Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

FINANCIEEL BEELD ZORG BEGROTING 2016

1. Inleiding

In het Financieel Beeld Zorg (FBZ) staat de ontwikkeling van het Budgettair Kader Zorg (BKZ) centraal. Hierin worden de financiële ontwikkelingen binnen de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz), de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), Jeugdwet en de begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven afzonderlijk toegelicht.

Het FBZ bestaat uit de volgende onderdelen:

  • 1.  Inleiding
  • 2.  Zorguitgaven in vogelvlucht
    • 2.1.  Ontwikkeling van het BKZ en de netto-BKZ-uitgaven
    • 2.2.  Horizontale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per sector
    • 2.3.  Verticale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten
  • 3.  Uitgaven Budgettair Kader Zorg
    • 3.1.  Zorgverzekeringswet (Zvw)
    • 3.1.1.  Algemene doelstelling
    • 3.1.2.  Rol en verantwoordelijkheid Minister
    • 3.1.3.  Kerncijfers
    • 3.1.4.  Verticale ontwikkeling van de Zvw-uitgaven en -ontvangsten
    • 3.2.  Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en Jeugdwet
    • 3.2.1.  Algemene doelstelling
    • 3.2.2.  Rol en verantwoordelijkheid Minister
    • 3.2.3.  Kerncijfers
    • 3.2.4.  Verticale ontwikkeling van de Wlz, Wmo en Jeugdwet-uitgaven en -ontvangsten
    • 3.3.  Begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven
  • 4.  Financiering van de zorguitgaven
    • 4.1.  Totaalbeeld
    • 4.2.  De financieringssystematiek
    • 4.3.  De financiering in 2016
    • 4.3.1.  Zorgverzekeringswet (Zvw)
    • 4.3.2.  Wet langdurige zorg (Wlz)
    • 4.3.3.  Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
    • 4.4.  Wat betaalt de gemiddelde burger aan zorg
  • 5.  Meerjarige ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten
    • 5.1.  Actuele stand van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per sector 2012–2014
    • 5.2.  Ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten 2006–2016
  • 6.  Verdieping Financieel Beeld Zorg
    • 6.1.  Verdieping in de BKZ-deelsectoren
    • 6.1.1.  Zorgverzekeringswet (Zvw)
    • 6.1.2.  Wet langdurige zorg (Wlz)

In het verdiepingshoofdstuk «Verdieping Financieel Beeld Zorg» wordt een gedetailleerd overzicht gegeven van de ontwikkelingen binnen het Budgettair Kader Zorg op het niveau van de deelsectoren binnen de Zvw en de Wlz.

Het Budgettair Kader Zorg

De BKZ-uitgaven bestaan uit de zorguitgaven op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz). Een deel van de begrotingsuitgaven wordt ook toegerekend aan het BKZ. Tot deze categorie hoort een deel van de uitgaven aan de zorgopleidingen, de uitgaven van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg), de uitgaven voor zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland en de subsidieregeling overgang integrale tarieven medisch-specialistische zorg. Deze uitgaven worden op de VWS-begroting verantwoord. Tot slot zijn er BKZ-uitgaven die via andere begrotingshoofdstukken beschikbaar komen. Het gaat hierbij om de middelen die via het Gemeentefonds worden uitgekeerd aan gemeenten voor uitgaven in het kader van de Wmo 2015 en de Jeugdwet.

Tabel 1 De bruto-BKZ-uitgaven en -ontvangsten.

Tabel 1 Samenstelling van de bruto-BKZ-uitgaven en -ontvangsten naar financieringsbron (bedragen x € 1 miljard)1Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Omschrijving

2016

Bruto-BKZ-uitgaven stand ontwerpbegroting 2016

72,9

Premiegefinancierd

65,8

waarvan Zvw

45,9

waarvan Wlz

19,9

Begrotingsgefinancierd

7,1

waarvan Wmo en Jeugdwet

6,7

waarvan overig begrotingsgefinancierd2

0,4

BKZ-ontvangsten standontwerpbegroting 2016

5,0

waarvan eigen bijdrage Zvw

3,2

waarvan eigen bijdrage Wlz

1,8

Netto-BKZ-uitgaven stand ontwerpbegroting 2016

67,8

Noot 2: Onder de post «overig begrotingsgefinancierd» zijn opgenomen de subsidieregeling overgang integrale tarieven medisch-specialistische zorg, zorgopleidingen, Wtcg, zorg Caribisch Nederland, subsidieregeling abortusklinieken en loon- en prijsbijstelling.

Bron: VWS, gegevens Zorginstituut Nederland over (voorlopige) financieringslasten Zvw en Wlz en NZa-gegevens over de productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens.

Figuur 1 De bruto-BKZ-uitgaven per sector als aandeel in de totale BKZ-uitgaven.

2. Zorguitgaven in vogelvlucht

Goede, toegankelijke en betaalbare zorg voor iedereen, nu en in de toekomst. Dat was de ambitie die dit kabinet zich aan de start van deze kabinetsperiode stelde. Om die ambitie waar te maken, was het allereerst nodig om orde op zaken te stellen. De reële uitgavengroei in de zorg lag jarenlang hoger dan op de lange termijn houdbaar was. Dat pad is nu doorbroken. Voor het eerst in meer dan een decennium ontwikkelen de zorguitgaven zich beheerst en groeien de uitgaven minder hard. 2015 is zelfs een jaar waarin de zorguitgaven naar verwachting nauwelijks stijgen. Ook de komende jaren blijven de uitgaven ruim onder de eerder vastgestelde kaders.

Figuur 2 Ontwikkeling van de netto-BKZ-uitgaven 2006–2016

De volgende uitdaging is om deze gematigde groei vast te houden; voor elke Nederlander is het belangrijk dat de zorgkosten en zorgpremie niet te hoog oplopen. Tegelijkertijd moeten we verder werken aan kwaliteit, vernieuwing en gezondheid. Dit kan alleen als er nu wordt doorgepakt op de bewegingen die in gang zijn gezet. De tweede helft van de kabinetsperiode staat daarmee in het teken van verdere uitwerking van gemaakte plannen en uitvoering van aangenomen wet- en regelgeving. Dat is cruciaal om de noodzakelijke veranderingen in de zorg in goede banen te leiden.

In de curatieve zorg creëren de Hoofdlijnenakkoorden rust en ruimte om te werken aan verbetering van het stelsel en innovatie. Met Kwaliteit loont neemt dit kabinet de maatregelen om langs de weg van kwaliteitsverbetering in samenwerking met de Hoofdlijnenakkoorden een aanzienlijk besparing op de zorgkosten te realiseren. Kern van de maatregelen is dat het voor patiënten, zorgverleners en verzekeraars lonender wordt om te kiezen voor de beste zorg.

In de langdurige zorg is er ook bijzondere aandacht voor de kwaliteit. Met de hervormingen in de langdurige zorg en ondersteuning sluit dit kabinet aan bij de ontwikkelingen van deze tijd. Zowel in de ouderenzorg, de geestelijke gezondheidszorg als in de gehandicaptenzorg zien we dat mensen langer meedoen, langer zelfstandig blijven en zelfredzaam zijn. Om die ontwikkelingen te faciliteren zijn verschillende zorgtaken naar gemeenten overgeheveld. Tegelijkertijd wil dit kabinet met Waardigheid en Trots de verpleeghuiszorg verder verbeteren. Door te investeren in goed opgeleid personeel en het schrappen van onnodige regels, maar ook door bij de instellingszorg meer rekening te houden met de specifieke zorgvraag per cliënt en niet alleen te «zorgen voor», maar ook te «zorgen mét» familie en vrienden.

Ten slotte zet dit kabinet in op preventie en een gezonde leefstijl. Want misschien wel de oudste wijsheid over gezondheid is dat voorkomen beter is dan genezen. Talloze onderzoeken wijzen uit dat preventie loont, zowel in termen van gezondheidswinst als sociaaleconomisch rendement. Preventie voorkomt daarmee ook onnodige zorguitgaven.

2.1 Ontwikkeling van het Budgettair Kader Zorg en de netto-BKZ-uitgaven

Het Budgettair Kader Zorg legt aan het begin van de kabinetsperiode de genormeerde ontwikkeling van de collectieve zorguitgaven vast voor elk van de komende vier jaren. Gedurende de kabinetsperiode wordt het kader aangepast voor de jaarlijkse prijsstijging. Hiervoor wordt de CPB-raming van de prijsindex van de nationale bestedingen (pNB) gebruikt.

Het BKZ is bij de start van het kabinet-Rutte-Asscher voor de periode 2013–2017 vastgesteld bij Startnota (TK 33 400, nr. 18). Op deze stand zijn de maatregelen uit het aanvullend beleidspakket en de macro-economische doorwerking conform de laatste inzichten van het CPB verwerkt. Bij de start zijn de uitgavenkaders herijkt en is de stand ontwerpbegroting 2013 (TK 33 400 XVI, nr. 1 en 33 400 XVI, nr. 2) als uitgangspunt genomen. Voor het BKZ betekende dit voor het jaar 2015 een neerwaartse aanpassing met € 1.274 miljoen.

Na de Startnota zijn de uitgavenkaders opnieuw herijkt en is de stand ontwerpbegroting 2014 (TK 33 750 XVI, nr. 1 en 33 750 XVI, nr. 2) als uitgangspunt genomen. Voor het BKZ betekende dit opnieuw een neerwaartse aanpassing voor het jaar 2015 met € 154 miljoen, voor 2016 met € 558 miljoen en voor 2017 met € 757 miljoen.

Tabel 2 laat de ontwikkeling zien van het BKZ en de netto-BKZ-uitgaven in de periode 2015 tot en met 2017 vanaf de stand ontwerpbegroting 2015.

Tabel 2 Ontwikkeling van het BKZ en de netto-BKZ-uitgaven 2015–2017 (bedragen x € 1 miljoen)1Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.
 

2015

2016

2017

BKZ stand ontwerpbegroting 2015

66.450

69.102

71.011

Prijs nationale bestedingen (pNB)

– 643

– 633

– 650

IJklijnmutaties

– 73

95

88

Bijstelling BKZ

– 716

– 538

– 562

BKZ stand ontwerpbegroting 2016

65.733

68.564

70.449

Netto-BKZ-uitgaven stand ontwerpbegroting 2016

65.503,1

67.841,1

69.170,9

Onderschrijding BKZ

– 230

– 722

– 1.278

Bron: VWS, gegevens Zorginstituut Nederland over (voorlopige) financieringslasten Zvw en Wlz en NZa-gegevens over de productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens.

Het BKZ is ten opzichte van de stand ontwerpbegroting 2015 verlaagd met circa € 0,7 miljard in 2015, circa € 0,5 miljard in 2016 en circa € 0,6 miljard in 2017 (zie tabel 2). Dit is het gevolg van een neerwaartse bijstelling van de prijs Nationale Bestedingen (pNB) naar aanleiding van de laatste inzichten van het CPB en verschuivingen tussen de uitgavenkaders (ijklijnmutaties). Ondanks de neerwaartse bijstellingen van het BKZ is sprake van een onderschrijding van € 0,2 miljard in 2015 oplopend tot € 1,3 miljard in 2017.

In de paragrafen 3.1.4, 3.2.4 en 3.3 is de ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per financieringsbron verder toegelicht.

2.2 Horizontale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per sector

De horizontale ontwikkeling geeft de jaar op jaar ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten weer. Tabel 3 geeft de horizontale ontwikkeling weer van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per sector. Hierbij wordt een toelichting gegeven op het verloop van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten vanaf 2014 tot en met 2016 volgens de huidige inzichten. Bij de Wet langdurige zorg betreft het voor het jaar 2014 de AWBZ-stand en voor het jaar 2015 en 2016 de Wlz-stand. De ontwikkeling van de sectoren is onderverdeeld naar de oorzaak van de ontwikkeling:

  • • 

    Nominaal (N).

    Onder nominaal wordt de loon- en prijsbijstelling verantwoord. De vergoeding voor de loon- en prijsontwikkeling wordt voor alle zorgsectoren in eerste instantie gereserveerd op de deelsectoren nominaal en onverdeeld en daarna toegedeeld aan de sectoren.

  • • 

    Beleidsmatig (B), zijnde intensiveringen en maatregelen.

    Onder de categorie beleidsmatig zijn opgenomen de intensiveringen en maatregelen die het gevolg zijn van politieke prioriteitstelling. De intensiveringen betreffen voornamelijk de groeiruimte die op basis van (bestuurlijke) akkoorden, politieke prioriteitenstelling of op basis van de raming van de jaarlijkse autonome ontwikkeling van de zorguitgaven (volgend uit de CPB-middellangetermijnraming) beschikbaar is. De uitgavenbeperkende maatregelen zijn veelal ter redressering van eerdere overschrijdingen. Groeiruimte of maatregelen kunnen zich zowel in volume- als in prijseffecten manifesteren, of in een combinatie van beide.

  • • 

    Mee- en tegenvallers (M), waaronder de actualisering van de zorguitgaven op basis van de cijfers van het ZiNL en de NZa.

    De mee- en tegenvallers kunnen het gevolg zijn van een volume- en/of een prijseffect. De actualisering van de zorguitgaven valt onder de mee- en tegenvallers. Mee- en tegenvallers blijken uit realisatiecijfers (in deze begroting betreft het de voorlopige realisatiecijfers 2014). Mee- en tegenvallers werken meestal structureel door als constante reeks.

  • • 

    Technisch (T), waaronder budgetneutrale verschuivingen.

    De technische mutaties betreffen voornamelijk budgetneutrale verschuivingen tussen onderdelen vanuit de Zvw, Wlz, het begrotingsgefinancierde BKZ en de begroting van VWS.

Tabel 3 Horizontale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per sector (bedragen x € 1 miljard)1Door afronding kan de som van de delen afwijken van het totaal.
 

2014

N

B

M

T

2015

N

B

M

T

2016

Zorgverzekeringswet (Zvw)

40,0

0,7

0,4

0,2

2,1

43,4

0,8

0,6

0,0

1,0

45,9

Eerstelijnszorg2

4,9

0,0

0,0

0,0

0,3

5,3

0,0

0,0

0,1

0,0

5,3

Tweedelijnszorg

22,9

0,0

0,1

– 0,1

– 0,7

22,2

0,0

0,1

0,0

0,7

23,1

Geneeskundige ggz

4,1

0,0

0,0

0,0

– 0,5

3,6

0,0

0,0

0,0

0,2

3,8

Genees- en hulpmiddelen

5,8

0,0

0,2

0,0

– 0,1

6,0

0,0

0,3

0,0

0,0

6,3

Wijkverpleging

0,0

0,0

0,0

0,1

3,1

3,2

0,0

0,0

– 0,1

0,2

3,3

Ziekenvervoer

0,6

0,0

0,0

0,0

0,0

0,7

0,0

0,0

0,0

0,0

0,7

Overige3

1,7

0,0

0,0

0,3

0,0

2,0

0,0

0,0

0,0

0,0

2,1

Nominaal en onverdeeld

0,0

0,5

– 0,1

0,0

0,0

0,4

0,8

0,0

0,0

0,0

1,3

                       

Wet langdurige zorg (Wlz)

27,8

0,1

– 2,1

0,6

– 6,6

19,9

0,3

0,4

0,0

– 0,7

19,9

Binnen contracteerruimte

                     

Ouderenzorg

8,7

0,0

0,0

0,2

0,1

8,9

0,0

– 0,3

0,0

0,4

9,0

Gehandicaptenzorg

5,5

0,0

0,0

0,0

0,5

5,9

0,0

– 0,1

0,0

0,2

6,1

Langdurige ggz

1,6

0,0

0,0

0,0

– 1,1

0,5

0,0

0,0

0,0

– 0,1

0,4

Extramurale zorg

4,5

0,0

0,0

0,0

– 3,8

0,7

0,0

– 0,1

0,1

– 0,2

0,5

Volledig pakket thuis

0,0

0,0

0,0

0,1

0,2

0,3

0,0

0,0

0,0

0,0

0,3

Overige binnen contracteerruimte

1,4

0,0

0,0

– 0,1

– 1,2

0,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,1

                       

Persoonsgebonden budgetten

2,4

0,0

– 0,1

0,5

– 1,6

1,2

0,0

0,2

0,0

0,0

1,3

                       

Buiten contracteerruimte

                     

Kapitaallasten (nacalculatie)

2,2

0,0

0,0

– 0,1

– 0,7

1,4

0,0

0,0

– 0,1

– 0,5

0,8

Beheerskosten

0,2

0,0

– 0,1

0,0

0,0

0,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,1

Overig buiten contracteerruimte4

1,5

0,0

0,1

0,1

– 1,1

0,6

0,0

0,1

– 0,1

0,0

0,6

Nominaal en onverdeeld

– 0,1

0,2

– 2,0

– 0,2

2,1

0,0

0,4

0,7

0,0

– 0,6

0,5

                       

Begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven

2,3

0,1

0,1

– 0,4

5,3

7,4

0,0

0,0

– 0,2

0,0

7,1

Wmo en Jeugdwet (Gemeentefonds)

1,7

0,0

0,4

– 0,4

5,3

7,0

0,0

0,0

– 0,2

0,0

6,7

Overig begrotingsgefinancierd5

0,6

0,1

– 0,2

0,0

0,0

0,4

0,0

0,0

0,0

0,0

0,4

                       

Bruto-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2016

70,2

0,9

– 1,6

0,4

0,8

70,6

1,1

1,0

– 0,3

0,4

72,9

BKZ-ontvangsten ontwerpbegroting 2016

5,1

0,0

0,1

0,3

– 0,4

5,1

0,0

0,2

– 0,2

– 0,1

5,0

Netto-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2016

65,0

0,9

– 1,7

0,1

1,2

65,5

1,1

0,9

– 0,1

0,4

67,8

Noot 2: De eerstelijnszorg bevat vanaf 2014 ook de multidisciplinaire zorg.

Noot 3: Bij de Zvw zijn onder de post «overige» opgenomen de deelsectoren grensoverschrijdende zorg, beheerskosten uitvoeringsorganen Zvw en beschikbaarheidbijdragen Zvw.

Noot 4: Bij de Wlz zijn onder de post «overige buiten contracteerruimte» opgenomen de deelsectoren: bovenbudgettaire vergoedingen, tandheelkunde Wlz, instellingen voor medisch-specialistische zorg Wlz, overig curatieve zorg Wlz, ADL, extramurale behandeling zorginfrastructuur eerstelijnsverblijf, orthocommunicatieve behandeling, inovatie en beschikbaarheidbijdrage opleidingen Wlz.

Noot 5: Onder de post «overig begrotingsgefinancierd» zijn opgenomen de subsidieregeling overgang integrale tarieven medisch-specialistische zorg, zorgopleidingen, Wtcg, zorg Caribisch Nederland, subsidieregeling abortusklinieken en loon- en prijsbijstelling.

Bron: VWS, gegevens Zorginstituut Nederland over (voorlopige) financieringslasten Zvw en Wlz en NZa-gegevens over de productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens.

Zorgverzekeringswet (Zvw)

Nominaal

De nominale ontwikkeling in 2015 van in totaal € 0,7 miljard en in 2016 van € 0,8 miljard betreft de jaarlijkse aanpassing van de zorguitgaven aan de loon- en prijsontwikkeling op basis van de ramingen van het CPB. De vergoeding voor loon- en prijsontwikkeling 2015 is toebedeeld aan de sectoren. De vergoedingen voor de loon- en prijsbijstelling 2016 is voor alle sectoren in eerste instantie gereserveerd op nominaal en onverdeeld1. De tranche 2016 wordt later aan de sectoren toebedeeld.

Beleidsmatig

Bij de sector Zvw is voor 2015 een beleidsmatige groei te zien van € 0,4 miljard en voor 2016 een groei van € 0,6 miljard. In de aanvullingen op de eerder afgesloten Hoofdlijnenakkoorden die in juli 2013 overeen zijn gekomen met ziekenhuizen, medisch specialisten, zelfstandige behandelcentra, geneeskundige ggz- en eerstelijnszorgaanbieders (huisartsen, zorggroepen) is afgesproken dat de uitgaven in deze sectoren in 2015 met 1% mogen stijgen. Daarnaast is in de sector huisartsen in 2015 (1,5%) extra ruimte beschikbaar ten behoeve van gewenste substitutie, vernieuwing en het belonen van uitkomsten. Hierdoor stijgen de Zvw-uitgaven in 2015 minder snel dan in voorgaande jaren. Verder neemt de groei van de uitgaven voor geneesmiddelen af als gevolg van een beheerste ontwikkeling van volume en kosten, terwijl eerder rekening werd gehouden met een behoorlijke groei.

Mee- en tegenvallers

De stijging van de Zvw-uitgaven van 2014 op 2015 (€ 0,2 miljard) wordt veroorzaakt door een incidentele verrekening bij de grensoverschrijdende zorg.

Technisch

De technische mutatie in 2015 van € 2,1 miljard heeft voornamelijk betrekking op de overheveling vanuit de Wlz voor de wijkverpleging (circa € 3 miljard) en de zintuiglijk gehandicapten (circa € 0,2 miljard). Verder zijn er bij de geneeskundigde ggz technische bijstellingen als gevolg van de overheveling van de jeugd-ggz naar gemeenten en van de langdurige ggz naar de geneeskundige ggz (circa – € 0,5 miljard) en de technische correctie als gevolg van de verkorting van de DBC-doorlooptijd bij de medisch-specialistische zorg (circa – € 0,7 miljard).

Aangezien de verkorting van de DBC-doorlooptijd een incidenteel effect in 2015 heeft, is in 2016 sprake van een spiegelbeeldige mutatie. De technische mutatie in 2016 van € 1,0 miljard heeft daarnaast betrekking op de overheveling intramurale langdurige ggz (€ 0,2 miljard) en een mutatie van € 0,2 miljard bij de wijkverpleging als gevolg van de overheveling van de extramurale verpleging en verzorging van de AWBZ naar de Zvw.

Wet langdurige zorg (Wlz)

Nominaal

De nominale ontwikkeling in 2015 van in totaal € 0,1 miljard en in 2016 van € 0,3 miljard betreft de jaarlijkse aanpassing van de zorguitgaven aan de loon- en prijsontwikkeling op basis van de ramingen van het CPB. De vergoeding voor loon- en prijsontwikkeling 2015 is toebedeeld aan de sectoren. De vergoedingen voor de loon- en prijsbijstelling 2016 is voor alle sectoren in eerste instantie gereserveerd op nominaal en onverdeeld1. De tranche 2016 wordt later aan de sectoren toebedeeld.

Beleidsmatig

Op 1 januari 2015 is de Wet langdurige zorg van kracht geworden. De beleidsmatige daling van de uitgaven Wlz in 2015 van € 2,1 miljard betreft het saldo van de maatregelen uit het Regeerakkoord en de verzachtingen uit de zorgakkoorden op het terrein van de hervorming langdurige zorg. Het gaat hierbij onder meer om de kortingen op de huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging en begeleiding.

Mee- en tegenvallers

De stijging van de uitgaven Wlz van 2014 op 2015 (€ 0,6 miljard) betreft in hoofdzaak de ingezette groeimiddelen 2015 voor de Wlz. Deze zijn verdeeld over de contracteerruimte en het pgb-kader. Vanwege de volumetoename bij de persoonsgebonden budgetten zijn hier voor 2015 extra middelen vrijgemaakt.

Technisch

De technische mutatie bij de Wlz in 2015 van – € 6,6 miljard heeft betrekking op de overheveling vanuit de Wlz naar de Zvw, Wmo 2015 en Jeugdwet. De mutaties in 2016 hebben voornamelijk betrekking op overhevelingen vanuit de Wlz in verband met de invoering van de Wlz.

Begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven

Nominaal

De nominale ontwikkeling in 2015 van in totaal € 0,1 miljard betreft de jaarlijkse aanpassing van de zorguitgaven aan de loon- en prijsontwikkeling op basis van de ramingen van het CPB. De vergoeding voor loon- en prijsontwikkeling 2015 is toebedeeld aan de sectoren. De vergoedingen voor de loon- en prijsbijstelling 2016 is voor alle sectoren in eerste instantie gereserveerd op nominaal en onverdeeld. De tranche 2016 wordt later aan de sectoren toebedeeld.

Beleidsmatig

Bij de begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven is er sprake van een beperkte beleidsmatige mutatie in 2015.

Mee- en tegenvallers

De daling bij de mee- en tegenvallers in 2015 (– € 0,4 miljard) en in 2016 (– € 0,2 miljard) heeft betrekking op de herverdeeleffecten Wmo en Jeugd. In februari 2015 zijn de realisatiecijfers 2014 AWBZ binnengekomen voor zowel de zorg in natura als het pgb. Op basis van deze cijfers heeft er een herverdeling plaatsgevonden over de verschillende domeinen binnen de hervorming langdurige zorg. Per saldo komen de uitgaven voor de Wmo en jeugdzorg lager uit.

Technisch

De technische mutatie bij de begrotingsgefinancierde uitgaven in 2015 van € 5,3 miljard heeft betrekking op de overheveling vanuit de AWBZ naar de Wmo 2015 en de Jeugdwet.

In tabel 3A zijn de groeipercentages van de BKZ-uitgaven en ontvangsten per financieringsbron weergegeven. Bij de Wlz betreft het voor het jaar 2014 de AWBZ-stand en voor het jaar 2015 en 2016 de Wlz-stand.

Tabel 3A Groeipercentages van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per financieringsbron (bedragen x € 1 miljard)
 

2014

Groei

Overheve- lingen

Groei gecorr. voor overh.

2015

Groei

Overheve- lingen

Groei gecorr. voor overh.

2016

 

(bedrag)

(%)

(%)

(%)

(bedrag)

(%)

(%)

(%)

(bedrag)

Zorgverzekeringswet

40,0

8,3

5,2

3,1

43,4

5,7

2,4

3,2

45,9

Wet langdurige zorg

27,8

– 28,7

– 23,5

– 5,2

19,9

0,5

– 3,4

3,9

19,9

Begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven

2,3

223,1

231,3

– 8,3

7,4

– 3,7

0,0

– 3,7

7,1

Bruto-BKZ-uitgaven OW 2016

70,2

0,6

1,2

– 0,5

70,6

3,2

0,5

2,7

72,9

Netto-BKZ-uitgaven OW 2016

65,0

0,7

1,9

– 1,2

65,5

3,6

0,7

2,9

67,8

Toelichting:

2014–2015

Het groeipercentage bij de Zvw in 2015 van circa 8% heeft voor circa 5% betrekking op de overhevelingen vanuit de AWBZ naar de Zvw (onder andere de wijkverpleging en langdurige ggz).

In 2015 is bij de Wet langdurige zorg een negatief groeipercentage te zien van circa 29%. Dit betreft voor circa 24% de overhevelingen vanuit de AWBZ naar de Zvw, Wmo 2015 en de Jeugdwet. Het negatieve groeipercentage gecorrigeerd voor overhevelingen van circa 5% betreft het saldo van de maatregelen uit het Regeerakkoord en de verzachtingen uit de zorgakkoorden op het terrein van de hervorming langdurige zorg. Het gaat hierbij onder meer om de kortingen op de huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging en begeleiding.

Het groeipercentage bij de begrotingsgefinancierde-BKZ-uitgaven in 2015 betreft voornamelijk de overhevelingen vanuit de AWBZ naar de Wmo 2015 en Jeugdwet. Het negatieve groeipercentage gecorrigeerd voor overhevelingen bij de begrotingsgefinancierde-BKZ-uitgaven van circa 8% is het gevolg van de herverdeeleffecten Wmo en Jeugd op basis van de realisatiecijfers over 2014 van de AWBZ.

2015–2016

Het groeipercentage bij de Zvw in 2016 van circa 6% heeft voor circa 2% betrekking op de structurele doorwerking van de overhevelingen vanuit de AWBZ naar de Zvw (onder andere de wijkverpleging en langdurige ggz).

In 2016 is bij de Wet langdurige zorg een beperkte groeipercentage te zien. Dit betreft voor circa 3% de overhevelingen vanuit de AWBZ naar de Zvw (onder andere de wijkverpleging en langdurige ggz).

Het negatieve groeipercentage bij de begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven in 2016 van circa 4% is het gevolg van de herverdeeleffecten Wmo en Jeugd op basis van de realisatiecijfers over 2014 van de AWBZ.

2.3 Verticale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten

Tabel 4 laat vanaf de stand ontwerpbegroting 2015 de verticale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten op hoofdlijnen zien. De verdere verdieping van de verticale ontwikkeling vindt plaats in paragraaf 3 en 6.

Tabel 4 Verticale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten (bedragen x € 1 miljoen)
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Netto-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2015

66.391,4

68.510,4

69.930,1

73.010,5

76.352,7

76.352,7

             

Mutatie in de netto-Zvw-uitgaven

– 1.004,4

– 1.116,9

– 989,1

– 948,1

– 1.126,3

1.552,5

Mutatie in de netto-Wlz-uitgaven

240,5

579,7

238,7

308,4

241,6

1.233,8

Mutatie in de netto-begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven

– 124,4

– 132,1

– 8,7

– 106,3

– 103,2

– 95,2

Totaal mutaties

– 888,3

– 669,3

– 759,2

– 746,1

– 987,9

2.691,1

Netto-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2016

65.503,1

67.841,1

69.170,9

72.264,5

75.364,9

79.043,8

Bron: VWS, gegevens Zorginstituut Nederland over (voorlopige) financieringslasten Zvw en Wlz en NZa-gegevens over de productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens

Toelichting

Ten opzichte van de stand ontwerpbegroting 2015 nemen de netto-BKZ-uitgaven in 2016 af met circa € 0,7 miljard. De daling van de netto-BKZ-uitgaven wordt voornamelijk veroorzaakt door de daling van de netto-Zvw-uitgaven met circa € 1,1 miljard, een stijging van de Wlz-uitgaven met circa € 0,6 miljard en een daling van de begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven met € 0,1 miljard.

De daling van de netto-Zvw-uitgaven hangt met name samen met de lagere uitgaven voor genees- en hulpmiddelen en een lagere nominale ontwikkeling.

De stijging van de netto-Wlz-uitgaven in 2016 is voornamelijk het gevolg van de actualisering van de Wlz (€ 0,3 miljard), diverse beleidsmatige mutaties (€ 0,3 miljard) en een stijging van de ontvangsten met € 0,1 miljard.

De daling van de netto-begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven heeft voornamelijk betrekking op de herverdeeleffecten van de Wmo 2015 en Jeugdwet op basis van de realisatiecijfers over 2014 van de AWBZ.

In paragraaf 3 wordt de ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per financieringsbron verder toegelicht.

3. Uitgaven Budgettair Kader Zorg

3.1 Zorgverzekeringswet (Zvw)

3.1.1 Algemene doelstelling

Een kwalitatief goed en toegankelijke curatieve zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

3.1.2 Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister van VWS is verantwoordelijk voor de werking van het stelsel voor curatieve zorg en voor de beheersing van de collectieve zorguitgaven.

Dit omvat het stellen van eisen aan de kwaliteit van zorg en het opstellen en handhaven van de wettelijke kaders waarbinnen het zorgstelsel functioneert. Het wettelijk kader wordt gevormd door de Zorgverzekeringswet, de Wet Bijzondere Medische Verrichtingen, de Wet Marktordening Gezondheidszorg, de Wet Geneesmiddelenprijzen en de Wet Toelating zorginstellingen.

De Minister wordt ondersteund door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), het Zorginstituut Nederland (voorheen het College voor Zorgverzekeringen) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa).

De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) houdt op basis van de geldende normen toezicht op de kwaliteit van de zorg in Nederland.

De NZa en het Zorginstituut Nederland spelen een belangrijke rol bij de beheersing van de zorguitgaven. Het Zorginstituut Nederland adviseert de Minister over de samenstelling van het verzekerde pakket en beheert het Zorgverzekeringsfonds (ZvF). De NZa behartigt het belang van de zorgconsument, onder andere door te adviseren over beleid en regelgeving. Daarnaast is de NZa onafhankelijk toezichthouder in de zorg die kijkt of zorgaanbieders en zorgverzekeraars de wet naleven. De NZa stelt op aanwijzing van de Minister regels, budgetten en tarieven vast voor dat deel van de zorg dat is gereguleerd en stelt condities voor concurrentie vast in zorgsectoren met vrije prijsvorming.

De NZa en het Zorginstituut Nederland brengen de omvang van de gerealiseerde zorguitgaven in kaart. Zij baseren zich daarbij op informatie van zorgverzekeraars en instellingen, die na afloop van het jaar door een externe accountant wordt beoordeeld. Op basis van de rapportages van de NZa en het Zorginstituut Nederland legt de Minister verantwoording af aan de Tweede Kamer.

De uitvoering van het zorgstelsel is in handen van private partijen. Private zorgverzekeraars sluiten contracten met een veelheid aan private, over het land verspreide zorgaanbieders: ziekenhuizen, zelfstandige behandelcentra, instellingen voor geestelijke gezondheidszorg en vrijgevestigde beroepsbeoefenaren, zoals huisartsen, apothekers, paramedici. Door middel van onderlinge concurrentie proberen verzekeraars een zo goed mogelijke prijs/kwaliteitverhouding en doelmatigheid in de zorg te bereiken.

De zorg die aanbieders verlenen en de uitgaven die daarmee gemoeid zijn vloeien voort uit de aanspraken die zijn vastgelegd in de Zorgverzekeringswet (Zvw). De zorgsector is privaat binnen publieke randvoorwoorden. De Minister heeft sturingsmogelijkheden door invloed op de samenstelling van het verplicht verzekerde pakket (het basispakket) en de (maximale) hoogte van tarieven in sectoren waar de prijsvorming niet is vrijgegeven. Tevens streeft de Minister naar het bevorderen van doelmatigheid in de zorgsector door bijvoorbeeld het maken van afspraken met het veld en het stimuleren van gepast zorggebruik.

3.1.3 Kerncijfers

De kerncijfers in tabel 5 schetsen een beeld van de Zorgverzekeringswet.

Tabel 5 Kerncijfers Zorgverzekeringswet (Zvw)
 

Eenheid

2010

2011

2012

20131

2014

 

Algemeen

           

1

Bevolking naar leeftijd op 1 januari jonger dan 20

%

23,7

23,5

23,3

23,1

22,9

 

Bevolking naar leeftijd op 1 januari 20 tot 65

%

61

60,9

60,5

60,1

59,8

 

Bevolking naar leeftijd op 1 januari 65+

%

15,3

15,6

16,2

16,8

17,3

 

Totale bevolking

1 mln.

16,6

16,7

16,7

16,8

16,8

2

Levensverwachting mannen bij 66 jaar op 31–12

jaren

17,2

17,5

17,5

17,7

 
 

Levensverwachting vrouwen bij 66 jaar op 31–12

jaren

20,4

20,5

20,4

20,6

 
               
 

Zorgverzekering

           

3

Gemiddelde nominale premie

euro

1.095

1.199

1.226

1.213

1.098

4

Verzekerden met een collectieve verzekering

%

64

65

68

69

70

               
 

Eerstelijnszorg

           

5

Regulier gevestigde huisartsen

personen

8.984

8.908

8.894

8.858

8.812

6

Toegestane instroom huisartsenopleiding

personen

600

618

720

720

720

7

Werkzame tandartsen

personen

8.881

8.827

8.775

8.773

 

8

Werkzame verloskundigen

personen

2.586

2.681

2.763

2.888

2.980

9

Werkzame fysiotherapeuten

personen

26.365

27.700

28.225

   

10

Gem. aantal contacten per persoon met huisarts

per jaar

4,2

4,3

4,1

4,1

 

11

Personen met contact met huisarts in 1 jaar

%

72,3

72

71,3

71,5

 

12

Gem. aantal contacten per persoon met tandarts

per jaar

2,3

2,3

2,1

2,2

 

13

Personen met contact met tandarts in 1 jaar

%

78,4

78,2

78,5

78,7

 

14

Gem. aantal contacten p.p. met fysio-/oefenth.

per jaar

3,7

3,7

3,5

3,5

 

15

Personen m. contact met fysio-/oefenth. in 1 jaar

%

22

22,8

21,2

22

 

16

Geregistreerde sociaal-geneeskundigen

aantal

5.402

5.331

5.265

5.220

5.202

               
 

Medisch specialistische zorginstellingen

           

17

Zorgaanbieders MSZ waarvan

aantal

403

417

445

433

415

 

Algemene ziekenhuizen

aantal

86

86

84

84

84

 

Universitaire Medische Centra

aantal

8

8

8

8

8

 

Categorale instellingen

aantal

68

65

65

65

65

 

ZBC (actief in A- en/of B segment)

aantal

241

258

288

274

258

18

Dagopnames

1 mln.

2,1

2,2

2,3

   

19

Verpleegdagen

1 mln.

11,0

10,7

10,3

   

20

Gemiddeld aantal contacten p.p. met specialist

per jaar

2,3

2,2

2,1

2,2

 

21

Personen met contact met specialist in 1 jaar

%

37,8

39

37,9

37,8

 

22

Geregistreerde medisch specialisten2

personen

20.144

20.863

21.750

22.585

22.555

23

Top 5 DBC- Zorgproducten op basis van 20133
           
 

1) 199299012 – Letsel

1.000

   

445

410

307

 

2) 199299028 – Letsel

1.000

   

350

308

216

 

3) 140301007 – Nierinsufficientie

1.000

   

240

243

209

 

4) 029499039 – Licht ambulant

1.000

   

198

206

109

 

5) 131999228 – Ov diagnosen

1.000

   

226

203

108

               
 

Ziekenvervoer

           

24

Spoedeisende ambulance-inzetten

1.000

463,9

478,3

500,8

541,2

               
 

Genees- en hulpmiddelen

           

25

Openbare apotheken

aantal

1.980

1.997

1.981

1.974

1.979

26

Gem. aantal voorschriften geneesmiddelen p.p.

per jaar

12,5

13,6

14,1

14,5

14,9

27

Generieke verstrekkingen naar voorschrift

%

60,7

63,4

66,7

69,7

71,5

28

Generieke verstrekkingen naar kosten

%

10,9

10,3

12,1

15,2

16,5

29

Personen dat vergoede hulpmiddelen gebruikt

1 mln.

2,4

2,2

2,1

2,1

2,1

               
 

Geestelijke gezondheidszorg

           

30

Geestelijk ongezond4

%

10,7

11

10,8

10,9

 

31

Aantal cliënten geneeskundige ggz

1.000

1.207

1.266

1.044

   
 

Aantal cliënten eerstelijns geneeskundige ggz

1.000

309

335

322

   
 

Aantal cliënten tweedelijns geneeskundige ggz

1.000

947

985

762

   

32

Zorgaanbieders geneeskundige ggz waarvan5

aantal

6.687

7.132

>9.000

   
 

Eerstelijns psychologische zorgverlener

aantal

3.365

3.477

6.000

   
 

Tweede lijn gebudgetteerde zorgaanbieder

aantal

177

181

155

   
 

Tweede lijn niet-gebudgetteerde instellingen

aantal

121

179

110

   
 

Tweede lijn vrijgevestigde zorgaanbieder

aantal

3.024

3.295

3.000

   
 

Dyslexie

aantal

   

30–35

   

Noot 1: Een aantal cijfers is nog niet beschikbaar.

Noot 2: Niet artsen voor verstandelijk gehandicapten en ouderengeneeskunde

Noot 3: DBC Zorgproducten zijn vanaf 2012 in gebruik. Daarvoor werd gebruikt gemaakt van Diagnose Behandelingcombinaties. De declaraties voor 2012 en 2013 zijn voor 100% respectievelijk 99% compleet, 2014 vermoedelijk voor rond 60%. De top 5 is gebaseerd op het jaar 2013. Op basis van 2014 zouden de posities 4 en 5 er anders uit zien.

Noot 4: Geestelijk ongezond. Op basis van Somscore MHI–5 (Mental Health Inventory 5), internationale maat voor de psychische gezondheid. De maximale score is 100. Hoe lager de score hoe slechter de psychische gezondheid. Het cijfer geeft het percentage van personen van 12 jaar of ouder met een score van minder dan 60.

Noot 5: Vanaf 2012 aangepaste rekenmethode, reeks niet vergelijkbaar. 2012 betreft een raming. Voor toelichting zie bron.

Bronnen:

1–2: CBS

3: CPB

4: Vektis

5: Nivel, Cijfers uit de registratie van huisartsen peiling januari 2014

6: VWS

7a: NZa Marktscan mondzorg december 2012

7b:cijfer 2013: KNMT Peilstations Tandartsen: aantal tandartsen in Nederland 1914 – 2013

8: Nivel, Cijfers uit de registratie van verloskundigen peiling januari 2014

9: CBS, Statline ( http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?VW=T&DM=SLNL&PA=81551NED&D1=1-2&D2=0&D3=0&D4=1,4,6,37,41,46,49,56,58,62,65&D5=(l-3)-l&HD=140623-1557&HDR=T,G1,G2,G4&STB=G)

10 t/m 15: CBS, Statline (http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?DM=SLNL&PA=81027NED&D1=a&D2=0-2&D3=0&D4=a&HDR=G3,G2,G1&STB=T&VW=T)

16: KNMG, Aantal geregistreerde specialisten/profielartsen op peildatum 31 december van het jaar (http://knmg.artsennet.nl/Opleiding-en-Registratie/RGS-1/Aantallen/Overzicht-aantal-geregistreerde-specialistenprofielartsen.htm)

17: NZa, Marktscan Medisch-specialistische Zorg 2014

18 en 19: CBS, Statline (http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?VW=T&DM=SLNL&PA=71858NED&D1=2,6&D2=0&D3=0&D4=0&D5=(l-3)-l&HD=140624–1146&HDR=G1,G2,G3,G4&STB=T)

20 en 21: CBS, Statline (http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?VW=T&DM=SLNL&PA=81178NED&D1=12-13&D2=0&D3=0&D4=0&D5=a&HD=140624-1155&HDR=G1,G2,G3,G4&STB=T)

22: KNMG, Aantal geregistreerde specialisten/profielartsen op peildatum 31 december van het jaar (http://knmg.artsennet.nl/Opleiding-en-Registratie/RGS-1/Aantallen/Overzicht-aantal-geregistreerde-specialistenprofielartsen.htm)

23: Vektis

1) 199299012 – Letsel (excl heupfractuur) | Diagnostisch (zwaar)/ Therapeutisch licht | Letsel overig

2) 199299028 – Letsel (excl heupfractuur) | Licht ambulant | Letsel overig

3) 140301007 – Nierinsufficientie | Chronisch | Hemodialyse in centrum/ zkhs | Niet klin | Dialyse 1–3 | Urogenitaal nierinsufficientie

4) 131999228 – Ov diagnosen | Licht ambulant | Botspierstelsel ziekte/laat gev trauma

5) 029499039 – Licht ambulant | Nieuwv maligne huid/premaligne dermatose

24: Ambulancezorg Nederland, Ambulances in zicht 2013. (Betreft het aantal A1-inzetten. Het totale aantal inzetten – A1, A2 en B – bedroeg in 2011 1.084.426, in 2012 1.100.419 en in 2013 1.144.780.)

25 – 28: Stichting Farmaceutische Kengetallen

29: Zorginstituut Nederland

30: CBS, Statline (http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?VW=T&DM=SLNL&PA=81174NED&D1=41&D2=0&D3=0&D4=0&D5=a&HD=140624-1531&HDR=T,G3,G2,G1,G4)

31 en 32: NZa, Marktscan en beleidsbrief GGZ 19 november 2014; voor cijfers aanbieders 2010 en 2011 Marktscan en beleidsbrief Geestelijke Gezondheidszorg Weergave van de markt 2009–2013

3.1.4 Verticale ontwikkeling van de Zvw-uitgaven en -ontvangsten

De verticale toelichting bevat een cijfermatig overzicht van de budgettaire veranderingen die zich hebben voorgedaan sinds de ontwerpbegroting 2015. Voor een meer gedetailleerde toelichting op de veranderingen wordt verwezen naar de verdiepingsparagraaf.

De verticale toelichting onderscheidt drie categorieën mutaties:

  • –  mee- en tegenvallers;
  • –  beleidsmatige mutaties;
  • –  technische- en nominale mutaties.

Tabel 6 laat vanaf de stand ontwerpbegroting 2015 de verticale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten zien.

Tabel 6 Verticale ontwikkeling van de Zvw-uitgaven en -ontvangsten (bedragen x € 1 miljoen)
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Zvw-uitgaven ontwerpbegroting 2015

44.364,1

47.178,0

48.658,9

51.224,4

53.816,2

 

Mee- en tegenvallers

           

Actualisering Zvw-uitgaven (tabel 6A)

– 364,8

– 360,5

– 360,5

– 360,5

– 360,5

 

Herverdelingseffecten Zvw

58,4

– 26,2

– 69,0

– 72,7

– 51,7

 

Compensatie tegenvaller eigen risico

0,0

0,0

0,0

0,0

– 181,2

 
             

Beleidsmatige mutaties

           

Tarieven tandheelkunde

– 18,0

– 35,0

– 35,0

– 35,0

– 35,0

 

Darmkankerscreening

25,0

25,0

25,0

25,0

25,0

 

Additionele ruimte geneesmiddelen

– 149,2

– 291,3

– 350,0

– 345,0

– 345,0

 

Overheveling subsidieregeling kwaliteitsimpuls

personeel ziekenhuiszorg

– 37,4

– 37,4

– 37,4

– 37,4

– 37,4

 

Ophogen budget eerstelijnsverblijf

0,0

77,0

0,0

0,0

0,0

 

Dekking ophoging budget eerstelijnsverblijf

– 33,5

– 42,0

0,0

0,0

0,0

 

Uitstel overgang eerstelijnsverblijf naar Zvw

– 96,3

– 180,5

0,0

0,0

0,0

 

P&M-intensivering beleidsbrief Kwaliteit loont

10,0

13,0

14,5

14,5

14,5

 

IJklijnmuaties beleidsbrief kwaliteit loont

– 10,0

– 13,0

– 14,5

– 14,5

– 14,5

 

Vrijval nominaal en onverdeeld

– 164,8

– 193,0

– 153,8

– 153,8

– 153,8

 

Herverdelingseffecten Zvw

7,0

– 4,7

– 4,7

– 4,7

– 4,7

 

Overige

5,0

– 20,2

– 18,0

– 7,1

– 7,2

 
             

Technische- en nominale mutaties

           

Nominale ontwikkeling

– 235,8

– 202,0

– 159,8

– 131,0

– 148,9

 

Technische correctie nieuwe bekostiging hoortoestellen

0,0

– 27,0

– 27,0

– 27,0

– 27,0

 
             

Totaal mutaties

– 1.004,4

– 1.317,9

– 1.190,1

– 1.149,1

– 1.327,3

 

Zvw-uitgaven ontwerpbegroting 2016

43.359,7

45.860,1

47.468,7

50.075,3

52.488,9

55.302,5

Zvw-ontvangsten ontwerpbegroting 2015

3.217,7

3.395,8

3.486,1

3.605,8

3.747,8

 

Mee- en tegenvallers

           

Raming eigen risico

0,0

– 174,0

– 174,0

– 174,0

– 174,0

 
             

Technisch

           

Technische correctie nieuwe bekostiging hoortoestellen

0,0

– 27,0

– 27,0

– 27,0

– 27,0

 
             

Totaal mutaties

0,0

– 201,0

– 201,0

– 201,0

– 201,0

 

Zvw-ontvangsten ontwerpbegroting 2016

3.217,7

3.194,8

3.285,1

3.404,8

3.546,8

3.681,5

Netto-Zvw-uitgaven ontwerpbegroting 2015

41.146,3

43.782,1

45.172,7

47.618,6

50.068,4

 

Mutatie in de netto-Zvw-uitgaven

– 1.004,4

– 1.116,9

– 989,1

– 948,1

– 1.126,3

 

Netto-Zvw-uitgaven ontwerpbegroting 2016

40.142,0

42.665,2

44.183,6

46.670,5

48.942,1

51.621,0

Bron: VWS, gegevens Zorginstituut Nederland over (voorlopige) financieringslasten Zvw en Wlz en NZa-gegevens over de productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens.

Uitgaven

Mee- en tegenvallers

Actualisering Zvw-uitgaven

Tabel 6A Actualisering Zvw-uitgaven (bedragen x € 1 miljoen)
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Eerstelijnszorg

– 2,0

2,3

2,3

2,3

2,3

2,3

Tweedelijnszorg

– 33,9

– 33,9

– 33,9

– 33,9

– 33,9

– 33,9

Genees- en hulpmiddelen

– 268,0

– 268,0

– 268,0

– 268,0

– 268,0

– 268,0

Ziekenvervoer

– 10,9

– 10,9

– 10,9

– 10,9

– 10,9

– 10,9

Grensoverschrijdende zorg

– 50,0

– 50,0

– 50,0

– 50,0

– 50,0

– 50,0

Totaal

– 364,8

– 360,5

– 360,5

– 360,5

– 360,5

– 360,5

Bron: VWS, gegevens Zorginstituut Nederland over (voorlopige) financieringslasten Zvw en Wlz en NZa-gegevens over de productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens.

In tabel 6A is het onderdeel «Actualisering Zvw-uitgaven» uit tabel 6 nader uitgesplitst. De actualisering van de zorguitgaven vindt plaats op basis van voorlopige realisatiegegevens 2014 van de NZa en het Zorginstituut Nederland. Voor de geneeskundige ggz en de medisch-specialistische zorg zijn vooralsnog alleen zeer voorlopige realisatiecijfers over 2014 beschikbaar. Deze sectoren zijn derhalve niet meegenomen in de actualisering. Verklaring hiervoor is de relatief lange doorlooptijd van DBC-zorgproducten. Vanaf het jaar 2015 zullen de uitgaven in de medisch-specialistische zorg eerder bekend zijn vanwege de ingevoerde verkorting van de DBC-duur. De belangrijkste mutaties worden hieronder nader toegelicht. In het verdiepingshoofdstuk is de actualisering van de Zvw-uitgaven per deelsector verder toegelicht.

De neerwaartse bijstelling bij de uitgaven voor genees- en hulpmiddelen betreft meevallers bij de geneesmiddelen (€ 187 miljoen) en de hulpmiddelen (€ 81 miljoen).

Het verschil bij de uitgaven voor geneesmiddelen wordt voornamelijk veroorzaakt doordat de groei in het geneesmiddelengebruik lager uitvalt dan waarmee in de raming rekening werd gehouden, als gevolg van o.a. lagere volumegroei, uit patent lopen van geneesmiddelen en succesvol gevoerd preferentiebeleid. Dit is de doorwerking van de afrekening 2014.

Het verschil bij de uitgaven voor hulpmiddelen valt te verklaren doordat de uitgaven in de hulpmiddelensector zich lijken te stabiliseren, waardoor niet alle beschikbaar gestelde groeiruimte nodig blijkt te zijn. Ook dit is de doorwerking van de afrekening 2014.

Herverdelingseffecten Zvw

Op basis van de realisatiecijfers 2014 AWBZ voor zowel de zorg in natura als het pgb is de raming aan de hand van de beschikbare modellen afgezet tegen de realisatie en gekeken is wat de verschuivingen tussen de domeinen zijn. Per saldo komen de uitgaven voor de Zvw hoger uit.

Compensatie tegenvaller eigen risico

Deze mutatie betreft een taakstellende reeks, ter (intertemporele) compensatie van de tegenvaller op de opbrengst van het eigen risico.

Beleidsmatige mutaties

Tarieven tandheelkunde

De NZa heeft de maximumtarieven in de tandheelkundige zorg verlaagd. Dit leidt tot lagere uitgaven aan tandheelkundige zorg binnen het verzekerd pakket.

Darmkankerscreening

Bij de uitvoering van het bevolkingsonderzoek darmkanker is naar voren gekomen dat de kosten die instellingen maken voor het vervolgonderzoek naar aanleiding van de eerste screeningen hoger zijn dan waarmee in de oorspronkelijke ramingen rekening is gehouden. Tegelijkertijd blijkt het aantal vervolgonderzoeken hoger te zijn dan eerder werd verwacht. Daarom is hiervoor € 25 miljoen structureel extra beschikbaar gesteld.

Additionele ruimte geneesmiddelen

Net als in 2014 is de verwachting dat voor 2015 en latere jaren niet alle groeiruimte benodigd is. Dit is onder andere het gevolg van uit patent lopen van geneesmiddelen, het preferentiebeleid en de gematigde volumeontwikkeling.

Overheveling subsidieregeling kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg

Dit betreft een overheveling van premiegefinancierde middelen die waren gereserveerd voor de UMC’s als gevolg van het inhouden van de ILO als onderdeel van de afspraken uit het Zorgakkoord. Via toevoeging aan de subsidieregeling kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuiszorg vloeien de middelen weer terug naar de UMC’s.

Ophogen budget eerstelijnsverblijf

Omdat het subsidieplafond voor eerstelijnsverblijf ontoereikend is gebleken, wordt het plafond in 2015 en 2016 verhoogd. Deze mutatie betreft de ophoging in 2016 (in 2015 valt de regeling onder de Wlz).

Dekking ophoging budget eerstelijnsverblijf

De ophoging van het budget voor eerstelijnsverblijf wordt deels gedekt binnen de Zvw en deels binnen de Wlz.

Uitstel overgang eerstelijnsverblijf naar Zvw

De overheveling van het eerstelijnsverblijf van de Wlz naar de Zvw is uitgesteld naar 2017.

P&M-intensivering beleidsbrief Kwaliteit loont

In februari 2015 is met betrekking tot de voorgenomen wijziging van artikel 13 van de Zvw een alternatief pakket maatregelen gepresenteerd, waarmee langs de weg van kwaliteitsverbetering besparingen op de zorgkosten kunnen worden gerealiseerd. Kern van de maatregelen is dat het voor patiënten, zorgverleners en verzekeraars lonender wordt om te kiezen voor de beste zorg. Daarnaast wordt de positie van de patiënt versterkt en het evenwicht in de sector bevorderd. De Tweede Kamer is bij brief d.d. 6 februari 2015 (TK 31 765, nr. 116) over het pakket maatregelen geïnformeerd. In het pakket zit ook een aantal personele en materiële intensiveringen. De maatregelen om kwaliteit leidend en lonend te maken, om de kwaliteitseisen aan het zorgaanbod aan te scherpen en om de transparantie van de kwaliteit te vergroten en om het evenwicht in de zorgsector te bevorderen, vragen om een investering in capaciteit van € 10 miljoen in 2015, oplopend naar € 14,5 miljoen structureel (vanaf 2017). Het betreft intensiveringen bij het CIBG, de IGZ, de ACM en de NZa.

IJklijnmutatie beleidsbrief Kwaliteit loont

De gereserveerde middelen in verband met de beleidsbrief Kwaliteit loont worden overgeheveld naar de begroting van VWS.

Vrijval nominaal en onverdeeld

Er is sprake van vrijval op de post nominaal en onverdeeld. Deze ruimte is met name een gevolg van het verschil tussen de oorspronkelijk beschikbaar gestelde middelen voor groei in de curatieve zorg en de in de verschillende zorgakkoorden gemaakte afspraken over de toegestane groei in die sectoren en de op grond daarvan niet benodigde middelen voor loon- en prijsbijstelling.

Herverdelingseffecten Zvw

Deze mutatie is het saldo van enkele verschuivingen van de Zvw naar het jeugddomein en vice versa.

Overige

Deze post is het saldo van verschillende beleidsmatige mutaties.

Technische en nominale mutaties

Nominale ontwikkeling

De raming van de loon- en prijsbijstelling is aangepast op basis van de laatste macro-economische inzichten van het Centraal Planbureau (CPB).

Technische correctie nieuwe bekostiging hoortoestellen

De eigen bijdragen voor hoortoestellen zijn eerder als aparte opbrengst (€ 27 miljoen) opgenomen. In de uitgavencijfers van het Zorginstituut worden de eigen bijdragen echter verrekend in de uitgaven aan hulpmiddelen. Met deze boeking wordt dit met ingang van 2016 rechtgetrokken: het hulpmiddelenkader wordt met € 27 miljoen verlaagd, evenals de apart ingeboekte eigen bijdragen.

Ontvangsten

Mee- en tegenvallers

Raming eigen risico

De raming van de opbrengst van het eigen risico is met € 174 miljoen neerwaarts bijgesteld. Hiervoor zijn diverse verklaringen. De belangrijkste is de neerwaartse bijstelling van de verwachte Zvw-uitgaven in 2016 ten opzichte van de stand in de ontwerpbegroting 2015 (zoals weergegeven in bovenstaande tabel 6), voornamelijk veroorzaakt door de lagere genees- en hulpmiddelenraming. Daarnaast is het ramingsmodel geactualiseerd met de nieuwe risicovereveningsdata over de verdeling van de individuele zorguitgaven.

Technisch

Technische correctie nieuwe bekostiging hoortoestellen

De eigen bijdragen voor hoortoestellen zijn eerder als aparte opbrengst (€ 27 miljoen) opgenomen. In de uitputtingscijfers van het Zorginstituut lopen de eigen bijdragen echter mee binnen het hulpmiddelenkader. Met deze boeking wordt dit met ingang van 2016 rechtgetrokken: het hulpmiddelenkader wordt met € 27 miljoen verlaagd, evenals de apart ingeboekte eigen bijdragen.

3.2 Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de Jeugdwet

3.2.1 Algemene doelstelling

Een stelsel voor maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg dat ieder mens in staat stelt om zijn leven zo lang mogelijk zelf in te vullen en – wanneer dit nodig is – om thuis of in een instelling kwalitatief goede ondersteuning en zorg te krijgen. Daarbij worden ondersteuning en zorg aangeboden aansluitend op informele vormen van hulp. De complexiteit van de zorgvraag, de kwetsbaarheid van de burger en de mogelijkheden van zijn informele netwerk staan centraal. Er wordt gestreefd naar welbevinden en een afname van de afhankelijkheid van ondersteuning en zorg. Dit alles tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

3.2.2 Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister is verantwoordelijk voor een goed en efficiënt werkend systeem van langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning in Nederland. Mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben, dienen dit zoveel mogelijk thuis of in een instelling op maat en van een goede kwaliteit te krijgen. Gemeenten dragen zorg voor de ondersteuning thuis via de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het budget voor de Wmo 2015 wordt via de integratie-uitkering Sociaal domein aan gemeenten uitgekeerd. Daarnaast ontvangen gemeenten ook budget met betrekking op de Wmo 2015 via de integratie-uitkering Wmo/huishoudelijke verzorging, de decentralisatie-uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en HHT (huishoudelijke hulp toelage) en de algemene uitkering van het Gemeentefonds.

Voor mensen met een blijvende behoefte aan permanent toezicht en die 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig hebben, is zorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) beschikbaar. Zorgkantoren sluiten namens Wlz-uitvoerders overeenkomsten met zorgaanbieders voor het leveren van verzekerde zorg. Het kan onder andere gaan om verblijf in een instelling, persoonlijke verzorging en verpleging en/of geneeskundige zorg in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget.

Aan de bruto-BKZ-uitgaven worden ook middelen toegerekend die via andere begrotingshoofdstukken beschikbaar komen. Het gaat hierbij om de middelen die via het Gemeentefonds worden uitgekeerd aan gemeenten voor uitgaven in het kader van de Wmo 2015 en de Jeugwet.

De verantwoordelijkheid voor het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie ligt bij gemeenten. De Wmo 2015 biedt gemeenten hiervoor het wettelijk kader dat op lokaal niveau verder wordt ingevuld en waarover verantwoording wordt afgelegd aan de gemeenteraad. De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel dat optimaal bijdraagt aan het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie en legt over de resultaten van dit stelsel verantwoording af aan de Tweede Kamer.

De verantwoordelijkheid voor het bieden van passende jeugdhulp aan kinderen ligt vanaf 1 januari 2015 bij gemeenten. De Jeugdwet biedt hiertoe het wettelijk kader. Gemeenten vullen hun verantwoordelijkheden op basis van de Jeugdwet en passend bij de lokale en regionale situatie in. Hiertoe wordt verantwoording afgelegd aan de gemeenteraad. De Jeugdwet kent verschillende waarborgen om te garanderen dat kinderen passende jeugdhulp wordt geboden.

3.2.3 Kerncijfers

Tabel 7 schetst een beeld van ontwikkeling van de langdurige zorg (AWBZ, Wmo en Jeugdwet)

Tabel 7 kerncijfers AWBZ, Wmo en Jeugd
 

eenheid

2010

2011

2012

2013

2014

AWBZ

           

Indicatie

           

Aantal personen met een indicatie via CIZ, ultimo verslagjaar

1.000

734

768

793

793

804

– waarvan met een indicatie voor zorg met verblijf

1.000

325

342

354

334

326

– waarvan indicatie voor zorg zonder verblijf

1.000

408

426

439

458

478

             

Gebruik

           

Persoonsgebonden budgetten (pgb)

           

Aantal personen met een pgb, ultimo verslagjaar (Zorginstituut)

1.000

121

139

129

122

119

Zorg in natura (eigen-bijdrageplichtig CAK)

           

Aantal personen 18+ met eigen-bijdrageplichtige zorg ultimo verslagjaar:

1.000

463

562

574

574

580

– waarvan zorg met verblijf

1.000

254

260

261

249

246

– waarvan zorg zonder verblijf1

1.000

212

309

319

329

338

             

Volume (productie)

Zorg in natura met verblijf (nacalculatie, voor het jaar 2014 afspraken)

Aantal dagen ZZP geestelijke gezondheidszorg B

1 mln.

3

3

2,9

2,8

2,7

Aantal dagen ZZP geestelijke gezondheidszorg C

1 mln.

6,2

6,8

7,3

7,2

7

Aantal dagen ZZP verstandelijke handicap

1 mln.

21,7

22,5

23,2

23,3

23,2

Aantal dagen ZZP (sterk gedragsgestoord) licht verstandelijke

handicap

1 mln.

1,3

1,5

1,5

1,5

1,5

Aantal dagen ZZP lichamelijke beperking

1 mln.

3,1

3,4

3,4

3,2

3,1

Aantal dagen ZZP zintuiglijke beperking

1 mln.

0,8

0,8

0,8

0,8

0,9

Aantal dagen ZZP verpleging en verzorging2

1 mln.

57,7

57,3

57,5

53,5

51,3

Zorg in natura zonder verblijf (nacalculatie, voor het jaar 2014 afspraken)

           
Aantal uren persoonlijke verzorging3

1 mln.

39,7

42,7

45,7

43,3

47,2

Aantal uren verpleging

1 mln.

6,9

7,1

7,2

6,2

7

Aantal uren begeleiding

1 mln.

17,1

17,4

17,5

17,3

18,1

Aantal uren behandeling

1 mln.

2,0

2,1

2,3

2,4

2,4

Aantal dagdelen dagactiviteiten extramurale cliënten

1 mln.

16,5

16,3

16

15,7

16,1

Volledig pakket thuis (nacalculatie, voor het jaar 2014 afspraken)

           

Aantal dagen vpt geestelijke gezondheidszorg

1 mln.

0

0,1

0,1

0,2

0,3

Aantal dagen vpt gehandicaptenzorg

1 mln.

0,1

0,2

0,3

0,5

0,9

Aantal dagen vpt verpleging en verzorging

1 mln.

0,2

0,5

0,8

1,2

1,6

Noot 1: Met ingang van medio 2010 is de functie Begeleiding bijdrageplichtig. Met ingang van 2011 is dit in het bovenstaande cijfer verwerkt.

Noot 2: Met ingang van 2013 is de geriatrische revalidatiezorg (zzpVV 9a) overgegaan naar de Zvw.

Noot 3: Dit is in 2013 en 2014 exclusief de zorg die wordt geleverd via het ERAI-programma.

 

eenheid

2010

2011

2012

2013

2014

MEE-instellingen

           

Aantal cliënten MEE-organisaties

aantal

101.457

98.458

101.674

97.002

n.b.

Totaal aantal MEE-organisaties

aantal

22

22

22

22

22

             

Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)

           
Uren hulp bij huishouden totaal gefactureerd1

1 mln.

56,5

58,9

58,1

51,2

47,6

Klanten hulp bij huishouden personen

1.000

431,3

444,5

443,2

414,1

378,6

Jeugd

           

Aantal cliënten provinciale jeugdzorg

aantal

 

104.090

104.345

104.835

n.n.b.

Aantal cliënten tot 21 jaar gesloten jeugdzorg

aantal

   

2.535

2.415

n.n.b.

Aantal personen jonger dan 18 jaar met een indicatie jeugd-AWBZ

1.000

 

97

88

82

n.n.b.

Aantal personen jonger dan 18 jaar met een indicatie jeugd-Ggz

1.000

248

267

n.b.

n.b.

n.n.b.

Noot 1: Dit bevat de bijdrageplichtige huishoudelijke verzorging, waarbij voor de bepaling van de eigen bijdrage gerekend wordt met het aantal ontvangen uren zorg. Personen die huishoudelijke verzorging ontvangen waarbij sprake is van resultaatfinanciering of arrangementen waar huishoudelijke verzorging onderdeel van is, zijn niet in deze cijfers opgenomen.

Bronnen:

AWBZ: Indicatie, Gebruik, Volume: www.monitorlangdurigezorg.nl;

MEE-instellingen: MEE-Nederland

Wmo: www.monitorlangdurigezorg.nl

3.2.4 Verticale ontwikkeling van de Wlz-uitgaven en -ontvangsten

De verticale toelichting bevat een cijfermatig overzicht van de budgettaire veranderingen die zich hebben voorgedaan sinds de ontwerpbegroting 2015. Voor het jaar 2014 betreft het de AWBZ-stand en vanaf het jaar 2015 de Wlz-stand. Voor een meer gedetailleerde toelichting op de veranderingen wordt verwezen naar de verdiepingsparagraaf.

De verticale toelichting onderscheidt drie categorieën mutaties:

  • –  mee- en tegenvallers;
  • –  beleidsmatige mutaties;
  • –  technische- en nominale mutaties.

Tabel 8 laat vanaf de stand ontwerpbegroting 2015 de verticale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten zien.

Tabel 8 Verticale ontwikkeling van de Wlz-uitgaven en -ontvangsten (bedragen x € 1 miljoen)
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Wlz-uitgaven ontwerpbegroting 2015

19.456,2

19.147,3

19.310,5

19.900,2

20.838,4

 

Mee- en tegenvallers

           

Actualisering Wlz

145,6

309,4

357,4

368,5

368,5

 
             

Beleidsmatige mutaties

           

Ophogen budget eerstelijnsverblijf

67,0

0,0

0,0

0,0

0,0

 

Dekking ophogen budget eerstelijnsverblijf

– 33,5

– 35,0

0,0

0,0

0,0

 

Uitstel overgang eerstelijnsverblijf naar Zvw

96,3

180,5

0,0

0,0

0,0

 

Wlz uitvoeringskosten

– 55,0

– 55,0

– 55,0

– 55,0

– 55,0

 

Pgb-tekort Wlz wegens hogere toestroom

91,0

133,0

160,0

160,0

160,0

 

Dekking pgb-tekort

0,0

– 116,0

– 176,0

– 176,0

– 176,0

 

Kasschuif groeiruimte care

– 50,0

50,0

0,0

0,0

0,0

 

Vrijval CIZ

– 23,0

– 23,0

– 23,0

– 23,0

– 23,0

 

Extramuraliseringseffecten (zzp's 1–3 en zzp4)

150,0

259,0

338,0

378,0

309,0

 

Ruimte abortusklinieken

– 11,3

– 11,3

– 11,3

– 11,3

– 11,3

 

Invoering NHC Jeugd

0,0

– 11,0

– 20,0

– 28,0

– 28,0

 

Huishoudelijke hulp Wlz MPT

0,0

27,0

27,0

27,0

27,0

 

Herverdelingseffecten Wlz

0,0

– 208,0

– 446,0

– 446,0

– 446,0

 

Passend onderwijs

22,9

57,3

57,3

57,3

57,3

 

Onderuitputting contracteerruimte Wlz

– 22,9

– 40,3

– 40,3

– 40,3

– 40,3

 

Compensatie RA-maatregel kern-awbz in 2016

0,0

45,0

0,0

0,0

0,0

 

Enveloppe: waardigheid en trots

0,0

132,5

152,5

152,5

157,5

 

Overige

– 13,8

– 63,3

– 66,1

– 66,2

– 66,2

 
             

Technische en nominale mutaties

           

Nominale ontwikkeling

– 28,8

60,9

107,2

135,9

123,1

 

Brutering pgb

60,0

60,0

60,0

60,0

60,0

 
             

Totaal mutaties

394,5

751,7

421,7

493,4

416,6

 
             

Wlz-uitgaven ontwerpbegroting 2016

19.850,7

19.899,0

19.732,2

20.393,6

21.255,0

22.260,5

Wlz-ontvangsten ontwerpbegroting 2015

1.737,3

1.676,0

1.651,9

1.655,2

1.715,0

 

Beleidsmatige mutaties

           

Eigen bijdrage Wlz

94,0

112,0

123,0

125,0

115,0

 
             

Technische mutaties

           

Brutering pgb

60,0

60,0

60,0

60,0

60,0

 
             

Totaal mutaties

154,0

172,0

183,0

185,0

175,0

 

Wlz-ontvangsten ontwerpbegroting 2016

1.891,3

1.848,0

1.834,9

1.840,2

1.890,0

1.903,4

Netto-Wlz-uitgaven ontwerpbegroting 2015

17.718,9

17.471,4

17.658,6

18.245,0

19.123,3

 

Mutatie in de netto-Wlz-uitgaven

240,5

579,7

238,7

308,4

241,6

 

Netto-Wlz-uitgaven ontwerpbegroting 2016

17.959,4

18.051,0

17.897,3

18.553,4

19.364,9

20.357,1

Bron: VWS, gegevens Zorginstituut Nederland over (voorlopige) financieringslasten Zvw en Wlz en NZa-gegevens over de productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens.

Uitgaven

Mee- en tegenvallers

Actualisering Wlz

Dit voorjaar zijn de realisatiecijfers 2014 AWBZ binnengekomen voor zowel de zorg in natura als het pgb. Deze uitvoeringscijfers zijn geanalyseerd, waarbij de realisatie is afgezet tegen de raming aan de hand van de beschikbare modellen en gekeken is wat de verschuivingen tussen de domeinen zijn. Per saldo komen de uitgaven voor de Wlz hoger uit.

Beleidsmatige mutaties

Ophogen budget eerstelijnsverblijf

Omdat het subsidieplafond voor eerstelijnsverblijf ontoereikend is gebleken, wordt het plafond in 2015 en 2016 verhoogd. Deze mutatie betreft de ophoging in 2015 (in 2016 valt de regeling onder de Zvw).

Dekking ophoging budget eerstelijnsverblijf

De ophoging van het budget voor eerstelijnsverblijf wordt deels gedekt binnen de Wlz en deels binnen de Zvw.

Uitstel overgang eerstelijns kortdurend verblijf naar Zvw

De overheveling van het eerstelijnsverblijf van de Wlz naar de Zvw is uitgesteld naar 2017.

Wlz uitvoeringskosten

Het gaat hier om een neerwaartse bijstelling van het kader beheerskosten voor onder meer saneringskosten van instellingen in de langdurige zorg en middelen voor de bijdrage in het vrijwillige gebruik door de budgethouder van de SVB. Een deel van deze middelen zijn via een ijklijnmutatie overgeboekt naar de begroting van VWS ten behoeve van de uitvoering van pgb-trekkingsrechten door de SVB.

Pgb-tekort Wlz wegens hogere toestroom

Als gevolg van een hoger dan verwachte toestroom van budgethouders in de laatste maanden van 2014 en een groter beroep op pgb-middelen door de groep Wlz-indiceerbaren dan verwacht zijn er extra middelen vrijgemaakt voor hogere pgb-uitgaven.

Dekking pgb-tekort

Het knelpunt dat ontstaan is als gevolg van het pgb-tekort wordt geredresseerd via ramingsbijstellingen (zoals een andere toedeling van de groeiruimte tussen pgb en ZIN alsmede veronderstellingen over prijs en gebruik).

Kasschuif groeiruimte care

Om een meer evenwichtige verdeling van de middelen groeiruimte care over de jaren heen te bereiken, wordt de beschikbare ruimte in 2015 verlaagd en via een kasschuif overgeheveld naar 2016.

Vrijval CIZ

Deze vrijval ontstaat door het wegvallen van taken bij het CIZ.

Extramuraliseringseffecten (zzp's 1–3 en zzp 4)

Uit realisatiecijfers over de ontwikkeling van het aantal lage zzp’s in de V&V-sector blijkt dat de daling in 2014 minder snel gaat dan verwacht. Op basis van een meer gematigd uitstroomtempo in de rest van 2014 en in 2015 wordt verwacht dat het gemiddelde aantal lage zzp’s in 2015 uitkomt op circa 17.500. Dit leidt tot extra intramurale Wlz-uitgaven. Daarnaast worden extra middelen beschikbaar gesteld om afbakeningsknelpunten voor ouderen met zzp 4 in de Wlz op te lossen.

Ruimte abortusklinieken

Dit betreft ruimte die is ontstaan als gevolg van het verhangen van de budgetten voor abortusklinieken van het Budgettair Kader Zorg naar de VWS-begroting. De ruimte is gesaldeerd voor het knelpunt abortusklinieken dat op de VWS-begroting is ontstaan, onder andere als gevolg van de indexering van de tarieven.

Invoering NHC Jeugd

In het traject rond de HLZ is de Normatieve huisvestingscomponent (NHC) ook ingevoerd in het jeugddomein. Gemeenten gaan hierdoor over de jaren steeds meer kapitaallasten betalen. Bij de overheveling van het macrobudget (augustus 2014) zijn deze middelen op dat moment niet overgeheveld. Door middel van deze mutatie wordt dit gecorrigeerd.

Huishuidelijke hulp Wlz MPT

Cliënten met een mpt (modulair pakket thuis) ontvangen in 2015, net als in voorgaande jaren, hun huishoudelijke verzorging nog vanuit de Wmo 2015. Vanaf 2016 zal het budget voor de huishoudelijke verzorging voor de hier bedoelde cliënten aan de contracteerruimte Wlz worden toegevoegd. Deze mutatie betreft het besparingsverlies van het deel van het budget dat niet vanuit het Gemeentefonds aan de contracteerruimte Wlz kan worden toegevoegd in verband met de korting op de huishoudelijke verzorging in de Wmo 2015 vanaf 2015.

Herverdelingseffecten Wlz

Deze mutatie betreft hoofdzakelijk het toedelen van de volumegroei 2016 en 2017 aan de Wmo 2015 en het jeugddomein en het toedelen van de tranches extramuralisering 2016 en 2017 aan de Wmo 2015.

Passend onderwijs

Voor kinderen met een zzp-indicatie in de Wlz is dagbesteding standaard in het profiel opgenomen. Hiermee was nog geen rekening gehouden bij de vaststelling van het budgettaire kader voor 2015. In het kader van aangenomen moties van Dik-Faber/Voordewind (TK 31 497, nr. 156) en Ypma (nr. 164) worden kinderen die met een hoog AWBZ-zzp onder de Wlz vallen nu actief geherïndiceerd.

Onderuitputting contracteerruimte Wlz

De contracteerruimte liet de afgelopen jaren bij de nacalculatie een onderuitputting zien van circa 1%. Het kabinet zet hiervan nu € 40 miljoen in als dekking.

Compensatie RA-maatregel kern-awbz in 2016

Deze mutatie betreft de inzet van enveloppe-middelen 2016 ter compensatie van de Regeerakkoord-taakstelling kern-AWBZ in 2016.

Enveloppe: waardigheid en trots

Deze mutatie betreft de investering in de kwaliteit van leven in instellingen. Dit betreft een kwaliteitsimpuls voor verpleeghuizen en investeringen in dagactiviteiten. De middelen worden via een ijklijnmutatie naar het Budgettair Kader Zorg overgeheveld.

Overige

Deze post is het saldo van diverse beleidsmatige mutaties.

Technische en nominale mutaties

Nominale ontwikkeling

De raming van de loon- en prijsbijstelling is aangepast op basis van de laatste macro-economische inzichten van het Centraal Planbureau (CPB).

Brutering pgb

Met ingang van 2015 is het pgb in de Wlz omgezet van netto naar bruto. Het bruto pgb is hoger, omdat niet langer vooraf de eigen bijdrage wordt verrekend met de pgb-toekenning. De budgethouder dient in de Wlz zelf de eigen bijdrage te voldoen aan het CAK (en mag dit niet betalen met het pgb). Tegenover de hogere kosten van het bruto pgb staat eenzelfde bedrag aan ontvangsten eigen bijdrage pgb. De omzetting naar bruto pgb is dus budgettair neutraal voor het BKZ.

Ontvangsten

Eigen bijdrage Wlz

De hogere opbrengst van de eigen bijdragen in 2015 van € 94 miljoen hangt voor € 70 miljoen samen met een meevaller in de realisatiege-gevens 2014. Deze meevaller werkt structureel door. Daarnaast is in de raming van de ontvangsten rekening gehouden met de doorwerking van de langzamere afbouw van het aantal lage zzp’s in de V&V-sector op de intramurale eigen bijdragen (€ 24 miljoen in 2015 oplopend naar € 55 miljoen in 2018 en daarna weer afnemend naar € 45 miljoen in 2019).

Technische mutaties

Brutering pgb

Tegenover de hogere kosten van het bruto pgb staat eenzelfde bedrag aan ontvangsten eigen bijdrage pgb.

Tabel 9 laat vanaf de stand ontwerpbegroting 2015 de verticale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten zien.

Tabel 9 Verticale ontwikkeling van de Wmo en Jeugdwet-uitgaven en -ontvangsten (bedragen x € 1 miljoen)1Alleen de middelen die behoren tot het Budgettair Kader Zorg (BKZ) worden hier verantwoord.
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Uitgaven ontwerpbegroting 2015

7.050,2

6.947,5

6.766,4

6.771,3

6.770,3

 

Mee- en tegenvallers

           

Herverdelingseffecten Wmo 2015

– 25,0

– 281,5

– 313,5

– 342,1

– 331,1

 

Herverdelingseffecten Jeugd

– 108,9

– 241,7

– 244,8

– 245,7

– 245,7

 
             

Beleidsmatige mutaties

           

Huishoudelijke hulp toelage

13,5

66,0

0,0

0,0

0,0

 

Meeropbrengst pgb trekkingsrechten gemeenten

20,0

0,0

0,0

0,0

0,0

 

Onvolkomendheid woonplaatsbeginsel jeugdzorg

20,0

– 20,0

0,0

0,0

0,0

 

Dekking middelen huishoudelijke hulp-toelage

0,0

0,0

– 10,0

– 10,0

– 10,0

 

Lpo tranche 2015

6,9

6,9

6,7

6,8

6,8

 

Herverdelingseffecten Wmo 2015

0,0

193,5

412,3

412,9

412,9

 

Herverdelingseffecten Jeugdwet

– 20,0

46,8

38,8

39,7

39,7

 

Capaciteitsreductie gesloten jeugdzorg

9,0

0,0

0,0

0,0

0,0

 

Overige

– 0,8

– 1,5

– 2,5

– 2,5

– 2,5

 
             

Totaal mutaties

– 85,2

– 231,5

– 112,9

– 140,8

– 129,8

 

Uitgaven ontwerpbegroting 2016

6.964,9

6.716,1

6.653,5

6.630,5

6.640,5

6.638,7

Mee- en tegenvallers

Herverdelingseffecten Wmo 2015 en Jeugd

In februari 2015 zijn de realisatiecijfers 2014 AWBZ binnengekomen voor zowel de zorg in natura als het pgb. Op basis van deze cijfers vindt er een herverdeling plaats over de verschillende domeinen binnen de hervorming langdurige zorg. Per saldo komen de uitgaven voor de voor de Wmo 2015 en jeugdzorg lager uit.

Beleidsmatige mutaties

Huishoudelijke hulp toelage

Het aan gemeenten toegekende bedrag voor de huishoudelijke hulp toelage komt vanwege een wijziging van de aanvraagprocedure hoger uit dan het eerder beschikbaar gestelde budget.

Meerkosten pgb trekkingsrechten gemeenten

In november 2014 is bestuurlijk afgesproken dat in redelijkheid zal worden voorzien in compensatie van extra kosten die partijen uit hoofde van de terugvalscenario’s maken voor een soepele overgang voor pgb-houders. Hiertoe ontvangen gemeenten in 2015 een voorlopig aanvullend budget van € 20 miljoen.

Onvolkomenheid woonplaatsbeginsel jeugdzorg

In de bestuurlijke afspraken die in oktober 2014 zijn gemaakt tussen het Rijk en de VNG is een compensatieregeling afgesproken voor gemeenten die nadeel ondervinden van de toepassing van het woonplaatsbeginsel. Dit betreft gemeenten met veel intramurale instellingen binnen de gemeentegrenzen. Afhankelijk van de claims van gemeenten wordt er maximaal € 20 miljoen uit het macrobudget Jeugdwet 2016 naar voren (het jaar 2015) gehaald en aan de te compenseren gemeenten uitgekeerd. Vanaf 2016 wordt deze situatie opgelost met de invoering van het objectief verdeelmodel.

Dekking middelen huishoudelijke hulp toelage

Het tekort op het budget voor de huishoudelijke hulp toelage is gedekt door het bij Regeerakkoord extra beschikbaar gestelde budget ter verbetering van de arbeidsmarktpositie van specifieke groepen (alfahulpen) naar voren te halen.

Lpo tranche 2015

Voor zowel het jeugd- als Wmo-budget wordt de loon-en prijsindex toegevoegd.

Herverdelingseffecten Wmo 2015

Deze mutatie betreft hoofdzakelijk het toedelen van de volumegroei 2017 en de tranches extramuraliseren 2016 en 2017 aan de Wmo 2015.

Herverdelingseffecten Jeugdwet

Deze mutatie is het saldo van enkele verschuivingen van de Zvw naar het jeugddomein en vice versa, compensatie voor gesloten jeugdzorg, J-GGZ, tandartskosten en orthodontie, chronische voedselweigering door peuters, de OVA 2015 en volumegroei 2016 en 2017.

Capaciteitsreductie gesloten jeugdzorg

Voor 2016 is er € 25 miljoen uit het macrobudget op de VWS-begroting gehaald om de regeling Capaciteitsreductie Jeugdzorgplus in 2015 te kunnen financieren. Hiervan wordt € 16 miljoen in 2015 daadwerkelijk uitgegeven en blijft er € 9 miljoen over. Deze € 9 miljoen maakt deel uit van de dekking van het bestuurlijk akkoord met de VNG van mei 2015. Bij de Voorjaarsnota is dit bedrag per abuis van het Gemeentefonds afgeboekt. Met deze mutatie wordt dit gecorrigeerd.

Overige

Deze post is het saldo van diverse beleidsmatige mutaties.

3.3 Begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven

Naast de Wmo 2015 en de Jeugdwet vallen enkele andere begrotingsgefinancierde posten onder de bruto-BKZ-uitgaven. Tot deze categorie horen de uitgaven voor de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg), de uitgaven voor zorg, jeugd en welzijn in Caribisch Nederland, bepaalde uitgaven voor zorgopleidingen, de subsidieregeling abortusklinieken en de subsidieregeling overgang integrale tarieven medisch-specialistische zorg. Deze uitgaven worden op de VWS-begroting verantwoord op de artikelen 2, 4 en 8. Voor de doelstelling van dit beleid en de rol en verantwoordelijkheid van de Minister wordt verwezen naar de betreffende passages op de artikelen in de begroting. Ten slotte zijn er bedragen gereserveerd op de aanvullende post van het Ministerie van Financiën die onder het BKZ vallen. Dit betreft onder meer de loon- en prijsbijstelling voor de begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven.

In tabel 10 wordt de ontwikkeling van de begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven weergegeven.

Tabel 10 Verticale ontwikkeling van de begrotingsgefinancierde-BKZ-uitgaven en -ontvangsten (bedragen x € 1 miljoen)
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Begrotingsgefinancierde-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2015

7.526,1

7.256,9

7.098,7

7.146,9

7.161,0

 
             

Mutatie Wmo en Jeugdwet (Gemeentefonds)

– 85,2

– 231,5

– 112,9

– 140,8

– 129,8

 

Mutatie subsidieregeling overgang integrale tarieven medisch-specialistische zorg

– 80,1

30,0

50,0

0,0

0,0

 

Mutatie Wtcg

34,0

7,1

3,1

1,2

0,0

 

Mutatie zorgopleidingen

29,0

51,9

51,9

39,4

39,4

 

Mutatie Caribisch nederland

20,0

19,3

19,3

19,3

19,3

 

Mutatie subsidieregeling abortusklinieken

2,9

3,0

3,0

3,0

3,0

 

Mutatie loon- en prijs

– 7,9

– 11,9

– 23,2

– 28,5

– 35,2

 

Mutatie overige

– 37,1

0,0

0,0

0,0

0,0

 
             

Totaal mutaties

– 124,4

– 132,1

– 8,7

– 106,3

– 103,2

 
             

Begrotingsgefinancierde-BKZ--uitgaven ontwerpbegroting 2016

7.401,6

7.124,9

7.090,0

7.040,5

7.057,8

7.065,8

In tabel 11 wordt de opbouw van de begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven weergegeven.

Tabel 11 Opbouw van de begrotingsgefinancierde-BKZ-uitgaven en -ontvangsten (bedragen x € 1 miljoen)
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Wmo en Jeugdwet (Gemeentefonds)

6.964,9

6.716,1

6.653,5

6.630,5

6.640,5

6.638,7

Integratie-uitkering Wmo/huishoudelijke verzorging

1.258,7

1.138,1

1.178,8

1.178,8

1.178,8

1.178,8

Integratie-uitkering Sociaal domein deel Wmo 2015

3.543,9

3.573,3

3.613,0

3.575,0

3.585,0

3.573,0

HHT en restant RA middelen arbeidsmarkt

128,6

141,0

41,2

41,2

41,2

51,4

Jeugdwet

2.033,8

1.863,6

1.820,5

1.835,5

1.835,5

1.835,5

             

Overig begrotingsgefinancierd (VWS-begroting)

436,7

408,8

436,5

410,0

417,3

427,1

Subsidieregeling overgang integrale tarieven medisch-specialistische zorg

44,9

30,0

50,0

25,0

25,0

25,0

Zorgopleidingen (begrotingsdeel)

210,5

242,1

246,1

239,6

241,7

241,7

Caribisch Nederland

105,7

107,9

110,9

113,9

117,0

120,0

Wtcg

59,8

7,7

3,8

1,9

0,0

0,0

Subsidieregeling abortusklinieken

15,7

15,7

15,7

15,7

15,7

15,7

Loon- en prijsbijstelling

0,2

5,4

10,0

13,9

18,0

24,7

Overige

– 0,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Bruto-uitgaven

7.401,6

7.124,9

7.090,0

7.040,5

7.057,8

7.065,8

Overige ontvangsten

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Netto-uitgaven

7.401,6

7.124,9

7.090,0

7.040,5

7.057,8

7.065,8

In tabel 11a wordt de aansluiting gemaakt tussen de bedragen in de meicirculaire van het Gemeentefonds met betrekking tot de macrobudgetten Jeugd en Wmo en het op het BKZ verantwoorde deel daarvan, zoals weergegeven in tabel 11.

Tabel 11a Meerjarig overzicht Jeugd en Wmo (bedragen x € 1 miljoen)
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Macrobudget Jeugd (IU Sociaal domein)

3.761

3.575

3.490

3.500

3.505

3.505

wv afkomstig van begroting VWS art. 5

1.364

1.271

1.258

1.250

1.250

1.250

wv afkomstig van begroting V&J

355

356

318

321

321

321

wv afkomstig van Provinciefonds

0

83

83

83

83

83

wv BKZ

2.034

1.864

1.821

1.836

1.836

1.836

wv overig

7

2

10

10

15

15

Macrobudget Wmo 2015 (IU Sociaal domein)

3.633

3.675

3.715

3.677

3.687

3.675

wv afkomstig van begroting VWS art. 3

70

100

100

100

100

100

wv BKZ

3.544

3.573

3.613

3.575

3.585

3.573

wv overig

19

2

2

2

2

2

Het totale macrobudget Jeugd bedraagt in 2016 € 3,58 miljard. Het overgrote deel van deze middelen is afkomstig vanuit de AWBZ en de Jeugd GGZ (BKZ). Vanuit de begroting van VWS (artikel 5) zijn de middelen voor gesloten en provinciale jeugdzorg toegevoegd. Vanuit de begroting van V&J zijn middelen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering toegevoegd. Vanaf 2016 draagt het Provinciefonds € 83 miljoen bij aan het macrobudget Jeugd.

Het totale macrobudget Wmo 2015 bedraagt in 2016 € 3,68 miljard. Het overgrote deel van deze middelen is afkomstig vanuit de voormalige AWBZ (BKZ). Vanuit artikel 3 van de VWS-begroting zijn de middelen voor het voormalige mantelzorgcompliment toegevoegd.

Een nadere toelichting bij de macrobudgetten Jeugd en Wmo 2015 is te vinden in de meicirculaire 2015.

Figuur 3 Begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven

4 Financiering van de zorguitgaven

4.1 Totaalbeeld

Deze paragraaf gaat in op de financiering van de zorguitgaven die toegerekend worden aan het Budgettair Kader Zorg (BKZ). Het grootste deel van de zorguitgaven betreft uitgaven in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz). Een substantieel deel van de zorguitgaven verloopt via de rijksbegroting en wordt gefinancierd via belastinginkomsten. Een uitsplitsing voor het jaar 2016 staat in tabel 12. In het vervolg van deze paragraaf wordt dieper ingegaan op de financiering van de Zvw en de Wlz afzonderlijk.

Tabel 12 Financiering bruto BKZ- uitgaven (bedragen x € 1 miljard)
 

2016

Zvw

45,9

w.v. eigen betalingen

(3,2)

Wlz

19,9

w.v. eigen betalingen

(1,8)

Overheid (opleidingen/Wtcg/Caribisch Nederland)

0,4

Overheid (Gemeentefonds/Wmo en Jeugdwet)

6,7

Bruto BKZ-uitgaven stand VWS ontwerpbegroting 2016

72,9

Bron: VWS

4.2 De financieringssystematiek

Zorgverzekeringswet (Zvw)

Het overgrote deel van de zorguitgaven in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw) loopt via zorgverzekeraars. Zij betalen zorgaanbieders voor de zorg die is geleverd aan hun verzekerden. Een beperkt deel van de zorguitgaven wordt rechtstreeks aan zorgaanbieders betaald vanuit het Zorgverzekeringsfonds (ZVF). Dit betreft vooral de beschikbaarheidbijdragen. Het gaat daarbij om zorgprestaties waarvoor het niet mogelijk en/of wenselijk is de kosten aan individuele verzekerden toe te rekenen. De grootste beschikbaarheidbijdragen zijn die voor opleidingen en de zogenaamde academische component. Daarnaast gaat het om enkele kleinere bijdragen zoals brandwondenzorg, traumazorg, spoedeisende zorg en een deel van de kapitaallasten. Naast de beschikbaarheidbijdragen wordt vanuit het Zorgverzekeringsfonds ook een deel van de grensoverschrijdende zorg betaald.

Figuur 4: Financieringsstromen Zvw

Ter financiering van de uitgaven ontvangen zorgverzekeraars van hun verzekerden een nominale premie en het eigen risico. Daarnaast ontvangt elke zorgverzekeraar een vereveningsbijdrage uit het ZVF. Dit bedrag houdt rekening met het risicoprofiel van de verzekerdenpopulatie van iedere zorgverzekeraar en met het eigen risico dat hij ontvangt en zorgt zodoende voor een gelijk speelveld. Dat is nodig omdat verzekeraars zich moeten houden aan de wettelijke acceptatieplicht van verzekerden. Ook ontvangen zorgverzekeraars uit het ZVF een vergoeding voor de beheerskosten van verzekerde kinderen in hun bestand.

De nominale premie bestaat uit twee delen. Het eerste deel is een door VWS vastgestelde rekenpremie die voor alle verzekeraars hetzelfde is. Samen met de opbrengsten uit eigen betalingen en de bijdrage die zorgverzekeraars uit het fonds krijgen, kunnen zij hier in de optiek van VWS hun zorguitgaven mee betalen. Daarnaast bevat de nominale premie een opslagpremie, die verzekeraars zelf vaststellen en dus per verzekeraar verschilt. Zorgverzekeraars moeten uit hun inkomsten ook hun beheerskosten dekken. Verder moeten zij reserves opbouwen om zeker te stellen dat zij altijd aan hun verplichtingen kunnen voldoen. De Nederlandsche Bank (DNB) stelt minimumeisen aan deze reserves. Zorgverzekeraars kunnen de beheerskosten en de reserveopbouw financieren door middel van die opslagpremie. In de opslagpremie kunnen zorgverzekeraars ook winsten en verliezen uit het verleden, afwijkende inschattingen ten aanzien van de zorguitgaven of risico-opslagen verwerken. Door verschillen in de opslagpremie concurreren verzekeraars met elkaar om verzekerden, die jaarlijks kunnen overstappen naar een andere verzekeraar.

Het ZVF ontvangt ter financiering van zijn uitgaven de inkomensafhankelijke bijdrage (IAB) en een rijksbijdrage kinderen. In verband met de overhevelingen van AWBZ naar Zvw is besloten tot een tijdelijke rijksbijdrage HLZ, die voorkwam dat zowel de nominale premie als de IAB in 2015 fors moesten stijgen. Deze tijdelijke rijksbijdrage loopt geleidelijk af naar nul in vier jaar. Het ZVF ontvangt verder de premievervangende bijdrage van verdragsgerechtigden en rente. Vanuit het fonds worden zorgverzekeraars gedeeltelijk gecompenseerd voor derving van inkomsten als gevolg van wanbetaling bij de nominale premie. Ook worden uit het fonds kosten betaald in het kader van de regeling onverzekerden. In de Zvw is geregeld dat het ZVF niet structureel mag werken met tekorten of overschotten. Daarom dient een gebleken negatief vermogen snel te worden weggewerkt via meer dan lastendekkende premies en een positief vermogen via minder dan lastendekkende premies.

De overheid verstrekt een rijksbijdrage kinderen aan het ZVF. Deze bijdrage maakt het mogelijk dat bij kinderen tot 18 jaar geen nominale premie in rekening hoeft te worden gebracht. De overheid betaalt daarnaast zorgtoeslag aan huishoudens met lage en middeninkomens ter gedeeltelijke compensatie van de nominale premie. De rijksbijdrage kinderen en de zorgtoeslag worden betaald uit belastinginkomsten.

De zorgtoeslag waarborgt dat geen enkel huishouden een groter deel van zijn inkomen aan ziektekostenpremie hoeft te betalen dan wat op grond van de wet als aanvaardbaar wordt beschouwd. De lasten die daar boven uit stijgen komen in aanmerking voor compensatie via de zorgtoeslag. Daarbij is de zogenaamde standaardpremie maatgevend en niet de feitelijke, door de individuele burger betaalde premies. De standaardpremie is bepaald als het gemiddelde van de premies die worden betaald in de markt, vermeerderd met het gemiddelde bedrag dat een verzekerde aan eigen risico betaalt. De zorgtoeslag maakt geen onderdeel uit van het uitgavenkader, maar telt net als de zorgpremies mee in het inkomstenkader. Dat betekent dat het kabinet een hogere zorgtoeslag beschouwt als een vorm van lastenverlichting.

Uiteindelijk worden alle zorguitgaven betaald door burgers en bedrijven via de nominale premie, de inkomensafhankelijke bijdrage, eigen betalingen en belastingen. In de Zvw is vastgelegd dat evenveel inkomsten worden gegenereerd via de inkomensafhankelijke bijdrage als via de nominale premie, de eigen betalingen en de rijksbijdrage kinderen samen (de 50/50-verdeling). De 50/50-verdeling impliceert dat uitgavenstijgingen bij verzekeraars voor 50% moeten worden gedekt uit de IAB. Dat wordt bereikt door de bijdrage uit het fonds aan verzekeraars te verhogen. Omgekeerd dient een stijging van de rechtstreekse uitgaven van het fonds voor de helft te worden opgevangen via nominale premies. Dat wordt bereikt door de bijdrage voor de zorgverzekeraars te verlagen.2

De Wet langdurige zorg (Wlz)

Het overgrote deel van de zorguitgaven in het kader van de Wlz loopt in opdracht van zorgkantoren via het CAK naar zorgaanbieders. De uitzondering hierop vormen persoonsgebonden budgetten (pgb’s). Daarbij wordt geld door de SVB overgemaakt naar zorgverleners in opdracht van burgers die zelf zorg inkopen (trekkingsrechten). De benodigde middelen komen uit het Fonds Langdurige Zorg (FLZ).

Het FLZ ontvangt ter financiering van zijn uitgaven (via de belastingdienst) de Wlz-premie. De Wlz-premie wordt geheven als percentage over het inkomen in de eerste en tweede belastingschijf, na aftrek van een deel van de heffingskortingen. Deze heffingskortingen (die bestaan sinds de belastingherziening 2001) beperken voor burgers de te betalen loon- en inkomstenheffing. Ze beperken dus zowel de te betalen inkomsten- en loonbelasting als de te betalen premies volksverzekeringen (Wlz, AOW en ANW). Voor 2001 waren er aftrekposten die zwaarder drukten op de belastingen en minder op de premies volksverzekeringen. Het FLZ ontvangt van de overheid een bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK). Via deze bijdrage wordt het FLZ gecompenseerd voor het drukkend effect op de AWBZ-premies dat uitgaat van de belastingherziening 2001. Het FLZ ontvangt daarnaast van burgers (via het CAK) de eigen bijdrage Wlz en betaalt rente aan de overheid.

In de Wlz wordt gestreefd naar een binnen een kabinetsperiode constante lastendekkende premie. In augustus 2014 is besloten tot een Wlz-premie van 9,65% voor deze kabinetsperiode, omdat bij die premie op basis van de toenmalige ramingen een vermogen van circa nul in 2017 resulteerde. Op basis van de actuele ramingen lijkt dit uit te komen.

Figuur 5: Financieringsstromen Wlz

De Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)

Tot en met 2014 werd de langdurige zorg gefinancierd via de AWBZ. De uitgaven en inkomsten verliepen via het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ). Het AFBZ zal nog de nodige jaren bestaan omdat het lang duurt voordat alle inkomsten en uitgaven uit oude jaren die ten gunste en ten laste van het AFBZ komen ook feitelijk ontvangen en betaald zijn.

Het AFBZ kent al een aantal jaren een fors negatief vermogen. Dit vermogen kan de komende jaren nog veranderen door mee- of tegenvallende inkomsten en uitgaven, maar zal naar alle waarschijnlijkheid fors negatief blijven. In de Wlz is opgenomen dat het negatieve vermogen van het AFBZ bij de liquidatie van dit fonds via een rijksbijdrage zal worden aangezuiverd. Deze rijksbijdrage zal te zijner tijd geen invloed hebben op de EMU-schuld, omdat het negatieve vermogen van het AFBZ al in de EMU-schuld verdisconteerd is.

4.3 De financiering in 2016

4.3.1 Zorgverzekeringswet (Zvw)

Tabel 13 geeft een overzicht van de uitgaven en inkomsten uit hoofde van de Zorgverzekeringswet (Zvw)3.

De ontwikkelingen bij de financiering van de Zvw in 2016 worden gedomineerd door drie zaken:

  • –  De (in historisch perspectief lage) groei van de zorguitgaven. Deze leidt tot een beperkte premiestijging.
  • –  De afbouw van de rijksbijdrage die in 2015 is geïntroduceerd om de premiegevolgen van de overheveling geleidelijk te laten verlopen. Hierdoor stijgen de premies.
  • –  De lage vaststelling van de nominale premie 2015 door verzekeraars. Hierdoor is de beoogde 50/50-verhouding tussen nominale premie en inkomensafhankelijke bijdrage (IAB) niet gerealiseerd. In 2016 moet deze 50/50-verhouding worden hersteld, waardoor de nominale premie meer moet stijgen dan de IAB.

De Zvw-uitgaven vallend onder het BKZ bedragen in 2016 € 45,9 miljard; een groei van € 1,8 miljard ten opzichte van de voor de DBC-hobbel geschoonde uitgaven 2015. De ontwikkeling van de Zvw- uitgaven wordt elders in dit Financieel Beeld Zorg toegelicht. De groei van de Zvw-uitgaven betreft vooral groei bij de zorguitgaven van zorgverzekeraars. Deze stijgen met € 1,4 miljard van 2015 naar 2016. De rechtstreekse betalingen vanuit het Zorgverzekeringsfonds (beschikbaarheidsbijdragen en uitgaven in het kader van internationale verdragen) groeien naar verwachting met € 0,4 miljard.

Bij de beheerskosten en reserveopbouw van zorgverzekeraars wordt een daling van € 0,7 miljard verwacht ten opzichte van de raming voor 2015. Deze daling wordt vooral veroorzaakt doordat zorgverzekeraars in 2016 naar verwachting meer zullen interen op hun reserves dan in 20154 . De zorgverzekeraars hebben hun zorgpremies in 2015 ook gedrukt door in te teren op hun reserves. Ondanks deze intering beschikken de zorgverzekeraars naar verwachting nog over reserves die duidelijk hoger zijn dan minimaal vereist op basis van de eisen in Solvency II. In verband met de continuïteit van de sector is het van belang dat zorgverzekeraars voldoende reserves hebben. Daarnaast is er de afgelopen tijd veel aandacht geweest voor de omvang van de reserves. Daarom is met de zorgverzekeraars afgesproken dat zij evenwichtig zullen omgaan met hun reserveringenbeleid. De concurrentie op de zorgverzekeringsmarkt dwingt hen hier ook toe. Verondersteld wordt dat zorgverzekeraars in 2016 een significant deel van de overreserves gaan teruggeven (€ 1,5 miljard). Bij de raming van de premie is er van uitgegaan dat de zorgverzekeraars hun solvabiliteitsratio, de verhouding tussen aanwezige solvabiliteit en minimaal vereiste solvabiliteit, weliswaar laten dalen, maar wel boven de minimale eis zullen blijven.
De overige baten van het ZVF (rentebaten, bijdragen van verdragsgerechtigden, kosten en opbrengsten wanbetalers en onverzekerden) zijn vrijwel constant5.

Naar huidige inschatting zal het zorgverzekeringsfonds per ultimo 2015 een vermogensaldo van ongeveer nul hebben. Er hoeft in 2016 dus geen overschot of tekort te worden weggewerkt.

De hierboven beschreven ontwikkeling van lasten, saldo en overige baten leidt ertoe dat er in 2016 € 45,4 miljard aan premies, rijksbijdragen en eigen betalingen nodig zijn; dit is € 1,1 meer dan in 2015. Van de € 45,4 miljard wordt € 1,4 miljard opgevangen door de rijksbijdrage HLZ. De resterende € 44,0 miljard wordt door de inkomensafhankelijke bijdragen, de nominale premie, de rijksbijdrage kinderen en de eigen betalingen gefinancierd zoals weergegeven in tabel 13. De ontwikkelingen daarbij worden later in deze paragraaf toegelicht.

Tabel 13 Financiering Zvw (bedragen x € 1 miljard)
 

2014

2015

2016

Uitgaven ten laste van de macropremielast

     

Zorguitgaven zorgverzekeraars

38,2

41,4

42,8

Rechtstreekse uitgaven Zorgverzekeringsfonds

2,2

2,7

3,1

BKZ-relevante uitgaven

40,4

44,0

45,9

Beheerskosten/reserveopbouw zorgverzekeraars

1,7

0,2

– 0,5

Overige baten zorgverzekeringsfonds

0,2

0,0

0,0

Saldo Zorgverzekeringsfonds

0,4

0,0

0,0

Totaal te financieren

42,7

44,2

45,4

Rijksbijdrage HLZ

– 1,8

– 1,4

Te financieren uit premies /eigen betalingen

42,7

42,4

44,0

       

Financiering

     

Inkomensafhankelijke bijdrage

22,4

21,2

21,5

Nominale premie

14,7

15,5

16,8

Rijksbijdrage kinderen

2,5

2,5

2,5

Eigen betalingen

3,1

3,2

3,2

Totaal

42,7

42,4

44,0

Bron: VWS. De meeste cijfers in de kolom 2014 zijn afkomstig van of afgeleid van informatie van het Zorginstituut Nederland (ZiNL). De rechtstreekse uitgaven van het ZVF en het cijfer voor de zorguitgaven van zorgverzekeraars (voor alle sectoren behalve ziekenhuizen) zijn gebaseerd op ZiNL-informatie van juni. Voor de ziekenhuizen is het cijfer deels gebaseerd op ZiNL- en deels op NZa-informatie. De nominale premie en de inkomensafhankelijke bijdrage zijn overgenomen van het CPB. De rijksbijdrage is gebaseerd op het VWS-jaarverslag en komt overeen met ZiNL-informatie van maart. Dit laatste geldt ook deels voor de post overige baten (rentebaten, wanbetalers, onverzekerden, verdragsgerechtigden). Deels is hierbij aangesloten bij het jaarverslag uitvoeringstaken van het het ZiNL. Bij de bijdrage uit het Zorgverzekeringsfonds aan de zorgverzekeraars is rekening gehouden met informatie van het ZiNL met betrekking tot de jeugd-ggz en revalidatie (daarover lopen verzekeraars in 2014 geen risico). De post beheerskosten/reserveopbouw zorgverzekeraars is het saldo van de nominale premies, eigen betalingen en de bijdrage aan verzekeraars uit het fonds enerzijds en de geraamde zorguitgaven van zorgverzekeraars anderzijds (toevoegingen en onttrekkingen aan reserves worden in deze post meegenomen).

Het Zorgverzekeringsfonds (ZVF)

In tabel 14 staan de uitgaven en inkomsten van het ZVF en de individuele zorgverzekeraars. Hierin staan de posten uit tabel 13, maar daarnaast betalingen van het fonds aan de zorgverzekeraars.

Tabel 14 Exploitatie en premiestelling Zvw (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

ZVF

     

Uitgaven

24.270,4

25.520,7

25.420,4

– Uitkering aan zorgverzekeraars voor zorg

21.881,2

22.714,7

22.218,7

– Uitkering voor beheerskosten kinderen

171,7

153,3

145,8

– Rechtstreekse uitgaven ZVF

2.217,4

2.652,8

3.056,0

       

Inkomsten

24.699,4

25.510,7

25.401,0

– Inkomensafhankelijke bijdrage

22.444,0

21.205,8

21.543,2

– Rijksbijdrage kinderen

2.498,5

2.470,8

2.508,7

– Rijksbijdrage HLZ

0,0

1.804,0

1.353,0

– Overige baten

– 243,1

30,1

– 3,9

       

Exploitatiesaldo

429,0

– 10,1

– 19,4

Idem, niet gecorrigeerd voor DBC-hobbels

775,0

674,4

– 19,4

       

Vermogen ZVF

– 1.365,8

– 691,4

– 710,8

Vermogensnorm

– 1.373,5

– 689,0

– 689,0

Vermogenssaldo ZVF

7,8

– 2,3

– 21,7

INDIVIDUELE VERZEKERAARS

     

Uitgaven

39.848,4

41.633,0

42.351,9

– Zorg

38.154,3

41.391,4

42.804,1

– Beheerskosten/exploitatiesaldi

1.694,1

241,6

– 452,2

       

Inkomsten

39.848,4

41.633,0

42.351,9

– Uitkering van ZVF voor zorg

21.881,2

22.714,7

22.218,7

– Uitkering voor beheerskosten kinderen

171,7

153,3

145,8

– Nominale rekenpremie

14.977,7

16.057,5

17.390,6

– Nominale opslagpremie

– 307,3

– 510,2

– 598,0

– Eigen risico

3.098,1

3.190,7

3.194,8

– Overige baten

27,0

27,0

De grootste uitgavenpost van het Zorgverzekeringsfonds is de vereveningsbijdrage; de bijdrage aan de verzekeraars ter gedeeltelijke dekking van de zorgkosten. Deze bijdrage resulteert uit toepassing van de 50/50-regel. Die regel bepaalt – gegeven de totale lasten en gegeven de ontwikkeling van het eigen risico en de rijksbijdrage – hoe de inkomensafhankelijke bijdrage en de nominale premie zich moeten ontwikkelen. Daaruit volgt voor 2016 een stijging van de nominale premie met € 1,2 miljard6. Gegeven de geraamde ontwikkeling van de zorguitgaven van verzekeraars, eigen betalingen, beheerskosten en reserveafbouw van verzekeraars, wordt dit mogelijk via de daling van de bijdrage uit het ZVF aan de zorgverzekeraars met € 0,5 miljard.

De inkomsten van het ZVF bestaan vooral uit de inkomensafhankelijke bijdrage en de rijksbijdrage ter dekking van de fictieve premielast van kinderen tot 18 jaar. Sinds 2015 is er daarnaast een tijdelijke rijksbijdrage HLZ. Via deze rijksbijdrage worden de per saldo resulterende gevolgen van de overheveling van AWBZ naar Zvw en de overheveling van de jeugd-ggz van de Zvw naar de gemeenten op de premies gecompenseerd. In 2016 is de compensatie 60%, in 2017 wordt deze 40% en in 2018 20%.

De inkomensafhankelijke bijdrage stijgt van 2015 naar 2016 met € 0,3 miljard. Dit is het saldo van twee ontwikkelingen. De IAB stijgt met € 0,8 miljard vanwege de stijging van de in tabel 13 gepresenteerde totale uit premies te financieren kosten van 2015 op 2016 van € 1,6 miljard. Daar tegenover staat een daling van € 0,45 miljard als gevolg van een verschuiving binnen de lasten op grond van de 50/50-regel7. De rijksbijdrage voor kinderen stijgt marginaal. Deze volgt de ontwikkeling van het aantal kinderen en de ontwikkeling van de nominale premie plus eigen betalingen. Zorgverzekeraars ontvangen uit het ZVF een vergoeding voor de beheerskosten van verzekerde kinderen die afhankelijk is van het aantal verzekerde kinderen. Via het ZVF lopen ook de overige baten (rentebaten, premievervangende bijdragen verdragsgerechtigden, kosten en opbrengsten wanbetalers en kosten en opbrengsten onverzekerden). Deze worden bij de inkomsten geboekt omdat ze niet relevant zijn voor het BKZ.
Het feitelijk vermogen van het Zorgverzekeringsfonds groeit van 2014 op 2015 met 0,7 miljard. Deze verbetering hangt vrijwel geheel samen met het neerwaarts effect op de vereveningsbijdrage van de DBC-duurverkorting. Dit betreft een niet-relevante schadelastdaling (zie voetnoot 2), waarvoor het normvermogen opwaarts wordt bijgesteld8. Daarom muteert het vermogenssaldo van het Zorgverzekeringsfonds van 2014 op 2015 vrijwel niet. Omdat het Zorgverzekeringsfonds per ultimo 2015 vrijwel geen vermogensaldo heeft, hoeft er in 2016 geen tekort of overschot te worden weggewerkt.

De individuele verzekeraars

De uitgaven van de zorgverzekeraars bestaan uit de uitgaven aan zorg en de beheerskosten/reserveopbouw. De ontwikkeling hiervan is hiervoor toegelicht. Dat geldt ook voor de bijdrage die zorgverzekeraars ontvangen uit het ZVF ter gedeeltelijke dekking van de zorgkosten die zij moeten betalen. Zorgverzekeraars ontvangen ook het eigen risico van hun verzekerden. De opbrengst van het eigen risico is vrijwel constant van 2015 op 2016 als saldo van twee ontwikkelingen. De opbrengst stijgt als gevolg van de indexering van het eigen risico en daalt vanwege het kleinere aandeel geneesmiddelen in de zorguitgaven9.
De totale geraamde nominale premie stijgt van 2015 op 2016 met € 1,2 miljard10. Deze stijging betreft een stijging van € 1,3 miljard bij de rekenpremie en een daling van € 0,1 miljard bij de opslagpremie11.

De nominale premies en inkomensafhankelijke bijdragen

Hiervoor is toegelicht hoe de uitgaven en inkomsten zich op macroniveau naar huidig inzicht ontwikkelen tussen 2015 en 2016. Daarbij wordt rekening gehouden met de huidige inzichten voor 2015. Die waren nog niet bekend toen de premies 2015 werden vastgesteld. Bij het verklaren van de premiestijging van 2015 naar 2016 op microniveau moet het huidige beeld 2016 worden vergeleken met het beeld 2015 ten tijde van de premievaststelling. Dat is bij de rekenpremie en de inkomensafhankelijke bijdrage de begroting 2015 en bij de opslagpremie de premiestelling door verzekeraars in het najaar van 2014. De opslagpremie is door de verzekeraars € 53 lager vastgesteld dan geraamd in de begroting. Verzekeraars waren daartoe in staat omdat ze uitgingen van lagere zorguitgaven en van een grotere reserveafbouw. In de onderstaande analyse is er van uitgegaan dat beide bronnen vrijwel evenveel hebben bijgedragen.

De inkomensafhankelijke bijdrage daalt van 6,95% in 2015 naar 6,75% in 2016. Bij de nominale premie wordt een stijging geraamd van € 85; van gemiddeld € 1.158 in 2015 naar gemiddeld € 1.243 in 2016. Voor deze bijstelling is een aantal oorzaken te benoemen.

Tabel 15 Oorzaken premieontwikkeling 2016 (in euro’s (nominale premie) en procentpunten (IAB))
 

IAB

Reken-premie

Opslag- premie

Nominale premie

Premies in 2015

6,95%

1.196

– 38

1.158

a. Groei zorguitgaven

– 0,01%

31

31

b. Saldo Zorgverzekeringsfonds

0,09%

20

20

c. Reserveontwikkeling verzekeraars

– 0,05%

13

– 25

– 12

d. Afbouw rijksbijdrage HLZ

0,07%

17

17

e. Rechttrekken 50/50-verhouding

– 0,13%

3

27

30

f. Verhoging verlaagde IAB-percentage

– 0,14%

g. Overig en afronding

– 0,03%

8

– 9

– 1

Totaal

– 0,20%

92

– 7

85

Premies in 2016

6,75%

1.288

– 45

1.243

  • a. 

    Groei zorguitgaven

    De zorguitgaven van zorgverzekeraars komen naar huidige inschatting € 1,1 miljard hoger uit in 2016 dan volgens de raming 2015 van verzekeraars toen zij de premie 2015 bepaalden. Deze uitgavenstijging leidt – als ook rekening wordt gehouden met de stijging van het aantal verzekerden en de ontwikkeling van de eigen betalingen- tot een stijging van de nominale premie met € 31. De uitgavenstijging leidt ook tot een stijging van de noodzakelijke IAB-opbrengsten, maar vanwege de toename van de IAB-grondslag leidt dit tot een daling van de inkomensafhankelijke bijdrage met 0,01 procentpunt.

  • b. 

    Saldo Zorgverzekeringsfonds

    Bij de premiestelling 2015 is rekening gehouden met een tekort in het Zorgverzekeringsfonds van ruim € 0,5 miljard. Voor 2016 wordt nu gerekend met een saldo van nul. Dit impliceert een stijging van het beoogde exploitatiesaldo in het ZVF met ruim € 0,5 miljard. Dit leidt tot een stijging van de nominale premie met € 20 en tot een stijging van de inkomensafhankelijke bijdrage met 0,09 procentpunt.

  • c. 

    Reserveontwikkeling verzekeraars

    Voor 2016 wordt gerekend met een afbouw van reserves van € 1,5 miljard. Dit is € 0,3 meer dan de reserveafbouw waarvan verzekeraars uitgingen bij hun premiestelling. De grotere reserveafbouw dan in 2015 werkt volledig door in lagere opslagpremies, die daardoor kunnen dalen met € 25. Omdat de reserveopbouw deel uit maakt van de totale uit premies te financieren last, dient de lagere reserveopbouw voor de helft neer te slaan in een lagere IAB en voor de helft in een lagere nominale premie. Dat gebeurt door de rekenpremie te verhogen (met € 13), waardoor de bijdrage aan verzekeraars daalt en een daling van de IAB met 0,05 procentpunt mogelijk wordt. De totale nominale premie daalt daarom met € 12 als gevolg van de reserveontwikkeling (€ 25 – € 13).

  • d. 

    Afbouw rijksbijdrage HLZ

    De overhevelingen van AWBZ naar Zvw wordt deels gedekt via een tijdelijke rijksbijdrage HLZ. Deze rijksbijdrage bedraagt € 1,8 miljard in 2015 en daalt in vier gelijke stappen naar nul. De rijksbijdrage bedraagt daarom € 1,4 miljard in 2016. De daling van deze rijksbijdrage met € 0,4 miljard leidt tot een stijging van de nominale premie met € 17 en tot een stijging van de IAB met 0,07%-punt.

  • e. 

    Rechttrekken 50/50-verhouding

    De verzekeraars hebben de premie 2015 ruim € 50 lager vastgesteld dan geraamd in de VWS begroting 2015. Dit was mogelijk omdat zij bij hun premiestelling uitgingen van lagere uitgaven dan waarmee VWS had gerekend en omdat ze meer reserves hebben afgebouwd dan verondersteld in de begroting. Indien in de VWS begroting al gerekend was met de lagere uitgaven en de grotere reserveafbouw, dan zou deze meevaller van € 0,7 mld 50/50 verdeeld zijn over lagere nominale premie en lagere IAB. De verzekeraars hebben de meevaller geheel ingezet in lagere nominale premies. Die nominale premie is daardoor in 2015 lager uitgekomen dan resulteert uit de 50/50 verhouding. In de raming wordt er van uitgegaan dat in 2016 weer wordt voldaan aan de 50/50 verhouding. Daarnaast dient de «fout» uit het verleden in vier jaar gecompenseerd te worden. Dat leidt tot een stijging van de nominale premie met circa € 30 en tot een daling van de IAB met 0,13 procentpunt12.
  • f. 

    Verhogen verlaagde IAB-percentage

    Vorig jaar is besloten dat het verschil tussen het normale en het verlaagde IAB-percentage zou worden teruggebracht van 2,1% naar 1,25%. Dit leidt ertoe dat personen die het verlaagde percentage moeten betalen (zelfstandigen en gepensioneerden) meer IAB gaan afdragen. Daardoor kan het normale percentage licht dalen (de totale opbrengst van de IAB hoeft immers niet te stijgen). Dit leidt tot een daling van 0,14 procentpunt.

  • h. 

    Overige posten en afronding

    De ontwikkelingen bij de overige baten van het fonds, de rechtstreekse uitgaven van het Zorgverzekeringsfonds, de beheerskosten van verzekeraars en de rijksbijdrage voor kinderen leiden tot kleine bijstellingen. Deze effecten plus afrondingsverschillen leiden tot een daling van de nominale premie met € 1 en van de inkomensafhankelijke bijdrage met circa 0,03 procentpunt.

Tabel 16 Premieoverzicht Zvw1Afgezien van de inkomensafhankelijke bijdrage betreft dit jaarbedragen in euro.
 

2014

2015

2016

Inkomensafhankelijke bijdrage normaal (in %)

7,50

6,95

6,75

Inkomensafhankelijke bijdrage verlaagd (in %)2

5,40

4,85

5,50

Nominale rekenpremie

1.121

1.196

1.288

Nominale opslagpremie (gemiddeld)3

– 23

– 38

– 45

Nominale premie totaal (gemiddeld)

1.098

1.158

1.243

Nominale premie totaal 18-

0

0

0

Verplicht eigen risico

360

375

385

Standaardpremie

1.329

1.408

1.483

Maximale zorgtoeslag eenpersoonshuishouden

865

942

1.013

Maximale zorgtoeslag meerpersoonshuishouden

1.655

1.791

1.935

Noot 2: De zelfstandigen en gepensioneerden betalen de verlaagde inkomensafhankelijke bijdrage.

Noot 3: Het cijfer 2016 betreft een raming.

Bron: VWS

De zorgtoeslag

De Wet op de zorgtoeslag bepaalt dat een huishouden maximaal een bepaald percentage van het inkomen dient bij te dragen aan de nominale premie en voor de betalingen in verband met het verplicht eigen risico. De hoogte van de zorgtoeslag wordt bepaald door de standaardpremie (de geraamde gemiddelde nominale premie voor een zorgverzekering plus het geraamde gemiddelde te betalen bedrag vanwege het verplicht eigen risico) en het huishoudinkomen van de ontvanger13.

De percentages die bepalen hoeveel een huishouden zelf moet betalen wijzigen in 2016. Dit komt enerzijds door een maatregel uit 2010 waarin is besloten deze percentages in dertig stappen te verhogen (van 2011 tot en met 2040). Daarnaast is – net als in 2015 – besloten tot een eenmalige verlaging van de percentages in 2016. Per saldo dalen de normpercentages marginaal, terwijl de afbouwpercentages marginaal toenemen.

De raming voor deze standaardpremie 2016 bedraagt € 1.483. Dit komt overeen met de eerder genoemde raming van de nominale premie van € 1.243 plus het geraamde gemiddelde eigen risico. Gegeven de hiervoor beschreven bijstellingen van de percentages zal de premiestijging voor rechthebbenden op zorgtoeslag niet geheel worden gecompenseerd via een stijging van de zorgtoeslag.

De Belastingdienst/toeslagen ontvangt – voordat de zorgtoeslag feitelijk wordt uitgekeerd – een geactualiseerde inschatting van de hoogte van de nominale premie nadat de zorgverzekeraars hun premie bekend hebben gemaakt.

4.3.2. Wet Langdurige Zorg (Wlz)

Tabel 17 Exploitatie en premiestelling Wlz (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

FONDS LANGDURIGE ZORG

     

Uitgaven

19.850,7

19.899,0

– Zorguitgaven

19.713,0

19.760,5

– Beheerskosten

137,7

138,5

       

Inkomsten

20.169,8

19.313,8

– Procentuele premie

15.028,5

14.100,1

– Eigen bijdragen

1.891,3

1.848,0

– BIKK

3.250,0

3.265,7

– Overige baten

0,0

0,0

       

Exploitatiesaldo

319,0

– 585,2

       

Vermogen Algemeen Fonds

319,0

– 266,2

       

Procentuele premie (in %)

9,65

9,65

De uitgaven in het kader van de Wlz worden gefinancierd uit het Fonds Langdurige Zorg (Flz). Tabel 17 geeft een overzicht van de uitgaven en inkomsten van dit fonds.

De uitgaven in deze tabel komen overeen met de Wlz-uitgaven uit tabel 8.

De inkomsten van het fonds worden gevormd door de premie-inkomsten, de eigen bijdragen en de Bijdrage in de Kosten van Kortingen (BIKK). De Wlz-premie is in de begroting 2015 vastgesteld op 9,65% omdat met dit percentage en de toenmalige ramingen per ultimo 2017 een vermogen van circa nul in het FLZ zou ontstaan. Op basis van de huidige ramingen lijkt dat beeld te kloppen.

4.3.3. Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)

Tabel 18 Exploitatie en premiestelling AWBZ (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

ALGEMEEN FONDS

     

Uitgaven

27.840,2

– Zorgaanspraken en subsidies

27.649,0

– Beheerskosten

191,2

       

Inkomsten

24.928,6

112,2

2.612,6

– Procentuele premie

18.807,0

134,5

2.634,9

– Eigen bijdragen

1.994,6

– Rijksbijdrage

13,0

– BIKK

4.136,3

– Overige baten

– 22,3

– 22,3

– 22,3

       

Exploitatiesaldo

– 2.911,6

112,2

2.612,6

       

Vermogen Algemeen Fonds

– 18.874,5

– 19.058,2

– 16.870,7

       

Procentuele premie (in %)

12,65

Met ingang van 2015 verlopen de uitgaven in het kader van de langdurige zorg via de Wlz. Daarom komen er met ingang van 2015 geen nieuwe uitgaven en inkomsten ten gunste of ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten (AFBZ). De uitzondering betreft de rente die het fonds moet betalen aan de schatkist (in de tabel zichtbaar als de negatieve overige baten). Het vermogen van het AFBZ wordt daarnaast nog beïnvloed door bijstellingen die blijken na afloop van het jaar. Op dit moment wordt geraamd dat er in 2015 en 2016 nog nabetalingen zullen komen bij de AWBZ-premies. Het CBS neemt dergelijke ontvangsten in het EMU-saldo mee in het jaar dat ze kasmatig ontvangen worden. Het Zorginstituut Nederland neemt dergelijke nabetalingen mee in het eerste jaarverslag waarin dat mogelijk is. In bovenstaand overzicht staat het exploitatiesaldo in de definitie van het CBS en het vermogen in de definitie van het Zorginstituut. Vanwege het verschil in werkwijze rond nabetalingen komt de jaar op jaar-mutatie in het vermogen niet exact overeen met het exploitatiesaldo. In de Wlz is opgenomen dat het AFBZ in 2020 wordt geliquideerd, nadat het op dat moment bestaande negatieve vermogen is aangezuiverd via een rijksbijdrage.

4.4 Wat betaalt de gemiddelde burger aan zorg

Figuur 6 laat zien dat de gemiddelde volwassene in Nederland in 2016 € 5.358 betaalt aan collectief verzekerde zorg. Dat betreft niet alleen de nominale premie en de eigen betalingen. Een Nederlander betaalt gemiddeld ook een fors bedrag aan Wlz-premie. De inkomensafhankelijke bijdrage wordt voor een beperkt deel rechtstreeks door burgers betaald (gepensioneerden en zelfstandigen) en voor het grootste deel door werkgevers. Dat laatste deel beïnvloedt de loonruimte en is daarom wel meegenomen. Via de zorgtoeslag ontvangt de gemiddelde burger een bedrag ter gedeeltelijke compensatie van de nominale premie en het eigen risico. Als laatste is meegenomen het bedrag dat via belastingen wordt opgebracht ter dekking van de begrotingsgefinancierde zorguitgaven, de rijksbijdragen en de zorgtoeslag.

Het bedrag dat de gemiddelde burger bijdraagt aan de zorg stijgt van 2015 op 2016 met circa 1%14. Dit is het saldo van een aantal, deels samenhangende ontwikkelingen. Zo stijgt de nominale premie van 2015 op 2016 omdat de rijksbijdrage HLZ daalt van 2015 op 2016. Die dalende rijksbijdrage leidt ertoe dat er via belasting minder hoeft te worden opgebracht. Daarnaast hangt de stijging van de zorgtoeslag rechtstreeks samen met de stijging van de nominale premie.

De bedragen in de figuur zijn een gemiddelde per volwassene. Sommige mensen betalen meer en anderen betalen minder. Hoeveel iemand precies betaalt is afhankelijk van zijn inkomen (en bij recht op zorgtoeslag ook van het inkomen van zijn partner). Huishoudens met een laag inkomen betalen minder dan € 5.358 per persoon en huishoudens met een hoger inkomen meer, omdat de meeste posten inkomensafhankelijk zijn. Dat is het geval bij de inkomensafhankelijke AWBZ/Wlz-premies, de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw, de inkomensafhankelijke eigen bijdrage AWBZ en de belastingen. Omdat huishoudens met een laag of middeninkomen een inkomensafhankelijke zorgtoeslag ontvangen ter compensatie van de nominale premie en het eigen risico, geldt ook bij de nominale premies en het eigen risico dat de netto-last hiervan in samenhang met de zorgtoeslag toeneemt met het inkomen.

Figuur 6: Lasten per volwassene aan zorg in 2015 en 2016 (in euro’s per jaar)

5. Meerjarige ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten

5.1. Actuele stand van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per sector 2011–2014

Tabel 19 laat de actuele stand zien van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per sector over 2011–2014 (stand ontwerpbegroting 2016). Een aantal keren per jaar worden de zorguitgaven geactualiseerd. Dit gebeurt aan de hand van budgetgegevens van de NZa en financieringsgegevens van het Zorginstituut Nederland. Na het verschijnen van een jaarverslag kunnen nog aanpassingen in de cijfers plaatsvinden. Deze zijn meegenomen in onderstaande tabel.

Tabel 19 Actuele stand van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per sector 2011 t/m 2014 (bedragen x € 1 miljoen)
 

2011

2012

2013

2014

Zvw-uitgaven

       
Eerstelijnszorg1

4.293,7

4.138,0

4.177,9

4.922,2

Medisch-specialistische zorg

19.314,1

20.694,4

22.606,6

22.881,0

Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg

4.283,4

4.118,4

4.206,3

4.076,2

Genees- en hulpmiddelen

6.595,0

6.069,4

5.784,3

5.830,2

Ziekenvervoer

566,5

562,3

622,4

643,1

Beschikbaarheidbijdrage opleidingen Zvw

0,0

0,0

1.049,9

1.198,3

Overig2

930,2

1.054,6

1.091,8

474,8

Nominaal en onverdeeld

0,0

0,0

0,0

0,0

Zvw-uitgaven ontwerpbegroting 2016

35.982,8

36.637,1

39.539,1

40.025,8

Zvw-ontvangsten

       

Eigen risico Zvw

1.499,0

1.786,0

2.639,0

3.098,1

Eigen bijdrage Zvw

0,0

146,2

27,0

27,0

Zvw-ontvangsten ontwerpbegroting 2016

1.499,0

1.932,2

2.666,0

3.125,1

Netto-Zvw-uitgaven ontwerpbegroting 2016

34.483,8

34.704,8

36.873,1

36.900,8

AWBZ-uitgaven

       

Preventieve zorg (Rijksvaccinatieprogramma)

90,5

103,3

93,9

92,4

Zorg in natura

       

– waarvan intramurale ggz

1.359,0

1.583,0

1.577,9

1.598,0

– waarvan intramurale ghz

4.598,6

5.265,9

5.263,8

5.462,1

– waarvan intramurale v&v

7.652,2

8.741,2

8.445,2

8.650,7

– waarvan extramurale zorg

3.814,2

4.134,7

4.244,4

4.457,6

– waarvan dagbesteding en vervoer

1.145,4

1.223,5

1.140,0

1.162,8

– waarvan kapitaallasten

2.725,8

2.598,9

2.394,7

2.183,3

– waarvan overige zorg in natura

906,8

1.027,7

1.156,1

1.382,7

         

Persoonsgebonden budgetten

2.255,5

2.458,7

2.414,9

2.444,0

Mee-instellingen

183,1

190,3

173,8

180,5

Beschikbaarheidbijdrage opleidingen AWBZ

0,0

0,0

22,1

24,7

Overig3

538,4

418,2

233,3

272,7

Nominaal en onverdeeld

– 47,3

120,0

291,3

– 71,3

AWBZ-uitgaven ontwerpbegroting 2016

25.222,2

27.865,5

27.451,5

27.840,2

AWBZ-ontvangsten

       

Eigen bijdrage AWBZ

1.619,6

1.696,6

1.928,2

1.994,6

AWBZ-ontvangsten ontwerpbegroting 2016

1.619,6

1.696,6

1.928,2

1.994,6

Netto-AWBZ-uitgaven ontwerpbegroting 2016

23.602,6

26.168,8

25.523,2

25.845,6

Begrotingsgefinancierde uitgaven

       

Zorgopleidingen (VWS-begroting)

1.073,4

1.171,2

179,7

82,4

Caribisch Nederland (VWS-begroting)

56,7

84,5

88,0

86,3

Wtcg (VWS-begroting)

690,3

637,6

326,1

408,8

Wmo (Gemeentefonds)

1.456,0

1.511,3

1.561,2

1.713,7

Loon- en prijsbijstelling (aanvullende post Financiën)

0,0

0,0

0,0

0,0

Begrotingsgefinancierde uitgaven ontwerpbegroting 2016

3.276,4

3.404,6

2.155,0

2.291,2

Begrotingsgefinancierde ontvangsten

       

Overige ontvangsten

50,9

20,9

0,0

0,0

Begrotingsgefinancierde ontvangsten ontwerpbegroting 2016

50,9

20,9

0,0

0,0

Netto-Begrotingsgefinancierde uitgaven ontwerpbegroting 2016

3.225,5

3.383,7

2.155,0

2.291,2

Bruto-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2016

64.481,5

67.907,1

69.145,6

70.157,2

BKZ-ontvangsten ontwerpbegroting 2016

3.169,5

3.649,8

4.594,3

5.119,7

Netto-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2016

61.311,9

64.257,3

64.551,3

65.037,5

Noot 1: De eerstelijnszorg bevat vanaf 2014 ook de multidisciplinaire zorg.

Noot 2: Bij de Zvw zijn onder de post «overige» opgenomen de deelsectoren grensoverschrijdende zorg, beheerskosten uitvoeringsorganen Zvw en beschikbaarheidbijdragen Zvw.

Noot 3: Bij de AWBZ zijn onder de post overige langdurige zorg opgenomen de deelsectoren; subsidie langdurige zorg, beheerskosten/diversen AWBZ en langdurige zorg onverdeeld.

Bron: VWS, gegevens Zorginstituut Nederland over (voorlopige) financieringslasten Zvw en Wlz en NZa-gegevens over de productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens.

5.2. Ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten 2006–2016

Realisatiecijfers in de zorg ijlen nog enige jaren na. Daardoor kunnen er ook na het verschijnen van VWS-jaarverslagen nog aanpassingen in de cijfers plaatsvinden. In tabel 20 wordt de ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten voor de jaren 2006–2016 weergegeven zoals gemeld in de diverse VWS-jaarverslagen en de naar huidige inzichten actuele VWS-stand. De jaren 2012 en daarvoor zijn definitief. Voor de AWBZ betreft het vanaf de jaren 2006–2014 de AWBZ-standen en vanaf het jaar 2015 de Wlz-stand.

Tabel 20 Ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten 2006–2016 (bedragen x € 1 miljoen)
 

2006

2007

2008

2009

20101

2011

2012

2013

2014

20152

2016

BKZ-uitgaven en -ontvangsten actuele VWS-stand

                     

Zorgverzekeringswet (Zvw)

                     

Bruto-uitgaven

25.293

26.077

31.465

33.756

35.474

35.983

36.637

39.539

40.026

43.360

45.860

Ontvangsten

2.053

2.047

1.311

1.364

1.481

1.499

1.932

2.666

3.125

3.218

3.195

Netto-uitgaven

23.240

24.030

30.155

32.392

33.993

34.484

34.705

36.873

36.901

40.142

42.665

Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)

                     

Bruto-uitgaven

22.996

22.852

21.806

23.221

24.135

25.222

27.865

27.451

27.840

19.851

19.899

Ontvangsten

1.795

1.618

1.618

1.594

1.478

1.620

1.697

1.928

1.995

1.891

1.848

Netto-uitgaven

21.201

21.235

20.188

21.627

22.657

23.603

26.169

25.523

25.846

17.959

18.051

Begrotingsgefinancierde uitgaven

                     

Bruto-uitgaven

35

2.047

2.258

2.357

2.868

3.276

3.405

2.155

2.291

7.402

7.125

Ontvangsten

0

0

39

63

73

51

21

0

0

0

0

Netto-uitgaven

35

2.047

2.219

2.294

2.794

3.226

3.384

2.155

2.291

7.402

7.125

Bruto-BKZ-uitgaven

48.323

50.977

55.530

59.335

62.476

64.481

67.907

69.146

70.157

70.612

72.884

BKZ-ontvangsten

3.847

3.665

2.968

3.022

3.032

3.170

3.650

4.594

5.120

5.109

5.043

Netto-BKZ-uitgaven

44.476

47.312

52.562

56.313

59.444

61.312

64.257

64.551

65.038

65.503

67.841

Noot 1: Exclusief de eenmalige stimuleringsimpuls voor de bouw uit het aanvullend coalitieakkoord Balkenende IV (€ 320 miljoen) die niet aan het BKZ is toegerekend.

Noot 2: Ingaande 2015 is de Wet langdurige zorg in werking getreden.

Bron: Financieel Beeld Zorg uit de Jaarverslagen VWS, diverse jaren en de actuele VWS stand.

In figuur 7 zijn de bijstellingen van de netto-BKZ-uitgaven van de Zvw en de AWBZ na het verschijnen van de VWS-jaarverslagen grafisch weergegeven voor de jaren 2004–2014.

Figuur 7 Bijstellingen van de netto-BKZ-uitgaven Zvw en AWBZ na het verschijnen van de VWS-jaarverslagen 2004–2014

Uit de grafiek blijkt dat de bijstellingen na publicatie van het jaarverslag een grillig patroon kennen. Er zijn zowel jaren waarin de zorguitgaven hoger zijn uitgekomen dan vermeld in het jaarverslag als jaren waarin de zorguitgaven neerwaarts zijn bijgesteld.

De omvang van de bijstelling blijft in de meeste jaren binnen een bandbreedte van 1%, met een maximale uitschieter van 1,5% in 2008. Voor 2014 is vooralsnog sprake van een zeer beperkte bijstelling.

De bijstelling voor het jaar 2014 wordt in het verdiepingshoofdstuk nader toegelicht.

6. Verdieping Financieel Beeld Zorg

6.1. Verdieping in de BKZ-deelsectoren

In deze verdiepingsparagraaf wordt een overzicht gegeven van de ontwikkelingen van de uitgaven onder het BKZ. Deze verdiepingsparagraaf is opgedeeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz). De mutaties zijn per deelsector toegelicht. Dit geeft een overzichtelijker en gedetailleerder beeld van de budgettaire ontwikkelingen binnen de afzonderlijke onderdelen van de zorg. De mutaties zijn weergegeven ten opzichte van de ontwerpbegroting 2015. De toelichtingen zijn onderverdeeld in verschillende categorieën: nominaal, mee- en tegenvallers, intensiveringen, maatregelen en technisch.

Onder de nominale bijstelling wordt de loon- en prijsbijstelling verantwoord. De vergoeding voor de loon- en prijsontwikkeling wordt voor alle zorgsectoren in eerste instantie gereserveerd op de deelsectoren nominaal en onverdeeld. Daar staat de raming voor de jaren 2016 tot en met 2020. De tranche 2015 is toegedeeld aan de sectoren.

De mee- en tegenvallers bevatten onder meer de actualisering van de zorguitgaven op basis van de meest recente cijfers van de NZa en het Zorginstituut Nederland.

Intensiveringen en maatregelen betreffen de mutaties die het gevolg zijn van politieke prioriteitstelling.

De technische mutaties betreffen voornamelijk herschikkingen en financieringsmutaties. Herschikkingen betreffen budgetneutrale verschuivingen tussen verschillende deelsectoren. Bij financieringsmutaties is sprake van een zeker tijdsverloop tussen het moment waarop de NZa de productieafspraken van partijen ontvangt en de verwerking daarvan in de budgetten en de bevoorschotting/declaraties van de instellingen. Als gevolg daarvan is het gebruikelijk dat de financiering binnen een jaargrens afwijkt van de uitgaven (budgetten) in dat jaar. Zo ontstaan zogeheten financieringsachterstanden of -voorsprongen. Deze verschillen worden in het daaropvolgende jaar verrekend. Tussen de jaren doen zich daardoor incidentele financieringsschuiven voor. Meerjarig gezien volgt de financiering echter altijd de uitgaven.

6.1.1. Zorgverzekeringswet (Zvw)

In deze paragraaf wordt ingegaan op de financiële ontwikkelingen binnen de Zvw in het afgelopen jaar en de doorwerking hiervan in de periode tot en met 2020. In tabel 21 worden weergegeven het totaal van de reeds verwerkte mutaties en het totaal van de nieuwe mutaties tussen de ontwerpbegroting 2015 en de ontwerpbegroting 2016 voor de Zvw-uitgaven. Tabel 22 gaat in op de ontvangsten. In tabel 23 wordt de opbouw van de Zvw uitgaven en ontvangsten op deelsector niveau weergegeven. De sector nominaal en onverdeeld bevat de nog niet toebedeelde maatregelen, de nog niet uitgedeelde groeiruimte en loon- en prijsbijstellingen. In deze paragraaf wordt na tabel 23 verder per deelsector ingegaan op de nieuwe mutaties tussen ontwerpbegroting 2015 en ontwerpbegroting 2016 en de meerjarige doorwerking.

Tabel 21 Ontwikkeling van de Zvw-uitgaven vanaf de ontwerpbegroting 2015 (bedragen x € 1 miljoen)1Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Uitgaven Zorgverzekeringswet

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

41.052,0

44.364,1

47.178,0

48.658,9

51.224,4

53.816,2

53.816,2

Mutatie jaarverslag 2014 / 1e suppletoire begroting 2015

– 972,1

– 973,7

– 1.163,0

– 1.228,6

– 1.187,7

– 1.193,4

– 1.195,8

Nieuwe mutaties

– 54,0

– 30,7

– 154,8

38,5

38,5

– 133,9

2.682,0

Stand ontwerpbegroting 2016

40.025,8

43.359,7

45.860,1

47.468,7

50.075,3

52.488,9

55.302,5

Tabel 22 Ontvangsten Zvw vanaf de ontwerpbegroting 2015 (bedragen x € 1 miljoen)1Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Ontvangsten Zorgverzekeringswet

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

3.125,1

3.217,7

3.395,8

3.486,1

3.605,8

3.747,8

3.747,8

Mutatie jaarverslag 2014 / 1e suppletoire begroting 2015

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Nieuwe mutaties

0,0

0,0

– 201,0

– 201,0

– 201,0

– 201,0

– 66,3

Stand ontwerpbegroting 2016

3.125,1

3.217,7

3.194,8

3.285,1

3.404,8

3.546,8

3.681,5

Tabel 23 Opbouw van de Zvw-uitgaven en -ontvangsten per sector (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Eerstelijnszorg

4.922,2

5.253,8

5.349,6

5.533,6

5.536,8

5.536,8

5.536,8

Huisartsenzorg

2.544,3

2.696,1

2.762,3

2.830,6

2.832,4

2.832,4

2.832,4

Multidisciplinaire zorgverlening

458,9

434,4

445,2

456,3

456,6

456,6

456,6

Tandheelkundige zorg Zvw

739,5

728,0

717,4

717,4

717,4

717,4

717,4

Paramedische zorg

657,3

685,0

700,8

700,8

700,8

700,8

700,8

Verloskunde

216,1

224,4

229,4

229,4

229,4

229,4

229,4

Kraamzorg

306,0

313,2

320,5

320,5

320,5

320,5

320,5

Zintuiglijk gehandicapten

0,0

172,7

174,1

174,1

174,1

174,1

174,1

Eerstelijns kortdurend verblijf

0,0

0,0

0,0

104,5

105,6

105,6

105,6

Tweedelijnszorg

22.881,0

22.246,3

23.099,2

23.106,0

23.034,5

22.992,2

22.945,2

Instellingen voor medisch-specialistische zorg

18.576,8

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Vrijgevestigde medisch specialisten

2.238,5

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mondziekten en kaakchirurgie

97,3

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Medisch-specialistische zorg

– 

20.353,3

21.145,8

21.153,8

21.075,5

21.033,2

20.986,2

Geriatrische revalidatiezorg

734,0

755,7

777,3

778,3

778,3

778,3

778,3

Beschikbaarheidbijdrage academische zorg

708,7

642,6

660,0

654,4

661,0

661,1

661,1

Beschikbaarheidbijdrage kapitaallasten academische zorg

40,6

47,3

49,4

52,5

52,6

52,6

52,6

Beschikbaarheidbijdrage overig medisch-specialistische zorg

58,6

74,4

82,2

82,2

82,2

82,2

82,2

Garantieregeling kapitaallasten

77,5

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Overig curatieve zorg

349,2

373,0

384,5

384,8

384,8

384,8

384,8

Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg

4.076,2

3.587,0

3.779,0

3.886,3

3.893,7

3.893,7

3.893,7

Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg

4.076,2

3.517,8

3.555,4

3.586,2

3.586,8

3.586,8

3.586,8

Intramurale langdurige ggz

0,0

69,2

223,5

300,1

307,0

307,0

307,0

Genees- en hulpmiddelen

5.830,2

5.998,2

6.266,8

6.196,9

6.203,2

6.202,2

6.200,2

Geneesmiddelen

4.316,4

4.394,8

4.598,8

4.479,1

4.484,0

4.483,1

4.481,1

Hulpmiddelen

1.513,8

1.603,3

1.668,0

1.717,8

1.719,2

1.719,1

1.719,1

Wijkverpleging

0,0

3.167,3

3.346,1

3.561,8

3.664,4

3.685,4

3.690,9

Wijkverpleging

0,0

3.167,3

3.346,1

3.561,8

3.664,4

3.685,4

3.690,9

Ziekenvervoer

643,1

674,9

692,3

689,0

689,0

686,8

686,8

Ambulancevervoer

519,2

551,9

565,7

563,5

563,5

561,2

561,2

Overig ziekenvervoer

123,8

123,0

126,6

125,6

125,6

125,6

125,6

Opleidingen

1.198,3

1.230,6

1.250,9

1.284,6

1.263,5

1.178,0

1.162,9

Beschikbaarheidbijdrage opleidingen Zvw

1.198,3

1.230,6

1.250,9

1.284,6

1.263,5

1.178,0

1.162,9

Grensoverschrijdende zorg

474,8

779,8

809,9

749,8

749,8

749,8

749,8

Grensoverschrijdende zorg

474,8

779,8

809,9

749,8

749,8

749,8

749,8

Nominaal en onverdeeld

0,0

421,7

1.266,3

2.460,7

5.040,4

7.564,1

10.436,2

               

Nominaal en onverdeeld

0,0

421,7

1.266,3

2.460,7

5.040,4

7.564,1

10.436,2

Bruto-Zvw-uitgaven ontwerpbegroting 2016

40.025,8

43.359,7

45.860,1

47.468,7

50.075,3

52.488,9

55.302,5

Eigen risico Zvw

3.098,1

3.190,7

3.194,8

3.285,1

3.404,8

3.546,8

3.681,5

Eigen bijdrage Zvw

27,0

27,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Zvw-ontvangsten ontwerpbegroting 2016

3.125,1

3.217,7

3.194,8

3.285,1

3.404,8

3.546,8

3.681,5

Netto-Zvw-uitgaven ontwerpbegroting 2016

36.900,8

40.142,0

42.665,2

44.183,6

46.670,5

48.942,1

51.621,0

Bron: VWS, NZa-gegevens over de productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens, gegevens Zorginstituut Nederland over (voorlopige) financieringslasten Zvw en Wlz.

In figuur 8 is de samenstelling van de Zvw-uitgaven per sector weergegeven voor het jaar 2016.

Figuur 8 samenstelling Zvw-uitgaven 2016
Huisartsen (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

2.596,7

2.671,2

2.736,8

2.804,5

2.806,3

2.806,3

2.806,3

Mutaties jaarverslag 2014

– 43,2

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

24,9

25,5

26,1

26,1

26,1

26,1

Nieuwe mutaties

– 9,2

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Stand ontwerpbegroting 2016

2.544,3

2.696,1

2.762,3

2.830,6

2.832,4

2.832,4

2.832,4

 

Deze sector bevat de huisartsenzorg. Deze bestaat uit bijzondere betalingen, avond- nacht- en weekenddiensten, inschrijftarieven, consulttarieven, overige tarieven, resultaatbeloning & zorgvernieuwing huisartsen, verloskundige hulp door huisartsen en het deel van de kwaliteitsgelden dat betrekking heeft op ondersteuning van de eerstelijnszorg.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Mee- en tegenvallers

             
               

Actualisering

– 9,2

           

Van het Zorginstituut Nederland zijn geactualiseerde cijfers ontvangen met betrekking tot de gerealiseerde uitgaven in 2014. Als gevolg daarvan vindt in 2014 een bijstelling plaats van – € 9,2 miljoen. Met het oog op de afspraken in het Bestuurlijk akkoord eerstelijn wordt deze meevaller incidenteel verwerkt.

             
Multidisciplinaire zorgverlening (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

430,1

430,4

441,1

452,0

452,4

452,4

452,4

Mutaties jaarverslag 2014

17,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

4,0

4,1

4,2

4,2

4,2

4,2

Nieuwe mutaties

11,7

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Stand ontwerpbegroting 2016

458,9

434,4

445,2

456,3

456,6

456,6

456,6

               

De multidisciplinaire zorgverlening (MDZ) betreft de ketenzorg en geïntegreerde eerstelijnszorg. Binnen de ketens wordt zorg verleend waarbij zorgaanbieders van diverse disciplines de zorgonderdelen in samenhang en in samenwerking met de betreffende patiënt leveren.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Mee- en tegenvallers

             
               

Actualisering

11,7

           

Van het Zorginstituut Nederland zijn geactualiseerde cijfers ontvangen met betrekking tot de gerealiseerde uitgaven in 2014. Als gevolg daarvan vindt in 2014 een bijstelling plaats van € 11,7 miljoen. Met het oog op de afspraken in het Bestuurlijk akkoord eerste lijn wordt deze meevaller incidenteel verwerkt.

             
Tandheelkundige zorg Zvw (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

720,0

724,4

724,4

724,4

724,4

724,4

724,4

Mutaties jaarverslag 2014

22,4

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

6,6

– 10,4

– 10,4

– 10,4

– 10,4

– 10,4

Nieuwe mutaties

– 2,9

– 2,9

3,5

3,5

3,5

3,5

3,5

Stand ontwerpbegroting 2016

739,5

728,0

717,4

717,4

717,4

717,4

717,4

               

Deze deelsector bevat de eerstelijns tandheelkundige zorg.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Mee- en tegenvallers

             
               

Actualisering

– 2,9

– 2,9

– 2,9

– 2,9

– 2,9

– 2,9

– 2,9

Van het Zorginstituut Nederland zijn geactualiseerde cijfers ontvangen met betrekking tot de gerealiseerde uitgaven in 2014. Als gevolg daarvan vindt een structurele bijstelling plaats van – € 2,9 miljoen.

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Uitdeling groeiruimte tranche 2016

   

6,4

6,4

6,4

6,4

6,4

Dit betreft de uitdeling van de groeiruimte tranche 2016.

             
Paramedische zorg (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

701,7

721,9

721,9

721,9

721,9

721,9

721,9

Mutaties jaarverslag 2014

– 44,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

– 36,5

– 32,2

– 32,2

– 32,2

– 32,2

– 32,2

Nieuwe mutaties

– 0,4

– 0,4

11,1

11,1

11,1

11,1

11,1

Stand ontwerpbegroting 2016

657,3

685,0

700,8

700,8

700,8

700,8

700,8

waarvan fysiotherapie

460,3

474,7

482,9

482,9

482,9

482,9

482,9

waarvan oefentherapie

19,9

20,0

20,4

20,4

20,4

20,4

20,4

waarvan logopedie

115,4

122,6

124,4

124,4

124,4

124,4

124,4

waarvan ergotherapie

30,5

30,9

31,4

31,4

31,4

31,4

31,4

waarvan dieetadvisering

31,3

36,7

41,8

41,8

41,8

41,8

41,8

               

De paramedische zorg omvat fysiotherapie, oefentherapie Caesar, oefentherapie Mensendieck, logopedie, ergotherapie en dieetadvisering. Dieetadvisering werd voorheen afzonderlijk gepresenteerd.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Mee- en tegenvallers

             
               

Actualisering

– 0,4

– 0,4

– 0,4

– 0,4

– 0,4

– 0,4

– 0,4

Van het Zorginstituut Nederland zijn geactualiseerde cijfers ontvangen met betrekking tot de gerealiseerde uitgaven in 2014. Als gevolg daarvan vindt een structurele bijstelling plaats van – € 0,4 miljoen.

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Uitdeling groeiruimte tranche 2016

             

Fysiotherapie

   

8,2

8,2

8,2

8,2

8,2

Oefentherapie

   

0,3

0,3

0,3

0,3

0,3

Logopedie

   

1,9

1,9

1,9

1,9

1,9

Ergotherapie

   

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

Dieetadvisering

   

0,8

0,8

0,8

0,8

0,8

Dit betreft de uitdeling van de groeiruimte tranche 2016.

             
Verloskunde (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

211,0

217,6

217,6

217,6

217,6

217,6

217,6

Mutaties jaarverslag 2014

2,3

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

4,0

4,0

4,0

4,0

4,0

4,0

Nieuwe mutaties

2,8

2,8

7,8

7,8

7,8

7,8

7,8

Stand ontwerpbegroting 2016

216,1

224,4

229,4

229,4

229,4

229,4

229,4

               

Deze deelsector bevat de extramuraal verstrekte verloskundige zorg. De verloskundige zorg verricht door huisartsen is bij de deelsector huisartsen opgenomen.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Mee- en tegenvallers

             
               

Actualisering

2,8

2,8

2,8

2,8

2,8

2,8

2,8

Van het Zorginstituut Nederland zijn geactualiseerde cijfers ontvangen met betrekking tot de gerealiseerde uitgaven in 2014. Als gevolg daarvan vindt een structurele bijstelling plaats van € 2,8 miljoen.

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Uitdeling groeiruimte tranche 2016

   

5,0

5,0

5,0

5,0

5,0

Dit betreft de uitdeling van de groeiruimte tranche 2016.

             
Kraamzorg (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

292,5

298,7

298,7

298,7

298,7

298,7

298,7

Mutaties jaarverslag 2014

15,8

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

16,8

16,8

16,8

16,8

16,8

16,8

Nieuwe mutaties

– 2,3

– 2,3

5,0

5,0

5,0

5,0

5,0

Stand ontwerpbegroting 2016

306,0

313,2

320,5

320,5

320,5

320,5

320,5

               

Op deze sector worden de uitgaven voor kraamzorg geraamd en verantwoord. De kraamzorg is tweeledig. Allereerst houdt deze de partusassistentie in: de ondersteuning van de verloskundige bij de bevalling. Daarnaast levert de kraamverzorgende hulp gedurende de eerste dagen na de bevalling en geeft zij advies met betrekking tot de verzorging van de pasgeborene en de kraamvrouw.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Mee- en tegenvallers

             
               

Actualisering

– 2,3

– 2,3

– 2,3

– 2,3

– 2,3

– 2,3

– 2,3

Van het Zorginstituut Nederland zijn geactualiseerde cijfers ontvangen met betrekking tot de gerealiseerde uitgaven in 2014. Als gevolg daarvan vindt een structurele bijstelling plaats van – € 2,3 miljoen.

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Uitdeling groeiruimte tranche 2016

   

7,3

7,3

7,3

7,3

7,3

Dit betreft de uitdeling van de groeiruimte tranche 2016.

             
Zintuiglijk gehandicapten (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

0,0

171,0

173,0

173,0

173,0

173,0

173,0

Mutaties jaarverslag 2014

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

1,7

1,1

1,1

1,1

1,1

1,1

Nieuwe mutaties

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Stand ontwerpbegroting 2016

0,0

172,7

174,1

174,1

174,1

174,1

174,1

               

Zorg aan zintuiglijk beperkten (auditief en/of communicatief beperkten, visueel beperkten en doofblinden) valt sinds 1 januari 2015 onder de Zvw.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             

N.v.t.

             
Eerstelijns kortdurend verblijf (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

0,0

96,0

96,0

97,0

98,0

98,0

98,0

Mutaties jaarverslag 2014

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

– 98,1

7,5

7,5

7,6

7,6

7,6

Nieuwe mutaties

0,0

2,1

– 103,5

0,0

0,0

0,0

0,0

Stand ontwerpbegroting 2016

0,0

0,0

0,0

104,5

105,6

105,6

105,6

               

Verblijf onder de Zorgverzekeringswet omvat verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met geneeskundige zorg. Verblijf in verband met «zorg zoals huisartsen die plegen te bieden – het zogenoemde eerstelijns verblijf – is onder deze aanspraak mogelijk.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Ophogen budget eerstelijnsverblijf

   

77,0

       

Omdat het subsidieplafond voor eerstelijnsverblijf ontoereikend is gebleken, wordt het plafond in 2015 en 2016 verhoogd. Deze mutatie betreft de ophoging in 2016 (in 2015 valt de regeling onder de Wlz).

             
               

Uitstel overgang eerstelijnsverblijf naar Zvw

   

– 180,5

       

De overheveling van het eerstelijnsverblijf van de Wlz naar de Zvw is uitgesteld naar 2017.

             
               

Overige

             

Correctie herverdeeleffect Zvw.

 

2,1

         
Instellingen voor medisch-specialistische zorg (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

18.574,3

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties jaarverslag 2014

2,5

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Nieuwe mutaties

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Stand ontwerpbegroting 2016

18.576,8

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

               

Deze sector is samengesteld uit de voormalige onderdelen algemene en categorale ziekenhuizen, academische ziekenhuizen, ZBC’s en een groot deel van overige curatieve instellingen (bijvoorbeeld centra voor erfelijkheidsonderzoek en dialysecentra). Als gevolg van de invoering van integrale tarieven in de medisch-specialistische zorg per 1 januari 2015 maakt deze sector met ingang van de begroting 2015 deel uit van het integrale kader medisch-specialistische zorg.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             

N.v.t.

             
Vrijgevestigde medisch specialisten (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

2.238,5

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties jaarverslag 2014

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Nieuwe mutaties

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Stand ontwerpbegroting 2016

2.238,5

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

               

Deze sector omvat de honoraria van de vrijgevestigde medisch specialisten. Als gevolg van de invoering van integrale tarieven in de medisch-specialistische zorg per 1 januari 2015 maakt deze sector met ingang van de begroting 2015 deel uit van het integrale kader medisch-specialistische zorg.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             

N.v.t.

             
Mondziekten en kaakchirurgie (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

87,9

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties jaarverslag 2014

7,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Nieuwe mutaties

2,3

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Stand ontwerpbegroting 2016

97,3

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

               

Deze sector omvat de medisch-specialistische zorg mondziekten en kaakchirurgie (tandheelkundige specialistische zorg). Het betreft zorg voor verzekerden tot en met 17 jaar en bijzondere tandheelkunde op basis van indicatie voor volwassenen. Verder bevat deze deelsector orthodontie door een specialist en kaakchirurgie. Als gevolg van de invoering van integrale tarieven in de medisch-specialistische zorg per 1 januari 2015 maakt deze sector met ingang van de begroting 2015 deel uit van het integrale kader medisch-specialistische zorg.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Mee- en tegenvallers

             
               

Actualisering

2,3

           

Van het Zorginstituut Nederland zijn geactualiseerde cijfers ontvangen met betrekking tot de gerealiseerde uitgaven in 2014. Als gevolg daarvan vindt in 2014 een bijstelling plaats van € 2,3 miljoen.

             
Medisch-specialistische zorg (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

0,0

20.315,9

21.112,5

21.116,6

21.037,6

20.995,8

20.995,8

Mutaties jaarverslag 2014

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

40,0

29,6

29,7

29,9

29,8

29,8

Nieuwe mutaties

0,0

– 2,6

3,7

7,4

8,1

7,5

– 39,4

Stand ontwerpbegroting 2016

0,0

20.353,3

21.145,8

21.153,8

21.075,5

21.033,2

20.986,2

In deze sector vallen met ingang van 2015 de instellingen voor medisch-specialistische zorg inclusief mondziekten en kaakchirurgie en de honoraria voor de vrijgevestigde medisch specialisten.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Oploop besparing Regeerakkoord Rutte-Verhagen

           

– 40,0

In het Regeerakkoord van het kabinet Rutte-Verhagen is een besparing opgenomen in verband met een pakket aan maatregelen (uitbreiden B-segment, invoering DOT, beperking ex-post verevening). Deze besparing bedroeg € 40 miljoen in 2014 en loopt uiteindelijk op tot € 330 miljoen. De oploop in de eerste jaren is reeds verwerkt in het budgettaire kader van het Hoofdlijnenakkoord 2011 en de begrotingen 2012, 2014 en 2015. De oploop in 2020 wordt thans verwerkt.

             
               

Niet-gerealiseerde besparing doelmatig voorschrijven

 

– 2,8

– 10,0

       

Korting op het kader MSZ in verband met de niet gerealiseerde besparingsdoelstelling doelmatig voorschrijven, conform de afspraken hierover in het bestuurlijk akkoord MSZ. In de begroting 2015 is in verband met het besparingsverlies in 2014 voor het jaar 2015 een korting van € 10 miljoen verwerkt; uiteindelijk is de korting uitgekomen op € 12,8 miljoen. Ook in 2015 blijft de besparing vooralsnog achter bij de afgesproken opbrengst. Voorlopig gaan we daarbij uit van een bedrag van € 10 miljoen.

             
               

Voorwaardelijke toelating geneeskundige zorg

5,2

6,8

7,5

6,9

Door middel van besluitvorming over voorwaardelijke toelating van interventies worden gefaseerd middelen overgeheveld naar de sector medisch-specialistische zorg. Bij begroting 2015 is structureel € 2,5 miljoen aan de sector medisch-specialistische zorg toegevoegd voor voorwaardelijke toelating. Op basis van een actuele raming van voorwaardelijk toe te laten middelen in 2015 wordt het kader verhoogd. Voor middelen die in de loop van 2016 voorwaardelijk worden toegelaten, wordt het begrotingsbedrag 2016 in de loop van 2016 naar boven bijgesteld.

             
               

Technisch

             
               

Correctie overhevelingen 2015

 

0,3

0,6

0,6

0,6

0,6

0,6

Betreft correcties op overhevelingen vanuit het GVS. Siklos wordt uit de aanspraak op Farmaceutische Zorg gehaald en wordt dus verwijderd uit het GVS. De kosten van de geneesmiddelen (€ 1,1 miljoen per jaar) komen vanaf 1 augustus 2015 geheel ten laste van het macrokader voor medisch-specialistische zorg. Lanvis (€ 0,5 miljoen per jaar) wordt 1 augustus 2015 teruggeplaatst in het GVS met het oog op een eenduidige aanspraak op geneesmiddelen voor inflammatoire darmziekten.

             
               

Overheveling Ruxolitnib

   

7,9

       

Dit betreft de overheveling van het geneesmiddel Ruxolitinib van het geneesmiddelenkader naar de medisch-specialistische zorg. De middelen zijn eerder incidenteel overgeheveld voor het jaar 2015 (€ 7,9 miljoen), aangezien er nog onvoldoende bekend was over de structurele kosten van dit medicijn. Op dit moment is er nog steeds onvoldoende bekend: reden om op dit moment enkel voor 2016 weer over te boeken.

             

Medisch-specialistische zorg.

Aansluiting VWS-begroting met aan NZa te versturen brief over macrobeheersmodel 2016 (bedragen x € 1 miljoen).
 

2016

Stand ontwerpbegroting 2016

21.145,8

   

Besluitvorming overschrijding 2012

– 70,0

Naar aanleiding van bestuurlijk overleg met partijen van het bestuurlijk Hoofdlijnenakkoord MSZ is besloten dat in verband met de geconstateerde overschrijding 2012 eenmalig € 70 miljoen in mindering zal worden gebracht op het beschikbare macrokader 2016. Zie brief hierover van 31 maart 2015, Kamerstuk TK 29 248, nr. 282.

 
   

Kwaliteitsgelden

– 15,5

De in het bestuurlijk akkoord afgesproken middelen voor de Stichting kwaliteitsgelden medisch specialisten (€ 12,5 miljoen) en middelen voor patiëntenparticipatie (€ 3,0 miljoen) zijn niet relevant voor de zorginkoop en het macrobeheersmodel.

 
   

Verkeerde bed

14,2

Betreft door ziekenhuizen geleverde zorg die vanuit de Wlz wordt gefinancierd. Het gaat om patiënten die langer in ziekenhuizen verblijven in afwachting van een plaats in een Wlz-instelling.

 
   

Actuele stand mbi-kader 2016

21.074,5

Dit bedrag is op prijsniveau 2015, dus exclusief loon- en prijsbijstelling 2016.

 
Geriatrische revalidatiezorg (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

823,0

780,4

795,3

795,3

795,3

795,3

795,3

Mutaties jaarverslag 2014

– 87,8

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

– 23,4

– 23,4

– 23,4

– 23,4

– 23,4

– 23,4

Nieuwe mutaties

– 1,2

– 1,2

5,5

6,5

6,5

6,5

6,5

Stand ontwerpbegroting 2016

734,0

755,7

777,3

778,3

778,3

778,3

778,3

               

Geriatrische revalidatiezorg richt zich op kwetsbare ouderen met meerdere aandoeningen, die in het ziekenhuis een medisch-specialistische behandeling hebben ondergaan. Deze oudere cliënten hebben behoefte aan een multidisciplinaire revalidatiebehandeling die aan hun individuele herstelmogelijkheden en trainingstempo is aangepast en rekening houdt met andere aandoeningen. Geriatrische revalidatie onderscheidt zich daarmee in zorginhoud en cliëntgroep van de medisch-specialistische revalidatie. Doel is hen te helpen terug te keren naar de oude woonsituatie en maatschappelijk te blijven participeren.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Mee- en tegenvallers

             
               

Actualisering

– 1,2

– 1,2

– 1,2

– 1,2

– 1,2

– 1,2

– 1,2

Van het Zorginstituut Nederland zijn geactualiseerde cijfers ontvangen met betrekking tot de gerealiseerde uitgaven in 2014. Als gevolg daarvan vindt een structurele bijstelling plaats van – € 1,2 miljoen.

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Uitdeling groeiruimte tranche 2016

   

7,7

7,7

7,7

7,7

7,7

Dit betreft de uitdeling van de groeiruimte tranche 2016.

             
               

Technisch

             
               

Overheveling vervoer van GRZ naar overig ziekenvervoer

   

– 1,0

       

Er worden incidenteel middelen overgeheveld van de geriatrische revalidatiezorg naar het zittend ziekenvervoer (sector overig ziekenvervoer).

             
Beschikbaarheidbijdrage academische zorg (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

704,7

641,7

659,0

653,4

660,0

660,1

660,1

Mutaties jaarverslag 2014

4,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

Nieuwe mutaties

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Stand ontwerpbegroting 2016

708,7

642,6

660,0

654,4

661,0

661,1

661,1

               

De academische ziekenhuizen en het NKI-AVL krijgen in verband met hun publieke taken – het leveren van topreferente zorg en onderzoek en innovatie – een beschikbaarheidbijdrage academische zorg.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             

N.v.t.

             
Beschikaarheidbijdrage kapitaallasten academische zorg (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

44,1

47,2

49,3

52,4

52,5

52,5

52,5

Mutaties jaarverslag 2014

– 3,5

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

Nieuwe mutaties

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Stand ontwerpbegroting 2016

40,6

47,3

49,4

52,5

52,6

52,6

52,6

               

De academische ziekenhuizen krijgen met de invoering van prestatiebekostiging de kapitaallasten die ze maken voor hun publieke functie niet meer vergoed. Per 2013 is een beschikbaarheidbijdrage in het leven geroepen ten behoeve van de kapitaallasten die samenhangen met de academische zorg.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             

N.v.t.

             
Beschikbaarheidbijdragen overig medisch-specialistische zorg (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

74,3

74,3

74,3

74,3

74,3

74,3

74,3

Mutaties jaarverslag 2014

– 15,7

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

Nieuwe mutaties

0,0

0,0

7,9

7,9

7,9

7,9

7,9

Stand ontwerpbegroting 2016

58,6

74,4

82,2

82,2

82,2

82,2

82,2

               

Op deze sector worden de uitgaven geraamd van de beschikbaarheidbijdragen ten behoeve van de spoedeisende hulp, Calamiteitenhospitaal, helikoptersvoorziening en Mobiel Medisch Team-voertuigen (MMT) voor traumazorg, trauma- en brandwondenzorg, kenniscoördinatie, OTO (opleiden, trainen en oefenen) acute verloskunde en de post mortem orgaanuitname. De beschikbaarheidbijdragen academische zorg, kapitaallasten academische zorg en opleidingen worden apart gepresenteerd.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             

             

Beleidsmatige mutaties

             

             

Uitdeling groeiruimte tranche 2016

   

7,9

7,9

7,9

7,9

7,9

Dit betreft de uitdeling van de groeiruimte tranche 2016.

             
Garantieregeling kapitaallasten (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties jaarverslag 2014

77,5

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Nieuwe mutaties

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Stand ontwerpbegroting 2016

77,5

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

               

In verband met de afschaffing van de functiegerichte budgettering in de ziekenhuiszorg in 2012 is er een garantieregeling kapitaallasten in het leven geroepen voor de periode tot en met 2016. Op basis van de afwikkeling door de NZa kan worden bezien in welke mate een beroep is gedaan op deze regeling.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             

N.v.t.

             
Overig curatieve zorg (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

357,1

380,4

381,1

381,4

381,4

381,4

381,4

Mutaties jaarverslag 2014

– 9,9

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

– 9,4

– 9,4

– 9,4

– 9,4

– 9,4

– 9,4

Nieuwe mutaties

2,0

2,0

12,8

12,8

12,8

12,8

12,8

Stand ontwerpbegroting 2016

349,2

373,0

384,5

384,8

384,8

384,8

384,8

               

Mede naar aanleiding van het bestuurlijk akkoord met de ziekenhuissector omvat de sector overig curatief vanaf 2012 voornamelijk de huisartsenlaboratoria. De uitgaven van andere soorten instellingen zijn vanaf 2012 opgenomen in de sector instellingen voor medisch-specialistische zorg.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Mee- en tegenvallers

             
               

Actualisering

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

2,0

Van het Zorginstituut Nederland zijn geactualiseerde cijfers ontvangen met betrekking tot de gerealiseerde uitgaven in 2014. Als gevolg daarvan vindt een structurele bijstelling plaats van € 2,0 miljoen.

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Uitdeling groeiruimte tranche 2016

   

10,8

10,8

10,8

10,8

10,8

Dit betreft de uitdeling van de groeiruimte tranche 2016.

             
Geneeskundige ggz (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

4.076,2

3.592,1

3.797,0

3.908,9

3.916,5

3.916,5

3.916,5

Mutaties jaarverslag 2014

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

– 7,2

– 20,1

– 24,7

– 24,8

– 24,8

– 24,8

Nieuwe mutaties

0,0

2,1

2,1

2,1

2,1

2,1

2,1

Stand ontwerpbegroting 2016

4.076,2

3.587,0

3.779,0

3.886,3

3.893,7

3.893,7

3.893,7

               

Deze sector omvat tot en met 2013 de geneeskundige ggz geleverd door zowel eerstelijns psychologen (ELP) als aanbieders tweedelijns ggz, vanaf 2014 omvat dit de basis en de gespecialiseerde ggz. Tweedelijns geneeskundige ggz wordt geleverd door instellingen en vrijgevestigden. Vanaf 2015 omvat dit ook de langdurige op behandeling gerichte intramurale ggz. Met ingang van de begroting 2013 worden op deze sector ook de uitgaven voor de diagnose en behandeling van ernstige, enkelvoudige dyslexie geraamd en verantwoord. De sector bevat ook de kwaliteitsgelden voor de ggz en de beschikbaarheidbijdragen voor de ggz.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Ambulantiseringsschuif ggz

 

2,1

2,1

2,1

2,1

2,1

2,1

In het kader van de beleidsregel overheveling ggz-budget Wlz-Zvw is het voor ggz-instellingen mogelijk te schuiven tussen Wlz- en Zvw-budgetten voor de ggz. Voor 2015 leidt dit voorlopig tot een aanpassing van € 2,1 miljoen.

             
Geneesmiddelen (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

4.506,3

4.716,5

4.749,4

4.680,7

4.680,7

4.680,7

4.680,7

Mutaties jaarverslag 2014

– 188,3

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

– 317,9

– 452,0

– 511,0

– 506,0

– 506,9

– 515,4

Nieuwe mutaties

– 1,6

– 3,8

301,3

309,3

309,3

309,3

315,8

Stand ontwerpbegroting 2016

4.316,4

4.394,8

4.598,8

4.479,1

4.484,0

4.483,1

4.481,1

               

Op deze sector worden de uitgaven voor extramurale geneesmiddelen geraamd en verantwoord.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Mee- en tegenvallers

             
               

Actualisering

– 1,6

           

Van het Zorginstituut Nederland zijn geactualiseerde cijfers ontvangen met betrekking tot de gerealiseerde uitgaven in 2014. Als gevolg daarvan vindt in 2014 een bijstelling plaats van – € 1,6 miljoen.

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Uitdeling groeiruimte tranche 2016

   

319,1

319,1

319,1

319,1

319,1

Dit betreft de uitdeling van de groeiruimte tranche 2016.

             
               

Technisch

             
               

Correctie overhevelingen 2015

 

– 0,3

– 0,6

– 0,6

– 0,6

– 0,6

– 0,6

Betreft correcties op overhevelingen vanuit het GVS. Siklos wordt uit de aanspraak op Farmaceutische Zorg gehaald en wordt dus verwijderd uit het GVS. De kosten van de geneesmiddelen (€ 1,1 miljoen per jaar) komen vanaf 1 augustus 2015 geheel ten laste van het macrokader voor medisch-specialistische zorg. Lanvis (€ 0,5 miljoen per jaar) wordt per 1 augustus 2015 teruggeplaatst in het GVS met het oog op een eenduidige aanspraak op geneesmiddelen voor inflammatoire darmziekten.

             
               

Overheveling geneesmiddelen Ruxolitnib

   

– 7,9

       

Dit betreft de overheveling van het geneesmiddel Ruxolitinib van het geneesmiddelenkader naar de medisch-specialistische zorg. De middelen zijn eerder incidenteel overgeheveld voor het jaar 2015 (€ 7,9 miljoen), aangezien er nog onvoldoende bekend was over de structurele kosten van dit medicijn. Op dit moment is er nog steeds onvoldoende bekend: reden om op dit moment enkel voor 2016 over te boeken.

             
               

Antibioticaresistentie

 

– 3,5

– 9,3

– 9,2

– 9,2

– 9,2

– 2,7

Dit betreft een correctieboeking van de bij eerste suppletoire begroting 2015 overgeboekte middelen (onder overige mutaties) naar het geneesmiddelenkader. De middelen ten behoeve van antibioticaresistentie zijn via een ijklijnmutatie vanuit nominaal en onvoorzien naar de begroting geboekt.

             
Hulpmiddelen (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

1.593,5

1.676,8

1.750,2

1.798,0

1.798,4

1.798,4

1.798,4

Mutaties jaarverslag 2014

– 82,8

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

– 76,5

– 74,4

– 72,4

– 71,5

– 71,6

– 71,6

Nieuwe mutaties

3,1

3,1

– 7,8

– 7,8

– 7,8

– 7,8

– 7,8

Stand ontwerpbegroting 2016

1.513,8

1.603,3

1.668,0

1.717,8

1.719,2

1.719,1

1.719,1

               

Op deze sector worden de uitgaven voor extramurale hulpmiddelen die verstrekt worden krachtens de Regeling hulpmiddelen geraamd en verantwoord.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Mee- en tegenvallers

             
               

Actualisering

3,1

3,1

3,1

3,1

3,1

3,1

3,1

Van het Zorginstituut Nederland zijn geactualiseerde cijfers ontvangen met betrekking tot de gerealiseerde uitgaven in 2014. Als gevolg daarvan vindt een structurele bijstelling plaats van € 3,1 miljoen.

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Uitdeling groeiruimte tranche 2016

   

16,1

16,1

16,1

16,1

16,1

Dit betreft de uitdeling van de groeiruimte tranche 2016.

             
               

Technisch

             
               

Technische correctie nieuwe bekostiging hoortoestellen

   

– 27,0

– 27,0

– 27,0

– 27,0

– 27,0

De eigen bijdragen voor hoortoestellen zijn eerder als aparte opbrengst (€ 27 miljoen) opgenomen. In de uitgavencijfers van het Zorginstituut worden de eigen bijdragen echter verrekend in de uitgaven aan hulpmiddelen. Met deze boeking wordt dit met ingang van 2016 rechtgetrokken: het hulpmiddelenkader wordt met € 27 miljoen verlaagd, evenals de apart ingeboekte eigen bijdragen.

             
Wijkverpleging (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

0,0

3.079,5

3.336,0

3.589,4

3.695,4

3.695,4

3.695,4

Mutaties jaarverslag 2014

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

89,9

10,1

– 27,6

– 31,0

– 10,0

1,0

Nieuwe mutaties

0,0

– 2,1

0,0

0,0

0,0

0,0

– 5,5

Stand ontwerpbegroting 2016

0,0

3.167,3

3.346,1

3.561,8

3.664,4

3.685,4

3.690,9

               

Binnen de aanspraak wijkverpleging is sprake van zowel verpleging als verzorging. Hierbij gaat het om verpleegkundige handelingen zoals wondverzorging, injecties en catheterisaties en verzorgende handelingen zoals wassen en aankleden. De wijkverpleegkundige is in de eerste plaats een zorgverlener. Daarin vormt de (wijk)verpleegkundige tevens de schakel tussen de cliënt, zijn of haar sociale omgeving en de verschillende professionals. Binnen de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) was voor deze laatste coördinerende, regisserende en signalerende taken geen bekostigingstitel. De ruimte die de wijkverpleegkundige nodig heeft om breder te kijken dan de oorspronkelijke zorgvraag was door de indeling in functies en klassen verdwenen. Binnen de aanspraak wijkverpleging zijn naast de (wijk)verpleegkundige ook verzorgenden en gespecialiseerde verpleegkundigen werkzaam zijn. Financiering vindt al dan niet plaats via een persoonsgebonden budget.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Overige

             

Correctie herverdeeleffect Zvw.

 

– 2,1

         
               

Extrapolatie

           

– 5,5

De extrapolatiemutatie betreft de oploop in 2020 van de maatregel «geen aanspraak op begeleiding, budget 75% naar gemeenten»

(– € 5,5 miljoen).

             
Ambulancevervoer (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

531,0

551,3

551,3

549,1

549,1

546,8

546,8

Mutaties jaarverslag 2014

– 11,9

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

0,6

0,6

0,6

0,6

0,6

0,6

Nieuwe mutaties

0,1

0,0

13,8

13,8

13,8

13,8

13,8

Stand ontwerpbegroting 2016

519,2

551,9

565,7

563,5

563,5

561,2

561,2

               

De ambulancezorg kent twee kerntaken: spoedvervoer en besteld vervoer. Daarnaast staan ambulances ook paraat voor geneeskundige hulp bij ongevallen en rampen. Op deze sector worden tevens de uitgaven Centrale Posten Ambulancevervoer (CPA) verantwoord.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Uitdeling groeiruimte tranche 2016

   

13,8

13,8

13,8

13,8

13,8

Dit betreft de uitdeling van de groeiruimte tranche 2016.

             
               

Technisch

             
               

Financieringsmutaties

0,1

           
Overige ziekenvervoer (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

134,7

142,1

141,0

141,0

141,0

141,0

141,0

Mutaties jaarverslag 2014

– 10,5

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

– 18,6

– 18,6

– 18,6

– 18,6

– 18,6

– 18,6

Nieuwe mutaties

– 0,4

– 0,4

4,2

3,2

3,2

3,2

3,2

Stand ontwerpbegroting 2016

123,8

123,0

126,6

125,6

125,6

125,6

125,6

               

Het overig ziekenvervoer betreft het vervoer van patiënten van en naar zorgaanbieders. Hiervoor in aanmerking komen verzekerden die chemo- of radiotherapie ondergaan, nierdialyse ondergaan, zich uitsluitend in een rolstoel kunnen verplaatsen, zeer slechtziend zijn of van hun zorgverzekeraar hiervoor toestemming hebben gekregen. Het betreft zowel commercieel vervoer als vergoeding van de kosten van openbaar vervoer.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Mee- en tegenvallers

             
               

Actualisering

– 0,4

– 0,4

– 0,4

– 0,4

– 0,4

– 0,4

– 0,4

Van het Zorginstituut Nederland zijn geactualiseerde cijfers ontvangen met betrekking tot de gerealiseerde uitgaven in 2014. Als gevolg daarvan vindt een structurele bijstelling plaats van – € 0,4 miljoen.

             
               

Intensiveringen

             
               

Uitdeling groeiruimte tranche 2016

   

3,6

3,6

3,6

3,6

3,6

Dit betreft de uitdeling van de groeiruimte tranche 2016.

             
               

Technisch

             
               

Overheveling vervoer van GRZ naar overig ziekenvervoer

   

1,0

       

Er worden incidenteel middelen overgeheveld van de geriatrische revalidatiezorg naar het zittend ziekenvervoer (sector overig ziekenvervoer).

             
Opleidingen (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

1.207,4

1.228,9

1.249,2

1.282,8

1.261,7

1.176,3

1.176,3

Mutaties jaarverslag 2014

– 9,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

1,7

1,7

1,8

1,7

1,6

– 13,4

Nieuwe mutaties

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Stand ontwerpbegroting 2016

1.198,3

1.230,6

1.250,9

1.284,6

1.263,5

1.178,0

1.162,9

               

Met ingang van 2013 worden de specialistische vervolgopleidingen uit het zogenaamde opleidingsfonds (inclusief de opleiding tot huisarts) en een aantal ggz-opleidingen via een beschikbaarheidbijdrage op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) gefinancierd. De uitvoering geschiedt door de NZa. De betalingen lopen via het Zorginstituut Nederland.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             

N.v.t.

             
Grensoverschrijdende zorg (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

796,9

828,4

828,8

768,8

768,8

768,8

768,8

Mutaties jaarverslag 2014

– 264,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

– 48,6

– 48,6

– 48,7

– 48,7

– 48,7

– 48,7

Nieuwe mutaties

– 58,0

0,0

29,6

29,6

29,6

29,6

29,6

Stand ontwerpbegroting 2016

474,8

779,8

809,9

749,8

749,8

749,8

749,8

               

Deze deelsector betreft de grensoverschrijdende zorg binnen en buiten het macroprestatiebedrag (mpb).

Binnen het macroprestatiebedrag betreft het zorgkosten gemaakt in het buitenland door verzekerden bij Nederlandse zorgverzekeraars. Dit zijn bijvoorbeeld de medische lasten na een skiongeluk, lasten die samenhangen met een behandeling in een Belgisch ziekenhuis of lasten van grensarbeiders die in Nederland werken en in Duitsland wonen.

De grensoverschrijdende zorg buiten het mpb betreft de lasten van internationale verdragen. Het gaat om kosten van zorg aan personen die buiten Nederland wonen en niet aan Nederlandse sociale verzekeringswetgeving zijn onderworpen, maar die op grond van een Europese verordening of een door Nederland gesloten verdrag inzake sociale zekerheid recht hebben op geneeskundige zorg ten laste van Nederland. Ten eerste betreft dit verdragsgerechtigden die wonen in het buitenland met een Nederlands pensioen en hun in het buitenland wonende gezinsleden. Het gaat ook om in het buitenland wonende gezinsleden van in Nederland werkende werknemers. Tegenover het recht op zorg staat de verplichting om een bijdrage aan Zorginstituut Nederland te betalen.

Het betreft ook de kosten van medische zorg voor personen die verzekerd zijn in het buitenland en langdurig of kortdurend verblijven in Nederland. Dit zijn bijvoorbeeld in Nederland wonende en in het buitenland voor een buitenlandse werkgever werkende werknemers en hun gezinsleden, in Nederland wonende rechthebbenden op een buitenlands pensioen met hun gezin en toeristen). Deze kosten worden doorberekend aan de internationale verdragspartners. De baten worden in mindering gebracht op de lasten.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Mee- en tegenvallers

             
               

Actualisering

– 58,0

           

De actualisering in juni van de zorgcijfers over 2014 heeft bevestigd dat de ontvangsten bij de grensoverschrijdende zorg buiten mpb circa € 50 miljoen hoger worden geraamd dan eerder is verondersteld. Deze € 50 miljoen was nog niet bekend bij het gereed maken van het jaarverslag maar wel bij de totstandkoming van de eerste suppletoire begroting 2015; en kon derhalve nog meegenomen worden in de voorjaarsbesluitvorming (structurele mutatie vanaf 2015).

In de actualisatie 2014 kwam tevens bij de uitgaven van de grensoverschrijdende zorg buiten mpb een geringe stijging van € 0,9 miljoen naar voren en bij de uitgaven van de grensoverschrijdende zorg binnen mpb een beperkte afname van € 8,9 miljoen. Omdat deze stijgingen vanwege het grillige karakter van de uitgaven grensoverschrijdende zorg incidenteel worden verondersteld, is er over 2014 in totaal – € 58 miljoen verwerkt. Ten opzichte van de in de eerste suppletoire begroting 2015 verwerkte structurele mutatie bij de ontvangsten (vanaf 2015) is er geen aanpassing.

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Uitdeling groeiruimte tranche 2016

   

26,6

26,6

26,6

26,6

26,6

Dit betreft de uitdeling van de groeiruimte tranche 2016.

             
Nominaal en onverdeeld (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

350,1

977,7

2.294,4

3.377,8

5.919,7

8.640,8

8.640,8

Mutaties jaarverslag 2014

– 350,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

– 528,8

– 576,2

– 558,2

– 520,0

– 545,6

– 555,0

Nieuwe mutaties

0,0

– 27,2

– 451,8

– 358,8

– 359,2

– 531,1

2.350,4

Stand ontwerpbegroting 2016

0,0

421,7

1.266,3

2.460,7

5.040,4

7.564,1

10.436,2

               

De sector nominaal en onverdeeld bevat de nog niet toebedeelde maatregelen, de nog niet uitgedeelde groeiruimte en loon- en prijsbijstellingen.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Mee- en tegenvallers

             

Compensatie tegenvaller ER

         

– 181,2

– 181,2

Deze mutatie betreft een taakstellende reeks, ter (intertemporele) compensatie van de tegenvaller op de opbrengst van het eigen risico.

             
               

Nominaal

             

Nominale ontwikkeling

   

50,8

77,8

78,0

86,8

119,5

De raming van de loon- en prijsbijstelling is aangepast op basis van de laatste macro-economische inzichten van het Centraal Planbureau (CPB).

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Uitdeling groeiruimte tranche 2016

   

– 438,8

– 438,8

– 438,8

– 438,8

– 438,8

Dit betreft de uitdeling van de groeiruimte tranche 2016.

             
               

Dekking ophogen budget eerstelijnsverblijf

 

– 33,5

– 42,0

       

De ophoging van het budget voor eerstelijnsverblijf wordt deels gedekt binnen de Zvw en deels binnen de Wlz.

             
               

Niet-gerealiseerde besparing doelmatig voorschrijven

 

2,8

10,0

Korting op het kader MSZ in verband met de niet gerealiseerde besparingsdoelstelling doelmatig voorschrijven, conform afspraken hierover in het bestuurlijk akkoord MSZ. In de begroting 2015 is in verband met het besparingsverlies in 2014 voor het jaar 2015 een korting van € 10 miljoen verwerkt; uiteindelijk is de korting uitgekomen op € 12,8 miljoen. Ook in 2015 blijft de besparing vooralsnog achter bij de afgesproken opbrengst. Vooralsnog gaan we daarbij uit van een bedrag van € 10 miljoen.

             
               

Voorwaardelijke toelating geneeskundige zorg

   

– 5,2

– 6,8

– 7,5

– 6,9

 

Door middel van besluitvorming over voorwaardelijke toelating van interventies worden gefaseerd middelen overgeheveld naar de sector medisch-specialistische zorg. Bij begroting 2015 is structureel € 2,5 miljoen aan de sector medisch-specialistische zorg toegevoegd voor voorwaardelijke toelating. Op basis van een actuele raming van voorwaardelijk toe te laten middelen in 2015 wordt het kader verhoogd. Voor middelen die in de loop van 2016 voorwaardelijk worden toegelaten, wordt het begrotingsbedrag 2016 in de loop van 2016 naar boven bijgesteld.

             
               

Vrijval nominaal en onverdeeld

   

– 33,7

       

Er is sprake van vrijval op de post nominaal en onverdeeld. Deze ruimte is met name een gevolg van het verschil tussen de oorspronkelijk beschikbaar gestelde middelen voor groei in de curatieve zorg en de in de verschillende zorgakkoorden gemaakte afspraken over de toegestane groei in die sectoren en de op grond daarvan niet benodigde middelen voor loon- en prijsbijstelling.

             
               

Technisch

             
               

Overige

 

3,5

7,1

9,0

9,0

9,0

2,5

Deze post is het saldo van diverse overige mutaties waaronder de budgettair-neutrale verwerking van de aanpassing van de nominaalsystematiek Zvw.

             
               

Extrapolatie

           

2.848,4

De extrapolatiemutatie betreft de extrapolatie van de groeiruimte Zvw en van de nominale ontwikkeling in 2020.

             
Ontvangsten Zvw (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

3.125,1

3.217,7

3.395,8

3.486,1

3.605,8

3.747,8

3.747,8

Mutaties jaarverslag 2014

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Nieuwe mutaties

0,0

0,0

– 201,0

– 201,0

– 201,0

– 201,0

– 66,3

Stand ontwerpbegroting 2016

3.125,1

3.217,7

3.194,8

3.285,1

3.404,8

3.546,8

3.681,5

               

Deze deelsector omvat onder andere het eigen risico en de eigen bijdragen binnen de Zvw.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Mee- en tegenvallers

             
               

Raming eigen risico

   

– 174,0

– 174,0

– 174,0

– 174,0

– 174,0

De raming van de opbrengst van het eigen risico is met € 174 miljoen neerwaarts bijgesteld. Hiervoor zijn diverse verklaringen. De belangrijkste is de neerwaartse bijstelling van de verwachte

Zvw-uitgaven in 2016 ten opzichte van de stand in de ontwerpbegroting 2015 (zoals weergegeven in bovenstaande tabel 6), voornamelijk veroorzaakt door de lagere genees- en hulpmiddelenraming. Daarnaast is het ramingsmodel geactualiseerd met de nieuwe risicovereveningsdata over de verdeling van de individuele zorguitgaven.

             
               

Technische mutaties

             
               

Technische correctie nieuwe bekostiging hoortoestellen

   

– 27,0

– 27,0

– 27,0

– 27,0

– 27,0

De eigen bijdragen voor hoortoestellen zijn eerder als aparte opbrengst (€ 27 miljoen) opgenomen. In de uitgavencijfers van het Zorginstituut worden de eigen bijdragen echter verrekend in de uitgaven aan hulpmiddelen. Met deze boeking wordt dit met ingang van 2016 rechtgetrokken: het hulpmiddelenkader wordt met € 27 miljoen verlaagd, evenals de apart ingeboekte eigen bijdragen.

             
               

Extrapolatie

           

134,7

Deze mutatie betreft de toename van de opbrengst van het eigen risico, gebaseerd op de procentuele toename van de verwachte Zvw-uitgaven in 2020 ten opzichte van 2019.

             

6.1.2 Wet langdurige zorg (Wlz)

In deze paragraaf wordt ingegaan op de financiële ontwikkelingen binnen de Wlz in het afgelopen jaar. In tabel 24 wordt de totale mutatie tussen de ontwerpbegroting 2014 en de ontwerpbegroting 2016 voor de Wlz-uitgaven weergegeven. Tabel 25 gaat in op de ontvangsten. In tabel 26 wordt de opbouw van de Wlz-uitgaven en ontvangsten op deelsector niveau weergegeven. De sector nominaal en onverdeeld bevat de nog niet toebedeelde maatregelen, de nog niet uitgedeelde groeiruimte en loon- en prijsbijstellingen. In deze paragraaf wordt verder per deelsector ingegaan op de nieuwe mutaties tussen ontwerpbegroting 2015 en ontwerpbegroting 2016. Voor het jaar 2014 betreft het de AWBZ-stand en vanaf het jaar 2015 de Wlz-stand.

Tabel 24 Ontwikkeling van de Wlz-uitgaven per sector vanaf de ontwerpbegroting 2015 (bedragen x € 1 miljoen)1Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Uitgaven Wet langdurige zorg

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

28.107,5

19.456,2

19.147,3

19.310,5

19.900,2

20.838,4

20.838,4

Mutatie 1e suppletoire begroting 2015

– 267,3

352,1

336,6

209,4

285,2

200,8

160,9

Nieuwe mutaties

0,0

42,4

415,0

212,3

208,2

215,8

1.261,2

Stand ontwerpbegroting 2016

27.840,2

19.850,7

19.899,0

19.732,2

20.393,6

21.255,0

22.260,5

Tabel 25 Ontvangsten Wlz vanaf de ontwerpbegroting 2015 (bedragen x € 1 miljoen)1Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

Ontvangsten Wet langdurige zorg

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

1.985,0

1.737,3

1.676,0

1.651,9

1.655,2

1.715,0

1.715,0

Mutatie 1esuppletoire begroting 2015

9,6

154,0

172,0

183,0

185,0

175,0

170,0

Nieuwe mutaties

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

18,4

Stand ontwerpbegroting 2016

1.994,6

1.891,3

1.848,0

1.834,9

1.840,2

1.890,0

1.903,4

Tabel 26 Opbouw van de Wlz-uitgaven en -ontvangsten per sector (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Nieuwe indeling

             
               

Binnen contracteerruimte

21.551,1

16.447,1

16.455,0

16.411,2

16.878,9

16.809,9

16.719,7

Ouderenzorg

8.650,7

8.906,1

9.017,8

9.069,8

9.371,7

9.302,7

9.231,9

Gehandicaptenzorg

5.462,1

5.949,9

6.126,0

6.090,1

6.241,1

6.241,1

6.223,2

Langdurige ggz

1.598,0

484,3

369,2

316,7

335,7

335,7

334,2

Volledig pakket thuis

256,7

288,0

289,6

291,6

291,6

291,6

Extramurale zorg

4.457,6

720,8

519,9

511,5

505,4

505,4

505,4

Overige binnen contracteerruimte

1.382,7

129,2

134,1

133,4

133,4

133,4

133,4

 

Persoonsgebonden budgetten

2.444,0

1.195,4

1.346,5

1.367,3

1.361,1

1.361,1

1.361,6

               

Buiten contracteerruimte

2.409,4

2.208,2

2.097,5

1.953,8

2.153,6

3.084,0

4.179,2

Kapitaallasten (nacalculatie)

2.183,3

1.433,4

801,8

392,6

0,0

0,0

0,0

Beheerskosten

215,8

142,4

140,7

140,7

140,7

140,7

140,7

Overig buiten contracteerruimte1

81,7

621,7

636,2

476,7

477,1

477,1

477,1

Nominaal en onverdeeld

– 71,3

10,7

518,7

943,7

1.535,8

2.466,2

3.561,4

               

Oude indeling

             

             

Preventieve zorg (Rijksvaccinatieprogramma)

92,4

Dagbesteding en vervoer

1.162,8

Mee-instellingen

180,5

Bruto-Wlz-uitgaven begroting 2016

27.840,2

19.850,7

19.899,0

19.732,2

20.393,6

21.255,0

22.260,5

Eigen bijdrage Wlz

1.994,6

1.891,3

1.848,0

1.834,9

1.840,2

1.890,0

1.903,4

Netto-Wlz-uitgaven begroting 2016

25.845,6

17.959,4

18.051,0

17.897,3

18.553,4

19.364,9

20.357,1

Noot 1: Bij de Wlz zijn onder de post overig buiten contracteerruimte opgenomen de sectoren; bovenbudgettaire vergoedingen, tandheelkunde Wlz, instellingen voor medisch-specialistische zorg Wlz, overig curatieve zorg Wlz, ADL, extramurale behandeling, zorginfrastructuur, eerstelijnsverblijf, orthocommunicatieve behandeling, innovatie en beschikbaarheidbijdrage opleidingen Wlz.

Bron: VWS, NZa-gegevens over de productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens, gegevens Zorginstituut Nederland over (voorlopige) financieringslasten Zvw en Wlz.

Indeling

De Wlz-uitgaven worden vanaf de ontwerpbegroting 2015 gesplitst in uitgaven die vallen onder de contracteerruimte voor zorg in natura, de persoonsgebonden budgetten respectievelijk uitgaven die buiten deze twee posten vallen. Onder de sectoren «ouderenzorg», «gehandicaptenzorg» en «langdurige ggz» worden per sector respectievelijk verantwoord de zorgzwaartepakketten (zzp’s), de NHC’s (inclusief ingroei-pad), de toeslagen en middelen voor dagbesteding en vervoer.

Budgettair kader zorguitgaven Wlz

In de Wlz vallen de contracteerruimte voor zorg in natura en de middelen voor de persoonsgebonden budgetten onder één financieel totaal kader. Anders dan in de AWBZ stelt de Minister van VWS jaarlijks het bedrag voor de de contracteerruimte zorg in natura vast. De NZa verdeelt de contracteerruimte over de regionale zorgkantoren. De Minister stelt tevens de hoogte van het pgb-kader vast en de verdeling over de regio’s en publiceert deze in de regeling langdurige zorg. De NZa monitort de uitgavenontwikkeling binnen de contracteerruimte en het pgb-kader, rapporteert hierover aan de Minister en ziet toe op een doelmatige en rechtmatige uitvoering.

De zorgkantoren zijn ervoor verantwoordelijk om binnen het beschikbare kader passende zorg te leveren aan hun cliënten. Het kan dan gaan om zorg in natura of een pgb. Afhankelijk van het beroep dat op beide leveringsvormen wordt gedaan, kunnen zorgkantoren gedurende het jaar middelen tussen de contracteerruimte en het pgb-kaderverschuiven. Hierbij is het zowel mogelijk om van de contracteerruimte voor zorg in natura te schuiven naar het budgetplafond voor pgb als andersom. De schuif tussen pgb en contracteerruimte zorg in natura is alleen mogelijk als het binnen het totale beschikbare kader past.

In het Financieel Beeld Zorg zijn de middelen onderverdeeld naar sectoren ten einde meer informatie te verschaffen over de zorg die binnen de contracteerruimte wordt geleverd.

De intramurale zorg wordt onderverdeeld naar ouderenzorg, gehandicaptenzorg en langdurige geestelijke gezondheidszorg. Onder de post overig vallen onder meer de geoormerkte middelen in de aanwijzing budgettair kader Wlz. De kapitaallasten worden geleidelijk in de contracteerruimte opgenomen door de gefaseerde invoering van integrale tarieven. De sector voor de kapitaallasten wordt hierdoor geleidelijk verlaagd en de sectoren voor intramurale zorg worden geleidelijk verhoogd.

In figuur 9 is de samenstelling van de Wlz-uitgaven per sector weergegeven voor het jaar 2016.

Figuur 9 samenstelling Wlz-uitgaven 2016
Ouderenzorg (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

8.847,0

8.857,0

9.273,0

9.210,0

9.445,0

9.445,0

9.445,0

Mutaties jaarverslag 2014

-196,4

           

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

0,0

70,0

207,8

350,8

428,8

359,8

324,1

Nieuwe mutaties

0,0

– 20,9

– 463,0

– 491,0

– 502,1

– 502,1

– 537,2

Stand ontwerpbegroting 2016

8.650,7

8.906,1

9.017,8

9.069,8

9.371,7

9.302,7

9.231,9

               

Op deze deelsector staat de uitgavenontwikkeling van de intramurale ouderenzorg, bestaande uit de zorgzwaartepakketten, de normatieve huisvestingscomponent, de toeslagen en vergoedingen voor dagbestedingen en vervoer.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Extramuraliseren tranche 2016

   

– 444,6

– 455,7

– 466,8

– 466,8

– 466,8

Betreft de toedeling van de tranche 2016 van de maatregel extramuraliseren aan de sector, rekening houdend met het ingroeipad (t/m 2018) van de normatieve huisvestingscomponenent (nhc).

             
               

Dekking ophogen budget eerstelijnsverblijf

 

– 6,8

– 10,0

       

Dit betreft het aandeel van de normatieve huisvestingscomponent (nhc) in de subsidieregeling eerstelijnsverblijf voor de jaren 2015 en 2016. Hiermee was bij de opstelling van de oorspronkelijke raming nog geen rekening gehouden.

             
               

Onderuitputting contracteerruimte Wlz

 

– 14,1

– 18,3

– 18,3

– 18,3

– 18,3

– 18,3

De contracteerruimte liet de afgelopen jaren bij de nacalculatie een onderuitputting zien van circa 1%. Het kabinet zet hiervan nu € 40 miljoen in als dekking (zie overig deel bij gahandicaptenzorg).

             
               

Compensatie RA-maatregel kern-awbz in 2016

   

26,9

       

Deze mutatie betreft de inzet van enveloppe-middelen 2016 ter compensatie van de Regeerakkoord-taakstelling kern-AWBZ in 2016.

             
               

Overige

   

– 17,0

– 17,0

– 17,0

– 17,0

– 17,0

Deze middelen vallen vrij en worden ingezet ter (gedeeltelijke) dekking van de uitgaven in verband met passend onderwijs.

             
               

Extrapolatie 2020

           

– 35,1

De extrapolatiemutatie betreft de oploop in 2020 van de ombuiging die behoort bij de invoering van de normatieve huisvestingscomponent (nhc) op de sector ouderenzorg (– € 30,1 miljoen) en de oploop van het effect van extramuraliseren (– € 5 miljoen).

             
Gehandicaptenzorg (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

5.524,3

6.032,0

6.285,0

6.230,0

6.358,0

6.358,0

6.358,0

Mutaties jaarverslag 2014

– 62,2

           

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

 

– 79,9

– 58,9

– 22,7

1,2

1,2

0,7

Nieuwe mutaties

– 0,0

– 2,2

– 100,1

– 117,2

– 118,1

– 118,1

– 135,5

Stand ontwerpbegroting 2016

5.462,1

5.949,9

6.126,0

6.090,1

6.241,1

6.241,1

6.223,2

               

Op deze deelsector staat de uitgavenontwikkeling van de intramurale gehandicaptenzorg, bestaande uit de zorgzwaartepakketten, de normatieve huisvestingscomponent, de toeslagen en vergoedingen voor dagbestedingen en vervoer.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Extramuraliseren tranche 2016

   

– 35,9

– 36,8

– 37,7

– 37,7

– 37,7

Betreft de toedeling van de tranche 2016 van de maatregel extramuraliseren aan de sector, rekening houdend met het ingroeipad (t/m 2018) van de normatieve huisvestingscomponenent (nhc).

             
               

Inzet groeimiddelen tbv pgb-problematiek

   

– 65,0

– 65,0

– 65,0

– 65,0

– 65,0

Het pgb groeit harder dan de naturazorg. Daarom wordt € 65 miljoen van de groeimiddelen vanuit de contracteerruimte overgeheveld ter dekking van de pgb-problematiek.

             
               

Orthocommunicatieve behandeling

 

– 3,4

– 3,4

– 3,4

– 3,4

– 3,4

– 3,4

Orthocommunicatieve behandeling wordt om redenen van rechtmatigheid met ingang van 2015 niet langer vanuit de contractteerruimte betaald, maar vanuit een aparte subsidieregeling.

             
               

Onderuitputting contracteerruimte Wlz

 

– 8,8

– 22,0

– 22,0

– 22,0

– 22,0

– 22,0

De contracteerruimte liet de afgelopen jaren bij de nacalculatie een onderuitputting zien van circa 1%. Het kabinet zet hiervan nu € 40 miljoen in als dekking (zie overig deel bij ouderenzorg).

             
               

Compensatie RA-maatregel kern-awbz in 2016

   

16,2

       

Deze mutatie betreft de inzet van enveloppe-middelen 2016 ter compensatie van de regeerakkoord-taakstelling kern-AWBZ in 2016.

             
               

Passend onderwijs

 

10,0

10,0

10,0

10,0

10,0

10,0

Voor kinderen met een zzp-indicatie in de Wlz is dagbesteding standaard in het profiel opgenomen. Hiermee was nog geen rekening gehouden bij de vaststelling van het budgettaire kader voor 2015. In het kader van aangenomen moties van Dik-Faber/Voordewind (TK 31 497, nr 156) en Ypma (nr 164) worden kinderen die met een hoog AWBZ-zzp onder de Wlz vallen nu actief geherindiceerd.

             
               

Extrapolatie 2020

           

– 17,5

De extrapolatiemutatie betreft de oploop in 2020 van de ombuiging die behoort bij de invoering van de normatieve huisvestingscomponent (nhc) op de sector gehandicaptenzorg (– € 17,5 miljoen).

             
Langdurige ggz (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

1.634,1

523,7

397,7

341,7

360,7

360,7

360,7

Mutaties jaarverslag 2014

– 36,2

           

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

– 37,3

– 26,4

– 22,8

– 22,9

– 22,9

– 23,0

Nieuwe mutaties

0,0

– 2,1

– 2,1

– 2,1

– 2,1

– 2,1

– 3,5

Stand ontwerpbegroting 2016

1.598,0

484,3

369,2

316,7

335,7

335,7

334,2

               

Op deze deelsector staat de uitgavenontwikkeling van de intramurale langdurige geestelijke gezondheidszorg onder de Wlz, bestaande uit de zorgzwaartepakketten, de normatieve huisvestingscomponent, de toeslagen en vergoedingen voor dagbestedingen en vervoer. De intramurale geneeskundige geestelijke gezondheidszorg korter dan een jaar valt onder de Zorgverzekeringswet. Voor nieuwe instroom vanaf 1-1-2015 geldt dat intramurale geneeskundige geestelijke gezondheidszorg korter dan drie jaar onder de Zvw valt.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Ambulantiseringsschuif ggz

 

– 2,1

– 2,1

– 2,1

– 2,1

– 2,1

– 2,1

In het kader van de beleidsregel overheveling ggz-budget Wlz-Zvw is het voor ggz-instellingen mogelijk te schuiven tussen Wlz- en Zvw-budgetten voor de ggz. Voor 2015 leidt dit voorlopig tot een aanpassing van – € 2,1 miljoen.

             
               

Extrapolatie 2020

           

– 1,4

De extrapolatiemutatie betreft de oploop in 2020 van de ombuiging die behoort bij de invoering van de normatieve huisvestingscomponent (nhc) op de sector langdurige ggz (– € 1,4 miljoen).

             
Volledig pakket thuis (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

0,0

186,0

189,0

189,0

189,0

189,0

189,0

Mutaties jaarverslag 2014

             

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

70,7

72,0

73,6

75,6

75,6

75,6

Nieuwe mutaties

0,0

0,0

27,0

27,0

27,0

27,0

27,0

Stand ontwerpbegroting 2016

0,0

256,7

288,0

289,6

291,6

291,6

291,6

               

Het Volledig Pakket Thuis (VPT) is een budget waarmee cliënten met een indicatie voor een intramuraal zorgpakket (ZZP) de benodigde zorg- en dienstverlening in de thuissituatie ontvangen, waarbij de huisvestingscomponent niet wordt verzilverd.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Huishoudelijke hulp Wlz MPT

   

27,0

27,0

27,0

27,0

27,0

Cliënten met een mpt (modulair pakket thuis) ontvangen in 2015, net als in voorgaande jaren, hun huishoudelijke verzorging nog vanuit de Wmo 2015. Vanaf 2016 zal het budget voor de huishoudelijke verzorging voor de hier bedoelde cliënten aan de contracteerruimte Wlz worden toegevoegd. Deze mutatie betreft het besparingsverlies van het deel van het budget dat niet vanuit het Gemeentefonds aan de contracteerruimte Wlz kan worden toegevoegd in verband met de korting op de huishoudelijke verzorging in de Wmo 2015 vanaf 2015.

             
Extramurale zorg (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

4.419,1

669,0

428,0

422,0

420,0

420,0

420,0

Mutaties jaarverslag 2014

38,5

           

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

 

56,2

181,3

178,9

174,8

174,8

174,8

Nieuwe mutaties

0,0

– 4,4

– 89,4

– 89,4

– 89,4

– 89,4

– 89,4

Stand ontwerpbegroting 2016

4.457,6

720,8

519,9

511,5

505,4

505,4

505,4

               

Een deel van de verblijfsgeïndiceerden ontvangt extramurale zorg, die in de eigen woonomgeving wordt gegeven. Onder deze zorg valt persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding en behandeling.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Schuif groei van extramurale zorg naar pgb

   

– 85,0

– 85,0

– 85,0

– 85,0

– 85,0

Binnen de groep Wlz-indiceerbaren wordt meer dan verwacht gebruik gemaakt van pgb's en minder van extramurale zorg. Met ingang van 2016 wordt de contracteerruimte hiervoor gecorrigeerd en wordt dit bedrag toegevoegd aan het pgb-kader.

             
               

Orthocommunicatieve behandeling

 

– 4,4

– 4,4

– 4,4

– 4,4

– 4,4

– 4,4

Orthocommunicatieve behandeling wordt om redenen van rechtmatigheid met ingang van 2015 niet langer vanuit de contractteerruimte betaald, maar vanuit een aparte subsidieregeling.

             
Overige binnen contracteerruimte (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

1.334,1

133,6

139,6

139,6

139,6

139,6

139,6

Mutaties jaarverslag 2014

48,6

           

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

– 4,4

– 5,5

– 6,2

– 6,2

– 6,2

– 6,2

Nieuwe mutaties

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Stand ontwerpbegroting 2016

1.382,7

129,2

134,1

133,4

133,4

133,4

133,4

               

Op deze deelsector worden alle uitgaven binnen de contracteerruimte verantwoord die niet – direct – toe te rekenen zijn aan één van de andere deelsectoren in de Wlz of waarvoor specifiek middelen beschikbaar zijn gesteld. Het gaat bijvoorbeeld om geoormerkte middelen in de aanwijzing budgettair kader Wlz (onder andere de regeling regelvrije zorg).

               

Toelichting nieuwe mutaties

             

N.v.t.

             
Persoonsgebonden budgetten (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

2.421,4

810,0

825,0

826,0

826,0

826,0

826,0

Mutaties jaarverslag 2014

22,6

           

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

 

361,5

374,3

429,0

422,8

422,8

423,3

Nieuwe mutaties

-0,0

23,9

147,2

112,3

112,3

112,3

112,3

Stand ontwerpbegroting 2016

2.444,0

1.195,4

1.346,5

1.367,3

1.361,1

1.361,1

1.361,6

               

Deze deelsector betreft de uitgaven in het kader van de persoonsgebonden budgetten.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Schuif groei van extramurale zorg naar pgb

   

85,0

85,0

85,0

85,0

85,0

Binnen de groep Wlz-indiceerbaren wordt meer dan verwacht gebruik gemaakt van pgb's en minder van extramurale zorg. Met ingang van 2016 wordt de contracteerruimte hiervoor gecorrigeerd en wordt dit bedrag toegevoegd aan het pgb-kader.

             
               

Afvlakkende effect van reeds genomen maatregelen

   

-10,0

-10,0

-10,0

-10,0

-10,0

Er is in de Wlz een aantal maatregelen getroffen die een afvlakkend effect zal hebben op de groei van het aantal budgethouders. Het gaat daarbij om maatregelen in het kader van solide pgb (SVB, CIZ, zorgkantoren, bruteren eigen bijdragen).

             
               

Correctie tbv aansluiten bij pgb-plafond 2016

   

-10,0

-10,0

-10,0

-10,0

-10,0

Met deze mutatie wordt het pgb-kader 2016 in de begroting aangesloten bij de stand in de kaderbrief Wlz van 19 juni 2015. Het verschil van € 10 miljoen wordt in mindering gebracht op de pgb-problematiek.

             
               

Pgb-tekort Wlz wegens hogere toestroom

 

11,0

33,0

       

Als gevolg van een hoger dan verwachte toestroom van budgethouders in de laatste maanden van 2014 en een groter beroep op pgb-middelen door de groep Wlz-indiceerbaren dan verwacht zijn er extra middelen vrijgemaakt voor hogere pgb-uitgaven.

             
               

Compensatie RA-maatregel kern-awbz in 2016

   

1,9

       

Deze mutatie betreft de inzet van enveloppe-middelen 2016 ter compensatie van de regeerakkoord-taakstelling kern-AWBZ in 2016.

             
               

Passend onderwijs

 

12,9

47,3

47,3

47,3

47,3

47,3

Voor kinderen met een zzp-indicatie in de Wlz is dagbesteding standaard in het profiel opgenomen. Hiermee was nog geen rekening gehouden bij de vaststelling van het budgettaire kader voor 2015. In het kader van aangenomen moties van Dik-Faber/Voordewind (TK 31 497, nr 156) en Ypma (nr 164) worden kinderen die met een hoog AWBZ-zzp onder de Wlz vallen nu actief geherindiceerd.

             
Kapitaallasten (nacalculatie) (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

2.118,6

1.355,0

772,0

372,0

0,0

0,0

0,0

Mutaties jaarverslag 2014

64,7

           

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

 

85,1

58,8

32,6

0,0

0,0

0,0

Nieuwe mutaties

0,0

– 6,8

– 29,0

– 12,0

0,0

0,0

0,0

Stand ontwerpbegroting 2016

2.183,3

1.433,4

801,8

392,6

0,0

0,0

0,0

               

Deze deelsector betreft de na te calculeren kapitaallasten van de gebouwen waarin Wlz-zorg met verblijf wordt geleverd.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Extramuraliseren tranche 2016

   

– 24,0

– 12,0

     

Betreft de toedeling van de tranche 2016 van de maatregel extramuraliseren aan de sector, rekening houdend met het ingroeipad (t/m 2018) van de normatieve huisvestingscomponenent (nhc).

             
               

Dekking ophogen budget eerstelijnsverblijf

 

– 6,8

– 5,0

       

Dit betreft het aandeel van de kapitaallasten in de subsidieregeling eerstelijnsverblijf voor de jaren 2015 en 2016. Hiermee was bij de opstelling van de oorspronkelijke raming nog geen rekening gehouden.

             
Beheerskosten (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

222,4

197,1

195,4

195,4

195,4

195,4

195,4

Mutaties jaarverslag 2014

– 6,6

           

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

– 54,7

– 54,7

– 54,7

– 54,7

– 54,7

– 54,7

Nieuwe mutaties

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Stand ontwerpbegroting 2016

215,8

142,4

140,7

140,7

140,7

140,7

140,7

               

Onder deze deelsector vallen de uitvoeringskosten ten laste van de Wlz van zorgkantoren en de kosten van het College Sanering Zorginstellingen.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             

N.v.t.

             
Overig buiten contracteerruimte (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

1.561,0

480,3

477,3

478,3

478,3

478,3

478,3

Mutaties jaarverslag 2014

– 43,6

           

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

 

83,2

– 12,9

– 12,8

– 12,5

– 12,5

– 12,5

Nieuwe mutaties

– 0,0

58,3

171,8

11,3

11,3

11,3

11,3

Stand ontwerpbegroting 2016

1.517,4

621,7

636,2

476,7

477,1

477,1

477,1

               

Op deze deelsector worden de kosten verantwoord van bovenbudgettaire vergoedingen voor individueel aangepaste hulpmiddelen, tandheelkunde Wlz, instellingen voor medisch-specialistische zorg Wlz, overig curatieve zorg Wlz, ADL, extramurale behandeling, zorginfrastructuur, eerstelijnsverblijf, orthocommunicatieve behandeling, innovatie en beschikbaarheidbijdrage opleidingen Wlz.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Toedelen restant volumegroei 2015

 

3,5

3,5

3,5

3,5

3,5

3,5

Betreft het toedelen van de groeiruimte tranche 2015 aan de sector tandheelkundige zorg in de Wlz.

             
               

Orthocommunicatieve behandeling

 

7,8

7,8

7,8

7,8

7,8

7,8

Orthocommunicatieve behandeling wordt om redenen van rechtmatigheid met ingang van 2015 niet langer vanuit de contractteerruimte betaald, maar vanuit een aparte subsidieregeling.

             
               

Ophogen budget eerstelijnsverblijf

 

67,0

         

Het plafond van de subsidieregeling voor eerstelijnsverblijf wordt voor 2015 verhoogd met € 67 miljoen.

             
               

Dekking ophogen budget eerstelijnsverblijf

 

– 20,0

– 20,0

       

De ophoging van het budget voor eerstelijnsverblijf wordt onder andere gedekt door een verlaging van de uitgaven aan extramurale behandeling.

             
               

Uitstel overheveling eerstelijnsverblijf naar 2017

   

180,5

       

De overheveling van het eerstelijnsverblijf van de Wlz naar de Zvw is uitgesteld naar 2017.

             
Nominaal en onverdeeld (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

25,4

212,6

165,3

906,5

1.488,2

2.426,3

2.426,3

Mutaties jaarverslag 2014

– 96,8

           

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

 

– 198,4

– 399,2

– 736,2

– 721,7

– 737,1

– 741,2

Nieuwe mutaties

0,0

– 3,5

752,6

773,4

769,3

776,9

1.876,3

Stand ontwerpbegroting 2016

– 71,3

10,7

518,7

943,7

1.535,8

2.466,2

3.561,4

               

Deze niet-beleidsmatige deelsector heeft een technisch-administratief karakter. Vanuit deze deelsector vinden overboekingen van loon- en prijsbijstellingen naar de loon- en prijsgevoelige deelsectoren binnen de begroting plaats. Ook worden er taakstellingen of extra middelen op deze deelsector geplaatst die nog niet aan de deelsectoren zijn toegedeeld.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Nominaal

             
               

Nominale ontwikkeling

   

34,1

34,9

30,8

33,4

52,8

De raming van de loon- en prijsbijstelling is aangepast op basis van de laatste macro-economische inzichten van het Centraal Planbureau (CPB).

             
               

Beleidsmatige mutaties

             
               

Toedelen restant volumegroei 2015

 

– 3,5

– 3,5

– 3,5

– 3,5

– 3,5

– 3,5

Betreft het toedelen van de groeiruimte tranche 2015 aan de sector tandheelkundige zorg in de Wlz.

             
               

Extramuraliseren tranche 2016

   

504,5

504,5

504,5

504,5

504,5

Deze mutatie betreft de tranche 2016 van het extramuraliseringseffect op de sector verpleging en verzorging, gehandicaptenzorg en kapitaallasten.

             
               

Inzet groeimiddelen tbv pgb-problematiek

   

65,0

65,0

65,0

65,0

65,0

Het pgb groeit harder dan de naturazorg. Daarom wordt € 65 miljoen van de groeimiddelen vanuit de contracteerruimte overgeheveld ter dekking van de pgb-problematiek.

             
               

Afvlakkende effect van reeds genomen maatregelen

   

10,0

10,0

10,0

10,0

10,0

Er is in de Wlz een aantal maatregelen getroffen dat een afvlakkend effect zal hebben op de groei van het aantal budgethouders. Het gaat daarbij om maatregelen in het kader van solide pgb (SVB, CIZ, zorgkantoren, bruteren eigen bijdragen).

             
               

Correctie tbv aansluiten bij pgb-plafond 2016

   

10,0

10,0

10,0

10,0

10,0

Met deze mutatie wordt het pgb-kader 2016 in de begroting aangesloten bij de stand in de kaderbrief Wlz van 19 juni 2015. Het verschil van € 10 miljoen wordt in mindering gebracht op de pgb-problematiek.

             
               

Enveloppe: waardigheid en trots

   

132,5

152,5

152,5

157,5

202,5

Deze mutatie betreft de investering in de kwaliteit van leven in instellingen. Dit betreft een kwaliteitsimpuls voor verpleeghuizen en investeringen in dagactiviteiten. De middelen worden via een ijklijnmutatie naar het Budgettair Kader Zorg overgeheveld.

             
               

Extrapolatie

           

1.035,0

De extrapolatiemutatie betreft de extrapolatie van de groeiruimte Wlz en van de nominale ontwikkeling in 2020.

             
Ontvangsten Wlz (bedragen x € 1 miljoen)
 

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Stand ontwerpbegroting 2015

1.985,0

1.737,3

1.676,0

1.651,9

1.655,2

1.715,0

1.715,0

Mutaties jaarverslag 2014

9,6

           

Mutaties 1e suppletoire begroting 2015

 

154,0

172,0

183,0

185,0

175,0

170,0

Nieuwe mutaties

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

18,4

Stand ontwerpbegroting 2016

1.994,6

1.891,3

1.848,0

1.834,9

1.840,2

1.890,0

1.903,4

               

Betreft de eigen bijdragen die binnen de Wlz verplicht zijn.

               

Toelichting nieuwe mutaties

             
               

Extrapolatie

           

18,4

De extrapolatiemutatie betreft de oploop van de eigen bijdragen Wlz op basis van de verwachte ontwikkeling van het bruto minimumloon in 2020.

             

Noot 1: De vergoeding voor de loon- en prijsbijstelling 2016 is nog niet definitief vastgesteld.

Noot 2: In de wet is ook vastgelegd dat indien de gerealiseerde verhouding niet 1 op 1 is, er een correctie plaatsvindt in volgende jaren. Dit betekent dat als de verhouding van de gerealiseerde inkomsten in enig jaar anders uitvalt dan beoogd (bijvoorbeeld omdat de inkomensafhankelijke bijdrage € 200 miljoen tegenvalt), er in een volgend jaar allereerst weer wordt uitgegaan van een 50/50-verdeling (waardoor de inkomensafhankelijke bijdrage € 200 miljoen meer stijgt dan de nominale premie), maar daarnaast in vier jaar de «fout» van € 200 miljoen wordt weggewerkt door de inkomensafhankelijke bijdrage € 50 miljoen hoger vast te stellen dan het nominale deel.

Noot 3: Veel cijfers in deze paragraaf worden vertekend door zogenaamde DBC-hobbels. Verzekeraars dienen de schade in jaar t+1 die hoort bij DBC’s geopend in jaar t in jaar t te verantwoorden, terwijl bij verrichtingenfinanciering de schade uit jaar t+1 gewoon op jaar t+1 drukt. De overgang van verrichtingenfinanciering naar DBC’s leidt dus tot hogere schade; het verkorten van de DBC-duur leidt tot lagere schade. Het betreft echter geen echte extra schade, maar een schadelastverschuiving, die ook geen invloed heeft op de feitelijke inkomsten van zorgaanbieders. Deze schadelastverschuiving hangt ook niet samen met meer of minder geleverde zorg. Daarom zijn DBC-hobbels niet relevant voor het BKZ en het EMU-saldo. Om te voorkomen dat de niet-relevante schadelastverschuiving leidt tot effecten op de nominale premie, wordt de schadelastverschuiving volledig opgevangen via de vereveningsbijdrage. Om te voorkomen dat de vermogenseffecten van de niet-relevante DBC-hobbels bij het naar nul brengen van het vermogen van het Zorgverzekeringsfonds tot premie-effecten leiden, wordt dit effect via bijstellingen van het normvermogen gecompenseerd. Om een zuiver zicht te krijgen op de echte ontwikkelingen is in de tabellen 15 en 16 gecorrigeerd voor DBC-hobbels. Er doen zich DBC-hobbels voor in 2008 (stijging schadelast door introductie DBC’s bij de curatieve ggz), in 2013 (stijging schadelast door introductie van DBC’s in de geriatrische revalidatiezorg), in 2014 (daling schadelast door de overheveling van de jeugd-ggz en daarmee de beëindiging van DBC’s) en in 2015 (daling schadelast door verkorting van de DBC-duur).

Noot 4: Voor 2015 en 2014 is de reserveopbouw bij verzekeraars technisch bepaald als het saldo van de in deze begroting geraamde inkomsten van verzekeraars uit nominale premie, eigen betalingen en de vereveningsbijdrage enerzijds en de in deze begroting geraamde uitgaven van verzekeraars anderzijds.

Noot 5: In 2014 is in deze post een correctie verwerkt in verband met de verwerking in 2014 door het CBS van uitgaven 2013 om uit te komen om het saldo van het Zorgverzekeringsfonds te laten aansluiten op de officiële cijfers cf de Brusselse definitie.

Noot 6: Over de jaren 2006 tot en met 2015 heeft de IAB naar huidige inschatting € 3,7 miljard meer opgeleverd dan de nominale inkomsten. Deze € 3,7 miljard dient in vier jaar te worden gecorrigeerd. Daarom wordt de IAB in 2016 € 0,9 miljard lager vastgesteld dan de raming van de nominale inkomsten. Dit vergt een verlaging van de IAB met € 0,45 miljard en een stijging van de nominale inkomsten met eveneens € 0,45 miljard. Daarenboven dienen de nominale premie en de IAB beide € 0,8 miljard te stijgen als bijdrage in de totale uit premies te financieren kosten.

Noot 7: Zie voetnoot 4.

Noot 8: De hoogte van het normvermogen resulteert uit het cumulatieve effect van de DBC-hobbels. Dit betreft het gevolg van de introductie van DBC’s in de GGZ in 2008 (– € 1.637 miljoen), de introductie van DBC’s in de geriatrische revalidatie in 2013 (– € 83 miljoen), het afschaffen van DBC’s in de jeugd-ggz bij overheveling naar de gemeenten in 2014 (+ € 346 miljoen). Cumulatief is dit – € 1.373 miljoen; het normvermogen in 2014. In 2015 stijgt het normvermogen met € 685 miljoen vanwege de DBC-duurverkorting.

Noot 9: Geneesmiddelen worden meer dan andere zorgvormen gebruikt door personen die hun eigen risico nog niet vol gemaakt hebben. Een daling van de geneesmiddelenuitgaven leidt daarom tot een relatief forse daling van de opbrengst van het eigen risico.

Noot 10: Zie voetnoot 4.

Noot 11: De daling van de opslagpremie is het saldo van lagere beheerskosten/exploitatiesaldi bij verzekeraars (– € 0,7 miljard) en het wegvallen in 2016 van het deel van de meevaller bij de zorguitgaven dat in 2015 toevalt aan de verzekeraars (€ 0,6 miljard). De stijging van de rekenpremie is het saldo van de stijging van de nominale premie (€ 1,2 miljard; zie voetnoot 5) en de daling van de opslagpremie (-€ 0,1 miljard).

Noot 12: De uitgavenmeevaller en de grotere inzet van reserves hebben een afwijkend effect op reken- en opslagpremie. Als de grotere inzet van reserves in 2015 was verwerkt in de begroting 2015, dan zou deze net als nu is gebeurd voor 100% zijn neergeslagen in de opslagpremie. Er zou dan echter ook een hogere rekenpremie zijn vastgesteld (die de bijdrage aan verzekeraars zou drukken en daarmee een IAB-verlaging mogelijk zou maken). De hogere rekenpremie moet nu nog worden verwerkt. Als de uitgavenmeevaller al in de begroting bekend zou zijn geweest, dan zou deze hebben geleid tot een daling van de rekenpremie en de IAB, maar niet tot een effect op de opslagpremie. De meevaller is nu juist volledig verwerkt in een lagere opslagpremie. Via een hogere opslagpremie en een lagere rekenpremie wordt dit effect nu gecorrigeerd. Per saldo leidt de 50/50 correctie dus vooral tot een hogere opslagpremie.

Noot 13: Er geldt niet één percentage over het gehele inkomen. Elk huishouden dient een percentage van het minimumloon bij te dragen en huishoudens met een inkomen boven het minimumloon, dienen daarenboven nog een (ander) percentage van hun inkomen boven het minimumloon bij te dragen, Als de standaardpremie hoger is dan het bedrag dat het huishouden dient bij te dragen, wordt het verschil gecompenseerd via de zorgtoeslag.

Noot 14: Het bedrag bij belastingen in figuur 6 is anders berekend dan in eerdere begrotingen. In eerdere begrotingen werd in belastingen alleen de dekking van de zorgtoeslag en de rijksbijdragen meegenomen. In de begroting 2015 is ook de overheveling naar gemeenten meegenomen. In deze begroting is er voor gekozen om in de post belastingen de dekking mee te nemen van alle begrotingsgefinancierde posten (rijksbijdragen, BIKK, zorgtoeslag, BKZ-relevante uitgaven op de VWS begroting en de Wmo/Jeugd-uitgaven binnen het BKZ). In figuur 6 zijn de Wlz-premies opgenomen die over 2015 respectievelijk 2016 moeten worden betaald, maar deels in latere jaren kasmatig betaald worden. Hiervoor is gekozen, omdat als zou worden aangesloten bij de premies in tabel 17 en 18 nog een aantal jaren AWBZ-premies zouden moeten worden getoond.