Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015

34306 C VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vergaderjaar 2017-2018

C

Vastgesteld 15 februari 2018

De leden van de vaste commissie voor Financiën1 hebben kennisgenomen van de brief van de toenmalige Staatssecretaris van Financiën van 29 september 2017, waarin hij ingaat op de nadere vragen van de leden van de commissie in het kader van de anti-hybridebepaling in de Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015.

De leden van de CDA-fractie hebben naar aanleiding hiervan nog enkele vragen gesteld aan de toenmalige Staatssecretaris van Financiën op 24 oktober 2017. De leden van de VVD-fractie hebben zich bij deze vragen aangesloten.

De huidige Staatssecretaris van Financiën heeft bij brieven van 16 november 2017 en 13 februari 2018 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde nader schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Financiën,
Van Dooren

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIËN

Aan de Staatssecretaris van Financiën

Den Haag, 24 oktober 2017

De leden van de vaste commissie voor Financiën (FIN) hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief van 29 september 2017, waarin u ingaat op de nadere vragen van de leden van de commissie in het kader van de anti-hybridebepaling in de Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015. De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de beantwoording. Deze leden hebben naar aanleiding hiervan nog enkele vragen, waarbij de leden van de VVD-fractie zich aansluiten.

De leden van de CDA-fractie lezen in uw brief dat er in twaalf gevallen sprake is geweest van vooroverleg over de anti-hybridebepaling in de Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015, waarvan er twee hebben geleid tot hardheidsclausuleverzoeken die in maart 2017 conform het bestaande beleid zijn afgewezen.

Daarmee is de vraag naar het vooroverleg dat gaande was op respectievelijk 27 mei 2016 en 20 september 2016 volgens deze leden niet beantwoord. De leden van de CDA-fractie verzoeken u dat alsnog te doen. Tevens vragen zij zich af wat moet worden verstaan onder «het bestaande beleid», zoals genoemd in uw brief, en waar dat bestaande beleid is gepubliceerd.

Uit het antwoord van de Staatssecretaris leiden de leden van de CDA-fractie af dat in het kader van de toepassing van artikel 13, zeventiende lid van de Wet VpB 19692 «aftrekbaar» betekent dat de vergoeding naar haar aard voor aftrek in aanmerking komt. Als een vrijstelling «is vormgegeven door middel van het toestaan van een aftrek van dividend onder de voorwaarde dat (een groot deel van) de winst jaarlijks wordt uitgekeerd, terwijl buiten de toepassing van dit speciale regime dividenden in zijn algemeenheid niet aftrekbaar zijn», dan lijkt dat geen andere conclusie toe te laten dan dat in een dergelijk geval het dividend niet naar zijn aard aftrekbaar is, maar louter op grond van een speciale regeling aftrekbaar is. De leden van de CDA-fractie vragen zich dan ook af of u van mening bent dat dan ook in dat geval sprake is van een naar zijn aard aftrekbaar dividend.

De leden van de CDA-fractie zouden het op prijs stellen wanneer u één en ander wilt toelichten en daarbij mede acht zou willen slaan op:

  • –  hetgeen tijdens de behandeling in de Tweede Kamer op dit punt in de Nota naar aanleiding van het Verslag is opgemerkt: «Het voorgestelde artikel 13, zeventiende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet VpB 1969) ziet niet op mismatches die het gevolg zijn van een verschillende verrekenprijsbenadering. Het voorgestelde artikel ziet op mismatches die het gevolg zijn van het karakter van het instrument. Hierdoor beoordeelt de ene staat de ter zake van de op de hybride verstrekking betrekking hebbende vergoeding of betaling naar hun aard anders dan de andere staat. De voorgestelde bepaling is van toepassing op vergoedingen of betalingen die naar hun aard aftrekbaar zijn.»3
  • –  hetgeen in het Action 2 Report van het Base Erosion and Profit Shifting Project (BEPS) van de OESO is geschreven bij het betreffende voorbeeld 1.10: «The deductibility of the dividend turns on B Co’s special tax status as REIT not on the terms of the instrument.» en «... one way of testing for whether a mismatch is attributable to the terms of the instrument is to ask whether the same mismatch would have arisen between taxpayers of ordinary status.»4

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat de vraag, gesteld per brief van 12 juli 2017, welke criteria bepalend zijn voor het oordeel of een betaling naar zijn aard aftrekbaar is zijdelings is belicht, maar de vraag zelf niet is beantwoord. De leden van de CDA-fractie stellen het op prijs alsnog antwoord te krijgen op de gestelde vraag.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af waarom het niet relevant zou zijn dat de vergoeding onderhevig is aan (niet verrekenbare) dividendbelasting? Immers, dit zorgt er voor dat het dividend (en wel als brutoresultaat), op één niveau, in casu. op het niveau van de aandeelhouder, wordt belast. Kunt u nog eens uitleggen hoe uw standpunt bezien moet worden in het licht van de uitlating van de Commissie dat de voorgestelde wijzigingen van artikel 4.1 van de Richtlijn5 niet bedoeld zijn om toegepast te worden als er geen sprake is van dubbele niet-heffing?6
In het antwoord wordt verwezen naar de aanbeveling van het OESO BEPS Action 2 Report, voorbeeld 1.107 om de door een REIT uitgekeerde winst bij de ontvanger niet vrij te stellen, ook al is er geen sprake van een hybride financieel instrument. De leden van de CDA-fractie zouden graag van u willen vernemen of u het juist acht dat de OESO hierbij geen rekening houdt met de mogelijkheid dat (niet verrekenbare) dividendbelasting wordt ingehouden op de uitgekeerde winst?
Het genoemde voorbeeld 1.10 ziet op een vrijstelling bij de ontvanger die de bedoeling heeft economisch dubbele belasting weg te nemen en kennelijk in de ogen van de OESO overbodig is als daarvan geen sprake is. De Nederlandse deelnemingsvrijstelling met betrekking tot vastgoeddeelnemingen is echter gegrond op het soevereiniteitsbeginsel (de heffing over vastgoed valt toe aan het bronland).8 De leden van de CDA-fractie begrijpen dan ook niet waarom de regering in het antwoord verwijst naar de genoemde aanbeveling. Kunt u hier nog eens op ingaan?

De leden van de CDA-fractie zouden graag een reactie willen hebben op de stelling dat het beleid dat wordt voorgestaan niet alleen in strijd lijkt met de uitgangspunten van de deelnemingsvrijstelling als het gaat om vastgoeddeelnemingen, maar ook tot een ongefundeerd en ongerechtvaardigd verschil leidt tussen de fiscale behandeling van twee economisch zelfde situaties, namelijk die van dividenden uit een niet onderworpen vastgoeddeelneming en die van dividenden uit een REIT-dochter, zoals hier beschreven.

Het begrip «lichaam» maakt deel uit van de bewoordingen van artikel 13, zeventiende lid van de Wet vpb 1969. Ervan uitgaande dat dit begrip richtlijn-conform dient te worden uitgelegd, betekent dit dat het artikel niet van toepassing is op de onderhavige deelnemingen9. De leden van de CDA-fractie hebben op basis van uw beantwoording de indruk gekregen dat u een andere mening bent toegedaan. Klopt dat? Kunt u dat toelichten?

De leden van de vaste commissie voor Financiën zien uw reactie met belangstelling en bij voorkeur binnen vier weken na dagtekening van deze brief tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,
F.H.G. de Grave

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 november 2017

Hierbij deel ik u mede dat ik de door de vaste commissie voor Financiën in de brief van 24 oktober 2017 gestelde vragen in het kader van de antihybridebepaling in de Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015 (met kenmerk 159288.03u) niet binnen de gevraagde termijn van vier weken kan beantwoorden.

Met het oog op de werkzaamheden voor het pakket Belastingplan 2018 en het Regeerakkoord is de gevraagde termijn niet haalbaar gebleken. Daarnaast is voor de beantwoording van deze vragen nadere afstemming noodzakelijk. Hierdoor duurt het beantwoorden van de Kamervragen langer dan vier weken.

Ik streef ernaar deze vragen uiterlijk in januari 2018 te beantwoorden.

De Staatssecretaris van Financiën,
M. Snel

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 februari 2018

In mijn brief van 16 november 2017 heb ik aangegeven de in uw brief van 24 oktober 2017 gestelde vragen in het kader van de antihybridebepaling in de Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015 (met kenmerk 159288.03u) niet binnen de gevraagde termijn van vier weken te kunnen beantwoorden. Het voorgaande met het oog op de toen nog lopende werkzaamheden voor het pakket Belastingplan 2018 en het Regeerakkoord. Ik heb daarbij aangegeven ernaar te streven de vragen uiterlijk in januari 2018 te beantwoorden. Helaas is dat niet gelukt. Niettemin treft u in deze brief de toegezegde beantwoording aan.

Ik heb met interesse kennisgenomen van de vragen van de leden van de fractie van het CDA, waarbij de leden van de fractie van de VVD zich aansluiten. De vragen zien op de uitwerking van de per 1 januari 2016 geïmplementeerde antihybridebepaling uit de Moeder-dochterrichtlijn10 in het geval dat een Nederlandse vennootschapsbelastingplichtige dividend ontvangt dat aftrekbaar is geweest binnen een buitenlands regime voor vastgoedmaatschappijen. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet aanpassing fiscale eenheid11, daaropvolgend in enkele hardheidsclausuleverzoeken en de vorige set vragen van de leden van de fractie van het CDA, waarbij de leden van de fractie van de VVD zich eveneens hebben aangesloten,12 is mij de vraag voorgelegd of in deze situaties artikel 13, zeventiende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) van toepassing is. Indien dat het geval is, vindt de deelnemingsvrijstelling geen toepassing op de van de vastgoedmaatschappijen ontvangen dividenden. Deze vraag heb ik in mijn vorige brief bevestigend beantwoord. Ook bij de vervolgvragen over dit onderwerp hecht ik eraan te benadrukken dat ik geen aanleiding zie om van deze lijn af te wijken.

De antihybridebepaling van artikel 13, zeventiende lid, van de Wet Vpb 1969 heeft als doel belastingontwijking door middel van hybridemismatchstructuren tegen te gaan voor zover in deelnemingsverhoudingen sprake is van aftrekbare vergoedingen of betalingen. Inherent hieraan is dat de bepaling aangrijpt bij aftrekbaarheid van vergoedingen of betalingen. Dat als gevolg daarvan een deelneming in een van winstbelasting vrijgestelde vastgoedvennootschap niet wordt geraakt door artikel 13, zeventiende lid, van de Wet Vpb 1969, is niet onvoorzien. In de onderhavige gevallen leidt deze toepassing bovendien tot het gewenste resultaat van een effectieve vrijstelling op het niveau van de vastgoedvennootschap en een heffing bij de aandeelhouder (enkelvoudige heffing). Deze uitkomst is naar de mening van het kabinet in lijn met het eindrapport inzake actiepunt 2 over de neutralisering van hybridemismatchstructuren van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in het kader van het Base Erosion Profit Shifting (BEPS)-project. Wel deelnemingsvrijstelling toepassen zou hier afbreuk aan doen.

De leden van de fracties van het CDA en de VVD herhalen een vraag over de aard van de investeringen, de betrokken landen en het aantal vooroverleggen dat gaande was op respectievelijk 27 mei 2016 en 20 september 2016. Dit zijn de data waarop mijn ambtsvoorganger daar in een fiscale moties- en toezeggingenbrief naar refereerde. In beide brieven heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat van vooroverleg sprake was, maar dat op die momenten geen niet-oplosbare gevallen waren gebleken. Er zijn twaalf gevallen bekend van vooroverleg over de toepassing van artikel 13, zeventiende lid, van de Wet Vpb 1969. Het merendeel van de gevallen zag op investeringen in vastgoedmaatschappijen in Japan en Zuid-Korea.

Voorts vragen de leden van de fracties van het CDA en de VVD wat onder «het bestaande beleid» moet worden verstaan zoals gebezigd in de antwoordbrief van 29 september 201713. Met het bestaande beleid wordt bedoeld dat op grond van artikel 13, zeventiende lid, van de Wet Vpb 1969 de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is op vergoedingen of betalingen die bij het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden rechtens dan wel in feite direct of indirect aftrekbaar zijn voor de winstbelasting. Tevens valt hieronder hetgeen in de parlementaire stukken over artikel 13, zeventiende lid, van de Wet Vpb 1969 aan de orde is gekomen.
De leden van de fracties van het CDA en de VVD stellen een vraag over een speciaal regime, zoals het onderhavige vastgoedregime in Japan en Zuid-Korea, waarin dividenden aftrekbaar zijn onder de voorwaarde dat (een groot deel van) de winst jaarlijks wordt uitgekeerd. Als buiten de toepassing van dit speciale regime dividenden in zijn algemeenheid niet aftrekbaar zijn, willen zij weten of ik hun conclusie deel dat in een dergelijk geval het dividend niet naar zijn aard aftrekbaar is. Als ik die mening niet ben toegedaan, vragen zij voorts welke criteria relevant zijn bij de beoordeling of een vergoeding naar zijn aard aftrekbaar is. Voorts vragen de leden of ik daarbij acht wil slaan op een passage in de nota naar aanleiding van het verslag die beschrijft dat artikel 13, zeventiende lid, van de Wet Vpb 1969 ziet op mismatches die het gevolg zijn van het karakter van een instrument14.
Ik ben van mening dat in de situatie waarnaar deze leden vragen de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is op de ontvangen dividenden. Het feit dat in het desbetreffende land dividenden buiten de context van dit regime voor vastgoedmaatschappijen niet aftrekbaar zijn, is in dit kader geen relevant criterium. De beoordeling dient plaats te vinden binnen de context van het desbetreffende regime en binnen dit regime is dividend naar zijn aard aftrekbaar. Hetgeen is opgemerkt in de nota naar aanleiding van het verslag beperkt die uitleg naar mijn mening niet tot hybride instrumenten. Hierbij wijs ik op mijn antwoord in dezelfde nota naar aanleiding van het verslag of de voorgestelde bepaling zo uitwerkt dat de Braziliaanse allowance for corporate equity in Nederland wordt belast. Ik heb hierop geantwoord dat artikel 13, zeventiende lid, van de Wet Vpb 1969 van toepassing is op de betalingen onder het Braziliaanse allowance for corporate equity regime, omdat dit betalingen zijn die naar hun aard in het land van de dochtermaatschappij in aftrek kunnen worden gebracht.15 Van een verschil van inzicht over de kwalificatie van het instrument is geen sprake (Nederland betwist niet dat sprake is van een eigenvermogensverstrekking).
De leden van de fracties van het CDA en de VVD vragen ten slotte waarom het niet relevant zou zijn dat de vergoeding onderhevig is aan een (niet-verrekenbare) dividendbelasting. Voor de toepassing van artikel 13, zeventiende lid, van de Wet Vpb 1969 is niet relevant of een aftrekbare vergoeding of betaling onderhevig is aan een bronheffing. Immers, de bronheffing ten laste van de ontvangende partij doet geen afbreuk aan de aftrekbaarheid voor de winstbelasting op het niveau van het lichaam dat de winstuitdeling doet. In dit kader verwijs ik naar het eindrapport inzake actiepunt 2 over de neutralisering van hybridemismatchstructuren dat de OESO na afloop van het BEPS-project heeft gepubliceerd. Hierin is het algemene uitgangspunt verwoord dat bronheffingen hybridemismatches niet neutraliseren16.

De Staatssecretaris van Financiën,
M. Snel

Noot 1: Samenstelling:Nagel (50PLUS), Ten Hoeve (OSF), Knip (VVD), Backer (D66), Ester (CU), De Grave (VVD) (voorzitter), vac. (CDA) (vice-voorzitter), Postema (PvdA), Sent (PvdA), Van Strien (PVV), Vos (GL), Kok (PVV), Bruijn (VVD), Van Beek (PVV), Van Apeldoorn (SP), N.J.J. van Kesteren (CDA), Knapen (CDA), Köhler (SP), Prast (D66), Van Rij (CDA) (vice-voorzitter), Rinnooy Kan (D66), Schalk (SGP), Teunissen (PvdD), Van de Ven (VVD), vac. (PvdA), Overbeek (SP).

Noot 2: Wet op de Vennootschapsbelasting 1969, artikel 13.

Noot 3: Kamerstukken II, 2015–2016, 34 306, nr. 6.

Noot 4: OESO, Base Erosion and Profit Shifting Project, Action 2: 2015 Final Report, «Neutralising the Effects of Hybrid Mismatch Arrangements», p. 203, 204.

Noot 5: Richtlijn (EU) 2015/121 van de Raad van 27 januari 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/96/EU betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten.

Noot 6: Zie de persverklaring van 8 juli 2014 (doc. 11647/14), waar o.a. doc. 11291/14 ADD 1 als link is opgenomen, te raadplegen via: http://register.consilium.europa.eu/doc/srv?l=EN&f=ST%2011647%202014%20INIT.

Noot 7: OESO, Base Erosion and Profit Shifting Project, Action 2: 2015 Final Report, «Neutralising the Effectsof Hybrid Mismatch Arrangements», p. 203, 204.

Noot 8: Zo blijkt uit Kamerstukken II, 2006–2007, nr 30 572, nr. 12, p. 14 en p. 16.

Noot 9: Hof van Justitie van de Europese Unie, C-448/15.

Noot 10: Richtlijn 2015/121/EU van de Raad van 27 januari 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/96/EU betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (PbEU 2015, L 21).

Noot 11: Handelingen II 2015/16, 34 323, nr. 107, item 12, p. 1–2, en Kamerstukken II 2015/16, 34 323, nr. 12, p. 5.

Noot 12: Kamerstukken I 2017/18, 34 306, B.

Noot 13: Brief van de Staatssecretaris van Financiën betreffende nadere vragen in het kader van de anti-hybridebepaling in de Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015 met kenmerk 2017–0000188796.

Noot 14: Kamerstukken II 2015/2016, 34 306, nr. 6.

Noot 15: Kamerstukken II 2015/2016, 34 306, nr. 6, blz. 4.

Noot 16: Zie het eindrapport van actiepunt 2 van het BEPS-project (2015), p. 127.