Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2017
  • Begrotingsstaat
  • Download PDF

4 Financiering van de zorguitgaven

4.1 Totaalbeeld

Deze paragraaf gaat in op de financiering van de zorguitgaven die toegerekend worden aan het Budgettair Kader Zorg (BKZ). Het grootste deel van de zorguitgaven betreft uitgaven in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz). Een substantieel deel van de zorguitgaven verloopt via de rijksbegroting en wordt gefinancierd via belastinginkomsten. Een uitsplitsing voor het jaar 2017 staat in tabel 9. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de financiering van de Zvw en de Wlz afzonderlijk.

Tabel 9 Financiering bruto BKZ- uitgaven (bedragen x € 1 miljard)
 

2017

Zvw

46,5

w.v. eigen betalingen

(3,2)

Wlz

20,0

w.v. eigen betalingen

(1,8)

Overheid (Arbeidsmarktbeleid/Caribisch Nederland)

0,5

Overheid (Gemeentefonds/Wmo en Jeugdwet)

6,5

Bruto BKZ-uitgaven stand VWS ontwerpbegroting 2016

73,5

Bron: VWS

4.2 De financieringssystematiek

Zorgverzekeringswet (Zvw)

Het overgrote deel van de zorguitgaven in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw) loopt via zorgverzekeraars. Zij betalen zorgaanbieders voor de zorg die is geleverd aan hun verzekerden. Een beperkt deel van de zorguitgaven wordt rechtstreeks aan zorgaanbieders betaald vanuit het Zorgverzekeringsfonds (ZVF). Dit betreft vooral de beschikbaarheidbijdragen. Het gaat daarbij om zorgprestaties waarvoor het niet mogelijk en/of wenselijk is de kosten aan individuele verzekerden toe te rekenen. De grootste beschikbaarheidbijdragen zijn die voor opleidingen en de zogenaamde academische component. Daarnaast gaat het om enkele kleinere bijdragen zoals voor brandwondenzorg, traumazorg, spoedeisende zorg en een deel van de kapitaallasten. Naast de beschikbaarheidbijdragen wordt vanuit het Zorgverzekeringsfonds ook een deel van de grensoverschrijdende zorg betaald.

Figuur 4: Financieringsstromen Zvw

Ter financiering van de uitgaven ontvangen zorgverzekeraars van hun verzekerden een nominale premie en het eigen risico. Daarnaast ontvangt elke zorgverzekeraar een vereveningsbijdrage uit het ZVF. Dit bedrag houdt rekening met het risicoprofiel van de verzekerdenpopulatie van iedere zorgverzekeraar en met het eigen risico dat hij ontvangt en zorgt zodoende voor een gelijk speelveld voor zorgverzekeraars. Dat is nodig omdat verzekeraars zich moeten houden aan de wettelijke acceptatieplicht van verzekerden. Ook ontvangen zorgverzekeraars uit het ZVF een vergoeding voor de beheerskosten voor verzekerde kinderen in hun bestand.

De nominale premie bestaat uit twee delen. Het eerste deel is een door VWS vastgestelde rekenpremie die voor alle verzekeraars hetzelfde is. Samen met de opbrengsten uit eigen betalingen en de bijdrage die zorgverzekeraars uit het fonds krijgen, kunnen zij hier in de optiek van VWS hun zorguitgaven mee betalen. Daarnaast bevat de nominale premie een opslagpremie, die verzekeraars zelf vaststellen en dus per verzekeraar verschilt. Zorgverzekeraars moeten uit hun inkomsten ook hun beheerskosten dekken. Verder moeten zij reserves opbouwen om zeker te stellen dat zij altijd aan hun verplichtingen kunnen voldoen. De Nederlandsche Bank (DNB) stelt minimumeisen aan deze reserves. Zorgverzekeraars kunnen de beheerskosten en de reserveopbouw financieren door middel van die opslagpremie. In de opslagpremie kunnen zorgverzekeraars ook winsten en verliezen uit het verleden, afwijkende inschattingen ten aanzien van de zorguitgaven of risico-opslagen verwerken. Door verschillen in de opslagpremie concurreren verzekeraars met elkaar om verzekerden, die jaarlijks kunnen overstappen naar een andere verzekeraar.

Het ZVF ontvangt ter financiering van zijn uitgaven de inkomensafhankelijke bijdrage (IAB) en een rijksbijdrage kinderen. In verband met de overhevelingen van AWBZ naar Zvw is besloten tot een tijdelijke rijksbijdrage HLZ, die voorkwam dat zowel de nominale premie als de IAB in 2015 fors moesten stijgen. Deze tijdelijke rijksbijdrage loopt in vier jaar geleidelijk af naar nul. Het ZVF ontvangt verder de premievervangende bijdrage van verdragsgerechtigden en rente. Vanuit het fonds worden zorgverzekeraars gecompenseerd voor derving van inkomsten als gevolg van wanbetaling bij de nominale premie. Ook worden uit het fonds kosten betaald in het kader van de regeling onverzekerden. In de Zvw is geregeld dat het ZVF niet structureel mag werken met tekorten of overschotten. Daarom dient een gebleken negatief vermogen snel te worden weggewerkt via meer dan lastendekkende premies en een positief vermogen via minder dan lastendekkende premies.

De overheid verstrekt een rijksbijdrage kinderen aan het ZVF. Deze bijdrage maakt het mogelijk dat bij kinderen tot 18 jaar geen nominale premie in rekening hoeft te worden gebracht. De overheid betaalt daarnaast zorgtoeslag aan huishoudens met lage inkomens en middeninkomens ter gedeeltelijke compensatie van de nominale premie en het eigen risico. De rijksbijdrage kinderen en de zorgtoeslag worden betaald uit belastinginkomsten.

De zorgtoeslag waarborgt dat geen enkel huishouden een groter deel van zijn inkomen aan ziektekostenpremie hoeft te betalen dan wat op grond van de wet als aanvaardbaar wordt beschouwd. De lasten die daarboven uitstijgen komen in aanmerking voor compensatie via de zorgtoeslag. Daarbij is de zogenaamde standaardpremie maatgevend en niet de feitelijke, door de individuele burger betaalde premies. De standaardpremie is bepaald als het gemiddelde van de premies die worden betaald in de markt, vermeerderd met het gemiddelde bedrag dat een verzekerde aan eigen risico betaalt. De zorgtoeslag maakt geen onderdeel uit van het uitgavenkader, maar telt net als de zorgpremies mee in het inkomstenkader. Dat betekent dat het kabinet een hogere zorgtoeslag beschouwt als een vorm van lastenverlichting.

Uiteindelijk worden alle collectieve zorguitgaven betaald door burgers en bedrijven via de nominale premie, de inkomensafhankelijke bijdrage, eigen betalingen en belastingen. In de Zvw is vastgelegd dat evenveel inkomsten worden gegenereerd via de inkomensafhankelijke bijdrage als via de nominale premie, de eigen betalingen en de rijksbijdrage kinderen samen (de 50/50-verdeling). De 50/50-verdeling impliceert dat uitgavenstijgingen bij verzekeraars voor 50% moeten worden gedekt uit de IAB. Dat wordt bereikt door de bijdrage uit het fonds aan verzekeraars te verhogen. Omgekeerd dient een stijging van de rechtstreekse uitgaven van het fonds voor de helft te worden opgevangen via nominale premies. Dat wordt bereikt door de bijdrage voor de zorgverzekeraars te verlagen.3

De Wet langdurige zorg (Wlz)

Het overgrote deel van de zorguitgaven in het kader van de Wlz loopt in opdracht van zorgkantoren via het CAK naar zorgaanbieders. De uitzondering hierop vormen persoonsgebonden budgetten (pgb’s). Daarbij wordt geld door de SVB overgemaakt naar zorgverleners in opdracht van burgers die zelf zorg inkopen (trekkingsrechten). De benodigde middelen komen uit het Fonds langdurige zorg (Flz).

Het Flz ontvangt ter financiering van zijn uitgaven (via de belastingdienst) de Wlz-premie. De Wlz-premie wordt geheven als percentage over het inkomen in de eerste en tweede belastingschijf, na aftrek van een deel van de heffingskortingen. Deze heffingskortingen (die bestaan sinds de belastingherziening 2001) beperken voor burgers de te betalen loon- en inkomstenheffing. Ze beperken dus zowel de te betalen inkomsten- en loonbelasting als de te betalen premies volksverzekeringen (Wlz, AOW en ANW). Voor 2001 waren er aftrekposten die zwaarder drukten op de belastingen en minder op de premies volksverzekeringen. Het Flz ontvangt voorts van de overheid een bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK). Via deze bijdrage wordt het Flz gecompenseerd voor het drukkend effect op de Wlz-premies dat uitgaat van de belastingherziening 2001. Het Flz ontvangt daarnaast van burgers (via het CAK) de eigen bijdrage Wlz en betaalt rente aan de overheid.

In de Wlz wordt gestreefd naar een binnen een kabinetsperiode constante lastendekkende premie. In augustus 2014 is besloten tot een Wlz-premie van 9,65% voor deze kabinetsperiode, omdat bij die premie op basis van de toenmalige ramingen een vermogen van circa nul in 2017 resulteerde. Op basis van de actuele ramingen lijkt en per ultimo 2017 toch een tekort te resulteren.

Figuur 5: Financieringsstromen Wlz

4.3 De financiering in 2017

4.3.1 Zorgverzekeringswet (Zvw)

Tabel 10 geeft een overzicht van de uitgaven en inkomsten uit hoofde van de Zorgverzekeringswet (Zvw)4.

De ontwikkelingen bij de financiering van de Zvw in 2017 worden gedomineerd door vier zaken:

  • –  De (in historisch perspectief) lage groei van de zorguitgaven. Deze leidt tot een beperkte premiestijging en het niet oplopen van het eigen risico.
  • –  De afbouw van de rijksbijdrage die in 2015 is geïntroduceerd om de premiegevolgen van de overheveling geleidelijk te laten verlopen. Hierdoor stijgen de premies.
  • –  De lage vaststelling van de nominale premie 2016 door verzekeraars. Hierdoor is de beoogde 50/50-verhouding tussen nominale premie en inkomensafhankelijke bijdrage (IAB) niet gerealiseerd. In 2017 moet deze 50/50-verhouding worden hersteld, waardoor de nominale premie meer moet stijgen dan de IAB.
  • –  De veronderstelde afbouw van reserves door verzekeraars. Dit drukt de premiestijging.

De Zvw-uitgaven vallend onder het BKZ worden voor 2017 geraamd op € 46,5 miljard; een groei van € 1,5 miljard ten opzichte van de uitgaven in 2016. De ontwikkeling van de Zvw-uitgaven wordt elders in dit Financieel Beeld Zorg toegelicht. De groei van de Zvw-uitgaven betreft vooral groei bij de zorguitgaven van zorgverzekeraars. Deze stijgen met € 1,4 miljard van 2016 naar 2017. De rechtstreekse betalingen vanuit het Zorgverzekeringsfonds (beschikbaarheidbijdragen en uitgaven in het kader van internationale verdragen) groeien naar verwachting met € 0,1 miljard.

Bij de beheerskosten en reserveopbouw van zorgverzekeraars wordt een daling van € 0,3 miljard verwacht ten opzichte van de raming voor 2016. Deze daling wordt deels veroorzaakt doordat de beheerskosten van zorgverzekeraars naar huidige inschatting lager uitkomen. Daarnaast zullen zorgverzekeraars in 2017 naar verwachting meer interen op hun reserves dan dat zij in 2016 deden5. Ondanks dat zorgverzekeraars in 2016 middelen hebben ingezet ter verlaging van de premie beschikken zorgverzekeraars naar verwachting nog over voldoende reserves om ook de premieontwikkeling 2017 te mitigeren. Verondersteld wordt dat zorgverzekeraars in 2017 een significant deel van de overreserves gaan teruggeven (€ 2,0 miljard). Bij de raming van de premie is ervan uitgegaan dat zorgverzekeraars via een geleidelijke afbouw van de reserves inzetten op een stabiele premieontwikkeling. De verwachting is dat de solvabiliteitsratio van zorgverzekeraars – de verhouding tussen aanwezige solvabiliteit en minimaal vereiste solvabiliteit – weliswaar zal dalen, maar dat zij wel boven de minimale wettelijke eis zullen blijven.

De overige baten van het ZVF (rentebaten, bijdragen van verdragsgerechtigden, kosten en opbrengsten wanbetalers en onverzekerden) zijn vrijwel constant.

Naar huidige inschatting zal het Zorgverzekeringsfonds per ultimo 2016 een vermogenssaldo van € 0,2 miljard hebben. Er dient in 2017 dus een overschot van € 0,2 miljard te worden weggewerkt.

De hierboven beschreven ontwikkeling van lasten, saldo en overige baten leidt ertoe dat er in 2017 € 45,3 miljard aan premies, rijksbijdragen en eigen betalingen nodig zijn; dit is € 0,4 meer dan in 2016. Van de € 45,3 miljard wordt € 0,9 miljard opgevangen door de rijksbijdrage HLZ. De resterende € 44,4 miljard wordt door de inkomensafhankelijke bijdragen, de nominale premie, de rijksbijdrage kinderen en de eigen betalingen gefinancierd zoals weergegeven in tabel 10. De ontwikkelingen daarbij worden later in deze paragraaf toegelicht.

Tabel 10 Financiering Zvw (bedragen x € 1 miljard)
 

2015

2016

2017

Uitgaven ten laste van de macropremielast

     

Zorguitgaven zorgverzekeraars

41,1

42,5

43,9

Rechtstreekse uitgaven Zorgverzekeringsfonds

2,3

2,5

2,5

BKZ-relevante uitgaven

43,4

45,0

46,5

Beheerskosten/reserveopbouw zorgverzekeraars

0,6

– 0,7

– 1,0

Overige baten zorgverzekeringsfonds4

0,0

0,0

0,0

Saldo Zorgverzekeringsfonds

0,2

0,7

– 0,2

Totaal te financieren

44,3

44,9

45,3

Rijksbijdrage HLZ

– 1,8

– 1,4

– 0,9

Te financieren uit premies /eigen betalingen

42,5

43,6

44,4

       

Financiering

     

Inkomensafhankelijke bijdrage

21,2

21,6

21,8

Nominale premie

15,5

16,3

16,9

Rijksbijdrage kinderen

2,5

2,5

2,5

Eigen betalingen

3,2

3,2

3,2

Totaal

42,5

43,6

44,4

Bron: VWS. De meeste cijfers in de kolom 2015 zijn afkomstig van of afgeleid van informatie van het Zorginstituut Nederland (ZiNL). De rechtstreekse uitgaven van het ZVF en het cijfer voor de zorguitgaven van zorgverzekeraars (voor alle sectoren behalve ziekenhuizen) zijn gebaseerd op ZiNL-informatie van juni 2016. Voor de ziekenhuizen is het cijfer deels gebaseerd op ZiNL- en deels op NZa-informatie. De nominale premie en de inkomensafhankelijke bijdrage zijn overgenomen van het CPB. De rijksbijdrage is gebaseerd op het VWS-jaarverslag en komt overeen met ZiNL-informatie van maart. Dit laatste geldt ook deels voor de post overige baten (rentebaten, wanbetalers, onverzekerden, verdragsgerechtigden). Deels is hierbij aangesloten bij het jaarverslag uitvoeringstaken van het ZiNL. De post beheerskosten/reserveopbouw zorgverzekeraars is het saldo van de nominale premies, eigen betalingen en de bijdrage aan verzekeraars uit het fonds enerzijds en de geraamde zorguitgaven van zorgverzekeraars anderzijds (toevoegingen en onttrekkingen aan reserves worden in deze post meegenomen).

Het Zorgverzekeringsfonds (ZVF)

In tabel 11 staan de uitgaven en inkomsten van het ZVF en de individuele zorgverzekeraars. Hierin staan de posten uit tabel 10, maar daarnaast betalingen van het fonds aan de zorgverzekeraars.

Tabel 11 Exploitatie en premiestelling Zvw (bedragen x € 1 miljoen)
 

2015

2016

2017

ZVF

     

Uitgaven

25.282,1

24.821,1

25.323,1

– Uitkering aan zorgverzekeraars voor zorg

22.824,3

22.218,7

22.669,8

– Uitkering voor beheerskosten kinderen

153,3

143,9

138,5

– Rechtstreekse uitgaven ZVF

2.304,5

2.458,4

2.514,8

       

Inkomsten

25.516,8

25.481,7

25.167,6

– Inkomensafhankelijke bijdrage

21.238,0

21.620,9

21.776,0

– Rijksbijdrage kinderen

2.470,8

2.508,7

2.490,5

– Rijksbijdrage HLZ

1.804,0

1.353,0

902,0

– Overige baten

4,0

– 0,9

– 0,9

     

Exploitatiesaldo

234,7

660,6

– 155,5

Idem, niet gecorrigeerd voor DBC-hobbels

919,2

660,6

– 155,5

       

Vermogen ZVF

– 1.191,1

– 530,5

– 686,0

Vermogensnorm

– 689,0

– 689,0

– 689,0

Vermogenssaldo ZVF

– 502,0

158,6

3,1

INDIVIDUELE VERZEKERAARS

     

Uitgaven

41.742,6

41.812,7

42.937,5

– Zorg

41.115,2

42.517,1

43.941,4

– Beheerskosten/exploitatiesaldi

627,3

– 704,4

– 1003,9

       

Inkomsten

41.742,6

41.812,7

42.937,5

– Uitkering van ZVF voor zorg

22.824,3

22.218,7

22.669,8

– Uitkering van ZVF voor beheerskosten kinderen

153,3

143,9

138,5

– Nominale rekenpremie

16.057,5

17.461,9

18.095,9

– Nominale opslagpremie

– 510,2

– 1.206,6

– 1.153,8

– Eigen risico

3.190,7

3.194,8

3.187,1

– Overige baten

27,0

– 

– 

De grootste uitgavenpost van het Zorgverzekeringsfonds is de vereveningsbijdrage; de bijdrage aan de verzekeraars ter gedeeltelijke dekking van de zorgkosten. Deze bijdrage resulteert uit toepassing van de 50/50-regel. Die regel bepaalt – gegeven de totale lasten en gegeven de ontwikkeling van het eigen risico en de rijksbijdrage – hoe de inkomensafhankelijke bijdrage en de nominale premie zich moeten ontwikkelen. Daaruit volgt voor 2017 een stijging van de opbrengst van de nominale premie met € 0,7 miljard6. Gegeven de geraamde ontwikkeling van de zorguitgaven van verzekeraars, eigen betalingen, beheerskosten en reserveafbouw van verzekeraars, wordt dit mogelijk via een stijging van de bijdrage uit het ZVF aan de zorgverzekeraars voor zorg met € 0,5 miljard7.

De inkomsten van het ZVF bestaan vooral uit de inkomensafhankelijke bijdrage en de rijksbijdrage ter dekking van de fictieve premielast van kinderen tot 18 jaar. Sinds 2015 is er daarnaast een tijdelijke rijksbijdrage HLZ. Via deze rijksbijdrage worden de per saldo resulterende gevolgen van de overheveling van AWBZ-uitgaven naar de Zvw en de overheveling van de jeugd-ggz van de Zvw naar de gemeenten op de premies gecompenseerd. In 2017 is de compensatie 40% en in 2018 wordt deze 20%.

De inkomensafhankelijke bijdrage stijgt van 2016 naar 2017 met € 0,2 miljard. Dit is het saldo van twee ontwikkelingen. De IAB stijgt met € 0,4 miljard vanwege de stijging van de in tabel 10 gepresenteerde totale uit premies te financieren kosten van 2015 op 2016 van € 0,8 miljard. Daar tegenover staat een daling van € 0,3 miljard als gevolg van een verschuiving binnen de lasten op grond van de 50/50-regel8. De rijksbijdrage voor kinderen daalt marginaal. Deze volgt de ontwikkeling van het aantal kinderen en de ontwikkeling van de geraamde nominale premie plus eigen betalingen. Zorgverzekeraars ontvangen uit het ZVF een vergoeding voor de beheerskosten van verzekerde kinderen die afhankelijk is van het aantal verzekerde kinderen. Via het ZVF lopen ook de overige baten (rentebaten, premievervangende bijdragen verdragsgerechtigden, kosten en opbrengsten wanbetalers en kosten en opbrengsten onverzekerden). Deze worden bij de inkomsten geboekt omdat ze niet relevant zijn voor het BKZ.
Zowel het feitelijk vermogen als het vermogenssaldo9 van het Zorgverzekeringsfonds groeien van 2015 op 2016 met € 0,7 miljard. Omdat het Zorgverzekeringsfonds per ultimo 2016 een vermogenssaldo van € 0,2 miljard heeft, dient dit overschot in 2017 te worden weggewerkt. Dat gebeurt via een negatief saldo in 2017.

De individuele verzekeraars

De uitgaven van de zorgverzekeraars bestaan uit de uitgaven aan zorg en de beheerskosten/reserveopbouw. De ontwikkeling hiervan is hiervoor toegelicht. Dat geldt ook voor de bijdrage die zorgverzekeraars ontvangen uit het ZVF ter gedeeltelijke dekking van de zorgkosten die zij moeten betalen. Zorgverzekeraars ontvangen ook het eigen risico van hun verzekerden. De opbrengst van het eigen risico blijft vrijwel gelijk van 2016 op 2017 omdat de indexering van het eigen risico niet leidt tot een bijstelling10.
De totale geraamde nominale premie stijgt van 2016 op 2017 met € 0,7 miljard11. Deze stijging betreft een stijging van € 0,6 miljard bij de rekenpremie en van € 0,1 miljard bij de opslagpremie12.

De nominale premies en inkomensafhankelijke bijdragen

Hiervoor is toegelicht hoe de uitgaven en inkomsten zich op macroniveau naar huidig inzicht ontwikkelen tussen 2016 en 2017. Daarbij wordt rekening gehouden met de huidige inzichten voor 2016. Die waren nog niet bekend toen de premies 2016 werden vastgesteld. Bij het verklaren van de premiestijging van 2016 naar 2017 op microniveau moet het huidige beeld 2017 worden vergeleken met het beeld 2016 ten tijde van de premievaststelling. Dat is bij de rekenpremie en de inkomensafhankelijke bijdrage de begroting 2016 en bij de opslagpremie de premiestelling door verzekeraars in het najaar van 2015. De opslagpremie is door de verzekeraars € 42 lager vastgesteld dan geraamd in de begroting. Verzekeraars waren daartoe in staat omdat ze uitgingen van lagere zorguitgaven, een grotere reserveafbouw en hogere overige kosten.

De inkomensafhankelijke bijdrage daalt van 6,75% in 2016 naar 6,65% in 2017. Bij de nominale premie wordt een stijging geraamd van € 42; van gemiddeld € 1.199 in 2016 naar gemiddeld € 1.241 in 2017. Voor deze bijstelling is een aantal oorzaken te benoemen.

Tabel 12 Oorzaken premieontwikkeling 2017 (in euro’s (nominale premie) en procentpunten (IAB))
 

IAB

Reken-premie

Opslag- premie

Nominale premie

Premies in 2016

6,75%

1.288

– 89

1.199

a. Groei zorguitgaven

– 0,01%

+27

+27

b. Saldo Zorgverzekeringsfonds

– 0,02%

– 6

– 6

c. Reserveontwikkeling verzekeraars

– 0,02%

+5

– 9

– 4

d. Afbouw rijksbijdrage HLZ

0,07%

+17

+17

e. Rechttrekken 50/50-verhouding

– 0,11%

– 14

34

+20

f. Overige kosten verzekeraars

– 0,01%

+10

– 21

– 11

g. Overig en afronding

+0,00%

– 1

– 1

Totaal

– 0,10%

38

+4

42

Premies in 2017

6,65%

1.326

– 85

1.241

  • a. 

    Groei zorguitgaven

    De zorguitgaven komen naar huidige inschatting € 1,1 miljard hoger uit in 2017 dan volgens de raming 2016 van verzekeraars toen zij de premie 2016 bepaalden. Deze uitgavenstijging leidt – als ook rekening wordt gehouden met de stijging van het aantal verzekerden en de ontwikkeling van de eigen betalingen – tot een stijging van de nominale premie met € 27. De uitgavenstijging leidt ook tot een stijging van de noodzakelijke IAB-opbrengsten. Die komt, rekening houdend met de flinke toename van de IAB-grondslag, tot een daling van de inkomensafhankelijke bijdrage met 0,01 procentpunt.

  • b. 

    Saldo Zorgverzekeringsfonds

    Voor 2017 wordt gerekend met een saldo van – € 0,2 miljard om een overschot weg te werken. Bij de premiestelling 2016 is gerekend met een saldo van nul. Dit impliceert een daling van het beoogde exploitatiesaldo in het ZVF met € 0,2 miljard. Dit leidt tot een daling van de nominale premie met € 6 en tot een daling van de inkomensafhankelijke bijdrage met 0,02 procentpunt.

  • c. 

    Reserveontwikkeling verzekeraars

    Voor 2017 wordt gerekend met een afbouw van reserves van € 2,0 miljard. Dit is € 0,1 miljard meer dan de reserveafbouw waarvan verzekeraars uitgingen bij hun premiestelling 2016. De grotere reserveafbouw dan in 2016 werkt volledig door in lagere opslagpremies, die daardoor kunnen dalen met € 9. Omdat de reserveopbouw deel uit maakt van de totale uit premies te financieren last, dient de lagere reserveopbouw voor de helft neer te slaan in een lagere IAB en voor de helft in een lagere nominale premie. Dat gebeurt door de rekenpremie te verhogen (met € 5), waardoor de bijdrage aan verzekeraars daalt en een daling van de IAB met 0,02 procentpunt mogelijk wordt. De totale nominale premie daalt daarom met € 4 als gevolg van de reserveontwikkeling (€ 9 – € 5).

  • d. 

    Afbouw rijksbijdrage HLZ

    De overheveling van AWBZ-uitgaven naar de Zvw wordt deels gedekt via een tijdelijke rijksbijdrage HLZ die in vier jaar geleidelijk afloopt. Deze rijksbijdrage bedraagt € 1,4 miljard in 2016 en € 0,9 miljard in 2017. De daling van deze rijksbijdrage met € 0,4 miljard leidt tot een stijging van de nominale premie met € 17 en tot een stijging van de IAB met 0,07 procentpunt.

  • e. 

    Rechttrekken 50/50-verhouding

    De verzekeraars hebben de premie 2016 ruim € 40 lager vastgesteld dan geraamd in de VWS-begroting 2016. Dit was mogelijk omdat zij bij hun premiestelling uitgingen van lagere uitgaven dan waarmee VWS had gerekend en omdat ze meer reserves hebben afgebouwd dan verondersteld in de begroting. Indien in de VWS begroting al gerekend was met de lagere uitgaven en de grotere reserveafbouw, dan zou deze meevaller van € 0,6 miljard 50/50 verdeeld zijn over lagere nominale premie en lagere IAB. De verzekeraars hebben de meevaller geheel ingezet in lagere nominale premies. Die nominale premie is daardoor in 2016 lager uitgekomen dan resulteert uit de 50/50-verhouding. In de raming wordt er van uitgegaan dat in 2017 weer wordt voldaan aan de 50/50-verhouding. Daarnaast dient de «fout» uit het verleden in vier jaar gecompenseerd te worden. Dat leidt tot een stijging van de nominale premie met € 20 en tot een daling van de IAB met 0,11 procentpunt13.
  • f. 

    Overige kosten verzekeraars

    In de premiestelling 2016 hebben de verzekeraars rekening gehouden met € 1,3 miljard als saldo van bedrijfskosten, overige kosten en beleggingen. In de begroting wordt voor het saldo van beheerskosten en beleggingen gerekend met € 1,0 miljard. De daling van € 0,3 miljard leidt tot een daling van de nominale premie van € 11 en een daling van de inkomensafhankelijke bijdrage met circa 0,01 procentpunt.

  • g. 

    Overige posten en afronding

    De ontwikkelingen bij de overige baten van het fonds en de rijksbijdrage voor kinderen leiden tot kleine bijstellingen. Deze effecten plus afrondingsverschillen leiden tot een daling van de nominale premie met € 1.

Tabel 13 Premieoverzicht Zvw1Afgezien van de inkomensafhankelijke bijdrage betreft dit jaarbedragen in euro.
 

2015

2016

2017

Inkomensafhankelijke bijdrage normaal (in %)

6,95

6,75

6,65

Inkomensafhankelijke bijdrage verlaagd (in %)2

4,85

5,50

5,40

Nominale rekenpremie

1.196

1.288

1.326

Nominale opslagpremie (gemiddeld)3

– 38

– 89

– 85

Nominale premie totaal (gemiddeld)3

1.158

1.199

1.241

Nominale premie totaal 18-

0

0

0

Verplicht eigen risico

375

385

385

Standaardpremie3

1.408

1.468

1.482

Maximale zorgtoeslag eenpersoonshuishouden3

942

998

1.018

Maximale zorgtoeslag meerpersoonshuishouden3

1.791

1.905

1.947

Noot 2: De zelfstandigen en gepensioneerden betalen de verlaagde inkomensafhankelijke bijdrage

Noot 3: Het cijfer 2017 betreft een raming.

Bron: VWS

De zorgtoeslag

De Wet op de zorgtoeslag bepaalt dat een huishouden maximaal een bepaald percentage van het inkomen dient bij te dragen aan de nominale premie en het verplicht eigen risico. De hoogte van de zorgtoeslag wordt bepaald door de standaardpremie (de geraamde gemiddelde nominale premie voor een zorgverzekering plus het geraamde gemiddelde te betalen bedrag vanwege het verplicht eigen risico) en het huishoudinkomen van de ontvanger14.

De percentages die bepalen hoeveel een huishouden zelf moet betalen wijzigen in 2017 omdat de zorgtoeslag als een van de middelen is ingezet om te komen tot een evenwichtig koopkrachtbeeld in 2017. Dit heeft er toe geleid dat de normpercentages voor alleenpersoonshuishoudens en meerpersoonshuishoudens beperkt dalen ten opzichte van 2016.

De raming voor de standaardpremie 2017 bedraagt € 1.482. Dit komt overeen met de eerder genoemde raming van de nominale premie van € 1.241 plus het geraamde gemiddelde eigen risico. Per saldo zal door de ontwikkeling van de standaardpremie, de stijging van het wettelijk minimumloon en de hiervoor beschreven bijstellingen van de percentages de premiestijging voor rechthebbenden op zorgtoeslag voor circa 50% worden gecompenseerd via een stijging van de zorgtoeslag.

De Belastingdienst/toeslagen ontvangt – voordat de zorgtoeslag feitelijk wordt uitgekeerd – een geactualiseerde inschatting van de hoogte van de nominale premie nadat de zorgverzekeraars hun premie bekend hebben gemaakt.

4.3.2. Wet Langdurige Zorg (Wlz)

Tabel 14 Exploitatie en premiestelling Wlz (bedragen x € 1 miljoen)
 

2015

2016

2017

FONDS LANGDURIGE ZORG

     

Uitgaven

19.915,9

19.823,4

20.024,0

– Zorguitgaven

19.756,8

19.675,8

19.834,5

– Beheerskosten

159,1

147,6

189,5

       

Inkomsten

20.403,8

19.234,8

19.685,9

– Procentuele premie

15.287,9

14.028,4

14.407,3

– Eigen bijdragen

1.865,9

1.826,1

1.815,3

– BIKK

3.250,0

3.380,4

3.463,3

– Overige baten

0,0

0,0

0,0

       

Exploitatiesaldo

487,9

– 588,6

– 338,1

       

Vermogen Algemeen Fonds

487,9

– 100,7

– 438,7

       

Procentuele premie (in %)

9,65

9,65

9,65

Bron: VWS

De uitgaven in het kader van de Wlz worden gefinancierd uit het Fonds Langdurige Zorg (Flz). Tabel 14 geeft een overzicht van de uitgaven en inkomsten van dit fonds.

De uitgaven in deze tabel komen overeen met de Wlz-uitgaven uit tabel 5.

De inkomsten van het fonds worden gevormd door de premie-inkomsten, de eigen bijdragen en de Bijdrage in de Kosten van Kortingen (BIKK). De Wlz-premie is in de begroting 2015 vastgesteld op 9,65% omdat met dit percentage en de toenmalige ramingen per ultimo 2017 een vermogen van circa nul in het Flz zou ontstaan. Op basis van de huidige ramingen lijkt er per ultimo 2017 toch een tekort te resulteren.

4.4 Wat betaalt de gemiddelde burger aan zorg

Figuur 6 laat zien dat de gemiddelde volwassene in Nederland in 2017 op basis van de ramingen in deze begroting € 5.347 betaalt aan collectief gefinancierde zorg. Dat betreft niet alleen de nominale premie en de eigen betalingen (eigen risico Zvw en eigen bijdragen AWBZ). Een Nederlander betaalt gemiddeld ook een fors bedrag aan Wlz-premie. De inkomensafhankelijke bijdrage wordt voor een beperkt deel rechtstreeks door burgers betaald (gepensioneerden en zelfstandigen) en voor het grootste deel door werkgevers. Dat laatste deel beïnvloedt de loonruimte en is daarom wel meegenomen. Via de zorgtoeslag ontvangt de gemiddelde burger een bedrag ter gedeeltelijke compensatie van de nominale premie en het eigen risico. Als laatste is meegenomen het bedrag dat via belastingen wordt opgebracht ter dekking van de begrotingsgefinancierde zorguitgaven, de rijksbijdragen en de zorgtoeslag.

Het bedrag dat de gemiddelde burger bijdraagt aan de zorg stijgt van 2016 op 2017 met 0,4%. Dit is het saldo van een aantal, deels samenhangende ontwikkelingen. Zo stijgt de nominale premie van 2016 op 2017 omdat de rijksbijdrage HLZ daalt van 2015 op 2016. Die dalende rijksbijdrage leidt ertoe dat er via belasting minder hoeft te worden opgebracht. Daarnaast hangt de stijging van de zorgtoeslag rechtstreeks samen met de stijging van de nominale premie.

De bedragen in de figuur zijn een gemiddelde per volwassene. Sommige mensen betalen meer en anderen betalen minder. Hoeveel iemand precies betaalt is afhankelijk van zijn inkomen (en bij recht op zorgtoeslag ook van het inkomen van zijn partner). Huishoudens met een laag inkomen betalen minder dan € 5.347 per persoon en huishoudens met een hoger inkomen meer, omdat de meeste posten inkomensafhankelijk zijn. Dat is het geval bij de inkomensafhankelijke Wlz-premies, de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (IAB), de inkomensafhankelijke eigen bijdrage Wlz en de belastingen. Omdat huishoudens met een laag of middeninkomen een inkomensafhankelijke zorgtoeslag ontvangen ter compensatie van de nominale premie en het eigen risico, geldt ook bij de nominale premies en het eigen risico dat de nettolast hiervan in samenhang met de zorgtoeslag toeneemt met het inkomen.

Figuur 6: Lasten per volwassene aan zorg in 2016 en 2017 (in euro’s per jaar)

Noot 3: In de wet is ook vastgelegd dat indien de gerealiseerde verhouding niet 1 op 1 is, er een correctie plaatsvindt in volgende jaren. Dit betekent dat als de verhouding van de gerealiseerde inkomsten in enig jaar anders uitvalt dan beoogd (bijvoorbeeld omdat de inkomensafhankelijke bijdrage € 200 miljoen tegenvalt), er in een volgend jaar allereerst weer wordt uitgegaan van een 50/50-verdeling (waardoor de inkomensafhankelijke bijdrage € 200 miljoen meer stijgt dan de nominale premie), maar daarnaast in vier jaar de «fout» van € 200 miljoen wordt weggewerkt door de inkomensafhankelijke bijdrage € 50 miljoen hoger vast te stellen dan het nominale deel.

Noot 4: Enkele cijfers in deze paragraaf worden vertekend door zogenaamde DBC-hobbels. Verzekeraars dienen de schade in jaar t+1 die hoort bij DBC’s geopend in jaar t in jaar t te verantwoorden, terwijl bij verrichtingenfinanciering de schade uit jaar t+1 op jaar t+1 drukt. De overgang van verrichtingenfinanciering naar DBC’s leidt dus tot hogere schade; het verkorten van de dbc-duur leidt tot lagere schade. Het betreft echter geen echte extra schade, maar een schadelastverschuiving, die ook geen invloed heeft op de feitelijke inkomsten van zorgaanbieders. Deze schadelastverschuiving hangt ook niet samen met meer of minder geleverde zorg. Daarom zijn DBC-hobbels niet relevant voor het BKZ en het EMU-saldo. Om te voorkomen dat de niet-relevante schadelastverschuiving leidt tot effecten op de nominale premie, wordt de schadelastverschuiving volledig opgevangen via de vereveningsbijdrage. Om te voorkomen dat de vermogenseffecten van de niet-relevante DBC-hobbels bij het naar nul brengen van het vermogen van het zorgverzekeringsfonds tot premie-effecten leiden, wordt dit effect via bijstellingen van het normvermogen gecompenseerd. Om een zuiver zicht te krijgen op de echte ontwikkelingen is in de tabellen 10 en 11 gecorrigeerd voor DBC-hobbels. Er dedn zich DBC-hobbels voor in 2008 (stijging schadelast door introductie DBC’s in de curatieve ggz), in 2013 (stijging schadelast door introductie van DBC’s in de geriatrische revalidatiezorg), in 2014 (daling schadelast door de overheveling van de jeugd-ggz en daarmee de beëindiging van DBC’s per eind 2014) en in 2015 (daling schadelast MSZ door verkorting van de DBC-duur).

Noot 5: Voor 2015 en 2016 is de reserveopbouw bij verzekeraars technisch bepaald als het saldo van de in deze begroting geraamde inkomsten van verzekeraars uit nominale premie, eigen betalingen en de vereveningsbijdrage enerzijds en de in deze begroting geraamde uitgaven van verzekeraars anderzijds.

Noot 6: De nominale premie en de IAB dienen beide met € 0,4 miljard te stijgen als bijdrage in de totale uit premies te financieren kosten. Daarnaast dient de nominale premie te stijgen en de IAB te dalen omdat de verzekeraars hun premie 2016 € 0,6 miljard lager hebben vastgesteld dan geraamd in de begroting 2016. Hierdoor is de beoogde 50/50 verdeling in 2016 niet bereikt. Om in 2017 weer op een 50/50 verdeling uit te komen dient de nominale premie € 0,3 miljard te stijgen en de IAB € 0,3 mld te dalen. Daarnaast is er een klein neerwaarts effect op nominale premie en een klein opwaarts effect op de IAB vanwege het corrigeren van de «fout» in de 50/50-verdeling over oude jaren. Over de jaren 2006 tot en met 2016 heeft de IAB naar huidige inschatting € 3,4 miljard meer opgeleverd dan de nominale inkomsten. Deze € 3,4 miljard dient in vier jaar te worden gecorrigeerd. Daarom wordt de IAB in 2017 € 0,8 miljard lager vastgesteld dan de raming van de nominale inkomsten. In de begroting 2016 was deze correctie nog € 0,9 miljard. Per saldo dient de nominale premie hierdoor € 0,7 miljard te stijgen.

Noot 7: In 2017 is de vereveningsbijdrage incidenteel met € 11,5 miljoen verhoogd in verband met de compensatie van verzekeraars voor de zogenaamde 365-dagen problematiek. Dit leidt bij de verzekeraars tot een incidentele verhoging van het saldo van € 11,5 miljoen, naast de reserveafbouw van € 2 miljard.

Noot 8: Zie voetnoot 6.

Noot 9: De hoogte van het normvermogen resulteert uit het cumulatieve effect van de DBC-hobbels. Dit betreft het gevolg van de introductie van DBC’s in de GGZ in 2008 (– € 1.637 miljoen), de introductie van DBC’s in de geriatrische revalidatie in 2013 (– € 83 miljoen), het afschaffen van DBC’s in de jeugd-ggz bij overheveling naar de gemeenten in 2014 (+€ 346 miljoen). Cumulatief is dit – €  1.374 miljoen; het normvermogen in 2014. In 2015 stijgt het normvermogen met € 685 miljoen naar – € 689 miljoen vanwege de DBC-duurverkorting.

Noot 10: Het eigen risico wordt jaarlijks geïndexeerd confrom de stijging van de zorguitgaven. De uitkomst van deze berekening wordt naar beneden afgerond op veelvouden vijf euro. Van 2016 op 2017 is wel sprake van een uitgavenstijging. Die is echter zo klein dat geen stijging van vijf euro wordt bereikt, waardoor het eigen risico op € 385 blijft.

Noot 11: Zie voetnoot 4.

Noot 12: De daling van de opslagpremie is het saldo van lagere beheerskosten/exploitatiesaldi bij verzekeraars (– € 0,3 miljard) en het wegvallen in 2016 van het deel van de meevaller bij de zorguitgaven dat in 2015 toevalt aan de verzekeraars (€ 0,4 miljard). De stijging van de rekenpremie is het saldo van de stijging van de nominale premie (€ 0,7 miljard; zie voetnoot 5) en de daling van de opslagpremie (€ 0,1 miljard).

Noot 13: De uitgavenmeevaller en de grotere inzet van reserves hebben een afwijkend effect op reken- en opslagpremie. Als de grotere inzet van reserves in 2015 was verwerkt in de begroting 2016, dan zou deze net als nu is gebeurd voor 100% zijn neergeslagen in de opslagpremie. Er zou dan echter ook een hogere rekenpremie zijn vastgesteld (die de bijdrage aan verzekeraars zou drukken en daarmee een IAB-verlaging mogelijk zou maken). De hogere rekenpremie moet nu nog worden verwerkt. Als de uitgavenmeevaller al in de begroting bekend zou zijn geweest, dan zou deze hebben geleid tot een daling van de rekenpremie en de IAB, maar niet tot een effect op de opslagpremie. De meevaller is nu juist volledig verwerkt in een lagere opslagpremie. Via een hogere opslagpremie en een lagere rekenpremie wordt dit effect nu gecorrigeerd. Per saldo leidt de 50/50 correctie dus vooral tot een hogere opslagpremie.

Noot 14: Er geldt niet één percentage over het gehele inkomen. Elk huishouden dient een percentage van het minimumloon bij te dragen en huishoudens met een inkomen boven het minimumloon, dienen daarenboven nog een (ander) percentage van hun inkomen boven het minimumloon bij te dragen, Als de standaardpremie hoger is dan het bedrag dat het huishouden dient bij te dragen, wordt het verschil gecompenseerd via de zorgtoeslag.