dus 100% juridisch verplicht.

Opdrachten: Het geraamde bedrag voor uitgaven uit hoofde van opdrachten is voor 77% juridisch verplicht, het betreft uitfinanciering van in het verleden aangegane verplichtingen en uitgaven die op grond van de Aanbestedingswet worden gedaan door PIANOo en TenderNed.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de uitfinanciering van opdrachten 2015 aan Agentschappen en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Van de totaal voor 2015 geraamde uitgaven voor artikel 11 is circa € 162 mln bestemd voor bijdragen aan ZBO's/RWT's. Hiervan is 100% niet flexibel inzetbaar in 2015 als gevolg van overeenkomsten met betrokken organisaties.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Over de contributies aan (inter)nationale organisaties zijn meerjarige afspraken gemaakt, de bedragen zijn voor 80% juridisch verplicht.

Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Digitalisering regionale radio

Dit betreft de uitfinanciering van de in 2011 afgegeven subsidiebeschikking aan de Stichting Regionale Omroep Overleg en Samenwerking. Dit zal worden aangewend voor investeringen in digitale radio voor regionaal publieke omroepen.

Een indicatie voor het succes van de introductie van digitale radio is de penetratiegraad van digitale radio-ontvangers in huishoudens. Dit wordt gemonitord in de jaarlijkse uitgave «De Digitale Economie» van het CBS. Belangrijke indicator voor dit succes is het percentage huishoudens dat over een DAB+ ontvanger beschikt en daarmee toegang heeft tot digitale radio. Als dit in meer dan 50% van de huishoudens het geval is, ligt het in de rede om de analoge FM op termijn af te schakelen.

Indicator

Referentie-waarde 2012

Peildatum

Raming 2015

Streef-waarde

Planning

Bron

Penetratiegraad van digitale radio ontvangers in huishoudens

3,9%

2012

25–30%

50%

2016

CBS

Opdrachten

Onderzoek en opdrachten

Dit betreft onderzoeksopdrachten die dienen ter ondersteuning van het beleid op het gebied van onder andere het marktordeningsbeleid, mededingingsbeleid, consumentenbeleid, aanbestedingsbeleid, Europese zaken en strategie.

PIANOo en TenderNed (aanbestedingsbeleid)

De in 2013 in werking getreden Aanbestedingswet 2012 beoogt een eenduidig en helder regelgevend kader te schetsen van de voorwaarden waaronder aanbestedende diensten hun opdrachten voor concurrentie moeten openstellen.

Een belangrijk element in het aanbestedingsbeleid vormt TenderNed. TenderNed is het elektronische aanbestedingssysteem, waardoor alle openbare (overheids)opdrachten op één centrale plaats te vinden zijn. TenderNed levert een belangrijke bijdrage aan de professionalisering van de overheidsinkoop, verbetering van naleving van de aanbestedingsregels en vermindering van de administratieve lasten voor ondernemers. Ondernemers kunnen dankzij de verplichting voor aanbestedende diensten om op TenderNed te publiceren alle openbare (overheids-)opdrachten vinden op één centrale plaats.

De vereenvoudigde en gemoderniseerde Europese aanbestedingsregels zullen worden geïmplementeerd in de Aanbestedingswet 2012.

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

De begrote bedragen zijn voor opdrachten met betrekking tot de volgende onderwerpen ten aanzien van frequenties:

  • •  De huidige vergunningen in de 2 GHz (UMTS) band lopen op 1 januari 2017 af. Het uitgiftebeleid voor de frequenties in deze band krijgt in 2015 zijn uitwerking.
  • •  De huidige vergunningen voor radio lopen op 1 september 2017 af. Het uitgiftebeleid voor de frequenties in de radiobanden zal in 2015 zijn uitwerking krijgen.
  • •  De (heruitgifte) van frequenties voor omroeptoepassingen voor publieke en commerciële radio en televisie. Begin 2017 lopen de huidige DVBT-vergunningen (digitale ethertelevisie) van Digitenne (KPN) en de Publieke Omroep in het UHF-spectrum af. Begin 2015 neemt de Minister een besluit of nog spectrum beschikbaar wordt gesteld voor digitale ethertelevisie. Zo ja, dan worden in 2015 voorbereidingen getroffen om de bestemming en de heruitgifte van dit spectrumdeel in goede banen te leiden.

De begrote bedragen zijn daarnaast voor opdrachten met betrekking tot de continuïteit van netwerken internetveiligheid en cybersecurity:

  • •  Het versterken van de continuïteit van de telecommunicatienetwerken via onder andere bijdragen aan monitoring en onderzoek.
  • •  Het verhogen van internetveiligheid onder meer in samenwerking met het Platform Internetveiligheid. Betreft onderwerpen als aanpak van botnets, veiligheid van hotspots, het verbeteren van de intrinsieke veiligheid van hard- en software, standaardisatie van privacyvoorwaarden en de veiligheid van mobiele toepassingen.
  • •  Uitvoering van het programma Digiveilig dat er op is gericht om eindgebruikers (in het bijzonder individuele gebruikers, MKB en ZZP-ers) bewust te maken van een veilig internetgebruik en hen voor te lichten over en tools te bieden voor veilig internetten en veilig online zakendoen. Onderdeel hiervan vormt de doorontwikkeling en exploitatie van de portal veilig internetten en ook het faciliteren van acties die leiden tot betere borging van e-privacy.
  • •  EZ verzorgt de Interdepartementale Coördinatie van de onderzoeksprogrammering Nationale Cybersecurity Research Agenda. EZ draagt hier voor € 0,2 mln aan bij.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

Ambitie 2020

Concurrentie markt mobiele telefonie (HHI-index)

3.802

3.721

3.740

3.675

Dalend

Bron: TNO

Toelichting

De Herfindahl – Hirschman Index (HHI) geeft een indicatie van de marktconcentratie, die afhankelijk is van enerzijds het aantal partijen in de markt (hoe meer partijen, des te lager de HHI) en anderzijds de marktaandelen van deze partijen (hoe lager het marktaandeel van de marktleiders, des te lager de HHI). De HHI kan een waarde aannemen tussen 0 (bij heel intensieve concurrentie) en 10.000 (bij een volledig monopolie). Hoe lager de HHI, hoe meer er gesproken kan worden van concurrentie. En bij dalingen van de HHI kan dus gesproken worden van toegenomen concurrentie. De betreffende HHI kijkt alleen naar de markt op netwerkniveau, dat wil zeggen dat het alleen naar de marktaandelen kijkt van partijen met een eigen netwerk. In de markt voor mobiele telefonie zijn echter ook partijen aanwezig die zelf diensten aanbieden, maar dat doen via de netwerken van de drie grote aanbieders. Het streven is dat door uitgifte van frequenties voor nieuwe mobiele toepassingen ook nieuwe partijen de markt kunnen betreden. Met de veiling voor frequenties voor nieuwe generatie mobiele telecommunicatie is er een nieuwe netwerkaanbieder bij gekomen. Naarmate deze netwerkaanbieder marktaandeel gaat verwerven en vergroten zal de HHI – waarde kunnen dalen.

Bijdragen aan agentschappen

Agentschap Telecom

Agentschap Telecom draagt onder meer zorg voor de toelating tot het spectrum en ziet toe op het juiste gebruik daarvan. De begrote bedragen hebben betrekking op deze taken. De voornaamste uitvoeringstaken zijn voorlichting in het kader van het antennebeleid, juridische procedures en een bijdrage voor werkzaamheden in het kader van vergunningvrije toepassingen. De toezichtstaken hebben betrekking op onder meer toezicht ondergrondse netten (WION), bevoegd aftappen en dataretentie.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Metrologie

Met de Metrologiewet worden nationale meetstandaarden beschikbaar gesteld, die de basis vormen van een internationaal herleidbare metrologische infrastructuur. Het gebruik van gecontroleerde meetinstrumenten bij het leveren van goederen draagt onder andere bij aan eerlijke handel en consumentenbescherming.

VSL B.V. ontwikkelt, beheert en onderhoudt de nationale meetstandaarden. Verispect B.V. houdt toezicht op de Metrologiewet en de Waarborgwet. In beide gevallen gaat het om een overeenkomst voor onbepaalde tijd.

Raad voor Accreditatie

De Raad voor Accreditatie (RvA) is een ZBO dat controleert of een keuringsinstantie, certificeringsinstantie, inspectie-instantie of een laboratorium aan de accreditatienormen voldoet. De taken van de Raad voor Accreditatie zijn vastgelegd in de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie. De RvA ontvangt jaarlijks een bijdrage van de Staat voor de kosten die de RvA maakt in het kader van Europese en internationale activiteiten die relevant zijn voor de accreditatie sector als geheel.

Autoriteit Consument en Markt (ACM)

Sinds 1 april 2013 is de uitoefening van het markttoezicht op de niet-financiële markten opgedragen aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM). De ACM is belast met wettelijke taken op het gebied van het generieke mededingingstoezicht (Mededingingswet), generieke consumentenbescherming (Wet handhaving consumentenbescherming) en het sectorspecifieke markttoezicht in de sectoren energie, telecommunicatie, post en vervoer.

De apparaatsuitgaven van de ACM zijn geraamd op artikel 40, voor zover de kosten van de ACM niet worden doorbelast naar marktorganisaties die onder het ACM-toezicht vallen. Het bedrag geraamd op artikel 11 betreft de geraamde kosten van de leden van het bestuur van de ACM.

ConsuWijzer is het informatieloket van de ACM en biedt op laagdrempelige wijze informatie over de rechten en plichten van consumenten. ConsuWijzer geeft advies op maat over de stappen die de consument kan nemen om zijn recht te halen. Dit kan variëren van een bezoek aan de winkelier, het schrijven van een brief aan de leverancier tot het aanhangig maken van een geschil bij de Geschillencommissie of de rechter. Daarnaast heeft ConsuWijzer als doel om de ACM te voorzien van toezichtsinformatie (signaalfunctie). Voor meting van de effectiviteit van ConsuWijzer.nl wordt onderzocht wat het percentage consumenten is dat stappen heeft ondernomen na een bezoek aan de website. Tevens wordt de klanttevredenheid gemeten.

In de tweede helft van 2014 zullen tot slot de voorbereidingen worden gestart voor de externe evaluatie van de ACM die in de loop van 2015 moet zijn afgerond.

Kengetal

Referentie-waarde

Peil-datum

Raming 2015

Streef-waarde

Planning

Bron

Percentage consumenten dat stappen heeft ondernomen na bezoek ConsuWijzer

46%

2011

46%

46%

2015

ACM

Klanttevredenheid Consuwijzer

7,4

2011

7,3

7,3

2015

ACM

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

Het CBS publiceert als onafhankelijk kennisinstituut betrouwbare, samenhangende en actuele statistische informatie, die inspeelt op de behoefte van de samenleving. Deze informatie omvat vele maatschappelijke aspecten, van macro-economische indicatoren als economische groei en consumentenprijzen, tot de inkomenssituatie van personen en huishoudens die relevant zijn voor praktijk, beleid en wetenschap. Producten van het CBS worden intensief gebruikt voor onder meer het opstellen en evalueren van beleid en voor het signaleren van maatschappelijke trends.

Het CBS staat voor de opgave verder in te spelen op de groeiende vraag naar betrouwbare statistische informatie, de toegankelijkheid van gegevens verder te vergroten, de kwaliteit te handhaven en tegelijkertijd te bezuinigen. Hiertoe worden op innovatieve wijze statistieken geproduceerd en operationele processen gestroomlijnd.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

Het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) ontvangt een bijdrage van de Staat voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden die voortvloeien uit Verordening (EU) Nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012. Deze betreffen Europese normalisatie en de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen die over het geven van informatie over normen gaan. Tevens is de bijdrage bedoeld voor het informeren van Nederlandse belanghebbenden over de initiatieven van de Europese en mondiale normalisatie-instellingen. Daarnaast gebruikt het NEN de bijdrage voor de contributies die het NEN is verschuldigd aan de Europese en mondiale normalisatie-instellingen en voor de controle van de juistheid van verwijzingen in regelgeving naar normen en kennisgeving aan ministeries van het vervallen en vervangen van normen.

Internationale organisaties

Dit betreft bijdragen aan:

  • •  International Telecommunications Union (ITU): In 2015 organiseert de ITU de World Summit on the Information Society (WSIS-15). De NL inzet is gericht op de versterking van de «multistakeholder benadering» voor het internet en op een besturingsmodel dat is gebaseerd op een open, beschikbaar en toegankelijk internet. Daarnaast zijn met name de werkzaamheden van de Radiocommunicatiesector (ITU-R) van groot belang. ITU-R neemt besluiten over de wereldwijde toewijzing van radiofrequenties aan categorieën van diensten en over de toewijzing van (schaarse) ruimteposities aan satellietsystemen.
  • •  Universal Postal Union (UPU): Binnen de UPU zal worden gewerkt aan het uitvoeren van alle afspraken die zijn gemaakt in oktober 2012 tijdens de vierjaarlijkse UPU Conferentie, waaronder het strategisch plan voor 2013–2016.
  • •  European Conference of Postal and Telecommunications Administrations (CEPT): De inzet in de ITU wordt regionaal voorbereid, voor landen in Europa is daarvoor CEPT het aangewezen kanaal. Daarnaast zal in CEPT verder worden gewerkt aan regionale afspraken over nummers en frequentieverdelingen en aan (technische) mandaten van de Europese Commissie. De rapporten die CEPT opstelt aan de hand van deze mandaten vormen een belangrijke input voor besluiten in het Radio Spectrum Comité van de EU. EZ draagt jaarlijks bij aan de kosten van ERO (het permanente ondersteunende bureau van CEPT in Kopenhagen).
  • •  The Internet Corporation for Assigned Names and Numbers/Governmental Advisory Committee (ICANN/GAC): EZ financiert samen met Brazilië en Noorwegen het secretariaat van ICANN/GAC tot en met 2015. Dit versterkt de slagkracht van overheden binnen ICANN, de organisatie die wereldwijd het domeinnamensysteem (de basis van het internet) coördineert.
  • •  Internet Governance Forum (IGF): Het Internet Governance Forum is het mondiale overlegplatform waar ontwikkelingen op het gebied van internet met alle betrokken partijen (overheden, private sector, maatschappelijke organisaties, technische gemeenschap en de academische wereld) worden besproken. EZ doneert vooralsnog tot en met 2015 jaarlijks een bedrag aan het IGF, met name ter ondersteuning van het IGF-secretariaat. Verder subsidieert EZ ECP onder meer voor de jaarlijkse voorbereiding van het NL IGF multistakeholder platform.
  • •  Internationale organisaties Metrologie. Het gaat om bijdragen op het gebied van metrologie die vastliggen in internationale verdragen (Organisation Internationale de Métrologie Légale (OIML), WELMEC, Bureau International des Poids et Mesures (BIPM)).

Raad van deskundigen voor de nationale meetstandaarden

Het geraamde bedrag betreft vergoedingen voor de leden van de op grond van de Metrologiewet verplicht ingestelde adviesraad, kosten secretariaat en vergaderkosten. De Raad is een technisch specialistisch adviescollege als bedoeld in de Kaderwet adviescolleges. De Raad oefent toezicht uit op de verwezenlijking en het beheer van onze nationale meetstandaarden en geeft gevraagd en ongevraagd advies over meetstandaarden en grootheden.

Toelichting op de ontvangsten

High Trust

Betreft raming van ontvangsten van boetes die toezichthouders van EZ opleggen en waar – in het kader van het zogenaamde High Trust-beleid – een meerjarige raming voor wordt aangehouden. Verreweg het grootste deel van de ontvangsten betreft boetes die opgelegd worden door de ACM.

Diverse ontvangsten

Betreft ramingen voor ontvangsten uit hoofde van het beleid inzake Telecommunicatie.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

BTW-vrijstelling Post

178

172

167

161

156

151

147

12 Een sterk innovatievermogen

Algemene doelstelling

Een sterker innovatievermogen van de Nederlandse economie.

  • –  De ambitie is dat de positie van Nederland in de Innovation Union Scoreboard verbetert naar de groep van innovatieleiders. Nederland neemt nu de zesde plaats in en is daarmee innovatievolger.
  • –  In het kader van de Europa 2020-strategie stelt Nederland zich ten doel dat in 2020 2,5% van het bruto binnenlands product aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) wordt uitgegeven.
  • –  Bovendien is het een ambitie van het bedrijvenbeleid dat publieke en private partijen in 2015 voor tenminste € 500 mln participeren in Topconsortia voor Kennis en Innovatie, waarvan tenminste 40% wordt gefinancierd wordt door het bedrijfsleven.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is Rijksbreed verantwoordelijk voor versterking van het innovatievermogen, in het bijzonder gericht op het bedrijfsleven, om te komen tot:

  • •  nieuwe of sterk verbeterde producten, processen of diensten;
  • •  administratieve, organisatorische of marketinginnovatie.

Samen met de bewindspersonen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is de Minister van Economische Zaken verantwoordelijk voor het coördineren en borgen van de publieke kennisinfrastructuur voor toegepast en fundamenteel onderzoek.

Vanuit deze verantwoordelijkheden heeft de Minister een stimulerende en regisserende rol:

Stimuleren

  • •  Het stimuleren van extra investeringen in R&D en innovatie in generieke zin en specifiek ten aanzien van topsectoren, door alle bedrijven, inclusief het MKB.
  • •  Het stimuleren van privaatpublieke samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven, zoals in de topconsortia voor kennis en innovatie (TKI).
  • •  Het stimuleren van de toegang tot (risico)kapitaal voor bedrijven, middels het Innovatiefonds MKB+.
  • •  Het stimuleren van Europese en internationale samenwerking op het gebied van innovatie en samen met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen het stimuleren van Europese en internationale samenwerking op het gebied van R&D.

Regisseren

  • •  De kabinetsbrede regie van het topsectorenbeleid en de invulling van de kennis- en innovatiecontracten.
  • •  Het regisseren van een effectief stelsel voor kennisbescherming en benutting.
  • •  Het regisseren van het Nederlandse lucht- en ruimtevaartbeleid.

Indicator

Referentie-

Waarde 1

Peildatum

Raming

2015

Streef-

waarde

Planning

Bron

R&D-uitgaven als % van het BBP2

1,97%

2012

2,1%

2,5%

2020

CBS

– waarvan private sector

1,14%

2012

1,3%

n.v.t.

 

CBS

– waarvan publieke sector

0,83%

2012

0,8%

n.v.t.

 

CBS

Noot 1: In juni 2014 heeft het CBS een revisie van het BBP doorgevoerd in het kader van de herziening van de Nationale Rekeningen. Dit heeft een opwaarts effect van 7% gehad op de omvang van het BBP in 2012. Indien de revisie van het BBP niet had plaatsgevonden, waren de R&D-uitgaven in 2012 uitgekomen op 2,10% van het BBP, waarvan 1,22% in de private sector en 0,89% in de publieke sector.

Noot 2: De getoonde uitsplitsing van R&D-uitgaven naar publieke en private sector heeft betrekking op de sector waarbinnen het onderzoek wordt uitgevoerd, niet op de financieringsbron. De publiek gefinancierde R&D-uitgaven (inclusief WBSO en RDA) zijn voor 2012 te becijferen op 0,91% van het BBP, de privaat gefinancierde R&D-uitgaven (na aftrek van WBSO/RDA) op 1,05% van het BBP. Deze berekening is door EZ gedaan op basis van recente gegevens over de financiering van R&D van het CBS.

Kengetallen: Innovatieprestaties van Nederland

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

Innovation Union Scoreboard: positie Nederland in de EU

8e

8e

7e

5e

6e

Aantal bij PCT1 aangevraagde octrooien,
         
• per mld euro BBP (in purchasing power parity (PPP) €)2

7,03

(2006)

6,59

(2007)

6,46

(2008)

6,32

(2009)

5,45

(2010)

• positie Nederland in de EU

5e

5e

5e

5e

5e

Aantal bij OHIM3 aangevraagde handelsmerken,
         
• per mld euro BBP (in PPP €)4

5,90

(2008)

6,76

(2009)

7,38

(2010)

7,12

(2011)

7,1

(2012)

• positie Nederland in de EU

9e

6e

6e

9e

9e

Noot 1: Het Patent Cooperation Treaty wordt uitgevoerd door de World Intellectual Property Organisation (WIPO), het agentschap van de Verenigde Naties dat onder andere internationaal aangevraagde octrooien registreert.

Noot 2: Betreft het aantal octrooiaanvragen (onder PCT, internationale fase met EPO-bestemming) naar land van uitvinder, gedeeld door het BBP in mld euro’s gecorrigeerd voor koopkrachtverschillen. Tussen haken is het jaar opgenomen waarop de data betrekking hebben. Dit betekent dat de positie van Nederland in 2013 op de Innovation Union Scoreboard dus mede is bepaald op basis van octrooidata uit 2010.

Noot 3: Het Office for Harmonisation in the Internal Market (OHIM) is het EU-agentschap dat onder andere handelsmerken registreert die in de gehele EU geldig zijn.

Noot 4: Tussen haken zijn de jaren aangegeven waarop de data betrekking hebben.

Bron: Europese Commissie (Innovation Union Scoreboard 2014)

Toelichting

Nederland heeft in 2013 een zesde positie in het Innovation Union Scoreboard bereikt (IUS 2014). Daarmee behoort Nederland tot de groep landen die tot de «innovatievolgers» worden gerekend, achter de «innovatieleiders» Zweden, Duitsland, Denemarken en Finland.

Kengetal

2006

2008

2010 1

2012

Aandeel innoverende bedrijven:

       

• Industrie (EU-gemiddelde)

42%

42%

(44%)

53%

(44%)

50%

(n.n.b.)

• Diensten (EU-gemiddelde)

32%

31%

(35%)

44%

(35%)

42%

(n.n.b.)

Aandeel innoverende bedrijven dat (de laatste drie jaar) technologisch heeft samengewerkt met publieke partijen:

       

• Researchinstellingen (EU-gemiddelde)

8%

10%

(6%)

6%

(6%)

7%

(n.n.b.)

• Universiteiten (EU-gemiddelde)

11%

14%

(10%)

8%

(11%)

10%

(n.n.b.)

Noot 1: enquêtemethode gewijzigd

Bron: CBS en Eurostat (uitkomsten van innovatie-enquêtes, die tweejaarlijks worden gehouden)

Toelichting

Het aandeel innoverende bedrijven geeft het percentage bedrijven weer dat de laatste drie jaar bezig is geweest met technologische innovatie. Dat lag in 2012 lager dan in 2010. Het aandeel innoverende bedrijven dat de laatste drie jaar heeft samengewerkt met universiteiten of publieke researchinstellingen biedt inzicht in de mate waarin innoverende bedrijven kennisinstellingen betrekken bij onderzoek en innovatie. Dat is in 2012 gestegen ten opzichte van 2010. Een vergelijking over de periode 2006–2012 wordt bemoeilijkt door een breuk in de tijdreeks als gevolg van de introductie van de digitale enquêtemethode door het CBS bij de meting over 2010. Ten opzichte van het EU-gemiddelde kent Nederland de laatste jaren een aanzienlijk hoger aandeel technologisch innoverende bedrijven, waarvan er grosso modo evenveel samenwerken met kennisinstellingen.

Beleidswijzigingen

Vanaf 1 juli 2014 is de regeling Vroegefasefinanciering geopend, om ondernemers via een lening te ondersteunen om hun waardevolle ideeën voor nieuwe producten of diensten in de ontwikkelingsfase naar de markt te brengen. Het budget voor deze regeling was in het kader van het stimuleringspakket uit 2014 éénmalig beschikbaar gesteld. In het Aanvullend Actieplan MKB-financiering is structureel € 12,5 mln beschikbaar voor deze regeling.

In het Aanvullend Actieplan MKB-financiering is € 100 mln beschikbaar gesteld in 2014 voor het Dutch Venture Initiative (DVI) voor investeringen in participatiemaatschappijen en business angels.

Vanwege de grote belangstelling bij het MKB voor de MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT) in 2014 wordt er in 2015 wederom € 30 mln voor dit instrument beschikbaar gesteld. Verder zal de samenwerking met de provincies op het innovatie-instrumentarium voor het MKB, welke in 2014 onder meer heeft geleid tot € 2 mln aan extra MIT projecten dankzij investeringen vanuit de provincies Limburg en Noord-Brabant, in 2015 verder worden voortgezet.

De TKI-toeslagregeling voor 2015 wordt op een aantal punten verder vereenvoudigd. De aanvragen voor toeslag worden gebaseerd op de vastgelegde, in plaats van de verwachte private bijdragen in publiek private samenwerkingsverbanden, waardoor de TKI’s meer zekerheid hebben over de omvang van de toeslag. Voorts zullen bij de inzet van de toeslag op nieuwe PPS’en geen verdergaande eisen worden gesteld dan het nieuwe staatssteunkader voor onderzoek en innovatie voorschrijft.

De transitie van Technologische Topinstituten (TTI) die in 2014 in gang is gezet bestrijkt een periode van drie tot vier jaar. Van de totale overheidsbijdrage gedurende de transitieperiode is circa 2/3 deel voorzien voor onderzoek en 1/3 deel voor onder andere netwerkvorming en kennisoverdracht. De transitie resulteert in een structurele inbedding van de succesfactoren van de TTI’s via het borgen van het onderzoek in de bestaande kennisinfrastructuur (NWO,TO2) en het organiserend vermogen via de TKI’s en de topsectoren.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

VERPLICHTINGEN

768.402

769.765

618.986

585.677

537.704

540.687

533.896

UITGAVEN

775.292

888.293

695.025

613.070

589.884

572.839

562.403

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

79%

       
               

Leningen

99.538

227.951

125.128

90.342

89.329

89.528

75.521

Innovatiefonds (IF): innovatiekrediet

48.965

67.558

76.454

43.299

46.049

34.409

29.402

IF: risicokapitaal

16.500

15.593

17.074

13.343

13.780

22.027

22.027

IF: Dutch Venture Ininitative/Fund of Funds/Vroege fase/informal Investors

17.073

121.800

31.600

33.700

29.500

33.092

24.092

IF: Rom’s

17.000

23.000

         
               

Subsidies

73.576

64.058

62.422

52.129

53.125

50.430

50.715

MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

10.353

21.388

27.957

29.308

29.239

29.239

29.524

Eurostars

6.949

7.592

11.174

15.255

16.556

18.325

18.325

Lucht- en Ruimtevaart

7.812

20.445

13.347

4.873

4.301

1.798

1.798

Overig

48.462

14.633

9.944

2.693

3.029

1.068

1.068

               

Opdrachten

1.436

2.558

1.464

1.538

1.538

1.538

1.538

Onderzoek en opdrachten

1.436

2.558

1.464

1.538

1.538

1.538

1.538

               

Bijdragen aan agentschappen

68.895

67.003

61.643

51.996

49.424

52.424

52.436

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

68.602

66.862

61.004

51.857

49.285

52.285

52.297

Dienst Landelijk Gebied

   

500

       

Agentschap Telecom

293

141

139

139

139

139

139

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

154.840

136.874

113.349

113.911

110.235

108.874

108.874

TNO

154.840

136.874

113.349

113.911

110.235

108.874

108.874

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

377.007

389.849

331.019

303.154

286.233

270.045

273.319

Toeslag Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag)

25.434

66.534

80.945

101.101

115.273

115.267

118.267

Internationaal Innoveren

 

4.000

14.000

24.000

34.000

40.000

40.000

Topsectoren overig

183.625

187.370

132.146

68.388

40.828

30.600

30.874

Marin, Deltares, NLR

54.802

41.191

40.833

31.742

30.944

30.043

30.043

Topsectoren overig

             

Syntens

19.797

           

Ruimtevaart (ESA)

92.895

90.230

61.925

76.753

64.018

52.965

52.965

Overig

454

524

1.170

1.170

1.170

1.170

1.170

               

ONTVANGSTEN

96.098

74.495

61.601

63.737

72.234

79.830

82.025

Luchtvaartkredietregeling

2.515

2.102

3.800

5.777

9.695

12.203

14.125

Technische Ontwikkelingsprojecten (TOP)

2.128

4.000

3.000

2.000

500

   

Rijksoctrooiwet

35.287

31.212

31.212

31.212

31.212

31.212

31.212

Innovatiekredieten

16.733

9.816

18.788

19.588

23.188

26.688

25.388

Seed

2.188

 

800

 

1.400

2.900

4.200

Fund of Funds

       

100

800

2.800

Ontvangsten ROM’s

16.995

23.000

         

Eurostars

104

1.777

2.413

3.572

4.651

5.239

5.512

Diverse ontvangsten

20.150

2.588

1.588

1.588

1.588

1.588

1.588

Budgetflexibiliteit

Leningen: Het budget in 2015 voor het Innovatiefonds is voor 72% juridisch verplicht.

Subsidies: De beleidsbudgetten worden per jaar gepubliceerd. Van het beschikbare bedrag in 2015 is 74% juridisch verplicht. Het betreft onder andere uitfinanciering van tot en met 2014 aangegane verplichtingen. Het budget van de regeling MKB Innovatiestimulering Topsectoren (totaal € 28 mln) is voor € 10 mln nog niet juridisch verplicht. Dit zal bij de openstelling in 2015 plaatsvinden. Van het totale budget subsidies heeft 3% betrekking op de rente luchtvaartkredietregeling. Dit budget is bestuurlijk gebonden.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 91% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van in voorgaande jaren aangegane verplichtingen.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van het opdrachtenpakket 2015 aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), Dienst Landelijk Gebied (DLG) en aan Agentschap Telecom en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen ZBO’s/RWT’s: Het budget betreft de uitfinanciering van de commitering 2015 aan TNO. Het budget is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Van dit bedrag is 71% juridisch verplicht. Dit betreft vooral de bijdragen aan Nationaal Lucht en Ruimtevaartlaboratorium, Stichting Technische Wetenschappen, verschillende Technologische Topinstituten en de uitfinanciering van verschillende innovatieprogramma’s. Een deel van het budget van de TKI-toeslagregeling (€ 48 mln) is nog niet juridisch verplicht. Dit betreft circa 15% van het totale budget voor (inter)nationale organisaties. De juridische verplichting van dit budget zal naar verwachting in 2015 plaatsvinden. Van de uitgaven aan (inter)nationale organisaties is 13% bestuurlijk gebonden. Dit betreft onder andere de uitgaven aan Deltares, Marin, Ruimtevaart en de Adviesraad voor wetenschap en techniek.

Toelichting op de financiële instrumenten

Samenhang instrumenten in het innovatiebeleid

Het innovatiebeleid heeft twee sporen: het generieke spoor en het specifieke spoor. Het generieke spoor bestaat uit het fiscale innovatie-instrumentarium (WBSO, RDA, innovatiebox), het Innovatiefonds MKB+ en enkele andere instrumenten. De generieke instrumenten beogen – tegen geringe uitvoeringskosten – bedrijven in de volle breedte van de economie aan te zetten tot innovatie.

Het specifieke spoor heeft betrekking op de topsectorenaanpak. De kern van het specifieke beleid is publiekprivate samenwerking (PPS). Een essentieel onderdeel daarvan wordt gevormd door de innovatiecontracten in de topsectoren. Daarin formuleren bedrijven, kennisinstellingen en overheden, samen de «gouden driehoek», op het gebied van innovatie en kennis de agenda’s en de programma’s, waarbij ook de inzet van middelen van de betrokken partijen is bepaald. Door een intensievere samenwerking tussen de excellente Nederlandse publieke kennisinfrastructuur en de bedrijven vindt de kennis beter zijn weg in innovatieve producten. Vanuit budgettaire optiek zijn hier de bijdragen aan de kennisinstellingen (TNO, DLO, GTI’s), de TKI-toeslag en de MIT van belang. In figuur 1 wordt een verdeling van middelen naar generieke en specifieke instrumenten getoond21. Daaruit blijkt dat 89 procent van het totale budget voor innovatie-instrumenten toegankelijk is voor alle innovatieve bedrijven.
Figuur 1: budget innovatie-instrumenten 2015 verdeeld naar generiek en specifiek
Een andere manier om naar de samenhang van middelen voor innovatie te kijken, is door onderscheid te maken in grootteklasse van de ontvangende bedrijven. Het MKB (bedrijven met minder dan 250 werkzame personen) is bijna net zo belangrijk als het grootbedrijf in termen van uitgevoerde R&D (zie figuur 2b, bron: CBS, ICT, Kennis en economie 2014). In vergelijking hiermee, toont figuur 2a dat het MKB een relatief ruim aandeel (65%) van de innovatiemiddelen ten gunste van bedrijven ontvangt22.

Een goede verbinding met de initiatieven van de EU en andere landen is integraal onderdeel van het Nederlandse innovatiebeleid. Essentieel is de band tussen de topsectoren en de EU-programma’s op het terrein van kennis en innovatie. Het topsectorenbeleid maakt bovendien gerichter werk van bilaterale contacten en economische diplomatie.

De uitgaven van de verschillende departementen aan innovatie worden door het Rathenau Instituut jaarlijks samengesteld en openbaar gemaakt, als onderdeel van de totale investeringen in wetenschap en innovatie in verband met de samenhang tussen R&D en innovatie.

Leningen

Innovatiefonds MKB+.

Het Innovatiefonds MKB+ bestaat uit het Innovatiekrediet, de Seed capital-regeling (risicokapitaal), het Dutch Venture Iniative (DVI) en de ROM’s. In 2014 is hier de nieuwe regeling Vroege Fase Financiering aan toegevoegd.

  • •  Het Innovatiekrediet vergemakkelijkt de toegang tot vreemd vermogen voor het innovatieve MKB en het grootbedrijf. De verhoging van de Innovatiekredietbijdrage in 2014 van 35% naar maximaal 50% voor de MKB-doelgroep is als onderdeel van het Aanvullend actieplan MKB-financiering (TK, 32 637 nr. 147) met een jaar verlengd tot ultimo 2015.
  • •  De Seed capital-regeling (risico-kapitaal) ondersteunt starters in high tech en creatieve sectoren bij het verwerven van risico-kapitaal (early stage).
  • •  Het Dutch Venture Initiative stelt risico-kapitaal beschikbaar voor doorgroei van het innovatieve MKB (later stage). Het DVI wordt samen met het Europees Investeringsfonds (EIF) en het participatiefonds PPM Oost uitgevoerd. Naast de € 100 mln bijdrage vanuit het Rijk draagt het EIF ook € 50 mln bij, waarmee in totaal een investeringsfonds van € 150 mln actief is. Hiermee wordt geïnvesteerd in private investeringsfondsen die zich richten op innovatief en snel groeiend mkb. Private investeerders, als niet institutionele investeerders, spelen ook een belangrijke rol in de toegang van het MKB tot risicokapitaalfinanciering. Om investeringen vanuit deze professionele private investeerders (aangeduid als business angels) te stimuleren is € 30 mln van het Rijk en € 15 mln van het EIF aan het DVI toegevoegd voor het opzetten van een co-investeringsfaciliteit met business angels. Het DVI is daarmee in 2014 vergroot van de oorspronkelijke € 150 mln naar € 195 mln. Naast deze middelen is met het Aanvullend Actieplan MKB-financiering nog eens € 100 mln extra beschikbaar gesteld in 2014 voor het DVI voor investeringen in participatiemaatschappijen en private investeerders. De inzet van het kabinet is dat, evenals bij de eerste investering in DVI, ook in dit geval het Europees Investeringsfonds weer voor tenminste € 50 mln mede-investeert.
  • •  De nieuwe regeling Vroege Fase Financiering is ook onderdeel geworden van het Innovatiefonds MKB+. Het biedt financiering -in de vorm van een geldlening- voor innovatieve starters en kleine bedrijven in een vroege ontwikkelingsfase: van validatie en onderbouwing van een business case, van idee naar concept. Hierdoor wordt ook de toegang tot vervolgfinanciering gefaciliteerd. Dit initiatief wordt door RVO en de Stichting Technische Wetenschappen (STW) uitgevoerd. Met het Aanvullend Actieplan MKB-financiering is er, aanvullend op de vorig jaar in het stimuleringspakket beschikbaar gestelde € 50 mln, met ingang van 2018 structureel € 12,5 mln per jaar beschikbaar gesteld voor Vroege Fase Financiering. Aanpassing van deze landelijke regeling is per januari 2015 voorzien, enerzijds vanwege de veranderende staatssteunkaders waarbij ook verbeterpunten in de regeling op basis van de eerste ervaringen worden verwerkt, anderzijds vanwege de ambitie om intensiever te gaan samenwerken met regionale «ecosysteempartners». Middels een pilot in Noord-Nederland, op termijn nationaal uit te rollen, loopt de verkenning naar deze samenwerking.
  • •  Tenslotte worden eventuele deelnemingen in de ROM’s verantwoord als onderdeel van het Innovatiefonds MKB+.

Bovengenoemde instrumenten versterken en stimuleren private vermogensverschaffers om innovatieprojecten van bedrijven te financieren en voorzien in de behoefte van bedrijven voor een betere toegang tot risicokapitaal voor innovatie.

Het InnovatiefondsMKB+ heeft een revolverend karakter, waarbij naar verwachting 60–80% van de investeringen wordt terugbetaald: opbrengsten van succesvolle innovaties vloeien zo terug in het fonds, zodat ze weer opnieuw kunnen worden ingezet. Het fonds is daarmee additioneel aan de markt: de overheid neemt het grootste risico, waardoor private investeerders kunnen mee-investeren in innovatieve ondernemingen. De overheid deelt echter mee in de opbrengsten van geslaagde innovaties, waardoor deze middelen opnieuw kunnen worden ingezet voor het vergroten van het beschikbare risicokapitaal voor innovatieve bedrijven.

Indicator

Referentie-

waarde

Peil

datum

Raming 2015

Planning

Bron

Aantal bedrijven dat Innovatiekrediet gebruikt

39

2013

>30

2015

RVO

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met een Innovatiekrediet (x € 1 mln)

156

2013

>120

2015

RVO

Aantal participaties via SEED en Fund of Funds1

44

2013

45

2015

RVO/EIF

Omvang gestimuleerd risicokapitaal voor innovatieve bedrijven door SEED en Dutch Venture Initiative/Fund of Funds (x € 1 mln)

390

2013

390

2015

RVO/EIF

Aantal ondernemers dat Vroege Fase Financiering gebruikt

402

2015

RVO/STW

Noot 1: In 2010 was alleen de SEED-capitalregeling actief.

Noot 2: De raming is een inschatting gebaseerd op het beschikbaar gesteld budget en een maximale leningsomvang van de ondernemer. Rekensom hierbij: voor «MKB (inclusief starters) € 8 mln / 0.35 = 23, en voor academische starters € 4 mln/0.25 =16, afgerond 40 bedrijven.

Toelichting

EZ hanteert voor de innovatiekredieten een indicator die aangeeft hoeveel private R&D-uitgaven worden ondersteund met het innovatiekrediet. De streefwaarde voor 2015 (> € 120 mln) is vastgesteld op basis van het beschikbare verplichtingenbedrag voor innovatiekredieten in 2015 (€ 60 mln) en het feit dat EZ maximaal 50% van de subsidiabele innovatieprojectkosten financiert. De verwachting is dat hiermee in 2015 ongeveer 37 bedrijven kunnen starten met hun innovatieprojecten.

Voor het stimuleren van de risicokapitaalmarkt via de SEED-capitalregeling en het Fund of Funds is een relevante indicator hoeveel participaties de overheid genomen heeft via private risicokapitaalfondsen. Daarnaast wordt een indicator gehanteerd die aangeeft hoeveel risicokapitaal in totaal (private en overheidsbijdrage) beschikbaar komt voor innovatieve ondernemingen. De streefwaarde voor 2015 is minimaal € 390 mln. Vanwege de voortvarende benutting van het Dutch Venture Initiative bestaat de kans dat het grootste deel van de beschikbare middelen al in 2014 wordt geïnvesteerd en er in 2015 minder beschikbaar is, waardoor de raming voor 2015 niet kan worden behaald.

Aangezien het nieuwe instrument Vroege Fase Financiering medio 2014 van start gaat, is er geen referentiewaarde beschikbaar. Voor 2015 is geschat hoeveel ondernemers gebruik kunnen maken van dit instrument (zie ook voetnoot bij tabel).

Subsidies

MKB Innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

De MIT-regeling is in 2013 gestart met een budget van € 22 mln. In 2014 werd dit bedrag incidenteel verhoogd naar € 30 mln. Vanwege de grote belangstelling vanuit het MKB voor deze regeling zal vanaf 2015 € 30 mln structureel beschikbaar gesteld worden. Dit bedrag wordt deels gelijkelijk en deels naar rato van het aantal goede aanvragen verdeeld over de topsectoren en de doorsnijdende thema’s ICT en Biobased Economy. De topteams hebben een grote mate van betrokkenheid ten aanzien van de aanwending van de middelen die per sector zijn vastgelegd. De voorkeur van de topteams voor een bepaalde mix van innovatie-instrumenten en de thema's waarbinnen de aanvragen van MKB-ondernemers moeten passen zal daarom in beginsel worden gevolgd. De instrumentenmix kan onder andere bestaan uit haalbaarheidsonderzoeken, R&D- samenwerkingsprojecten, IPC’s en vouchers. Daarnaast kunnen TKI’s binnen het MIT subsidie aanvragen voor netwerkactiviteiten en innovatiemakelaars voor het MKB.

De samenwerking met de regio’s zal in 2015 worden voortgezet en verder worden uitgebouwd. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de ervaringen die in 2014 zijn opgedaan met pilots in de provincie Brabant en Limburg.

De doelstellingen van de MIT zijn:

  • 1.  zoveel mogelijk ondernemers aan te laten sluiten bij de topsectoren. De streefwaarde wordt uitgedrukt in aantallen deelnemers aan MIT;
  • 2.  innovatieve bedrijven zoveel mogelijk te laten samenwerken bij onderzoek en innovatie, zowel met elkaar als met kennisinstellingen. Dit doel zal op termijn getoetst worden in een evaluatie van het instrument. Daarnaast zal op termijn worden nagegaan waar de diverse projecten toe hebben geleid in termen van bijvoorbeeld vervolgonderzoek en ontwikkelen van nieuwe producten.

Indicator

Referentie-

waarde

Peil

datum

Streef-

Waarde

Planning

Bron

Aantal bedrijven dat deelneemt aan MIT1

1.893

2013

1.600

2015

RVO

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met MIT (x € 1 mln)

€ 26

2013

€ 60

2015

RVO

Noot 1: Hiervan ontvingen in 2013 707 bedrijven rechtstreeks subsidie voor innovatieprojecten. Het restant neemt deel aan netwerkbijeenkomsten e.d. Hiervoor zijn nog geen realisatiecijfers bekend, daarom is voor dit deel een inschatting gemaakt op basis van de verstrekte subsidie.

Het aantal bedrijven dat deelneemt, en daarmee de realisatiewaarde en streefwaarde, is rechtstreeks afhankelijk van de hoogte van het budget en van de instrumentenmix per topsector. Dat kan per jaar verschillen. Theoretisch zouden er met € 30 mln circa 1.600 bedrijven kunnen deelnemen. Dat is dan inclusief circa 1.000 bedrijven die deelnemen aan netwerkbijeenkomsten.

De subsidiepercentages zijn in 2014 verlaagd zodat met hetzelfde subsidiebedrag meer private R&D wordt ondersteund dan in 2013.

Eurostars

Eurostars is een internationaal programma dat 33 deelnemende landen en de EU cofinancieren. De regeling Eurostars is met name gericht op het high-tech MKB en ondersteunt bedrijven en kennisinstellingen die met buitenlandse partijen in Europa willen samenwerken in projecten die gericht zijn op marktgericht technologisch onderzoek en ontwikkeling. Dankzij deelname aan Eurostars-projecten krijgen Nederlandse organisaties toegang tot de kennis en R&D-resultaten van buitenlandse bedrijven en organisaties.

Eurostars II is in 2014 opgestart om vervolg te geven aan het Eurostars I-programma van de periode 2007–2013, waarbij bijna 800 internationale innovatieprojecten zijn mogelijk gemaakt. Voor het totale beleidsbudget van Eurostars II wordt bijna een verdriedubbeling voorzien voor de komende zeven jaar ten opzichte van Eurostars I. Met deze hogere bijdragen wordt tegemoetgekomen aan de grote belangstelling vanuit bedrijven en kennisinstellingen.

Indicator

Referentie-

waarde

Peil-

datum

Streef-

waarde

Planning

Bron

Aantal Nederlandse deelnemers aan Eurostars

49

2013

88

2015

RVO

• waarvan bedrijven

37

 

68

   

• waarvan high-tech MKB (%)

81%

 

85%

   

Door Eurostars ondersteunde private R&D-uitgaven van Nederlandse deelnemers (mln euro)

13

2013

20,6

2015

RVO

Toelichting

De referentiewaarden in bovenstaande tabel hebben betrekking op alle projecten die in 2013 gerealiseerd werden. Wat het aantal deelnemers betreft tonen bovenstaande cijfers unieke organisaties die in 2013 één of meermalen succesvol aan een call hebben deelgenomen. De omvang van de ondersteunde private R&D-uitgaven is de som van de door bedrijven opgegeven subsidiabele kosten op het moment van commitering, verminderd met het subsidiebedrag. De totale omvang van de Eurostars I-projecten met Nederlandse deelname bedroeg voor de periode 2007–2013 € 189,2 mln.

De EU stelt in totaal € 287 mln beschikbaar voor het Eurostars-II-programma tijdens de looptijd van H2020. Bovengenoemde streefwaarden zijn gebaseerd op de Nederlandse financiering voor Eurostars inclusief de EU-bijdrage, die bestaat uit een derde van het bedrag dat nationale overheden aan financiering voor Eurostars-projecten toekennen.

Lucht- en Ruimtevaart

Deze post heeft betrekking op de uitfinanciering van het specifieke luchtvaartbeleid (de luchtvaartkredietregeling en het Nationaal Programma Luchtvaart) en op Ruimtevaart subsidieregeling Prekwalificatie ESA-programma’s (PEP).

Opdrachten

Onderzoek en opdrachten

Uit dit budget worden beleidsonderzoek, verplichte evaluaties van beleidsinstrumenten en beleidsdoorlichtingen gefinancierd.

Bijdragen aan agentschappen

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

De uitvoering van een deel van de innovatie-instrumenten, zoals WBSO, RDA, Innovatiefonds MKB+, Eurostars, het kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (Horizon 2020), MKB Innovatiestimulering Topsectoren en TKI Toeslag, wordt verzorgd door de RVO. Dit betreft activiteiten als beoordeling van aanvragen, bedrijfscontroles, voorlichting over de instrumenten en het terugontvangen van kredieten. Daarnaast heeft RVO ook andere taken:

  • •  Het netwerk van Innovatie Attachés is een onderdeel van RVO en bevordert de samenwerking van Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheidsorganisaties met het buitenland met als doel het innovatievermogen van Nederland te versterken. Daarbij concentreert het zich op de internationalisering van de innovatiecontracten van de topsectoren en speelt het in op nieuwe technologische ontwikkelingen die voor de Nederlandse kenniseconomie en de hele innovatieketen van belang zijn.
  • •  Een goed functionerend stelsel van intellectuele eigendomsrechten is een belangrijke voorwaarde voor een innoverende en dynamische economie en voor het versterken van de innovatiekracht van bedrijven. Essentieel daarbij is het vinden van de juiste balans tussen enerzijds kennisbescherming en anderzijds de verspreiding en benutting van kennis. Octrooicentrum Nederland, onderdeel van RVO, is belast met het uitvoeren van taken die bij of op grond van wetten of verdragen zijn opgedragen zoals bijvoorbeeld de verlening en registratie van octrooien, de inning van taksen en de uitvoering van andere wettelijke taken onder de Rijksoctrooiwet 1995 evenals de nakoming van Europese en internationale verplichtingen. Voor het stimuleren en het toegankelijk maken van het gebruik van het octrooisysteem en van de kennis die in octrooidatabanken is opgeslagen, geeft Octrooicentrum Nederland voorlichting aan bedrijven, kennisinstellingen en overheden.

Dienst Landelijk Gebied (DLG)

Dit budget is bedoeld voor de bijdrage aan het GIS Competence Center (GCC). GCC beheert de database van EZ waarin de ruimtelijke databestanden zijn opgeslagen.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

TNO

TNO werkt samen met vijf andere instituten in de federatie Toegepaste Onderzoek Organisaties (TO2). EZ investeert samen met enkele andere ministeries in deze instituten, omdat hier onafhankelijk onderzoek in Nederland plaatsvindt dat kansen kan creëren voor innovatie en economische groei.

TNO is het grootste instituut voor (natuurwetenschappelijk) toegepast onderzoek. Het bestrijkt een breed onderzoeksgebied en is daarmee het enige instituut dat kennis ontwikkelt op het terrein van alle topsectoren. Daarnaast ontwikkelt het kennis op een aantal maatschappelijke thema’s, met name defensie, maatschappelijke veiligheid, leefomgeving, arbeid en gezondheid en ICT.

Met de Kabinetsvisie op toegepast onderzoek (TK, 32 637 nr. 68) is een aantal beleidsmaatregelen aangekondigd. De belangrijkste uitdagingen voor 2015 inzake toegepast onderzoek zijn:

  • •  verdere uitwerking geven aan de rol die TNO en de andere instituten spelen in de innovatiecontracten en de Topconsortia voor Kennis en Innovatie;
  • •  een scherpere balans tussen een sterke publieke kennisbasis en het flexibel inspelen op- en nader invullen van de vraag uit de topsectoren;
  • •  de uitvoering van een uniforme evaluatie voor alle 6 TO2 instituten;
  • •  de uitwerking van een uniform juridisch kader voor alle 6 TO2 instituten.

Met de indicatoren klanttevredenheid wordt de algemene tevredenheid gemeten van bedrijven (MKB en grootbedrijf) die aan de projecten deelnemen in het onderzoeksprogramma van TNO. Deze is opgenomen in de tabel bij andere TO2 instituten.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Toeslag Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI-toeslag)

In 2013 zijn de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) gestart met het bundelen en stroomlijnen van de onderzoeksprogrammering in de gehele kennisketen. Mede om de werkwijze van de TKI’s te vereenvoudigen heeft het kabinet in 2013 samen met alle belanghebbenden en de topteams afspraken gemaakt over de programmering van fundamenteel en toegepast onderzoek en bijbehorende modellen voor intellectueel eigendom. In 2014 is begonnen met de verdere vereenvoudiging en uniformiteit van de werking van de TKI’s en is ook de werking van de TKI toeslag vereenvoudigd. Voor 2015 wordt een verdere vereenvoudiging van het toeslagsysteem voorzien.

Beoogd wordt publiek private samenwerkingsprogramma’s in lijn met de onderzoeksagenda’s van de topsectoren en de maatschappelijke uitdagingen te stimuleren. De TKI’s zijn daarbij programmerend en regisserend.

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Raming

2015

Streef-

waarde

Planning

Bron

Omvang middelen PPS-projecten TKI (x € 1 mln)

571

2013

500

500

2015

RVO

• waarvan private middelen (%)

35%

(200)

2013

40%

40%

2015

RVO

In 2013 hebben private partijen voor € 200 mln cash bijgedragen aan publiek-private samenwerkingsprojecten op basis waarvan de TKI’s toeslag hebben aangevraagd. Naar schatting besloeg het private deel van de financiering 35% van het totaal. Daarmee komt de geschatte totale PPS-projectomvang waarvoor TKI-toeslag is aangevraagd in 2013 op € 571 mln.

In het eerste jaar van de TKI-toeslag is nog niet alle toeslag die de TKI’s in 2013 hebben verdiend ook meteen al ingezet in projecten. TKI’s hebben veel energie gestoken in onder andere het stimuleren van vorming van nieuwe samenwerkingsprojecten. Naar verwachting zullen de instituten in 2014 en 2015 een inhaalslag maken.

Horizon 2020/Internationaal Innoveren

Het Zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP7, looptijd 2007–2013), is per 1 januari 2014 opgevolgd door het onderzoek- en innovatieprogramma Horizon 2020 (looptijd 2014 – 2020). In KP7 hebben Nederlandse onderzoekers en bedrijven goed gescoord, met als resultaat dat zij bijna € 3,4 mld aan financiering hebben weten te verwerven (TK 21 501-31, nr. 343). Het doel is de wetenschappelijke en technologische basis van Europa te versterken, evenals de concurrentiekracht van het Europese bedrijfsleven. Daarnaast is benutting van kennis voor het oplossen van maatschappelijke uitdagingen een belangrijk uitgangspunt. De RVO stimuleert in opdracht van EZ en andere departementen Nederlandse deelname aan Horizon 2020. 2014 was een overgangsjaar, met de evaluatie en start van projecten voortvloeiend uit de laatste calls in 2013 van KP7 en de eerste calls van Horizon 2020.

Net als in 2014 gaat voor EZ gaat de aandacht uit naar het verbinden van Horizon 2020 met het nationale innovatiebeleid, in het bijzonder de topsectoren, het op peil houden van de deelname van Nederlandse partijen en het vergroten van de bedrijfsdeelname (vooral het MKB). Daarnaast wordt ook nadrukkelijk aansluiting gezocht met de regionale initiatieven gesteund vanuit de structuurfondsen.

Indicator

Referentie-

Waarde 1

Peil-

datum

Streef-

Waarde 2

Planning

Bron

Aantal Nederlandse deelnemers aan KP7/ H2020

1.506

t/m 2013

250

2015

RVO/EC

– waarvan bedrijven

1.137

 

180

   

Omvang KP7/H2020-middelen voor Nederlandse deelnemers (retour in mln euro)

€ 3.373

t/m 2013

€ 631

2015

RVO/EC

– waarvan bedrijven (%)

22%

 

25%

   

Retourpercentage voor Nederland (%)

7,4%

t/m 2013

7,0%

2015

RVO/EC

Noot 1: referentiewaardes betreffen cumulatieve cijfers voor KP7 in 2007–2013

Noot 2: streefwaarden voor 2015 hebben betrekking op H2020

Toelichting

De referentiewaardes in bovenstaande tabel zijn cumulatief en hebben betrekking op KP7-calls die in de periode 2007–2013 hebben plaatsgevonden (peildatum februari 2014). Wat het aantal deelnemers betreft, gaat het om unieke organisaties die één of meermalen succesvol aan een call hebben deelgenomen.

De streefwaarden in de tabel zijn ramingen voor 2014 op basis van de ervaringen met Nederlandse deelname aan het 7e Kaderprogramma, de vormgeving van H2020 en het budget voor Horizon 2020 in 2014 conform de EU-begroting (EC SEC (2014) 357 final d.d. 11.06.2014).

In de periode 2007 tot en met 2013 ging 7,4% van het KP7 subsidiebudget naar Nederlandse onderzoekers (waarvan 22% naar bedrijven), hetgeen zich over de gehele looptijd van KP7 zou vertalen naar € 3,4 mld (waarvan € 732 mln voor bedrijven). Dit retourpercentage is hoger dan op basis van de Nederlandse bijdrage aan de EU (= 5%) te verwachten is en geeft aan dat Nederlandse deelnemers aan KP7 op een hoger dan gemiddeld niveau hebben geparticipeerd.

Naar verwachting zal de concurrentie met andere lidstaten in Horizon 2020 toenemen omdat ook de Midden- en Oost-Europese «nieuwe» landen kwalitatief beter worden in onderzoek en innovatie. Het streven is om 7,0% te halen voor het gehele Horizon 2020 programma.

Voor 2014 heeft de Europese Commissie (EC) € 9 mld in calls beschikbaar gesteld, wat zich bij een retourpercentage van 7,0% vertaalt in een streefwaarde van ongeveer € 631 mln voor Nederlandse deelnemers. Het streven is voorts om het aandeel daarvan voor bedrijven ten opzichte van KP7 te vergroten naar 25%, in lijn met de doelstellingen van Horizon 2020. De geraamde reeks voor internationaal innoveren is gereserveerd voor de cofinanciering op Nederlandse deelname in de EU-programma’s Eureka, Eurostars en Joint Technology Initiatives.

Toegepast Onderzoek organisaties (TO2)

TO2 bestaat uit zes instituten. Naast TNO (zie «bijdragen aan ZBO’s/RWT’s») zijn dit:

  • •  Deltares: instituut op het gebied van deltatechnologie. Als onafhankelijk kennisinstituut en specialistisch adviseur levert Deltares bijdragen aan innovatieve oplossingen voor water-, ondergrond- en deltavraagstukken die het leven in delta’s, kust- en riviergebieden veilig, schoon en duurzaam maken.
  • •  MARIN: internationaal toonaangevend instituut op het gebied van hydromechanisch en nautisch onderzoek. Samen met Nederlandse en internationale universiteiten wordt fundamenteel en toegepast onderzoek verricht om de kennis en gereedschappen voor de sector te ontwikkelen.
  • •  Het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR): instituut dat een kennisbasis onderhoudt en ontwikkelt op het gebied van militaire (ten behoeve van het Ministerie van Defensie) en civiele luchtvaart (ten behoeve van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu). Daarnaast wordt de ontwikkelde kennis samen met bedrijven uit de sector lucht- en ruimtevaart ingezet voor nieuwe commerciële mogelijkheden. Met de rijksbijdrage vindt toegepast onderzoek plaats en worden belangrijke onderzoeksfaciliteiten als vluchtnabootsers en windtunnels in bedrijf gehouden.
  • •  ECN en DLO: deze instituten worden toegelicht in respectievelijk artikel 14 en 16.

De TO2 instituten richten onderzoek op de uitwerking van de agenda’s van de topsectoren uit het bedrijfslevenbeleid. Hiervoor zijn nadere spelregels afgesproken (TK, 28 753 nr. 30) die in publiekprivate samenwerkingsverbanden in topsectoren maatgevend zullen zijn. Daarnaast blijft er ruimte voor onderzoek in het kader van maatschappelijke thema’s zoals leefomgeving, maatschappelijke veiligheid, arbeid en gezondheid en voor onderzoek ten behoeve van (wettelijke) taken van de overheid.

Indicator

Referentie-

waarde

Peil-

datum

Streef-

waarde 1

Planning

Bron

Klanttevredenheid Deltares

8,0

2013

8,0

2015

Deltares

Klanttevredenheid MARIN

8,8

2013

8,0

2015

MARIN

Klanttevredenheid NLR

8,5

2013

8,0

2015

NLR

Klanttevredenheid cofinanciers TNO

8,2

2013

8,0

2015

TNO

Noot 1: Streefwaarde = raming 2015

Toelichting

De scores in bovenstaande tabel zijn gebaseerd op de recentste onafhankelijke onderzoeken naar klanttevredenheid die de T02 instituten hebben laten uitvoeren en waar nodig omgerekend naar een schaal van 1 tot 10. De streefwaarde van 8,0 bevindt zich nabij de gemiddelde score voor vergelijkbare organisaties.

In de Visie op het toegepaste onderzoek (TK 2012–13, 32 637 nr. 68) is aangegeven dat het kabinet de instituten in de toekomst op kwaliteit en maatschappelijke impact van het onderzoek wil beoordelen. Daartoe vindt in 2015 een eerste evaluatie plaats. De begrippen klanttevredenheid en kennisbenutting en de wijze waarop die in 2014 op uniforme wijze worden gemeten, zullen hier ook deel van uitmaken.

Topsectoren overig

Stichting voor de Technische Wetenschappen (STW) financiert technisch wetenschappelijk onderzoek aan Nederlandse universiteiten en instituten. Met de bijdrage van EZ worden de Perspectiefprogramma's gefinancierd, die worden ingezet voor innovatiecontracten van topsectoren. Voor de bijdrage aan STW is structureel circa € 20 mln per jaar beschikbaar.

De perspectiefprogramma’s van STW worden inhoudelijk ingebed in de innovatiecontracten van de topsectoren. Dat gebeurt door de onderzoeksvoorstellen behalve op excellentie en utilisatie ook te toetsen op de mate waarin voorstellen passen in onderzoekroadmaps van topsectoren.

Deze post bevat daarnaast de middelen die gereserveerd zijn voor de afbouw van de voormalige Innovatieprogramma’s, waaronder Point One. Ook de afbouw van een aantal voormalige FES-projecten wordt hier geraamd. Tot slot worden enkele kleine posten met betrekking tot het huidige topsectorenbeleid onder deze post verantwoord. Vanwege de afbouw loopt de reeks «Topsectoren overig» sterk af.

Ruimtevaart (ESA)

De financiële bijdrage aan Ruimtevaart bestaat enerzijds uit verplichte programma’s (contributie) van European Space Agency (ESA) en anderzijds uit gerichte inschrijving op optionele programma’s van ESA. De ingeschreven middelen worden via open competitie in contracten uitgezet bij Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen (Geo Return systeem).

Daarnaast kent het Ruimtevaartbeleid een (beperkt) flankerend beleid waarin onder andere wetenschappelijke instrumenten ontwikkeld worden en de interactie met ESTEC. In dit beleid worden ook de middelen verantwoord voor de EZ-bijdrage om het TROPOMI-instrument23 te bouwen. Bovendien wordt in 2015 verder vorm en inhoud gegeven aan beleid om te bevorderen dat nieuwe diensten worden ontwikkeld op basis van satellietdata, die beschikbaar komen via de nieuwe Copernicus aardobservatiesatellieten van de EU en ESA en het satellietdataportaal van het Netherlands Space Office (NSO). Uitvoering van dit beleid is neergelegd bij het NSO. In 2015 wordt gewerkt aan de voorbereiding van de driejaarlijkse ESA-Ministersconferentie, die naar verwachting in 2016 zal plaatsvinden in Zwitserland.

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Raming

2015

Streef-

waarde

Planning

Bron

Aantal Nederlandse bedrijven dat deelneemt aan ruimtevaartprogramma’s ESA (1)

488

2011

100

100

2015

ESA

Ruimtevaart geo-return/retour (%) (2)

1,09

2011

1

1

2015

ESA

Toelichting

(1) In het hier weergegeven getal zijn alle contracten van Nederlandse bedrijven met ESA opgenomen, ook de contracten die niet direct aan ruimtevaartprogramma’s zijn gekoppeld, maar gerelateerd zijn aan de vestiging van ESTEC in Nederland. Verschillende divisies van een bedrijf worden als afzonderlijke contractanten meegeteld. In 2015 start ESA met een nieuwe, opgeschoonde database waardoor de waarde dan substantieel lager zal uitvallen. Bedrijven waarmee al enige tijd geen contracten zijn afgesloten zullen niet in het nieuwe databestand worden opgenomen. Het betreft een cumulatief getal op basis van databestanden van ESA vanaf 1 januari 2015.

(2) De prestatie-indicator «ruimtevaart geo-return/retour (%)» betreft research- en leveringsopdrachten van ESA aan de Nederlandse industrie en kennisinstellingen. Deze opdrachten komen voort uit de Nederlandse contributies aan diverse Ruimtevaart-programma’s van ESA. Daarbij wordt door ESA een retour van 0,9 (90%) van de bijdragen van lidstaten aan deze programma’s gegarandeerd. Een hogere retour dan 1 betekent dat Nederlandse bedrijven extra succesvol zijn bij het werven van ESA-orders, maar ook dat Nederland uit eigen middelen mogelijk moet compenseren aan lidstaten met een lagere retour dan 1; vandaar de streefwaarde van 1.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

9

8

8

8

8

8

8

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

766

756

794

804

794

794

794

Research & Development Aftrek (RDA)

226

302

238

131

126

126

126

Het regeerakkoord (maatregel 81 en 84) bevat een taakstelling op het (fiscaal) innovatiebeleid. Voor 2015 betekent dit een taakstelling op de fiscale innovatie-instrumenten van € 260 mln, waarvoor € 135 mln dekking binnen het budget van de WBSO wordt voorgesteld en € 95 mln binnen het budget voor de RDA. De overige € 30 mln taakstelling is in 2014 gerealiseerd door het structureel maken van de tijdelijke korting op de Energie-Investeringsaftrek (EIA), Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL). Betreft het beschikbare budget, inclusief technische inboekingen. Voorts zal nader worden onderzocht om de RDA en WBSO per 2016 te integreren.

S&O afdrachtvermindering (WBSO)

De WBSO is de verzamelnaam voor de faciliteit afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen en de S&O-aftrek in de Wet inkomstenbelasting. De WBSO is gericht op het stimuleren van investeringen in S&O door het bedrijfsleven, door de loonkosten voor het verrichten van S&O te verlagen.

Met een budget van € 794 mln kunnen de parameters voor de regeling in 2015 op het niveau van 2014 gehandhaafd worden.

Parameters S&O-afdrachtsvermindering
 

2013

2014

2015

Tarief eerste schijf

38%

35%

35%

Tarief eerste schijf starters

50%

50%

50%

Loongrens eerste schijf

€ 200.000

€ 250.000

€ 250.000

Tarief tweede schijf

14%

14%

14%

Plafond

€ 14 mln

€ 14 mln

€ 14 mln

In lijn met de aankondiging in de brief van 2 juli 2014 over de implementatie van de visie op het toegepast onderzoek24, wordt contractonderzoek door publieke kennisinstellingen uit de S&O-afdrachtvermindering gehaald. Met het schrappen van contractonderzoek en het daarmee vrijvallen van het daarmee samenhangende budget voor de rest van de regeling wordt de S&O-afdrachtvermindering beter gericht op de doelstelling van de regeling: het stimuleren van zelfstandig speur- en ontwikkelingswerk door bedrijven.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van WBSO

16.620

19.450

20.530

22.220

22.640

Aantal S&O-arbeidsjaren

67.600

73.660

75.330

79.560

81.660

Door WBSO ondersteunde private R&D-uitgaven (S&O-loon, x € 1 mln)

3.011

3.377

3.571

3.850

3.917

Bron: RVO

Toelichting

Het aantal bedrijven met een S&O-verklaring (dat wil zeggen WBSO-gebruikers) in 2013 is ten opzichte van 2012 met 1,9% gegroeid tot 22.640. Daarvan behoorde 97% tot het MKB. Van het toegekende budget ging 72% naar het MKB. Het aantal toegekende S&O-arbeidsjaren is met 2,6% gegroeid tot 81.660 S&O-arbeidsjaren. Aldus ondersteunde de WBSO circa € 3,9 mld van de S&O-loonuitgaven van bedrijven. De verwachting is dat in 2014 het aantal aanvragers van de regeling opnieuw licht zal stijgen.

Research & Development Aftrek (RDA)

De RDA is in 2012 geïntroduceerd en heeft tot doel innovatie en S&O van het Nederlandse bedrijfsleven te bevorderen door een fiscaal voordeel voor niet-loonkosten en investeringen die betrekking hebben op S&O. Het RDA-bedrag wordt opgevoerd als een aftrekpost in de inkomsten- of vennootschapsbelasting.

Op basis van het voor 2015 geraamde gebruik bestaat de ruimte om het percentage van de RDA in 2015 op 60% te handhaven. Dit komt overeen met een netto voordeel van 15% bij een Vpb-tarief van 25%. Het RDA-percentage kan op basis van de ontwikkelingen in 2014 nog worden bijgesteld. Eind 2014 wordt het definitieve RDA-percentage voor 2015 bij ministeriële regeling vastgesteld.

Het kabinet zal daarbij in 2015 nader onderzoeken of, met het oog op effectiviteit en efficiëntie, met ingang van 2016 de RDA met de S&O-afdrachtvermindering kan worden samengevoegd tot één geïntegreerde regeling die wordt verrekend middels de loonheffing. Bij de concrete vormgeving en het budget van de nieuwe regeling wordt rekening gehouden met potentiële financiële nadeel dat het bedrijfsleven mogelijk ondervindt.

Kengetal

2012

2013

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van RDA

13.860

16.160

Door RDA ondersteunde private R&D uitgaven (x € 1 mln)

2.035

2.530

Bron: RVO

Toelichting

Het aantal bedrijven met een RDA-verklaring (dat wil zeggen RDA-gebruikers) is in 2013 is ten opzichte van 2012 met 16,6% gegroeid tot 16.160. Daarvan behoorde 97% tot het MKB. Van het toegekende RDA-bedrag ging 42% naar het MKB. De door RDA ondersteunde private R&D-uitgaven bedraagt circa € 2,5 mld, 24,3% meer dan in 2013. De verwachting is dat in 2014 het aantal aanvragers van de regeling licht zal stijgen.

13 Een excellent ondernemingsklimaat

Algemene doelstelling

Bedrijven zijn de motor achter economische groei. De overheid zet zich in om de juiste voorwaarden voor een excellent ondernemersklimaat te creëren, zodat bedrijven kunnen investeren en groeien. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar de concurrentiekracht van negen topsectoren en groene groei.

Om deze doelstelling te bereiken zet de Minister van Economische Zaken enerzijds financiële instrumenten in, zoals borgstellingen en garanties. De financiële instrumenten verbeteren de toegang tot financiering voor het Nederlandse bedrijfsleven

Daarnaast maakt de Minister van Economische Zaken gebruik van niet-financiële instrumenten, zoals het terugdringen van onnodige regeldruk en het verbeteren van (digitale) dienstverlening aan bedrijven. Onder deze doelstelling valt ook het opschalen van ICT toepassingen om maatschappelijke en economische uitdagingen op te lossen, bijvoorbeeld met de ICT-doorbraakprojecten. Via onder andere het interdepartementaal programma Biobased Economy, de Green Deal aanpak en het aanpassen van belemmerende regelgeving wordt bijgedragen aan groene economische groei.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is vanuit een stimulerende rol verantwoordelijk voor het scheppen van randvoorwaarden voor een excellent ondernemingsklimaat door:

Stimuleren

  • •  Het stimuleren van de juiste randvoorwaarden en grootschalige implementatie van digitale voorzieningen die de overheidsdienstverlening aan ondernemers verbeteren, zoals het Ondernemingsdossier en het digitaal Ondernemersplein.
  • •  Realiseren van tien publiek-private ICT-doorbraakprojecten, ondermeer gericht op het vergroten van het gebruik en kennis van ICT door het midden- en kleinbedrijf, in de topsectoren en in sectoren als logistiek, agro, onderwijs en de zorg. Dit wordt met name gerealiseerd door het gericht oplossen van belemmeringen op het terrein van standaardisatie, wet- en regelgeving en het gebruik van ICT.
  • •  De stimulering, coördinatie en facilitering van de transitie naar een biobased economy.
  • •  Het stimuleren van een ambitieuze een duurzame ondernemerschapscultuur.
  • •  Het bevorderen van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen
  • •  Het bevorderen van innovatiegericht inkopen.

Regisseren/faciliteren

  • •  De kabinetsbrede coördinatie van het topsectorenbeleid.
  • •  De coördinatie en het faciliteren van het kabinetsbrede regeldrukverminderingsprogramma «Goed Geregeld, een verantwoorde vermindering van regeldruk 2012–2017». In dit programma zijn de vakministers verantwoordelijk voor de regeldrukvermindering op hun beleidsterrein. De Minister van Economische Zaken coördineert de aanpak voor bedrijven, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de aanpak voor burgers en professionals, evenals het lokaal toezicht.
  • •  Faciliteren van het Nederlandse bedrijfsleven in hun duurzame grondstoffenvoorzieningszekerheid zoals in de grondstoffennotitie.
  • •  De coördinatie van het Groene Groei-traject en de Green Deal aanpak.
  • •  Het verbeteren van de dienstverlening aan de ondernemers door middel van Ondernemerspleinen.
  • •  Het ondersteunen van de toegang tot (risico)kapitaal voor bedrijven.
  • •  Het waarborgen van een internationaal level playing field.
  • •  Een betere aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt.
  • •  Het verbeteren van de match tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt voor technisch personeel (Techniekpact).

Uitgangspunt is de juiste randvoorwaarden te creëren en ondernemers de ruimte te geven voor vernieuwing en groei. In dialoog met bedrijven, maatschappelijke organisaties en medeoverheden worden kansen benut en knelpunten opgelost. De Minister van EZ is gesprekspartner en aanspreekpunt voor het bedrijfsleven, sectoren, branches en individuele bedrijven. De overheid is terughoudend met ingrijpen in het bedrijfsleven, maar er kan soms een rol zijn in geval van externe effecten, informatie-asymmetrie of verstorend gedrag van (internationale) overheden. Hiervoor zet de Minister zowel financiële instrumenten in, zoals garanties en subsidies aan bedrijven en instellingen, als niet financiële instrumenten.

1 – Global Competitiveness Index

2010

2011

2012

2013

2014

Ambitie

Positie van Nederland

8e

7e

5e

8e

n.n.b.

Top-5 in 2020

Bron: World Economic Forum (Global Competitiveness Report, 2013–2014)

           
             

2 – Ondernemersquote

2010

2011

2012

2013

2014

 

Nederland

11,9%

12,2%

12,6%

13,2%

n.n.b.

 

EU15-gemiddelde

11,9%

11,9%

11,9%

11,8%

n.n.b.

 

Bron: EIM (2009 is een voorlopig cijfer, 2010 en 2011 zijn een inschatting)

           
             

3 – Investeringsquote van bedrijven

2010

2011

2012

2013

2014

 

Nederland

12,5%

13,7%

13,2%

12,6%

13,3%

 

Bron: CPB (CEP, 2014)

           
             

4 – Aandeel snelle groeiers

   

2007/2010

2008/2011

2009/2012

 

Nederland

   

3,3%

3,2%

2,0%

 

Bron: CBS

           
             

5 – Positie in de ranglijst voor digitale economieën

2010

2011

2012

2013

2014

Ambitie

Bron: Global Information Technology Report (World Economic Forum)1

9

11

6

4

4

Top 5

Noot 1: Wat betreft het kengetal digitale economieën in de Rijksbegroting: hier werd tot en met 2010 gebruik gemaakt van de jaarlijkse ranking van de Economist / E readiness monitor. Sinds 2010 is er echter geen update meer verschenen. Vanwege de behoefte aan een jaarlijks cijfer is gekozen voor het Global Information Technology Report van het World Economic Forum die wel jaarlijks rapporteert.

  • Het Nederlandse ondernemingsklimaat behoort sinds 2007 tot de top-10 volgens de Global Competitiveness Index van het World Economic Forum. Tussen 2009 en 2012 is Nederland gestegen van de 10e naar de 5e plek. In 2013 heeft Nederland een achtste plaats op de ranglijst behaald. Dit onderschrijft de noodzaak van goede financieringsmogelijkheden voor ondernemers, blijvende investeringen in onderwijs en onderzoek, vermindering van regeldruk en stimulering van innovatie.
  • Het percentage ondernemers binnen de beroepsbevolking neemt al enige jaren toe in Nederland. Waarin 2009 nog benedengemiddeld werd gescoord, ligt de Nederlandse score inmiddels ruim boven het gemiddelde van de EU-15. De stijging van ondernemersquote is voor het belangrijkste deel toe te schrijven aan de toename van het aantal ZZP'ers in Nederland.
  • 3.  De investeringsquote en het aandeel snelle groeiers geven een indicatie van de kwaliteit van ondernemerschap. Juist ondernemingen die investeren en groeien, hebben een positief effect op economische groei en werkgelegenheid. De investeringsquote bereikte in 2010 een dieptepunt en leefde daarna weer iets op. Naar verwachting blijven de investeringen in 2013 op het niveau van 2012. Verder herstel wordt verwacht vanaf 2014. Nederland is niet het enige land waarin de investeringsquote het afgelopen decennium terugliep; andere landen laten een vergelijkbaar beeld zien. Een mogelijke verklaring voor de daling van de investeringsquote is de moeilijke economische situatie en het feit dat de investeringsprijzen zijn gedaald.
  • 4.  Ten behoeve van de internationale vergelijkbaarheid rapporteert EZ met ingang van de begroting 2015 cijfers over snelle groeiers op basis van het Eurostat-OECD handboek. Het CBS is gevraagd deze cijfers conform dit handboek te maken. Een bedrijf is een snelle groeier wanneer het in 3 jaar tijd een werkgelegenheidsgroei heeft gerealiseerd van meer dan 72,8%. Daarbij wordt alleen gekeken naar bedrijven met meer dan 10 werknemers bij aanvang van de 3-jarige periode die is bekeken. De meest recente cijfers die de OECD heeft hebben betrekking op de periode 2007–2010 (2008–2011 volgt in juli). Nederland scoort benedengemiddeld als het gaat om het percentage snelle groeiers. Dat geldt zowel voor de industrie als de dienstensector. De aanhoudende laagconjunctuur is een belangrijke verklaring voor de dalende trend in het aandeel snelle groeiers.
  • Nederland ambieert voor 2015 een top 5 positie op de wereldwijde ranglijst voor digitale economieën. In het meest recente rapport van het World Economic Forum (WEF) over «Information Technology» uit 2014 staat Nederland, na Finland, Singapore en Zweden weer op de vierde plek als het gaat om het gebruik van ICT. Volgens het WEF is informatietechnologie doorgedrongen in alle aspecten van de Nederlandse maatschappij. Nergens hebben zo veel huishoudens een computer (1e positie). Maar ook als het gaat om toegang tot internet scoort Nederland met een 3de positie hoog. Hetzelfde geldt voor overheidsdiensten die online beschikbaar zijn (5e positie), en de bedrijven die online transacties uitvoeren met klanten (4e positie). Nederland is bovendien koploper als het gaat om mobiel netwerkbereik (100% bereik op basis van populatie), het aantal afgesloten breedbandinternetabonnementen (2e positie) en veiligheid van internetservers (2e positie).

Beleidswijzigingen

De aangekondigde maatregelen in het Aanvullend Actieplan MKB-financiering (TK, 32 637, nr. 147) zijn budgettair in de ontwerpbegroting 2015 verwerkt. Onderstaande onderdelen slaan neer op dit beleidsartikel:

  • •  Inzet van € 1 mld uit bestaande garantieruimte voor nieuwe maatregelen in het kader van het Aanvullend Actieplan MKB-financiering. Daarvan is € 500 mln bestemd voor het doorontwikkelen van een markt voor eigen vermogen en € 500 mln voor het verbreden van het financieringsaanbod, waaronder ook Qredits. Een additionele begrotingsreserve zal hiertoe worden opgericht (€ 12 mln).
  • •  Verbeteren en ontsluiten van informatie over kredietwaardigheid binnen het MKB (€ 5 mln).
  • •  Het opzetten en stimuleren van ketenfinanciering (€ 5 mln).
  • •  Het verhogen van de ambitie en verbetering van de groeivaardigheden in het kleinbedrijf (€ 5 mln).
  • •  Het stroomlijnen en toegankelijker maken van het financieringsinstrumentarium (€ 3 mln).
  • •  Het verlengen van de verruimingen van de BMKB en de regeling Garantie Ondernemingsfinanciering met een extra jaar tot ultimo 2015.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

VERPLICHTINGEN

725.485

2.396.226

1.798.832

1.835.074

1.828.905

1.826.224

1.829.713

Waarvan garantieverplichtingen

463.183

2.191.250

1.591.250

1.650.000

1.650.000

1.650.000

1.650.000

UITGAVEN

436.722

358.454

306.921

264.751

247.691

242.996

246.998

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

81%

       
               

Garanties

114.100

122.353

95.886

67.480

62.480

62.480

62.480

BMKB

102.422

91.500

71.000

42.594

37.594

37.594

37.594

Groeifacilitieit

2.360

9.343

9.365

9.365

9.365

9.365

9.365

Garantie Ondernemings-financiering (GO)

9.274

11.842

11.842

11.842

11.842

11.842

11.842

Borgstelling Scheepsnieuwbouw

44

9.668

3.679

3.679

3.679

3.679

3.679

               

Subsidies

77.685

29.317

41.473

20.677

12.373

10.666

14.666

Bevorderen ondernemerschap

7.383

12.394

27.222

11.292

6.555

6.355

10.355

Interdepartementaal Programma Biobased Economy

7.829

2.531

1.500

1.500

1.500

   

Microkrediet

30.989

           

Uitfinanciering subsidies

31.484

14.392

12.751

7.885

4.318

4.311

4.311

               

Opdrachten

24.660

24.100

24.110

24.100

23.109

21.756

21.756

Onderzoek & ontwikkeling

4.706

2.057

1.402

1.400

1.400

1.248

1.248

ICT-beleid

18.118

17.953

17.819

18.254

17.263

16.062

16.062

Beleidsvoorbereiding en evaluaties

831

1.774

2.559

2.116

2.116

2.116

2.116

Regiegroep Regeldruk / ACTAL

1.005

2.316

2.330

2.330

2.330

2.330

2.330

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

21.701

20.505

17.855

16.326

16.059

16.239

16.239

NBTC

13.536

10.167

8.471

8.450

8.450

8.450

8.450

UNWTO

271

239

240

240

240

240

240

Bijdragen aan instituten

7.894

10.099

9.144

7.636

7.369

7.549

7.549

               

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

153.144

138.119

107.271

116.622

114.549

113.740

113.740

Kamers van Koophandel / Ondernemerspleinen

153.144

138.119

107.271

116.622

114.549

113.740

113.740

               

Bijdragen aan agentschappen

45.430

24.060

20.326

19.546

19.121

18.115

18.117

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

28.582

21.851

18.117

17.337

16.912

15.906

15.908

DICTU

8.149

           

Logius

8.699

2.209

2.209

2.209

2.209

2.209

2.209

               

ONTVANGSTEN

37.435

66.587

78.041

61.952

57.932

59.669

62.071

BMKB

21.544

32.906

50.406

34.000

29.000

29.000

29.000

Groeifaciliteit

2.047

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

Garantie Ondernemingsfinanciering

10.160

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

Borgstelling Scheepsnieuwbouw

44

10.000

4.000

4.000

4.000

4.000

4.000

Joint Strike Fighter

1.418

1.303

1.204

1.843

2.823

4.560

6.962

Diverse ontvangsten

2.223

1.378

1.431

1.109

1.109

1.109

1.109

Budgetflexibiliteit

Garanties: Het budget voor de verschillende garanties is voor 100% juridisch verplicht. Het budget is benodigd om de verwachte schades te kunnen betalen op garanties die eerder zijn aangegaan.

Subsidies: De beleidsbudgetten worden per jaar gepubliceerd. Van het beschikbare bedrag 2015 is 40% juridisch verplicht. Het betreft uitfinanciering van tot en met 2014 aangegane verplichtingen. 53% van het budget is bestuurlijk gebonden. Dit betreft het budget dat beschikbaar is gesteld voor de Nederlands Investeringsinstelling en de Nederlandse Hypotheekinstelling (€ 5 mln), de kasreserve (€ 12 mln) voor ondersteuning van een fonds gericht op achtergestelde leningen aan het mkb en tot slot het budget (€ 5 mln) dat in 2015 beschikbaar is gesteld voor de overige onderdelen van het Aanvullend Actieplan MKB-financiering: ketenfinanciering, verbeteren kredietinformatie, het verhogen van de ambitie en verbetering van groeivaardigheden in het kleinbedrijf en het stroomlijnen en toegankelijker maken van het financieringsinstrumentarium.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 55% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van in voorgaande jaren aangegane verplichtingen. Van het opdrachtenbudget is 2% bestuurlijk gebonden ten behoeve van de geraamde uitgaven voor ACTAL.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van het opdrachtenpakket 2015 aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: De bijdrage aan de Kamer van Koophandel (inclusief de bijdrage voor het Nieuwe Handelsregister) is voor 96% juridisch verplicht, 4% is bestuurlijk gebonden, het betreft de uitgaven voor het Nieuwe Handelsregister.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Van dit bedrag is 3% juridisch verplicht en is 85% bestuurlijk gebonden. Dit betreft onder andere de bijdragen aan het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen en de World Tourism Organization (UNWTO).

Toelichting op de financiële instrumenten

Garanties

Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

De BMKB is bedoeld voor bedrijven die te weinig zekerheden (onderpand) kunnen bieden aan een kredietverstrekker. De kredietverstrekker vindt het risico dat het bedrijf zijn lening niet kan terugbetalen dan vaak te hoog. Via de BMKB staat de overheid borg voor het deel van de lening waar het bedrijf geen onderpand voor heeft. De kredietverstrekker kan voor dat deel dus terugvallen op de overheid.

De feitelijke benutting hangt af van de kredietbehoefte van het bedrijfsleven en is daarmee sterk afhankelijk van de ontwikkeling van de conjunctuur, zoals de lagere benutting in 2013 laat zien. Maximale benutting van de regeling is daarmee geen doel op zich. De mate van benutting wordt wel in het oog gehouden om te bezien of de regeling nog aansluit bij de behoefte van de markt. Deze informatie wordt halfjaarlijks in een rapportage verstrekt aan de Tweede Kamer. Als in 2015 de economie, zoals voorspeld, verder aantrekt, is de verwachting dat in 2015 ook de benutting van de BMKB weer toeneemt. Als onderdeel van het Aanvullend Actieplan MKB-financiering worden de stimuleringsmaatregelen uit 2014 met een jaar verlengd tot ultimo 2015. Dit betreft de verhoging van de maximale borgstelling van € 1 mln naar € 1,5 mln en het verhogen van het borgstellingspercentage van per saldo 45% naar per saldo 67,5% voor alle borgstellingskredieten tot € 200.000, zoals regulier voor starters geldt.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

Verstrekte garanties BMKB, x € 1 mln

556

742

909

486

344

Totaal aantal verstrekte garanties

2.442

3.701

4.325

2.640

1.983

Bron: RVO

Groeifaciliteit

De Groeifaciliteit richt zich op buffervermogen – zoals eigen vermogen van participatiemaatschappijen en achtergestelde leningen door banken – en is vooral gericht op de start-, groei- en expansiefase van een bedrijf. Versterking van het buffervermogen wint aan belang doordat bij bancaire financiering van bedrijven grotere buffers worden gevraagd. Achtergestelde leningen en aandelenkapitaal verstrekt door participatiemaatschappijen vallen tot maximaal € 25 mln onder de garantieregeling. Een bank kan een garantiefinanciering verstrekken tot maximaal

€ 5 mln in de vorm van achtergestelde leningen. De garantie van de overheid bedraagt 50%. De Groeifaciliteit is kostendekkend opgezet.

De feitelijke benutting van de regeling hangt onder meer af van investerings- en overnameplannen van het bedrijfsleven, en is nauw verbonden met de ontwikkeling van de conjunctuur. De mate van gebruik van deze regeling wordt halfjaarlijks in een rapportage verstrekt aan de Tweede Kamer.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

Verstrekte garanties Groeifaciliteit, x € 1 mln

10

25

12

13

8

Totaal aantal verstrekte garanties

22

32

17

21

16

Bron: RVO

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

De GO-regeling is ingevoerd ten tijde van de kredietcrisis en gericht op middelgrote en grote bedrijven. Via deze regeling krijgen banken een garantie van 50% van de overheid, zodat nieuwe bankleningen en/of bankgaranties kunnen worden verstrekt. In het geval van bankgaranties zijn ook schadeverzekeraars toegelaten tot de regeling. De GO-regeling is net als de Groeifaciliteit kostendekkend, met als opzet dat banken/schadeverzekeraars er slechts gebruik van maken indien zij vanwege het risicoprofiel zelfstandig niet of onvoldoende in staat zijn in de kern gezonde bedrijven te financieren. Het gebruik volgt sterk de conjuncturele ontwikkeling. In het regeerakkoord van het huidige kabinet is afgesproken om de GO-regeling structureel te maken met een garantieplafond van € 400 mln met ingang van 2014. Als onderdeel van het Aanvullend actieplan MKB-financiering worden de stimuleringsmaatregelen uit 2014 met een jaar verlengd tot ultimo 2015. Dit betreft de verhoging van de maximum garantie van € 25 mln naar € 75 mln.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

Verstrekte garanties GO, x € 1 mln

58

413

261

103

103

Totaal aantal verstrekte garanties

20

104

62

53

51

Bron: RVO

Garantieregeling Scheepsnieuwbouw financiering

In navolging van andere EU-landen is een garantieregeling geïntroduceerd waarmee het bankkrediet aan de scheepsbouwer wordt gegarandeerd gedurende de periode van de bouw van het schip. Met de GSF kunnen banken 80% Staatsgarantie krijgen op de financiering van de bouw van een schip. Op basis van de benutting van de regeling in het afgelopen jaar is het jaarlijks garantieplafond, in overeenstemming met het garantiekader, teruggebracht tot € 400 mln. In overleg met stakeholders wordt bezien wat de oorzaken van het geringe gebruik zijn en of en hoe aanpassing van de regeling is gewenst.

Kengetal

2013

Verstrekte garanties Scheepsnieuwbouw, x € 1 mln

44

Totaal aantal verstrekte garanties

6

Nieuwe garanties

Het betreft het versterken van het eigen vermogen van het MKB door de oprichting van een Achtergestelde Leningenfonds (AGL) te stimuleren, en verbreding van het aanbod van MKB-financiering door garanties te geven op de funding van private initiatieven. Ook wordt onderzocht of het dienstenportfolio van Qredits kan worden uitgebreid met kredieten tot € 250.000 en het aanbieden van werkkapitaal via rekening courant. Samen met de Nederlandse Investerings Instelling (NII) wil het kabinet in kaart brengen hoe groot de markt voor een dergelijk AGL-fonds is, welke marktpartijen reeds initiatieven ontplooien en welke witte vlekken er nog bestaan.

De verwachting is dat er in 2014 en 2015 in totaal tot circa € 1 mld onbenutte garantieruimte is bij de EZ-instrumenten, welke ingezet kan worden voor nieuwe maatregelen in het kader van het Aanvullend Actieplan MKB-financiering. Daarvan wordt op voorhand € 500 mln bestemd voor het doorontwikkelen van een markt voor eigen vermogen, en € 500 mln voor het verbreden van het financieringsaanbod, waarvan € 100 mln voor verruimen van het dienstenportfolio van Qredits. De dekking van de garantieruimte zal komen uit de onderbenutting van de garantieregelingen. Een additionele begrotingsreserve zal hiertoe worden opgericht (€ 12 mln).

Subsidies

Bevorderen ondernemerschap

Dit budget wordt gebruikt voor diverse instrumenten die als doel hebben het ondernemingsklimaatbeleid te verbeteren. Zo is het budget gebruikt voor (uitvoerings)bekostiging van de jaarlijkse Transparantie Benchmark programma’s voor kapitaalmarkt, zelfstandigenregeling, innovatief inkopen en de programmakosten voor corporate governance. Daarnaast wordt dit gebruikt voor het realiseren van de nieuwe beleidsambities, zoals Techniekpact en Ambitieus Ondernemerschap. In het Aanvullend Actieplan MKB-financiering zijn middelen uitgetrokken voor ketenfinanciering, verbeteren kredietinformatie, het verhogen van de ambitie en verbetering groeivaardigheden in het kleinbedrijf en het stroomlijnen en toegankelijker maken van het financieringsinstrumentarium. Ook de kasreserve van € 12 mln voor ondersteuning van een fonds gericht op achtergestelde leningen is onder deze post opgenomen.

Biobased Economy

Juist het Nederlandse bedrijfsleven heeft alles in huis om biobased economy tot een succes te maken. Zowel de agro als chemie zijn in vergelijking met andere landen zeer groot en goed ontwikkeld in Nederland: de agro- en tuinbouwsector behoort tot de meest productieve ter wereld, de Nederlandse chemie behoort tot de wereldtop. De logistiek in Nederland is vooraanstaand: Nederland vormt met onze havens de toegangspoort tot Europa voor groene grondstoffen met duurzaamheid als randvoorwaarde.

Binnen de topsectorenaanpak is biobased economy als cross-sectoraal thema benoemd. Coördinatie ligt bij de topsector chemie. Voor de uitvoering van het innovatiecontract BBE is het Topconsortium voor Kennis- en Innovatie (TKI) BBE opgericht.

Op 3 december 2013 is het nieuwe advies van de Wetenschappelijke en Technologische Commissie Biobased economy openbaar gemaakt. De aanbevelingen worden meegenomen bij de verdere ontwikkeling van de innovatieagenda biobased economy in samenwerking tussen bedrijfsleven en overheid. Op 17 juni 2014 is de Kamerbrief over cascadering verzonden. Deze brief schetst de samenhang tussen de inzet van biomassa voor voedselproductie, klimaatbeleid, recycling en uiteindelijk het creëren van economische waarde.

Groene groei

Het kabinet heeft een ambitie op «groene groei» geformuleerd: de Nederlandse concurrentiekracht en het verdienvermogen versterken en tegelijkertijd de belasting van het milieu en de afhankelijkheid van fossiele energie en grondstoffen terugdringen.

Maatschappelijke opgaven, zoals voedselzekerheid, grondstoffenschaarste of -afhankelijkheid, verlies aan biodiversiteit, vergrijzing en klimaatverandering zijn de groeimarkten van morgen. In nauwe samenwerking met het topsectorenbeleid zet het kabinet zich in voor duurzame economische groei langs vier pijlers: 1. slimme inzet van marktprikkels, 2. dynamische bevorderende wet- en regelgeving, 3. innovatie en 4. overheid als netwerkpartner.

Op acht domeinen zien we zowel een belangrijke maatschappelijke uitdaging, als potentiële verdienkansen voor Nederland: 1. energie, 2. biobased economy, 3. voedsel (EZ-domeinen), 4. klimaat, 5. afval als grondstof, 6. mobiliteit, 7. water (IenM-domeinen) en 8. bouw (WenR-domein).

Doelstellingen

Op een aantal domeinen zijn er duidelijke (kwantitatieve) doelstellingen:

  • •  We streven naar 14% duurzame energie in 2020 en 16% in 2023 (Energie akkoord).
  • •  We staan voor een ambitieus klimaatbeleid (20% CO2 reductie in 2020) (EU).
  • •  We willen fossiele grondstoffen vervangen door hernieuwbare grondstoffen (Regeerakkoord).

De overheid zorgt voor de juiste condities en een stabiel kader voor groene investeringen, zodat bedrijven duurzame producten en diensten kunnen ontwikkelen en vermarkten. Dat vraagt om een integrale aanpak voor groene groei. Bij ongewijzigde productie- en consumptiepatronen lopen we onvermijdelijk tegen grenzen aan. Dit betekent anders produceren en consumeren. Daarbij moeten we zoeken naar internationale coalities om grensoverstijgende problemen te lijf te gaan; en naar een breed draagvlak dat zich richt op de langere termijn. Dit is ook opgenomen in de kabinetsreactie op het rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving «Vergroenen en verdienen» die recent naar de Tweede Kamer is gestuurd.

Green Deal

Het kabinet zet de Green Deal aanpak verstevigd voort met als doel groene groei te versnellen door de creativiteit en dynamiek in de samenleving te benutten. Green Deals bieden bedrijven, burgers en organisaties een laagdrempelige mogelijkheid om samen met de overheid te werken aan groene groei. Initiatieven uit de samenleving staan aan de basis van de Green Deal-aanpak. Centrale gedachte is dat de overheid initiatieven faciliteert en versnelt door het wegnemen van knelpunten. Knelpunten kunnen liggen op het vlak van wet- en regelgeving, netwerkvorming en kennis en informatie. Succesvolle deals en oplossingen worden opgeschaald naar andere locaties, partijen en sectoren en zetten zo een vliegwiel in werking. De Green Deal aanpak is een onderdeel van het groene groei beleid van het kabinet. Dat beleid is gericht op het scheppen van de juiste randvoorwaarden en prikkels voor het vergroenen van economie en samenleving. Er zijn sinds 2011 al 162 Green Deals afgesloten, met meer dan 679 partijen op het terrein van energie, water, grondstoffen, biodiversiteit, mobiliteit, biobased, bouw, voedsel en klimaat. De deals hebben veelal een looptijd van drie jaar en zijn volop in uitvoering. Eind 2013 waren er 16 Green Deals afgerond. Een overzicht van de Green Deals is te vinden op www.ondernemendgroen.nl/greendeals. In 2015 worden de activiteiten gericht op: het verder ontwikkelen, beheren en monitoren van het portfolio aan Green Deals; het uitrollen en verder opschalen van succesvolle green deals en het uitdragen van de resultaten daarvan. Om opschaling te faciliteren zal extra focus komen te liggen op het verder in beeld brengen van effecten en lessons learned van afgeronde Green Deals in de groene groei domeinen (inclusief biodiversiteit) en de vier beleidspijlers.

Microfinanciering

Voor kleine bedrijven en startende ondernemers is het zogenaamde microfinancieringsbeleid ontwikkeld. Qredits (stichting Microfinanciering Nederland) biedt sinds 2009 microkredieten aan in heel Nederland tot maximaal € 50.000. EZ heeft hier financieel aan bijgedragen door het verstrekken van een (achtergestelde) lening en een garantstelling op de lening van de BNG aan Qredits. Doel is om vanaf 2016 2.500 kredieten per jaar te verstrekken. Naast het krediet is coaching een belangrijk onderdeel van het microfinancieringsbeleid. Qredits heeft hiervoor de afgelopen jaren met steun van EZ onder andere een vrijwillige coachpool opgezet.

Sinds eind 2013 verstrekt Qredits ook zogenaamde MKB-kredieten tussen de € 50.000 en € 150.000. Om dit mogelijk te maken heeft het kabinet € 30 mln uitgetrokken voor de vervolgfinanciering van Qredits. Deze maatregel is onderdeel van het stimuleringspakket (september 2013).

In het aanvullend actieplan MKB-financiering is aangekondigd dat het kabinet onderzoekt of de grens tot waar Qredits leningen mag verstrekken, per 2015 kan worden opgetrokken tot € 250.000. Mede gezien de groeiende behoefte aan werkkapitaal worden daarnaast partners gezocht om daarmee het verstrekken van rekening-courant krediet door Qredits mogelijk te maken. Voor de uitbreiding van deze activiteiten is naar verwachting circa € 100 mln extra funding nodig. Het Ministerie van Economische Zaken is op dit moment met verschillende geïnteresseerde partijen, waaronder de Europese Investerings Bank (EIB), in gesprek onder welke voorwaarden zij Qredits aanvullend willen financieren. Voor nu heeft het kabinet € 100 mln garantieruimte beschikbaar, mocht voor het verstrekken van nieuwe funding aan Qredits een overheidsgarantie nodig zijn. De verwachting is dat hiermee minimaal € 100 mln nieuwe financiering in de markt mogelijk wordt gemaakt.

Indicator

Referentie- waarde

Peildatum

Raming 2015

Streef- waarde

Planning

Bron

Aantal verstrekte kredieten (Micro- en MKB-krediet)

610

2009

1.550

2.500

2016

Qredits

De verwachting is dat Qredits in 2015 1.300 microkredieten en 250 MKB-kredieten verstrekt en dus totaal 1.550 kredieten aan kleine en startende ondernemers.

Uitfinanciering subsidies

De volgende regelingen zijn inmiddels beëindigd en betreffen alleen nog uitfinanciering: Valorisatie/SKE, Beroepsonderwijs in bedrijf, Innovatieve scheepsbouw en Besluit Subsidie Regionale Investeringsprojecten.

Opdrachten

Onderzoek & ontwikkeling

Uit dit budget worden beleidsonderzoek, verplichte evaluaties van beleidsinstrumenten en beleidsdoorlichtingen gefinancierd. Een klein deel van dit budget wordt gebruikt voor beleidsvernieuwing middels kleinschalige experimenten.

ICT-beleid

Het regeerakkoord schetst een aantal belangrijke uitdagingen op ICT-gebied. Zo heeft het kabinet de ambitie dat ondernemers en burgers in 2017 digitaal zaken kunnen doen met de overheid, waarbij zij gebruik kunnen maken van een aantal voorzieningen. Er is dan één digitale voordeur voor digitale overheidsdienstverlening, met één sleutel, één berichtendienst en open standaarden voor informatie-uitwisseling. Hierdoor wordt het voor bedrijven makkelijker om hun zaken met de overheid digitaal te regelen. Onlangs heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd over het gezamenlijke wetgevingsprogramma van EZ en BZK dat hiertoe in gang is gezet.

Daarnaast werken we aan een tiental ICT-doorbraakprojecten gericht op het opschalen van ICT-toepassingen in een aantal topsectoren, de zorg en het onderwijs. Doel is belemmeringen voor het gebruik van ICT weg te nemen en de kennis over ICT te vergroten om zo een bijdrage te leveren aan het oplossen van maatschappelijke uitdagingen en het benutten van economische kansen.

Op lokaal gebied werkt het kabinet samen met steden aan de Digitale Steden Agenda. In dit convenant zijn concrete voorstellen gedaan om de komende jaren, met behulp van ICT, vraagstukken op te lossen in de domeinen ondernemen, veiligheid, regeldruk, zorg, onderwijs en informatiedeling.

Op het terrein van innovatie en onderzoek werkt het kabinet binnen de ICT Roadmap samen met de wetenschap en bedrijven aan het ontwikkelen van de technologieën van overmorgen, ook voor de topsectoren.

Op internationaal gebied zet het kabinet met het project «The Netherlands: Digital Gateway to Europe» in op het vasthouden, uitbouwen en aantrekken van buitenlandse ICT-bedrijven met aanvullende kennis en kunde naar Nederland. Dat draagt bij aan werkgelegenheid en is goed voor innovatie.

Digitale vaardigheden van de beroepsbevolking zijn van toenemend belang. Het kabinet werkt met maatschappelijke partners aan het versterken van de digitale vaardigheden in de opleidingen en van de werknemers.

Voorzien wordt dat de komende decennia een vergaande digitalisering van productieprocessen zal plaatsvinden. Met FME, VNO NCW, TNO en de Kamer van Koophandel is voor Nederland in kaart gebracht wat «Smart Industry» kan beteken en wat actielijnen zijn om Nederlandse bedrijven hierop voor te bereiden

Over de uitwerking van deze ambities, inclusief de stand van zaken van de acties uit de Digitale Agenda.nl en de Digitale Implementatie Agenda.nl is de Tweede Kamer in 2013 nader geïnformeerd. (TK, 29 515, nr. 70).

Vermindering regeldruk

Met het kabinetsbrede programma «Goed Geregeld: een verantwoorde vermindering van de regeldruk 2012–2017» zet het kabinet in op de vermindering van regeldruk voor bedrijven, burgers en professionals. De aanpak bestaat uit zes samenhangende actielijnen:

  • 1.  Minder regeldruk door transparantie van wet- en regelgeving.
  • 2.  Structurele verlaging van de regeldruk met € 2,5 mld.
  • 3.  Minder regeldruk door betere (digitale) dienstverlening.
  • 4.  Minder stapeling, slimmer toezicht.
  • 5.  Merkbare vermindering regeldruk in regeldichte domeinen.
  • 6.  Minder regeldruk door bestuurlijke samenwerking (gemeenten en Europa).

De aanpak van regeldruk begint bij het voorkomen ervan. Daarom is met ingang van 2014 internetconsultatie het uitgangspunt bij nieuwe wet- en regelgeving met significante gevolgen voor bedrijven, burgers en professionals. Ook worden hierbij de antwoorden op de hoofdvragen van het Integraal Afwegingskader (IAK) en de beschikbare effectrapportages, zoals de Bedrijfseffectentoets (BET), voortaan gepubliceerd. Door deze maatregelen krijgen bedrijven, instellingen en burgers meer mogelijkheden om in een vroeg stadium met het kabinet mee te denken. Het kabinet zet daarnaast in op een kwantitatieve vermindering van regeldruk voor bedrijven, burgers & professionals van € 2,5 mld over de periode 2012–2017. Deze kwantitatieve doelstelling is een netto doelstelling: als het kabinet nieuwe regels invoert moeten eventuele hiermee gepaard gaande regeldrukkosten worden gecompenseerd met extra regeldrukverminderende maatregelen. In een aantal regeldichte domeinen (de topsectoren, de zorg, bouw en bankensector) geeft het kabinet een extra impuls aan merkbare regeldrukvermindering. Samen met het bedrijfsleven inventariseert het kabinet knelpunten die waar mogelijk worden opgelost. Het verminderen van toezichtlasten voor bedrijven is in de regeldrukaanpak ook een belangrijk onderdeel. Door betere inzet van ICT en het delen van kennis en informatie tussen inspecties probeert het kabinet de toezichtlasten bij goede nalevende bedrijven zo laag mogelijk te houden. Voor een merkbare vermindering van regeldruk is betrokkenheid van alle bestuurslagen van belang. Daarom werkt het kabinet samen met mede-overheden, zoals gemeenten en de Europese Commissie aan een verlaging van de regeldruk. Ook draagt het adviescollege Actal bij aan de kabinetsdoelstellingen door te adviseren aan het kabinet over de vermindering van regeldruk. Tenslotte draagt de inzet van ICT ook bij aan regeldrukvermindering. Digitalisering verbetert de overheidsdienstverlening en maakt het voor ondernemers eenvoudiger om te voldoen aan informatieverplichtingen van de overheid. Voorzieningen als het Ondernemingsdossier, Standard Business Reporting, regelhulpen, en ondernemersplein.nl dragen hieraan bij.

In de aansluitende tabel is de doelstelling en raming 2015 van de kwantitatieve doelstelling van € 2,5 mld in kaart gebracht.

Indicator

Referentie- waarde

Peildatum

Raming 2015

Streef- waarde

Planning

Bron

Netto verlaging regeldruk (cumulatief)

527,4

2013

€ 2,3 mld

€ 2,5 mld

2017

EZ

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC) en de United Nations World Tourism Organization (UNWTO)

EZ heeft voor de periode 2012–2015 een meerjarig contract met het NBTC Holland Marketing (Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen) afgesloten om het inkomend toerisme te bevorderen. EZ stelt in deze periode budget beschikbaar voor de internationale branding en marketing van Nederland en internationale congreswerving. Het budget zal worden ingezet op de belangrijkste toeristische herkomstmarkten en doelgroepen. Daarnaast wordt bijgedragen in de overheadkosten van het secretariaat van de UNWTO.

Bijdragen aan instituten

Betreft een verzamelpost van verschillende kleine bijdragen aan diverse instituten, ten behoeve van het programma-onderzoek op het terrein van MKB en ondernemerschap, het kenniscentrum MVO Nederland en de Koning-Willem I prijs.

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s

Kamers van Koophandel/Ondernemerspleinen

Per 1 januari 2014 is de nieuwe Kamer van Koophandel (zelfstandig bestuursorgaan) formeel van start gegaan. Het transitieproces is in 2014 nog volop gaande en aan de nieuwe organisatie en de nieuwe wettelijke taken wordt in dit jaar nadere invulling gegeven. Zo zijn in de loop van het jaar de Centrale Raad en de regioraden benoemd; deze organen spelen een belangrijke rol bij de programmering van de activiteiten van de nieuwe Kamer van Koophandel. Ook is het digitale ondernemersplein begin 2014 officieel gelanceerd en zijn diverse publieke partijen als het UWV en het CBS als partner toegetreden. Daarnaast zijn de fysieke (regionale) Ondernemerspleinen van start gegaan.

Momenteel wordt gewerkt aan een prestatie dashboard aan de hand waarvan de prestaties van de nieuwe organisatie in de toekomst zullen worden gemeten. Onderdeel hiervan zullen in ieder geval klantwaardering en bereik van de verschillende wettelijke taken zijn. Verwachting is dat dit dashboard vanaf 2015 operationeel zal zijn. Daarmee wordt 2015 het eerste min of meer reguliere jaar voor de Kamer van Koophandel.

Bijdrage aan agentschappen

RVO

Deze middelen zijn grotendeels voor de uitvoering van de garantie-instrumenten, zoals BMKB, Groeifaciliteit, Garantie Ondernemingsfinanciering en de Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering, uitvoering van de IND zelfstandigen- en BBH-regeling. Dit betreft activiteiten als beoordeling van aanvragen, voorlichting over de instrumenten, terugontvangen van kredieten, etc.

Logius

De bijdrage aan Logius bestaat uit een bijdrage aan het programma (Bureau)Forum Standaardisatie en het programma SBR (Standard Business Reporting). Verder is een aantal projecten in afrondende fase, zoals e-factureren.

Industrieel participatiebeleid

Het industrieel participatiebeleid (IP-beleid) is medio 2012 geïntroduceerd als opvolger van het compensatiebeleid. Het doel is om bij een gebrek aan een open en gelijke internationale defensiemarkt de Nederlandse defensie- en veiligheid gerelateerde bedrijven te ondersteunen bij het verkrijgen van een gelijkwaardige positie op de defensiemarkt om zo een bijdrage te leveren aan de overheidstaken op het gebied van veiligheid van Nederland; zowel direct als door deelname aan internationale samenwerking.

Het beleid is erop gericht om bij de aanschaf van defensiematerieel bij buitenlandse bedrijven door het Ministerie van Defensie de Nederlandse industrie en kennisinstellingen zo goed mogelijk te betrekken. De nadruk ligt daarbij op de prioritaire technologiegebieden die zijn geïdentificeerd in de Defensie Industrie Strategie (DIS) die in december 2013 aan de Tweede Kamer is gestuurd.

Het IP-beleid houdt in dat bij aanbestedingen van defensiematerieel per geval wordt bekeken of er industriële participatie zal worden geëist. De basis hiervoor is de DIS waarin de prioritaire technologiegebieden zijn vastgesteld. Indien IP wordt geëist, wordt van de leverancier een voorstel verlangd dat tot doel heeft bij te dragen aan het behoud van de betreffende capaciteiten van Nederlandse bedrijven, zodat deze Nederlandse bedrijven in staat worden gesteld een bijdrage te leveren aan de overheidstaken op het gebied van ten behoeve van het de bescherming van wezenlijke belangen van nationale veiligheid. De inhoud en omvang van de industriële participatie wordt per geval afgesproken. Op basis van de ervaring met het compensatiebeleid uit het verleden wordt verwacht dat de omvang gemiddeld circa 60% van de opdrachtwaarde zal zijn.

De komende periode is in de realisatie van overeenkomsten sprake van een overgangssituatie tussen de afwikkeling van het oude compensatiebeleid en het nieuwe IP-beleid. Bestaande compensatieovereenkomsten worden wel op de oorspronkelijk overeengekomen voorwaarden afgewikkeld.

De gerealiseerde invulling van compensatie zal de komende jaren afnemen. Dit is het gevolg van een aantal ontwikkelingen, waaronder de beperkte investeringen van het Ministerie van Defensie in de voorgaande jaren en de inwerkingtreding van de Aanbestedingswet op Defensie -en Veiligheidsgebied. De streefwaarde zal dus naar beneden moeten worden bijgesteld. Op dit moment is nog onzeker op welk structureel niveau de streefwaarde kan worden gesteld. Voor 2015 is de streefwaarde € 350 mln.

De indicator «gerealiseerde invulling compensatieverplichtingen» geeft het bedrag weer dat door buitenlandse partijen bij Nederlandse bedrijven besteed wordt als invulling van compensatie of IP-afspraken.

Indicator

Referentie- waarde

Peil- datum

Streef- waarde

Planning

Bron

Gerealiseerde invulling compensatie / IP-verplichting (5 jaars gemiddelde)

€ 419 mln

2013

€ 350 mln

2015

EZ

Interne begrotingsreserves

Er zijn interne begrotingsreserves voor de BMKB, de regeling Garantie Ondernemingsfinanciering, de Groeifaciliteit en de Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering. De laatste drie regelingen betreffen kostendekkende regelingen, waarvan de te realiseren premie-ontvangsten toereikend zijn voor het afdekken van eventuele verliesdeclaraties. De interne begrotingsreserves dienen om een eventuele mismatch in de tijd van inkomsten en uitgaven op te vangen. In onderstaande tabel zijn de saldi van de begrotingsreserves per 31 december 2013 weergegeven. In 2014 is besloten de reserve van de Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering neerwaarts bij te stellen tot € 10 mln. Het garantieplafond van deze regeling wordt namelijk met € 600 mln verlaagd naar € 400 mln, waardoor een lagere reserve volstaat. De hierdoor ontstane vrijval van € 15 mln wordt toegevoegd aan de begrotingsreserve BMKB (€ 10 mln) en de in te stellen begrotingsreserve voor de Groeifaciliteit (€ 5 mln).

Stand interne begrotingsreserves per 31 december 2013 (x € 1.000)

 

Interne begrotingsreserve Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

€ 30.000

Interne begrotingsreserve Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

€ 64.621

Interne begrotingsreserve Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering

€ 25.044

Totaal

€ 119.665

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Zelfstandigenaftrek

1.712

1.718

1.741

1.761

1.781

1.801

1.822

Extra zelfstandigenaftrek starters

106

168

110

111

113

114

115

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

2

2

2

2

2

2

2

FOR, niet omgezet in lijfrente

53

53

54

54

54

54

55

Meewerkaftrek

7

7

7

6

6

6

6

Stakingsaftrek

17

16

16

15

15

15

14

Doorschuiving stakingswinst

220

232

245

259

273

288

304

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit in successiewet

197

201

205

208

212

216

220

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

353

371

397

409

421

434

446

Willekeurige afschrijving starters

8

8

8

8

8

8

8

Willekeurige afschrijving investeringen bedrijfsmiddelen

57

           

Persoonsgebonden aftrekpost durfkapitaal

7

5

3

3

2

1

0

Verlaagd BTW-tarief Logiesverstrekking (incl. kamperen)

272

276

280

284

288

293

297

Verlaagd BTW-tarief Voedingsmiddelen horeca

1.370

1.386

1.404

1.421

1.438

1.456

1.474

BTW Kleine ondernemersregeling

129

136

143

150

159

167

176

Verlaagd accijnstarief kleine brouwerijen

1

1

1

1

1

1

1

Vrijstelling overdrachtsbelasting bedrijfsoverdracht in familiesfeer

13

16

16

16

17

17

17

14 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Algemene doelstelling

Een internationaal concurrerende energievoorziening die betrouwbaar, veilig en duurzaam is

Om deze doelstelling te bereiken zet EZ financiële instrumenten in zoals subsidies en garanties, maar ook niet-financiële instrumenten zoals het stroomlijnen van de energie- en gaswet om de werking van de energiemarkt te verbeteren, de regeldruk te verminderen en efficiënter toezicht mogelijk te maken.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Elektriciteitswet en de Gaswet verantwoordelijk voor het energiebeleid. Daarnaast is de Minister van EZ op grond van de Kernenergiewet eerstverantwoordelijk voor nucleaire veiligheid en stralingsbescherming. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Financieren

  • •  Het voeren van het financieel instrumentarium op de beleidsterreinen duurzame energie, energiebesparing en het gebruik van innovatieve energietechnologieën.

(Doen)Uitvoeren

  • •  Het vergroten van het aandeel duurzame energie (conform afspraken Energieakkoord: 14% in 2020 en 16% in 2023).
  • •  Het vergroten van het aandeel energiebesparing (conform afspraken Energieakkoord: besparing met gemiddeld 1,5% per jaar en 100 PJ in 2020).
  • •  Het reguleren van de nucleaire veiligheid (waaronder vergunningverlening) en de beveiliging bij alle nucleaire installaties, de toepassing en het vervoer van radio-actief materiaal en het reguleren van een veilig en toekomstbestendig beheer van radio-actief afval in Nederland.
  • •  Het reguleren van een adequate bescherming van de samenleving tegen stralingsrisico's bij de toepassing en het vervoer van radio-actieve stoffen en bij de toepassing van radio-actieve bronnen.
  • •  Het voorbereid zijn op een nucleair of (stralings)incident en bij crises bijdragen aan de uitvoering van de nationale crisisbesluitvorming.
  • •  Het doen van metingen, berekeningen, monitoring en onderzoek naar straling ter onderbouwing van besluiten van het bevoegd gezag.
  • •  Het uitoefenen van toezicht op de nucleaire installaties en op alle andere bedrijven waar radio-actievestoffen en ioniserende straling worden toegepast.
  • •  Het uitoefenen van toezicht op het vervoer van splijtstoffen en radio-actieve materialen.
  • •  Het zorg dragen voor wet- en regelgeving die de ZBO ANVS realiseert.

Regisseren

  • •  Het regisseren van de realisatie van grote energie-infrastructuur projecten die onder de rijkscoördinatieregeling vallen; dit betekent als projectminister, samen met de Minister van Infrastructuur en Milieu, verantwoordelijk voor de ruimtelijke inpassing van projecten en voor de coördinatie van benodigde projecten.
  • •  Het stimuleren van een goed werkende Europese energiemarkt met een adequate infrastructuur.
  • •  Het creëren van randvoorwaarden waardoor de energievoorziening internationaal kan concurreren en het verdienpotentieel van de energiesector ten volle wordt benut.
  • •  Het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige en verantwoorde winning van onze bodemschatten.
  • •  Het stimuleren van de transitie naar een duurzame en betrouwbare energievoorziening.
  • •  Het bieden van mogelijkheden aan lokale energieprojecten.
  • •  Het coördineren van het energiebesparingsbeleid via de verschillende vakministers en het stimuleren van energiebesparing in de industrie en energiesectoren.
  • •  Het stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van innovatieve energietechnologieën.
  • •  Het stimuleren van de verdergaande reductie van CO2 – uitstoot van energiebedrijven en industrie.

Kengetal HHI en C3

De C3 is het gezamenlijk marktaandeel van de drie grootste leveranciers. De mate van concentratie op de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas vormt een indicatie voor de concurrentie op die markten. Een indicator hiervoor is de Herfindahl-Hirschman Index (HHI). Een markt met een HHI onder de 1.800 punten wordt gezien als een competitieve markt en een markt met een index tussen de 1.800 en 8.000 punten wordt gezien als een geconcentreerde markt.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

Ambitie 2015

1. Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit

– HHI

2.263

2.456

2.338

2.276

Stabiliseren tussen 1.800–2.500

– C3

81%

85%

83%

81%

Daling/lager

2. Concentratiegraad in de retailsector gas

– HHI

2.158

2.344

2.258

2.204

Stabiliseren tussen 1.800–2.500

– C3

79%

83%

81%

79%

Daling/lager

Bron: ACM

Kengetal

2010

2011

2012

2013

Elektriciteitsstoring in minuten per jaar

34 min

23 min

27 min

23 min

Bron: Netbeheer Nederland

Toelichting

Het aantal storingsminuten per huishouden per jaar geeft een indicatie van de leveringszekerheid van elektriciteit.

Beleidswijzigingen

  • •  Voor de vorming van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) heeft de ministerraad op 24 januari 2014 besloten dat:
    • –  de Minister van EZ zorgt voor de benodigde wet- en regelgeving;
    • –  de Minister van I&M zorgt voor de vorming van de (tijdelijke) organisatie en;
    • –  de ANVS een ZBO wordt onder verantwoordelijkheid van I&M.
  • • 

    Gaswinning Groningen

    In januari 2013 heeft Staatstoezicht op de Mijnen advies uitgebracht over de relatie tussen aardbevingen en gasproductie uit het Groningenveld. De kern van het advies was dat uit recente studies is gebleken dat bij gelijkblijvende productie het aantal aardbevingen toe zal nemen en de sterkte er van ook, zodat de tot nu toe veronderstelde bovengrens van 3.9 Richter niet meer houdbaar is. Naar aanleiding van dit advies heeft de Minister van EZ 11 onderzoeken gelast, om op basis daarvan een onderbouwd besluit te kunnen nemen over de gaswinning in Groningen. Deze onderzoeken zijn in december 2013 afgerond. De uitkomsten van deze onderzoeken hebben de basis gevormd voor het Kabinetsbesluit van 17 januari 2014 over de gaswinning in Groningen (TK, 33 529 nr. 28 en 59).

  • •  Met de Wind op Zee tender zal in 2015 een start worden gemaakt.
  • •  Schaliegas. In 2014 is een milieuonderzoek gestart ten behoeve van de structuurvisie schaliegas. Deze structuurvisie schaliegas zal naar verwachting begin 2015 in ontwerp naar de Tweede Kamer worden gestuurd.
  • •  In het energieakkoord voor duurzame groei is bepaald dat er overheidsmiddelen beschikbaar komen voor een innovatieprogramma voor demonstratieprojecten die gericht zijn op versnelling van commercialisering vanuit de Topsector Energie ten behoeve van de export. Het budget hiervoor loopt op van € 25 mln in 2014 tot structureel € 50 mln vanaf 2017.

Energieakkoord voor duurzame groei

Een substantieel deel van het energiebeleid is vastgesteld via het Energieakkoord. Met het Energieakkoord worden belangrijke stappen gezet op weg naar een duurzame energievoorziening en krijgt de economie op korte termijn een stevige impuls. Partijen zetten zich in om de volgende doelen te realiseren:

  • •  Een besparing van het finale energieverbruik met gemiddeld 1,5% per jaar;
  • •  100 Petajoule aan energiebesparing in het finale energieverbruik van Nederland per 2020;
  • •  Een toename van het aandeel van hernieuwbare energieopwekking (nu 4%) naar 14% in 2020;
  • •  Een verdere stijging van dit aandeel naar 16% in 2023;
  • •  Ten minste 15.000 voltijdsbanen, voor een belangrijk deel in de eerstkomende jaren te creëren;
  • •  Nederland in 2030 een top-10 positie op de mondiale CleanTech Ranking.

Een belangrijke factor voor een succesvolle borging van de energietransitie in de komende jaren is de consistentie in beleid dat vanuit de rijksoverheid en overige partijen wordt ingezet, ook bij uitvoering en bijsturing. Daarvoor is een borgingscommissie met de deelnemende partijen opgezet. Uitgangspunten voor adequate borging van afspraken zijn: partijen zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de succesvolle uitvoering, de uitwerking van het akkoord en het borgen van de doelstellingen. De rijksoverheid is verantwoordelijk voor de uitwerking, implementatie, uitvoering en evaluatie van de in het akkoord benoemde beleidsmaatregelen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

VERPLICHTINGEN

3.397.213

4.104.428

3.960.853

364.160

361.709

345.175

345.180

Waarvan garantieverplichtingen

47.342

62.500

62.400

       

UITGAVEN

1.251.807

1.509.417

1.619.026

1.833.256

1.965.105

2.228.005

2.810.679

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

83%

       
               

Subsidies

1.030.692

1.274.562

1.410.701

1.641.860

1.756.666

2.025.164

2.607.833

Topsectoren Energie

30.282

44.451

67.993

57.409

55.606

46.406

41.406

Energie-innovatie (IA)

36.766

19.749

7.872

2.370

2.361

2.361

2.361

Green Deal

1.889

20.544

750

18.751

     

Energieakkoord

 

29.205

35.464

54.289

59.289

50.000

50.000

MEP

505.321

447.950

380.000

288.000

200.700

62.000

54.000

SDE

141.935

400.540

524.488

667.475

682.357

700.831

703.000

SDE+

27.198

171.060

280.261

455.540

660.500

1.066.500

1.660.000

Interne begrotingsreserve duurzame energie

225.007

           

Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

 

77.000

77.000

77.000

77.000

77.000

77.000

CCS

5.015

38.047

19.557

8.915

7.242

8.955

8.955

Hoge Flux Reactor

7.250

7.250

7.250

8.111

8.111

8.111

8.111

Aanschafsubsidie zonnepanelen

29.632

           

Elektrisch rijden

2.535

2.210

1.120

       

Caribisch Nederland

3.161

14.512

7.000

4.000

3.500

3.000

3.000

Overige subsidies

14.701

2.044

1.946

       
               

Garanties

526

8.700

1.000

       

Geothermie

526

8.700

1.000

       
               

Opdrachten

33.861

29.259

24.528

20.182

11.339

7.307

7.307

O&O bodembeheer

2.497

6.436

766

766

766

766

766

Joint implementation

12.148

1.343

1.300

       

Straling

9.726

9.057

6.060

4.874

4.313

4.225

4.225

Pallas

1.001

9.000

13.500

12.000

4.000

   

Onderzoek en opdrachten

8.489

3.423

2.902

2.542

2.260

2.316

2.316

               

Bijdragen aan agentschappen

45.589

50.029

44.963

34.018

32.237

30.771

30.776

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

38.680

45.036

39.557

29.182

27.477

26.083

26.088

Dienst Landelijk Gebied

   

500

       

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

698

694

680

677

671

668

668

Kern Fysische Dienst

6.211

3.298

3.226

3.159

3.089

3.020

3.020

KNMI

 

1.001

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

103.039

114.309

113.113

113.113

113.113

113.113

113.113

Doorsluis COVA heffing

100.947

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

TNO AGE

2.092

3.309

2.113

2.113

2.113

2.113

2.113

               

Bijdragen aan mede-overheden

       

28.000

28.000

28.000

Uitkoop

       

28.000

28.000

28.000

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

38.100

32.558

24.721

24.083

23.750

23.650

23.650

ECN/NRG

37.757

31.896

23.949

23.110

22.723

22.623

22.623

Diverse instituten

343

662

772

973

1.027

1.027

1.027

               

ONTVANGSTEN

13.547.739

11.069.328

9.535.411

9.509.411

9.343.411

9.536.761

10.042.761

COVA

100.947

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

SDE+

97.363

200.000

320.000

494.000

678.000

1.074.000

1.730.000

Aardgasbaten

13.342.665

10.750.000

9.100.000

8.900.000

8.550.000

8.350.000

8.200.000

Ontvangsten zoutwinning

2.373

1.761

1.761

1.761

1.761

1.761

1.761

Diverse ontvangsten

4.391

6.567

2.650

2.650

2.650

   

Budgetflexibiliteit

Subsidies: Van het totale subsidiebudget is 90% juridisch verplicht. Dit percentage is hoog als gevolg van uitfinanciering van tot en met 2014 aangegane verplichtingen, met name langlopende uitbetalingen op reeds afgegeven beschikkingen in het kader van de MEP/SDE en verplichtingen die in 2011, 2012, 2013 en 2014 zijn aangegaan op de SDE+.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 60% juridisch verplicht. Het betreft uitfinanciering van in voorgaande jaren afgegeven beschikkingen, met name in het kader van Joint Implementation, Pallas en kernenergie.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van de opdracht 2015 aan RVO, DLG, RIVM, Kernfysische Dienst en de NVWA en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Op dit onderdeel is geen sprake van budgetflexibiliteit. Het betreft met name de doorsluis van de COVA-heffing op aardolieproducten, bedoeld voor het dekken van de kosten van het aanhouden van voorraden. Dit is gebaseerd op nationale en internationale wetgeving.

Bijdragen (inter)nationale organisaties: Van het beschikbare budget voor (inter)nationale organisaties is 70% juridisch verplicht. De bijdrage aan ECN betreft een al langlopende gevestigde en op overeenkomsten gebaseerde subsidierelatie ten behoeve van energieonderzoek. Dit betekent dat er op dit onderdeel sprake is van enige budgetflexibiliteit, zij het beperkt op de korte termijn.

Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Topsector Energie

De topsector energie richt zich op de verduurzaming van de energievoorziening en de versterking van de toegevoegde waarde van de energiesector voor de Nederlandse economie. De focus ligt daarbij op bio-energie, energiebesparing in industrie en gebouwde omgeving, gas, intelligente netten, wind op zee en zonne-energie. De gezamenlijke onderzoeks- en innovatieagenda van bedrijven en kennisinstellingen, verwoord in de in april 2012 afgesloten innovatiecontracten, waarborgt aansluiting van onderzoek op de behoeften vanuit de markt. De Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI ’s) voeren deze agenda uit. EZ stimuleert en ondersteunt de topsector energie met reguliere innovatiemiddelen en een speciaal voor innovatie afgezonderd deel van de SDE+ middelen.

Het Topteam energie stuurt het onderzoeks- en innovatieportfolio van de TKI's bij aan de hand van een periodieke review daarvan in 2014. De in 2014 gestarte inzet op het thema systeemintegratie, dat zich richt op inpassing van energie uit hernieuwbare bronnen in het energiesysteem, wordt gecontinueerd. Daarbij is er aandacht voor cross-overs tussen elektriciteit, gas en warmte.

Energie-Innovatie (Innovatie Agenda Energie)

Dit betreft de uitfinanciering van een groot aantal specifieke innovatieprogramma’s die in de periode 2008–2011 zijn opgestart met een eenmalige impuls vanuit het Fonds Economische Structuurversterking (FES). De Innovatie Agenda is inmiddels vervangen door de topsector energie.

Kengetal

2010

2011

2012

2013

2014

Ambitie 2015

Private R&D-investeringen (uitgedrukt in % van omzet)

Bron: CBS

2,4%

n.v.t.

n.n.b.

n.v.t.

n.n.b.

n.v.t.

Aantal deelnemende bedrijven bij TKI1

Bron: RvO

n.v.t.

n.v.t.

301

486

n.n.b.

600

Kwaliteit van het Nederlandse energieonderzoek gemeten als retourpercentage van het zevende EU kaderprogramma thema energie2

Bron: RvO

6,8%

7,4%

7,0%

6,8%

n.n.b.

7,0%

Noot 1: In september 2012 zijn de TKI ’s opgericht. Daardoor zijn er geen gegevens beschikbaar voor de jaren 2009tot en met 2011.

Noot 2: De cijfers betreffen cumulatieve cijfers vanaf de start van het zevende kaderprogramma in 2007. De realisatie 2013 heeft betrekking op de periode 2008 tot en met februari 2014. Het retourpercentage in KP7 energie voor Nederland is 6,8%. Dit is nog steeds ruim boven de Nederlandse bijdrage aan het kaderprogramma thema energie van circa 5%.

Onderzoek naar private R&D investeringen vindt elke twee jaar plaats. Voor 2011 en 2013 zijn daardoor geen investeringen beschikbaar.

Compensatie indirecte kosten ETS elektriciteitsgrootgebruikers

Door de introductie van het Europese Emissiehandelssysteem (ETS) wordt de CO2-prijs door de elektriciteitsproducenten aan de elektriciteitsgrootgebruikers doorberekend. Elektriciteitgrootgebruikers die internationaal concurreren kunnen in veel gevallen die CO2-kosten (ook wel indirecte kosten genoemd) niet doorberekenen omdat de concurrenten buiten de EU die kosten niet hebben. Naast verstoring van het gelijke speelveld leidt dit tot een CO2-weglek risico (het verplaatsen van bedrijven met veel directe of indirecte CO2 uitstoot naar landen waar de uitstoot van CO2 geen prijs heeft). Voor de compensatie van de indirecte kosten in het kader van het ETS is vanaf 2014 jaarlijks een bedrag beschikbaar van € 77 mln op de EZ begroting.

Green Deal

De Green Deal aanpak is sinds 2011 een onderdeel van het groene groei beleid van het kabinet. Ook in het Energieakkoord zijn de Green Deals als één van de instrumenten genoemd in het streven om tot een volledig duurzame energiehuishouding te komen. De onderwerpen van deze energie deals zijn zeer divers, variërend van energiebesparing tot elektrisch vervoer. Aangezien het initiatieven uit de samenleving zijn, is er op voorhand geen inzicht mogelijk in welk type energiedeals er in 2015 zullen worden afgesloten. De deals hebben veelal een looptijd van drie jaar en zijn volop in uitvoering. Een aantal deals zal eind 2014 worden afgesloten. Sinds 2011 zijn er 52 Green Deals afgesloten op het terrein van energie. Een compleet overzicht van Green Deals is te vinden op: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/duurzame-economie/green-deal.

Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP)/ Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE)

Dit betreft de uitfinanciering van verplichtingen die in het verleden in het kader van de Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP) en Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) zijn aangegaan. De MEP-subsidie is verleend aan elektriciteitsproducenten met wind-, zon- en waterkracht en biomassa. Producenten hebben hiervoor tot 18 augustus 2006 een subsidieaanvraag in kunnen dienen. Projecten met MEP-beschikkingen ontvangen MEP-subsidie tot aan het einde van de subsidietermijn. De MEP-subsidie geldt voor een periode van 10 jaar. Aan het eind van de looptijd wordt de definitieve subsidie vastgesteld.

De regeling SDE is de opvolger van de MEP. De SDE is een exploitatiesubsidie die de onrendabele top (het verschil tussen de kostprijs van duurzame energie en fossiele energie) vergoedt voor projecten op het gebied van hernieuwbaar gas en hernieuwbare elektriciteit en is daarmee breder dan de MEP. In 2011 is de SDE omgevormd en aangepast tot de Stimuleringsregeling duurzame energieproductie (SDE+).

Duurzame energieproductie/SDE+

Dit kabinet zet in op een kosteneffectieve uitrol van hernieuwbare energie. Hiervoor is een grote inspanning vereist. De SDE+ beoogt het aandeel duurzame energie in Nederland op een kosten effectieve wijze te vergroten. De SDE+ richt zich op de opties hernieuwbare elektriciteit, groen gas en hernieuwbare warmte en subsidieert het verschil tussen de kostprijs van duurzame energie en fossiele energie, de zogenaamde onrendabele top. De kosteneffectiviteit wordt bereikt door concurrentie tussen verschillende vormen van duurzame energie en door goedkopere projecten voorrang te verlenen bij het verkrijgen van subsidie. De totale uitgaven zijn afhankelijk van de beschikbare projecten en de ontwikkeling van de energieprijs. In de begroting 2015 is vooralsnog uitgegaan van een bedrag van € 3,5 mld aan te gane verplichtingen (exclusief het bedrag voor «wind op zee» dat in 2015 zal worden opengesteld). Dit is een inschatting van het bedrag dat als beschikbaar budget 2015 voor de SDE+ toezegging gepubliceerd zal worden. In het najaar van 2014 zal de Tweede Kamer nader geïnformeerd worden over het precieze bedrag dat voor 2015 beschikbaar is.

Per 1 januari 2015 treedt de gewijzigde algemene maatregel van bestuur (AMvB) SDE+ in werking. Daarin zijn verschillende maatregelen uit het Energieakkoord meegenomen. De AMvB is onder meer aangepast om tenders wind op zee goed te faciliteren en om het bij- en meestoken van biomassa in kolencentrales te faciliteren conform het Energieakkoord.

Indicator

Referentie-

waarde

Peildatum

Streef-waarde

Planning

Bron

Duurzame energieproductie

4,5%

2012

16%

2023

CBS

Afvang en opslag van CO2

Om op de lange termijn te komen tot een volledig duurzame energievoorziening zal afvang, gebruik en opslag van CO2 (CCS) onvermijdelijk zijn. CCS kan worden toegepast bij de industrie en ook bij gas- en kolencentrales. De rijksoverheid heeft het initiatief genomen voor een lange termijn visie over CCS, die naar verwachting eind 2014 gereed is. De relevante acties uit deze visie CCS zullen in 2015 in gang worden gezet.

De rijksoverheid heeft reeds eerder toegezegd € 150 mln aan cofinanciering bij te dragen aan het grootschalige CCS demonstratieproject ROAD. Het gaat hierbij om het afvangen van CO2 bij de nieuwe E.ON kolencentrale op de Maasvlakte die vervolgens 20 km buiten de kust in een leeg gasveld wordt opgeslagen. In de tweede helft van 2014 zal er door de initiatiefnemers een definitief investeringsbesluit worden genomen.

Hoge Flux Reactor (HFR)

De HFR in Petten is eigendom van de Europese Commissie en wordt geëxploiteerd door de Nucleair Research Group (NRG). De exploitatie van de HFR wordt ondersteund door een reeks aanvullende onderzoeksprogramma's. De voor de HFR opgenomen middelen betreffen de Nederlandse bijdrage aan het «aanvullend programma» van het Joint Research Centre van de Europese Commissie, dat in de HFR wordt uitgevoerd. Het voornaamste doel van het aanvullend onderzoeksprogramma 2012–2015 van de HFR, is een constante en betrouwbare neutronenflux voor experimentele doeleinden te leveren.

Elektrisch rijden

Het project Elektrisch Rijden is onderdeel van het Energieakkoord voor duurzame groei. De Transportbrandstoffenmixvisie die in 2014 als onderdeel van dit akkoord ontwikkeld wordt, biedt het kader voor Elektrisch vervoerbeleid. De focus van beleid verschuift verder van uitrol naar vergroten en verzilveren van verdienpotentieel (duurzame groei), vooral door gebruik te maken van bestaande beleids- en ondersteuningsinstrumenten. De verbinding met het energiesysteem wordt versterkt, door meer aandacht voor laadsturing en opslag van momentane overproductie van elektriciteit. Nederland probeert haar positie in de kopgroep van de uitrol van voertuigen en laadinfrastructuur te behouden en zich te blijven profileren als een interessante plek om innovaties te testen en te demonstreren. Dit vereist gunstige randvoorwaarden.

Caribisch Nederland

Het budget is met name bestemd ter ondersteuning van de elektriciteitstarieven op de BES-eilanden (€ 5 mln). Momenteel ligt de Wet drinkwater en elektriciteit BES bij de Raad van State. EZ betaalt al subsidie aan energietarieven op de BES-eilanden. Het wetsvoorstel moet half 2015 in werking treden. De subsidie wordt in principe in 10 jaar afgebouwd naar nul. Het overige deel van het budget is bestemd ter financiering van in het verleden aangegane verplichtingen.

Overige subsidies

Dit betreft de uitfinanciering van verplichtingen van reeds beëindigde subsidieregelingen. Dit betreft met name de uitfinanciering van het Besluit Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur (BSIK), Transitiemanagement en duurzame warmte.

Garanties

Geothermie

Geothermie of aardwarmte betreft het winnen van warmte uit diepe aardlagen. Het potentieel van geothermie is 11 petajoule (PJ) in 2020. Het ontbreken van een (betaalbare) verzekering is momenteel een belangrijk knelpunt voor de toepassing van aardwarmte. De garantieregeling Geothermie heeft als doel het afdekken van het risico dat het boren van putten voor de toepassing van aardwarmte niet succesvol is. De overheid dekt dit risico af door middel van het uitgeven van garanties aan marktpartijen. In 2014 en 2015 zal de garantieregeling opnieuw worden opengesteld. In 2015 zal worden bezien of, afhankelijk van de marktontwikkelingen, openstelling vanaf 2016 nog wenselijk is.

Opdrachten

O&O bodembeheer

Dit betreft opdrachten ten behoeve van de Mijnraad en de Technische commissie bodem beweging (Tcbb) en diverse opdrachten in verband met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (WABO).

Joint Implementation

CO2-reductie wordt ingevuld via aankoop van onder andere Joint Implementation (JI)-rechten in het buitenland. De kern van JI is dat landen met reductieverplichtingen deze in andere landen kunnen realiseren. De oorspronkelijke doelstelling voor de vermeden CO2-uitstoot is 20 Mton, te realiseren over de periode 2008–2012. Over de periode 2008–2011 is inmiddels 17 Mton gerealiseerd en geleverd via JI en gegroende Assigend Amount Units. De oorspronkelijke doelstelling is verlaagd omdat verwacht werd dat ook zonder JI aankopen de Kyoto doelstelling zou worden gehaald. De uiterlijke termijn voor levering van emissierechten gegenereerd tijdens de Kyoto periode is 2015. Uit in het najaar van 2013 gepubliceerde cijfers blijkt dat Nederland haar Kyotodoelstelling heeft gehaald.

Stralingsbescherming en Nucleaire Veiligheid

Bij de beoordeling van nucleaire inrichtingen en bij de toepassing van ioniserende straling, het vervoer en beveiliging van radio-actief materiaal en het beheer en de verwijdering van radio-actief afval heeft veiligheid (i.c. safety en security) de hoogste prioriteit. Ook de beoordeling van de vergunningaanvragen voor de nieuwe onderzoeksreactor Pallas en de onderzoeksreactor Oyster gebeurt op basis van actuele veiligheidseisen en regelgeving. De Nederlandse veiligheidseisen voor nieuwe kernreactoren zijn gebaseerd op de meest recente internationale richtlijnen en worden in 2015 vastgelegd in een ministeriële regeling.

De voorbereiding op eventuele nucleaire ongevallen wordt aangepast, zodat die internationaal beter geharmoniseerd is. Op grond van de Europese richtlijn 2011/70/Euratom is Nederland verplicht een nationaal programma over het beleid voor radio-actief afval en verbruikte splijtstof te maken. Aan dit programma wordt verder gewerkt opdat het in augustus 2015 aan de Europese Commissie kan worden voorgelegd.

Begin 2014 heeft de ministerraad besloten de Minister van EZ het voortouw te geven om de wetgeving voor te bereiden die nodig is om de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) als zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) te vormen. Een wijzigingswetsvoorstel, een -AMvB en een -ministeriële regeling worden in de eerste helft 2015 in procedure gebracht. In dit traject wijzigt de kernenergiewetgeving in beperkte mate. De volledige herziening van de Kernenergiewet geschiedt daarom later.

Op grond van Europese richtlijnen moet elke EU-lidstaat ten minste om de tien jaar een zelfevaluatie uitvoeren en een internationale audit laten uitvoeren van de nationale nucleaire wet- en regelgeving en van de bevoegde regelgevende autoriteit. In november 2014 zal het Internationaal Atoomenergieagentschap deze zelfevaluatie en audit uitvoeren tijdens een «Integrated Regulatory Review Service (IRRS)». Op basis van het self assessment en de aanbevelingen en suggesties van het review team zullen verbeteringen worden doorgevoerd om de ANVS nog beter te laten voldoen aan de geldende internationale eisen. Ook zullen de nieuwe EU-richtlijnen over stralingsbescherming en nucleaire veiligheid worden geïmplementeerd.

Pallas

Het kabinet en de provincie Noord-Holland investeren elk maximaal € 40 mln in het project Pallas met als doel de realisatie van een nieuwe onderzoeksreactor in Petten. Deze bijdrage in de periode 2013–2017 is bedoeld voor het ontwerp, de aanbesteding en de vergunningprocedure van de reactor. Voor de realisatie van de onderzoeksreactor is in 2013 de onafhankelijke Stichting Voorbereiding Pallas-reactor opgericht. In 2015 verwacht de stichting het ontwerp van de onderzoeksreactor aan te besteden, een start te maken met het aanvragen van de nodige vergunningen en de strategie voor het verwerven van de benodigde financiering uit te werken op basis van een geactualiseerde business case. De bouw en exploitatie van de reactor moet volledig privaat met risicodragend kapitaal worden gefinancierd. Daarbij geldt dat de gemaakte kosten voor ontwerp, aanbesteding en vergunningprocedure door de private investeerders moeten worden terugbetaald.

Onderzoek en opdrachten

Dit betreft kleinere onderzoeksopdrachten – veelal met een looptijd van minder dan één jaar – die dienen ter ondersteuning van het energiebeleid en die veelal gericht zijn op beantwoording van één specifieke vraag (al dan niet op verzoek van de Tweede Kamer).

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Doorsluis Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) heffing

Het crisisbeleid op het gebied van de olievoorzieningszekerheid dient verstoringen in de olieaanvoer op te vangen. Door de Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) en het oliebedrijfsleven worden in opdracht van EZ strategische olievoorraden aangehouden in lijn met hetgeen hierover geregeld is in de Wet voorraadvorming aardolieproducten (Wva) 2012. De uitgavenreeks op de EZ-begroting betreft de doorsluis van de ontvangen voorraadheffingen naar de COVA. De voorraadheffing is een heffing ingesteld op aan accijns van minerale oliën onderworpen aardolieproducten. De heffing bedraagt momenteel € 8,– per 1.000 liter benzine en diesel en wordt door de Minister van Financiën geheven en ingevorderd door de Belastingdienst. De Minister van EZ keert de opbrengst van heffing uit aan de stichting COVA ter dekking van de operationele kosten en financieringslasten van de COVA.

Per 1 april 2013 is de Wva 2012 van kracht geworden en in lijn met de bepalingen in de nieuwe Wva 2012 is een verhoging van de voorraadheffing doorgevoerd. In deze wet is onder andere de EU Richtlijn 2009/119/EU over strategische aardolievoorraden geïmplementeerd.

TNO Adviesgroep Economische Zaken

Dit betreft een bijdrage aan TNO voor de adviestaak voortvloeiend uit de Mijnbouwwet en Mijnbouwregeling. De adviserende taak ligt op het vlak van het opsporen en winnen van delfstoffen (olie, gas en steenzout) en aardwarmte en het opslaan van stoffen in de (diepe) ondergrond van Nederland.

Bijdragen aan mede-overheden

Uitkoopregeling

Woningen die direct onder de hoogspanningslijnen staan van 220 en 380 kV verbindingen en 110 en 150 kV buiten de bevolkingskernen, komen in aanmerking voor uitkoop. Het Rijk stelt vanaf 2017 geld beschikbaar voor een vrijwillige uitkoopregeling onder de voorwaarde dat de betrokken gemeenten besluiten tot het verwijderen van de woonfunctie. De regeling heeft een looptijd van vijf jaar (TK, 31 574, nr. 29).

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Energie Onderzoekcentrum Nederland (ECN)/Nuclear Research Group (NRG)

Energie Onderzoekcentrum Nederland (ECN) ontwikkelt hoogwaardige kennis en technologie voor een efficiënte en duurzame energievoorziening en brengt deze naar de markt. Het onderzoeksprogramma van ECN is vraaggestuurd en wordt in overleg met de Topsector Energie vormgegeven. Het gaat hier om € 17 mln van de € 23,9 mln die voor ECN bestemd is. Daarnaast ondersteunt de kennisbasis en onafhankelijke positie van ECN de ontwikkeling en uitvoering van energiebeleid. Voor de Nuclear Research Group (NRG) betreft het onderzoeksactiviteiten op het gebied van de nucleaire veiligheid, radio-actief afval en stralingsbescherming. Centraal daarbij staat de ontwikkeling van kennis, producten en processen voor veilige toepassing van nucleaire technologie voor energie, milieu en gezondheid.

In de Visie op het toegepaste onderzoek is aangegeven dat het kabinet de TO2-instituten in de toekomst op kwaliteit en maatschappelijke impact van het onderzoek wil beoordelen. Daartoe vindt in 2015 een eerste evaluatie plaats. De begrippen klanttevredenheid en kennisbenutting en de wijze waarop die 2014 op uniforme wijze worden gemeten, zullen hier ook deel van uitmaken.

Diverse instituten

Nederland participeert in een aantal internationale organisaties of programma’s, die zich bezig houden met voorzieningszekerheid. Het gaat dan om het International Energy Agency (IEA), het Energy Charter Treaty (ECT), het International Energy Forum, het Gas Exporting Countries Forum en het Nederlands Polair Programma. Daarnaast is Nederland samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken en een aantal bedrijven partner in het Clingendael International Energy Programme (CIEP).

Nederland heeft aangeboden begin 2015 in Den Haag een ad hoc high level Energiehandvestconferentie te organiseren met het doel om daar een hernieuwde Energiehandvestverklaring vast te stellen. In april 2014 zijn, buiten de ondertekenaars van het Energiehandvest uit «91, meer dan 20 nieuwe landen tot de onderhandelingen over deze politieke verklaring toegetreden.

Toelichting op de ontvangsten

COVA

Betreft ontvangsten uit hoofde van de voorraadheffing COVA, zoals toegelicht bij de uitgavenpost «Doorsluis COVA heffing».

SDE+

De uitgaven van de SDE + subsidie worden gefinancierd via een opslag op de energierekening. Deze opslag is in 2013 ingevoerd

Aardgasbaten

De raming van de aardgasbaten voor 2014 en verder is gebaseerd op het meest recente scenario van het CPB uit de concept-Macro Economische Verkenning (concept-MEV). De volgende variabelen zijn hierbij relevant:

Verwachting 2014–2015
 

2014

2015

Productie aardgas totaal

Bron: TNO

68 mld m3

65 mld m3

Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,36

1,35

Olieprijs (dollar/vat)

Bron: CBS/CPB

108

107

Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

Bron: APX Endex

22

24

Kengetallen

2010

2011

2012

2013

1. Gewonnen volume aardgas kleine velden

Bron: TNO

32 mld m3

29 mld m3

28 mld m3

27 mld m3

2. Aantal boringen exploratie onshore en offshore

Bron: TNO

12

18

16

9

3. Aantal boringen productie onshore en offshore

Bron: TNO

35

39

19

18

4. Productie aardgas totaal

Bron: TNO

86 mld m3

79 mld m3

78 mld m3

85 mld m3

5. Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,33

1,39

1,28

1,33

6. Olieprijs (dollar/vat) Bron: CBS/CPB

79,5

111,3

111,7

108,7

7. Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

Bron: APX Endex

15,8

22,9

24,0

26,0

  • 1 t/m 4  In het kader van voorzieningszekerheid is het van belang dat het aardgas dat zich bevindt in de Nederlandse kleine velden ook wordt gewonnen. Dit omvat zowel het produceren van reeds ontdekte velden (kengetal 1,3 en 4) als het exploreren van nieuwe velden (kengetal 2). EZ stelt de randvoorwaarden middels een concurrerend mijnbouwklimaat, marktpartijen nemen de productie en exploratie voor hun rekening. Kengetal 1 geeft de totale hoeveelheid gewonnen gas uit kleine velden (onshore en offshore). Kengetal 4 geeft de totale aardgasproductie in Nederland weer, dus aardgas gewonnen uit kleine velden en het Groningerveld.
  • 5 t/m 7  De bepalende factoren voor de geraamde aardgasbaten zijn de aardgasprijs en het volume van de verkopen. De aardgasprijs is gerelateerd aan enerzijds de prijs van olie in dollars in combinatie met de euro/dollar-koers en anderzijds aan de prijs van gas die onafhankelijk van de olieprijs op de markt tot stand komt op onder andere gasbeurzen.

Interne begrotingsreserves

Stand interne begrotingsreserve per 31 december 2013 (x € 1.000)

 

Interne begrotingsreserve duurzame energie

225.007

Interne begrotingsreserve Geothermie

10.831

De interne begrotingsreserve voor duurzame energie is bestemd voor onbesteed gebleven middelen als gevolg van vertraging bij projecten waaraan reeds subsidie is toegekend en reeds verplichte projecten die niet tot uitvoering komen en door andere projecten moeten worden vervangen met het oog op het bereiken van de doelstelling. Via de reserve blijven de middelen beschikbaar tot het moment dat ze alsnog zullen worden uitbetaald. In 2013 is € 225 mln in de reserve gestort, waarvan € 59 mln afkomstig is uit de opslag duurzame energie.

De interne begrotingsreserve voor de garantieregeling Geothermie is bedoeld om het budget voor deze regeling meerjarig in te kunnen zetten en een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten en uitgaven op te vangen. Om gebruik te kunnen maken van de garantieregeling Geothermie betalen marktpartijen een premie aan de uitvoerder van de regeling (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) die wordt gestort in de interne begrotingsreserve.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Met de energie-investeringsaftrek (EIA) stimuleert EZ investeringen in energiebesparing in of bij bedrijfsgebouwen, processen en transportmiddelen, duurzame energie en energie-advies. Deze investeringen zijn deels aftrekbaar van de fiscale winst. Ten opzichte van het historisch verbruik of het gemiddeld gangbare energiegebruik bij nieuwbouw moeten investeringen in energiebesparing per jaar per geïnvesteerde euro een bepaalde hoeveelheid energie besparen. Alleen de nieuwste typen bedrijfsmiddelen komen hierdoor in aanmerking. De EIA stimuleert zo de marktintroductie van een nieuwe generatie efficiënte bedrijfsmiddelen. Om meer middelen beschikbaar te houden voor investeringen in energiebesparing en energie-efficiëntieverbetering in het bedrijfsleven, is in het Energieakkoord voor duurzame groei opgenomen dat de EIA-regeling zoveel mogelijk wordt gericht op investeringen in energiebesparing. Vanaf 2014 komen projecten die een SDE+ subsidie krijgen niet meer in aanmerking voor de EIA. Vanaf 2014 zijn in de SDE+-regeling iets hogere basisbedragen vastgesteld, omdat het voordeel van de EIA niet meer wordt meegerekend.

Bedragen x € 1 mln
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Energie-investeringsaftrek (EIA)

139

111

106

101

101

101

101

16 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Algemene doelstelling

EZ streeft naar internationaal toonaangevende, concurrerende, sociaal verantwoorde, veilige en dier- en milieuvriendelijke agro-, visserij- en voedselketens.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is verantwoordelijk voor:

Stimuleren

  • •  Het versterken van de positie van de Nederlandse agrarische en visserijketen en het stimuleren van groene economische groei via energie- en klimaatbeleid voor de landbouw.
  • •  Het stimuleren van een adequate en duurzame voedselvoorziening/voedselzekerheid en voedselkwaliteit op Europees en mondiaal niveau evenals het bijdragen aan het Europese en internationale landbouw- en visserijbeleid.

Regisseren

  • •  Het borgen van voedselveiligheid. Producenten en partijen uit de voedselketen zijn primair verantwoordelijk voor hun producten en productiewijze. Zij opereren op basis van normen en kaders die de overheid stelt en die goeddeels hun grondslag vinden in internationale, vooral Europese regelgeving. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor wetgeving voor voedselveiligheid, met uitzondering van wetgeving voor het slachten van dieren en het keuren en uitsnijden van vlees, waar de Minister van EZ verantwoordelijk voor is.
  • •  Het zeker stellen van goede gewasbescherming, evenals het borgen van plant- en diergezondheid en dierenwelzijn.

(Doen) uitvoeren

  • •  Het doen uitvoeren van een effectief mestbeleid ter realisatie van de doelstellingen uit de Europese Nitraatrichtlijn (91/676/EEG).
  • •  Het doen uitvoeren van adequaat veterinair en fytosanitair beleid.
  • •  De controle op en handhaving van de regels voor de veiligheid van voedsel in de primaire productie en slachterijfase.
  • •  Het handhaven van de regelgeving op gebied van dier- en plantgezondheid en dierenwelzijn.Het doen uitvoeren van kennisontwikkeling en financieren van innovatie ten behoeve van het groene domein.
  • • 

    Het doen uitvoeren van een gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid.

    Bij het verder vormgeven van het Europees Landbouwbeleid voor de periode 2014–2020 heeft de Minister de rol om de Nederlandse inbreng goed tot zijn recht te laten komen. In de Beleidsagenda en bijlage Europese geldstromen wordt hier nader op ingegaan.

Beleidswijzigingen

Op de volgende speerpunten en beleidswijzigingen wordt ingezet in 2015:

  • •  Gevolgen opheffen Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisaties (PBO’s) en samenvoegen keuringsinstellingen alsmede de consequenties hiervan in 2015. Uitvoering van taken op het gebied van diergezondheid en voedselveiligheid die in 2014 zijn overgenomen van de voormalige PBO’s. In dit verband wordt per 1-1-2015 de sectorbijdrage aan het Diergezondheidsfonds (DGF) door EZ geïnd op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd).
  • •  De implementatie en nationale uitvoering van het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) (TK 2013–2014, 28 625, nr. 194 en 32 201, nrs. 71 en 72).
  • •  In samenwerking met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking wordt gewerkt aan een actualisering van het gezamenlijke voedselzekerheidsbeleid. De beleidsbrief hierover zal naar verwachting in het najaar van 2014 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.
  • •  Wijziging van de Meststoffenwet per 1 januari 2015 voor implementatie van een stelsel voor verantwoorde groei van de melkveehouderij. Bedrijven met melkvee mogen de melkproductie uitbreiden, mits de groei van de mestproductie die hiervan het gevolg is gecompenseerd wordt met grond of volledig buiten de Nederlandse mestmarkt wordt afgezet. Het nieuwe stelsel vervangt de Europese melkquotering die per 1 april 2015 komt te vervallen.
  • •  Naar aanleiding van het onderzoek naar de risico’s in de vleesketen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid zal keuring en toezicht door de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) en de aanpak van fraude opnieuw worden bezien (TK 2013–2014, 26 991, nr. 418).
  • •  De uitvoering van de beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober 2013 (TK 2013–2014, 28 286, nr. 651) die ziet op de verbetering van dierenwelzijn, onder andere door inzet op vermindering van ingrepen, stimuleren van een maatschappelijk geaccepteerde fokkerij en het tegengaan van impulsaankopen.
  • •  De inrichting van een vergunningenstelsel voor dierproeven, inclusief de inrichting van de ZBO Centrale Commissie Dierproeven en het Nationaal Comité ter bescherming van dieren die worden gebruikt voor wetenschappelijke doeleinden.
  • •  In overleg met betrokken partijen wordt de uitvoering van de visie tuinbouw opgepakt. Doel hiervan is te komen tot samenwerkende tuinbouwketens die nationaal en internationaal toonaangevend zijn in concurrentiekracht en duurzaamheid (zie Beleidsagenda).
  • •  In 2014 is het IBO Agro afgerond. De kabinetsreactie op de resultaten hiervan zullen voor de begrotingsbehandeling 2015 naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

Beleidsinformatie

Kengetal

2010

2011

2012

2013

Ambitie

1. Maatschappelijke appreciatiescore

Bron:TNS/NIPO

   

7,5

7,6

7,7

2. Mate van vertrouwen consumenten in voedsel

Bron:NVWA monitor

3,4

3,4

3,2

3,4

3. % Handelssaldo agrarisch ten opzichte van totaal handelssaldo Nederland

Bron: LEI

57%

87%

58%

59%

 

Toelichting

  • 1.  De maatschappelijke appreciatiescore is een rapportcijfer voor de waardering van de Nederlandse samenleving voor de agrarische- en visserijsector, productiewijzen en de verwerking van agrofood en visproducten. Basis is periodiek door TNS/NIPO uitgevoerd onderzoek.
  • 2.  De NVWA meet op een schaal van 1–5 het vertrouwen van de consument in de veiligheid van voedsel. In 2012 is besloten de meting voortaan tweejaarlijks uit te voeren. Eind 2013 heeft er een meting plaatsgevonden. Als gevolg op de paardenvlees- en eierenfraude en enkele voedselincidenten in 2013, is de ambitie het licht gedaalde vertrouwen weer terug te brengen op de waarde van 2011.
  • 3.  De agrarische handel is van groot belang voor het positieve resultaat van het totale Nederlandse handelsoverschot. Het agrarisch handelsoverschot wordt vooral gerealiseerd door sierteeltproducten, vlees, zuivel, veevoeders, tabak en cacao.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

VERPLICHTINGEN

676.537

796.458

658.062

634.393

614.507

614.124

599.224

Waarvan garantieverplichtingen

37.707

121.789

131.869

131.571

132.031

133.145

133.145

UITGAVEN

666.001

656.585

585.628

539.687

505.568

492.139

484.196

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

77%

       
               

Subsidies

70.419

80.550

53.904

44.737

38.448

34.304

34.465

Duurzame veehouderij

15.318

5.197

7.483

10.292

6.064

401

401

Investeringsregeling duurzame stallen

10.565

1.476

3.211

4.446

2.932

   

Kleine en grote netwerken POP-Nieuwe Uitdagingen

459

948

1.176

       

Regeling fijnstofmaatregelen

 

1.453

1.820

4.707

2.008

   

Overig

4.294

1.320

1.276

1.139

1.124

401

401

Plantaardige productie

17.327

19.068

15.526

9.063

6.437

10.183

10.987

Duurzaamheids-investeringen Nieuwe Uitdagingen

1.931

2.819

4.975

5.100

5.100

5.400

5.400

Demoregeling Schoon en Zuinig

709

657

1.032

       

Investeringsregeling energiebesparing (IRE)

401

1.300

375

       

Marktintroductie energie innovaties (MEI)

13.689

13.689

8.749

3.689

1.289

4.735

5.539

Overig

597

603

395

274

48

48

48

Diergezondheid en dierenwelzijn

3.017

2.008

2.008

2.008

2.008

2.008

2.008

– Regeling in beslag genomen goederen

3.017

2.008

2.008

2.008

2.008

2.008

2.008

Visserij

8.774

5.939

7.483

6.499

7.300

5.300

5.300

Regelingen onder het nieuwe EFMZV

   

5.003

5.763

7.300

5.300

5.300

Overige (uitfinanciering regelingen onder EVF)

8.774

5.939

2.480

736

     

Cofinanciering GLB/GVB

 

2.500

         

Cofinanciering GLB/GVB

 

2.500

         

Agrarisch ondernemerschap

9.374

7.584

11.138

8.517

8.500

8.500

8.500

Flankerend beleid pelsdierhouders

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

Brede weersverzekering

1.471

1.350

6.650

6.500

6.500

6.500

6.500

Investeringsregeling Jonge Agrariërs

3.349

1.788

2.488

17

     

Demoregeling proefprojecten Gemeenschappelijk Landbouwbeleid

2.019

2.446

         

Overig

535

           

Agrarische innovatie

4.340

3.035

2.997

1.089

870

643

0

Samenwerking POP Nieuwe uitdagingen

591

1.340

1.400

       

Overig

3.749

1.695

1.597

1.089

870

643

 

Apurement

12.269

35.219

7.269

7.269

7.269

7.269

7.269

Regeling apurement

12.269

35.219

7.269

7.269

7.269

7.269

7.269

               

Garanties

27.119

24.000

22.500

19.500

16.500

13.500

7.300

Bijdrage begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

Verliesdeclaraties Borgstellingsfaciliteit

24.119

21.000

17.000

14.000

11.000

8.000

1.800

Garantstelling Marktintroductie Innovaties (GMI)

   

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

               

Opdrachten

146.812

158.333

134.903

119.571

115.962

115.581

114.231

Duurzame veehouderij

8.463

6.336

5.610

4.218

2.377

2.430

1.730

Mestbeleid

6.539

10.362

10.640

9.367

9.654

7.630

7.630

Plantaardige productie

4.541

2.022

1.739

1.880

1.872

3.157

3.157

Plantgezondheid

2.500

2.547

2.362

2.392

2.349

2.447

2.447

Diergezondheid en dierenwelzijn

10.011

13.019

10.104

10.649

10.603

9.571

9.571

Voedselveiligheid- en kwaliteit

7.137

8.400

4.917

4.988

4.776

4.975

4.975

Voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid

3.743

4.128

3.745

3.781

3.770

3.874

3.874

Visserij

1.923

1.438

1.180

1.199

1.193

1.248

1.248

Agrarisch ondernemerschap

4.655

2.402

2.364

2.402

2.391

2.500

2.500

Agrarische innovatie en overig

1.561

664

500

550

550

700

50

Kennisontwikkeling en innovatie

95.739

107.015

91.742

78.145

76.427

77.049

77.049

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

120.616

117.211

86.883

84.104

77.523

75.411

74.811

Medebewind en overige voormalige publieke PBO-taken

23.750

42.491

7.333

7.358

6.543

6.742

6.742

Dienst Landbouwkundig Onderzoek

94.819

73.069

75.816

73.045

67.314

65.016

65.016

Zon-MW (dierproeven)

 

105

1.880

1.880

1.880

1.880

1.880

College Toelating Gewasbeschermingssmiddelen en Biociden

2.047

1.546

1.037

1.004

969

956

356

Centrale Commissie Dierproeven

   

817

817

817

817

817

               

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

5.577

3.536

3.972

4.034

4.016

4.200

4.200

Diergezondheidsfonds

5.577

3.536

3.972

4.034

4.016

4.200

4.200

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

12.615

8.808

8.672

8.846

9.084

9.284

9.284

FAO en overige contributies

12.615

8.808

8.672

8.846

9.084

9.284

9.284

               

Bijdragen aan agentschappen

282.843

264.147

274.794

258.895

244.035

239.859

239.905

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

144.817

128.289

129.706

123.336

115.489

111.012

111.037

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

129.197

127.594

136.932

128.525

121.512

121.813

121.834

Dienst Landelijk Gebied

221

222

1.121

0

0

0

0

Rijksrederij

8.608

8.042

7.035

7.034

7.034

7.034

7.034

               

ONTVANGSTEN

329.393

375.871

313.058

307.360

299.529

294.428

286.335

Mestbeleid

6.324

7.209

7.209

7.209

7.209

7.209

7.209

Diergezondheid en dierenwelzijn

8.760

500

500

500

500

500

500

Voedselveiligheid en kwaliteit

288

430

430

430

430

430

430

Voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid

279.244

261.056

259.170

259.170

259.170

259.170

259.170

Visserij

6.265

4.993

4.993

4.993

4.993

4.993

4.993

Agrarische innovatie en overig

671

           

Kennisontwikkeling en innovatie

15.902

12.914

12.363

12.233

12.233

12.233

12.233

Garanties (provisies)

2.300

1.800

1.800

1.800

1.800

1.800

1.800

Agentschappen

483

0

0

0

0

0

0

Begrotingsreserves

9.156

86.969

26.593

21.025

13.194

8.093

0

Budgetflexibiliteit

Het budget 2015 is voor circa € 451 mln (77%) juridisch verplicht. Dat komt met name door de verplichtingen die rusten op op het onderdeel Kennis (meerjarige programma’s van de Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) en wettelijke onderzoekstaken van DLO). Ook voor het onderdeel Agentschappen zijn de verplichtingen al in het voorafgaande jaar aangegaan.

De feitelijke budgetflexibiliteit is veel lager omdat naast de zaken die al juridisch zijn aangegaan er politieke en bestuurlijke toezeggingen liggen die nog tot een juridische verplichting gaan leiden.

Subsidies: Van het beschikbare budget 2015 is circa 71% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van tot en met 2014 aangegane verplichtingen op subsidieregelingen.

Garanties: Bijdrage aan de begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit is geraamd op basis van meerjarig structureel benodigd budget. De verliesdeclaratie 2015 betreft een raming van de verplichte betalingen aan banken voor bedrijven die niet meer aan hun betalingsverplichtingen kunnen voldoen.

Opdrachten: Van het budget 2015 is circa 80% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van verplichtingen die tot en met 2014 zijn aangegaan.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Betreft bijdragen aan vooral DLO (Kennisbasis, Wettelijke taken) en aan PBO’s voor uitvoering van de EU-regelingen op basis van de «Regeling medebewind Gemeenschappelijk Landbouwbeleid» van 28 september 2006. Door de afspraak in het regeerakkoord tot opheffing van de PBO’s zijn deze taken in 2014 overgegaan naar EZ. Het budget voor 2015 is voor 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van het opdrachtenpakket voor 2015 aan de NVWA, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), de Dienst Landelijk Gebied (DLG) en de Rijksrederij, inclusief de kosten van uitvoering van EU-regelingen. Op basis van het offertetraject is het budget voor 2015 100% juridisch verplicht.

Toelichting op de financiële instrumenten

Duurzame veehouderij

De inzet van EZ voor de veehouderij is gericht op een transitie naar een toekomstbestendige duurzame en maatschappelijk gewaardeerde veehouderij in 2020. In de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij (UDV) (TK, 2008–2009, 28 973, nr. 34) zijn de uitdagingen en speerpunten beschreven. Een belangrijk aspect van verduurzaming wordt gevormd door de stal(systemen) waarin dieren worden gehouden.

Door de partners in de UDV is afgesproken dat vanaf 2015 elke ondernemer bij nieuwbouw duurzaamheidstappen zet, waarbij de plusstal geldt als basisniveau voor verduurzaming in de veehouderij. Plusstallen scoren op de belangrijkste duurzaamheidaspecten (dierenwelzijn, milieu, energie, ammoniak) boven het huidige wettelijke niveau.

Daarnaast kunnen ondernemers kiezen voor de realisatie van integraal duurzame stallen die voldoen aan verdergaande duurzaamheidseisen. Het betreft stallen die voldoen aan de Maatlat Duurzame Veehouderij, Milieukeur en andere geborgde ketenconcepten, biologisch en de voorwaarden van de opengestelde Investeringsregelingen duurzame stallen. De voortgang wordt jaarlijks door Wageningen UR in kaart gebracht in de Monitor duurzame stallen. Deze monitor wordt jaarlijks naar de Tweede Kamer gezonden.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2015

Streef-waarde

Planning

Bron

Percentage integraal duurzame stallen

0%

2008

12%

12%

2015

WUR

Subsidies

De begrote bedragen betreffen alleen uitfinanciering op eerdere openstellingen van de subsidieregelingen duurzame stallen, kleine en grote netwerken, fijnstofmaatregelen, beroepsopleiding en voorlichting, meetprogramma duurzame stallen, de beëindigings- en saneringregeling en de subsidieregeling stimulering biologische productie (SSBP).

Opdrachten

Het budget heeft betrekking op opdrachten en bijdragen aan derden die ondersteunend zijn voor de beleidsontwikkeling en -uitvoering, zoals projecten op het gebied van intensieve veehouderij en biologische landbouw en de SBIR’s duurzame stallen, uitrijden van dierlijke mest en voer- en managementmaatregelen.

Mestbeleid

Het mestbeleid heeft als doel de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater te verbeteren, zodanig dat in heel Nederland het grondwater maximaal 50 mg nitraat per liter bevat en de vergroting van de voedselrijkdom van oppervlaktewater voorkomen of verminderd wordt. Om dat doel te bereiken, is het gebruik van meststoffen gereguleerd via het stelsel van gebruiksnormen en gebruiksvoorschriften (zoals neergelegd in het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn). Ondersteunend daaraan wordt de hoeveelheid mest die kan worden geproduceerd gereguleerd via het stelsel van varkens- en pluimveerechten. Agrarische ondernemers met een mestoverschot op bedrijfsniveau zijn sinds 1 januari 2014 verplicht een deel van dat overschot te verwerken en buiten de Nederlandse landbouw te brengen. Tevens wordt de invoering van een stelsel voor verantwoorde groei in de melkveehouderij voorbereid.

Indicator

Referentie-waarde 1

Peildatum

Raming 2015

Streef-waarde

Planning

Bron

1. Realisatie normen fosfaat

71 mln kg

2002

0 mln kg

Evenwicht

2015

CBS

2. Realisatie normen stikstof

421 mln kg

2002

325 mln kg

325 mln kg

2017

CBS

Noot 1: Bodemoverschot op nationaal niveau. Bron: CBS Statline (2002).

Toelichting

De indicatoren zijn een maat voor dat deel van de mineralen op landbouwgronden dat niet opgenomen wordt door landbouwgewassen en potentieel kan uitspoelen naar grond- en oppervlaktewater. Evenwicht als streefwaarde betekent dat er niet meer fosfaat op het land wordt gebracht dan door landbouwgewassen opgenomen wordt, inclusief een onvermijdelijk verlies van 5 kilogram fosfaat per hectare. Het nationaal stikstofoverschot omvat ook verliezen door vervluchtiging.

Opdrachten

De bedragen onder Mestbeleid hebben voor het grootste deel betrekking op de financiering van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid, waarbinnen monitoring plaatsvindt van de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater op landbouwbedrijven om het effect van het mestbeleid te kunnen evalueren en te kunnen voldoen aan de monitoringsverplichtingen van de Europese Commissie.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen de boete-inkomsten in het kader van de handhaving van het mestbeleid en de bijdrage van agrarische bedrijven aan de kosten van het derogatiemeetnet binnen het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid.

Plantaardige productie

De Nederlandse plantaardige sector staat wereldwijd bekend om de kwaliteit van productie en productietechnologie voor voedings- en siergewassen. Plantenveredeling en duurzame intensivering van de teelt zijn van fundamenteel belang voor het vergroten van (mondiale) voedselzekerheid en concurrentiekracht van de betrokken sectoren.

In de beleidsbrief tuinbouw (TK 2013–2014, 32 627, nr. 14) is aangegeven dat nieuwe verdienmodellen noodzakelijk zijn om het perspectief van de tuinbouw te versterken. Dat is primair een opgave voor het bedrijfsleven zelf. De overheid wil dat stimuleren. In de beleidsbrief tuinbouw zijn voor de tuinbouw ambitieuze klimaat- en energiedoelen gesteld, die de komende jaren met een nieuwe Meerjarenafspraak met bijbehorende versnellingsplannen (zowel voor energiebesparing als aardwarmte én benutting van regionale energiekansen) uitgewerkt gaan worden. Ook voor de andere landbouwsectoren zal het herijkte convenant Schone en Zuinige Agrosectoren uitgevoerd gaan worden door het maken van afspraken over het realiseren van ambitieuze doelen ten aanzien van energiebesparing, productie van duurzame energie en reductie van de uitstoot van broeikasgassen.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2015

Streef-waarde

Planning

Bron

Totale CO2-emissie glastuinbouw

Circa 7,5 Mton

2013

7,3 Mton

6,2 Mton

2020

LEI

Energie-efficiency index

voedings- en genot-middelenindustrie (VGI)

100%

2005

84%

70%

2020

RVO

Toelichting

De indicatoren geven inzicht in de voortgang van de verduurzaming op energie- en klimaatgebied van deze twee sectoren.

Subsidies

De volgende subsidie-instrumenten worden ingezet:

  • •  De Investeringsregeling Milieuvriendelijke Maatregelen (IMM), waarin de Investeringsregeling Energiebesparing (IRE) is opgegaan. De regeling is bedoeld om met toepassing van innovatieve (teelt)technieken het gebruik van fossiele brandstoffen te verminderen en te verduurzamen en een efficiënt energiegebruik in de glastuinbouw te bevorderen.
  • •  De regelingen Marktintroductie Energie Innovaties (MEI), Demonstratieregeling Schoon en Zuinig en Set-aside. Dit betreft de uitfinanciering van eerdere openstellingen.

Afhankelijk van de definitieve besluitvorming over het GLB over de periode 2014–2020 zal worden bezien in hoeverre voor de verduurzaming van de plantaardige productie investeringen in precisielandbouw kunnen worden gestimuleerd met Europese middelen.

Opdrachten

Het budget heeft betrekking op (onderzoeks)opdrachten op het gebied van de innovatieagenda energie en energietransitie in de glastuinbouw.

Plantgezondheid

Een hoogwaardige kwaliteit en een hoog plantgezondheidsniveau en plantaardige producten zijn voor de Nederlandse concurrentiekracht van groot belang. Belangrijke speerpunten zijn het voorkomen van de in- en uitsleep van plantenziekten in Nederland (bijvoorbeeld door op te stellen convenant Preventie en Risicobeheer Plantgezondheid) en de bevordering van markttoegang voor Nederlands uitgangsmateriaal en plantaardige producten door gerichte inzet in prioritaire landen. Daarnaast worden de Nederlandse belangen ingebracht in de Europese Commissievoorstellen voor de Verordeningen op het gebied van Plantgezondheid en Teeltmateriaal. Ten aanzien van het verminderen van de milieulast van gewasbeschermingsmiddelen is de beleidsnota duurzame gewasbescherming 2013–2023 «Gezonde groei, duurzame oogst» (TK, 2012–2013, 27 858 nr. 146) het kader.

Opdrachten

Bij de opdrachten ligt de nadruk op het faciliteren van toelating en gebruik van laag risicomiddelen en basisstoffen via Green Deal en via EU-spoor, het stimuleren van toelatingen voor kleine toepassingen via het Fonds kleine toepassingen en de inzet voor het EU-coördinatiepunt van kleine toepassingen.

Diergezondheid en dierenwelzijn

Aandacht voor dierenwelzijn en -gezondheid van landbouwhuisdieren is van belang voor een sterke duurzame veehouderij en komt tegemoet aan de toenemende belangstelling vanuit de samenleving voor de veehouderij. Tevens neemt de aandacht voor gezondheid en welzijn van gezelschapsdieren en paarden toe. EZ richt zich op de bevordering van verbetering van dierenwelzijn door uitvoering te geven aan de beleidsbrief dierenwelzijn, vroegtijdige signalering en vermindering van mishandeling en verwaarlozing en het verbeteren brandveiligheid van veestallen.

Indicator

Referentie

waarde

Peildatum

Raming 2015

Streefwaarde

Planning

Bron

EU-OIE vrije status

7

2009

7

7

Jaarlijkse vaststelling

EU en OIE

Toelichting

Dierziektenvrije status; deze indicator geeft het aantal ziekten weer, waarvoor Nederland een officiële EU en/of OIE dierziektenvrije status heeft.

Subsidies

Betreft de Regeling In beslag genomen goederen. Dit is een vergoeding voor kosten van opvang van in beslag genomen dieren.

Opdrachten

Het budget voor opdrachten wordt ingezet voor de volgende activiteiten:

  • •  Uitvoeren van de actiepunten uit de beleidsbrief Dierenwelzijn (TK, 2013–2014, 28 286 nr. 651).
  • •  Bijdrage aan de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming voor handhavingsactiviteiten op terrein gezelschapsdieren en het Landelijke Informatie Centrum Gezelschapsdieren (LICG) voor communicatie- en voorlichtingsdoeleinden.
  • •  Bijdrage aan het CIBG (VWS) voor het in stand houden van het register van diergeneeskundigen.
  • •  Voorlichting en communicatie over de preventie van dierziekten en diergezondheid.
  • •  Early warning, monitoring en bewaking van dierziekten en zoönosen. Door onder andere bijdragen aan de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD), het Dutch Wildlife Health Centre (Universiteit Utrecht).
  • •  Het aanhouden van een crisisorganisatie bij de GD waardoor direct gekwalificeerd personeel beschikbaar is om de NVWA te assisteren bij verdenkingen.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben vooral betrekking op op overtreders verhaalde kosten en dwangsommen die worden opgelegd in het kader van de handhaving van de Gwwd.

Voedselveiligheid en voedselkwaliteit

Naar aanleiding van het rapport van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OvV) dat in 2014 is verschenen, is een groot aantal acties in gang gezet om de risico’s in de vleesketen beter te borgen. Deze worden in 2015 verder uitgewerkt en geïmplementeerd. Het betreft zowel fraude met als veiligheid van vlees. EZ geeft mede vorm aan anticiperen op en monitoren van mogelijke risico’s op het gebied van voedselveiligheid en -integriteit.

In 2015 wordt de nieuwe koers ten aanzien van voedselkwaliteit doorgezet, op basis van de beleidsbrief die op 11 juli 2013 aan de Tweede Kamer is gestuurd (TK, 31 532, nr. 118).

Indicator

Referentie-waarde

Peil datum

Raming 2015

Streefwaarde

Planning

Bron

1. Mate van afname van antibiotica-gebruik in de dierhouderij

Antibiotica-gebruik in 2009

2009

70%

70% reductie (t.o.v. 2009)

2015

SDa

2. Nalevingsniveau HACCP-verplichting

80%

April 2009

88%

90%

2018

NVWA

Toelichting

  • 1.  Het betreft de reductie van het antibioticagebruik in de dierhouderij ten opzichte van 2009.
  • 2.  Het betreft de gemiddelde naleving van slachterijen, uitsnijderijen en koel- en vrieshuizen van de wettelijke verplichting om een zogenaamd HACCP-systeem op alle onderdelen op de juiste wijze toe te passen.

Opdrachten

Het budget voor opdrachten heeft onder andere betrekking op:

  • •  Diverse projecten terugdringing antibioticagebruik.
  • •  Herziening van Europese regels voor vleeskeuring en (risicogebaseerd) toezicht in de pluimveesector (zogenaamde Hygiënepakket).
  • •  Monitoring van alimentaire zoönosen (zoals salmonella).
  • •  Versoepeling van beheersingsmaatregelen op het gebied van TSE/BSE.
  • •  Informatievoorziening aan consumenten over voedselveiligheid, voedselkwaliteit en voedselverspilling via Voedingscentrum Nederland.
  • •  Verduurzaming van de voedselproductieketens, in samen werking met de Alliantie Verduurzaming Voedsel.
  • •  Integrale aanpak van voedselverspilling, in samenwerking met de topsectoren Agri & Food en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen.
  • •  Aanpassing van regelgeving gericht op een veilige en duurzame toepassing van nieuwe technologieën in de agrosector, zoals ggo’s.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen de bijdrage van de private laboratoria om een erkenning via het Centraal Veterinair Instituut (CVI) te krijgen om BSE- en TSE testen te mogen uitvoeren.

Voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid

Nederland hoort bij de grootste agro-exporteurs van de wereld. Vele voedselbedrijven hebben in Nederland hun onderzoeks- en innovatieafdelingen en met Wageningen UR hebben we een toonaangevende landbouwuniversiteit en -onderzoekscentrum in huis. Nederland heeft de verantwoordelijkheid en de mogelijkheid om een belangrijke bijdrage te leveren aan de uitdaging om op duurzame wijze de voedselproductie in de wereld te verhogen. Het Nederlandse bedrijfsleven is hiervoor als eerste verantwoordelijk, maar EZ speelt een actieve rol bij het ondersteunen van ondernemers in hun internationale ambities en werkt daarbij nauw samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Op 2 april 2014 (TK, 28 625, nr. 189) is de Kamer geïnformeerd over de invulling van de tweede pijler van het GLB, in het Nederlandse Plattelandsontwikkelingprogramma 2014–2020 (POP3), met cofinanciering door provincies en Rijk.

Opdrachten

Het budget voor opdrachten wordt ingezet voor de volgende activiteiten:

  • •  Internationale programma's van de topsectoren Agro&Food en Tuinbouw en Uitgangsmateriaal die zich richten op het versterken van de landbouwsector in ontwikkelende en ontwikkelingslanden.
  • •  Bevorderen van Climate Smart Agriculture via de Alliance for Climate Smart Agriculture en het faciliteren van concrete initiatieven hierin, onder andere op het gebied van kennisvia de Global Research Alliance en diverse Europese initiatieven. Daarnaast streeft EZ, in samenwerking met de topsectoren naar duurzame veehouderijontwikkeling, verbeterde bodemvruchtbaarheid, versterking van de zaadsector in ontwikkelingslanden en verbetering van gewasbeschermingssystemen.
  • •  Inzet in de Joint Programming Food Security, Agriculture and Climate Change (JPI-FACCE). In 2015 worden de eerste resultaten verwacht van de call over Climate Smart Agriculture, gaat de call over bio-economy lopen en wordt een nieuwe call rond de thematiek van broeikasgassen ontwikkeld.
  • •  Het uitvoeren van de tijdens de Global Oceans Action Summit afgesproken activiteiten en aan nieuwe publiek-private partnerschappen om de bijdrage van de oceanen aan voedselzekerheid en duurzame economische groei te versterken.
  • •  Samenwerking met transitielanden en ontwikkelingslanden op het gebied van voedselzekerheid.
  • •  Voorbereidingswerkzaamheden voor het GLB.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen voor het grootste deel (€ 253 mln) door de Douane opgelegde landbouwheffingen op import van landbouwproducten in Nederland. Daarnaast zijn er (forfaitaire) ontvangsten op basis van de aan boeren opgelegde sancties in het kader van GLB-inkomenssteun en door het betaalorgaan van bedrijven ingehouden waarborgsommen voor verleende exportrestituties die ten onrechte zijn uitgekeerd.

Visserij

In 2014 is het nieuwe GVB in werking getreden. Dit nieuwe beleid richt zich op een verdergaande verduurzaming van de visserijsector. EZ wil bij de benodigde omschakeling zoveel mogelijk faciliteren. Hiervoor kan Nederland het nieuwe Europese Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) inzetten. Nieuw ten opzichte van het huidige Europees Visserijfonds (EVF) is dat het EFMZV ook de fondsen voor datacollectie en controle en de uitgaven voor het Geïntegreerd Maritiem Beleid omvatten. Op 4 april 2014 en op 24 juni 2014 is de Kamer geïnformeerd (TK 2013–2014, 32 201, nrs. 71 en 72) over de hoofdlijnen van het operationele programma van het EFMZV.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2015

Streef-waarde

Planning

Bron

1. Voorzorgsniveau Schol

205.000 ton

2005

735.330 ton

230.000 ton

Geen einddatum

ACOM

2. Voorzorgsniveau Tong

41.000 ton

2005

48.151 ton

35.000 ton

Geen einddatum

ACOM

Toelichting

Het voorzorgsniveau betreft de omvang van een visbestand dat nodig is om de soort duurzaam in stand te houden. Aangezien de omvang van een visbestand mede afhankelijk is van natuurlijke fluctuaties, is in Europees verband geen einddatum vastgelegd.

Subsidies

Naar verwachting zal de Europese Commissie het Operationeel Programma van Nederland begin 2015 goedkeuren. In 2015 zal een start worden gemaakt met de uitvoering van het Operationeel Programma en zullen openstellingen plaatsvinden gericht op innovaties en investeringen voor de aanlandplicht, ter verduurzaming van het visserijcluster en voor de rendementsverbetering in de visserij en aquacultuur.

Opdrachten

Het budget heeft betrekking op opdrachten aan derden die ondersteunend zijn voor de beleidsontwikkeling op visserijgebied.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben met name betrekking op de geïnde leges van afgegeven visserij-vergunningen (vooral mosselpercelen).

Agrarisch ondernemerschap

Vergroting van het concurrentievermogen is essentieel voor het agrocomplex. Het beleid is gericht op goed en duurzaam presterende agrarische ondernemers.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2015

Streef-waarde

Planning

Bron

Verhouding duurzame – totale investeringen

27%

2012

24,5%

30%

2015

LEI

Toelichting

Van de € 3,3 mld (gemiddeld bedrag aan investeringen over de afgelopen jaren) aan agro-investeringen wordt ingezet op circa € 0,9 mld aan duurzame investeringen (27%). Duurzame investeringen omvatten investeringen in duurzame productiemiddelen zoals bedrijfsgebouwen, glasopstanden en installaties. De bijstelling van de duurzaamheidsindicator naar 24,5% procent (begroot in 2014 20%) komt vooral door investeringen in de melkveehouderij en akkerbouw.

Door de daling van investeringen in de glastuinbouw en de kans op het wegvallen van duurzame investeringen in de pluimvee- en varkenshouderij kunnen de totale duurzame investeringen zakken.

Subsidies

Het betreft hier de jaarlijkse storting in de reserve borgstellingsfaciliteit voor de toekomstige uitkoop van de pelsdierhouders. Daarnaast wordt de subsidieregeling Brede Weerverzekering opengesteld, waarmee de beschikbaarheid van brede verzekeringen tegen weerschade in de open teelten wordt gefaciliteerd. Bij de regeling Jonge agrariërs gaat het om de uitfinanciering van eerdere openstellingen.

Opdrachten

Het budget heeft betrekking op de inzet ten behoeve van het Programma Internationale Agrarische samenwerking (PIA).

Agrarische innovatie en overig

In de innovatieve projecten ligt de focus op de nieuwe uitdagingen van het GLB: klimaat, hernieuwbare energie, water en biodiversiteit.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2015

Streef-waarde

Planning

Bron

Percentage innoverende agrarische bedrijven

11,6%

2006

10%

10%

2016

LEI

Toelichting

Dit betreft het percentage van de bedrijven weer dat product- of procesinnovaties heeft doorgevoerd. Het gaat hierbij zowel om bedrijven die als eerste bedrijf iets nieuws hebben doorgevoerd als om innovatieve volgers (vroege volgers).

Subsidies

De begrote bedragen betreffen de uitfinanciering op de subsidieregelingen Samenwerking bij innovatie, VAMIL-compensatie25 en Functionele Agrobiodiversiteit.

Opdrachten

Het budget betreft opdrachten ten behoeve van het uitvoeren van evaluaties en de projectbijdrage aan het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK).

Kennisontwikkeling en innovatie

Bij kennisontwikkeling en innovatie gaat het om toepassingsgericht onderzoek:

  • 1.  voor de agenda’s van de topsectoren Agri&Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen en
  • 2.  ter ondersteuning van beleidsontwikkeling en politieke besluitvorming.

Indicator

Referentie-waarde

Peil

datum

Raming 2015

Streef-waarde

Planning

Bron

1 Vraagsturing van groen onderzoek door maatschappelijke actoren (beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties)

80%

2012

>80%

>85%

2020

PROSU

2 Kennisbenutting door beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties

85%

2012

>85%

>85%

2020

PROSU

Toelichting

  • 1.  In 2012 betrof het voor 48% van de projecten vraagsturing door (nationaal) beleid en voor 32% vraagsturing door maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven. In andere gevallen was er sprake van indirecte vraagsturing bijvoorbeeld een vraag volgend op voorafgaand onderzoek.
  • 2.  In 2015 wordt gestart met een uniforme meting van klanttevredenheid en kennisbenutting voor de zes TO2-instituten.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

Ambitie

Aantal innovatienetwerken en bedrijfsprojecten groene sector gestart met bijdrage uit publieke middelen

 

115

 

155

131

160

Toelichting

Betreft totaal van de regelingen Samenwerking bij innovatie, Nieuwe uitdagingen GLB en Innovatienetwerken.

Opdrachten

Accenten die in 2015 worden gelegd zijn onder andere de internationale markt en handelstoegang in relatie tot veterinaire en fytosanitaire problematiek, onderbouwing van het vijfde Actieprogramma van de Europese Nitraatrichtlijn, de relatie volksgezondheid en intensieve veehouderij, waarborgen voedselveiligheid en diergezondheid, welzijn van landbouwhuisdieren en gezelschapsdieren, biodiversiteit, platteland en omgeving, het Deltaprogramma en voedselzekerheid.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben betrekking op terugontvangen rente en aflossing van DLO-instellingen en diverse ontvangsten samenhangend met de onderzoeksfinanciering.

Apurement

Subsidies

Voor financiële correcties door de Europese Commissie op door Nederland ingediende declaraties bij Europese Fondsen, voortvloeiend uit de zogenaamde apurementprocedure is een interne begrotingsreserve ingesteld. De hoogte van deze correcties is vooraf moeilijk in te schatten, daarom wordt jaarlijks een bedrag in de begrotingsreserve gestort om deze op peil te houden om toekomstige correcties uit te kunnen betalen.

Garanties

EZ verleent steun aan bedrijven in de primaire sector (agrariërs en vissers) door het verstrekken van garanties op leningen voor investeringen. Hierdoor wordt de financiering mogelijk gemaakt van investeringen die in de markt, vanwege een tekort aan zekerheden niet tot stand komen. Tegelijkertijd wordt er met deze faciliteit een extra stimulans gegeven aan de verduurzamingsopgave van de primaire sector. Jaarlijks vindt er, naast de premieontvangsten van € 1,8 mln, een storting plaats van € 3 mln in de begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit om de begrotingsreserve op peil te houden, zodat verliesdeclaraties van uitstaande garanties onder de Garantieregelingen Landbouw en Landbouw-plus opgevangen kunnen worden.

Onder voorbehoud van goedkeuring van de maatregel door de Europese Commissie, wordt in 2015 de Garantieregeling Marktintroductie Innovaties (GMI) opengesteld. Door deze garantie worden koplopers in de primaire sector gestimuleerd in risicovolle, maatschappelijk gewenste innovaties te investeren. Voor deze regeling wordt vanaf 2015 jaarlijks € 2,5 mln in de begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit gestort.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen inkomsten uit door agrariërs betaalde provisies voor door het ministerie afgegeven garantstellingen aan banken.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Medebewind en overige voormalige publieke PBO-taken

Deze post betreft tot 2014 de uitvoering van de medebewindstaken door de PBO’s voor het GLB. In 2014 zijn de publieke taken van de PBO’s overgaan naar de centrale overheid. Het begrote bedrag is onder meer bestemd voor uitfinanciering medebewindstaken, transitiekosten voor inbedding voormalige PBO’s in de EZ organisatie en afvloeiingskosten van medebewindspersoneel dat al vóór de opheffing boventallig is verklaard.

Dienst Landbouwkundig Onderzoek

Dit betreft zowel funderend onderzoek als wettelijke onderzoekstaken. Kaderstellend voor het funderend onderzoek is het eind 2014 te publiceren Strategisch Plan Wageningen UR (2015–2018). In dit plan wordt de (middel)lange termijnontwikkeling beschreven van expertisevelden nodig voor de publieke taken ten behoeve van het Nederlandse agro-food complex en de groene ruimte in een nationaal en een internationaal perspectief. Wettelijke onderzoekstaken vloeien voort uit (inter)nationale wetten, verordeningen en verdragen. In 2014 is gewerkt aan vernieuwing van de afspraken over de wettelijke onderzoekstaken voor de besmettelijke dierziekten, de voedselveiligheid en de genenbanken op basis van uitgevoerde evaluaties.

ZonMW dierproeven

Het betreft budget voor ZonMW voor ontwikkeling en uitvoering van alternatieven voor dierproeven.

College Toelating Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (Ctgb)

Het betreft de EZ-opdrachten aan het Ctgb, met name op het gebied van beleidsadvisering.

Centrale Commissie Dierproeven (CCD)

De CCD verstrekt vergunningen voor het mogen verrichten van dierproeven.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Dit betreft de EZ-bijdrage aan de DGF-begroting voor de monitoring en bestrijding van bestrijdingsplichtige dierziekten. Hieruit worden onder andere de monitoring van de bestrijdingsplichtige dierziekten, het aanhouden van een calamiteitenreserve bij destructiebedrijf Rendac en het voorraadbeheer van vaccins voor bestrijding dierziekten bekostigd.

Bijdragen aan agentschappen

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

De bijdrage aan de NVWA is onder andere bestemd voor de uitvoering en het toezicht op het gebied van dier- en plantgezondheid, dierenwelzijn, diervoeders, diergeneesmiddelen, dierlijke bijproducten, dierproeven, mestregelgeving en de veiligheid van voedsel en consumentenproducten.

Met het in begin 2014 met de Tweede Kamer overeengekomen Plan van Aanpak NVWA (TK 2013–2014, 33 835 nr. 1) wordt de komende jaren prioriteit gelegd bij versterking van het toezicht op vijf domeinen (vee en vlees, exportcertificering, plantaardig, tweedelijnstoezicht zuivel en consument & veiligheid). Het budget dat voor de NVWA beschikbaar is, is hiervoor meerjarig verhoogd. Belangrijk onderdeel van het Plan van Aanpak NVWA is ook de herbezinning op de inrichting van het systeem van keuring en toezicht. Deze herbezinning is momenteel in volle gang en wordt voor een belangrijk deel gevoed door het rapport «Risico’s in de vleesketen» van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OvV). De kabinetsreactie op het OvV-rapport, waarin herbezinning is geïncorporeerd, is op 10 juni 2014 gegeven (TK, 2013–2014, 26 991, nr. 418).

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO)

De bijdrage aan de RVO is onder andere bedoeld voor de uitvoering van zijn taak als Europees betaalorgaan. Vanwege deze status kan de RVO Europese subsidies uitbetalen, bijvoorbeeld de bedrijfstoeslagregeling (BTR). Naast de Europese voert de RVO ook nationale subsidieregelingen uit, zoals de regelingen voor innovaties, energiebesparing en voor investeringen in duurzaamheid. Voorts worden taken uitgevoerd betreffende identificatie en registratie van dieren en het mestbeleid. Daarnaast verleent de RVO bepaalde vergunningen voor agrarische ondernemers en voor bezit en handel in beschermde plant- en diersoorten. Verder fungeert de RVO als thuishaven voor het landbouwradennetwerk.

In 2015 zal een aantal onderwerpen en taken worden toegevoegd aan het werkpakket van de RVO. Dit zijn de in medebewind gegeven taken en de autonome publieke taken van de (voormalige) PBO's en de visserij-uitvoeringstaken die overkomen vanuit het beleidsdepartement.

Conform de toezegging in de brief van 21 januari 2013 (TK, 33 400 XIII, nr. 66) zijn de begrote uitvoeringskosten in 2015 zo veel mogelijk in lijn gebracht met het geoffreerde opdrachtenpakket uit de agentschapsparagraaf. Momenteel zijn de gevolgen van de invoering van het nieuwe GLB en GVB en de transitiekosten in verband met de overdracht van PBO-taken echter nog niet volledig te overzien. Mutaties in de uitvoeringskosten van de RVO die hieruit voortvloeien zullen in de Voorjaarsnota 2015 worden verwerkt.

Dienst Landelijk Gebied (DLG)

De bijdrage aan DLG is voor inzet op een aantal beleidsterreinen, waar behoefte is aan innovatie en vernieuwende gebieds- en bedrijfsconcepten. Dit geldt voor de terreinen mestbeleid, glastuinbouw, gemeenschappelijk landbouwbeleid en internationaal beleid en voor het GIS Competence Centre.

Rijksrederij

De bijdrage aan de Rijksrederij is bestemd voor de inzet van schepen en bemanning voor het uitvoeren van taken op het gebied van visserijonderzoek en het beheer en de inspectie voor natuur en visserij.

Interne begrotingsreserves

Naast het reguliere financiële instrumentarium zijn er begrotingsreserves. Hier kan ten behoeve van artikel 16 geld uit worden onttrokken. Ook kan vanuit artikel 16 hierin geld gestort worden (voeding). Door middel van de begrotingsreserves worden uitgaven opgevangen die jaarlijks sterk in omvang kunnen variëren.

Stand interne begrotingsreserves per 31 december 2013

(x € 1.000)

313.572

Interne begrotingsreserve Landbouw

57.257

Interne begrotingsreserve Visserij

20.459

Interne begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit

58.064

Interne begrotingsreserve Apurement

177.792

  • •  Met de interne begrotingsreserve Landbouw wordt stabiliteit en zekerheid gecreëerd voor de uitfinanciering van omvangrijke en sterk fluctuerende transitie-uitgaven voor verduurzaming en innovatie in de landbouwsector. Het betreft uitgaven voor al aangegane verplichtingen onder andere op het terrein van energietransitie in de tuinbouwsector, jonge agrariërs, duurzame stallen, duurzaamheidsinvesteringen, fijnstofmaatregelen en de VAMIL-compensatieregeling.
  • •  De interne begrotingsreserve Visserij is bestemd voor de nationale cofinanciering die benodigd is voor de uitfinanciering van programma’s die onder het EVF worden uitgevoerd.
  • •  De interne begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit is bedoeld om de verliesdeclaraties te betalen naar aanleiding van garantstellingen aan banken waarmee innovatieve en duurzame investeringen in de landbouw en visserij worden gefaciliteerd. De komende jaren wordt rekening gehouden met een omvangrijk bedrag aan uit te keren verliesdeclaraties, waardoor de begrotingsreserve aanzienlijk in omvang zal afnemen. Zowel in 2014 als in 2015 zal € 2,5 mln in de begrotingsreserve gestort worden ten behoeve van de GMI. Daarnaast wordt een jaarlijkse bijdrage van € 2 mln van 2011 tot en met 2024 voorzien voor het flankerend beleid voor het verbod op de pelsdierhouderij (amendement Van Gerven/Dijsselbloem, TK 2010–2011, 32 609 XIII, nr. 4).
  • •  De interne begrotingsreserve Apurement is bestemd voor het terugbetalen van financiële correcties van de Europese Commissie. EZ heeft maatregelen genomen om de risico’s op toekomstige financiële correcties te verkleinen door interpretaties van EU-regelgeving zoveel mogelijk vooraf aan de Europese Commissie ter verduidelijking voor te leggen.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben betrekking op onttrekkingen uit de interne begrotingsreserves Landbouw, Visserij, Borgstellingsfaciliteit en Apurement die zijn toegevoegd aan de begroting van artikel 16.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Landbouwvrijstelling

1.721

1.755

1.791

1.826

1.863

1.900

1.938

Verlaagd tarief glastuinbouw

68

70

74

72

73

73

74

Verlaagd tarief sierteelt

228

228

229

229

229

230

230

Landbouwregeling

19

19

18

17

17

16

16

Vrijstelling cultuurgrond

110

104

106

108

110

113

115

17 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

Algemene doelstelling

Groen onderwijs van hoge kwaliteit. Hierbij streeft het Ministerie van Economische Zaken naar:

  • •  Voldoende gekwalificeerde beroepsbeoefenaren voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte.
  • •  Vergroten van de kennisverspreiding en -benutting voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte.

Hiermee draagt groen onderwijs bij aan de doelstellingen van de artikelen 16 (Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens) en 18 (Natuur en regio).

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is verantwoordelijk voor:

Voldoende gekwalificeerde beroepsbeoefenaren voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte.

Stimuleren

  • •  Stimuleren van een hoog kwaliteitsniveau van onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
  • •  Stimuleren van voorwaarden om te voldoen aan de vervangingsvraag en de transitie naar een groene economie. Afspraken maken met instellingen over bevorderen doorstroom, verminderen aantal voortijdige schoolverlaters, leven lang leren door om- her- en bijscholing, aanspreken van nieuwe groepen, in het bijzonder in de (rand)stedelijke omgeving.
  • •  Stimuleren, in overleg met de instellingen, van ondernemerschap en internationalisering waardoor leerlingen na afronding van hun opleiding een basis hebben voor de start van een eigen bedrijf in het groene domein.

Regisseren

  • •  Mede met instellingen en het bedrijfsleven zorgdragen voor het versterken van kwalificerende functies binnen het domein voedsel, natuur en leefomgeving van het groen (voorbereidend) beroepsonderwijs en de kennisverspreiding en ondersteunende functies binnen de groene kennisinfrastructuur.

Financieren

  • •  De groene instellingen functioneren binnen het wettelijk stelsel dat voor het gehele onderwijs geldt. Naast de basisbekostiging ontvangen de scholen stimuleringsbijdragen om zich te verbinden met het bedrijfsleven en de groene kennisinfrastructuur (zie onderstaand).

Kennisverspreiding en -benutting voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte (natuur en groene leefomgeving), ondermeer door actieve inzet van het groen onderwijs

Stimuleren

  • •  Stimuleren van de vorming van vraaggestuurde landelijke Centra voor Innovatief Vakmanschap (CIV) en Centers of Expertise (CoE) op een achttal expertisethema’s: Biobased Economy, Greenports, Agrodier, Food, Open teelten, Natuur en groene Leefomgeving, Agri&Food en Tuinbouw en uitgangsmaterialen. Daarbij worden slimme verbindingen gemaakt tussen regionaal opererende organisaties en wordt landelijke afstemming gezocht tussen onderwijs, regionaal Midden- en Kleinbedrijf (MKB), maatschappelijke organisaties en lagere overheden (stimuleren van de gouden driehoek in de groene sector). Belangrijke speerpunten zijn het opleiden van talent dat aansluit bij de innovatieopgaven van ondernemers, zwaartepuntvorming, stimuleren van ondernemerschap en excellent praktijkgericht onderzoek samen met bedrijfsleven.
  • •  Stimuleren van beter ondersteunen van het innovatief vermogen van het MKB door het instrument van groene plus lectoraten in het groene HBO meer vraaggestuurd in te zetten voor kennisvragen vanuit het MKB.
  • •  Stimuleren van activiteiten gericht op het verspreiden, doorstromen en benutten van kennis voor doelgroepen die deelnemen aan de Nederlandse samenleving.
  • •  Stimuleren van educatieve activiteiten (sociaal leren) voor een groene economie (Duurzaam Door).

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

Ambitie

Adequaat aanbod aan de vraag op de arbeidsmarkt

48%

 

1%

 

52%

60%

Bron: The Research Centre for Education and the Labour Market (ROA)

Toelichting

Adequaat aanbod wordt gemeten door middel van de Indicator Toekomstige Knelpunten in de Personeelsvoorziening naar Beroep (ITKB). Deze indicator geeft aan in welke mate het voor werkgevers mogelijk is om binnen beroepsgroepen de gewenste personeelssamenstelling naar opleidingsachtergrond te realiseren, rekening houdende met vraag en aanbod verhoudingen voor de verschillende opleidingstypen. Vereiste specifieke kennis en vaardigheden in opleidingscategorieën met groot verwacht tekort leidt tot lage percentages. Over het geheel laat de prognose uit 2013 minder knelpunten in de personeelsvoorziening zien dan de prognose uit 2011, door het gecombineerd effect van verminderde economische activiteit en verminderde uitstroom van ouderen uit de arbeidsmarkt (pensioenmaatregelen). Het bevorderen van de aansluiting onderwijs arbeidsmarkt (door opstellen Human Capital Agenda’s, instellen Centra voor Innovatief Vakmanschap, inzet op loopbaanoriëntatie), het interesseren van nieuwe potentiële leerlinggroepen (aanboren culturele diversiteit), het tegengaan van voortijdig schoolverlaten en het vergroten van doorstroom naar hogere opleidingsniveaus worden ingezet als middelen om een tekort te beperken.

Beleidswijzigingen

Dit jaar is een aantal beleidswijzigingen doorgevoerd in overeenstemming met het Groen onderwijs. Zo is in de beleidsreactie (TK, 30 991, nr. 11) bij de beleidsdoorlichting Groen onderwijs van hoge kwaliteit (begrotingsartikel 17) een drietal wijzigingen aangekondigd. Deze wijzigingen vatten het Groen onderwijsbeleid als volgt samen voor de periode 2013–2015:

De School staat centraal

De middelen voor onderwijsvernieuwing en samenwerking in de regio worden niet meer via de collectieve programma’s Groene Kennis Coöperatie (GKC) verdeeld, maar gaan rechtstreeks naar de scholen. Iedere school stelt binnen de tripartiet26 overeengekomen Landelijke Agenda zijn eigen mix aan prioriteiten vast in overeenstemming met de eigen ontwikkelbehoeften. De te bereiken doelen, samenwerkingsverbanden en uit te voeren acties legt de school vast in een Meerjarig Investerings Programma (MIP 2013–2015). Hierbij zal ook de versterking van de samenwerking met het niet Groen onderwijs (cross-overs) aan bod komen om optimaal aansluiting te maken met de Groene en aanpalende arbeidsmarktsectoren.

Sectorale invalshoek

Centervorming rond inhoudelijke zwaartepunten binnen het kennissysteem vormt een aangrijpingspunt om inhoudelijk met het bedrijfsleven en andere organisaties samen te werken aan toponderwijs, kennisverspreiding, onderzoek en innovatie. Hier ligt ook het vertrekpunt voor de aansturing van de kennisontsluiting, kennisverspreiding en de onderwijsvernieuwingsprogramma’s.

Landelijke aanpak (integrale vraagsturing ondersteuningsbehoeften)

Integrale aansturing ondersteuningsstructuur vanuit enerzijds de landelijke agenda (collectieve landelijke ontwikkelopgaven) en anderzijds de behoeften vanuit centers en individuele instellingen.

Verder is gewerkt aan de totstandkoming van een Pact 2020 tussen overheid, bedrijfsleven en Groen onderwijs om het Groen kennissysteem duurzaam te borgen na 2015. Met nieuwe dragers en verantwoordelijkheden werken aan de kennis en innovatie opdracht gericht op het duurzaam versterken van het verdienmodel binnen de topsectoren en de sector Natuur en Leefomgeving.

Het Pact bevat 5 actielijnen waarop gezamenlijk wordt geïnvesteerd in de komende jaren.

  • 1.  Vernieuwing opleidingen gericht op het domein «life, food & planet»;
  • 2.  Kennisdoorstroom van bedrijven naar en binnen het onderwijs;
  • 3.  Samenwerking in de regio;
  • 4.  Versterking van scholing voor werkenden (Leven Lang Leren);
  • 5.  Internationalisering.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x €1.000
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

VERPLICHTINGEN

840.206

873.598

881.348

817.101

809.096

803.241

785.119

UITGAVEN

817.433

818.434

829.465

762.581

754.511

748.656

730.534

Waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

Leningen

83

           

Schatkistbankieren

83

           

Bekostiging

733.507

738.840

753.092

736.950

730.001

724.703

706.630

WO-groen

168.174

171.520

172.831

173.506

173.298

175.035

176.469

HBO-groen

79.472

80.898

85.888

73.316

72.540

73.152

74.124

MBO-groen

158.744

154.106

170.347

162.829

159.543

159.356

148.684

Voorbereidende en Ondersteunende Activiteiten (VOA)

13.933

12.733

         

Wachtgelden

13.545

13.951

13.673

13.673

13.673

13.673

13.673

VMBO-groen

291.009

297.893

305.717

311.649

308.980

301.520

291.713

Aequor

8.630

7.739

4.636

1.977

1.967

1.967

1.967

               

Subsidies

82.205

76.974

74.524

24.394

24.474

23.917

23.868

Aansturing collectieve ondersteuning

5.404

4.039

4.039

       

School als Kenniscentrum

27.872

33.899

31.383

       

Kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs

1.991

1.550

713

       

Aanvullende onderwijssubsidies

41.150

33.561

33.705

19.710

20.066

19.509

19.460

Ontwikkeling en beheer natuurkwaliteit

2.857

2.406

1.500

1.200

1.200

1.200

1.200

Educatie

2.931

1.519

3.184

3.484

3.208

3.208

3.208

               

Opdrachten

1.638

1.118

612

0

36

36

36

Kennisverspreidingsprojecten

1.638

1.118

612

0

36

36

36

               

Bijdragen aan agentschappen

 

1.502

1.237

1.237

     

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

 

1.502

1.237

1.237

     
               

ONTVANGSTEN

3.910

75

75

75

75

75

75

Budgetflexibiliteit

De volgende uitgaven zijn juridisch verplicht:

  • •  Aanpassing van de bekostiging (€ 753,1 mln) en een deel van de aanvullende onderwijssubsidies (€ 22,2 mln) vereist aanpassing van de relevante regelgeving.
  • •  Voor andere begrotingsonderdelen is het budget vastgelegd in meerjarige verplichtingen (€ 54,2 mln).

Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Rijksbijdrage WO-groen, HBO-groen, MBO-groen, Wachtgelden, VMBO-groen en Aequor

Het betreft normatieve bekostiging gebaseerd op de onderwijswetgeving. Het Ministerie van Economische Zaken bekostigt groen wetenschappelijk onderwijs, 5 HBO-instellingen, 12 agrarische opleidingscentra voor Voortgezet Middelbaar Beroepsonderwijs/Middelbaar Beroepsonderwijs (VMBO/MBO), de MBO-opleiding aan Regionaal Opleidingscentrum (ROC) Landstede, 37 groene afdelingen van scholengemeenschappen en Aequor. Aequor is het Kenniscentrum Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (KBB) voor de groene sector, verantwoordelijk voor de kwalificatiedossiers voor het MBO en het aanbod en de kwaliteit van leerbedrijven.

Bekostigde aantallen in het groen onderwijs in 2015

Instrument

Type studenten/ getuigschriften/ promoties

Aantallen

Prijs

Bedrag

* € 1.000

Uitgaven 2015

* € 1.000

Bekostiging WO-groen

Inschrijvingen

5.463

5.271

28.795

 
 

Graden Bachelor

843

8.402

7.083

 
 

Graden Master

892

11.533

10.287

 
 

Promoties

273

96.111

26.238

 
 

Vaste componenten

   

100.428

172.831

Bekostiging HBO-groen

Inschrijvingen hoog

7.839

6.641

52.059

 
 

Graden hoog

1.240

6.641

8.235

 
 

Vaste componenten

   

25.594

85.888

Bekostiging MBO-groen

Studenten beroeps-opleidende leerweg

19.100

6.991

133.535

 
 

studenten beroeps-begeleidende leerweg

9.000

4.090

36.812

170.347

Wachtgelden

Vaste component

     

13.673

Bekostiging VMBO-groen

Leerlingen VMBO/VBO

Leerlingen VMBO/LWOO

21.300

13.800

7.249

10.964

154.409

151.308

305.717

Aequor

Vaste component

     

4.636

Bekostigde aantallen studenten in het groen onderwijs tot en met 2019

Onderwijssoort

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

WO

7.100

7.500

8.300

8.500

8.500

8.800

9.100

HBO

9.100

9.300

10.000

10.000

9.900

10.000

10.300

MBO

30.300

28.900

28.100

27.500

27.600

27.800

26.400

VO

32.400

33.900

35.100

36.000

35.800

34.900

33.800

Als gevolg van de geraamde toename van de leerlingen- en studentaantallen in het Groen onderwijs stijgen de kosten met € 184 mln voor de jaren 2014 tot en met 2022. Deze problematiek is opgelost door een combinatie van maatregelen bestaande uit de inzet van incidentele meevallers binnen de EZ-begroting, het gebruik maken van een kasschuif ten laste van latere jaren wanneer de toename van de leerlingen- en studentenaantallen weer wordt afgevlakt, een versobering met 2% van de bekostiging per ingeschreven leerling/student en een verlaging van de vaste bijdragen aan hoger en wetenschappelijk onderwijs.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

Ambitie

% afgestudeerden dat minimaal werkt op niveau van opleiding

72%

76%

71%

72%

70%

85%

Bron: The Research Centre for Education and the Labour Market (ROA)

Toelichting

De opgenomen percentages zijn gemiddelden van de Beroepsopleidende Leerweg (BOL) niveau 4 en het HBO in het groen onderwijs.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

Ambitie

Kwaliteitsniveau groen onderwijs

79%

88%

82%

83 %

88%

90%

Bron: Inspectie voor het onderwijs

Toelichting

De inspectie voor het onderwijs bepaalt periodiek op basis van meerdere gestandaardiseerde criteria welk percentage groene scholen voldoende onderwijskwaliteit heeft. Hoe hoger het percentage, hoe meer groene MBO en Voortgezet Onderwijs (VO)-scholen gemiddeld genomen een voldoende scoren op onderwijskwaliteit. De opgenomen waarden zijn gemiddelden van het VMBO en het MBO.

Subsidies

Aansturing collectieve ondersteuning

In het verlengde van het transitieproces in het groene onderwijs en de daaraan gerelateerde wijzigingen in het subsidiekader, wordt nu ook het subsidiekader voor de ondersteunende instellingen en functies gewijzigd. De wijzigingen hangen vooral samen met een veranderd sturingsmodel vanuit de instellingen voor groen beroeps- en wetenschappelijk onderwijs en met de overgang naar de periode ná 2015. Na 2015 is geen subsidie meer beschikbaar voor de ondersteunende instellingen en functies. Deze moeten dus waar gewenst, zelffinancierend worden voortgezet.

De Groene Kenniscoöperatie (GKC) heeft haar activiteiten beëindigd per 1 januari 2014 (de Stichting GKC wordt nog wel voortgezet om lopende verplichtingen af te handelen). In plaats daarvan hebben de instellingen hun samenwerking en belangenbehartiging georganiseerd in de Groene Tafel. Dit is een netwerkorganisatie zonder rechtspersoonlijkheid en met een beperkte secretariële ondersteuning. De Groene Tafel is verantwoordelijk voor de aansturing van de ondersteunende instellingen en functies. In tegenstelling tot de GKC ontvangt de Groene Tafel als zodanig geen subsidie, behalve voor specifieke activiteiten.

De Groene Tafel organiseert de vraagsturing richting de ondersteunende instellingen en functies en geeft in haar Strategische Ontwikkelagenda aan op welke terreinen de instellingen zich willen ontwikkelen om te kunnen voldoen aan de externe opgaven. Deze ontwikkelagenda is leidend voor het werkplan van de ondersteunende instellingen en functies. In de Strategische Ontwikkelagenda is ook ruimte voor prioriteiten van de Minister. Ook het na 2015 borgen van een goede kennisinfrastructuur (waaronder Groen KennisNet) maakt deel uit van de Strategische Ontwikkelagenda.

School als Kenniscentrum/Kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs

In verband met de kleinschaligheid van de instellingen en met de bijzondere risico’s die vaak aan beroepen in de groene sectoren zijn verbonden, worden aanvullende bijdragen beschikbaar gesteld voor praktijkleren in gesimuleerde bedrijfssituaties. Een aantal stimuleringsbijdragen is in 2013 samengevoegd en als projectmiddelen verbonden aan Meerjarige Investerings Programma’s (MIP’s) en de landelijke agenda: positionering School als Kenniscentrum voor de regio. Daarnaast worden beperkt subsidies opengesteld op het terrein van scholing en arbeidsmarkt.

Aanvullende onderwijssubsidies

  • •  Subsidies aan ondersteunende instellingen onder andere: ontwikkelen van leermiddelen (Ontwikkelcentrum), toetsing en examinering (CITO);
  • •  Subsidieregelingen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voor onderwijsvernieuwing onder andere: internationale mobiliteit, vermindering voortijdig schoolverlaten, verhoging van opleidingsniveau, deelname leven lang leren, carrièrepatroon docenten;
  • •  Middelen die EZ naast de OCW-conforme subsidies beschikbaar stelt om beleidsdoelen te realiseren via het onderwijs als deel van het groene kennissysteem (kennisverspreiding): groene plus lectoraten, Centra Innovatief Vakmanschap en Centers of Expertise gericht op de ondersteuning van de topsectoren Agri&Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen.

Kengetal

2009

2010

2011

2012

2013

Ambitie

Voortijdig schoolverlaten

4,7%

4,4%

4,6%

4,3%

3%

2%

Bron: DUO

Toelichting

Het percentage VMBO 3–4 plus MBO leerlingen dat zonder startkwalificatie (minimaal MBO-2 niveau) het onderwijs verlaat, gemeten als percentage van het totaalaantal VMBO 3–4 plus MBO leerlingen.

Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit

Het betreft subsidies met als doel het ontwikkelen van maatregelen om negatieve gevolgen van verdroging, vermesting en verzuring tegen te gaan. Het levert kennis op voor de implementatie van belangrijke beleidsitems zoals Natura 2000, realiseren van natuurterreinen en leefgebiedplannen. Sinds 1 januari 2014 coördineert de VBNE (Vereniging van bos en natuurterreineigenaren) het OBN.

Educatie

Het betreft subsidies ten behoeve van samenwerkingsovereenkomsten met organisaties (maatschappelijke organisaties, andere overheden, bedrijven en coalities daarvan) die educatieactiviteiten organiseren. Het programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling als opvolger van het NME programma richt zich meer op het bredere concept duurzaamheid, het organiseren van netwerken en coalities die op lokaal/regionaal niveau duurzaamheidsprojecten organiseren. De hoofdlijn van de visie op het Kennisprogramma «Duurzaam Door, sociale innovatie voor een groene economie» is uiteengezet in een Kamerbrief (TK, 20 487, nr. 41).

Opdrachten

Kennisverspreidingsprojecten

Hiermee zet EZ in op een betere ontsluiting van de ontwikkelde kennis voor gebruik door ondernemers en maatschappelijke groepen. Kennisverspreidingsprojecten richten zich op thema’s als dierenwelzijn, klimaat en milieu, en multifunctionele landbouw. Gezien de interactie met beleidsontwikkeling en/of -implementatie is de EZ-betrokkenheid actief en initiërend.

Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan RVO ten behoeve van het educatie-programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling. Het gaat om uitgaven voor programma- en procesmanagement, inhoudelijke deskundigheid, netwerkbeheer (€ 0,9 mln) en overige uitvoeringskosten (€ 0,3 mln).

Interne begrotingsreserve

Stand interne begrotingsreserves per 31 december 2013 (x € 1.000)

Interne begrotingsreserve schatkistbankieren Groen Onderwijs

83

Toelichting Interne begrotingsreserve schatkistbankieren: EZ staat garant voor het in gebreke blijven van de groene onderwijsinstellingen die gebruik maken van de regeling schatkistbankieren. De van instellingen ontvangen premies worden jaarlijks via het Ministerie van Financiën aan EZ overgemaakt en via de slotwet en de saldibalans (toevoeging van de premie aan de gegroeide reserve) in het jaarverslag verwerkt.

18 Natuur en regio

Algemene doelstelling

Een concurrerende ruimtelijk-economische structuur, een veelzijdige natuur en een wederzijdse versterking van ecologie en economie.

De rijksoverheid werkt aan een versterking van de ruimtelijk-economische condities voor bedrijven. Het Rijk wil samen met bedrijfsleven, medeoverheden, kennisinstellingen en andere stakeholders sterke punten van Nederland uitbouwen gericht op een goede concurrentiepositie. Daarbij richt het beleid zich onder meer op mainports, brainports en greenports. Het gaat j om het gericht versterken van zowel fysieke als niet fysieke aspecten, zoals (grensoverschrijdende) samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen, alsmede onderzoeksinfrastructuur. Verder wordt gewerkt aan de ruimtelijke aspecten van het EZ-beleid.

Natuur, de biodiversiteit in het bijzonder, is essentieel voor een gezonde leefomgeving en heeft een grote economische waarde; zij levert grondstoffen, zuivert lucht en water, biedt ruimte voor recreatie/toerisme en wateropvang en is een van de aspecten van het vestigingsklimaat voor (internationale) bedrijven. Voor het behoud van de biodiversiteit zijn gemaakte Europese (onder andere Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn) en internationale afspraken leidend. Een duurzame verbinding tussen economie en ecologie is essentieel om het niveau van welvaart en welzijn ook in de toekomst veilig te stellen. Ook bij bedrijven groeit het besef dat een echt duurzame ontwikkeling de enige weg vooruit is. Het Kabinet heeft in het regeerakkoord de ambitie uitgesproken om de Nederlandse natuur verder te versterken door middel van een robuust Natuurnetwerk Nederland dat groter is dan de (herijkte) Ecologische Hoofdstructuur (EHS), natuur meer te integreren met andere maatschappelijke belangen en meer ruimte en ondersteuning te bieden aan ondernemerschap en initiatieven van burgers en andere private partijen.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is verantwoordelijk voor:

Een concurrerende ruimtelijk-economische structuur

Stimuleren en financieren

  • •  De Minister is systeemverantwoordelijk voor een gezonde ruimtelijke economische structuur en stimuleert en financiert daarbinnen de versterking van de regionale en ruimtelijke uitwerking van het EZ beleid. Hierbij is het van belang om agenda’s van verschillende overheden te verbinden ten einde schaalvoordelen te benutten, overheidsinspanningen te versterken en versnippering tegen te gaan.

Regisseren en financieren

  • •  De Minister is lidstaatverantwoordelijk en heeft een regisserende rol voor het Europees Fonds Regionale Ontwikkeling (EFRO). Binnen EFRO bestaan, behalve de nationale programma’s, ook vier grensoverschrijdende programma’s (INTERREG A – ETS) Dit zijn: Euregio Maas-Rijn, Duitsland-Nederland, Vlaanderen-Nederland en Twee Zeeën. De Minister stelt budget beschikbaar in het kader van de nationale cofinanciering voor de landsdelige en de grensoverschrijdende programma’s.

Een veelzijdige natuur en een wederzijdse versterking van ecologie en economie

Stimuleren

  • •  Om de wederzijdse versterking van ecologie en economie te bevorderen en de maatschappij meer te betrekken bij natuur (Rijksnatuurvisie «Natuurlijk Verder»), stimuleert het rijk acties en initiatieven van bedrijven, natuurorganisaties en andere maatschappelijke actoren. Met behulp van een subsidieregeling worden innovaties op het gebied van groene groei gestimuleerd. In een maatschappelijke uitvoeringsagenda wordt verder invulling gegeven aan stimuleringsacties.

Regisseren

  • •  De Minister van EZ is systeemverantwoordelijk voor het behoud en duurzaam gebruik van de nationale biodiversiteit – mede als natuurlijke hulpbron – en voor de zekerstelling van de aanwezigheid van natuur op lange termijn.
  • •  De Minister van EZ is tevens medeverantwoordelijk voor het behoud en duurzaam gebruik van de internationale biodiversiteit. Op grond daarvan is de Minister verantwoordelijk voor het stellen van kaders voor de omvang en kwaliteit van natuurgebieden, voor soortenbescherming zowel op het land, in de zee, als ook overzees in Caribisch Nederland en voor Europese en internationale afspraken over de handel in en het gebruik van planten, dieren en natuurlijke grondstoffen zoals bijvoorbeeld tropisch hardhout.

(Doen) Uitvoeren

  • •  Onderdeel van de decentralisatieafspraken over natuur (Bestuursakkoord Natuur en Natuurpact) is dat provincies binnen de gestelde rijkskaders verantwoordelijk zijn voor het realiseren en beheren van het Natuurnetwerk Nederland en de daarin gelegen N2000 gebieden en, naar aanleiding van het regeerakkoord: herstelbeheer, soortenbeleid binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland en agrarisch natuurbeheer.
Prestatiemeting

Kengetal

2009/2010

2011/2012

2012/2013

Ambitie 2015

Niveau Clusterontwikkeling

4.7

4.9

5.2

5.3

NL positie

19

15

9

7

Bron: The World Competitiveness report, World Economic Forum

Toelichting

Het beleid richt zich op het verbinden van de regionale en ruimtelijke aspecten van het EZ-beleid om de concurrentiepositie te versterken. In internationale vergelijking is de mate van clustervorming (specialisatie en samenhang tussen bedrijven, kennisinstellingen, diensten, infrastructuur) in Nederland relatief hoog en er is sprake van een positieve trend. De eerdere ambitie voor 2015 (niveau 5 en positie 15) is dan ook reeds bereikt. De ambitie voor 2015 is daarom verder aangescherpt.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2015

Streef-waarde

Planning

Bron

Stand van duurzame condities van alle in 1982 voorkomende soorten

106

2002

104

100

2020

Basisrapporten rode lijsten (EZ, CBS)

Toelichting

De soortenindicator27 geeft via een indexcijfer het verloop aan van het aantal bedreigde soorten in ons land. Dat is het totaal aantal soorten dat op de officiële Nederlandse rode lijsten is aangemerkt als verdwenen, ernstig bedreigd, bedreigd, kwetsbaar of gevoelig. Hoe hoger het getal, hoe meer soorten zijn bedreigd. De streefwaarde van 100 in 2020 betekent een verbetering ten opzichte van de periode 1994–2002 (referentiejaar 2002). De indicator is vooralsnog gebaseerd op rode lijst-gegevens van broedvogels, zoogdieren en dagvlinders.

Verdere vergroening van het stelsel van nationale rekeningen wordt momenteel uitgewerkt in internationaal verband.

Beleidswijzigingen

Natuurvisie «Natuurlijk Verder»

In 2014 is de nieuwe rijksnatuurvisie gepresenteerd. Deze markeert een omslag in het rijksnatuurbeleid. Het Rijk zorgt voor een stevige basis voor natuur met investeringen in een effectieve wetgeving, het combineren van natuur met andere maatschappelijke opgaven, meer ruimte voor natuurlijke processen en een lerend kennisnetwerk waar andere overheden, maatschappelijke organisaties en ondernemingen toegang toe hebben. Deze basis vormt het fundament waarop maatschappelijke initiatieven rond natuur van burgers, bedrijven, organisaties en andere overheden kunnen voortbouwen. Het Rijk zal betrokkenheid bij natuur stimuleren gericht op groen ondernemerschap – waaronder het sluiten van Green Deals en organiseren van Groene Tafels –, natuurinclusieve landbouw, het stimuleren van gebiedscollectieven en het creëren van een gezonde, groene woon- en werkomgeving.

Decentralisatie natuur en (taken) nieuwe natuurwet/ Natuurbeschermingswet

In oktober 2013 is besloten om het agentschap Dienst Landelijk Gebied (DLG) op te heffen. De opheffing zal plaatsvinden in de eerste helft van 2015. Een aantal taken in opdracht van EZ wordt daarna belegd bij RVO. Daarbij gaat het onder andere om ecologische advisering, ter inzage legging beheerplannen, uitwerking geven aan de natuurvisie, uitvoering NURG. De provincies nemen voor € 41 mln aan taken en personeel over van DLG. Daarbij gaat het om gebiedsgerichte taken uit het Natuurpact.

Eerdere bestuursafspraken over decentralisatie van het natuurbeleid naar provincies zullen verder gestalte krijgen in de nieuwe wet Natuurbescherming. Het betreft onder andere bevoegdheden aangaande gebieden en soortenbeleid, vergunningverlening en schadebestrijding (Faunafonds).

Positionering Staatsbosbeheer

In januari 2014 heeft het kabinet, conform afspraak in het regeerakkoord, zijn visie op de toekomstige positionering van Staatsbosbeheer kenbaar gemaakt (TK, 29 659, nr. 122). Kern van deze visie is dat Staatsbosbeheer zich de komende jaren verder ontwikkelt als maatschappelijke onderneming, waarbij Staatsbosbeheer zowel de maatschappelijke betrokkenheid versterkt als meer private middelen genereert. Het kabinet heeft ervoor gekozen Staatsbosbeheer bij de rijksoverheid te laten, als zelfstandig bestuursorgaan / rechtspersoon met een wettelijke taak. De formele positionering van Staatsbosbeheer wijzigt daarmee niet. Ter concrete uitwerking van de visie hebben EZ en Staatsbosbeheer gezamenlijk een convenant opgesteld (TK, 29 659, nr. 123).

Agenda Stad

Het Kabinet wil dat natuur weer een thema van burgers, ondernemers en overheden wordt. Om de Nederlandse steden op het gebied van concurrentiekracht en leefbaarheid in de wereldtop te houden, is het Kabinet gestart met de Agenda Stad.

Agenda Stad krijgt in 2015 vorm en inhoud en is verbonden met de Urban Agenda die met het oog op het EU-voorzitterschap in de eerste helft van 2016 wordt opgesteld.

Budgettaire gevolgen van beleid

De financiële instrumenteninzet van artikel 18 is gekoppeld aan de volgende artikelonderdelen:

  • 18.1  Versterken mainports, brainports, greenports en andere clusters gerelateerd aan topsectoren;
  • 18.2  Wederzijds versterken van ecologie en economie;
  • 18.3  Behouden van de inter-/nationale biodiversiteit en versterken van onze natuur.

Achter ieder instrument staat het betreffende artikelonderdeel.

Bedragen x € 1.000
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

VERPLICHTINGEN

342.143

401.492

200.392

195.706

179.409

168.928

157.772

               

UITGAVEN

440.797

343.339

293.151

249.155

220.228

208.023

200.872

Waarvan juridisch verplicht

   

88%

       
               

Subsidies

108.999

78.582

83.092

49.582

34.241

33.785

29.493

Zuiderzeelijn (18.1)

7.281

5.490

6.315

3.835

     

Cofinanciering EFRO, incl. ETS (18.1)

46.461

47.627

54.545

29.507

31.159

31.569

27.355

Bijdrage aan ROM’s (18.1)

3.985

5.327

6.325

6.325

     

Pieken in de Delta (18.1)

22.377

14.074

10.817

6.226

   

Programma Natuurlijk Ondernemen en Green Deals (18.2)

1.064

1.795

1.477

1.095

800

   

Regelingen Natuur (Burgereducatie, RDN, SBL, VNBL & beheer Kroondomeinen) (18.3)

27.831

4.269

3.613

2.594

2.282

2.216

2.138

               

Leningen

31.369

30.429

30.484

31.398

32.198

32.198

32.198

Rente en aflossingen voor bestaande leningen (EHS & PNB) (18.3)

31.369

30.429

30.484

31.398

32.198

32.198

32.198

               

Opdrachten

32.598

41.993

46.210

41.265

38.242

37.887

38.020

Onderzoeksmiddelen (18.1)

80

687

672

634

674

674

674

NURG/Maaswerken (18.2)

4.218

8.733

8.015

3.815

2.835

2.840

4.505

Mainport Rotterdam (18.2)

6.963

7.099

7.249

7.389

7.539

7.679

6.529

Programma Rijke Waddenzee (18.2)

1.215

929

         

Deltaprogramma (18.2)

349

1.019

         

Programma Natuurlijk Ondernemen en Green Deals (18.2)

2.579

5.479

4.833

4.237

4.470

4.050

4.080

Regiekosten regionale functie (18.2)

1.257

802

1.243

1.382

1.661

1.661

1.261

Invasieve soorten (18.3)

 

0

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

Kaderrichtlijn Marine Strategie/Noordzee (18.3)

1.081

911

954

944

998

998

998

Natura 2000 (18.3)

919

1.652

3.203

2.143

2.143

2.143

2.143

Monitoring (18.3)

4.189

2.905

2.258

3.969

3.969

3.969

3.969

Internationale biodiversiteit (18.3)

687

361

361

361

361

361

361

Caribisch Nederland (18.3)

1.113

799

779

1.181

1.581

1.581

1.581

Overig (18.3)

7.948

10.617

9.679

6.910

1.588

1.582

1.485

Natuurvisie

   

5.964

7.300

9.423

9.349

9.434

               

Bijdragen aan mede-overheden

74.404

40.014

17.525

57.628

56.267

47.650

44.750

Uitfinanciering Sterke Regio's en Nota Ruimte (18.1)

6.200

22.630

8.875

4.950

5.000

4.000

1.100

MER (18.2)

 

877

         

Programmatische Aanpak Stikstof (18.2)

8.204

14.857

6.000

2.500

2.500

2.500

2.500

Westerschelde (18.2)

60.000

 

7.028

6.117

   

Caribisch Nederland (18.3)

 

1.500

2.500

2.000

1.500

   

Decentralisatiemiddelen natuur (18.3)

 

150

150

41.150

41.150

41.150

41.150

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

40.659

26.604

26.354

25.527

24.468

24.055

24.055

Staatsbosbeheer (18.3)

40.659

26.604

26.354

25.527

24.468

24.055

24.055

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

468

1.252

910

910

910

910

910

Diverse contributies (18.3)

468

1.252

910

910

910

910

910

               

Bijdragen aan agentschappen

152.300

124.465

88.576

42.845

33.902

31.538

31.446

Dienst Landelijk Gebied

93.126

75.176

48.691

0

0

0

0

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

50.736

40.141

31.715

34.716

25.856

23.792

23.698

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

8.438

9.148

8.170

8.129

8.046

7.746

7.748

               

ONTVANGSTEN

87.438

117.297

96.707

100.957

64.282

51.380

39.061

Landinrichtingsrente

38.580

42.161

42.161

42.161

40.161

37.259

34.940

Jachtakten

1.322

1.031

1.031

1.031

1.031

1.031

1.031

Verkoop gronden

16.820

58.200

45.000

50.000

20.000

10.000

 

Overige

30.716

15.905

8.515

7.765

3.090

3.090

3.090

Budgetflexibiliteit

Subsidies: van het voor subsidies beschikbare budget is 93% juridisch verplicht en 6% bestuurlijk gebonden.

Leningen: Het budget betreft die middelen die nodig zijn voor de betaling van rente en aflossingen van door het Rijk via het Groenfonds aangegane leningen ter realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en is 100% verplicht.

Opdrachten: Van het voor opdrachten beschikbare budget is 39% juridisch verplicht en 46% bestuurlijk gebonden. Het (nog) niet verplichte budget is noodzakelijk voor het nakomen van diverse Europese en internationale verplichtingen en afspraken op het terrein van natuur en biodiversiteit en ten behoeve van de regionale functie.

Bijdragen aan mede-overheden: Het beschikbare budget betreft de financiering van decentrale overheden voor de uitvoering van diverse programma’s en projecten uit hoofde van wettelijke regeling, bestuursovereenkomst en bestuurlijke afspraken met provincies met betrekking tot de decentralisatie van natuurtaken en is derhalve 100% verplicht.

Bijdrage ZBO’s/RWT’s: Betreft de financiering van de opdracht 2015 aan SBB en is 100% verplicht.

Bijdragen aan agentschappen: Het beschikbare kasbudget betreft de financiering van de opdracht(en) 2015 aan RVO en de NVWA en is 100% verplicht.

Toelichting op de financiële instrumenten

Artikelonderdeel 18.1 Versterken mainports, brainports, greenports, valleys en andere clusters gerelateerd aan topsectoren

Subsidies

Cofinanciering EFRO, inclusief Europese territoriale Samenwerking (ETS)

Dit betreft de cofinanciering voor regio’s die vanuit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) in aanmerking komen voor steun ter vergroting van de regionale concurrentiekracht en werkgelegenheid (landsdelige programma’s – mainstream). In de programmaperiode 2014–2020 is dat verdeeld over de Operationele Programma’s voor Oost-, West-, Zuid- en Noord-Nederland en gericht op de thema’s innovatie en koolstofarme economie. Het betreft ook de cofinanciering voor de grensoverschrijdende programma’s die vanuit EFRO in aanmerking komen voor steun (INTERREG-A – ETS). In de nieuwe programmaperiode 2014–2020 betreft dat de programma’s Euregio Maas-Rijn, Duitsland-Nederland, Vlaanderen-Nederland en Twee Zeeën. Deze worden hoofdzakelijk gericht op de thema’s innovatie in het MKB, koolstofarme economie en arbeidsmobiliteit. Verder betreft het hier de uitvoeringskosten die EZ maakt als opdrachtgever voor de audit- en certificeringsautoriteit EFRO. Een nieuwe resultaatindicator voor de EFRO periode 2014–2020 is in ontwikkeling en zal naar verwachting worden opgenomen in de begroting 2016.

Bijdrage aan Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s)

Deze middelen hebben tot doel de economische krachten in de regio te versterken en te bundelen met sectorale initiatieven vanuit het topsectorbeleid en ander generiek beleid. De bestaande subsidierelatie met de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen NOM (Noord), BOM (Brabant), LIOF (Limburg) en Oost NV (Oost) wordt voortgezet. Ook zijn er middelen gereserveerd (tot en met 2016) voor het Innovation Quarter (de nieuwe ROM voor de Zuidvleugel) en is voorzien in eventuele ondersteuning van een nog op te richten ROM voor de Noordvleugel en zijn er middelen beschikbaar voor samenwerking met Zeeland.

De ROM’s hebben hun activiteiten inmiddels toegespitst op de topsectorenaanpak in het kader van het bedrijvenbeleid. Binnen die context spelen zij in aanvulling op de eerstelijns advisering aan MKB-ondernemers via het Ondernemersplein een rol in de tweedelijnsadvisering, waarbij zij een goede verbinding leggen tussen regionale en sectorale agenda's. Taken die daarbinnen passen zijn de advisering aan innovatieve koplopers en het leggen van de verbinding met de TKI’s, ontwikkeling van innovatieprojecten en daaruit voortvloeiende valorisatie-inspanningen. Zij vormen een belangrijke schakel in de keten van onderzoek, innovatie, valorisatie en marktintroductie. Ook zoeken de ROM’s proactief naar bovenregionale samenwerking in een landsdekkende structuur.

Opdrachten

Onderzoeksmiddelen

Op basis van de politiek-bestuurlijke context en aansluitend op de regionale functie van EZ worden op vijf prioritaire beleidsthema’s middelen aangewend voor beantwoording van strategische vraagstukken en kennisvragen. Hieronder valt bijvoorbeeld onderzoek ter ondersteuning van het EZ-beleid en de uitwerking daarvan in regionale en ruimtelijke aspecten ter versterking van de concurrentiepositie van Nederland. Ten aanzien van deze middelen is verder sprake van een blijvende focus op: mainports, brainports en greenports; Europa in de regio (grensoverschrijdend); wederzijdse versterking van economie en ecologie; economie van stedelijke clusters en agglomeraties en ruimte en water voor EZ-doelen.

Bijdragen aan medeoverheden

Uitfinanciering Sterke Regio’s en Nota Ruimte

Deze middelen hebben betrekking op de uitfinanciering van in het verleden aangegane verplichtingen in het kader van het oplossen van knelpunten en benutten van gebiedsgerichte kansen gericht op versterking van het Nederlandse vestigingsklimaat en gebiedsprojecten die een bijdrage hebben gekregen uit het Nota Ruimte-budget van EZ.

Artikelonderdeel 18.2 Wederzijds versterken van ecologie en economie

Subsidies

Programma Natuurlijk Ondernemen en Green Deals

Als onderdeel van een Green Deal met het Platform Biodiversiteit, Ecosystemen en Economie (BEE) voert het ministerie een subsidieregeling uit voor innovatieve projecten van ondernemers, gericht op het zorgvuldiger omgaan met biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen. Zie verder toelichting onder «Opdrachten».

Opdrachten

NURG/Maaswerken

In het kader van de Nadere Uitwerking Rivierengebied (NURG) werken I&M en EZ gezamenlijk aan projecten ter verbetering van de hoogwaterveiligheid en ontwikkeling van natuur in rivierengebieden. Er worden rivierverruimende maatregelen uitgevoerd om de veiligheid in het rivierengebied te vergroten. I&M en EZ hebben verder afgesproken om 6.687 hectare nieuwe natuur (na herijking) te realiseren in de uiterwaarden van de Rijntakken en de bedijkte Maas. De projecten met een taakstelling voor waterstandsverlaging uit de Planologische Kernbeslissing (PKB) Ruimte voor de Rivier worden met voorrang gerealiseerd, de overige daarna.

Mainport Rotterdam

De ontwikkeling van de Mainport Rotterdam kent met het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR) een dubbeldoelstelling van zowel de versterking van de economische positie van de Mainport Rotterdam als de verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving in Rijnmond. Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR) 750 is één van de drie deelprojecten die voortvloeien uit de planologische kernbeslissing «PKB-plus: Project Mainportontwikkeling Rotterdam Deel 4» van 26 september 2003. Dit deelproject behelst de ontwikkeling van 750 hectare nieuwe natuur- en recreatiegebieden in de Rotterdamse regio. De provincie Zuid-Holland is coördinerend opdrachtnemer en één van de uitvoerende partijen.

Waddenzee

Het Programma naar een Rijke Waddenzee (PRW) is een uitvoeringsprogramma dat lopende en nieuwe initiatieven voor natuurherstel en duurzaam gebruik in de Waddenzee met elkaar verbindt, nieuwe samenwerkingsverbanden vorm kan geven en begeleidt, complexe processen in beweging brengt en nieuwe projecten voor natuurherstel in combinatie met een duurzaam gebruik van de Waddenzee initieert. Daarnaast voert PRW het secretariaat van de Beheerraad en de Samenwerkingsagenda beheer. Dit betreft een gezamenlijk programma van Rijk (EZ en I&M), provincies en natuurorganisaties (verenigd in de Coalitie Wadden Natuurlijk). De EZ focus ligt op visserij, natuur, energie en Werelderfgoed. Het Ministerie van EZ heeft het voornemen het programma te continueren tot en met 2018, waarbij het van belang is dat vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid voor natuurherstel en duurzaam gebruik in de Waddenzee ook een bijdrage geleverd wordt door de andere (bestuurlijke) partners in het Waddengebied.

Programma Natuurlijk Ondernemen en Green Deals

Met Green Deals helpt het Rijk burgers, bedrijven, organisaties of andere overheden bij het realiseren van duurzame initiatieven die moeilijk van de grond komen. In 2015 zal EZ blijven inzetten op deze praktische afspraken met bedrijfsleven, kennisinstellingen en andere overheden. De nieuwe afspraken in het kader van de Green Deals zijn erop gericht om de kracht van ondernemerschap en innovatie aan te wenden voor het zorgvuldiger omgaan met biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen. Om dit verder te kunnen uitbouwen heeft het kabinet in 2012 het programma Natuurlijk Ondernemen gestart, een innovatieprogramma gericht op ondernemers die (willen) bijdragen aan behoud en ontwikkeling van natuur en biodiversiteit door uit eigen belang te investeren in het (ontzien van) natuurlijk kapitaal. De Green Deals zijn hiervan een invulling, evenals het eerder genoemde Platform Biodiversiteit, Ecosystemen en Economie en het TEEB programma. Het TEEB programma komt voort uit de eerder gedane studies en geeft inzicht in de waarde van natuur bij besluitvormingstrajecten voor zowel bedrijven als overheden.

Regiekosten regionale functie

De regioambassadeurs zijn de spil in de contacten van EZ met het bestuurlijke, maatschappelijke, bedrijven- en kennisnetwerk in de regio. Daarbij zoeken ze naar combinatiemogelijkheden om regionale initiatieven te koppelen aan het realiseren van het EZ-beleid en brengen zij partijen bij elkaar om tot kansrijke cross-overs te komen. Voor het faciliteren van dit proces is het budget «Regiekosten Regionale functie» beschikbaar.

Bijdragen aan medeoverheden

Programmatische Aanpak Stikstof (PAS)

Nederland zet de Programmatische Aanpak Stikstof in voor het realiseren van de Natura 2000-doelen, terwijl tegelijkertijd economische ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Met het programma worden bindende afspraken gemaakt tussen Rijk en provincies om het stikstofprobleem aan te pakken op diverse niveaus (landelijk, provinciaal en lokaal in Natura 2000-gebieden) die betrekking hebben op de verschillende sectoren (landbouw, industrie, verkeer en vervoer). Het doel is economische ontwikkeling mogelijk te maken door de stikstofbelasting in Natura 2000-gebieden terug te brengen, zodanig dat weer toestemmingsverlening mogelijk wordt. Voor de PAS zijn herstelstrategieën en het rekeninstrument AERIUS ontwikkeld ter ondersteuning van de vergunningverlening en het bepalen van de ontwikkelruimte. Het Programma Aanpak Stikstof wordt voorgehangen bij de Tweede Kamer. Streven is de PAS voorjaar 2015 in werking te laten treden.

Westerschelde

Sinds 2006 wordt het Natuurherstel Programma Westerschelde (NPW) uitgevoerd. Door middel van diverse projecten, waaronder de ontpoldering van de Hedwigepolder, wordt minimaal 600 hectare nieuwe estuariene natuur gecreëerd. Nu de planvorming op grote lijnen afgerond is en diverse projecten in een uitvoeringsstadium belanden, nemen de feitelijke uitgaven vanuit het programmabudget toe.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Streef-waarde

Planning

Bron

% stikstofgevoelige N2000 gebieden waar PAS ontwikkelingsruimte creëert

0

2012

> 95%

2015

Aerius (PBL)

Toelichting

In 2012 werden bij 133 gebieden slechts moeizaam vergunningen verleend vanwege onduidelijkheid over de stikstofproblematiek. Deze gebieden vormen samen de populatie van gebieden (100%), waarvan het percentage wordt bepaald van gebieden die ontwikkelingsruimte krijgen via de PAS.

Artikelonderdeel 18.3 Behouden van de (inter-)nationale biodiversiteit en versterken van onze natuur

Subsidies

Regelingen Natuur

Burgereducatie

Er wordt een subsidie van € 1,0 mln verleend aan de vereniging voor natuur- en milieueducatie (IVN) voor activiteiten op het gebied van communicatie, educatie, samenwerking en promotie van Nationale Parken.

Beheer Kroondomeinen

In het kader van agrarisch natuurbeheer en natuurbeheer wordt voor het Kroondomein een bijdrage verstrekt aan het Koninklijk Huis, onder dezelfde voorwaarden als het provinciale Subsidiestelsel natuur- en landschap. De subsidie in het kader van agrarisch natuur-en landschapsbeheer wordt verstrekt ter bevordering van de toepassing van landbouwproductiemethoden die verenigbaar zijn met de eisen betreffende milieubescherming en natuurbeheer, en ter bevordering van de duurzame instandhouding van landschappelijke elementen. De subsidie voor natuurbeheer wordt verstrekt ter bevordering van de duurzame ontwikkeling en instandhouding van bossen en natuurterreinen en ter bevordering van de duurzame instandhouding van landschappelijke elementen. Tevens biedt het een tegemoetkoming in de kosten van recreatief medegebruik. Gewerkt wordt aan een generieke subsidie, zodat niet meer per omstandigheid een subsidiebeschikking afgegeven hoeft te worden.

Uitfinanciering

Voor het overige betreft het hier in 2015 de uitfinanciering van de subsidieregelingen:

  • •  Stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden (SBL);
  • •  Regeling draagvlak natuur (RDN);
  • •  Tijdelijke regeling Particulier Natuurbeheer (TRPN).

Leningen

Rente en aflossingen voor bestaande leningen (EHS & PNB)

Ten behoeve van realisatie (verwerving en doorlevering van gronden) van de EHS is EZ in het verleden verschillende leningen aangegaan bij het Groenfonds. Met de bezuinigingen vanuit het regeerakkoord Rutte-Verhagen en voorgenomen decentralisatie naar de Provincies heeft EZ dit leningenpakket bevroren en gaat het Rijk geen nieuwe leningen meer aan ten behoeve van Natuur. Het Rijk draagt zorg voor (af)betaling van rente en aflossingen van bestaande leningen totdat deze zijn afgelost.

Opdrachten

Natuurvisie

Een belangrijk deel van het werk aan de nieuwe natuurvisie zal worden verricht binnen bestaande programma’s en budgetten, door gebruik te maken van de mogelijkheden die natuur biedt om antwoorden te vinden voor maatschappelijke opgaven. Om de veranderingen daadwerkelijk op gang te helpen en te faciliteren wordt, conform de maatschappelijke uitvoeringsagenda van de rijksnatuurvisie «Natuurlijk Verder» in 2015 extra ingezet op:

  • •  het stimuleren van groen ondernemerschap (waaronder «ontwikkelen en bouwen voor natuur»);
  • •  het stimuleren van «Climate Smart Agriculture» die past bij de verwachte klimaatverandering;
  • •  ondersteuning maatschappelijke initiatieven, waaronder het organiseren van groene tafels;
  • •  ontwikkelen van een open, lerend kennisnetwerk.

Invasieve soorten

In internationaal en Europees verband wordt meer en meer aandacht gevraagd voor de tijdige signalering en bestrijding van invasieve exoten vanwege de risico’s voor biodiversiteit, economie en volksgezondheid. Het Europees Parlement en de – Raad hebben in respectievelijk mei en juni 2014 de verordening Invasieve Uitheemse Exoten vastgesteld. De verordening treedt per 1 januari 2015 in werking. De implementatie daarvan wordt door EZ ter hand genomen in samenwerking met de provincies en de NVWA. De Tweede Kamer heeft eerder ook aangedrongen op extra investeringen in de uitvoering van het exotenbeleid. Dit betreft intensivering van eliminatieacties, nemen van preventieve maatregelen en ondersteunen van beheermaatregelen die provincies dienen uit te voeren. EZ zal hiertoe in 2015 verder uitvoering geven aan het Nationaal Implementatieplan Invasieve exoten.

Kaderrichtlijn Mariene Strategie/ Noordzee

Deel I van de EU-Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) beschrijft de huidige toestand van het mariene systeem, de gewenste toestand in 2020 en de daarbij behorende doelen en indicatoren. In 2014 is een monitoringsprogramma vastgesteld. Volgens de KRM dient in 2015 het maatregelenprogramma te worden opgesteld. Een deel van het budget betreft de EZ bijdrage aan het Informatiehuis Marien, een gemeenschappelijk initiatief van de Ministeries van Infrastructuur en Milieu en EZ om alle mariene informatie en onderzoeksgegevens over de Noordzee op één plek toegankelijk te maken voor belangstellenden, overheden en professionals. Tevens heeft het Informatiehuis Marien een coördinerende rol in de uitvoering van het KRM-monitoringsprogramma toebedeeld gekregen.

Natura 2000

Het netwerk van Natura 2000-gebieden zorgt voor het versterken en beschermen van de Nederlandse natuur. Als de natuur voldoende krachtig is, gaan natuur, economie en gebruik beter samen. Natura 2000 heeft tot doel Europees belangrijke natuurwaarden te beschermen. Dit gebeurt door middel van het aanwijzen van gebieden en het gericht beheer van deze gebieden. De aanwijzing van de gebieden is de verantwoordelijkheid van EZ evenals het opstellen van een kwart van de beheerplannen voor de 160 Natura 2000-gebieden. Hiertoe zijn opdrachten verstrekt aan verschillende specialistische partijen voor ecologische advisering, alsmede aan partijen die ondersteunen bij de inspraakprocedures op de vast te stellen aanwijzingsbesluiten en beheerplannen. EZ verwacht in 2015 de aanwijzing van alle N2000-gebieden af te ronden. EZ is in dit kader tevens verantwoordelijk voor rapportage aan de Europese Commissie betreffende de «staat van instandhouding».

Monitoring

Het verzamelen van gegevens over planten, dieren en habitats (monitoring) is nodig voor het volgen van internationale natuurdoelen en het bedienen van de internationale rapportages op het gebied van natuur- en biodiversiteit (waaronder de EU-richtlijnen, CBD, Kyoto, CITES, Bonn, Waddenverdrag). De gegevens worden opgeslagen in een databank (Nederlandse databank flora en fauna). Het rijk financiert mee aan het onderhoud en de exploitatie van deze databank. Het CBS zorgt voor de statistische bewerking van natuurgegevens tot trends, omvang populaties en verspreidingsbeelden. In aanvulling hierop zullen de provincies na decentralisatie informatie voor Natura 2000, met name de Habitatrichtlijn, aanleveren.

Internationale biodiversiteit

Dit budget wordt onder meer gebruikt voor bijdragen aan internationale organisaties of in het kader van internationale verdragen, zoals de Conventie inzake Biologische Diversiteit (CBD), CITES, CMS, Ramsar en IWC, voor het nakomen van internationale verplichtingen door Nederland.

Caribisch Nederland

Op grond van de Wet grondslagen natuurbeheer en bescherming BES is EZ verantwoordelijk voor de implementatie van Internationale verdragen (CBD, Cartagena/ SPAW protocol, CITES, CMS, IAC en Ramsar) in Caribisch Nederland (Bonaire, Saba en Sint Eustatius). Uitvoering betreft een wettelijke verplichting gericht op onder meer de ontwikkeling van een natuurbeleidsplan, monitoring, rapportage, onderzoek & educatie, toezicht, handhaving en vergunningverlening. Het natuurbeleidsplan Caribisch Nederland richt zich op bescherming van kwetsbare soorten en gebieden (koraalriffen), afspraken met landen in de regio en de balans tussen biodiversiteit, recreatief gebruik en toerisme.

Overig

Dit begrotingsinstrument bevat onder andere de middelen voor de transitiekosten naar een nieuw stelsel van (collectief) agrarisch natuurbeheer, kosten voor «in beslag genomen goederen» (IBG), twee kleine opdrachten in het kader van soortenbeleid (hamsterbeheer en beheer genenbank) en voor de Leerstoel agrarisch natuurbeheer.

Bijdragen aan medeoverheden

Caribisch Nederland

Eenmalig is een bedrag toegezegd van € 7,5 mln voor natuurprojecten in Caribisch Nederland in de periode 2014 tot en met 2017. De doelen die hiermee worden nagestreefd zijn behoud van koraal, in het bijzonder erosiebestrijding; duurzaam gebruik van natuur bijvoorbeeld door toegankelijkheid te vergroten; synergie tussen natuur en landgebruik (landbouw en toerisme). De gelden worden beschikbaar gesteld als eenmalige bijzondere uitkering op basis van de Wet financiën BES. Hiertoe is een ministeriële regeling opgesteld. Hierin zijn de voorschriften opgenomen op basis waarvan de bestuurscolleges van de eilanden projecten in aanmerking kunnen laten komen voor de bijzondere uitkering.

Decentralisatiemiddelen Natuur

Het betreft hier de te decentraliseren € 41 mln conform afspraken met Provincies over het overnemen van 400 fte aan DLG-personeel, en enkele kleine kosten die verband houden met de afronding van de decentralisatie van het Faunafonds. Deze middelen zullen naar verwachting de eerste helft van 2015 aan de provincies worden uitgekeerd nadat afspraken concreet zijn uitgewerkt en ingevuld. De overige middelen voor de gedecentraliseerde onderdelen van het natuurbeleid zijn, via het Provinciefonds, reeds aan provincies beschikbaar gesteld.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Staatsbosbeheer

De ZBO Staatsbosbeheer (SBB) is belast met het beheer (waaronder vervreemding of verkrijging) van objecten, met als doel aanwezige en potentiële natuurwetenschappelijke, bosbouwkundige, landschappelijke, recreatieve, archeologische, aardkundige of cultuurhistorische waarden, en met die waarden verband houdende educatieve waarden, in het algemeen belang duurzaam in stand te houden, onderscheidenlijk met het oog daarop te ontwikkelen. Het budget voor beheer van het Natuurnetwerk Nederland is gedecentraliseerd naar de provincies en hiertoe toegevoegd aan de algemene uitkering in het Provinciefonds. Het budget voor de eigenaarslasten blijft op de rijksbegroting. Het betreft hier een bijdrage aan de organisatiekosten van SBB en voor aanvullende opdrachten en projecten zoals het beheer van rijksmonumenten en de organisatie van Boomfeestdag.

Indicator

Referentie-waarde

Peildatum

Raming 2015

Streef-waarde

Planning

Bron

Aantal definitief aangewezen Natura 2000 gebieden

34

2010

160

160

2015

EZ

Aantal definitief vastgestelde EZ- beheerplannen

0

2010

40

40

2015

EZ

Toelichting

  • •  In Nederland worden in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn ruim 160 gebieden aangewezen. Besluitvorming over de aanwijzingen van de meeste gebieden heeft in 2013 en 2014 plaatsgevonden. Het streven is om alle aanwijzingen in 2015 definitief te maken.
  • •  Voor elk N2000 gebied dient een beheerplan te worden vastgesteld. EZ is voortouwnemer bij het opstellen van 40 beheerplannen.

Bijdragen aan agentschappen

Dienst Landelijk Gebied (DLG)

De bijdrage voor DLG is onder andere voor de uitvoering van taken op het gebied van de natuurvisie, de systeemverantwoordelijkheid van het Rijk voor het natuurbeleid, taken die zijn gericht op ondersteuning van de ruimtelijke doorwerking van EZ-beleid en voor het GIS Competence Centre. Voor 2015 betreft het eveneens het te decentraliseren bedrag van € 41 mln dat samenhangt met de afspraken met de provincies over het overnemen van 400 fte aan DLG-personeel. Deze middelen zullen naar verwachting de eerste helft van 2015 naar het Provinciefonds worden overgeheveld, wanneer de afspraken concreet zijn uitgewerkt.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

De bijdrage is onder meer voor de uitvoering van taken voor het versterken van de regio en economie, ecologie (internationaal) en de wisselwerking daartussen en voor activiteiten ten behoeve van de omslag naar een nieuw stelsel van agrarisch natuurbeheer.

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

De bijdrage is voornamelijk bestemd voor taken in het kader van toezicht bij (inter)nationaal soorten- en gebiedenbeleid.

Toelichting op de ontvangsten

Landinrichtingsrente

Tot aan de start van het ILG in 2007 werd wettelijke landinrichting uitgevoerd op basis van de Landinrichtingswet. Op grond van deze wet schiet het Rijk de kosten van een landinrichting voor en worden de kosten daarna door de gezamenlijke eigenaren terugbetaald. Dit gebeurt in 26 jaar door middel van de landinrichtingsrente. Op dit moment zijn er nog diverse projecten op basis van de Landinrichtingswet in uitvoering. Op basis hiervan wordt voorzien dat het Rijk nog circa 30 jaar landinrichtingsrente zal ontvangen.

Verkoop gronden

In het regeerakkoord uit 2010 is sprake van een inkomstentaakstelling uit de verkoop van gronden van ZBO’s (BBL en SBB) gelegen buiten de EHS, of via overige inkomstenbronnen. Met het sluiten van de bestuursovereenkomst grond en de verkoop van de BBL-grondvoorraad aan de Provincies is een groot deel van de taakstelling gedekt.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Naast onderstaande regelingen neemt ook de Natuurschoonwet een belangrijke plaats in. Deze Nederlandse wet biedt fiscale voordelen aan eigenaars van landgoederen

Bedragen x € 1 mln
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Vrijstelling landinrichting

1

1

1

1

1

1

1

Vrijstelling Bureau Beheer Landbouwgronden

3

11

11

12

12

13

14

Bosbouwvrijstelling

1

1

1

1

1

1

1

Vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer

6

6

6

6

6

6

6

Vrijstelling bos- en natuurterreinen en landgoederen forfaitaire rendement

6

7

7

7

8

8

8

Vrijstelling natuurgrond

2

3

3

4

4

4

4

Noot 20: TK II, 24 095, nr. 261

Noot 21: In figuur 1 zijn de instrumenten in dit begrotingsartikel (kasbedragen 2015) opgenomen die gericht zijn op het stimuleren van innovatie bij bedrijven, hetzij in de vorm van eigen onderzoek, ontwikkeling en innovatie, dan wel innovatie in een publiek-privaat samenwerkingsverband: WBSO, RDA, Innovatiefonds MKB+, Eurostars, TKI-toeslag, MIT-regeling, JTI’s en Eurekaclusters. De indeling generiek/specifiek sluit aan bij de overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren in hoofdstuk 1.

Noot 22: Voor figuur 2a zijn de instrumenten meegenomen in dit begrotingsartikel (kasbedragen 2015) die direct ten gunste komen van bedrijven: WBSO, RDA, Innovatiefonds MKB+, MIT-regeling (inclusief IPC), Eurostars en JTI’s/Eurekaclusters. Gebruikersaantallen over 2013 (bron: RVO) geven inzicht in de verdeling tussen gebruikers behorend tot het MKB en grootbedrijf. Het aandeel MKB is een gemiddelde van de gebruikersaandelen van het MKB per instrument, gewogen naar de budgetomvang van het instrument in 2015.

Noot 23: TROPOMI is een Nederlands satelliet instrument dat zeer nauwkeurig gegevens gaat leveren van onze atmosfeer.

Noot 24: TK, 32 637, nr. 146.

Noot 25: Compensatie van ondernemers die in 2007 of 2008 hebben geïnvesteerd in een stal of een kas en voor die jaren niet in aanmerking kwamen voor de VAMIL-regeling.

Noot 26: Gezamenlijke afspraak tussen het Ministerie van Economische Zaken, onderwijsinstellingen en het bedrijfsleven.

Noot 27: Indicatordoelen conform Bern-verdrag, Biodiversiteitsverdrag en de EU-biodiversiteitsdoelstelling (het biodiversiteitsverlies in de EU uiterlijk in 2020 tot staan brengen en, voor zover het haalbaar is, ongedaan maken))