Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Overige fiscale maatregelen 2018

34786 C VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vergaderjaar 2017-2018

C

Vastgesteld 20 juni 2018

De vaste commissie voor Financiën1 heeft kennisgenomen van het Beleidsbesluit van 29 maart 2018 met betrekking tot huwelijk en schenkbelasting2, waarvan de Staatssecretaris van Financiën op 5 april 2018 een afschrift aan de Eerste Kamer heeft aangeboden.3 Hij heeft hiermee voldaan aan zijn toezegging, gedaan tijdens de plenaire behandeling van het pakket Belastingplan 2018 op 12 december 2017, om dit afschrift aan de Kamer te doen toekomen.4

Naar aanleiding van dit besluit is op 22 mei 2018 een brief gestuurd aan de Staatssecretaris.

De Staatssecretaris heeft op 20 juni 2018 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Financiën,
Van Dooren

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIËN

Aan de Staatssecretaris van Financiën

Den Haag, 22 mei 2018

De vaste commissie voor Financiën heeft met belangstelling kennisgenomen van het Beleidsbesluit van 29 maart 2018 met betrekking tot huwelijk en schenkbelasting5, waarvan u op 5 april 2018 een afschrift aan de Eerste Kamer heeft aangeboden.6 U heeft hiermee voldaan aan uw toezegging, gedaan tijdens de plenaire behandeling van het pakket Belastingplan 2018 op 12 december 2017, om dit afschrift aan de Kamer te doen toekomen.7 De leden van de VVD-fractie hebben naar aanleiding van onderdeel 3.3 van het voornoemde besluit nog enkele opmerkingen en vragen, waarbij de leden van de CDA-fractie en de ChristenUnie-fractie zich aansluiten. De leden van de CDA-fractie maken voorts van de gelegenheid gebruik nog enkele aanvullende vragen aan u voor te leggen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

Ter inleiding merken de leden van de VVD-fractie het volgende op. In zijn arrest8 van 28 januari 1959, overwoog de Hoge Raad voor de situatie van de wijziging van buiten gemeenschap gehuwde echtgenoten tot een algehele gemeenschap van goederen dat dit niet betekent «dat reeds door dit intreden van de gemeenschap zich een eenzijdige waardeverschuiving (...) heeft voltrokken, zoals deze kenmerkend is voor bevoordeling door schenking (...); dat toch, in de eerste plaats, het intreden van der algehele goederengemeenschap een gezamenlijke eigendom tussen de echtgenoten doet ontstaan, waarbij partijen (...) in hun rechten op de gemene goederen gebonden zijn door de regels, die de verhouding der huwelijksgemeenschap beheersen; (...) dat daarom voor de vraag of en in hoeverre door de huwelijksgemeenschap een der echtgenoten ten laste van den ander is bevoordeeld niet beslissend is hetgeen de boedelmenging door en bij het intreden van de gemeenschap tot ogenblikkelijk gevolg heeft, maar wat bij het einde van de huwelijksgemeenschap in verband met het gegeven saldo der vermogensverschuivingen het resultaat voor de dan weer afzonderlijke bestaande vermogens der echtgenoten blijkt te zijn;»
De leden van de VVD-fractie zijn van oordeel dat deze overwegingen van de Hoge Raad niet anders kunnen worden gelezen dan dat een eventuele vermogensverschuiving (schenking) in het voorkomende geval van het overeenkomen van of wijzigen van huwelijksvoorwaarden tussen partners uitsluitend bij echtscheiding en/of overlijden kan worden vastgesteld. Op dat tijdstip kan worden vastgesteld wat van het gemeenschappelijke vermogen van de huwelijksgemeenschap resteert. Wegens het vervroegen van het tijdstip van een eventuele schenking tot het tijdstip van het aangaan van het huwelijk, van huwelijkse voorwaarden of van een samenlevingsovereenkomst (tegenover het tijdstip van beëindiging van de samenleving conform het arrest van de Hoge Raad), zijn de maatregelen van de regering in het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2018 (OFM 2018)9 over het verschuldigd worden van schenkbelasting in de Tweede Kamer gesneuveld, zo stellen de aan het woord zijnde leden.
De leden van de VVD-fractie vragen de regering of zij onderdeel 3.3 van het besluit aldus moeten lezen dat een schenking kan worden vastgesteld op het tijdstip van het aangaan van het huwelijk, van huwelijkse voorwaarden of van een samenlevingsovereenkomst, met een verschuldigdheid worden van de samenhangende schenkbelasting op het latere tijdstip van de beëindiging van de huwelijksgemeenschap door echtscheiding en/of overlijden. Deze leden vragen de regering of aldus bij besluit wordt geregeld wat aan wetgevende maatregelen niet haalbaar bleek op basis van het wetvoorstel OFM 2018. Deze vraag klemt temeer omdat de regering tijdens de behandeling van bedoeld wetsvoorstel in de Eerste Kamer op 12 december 2017 verklaarde dat «(...) een beleidsbesluit naar de aard alleen maar bestaande wetgeving kan uitleggen. We kunnen daar dus niet iets nieuws aan toevoegen. Een beleidsbesluit geeft verduidelijking van bestaande wet- en regelgeving.»10

Is de regering met onderdeel 3.3 van het besluit van oordeel dat arresten van de Hoge Raad geen onderdeel uitmaken van bestaande wet- en regelgeving, zo vragen de leden van de fractie van de VVD. Indien zulks het geval is verzoeken deze leden om een inhoudelijke motivering. Indien het genoemde arrest van de Hoge Raad uit 1959 voor de regering nog steeds als richtsnoer dient vragen deze leden of het besluit een verduidelijking behoeft voor wat betreft het (latere) tijdstip van de beëindiging van de huwelijksgemeenschap door echtscheiding en/of overlijden om een eventuele schenking te kunnen vaststellen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie merken op dat in het beleidsbesluit een goedkeuring voor samenwonenden ontbreekt. Zou u kunnen bevestigen dat in de situatie van een samenlevingscontract met bijvoorbeeld een wederkerig finaal verrekening dezelfde fiscale gevolgen gelden als in een situatie van huwelijkse voorwaarden met een wederkerig finaal verrekenbeding?

De leden van de CDA-fractie dringen erop aan dat het beleidsbesluit ook ziet op situaties waarin er een wijziging van de beperkte gemeenschap van goederen plaatsheeft, zoals tijdens de parlementaire behandeling bedoeld is. Kunt u daar alsnog in voorzien?

De leden van de vaste commissie voor Financiën zien de beantwoording van bovengestelde vragen graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,
F.H.G. de Grave

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 juni 2018

Tijdens een schriftelijk overleg van 22 mei 2018 heeft uw Kamer vragen gesteld over het Beleidsbesluit van 29 maart 2018 met betrekking tot huwelijk en schenkbelasting11, waarvan ik uw Kamer een afschrift heb gestuurd.12 Onderstaand treft u de antwoorden op de vragen uit het schriftelijk overleg aan.
De vaste commissie voor Financiën heeft met belangstelling kennisgenomen van genoemd Beleidsbesluit. De leden van de fractie van de VVD hebben naar aanleiding van onderdeel 3.3 van het voornoemde besluit nog enkele opmerkingen en vragen, waarbij de leden van de fractie van het CDA en de fractie van de ChristenUnie zich aansluiten. Eerstgenoemde leden vragen uitleg over de reikwijdte van onderdeel 3.3 van het beleidsbesluit van 29 maart 2018.13 Onderdeel 3 ziet op het ontstaan of wijzigen van een huwelijksgoederengemeenschap waarbij onderdeel 3.3 ingaat op een algehele gemeenschap van goederen met ongelijke delen.
De leden van de fractie van de VVD vragen of in dit onderdeel 3.3 geregeld wordt wat aan wetgevende maatregelen niet haalbaar bleek op basis van het voorstel tot wijziging van een aantal artikelen van de Successiewet 1956. Deze leden doelen hierbij op de in het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2018 voorgestelde wijzigingen in de schenk- en erfbelasting in relatie tot het huwelijksvermogensrecht die als gevolg van het aangenomen amendement van Omtzigt uit het wetsvoorstel zijn gehaald.14
Ik kan de leden van de VVD-fractie melden dat dit niet het geval is. Onderdeel 3.3 vormt een verwoording van een goedkeuring in een brief uit 2012 aan de Tweede Kamer van mijn ambtsvoorganger naar aanleiding van een algemeen overleg over huwelijksvermogensrecht.15 In die brief wordt ingegaan op de gevolgen voor de schenkbelasting van het wijzigen van de huwelijksvoorwaarden in een algehele gemeenschap van goederen met een andere verdeelsleutel dan de gebruikelijke 50–50. Het in die brief gestelde heeft geleid tot nadere vragen, waaronder de vraag of bij iedere van 50–50 afwijkende gerechtigdheid in een algehele gemeenschap van goederen zonder meer geen sprake is van een schenking. Deze vraag moet geplaatst worden tegen de achtergrond van het door de leden van de fractie van de VVD aangehaalde arrest van 28 januari 195916. Dat arrest zag op de situatie dat echtgenoten die buiten iedere gemeenschap van goederen gehuwd waren, hun huwelijksgoederenregime wijzigden naar een algehele gemeenschap van goederen waarin de echtgenoten voor gelijke delen gerechtigd waren. Dit was conform de wettelijke algehele gemeenschap van goederen, zoals die heeft gegolden tot 1 januari 2018. Of de Hoge Raad tot eenzelfde slotsom zou zijn gekomen als de echtgenoten een andere gerechtigdheid tot de gemeenschap waren overeengekomen, staat niet vast. In onderdeel 3.3 van het beleidsbesluit van 29 maart 2018 geef ik de zekerheid dat als de echtgenoot die voorafgaand aan de wijziging van het huwelijksgoederenregime het meestvermogend was na de wijziging gerechtigd blijft tot ten minste 50% van die gemeenschap, dit geen schenking vormt voor de toepassing van de Successiewet 1956. Ik meen deze zekerheid te kunnen geven binnen de huidige regelgeving, jurisprudentie en de eerdergenoemde goedkeuring uit 2012. Voor situaties die verder gaan, blijft onzekerheid bestaan omdat de regelgeving en jurisprudentie – ook met inachtneming van het genoemde arrest uit 1959 – hierover geen uitsluitsel geven. De in het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2018 voorgestelde wijzigingen in de schenk- en erfbelasting in relatie tot het huwelijksvermogensrecht konden die zekerheid wel geven voor deze en voor veel andere situaties betreffende het aangaan en wijzigen van huwelijkse voorwaarden; daarover blijft nu dus onduidelijkheid bestaan. Om die reden betreur ik het dat die wijzigingen geen kracht van wet hebben gekregen.

De leden van de fractie van het CDA maken voorts van de gelegenheid gebruik nog enkele aanvullende vragen te stellen over samenwonenden en over wijziging van de beperkte gemeenschap van goederen. Deze leden vragen of ik kan bevestigen dat in de situatie van een samenlevingscontract met bijvoorbeeld een wederkerig finaal verrekenbeding dezelfde fiscale gevolgen gelden als in een situatie van huwelijkse voorwaarden met een wederkerig finaal verrekenbeding. In antwoord op deze vraag kan ik aangeven dat momenteel wordt bezien of, en zo ja onder welke voorwaarden, voor een notarieel samenlevingscontract een vergelijkbare goedkeuring kan worden verleend als die voor de in onderdeel 3.2.3 van het beleidsbesluit genoemde huwelijkssituatie met een wederkerig verplicht finaal verrekenbeding. Mijn ambtenaren zijn hierover in overleg met een aantal vertegenwoordigers van beroepsorganisaties.

Ook vragen deze leden of het mogelijk is dat het beleidsbesluit ook betrekking zal hebben op situaties waarin een wijziging naar een beperkte gemeenschap van goederen plaatsheeft. Voor een algemene goedkeuring ter zake van wijziging naar beperkte gemeenschappen heb ik geen toezegging gedaan. In antwoord op vragen van de fractie van het CDA in de Eerste Kamer daarnaar heb ik aangegeven dat ik bereid ben om in een beleidsbesluit aan te geven dat het aangaan van een huwelijk volgens het vanaf 1 januari 2018 geldende wettelijke regime van een beperkte gemeenschap van goederen met gelijke delen niet leidt tot heffing van schenkbelasting.17 Deze toezegging is opgenomen in onderdeel 3.1 van het beleidsbesluit. Voorts is in onderdeel 3.2.1 aangegeven dat als tijdens het huwelijk door middel van huwelijkse voorwaarden wordt gekozen voor de wettelijke gemeenschap van goederen, dit evenmin een schenking vormt voor de toepassing van de Successiewet 1956. Op de situatie van andere beperkte gemeenschappen wordt ingegaan in het huidige onderdeel 3.4 van het aangepaste beleidsbesluit van 5 juli 201018, welk onderdeel (afgezien van een hernummering; voorheen was het onderdeel 3.2) ongewijzigd is gebleven. Ik merk daarbij op dat zich in de praktijk ter zake van het aangaan en wijzigen van (beperkte) gemeenschappen een grote diversiteit aan situaties voordoet. Het is niet mogelijk om in een beleidsbesluit voor al deze situaties aan te geven of er mogelijk sprake kan zijn van een schenking. Of sprake is van een schenking moet aan de hand van de feiten en omstandigheden worden benaderd langs de lijnen van het bestaande schenkingsbegrip.

De Staatssecretaris van Financiën,
M. Snel

Noot 1: Samenstelling:Nagel (50PLUS), Ten Hoeve (OSF), Knip (VVD), Backer (D66), Ester (CU), De Grave (VVD) (voorzitter), vac. (CDA) (vice-voorzitter), Postema (PvdA), Sent (PvdA), Van Strien (PVV), Vos (GL), Kok (PVV), Bruijn (VVD), Vac. (PVV), Van Apeldoorn (SP), N.J.J. van Kesteren (CDA), Knapen (CDA), Köhler (SP), Prast (D66), Van Rij (CDA) (vice-voorzitter), Rinnooy Kan (D66), Schalk (SGP), Teunissen (PvdD), Van de Ven (VVD), vac. (PvdA), Overbeek (SP).

Noot 2: Staatscourant, nr. 18050, 30 maart 2018, Wijziging van het besluit van 5 juli 2010, nr. DGB2010/872M, Stcrt. 2010, nr. 10783.

Noot 3: Kamerstukken I, 2017–2018, 34 786, B. Het afschrift van het beleidsbesluit is ter inzage gelegd op de afdeling Inhoudeliijke ondersteuning onder griffienr. 162784.

Noot 4: Kamerstukken I 2017–2018, 34 785, D, blz. 18. Zie tevens toezegging T02522 op www.eerstekamer.nl.

Noot 5: Staatscourant, nr. 18050, 30 maart 2018, Wijziging van het besluit van 5 juli 2010, nr. DGB2010/872M, Stcrt. 2010, nr. 10783.

Noot 6: Kamerstukken I, 2017–2018, 34 786, B. Het afschrift van het beleidsbesluit is ter inzage gelegd op de afdeling Inhoudeliijke ondersteuning onder griffienr. 162784.

Noot 7: Kamerstukken I 2017–2018, 34 785, D, blz. 18. Zie tevens toezegging T02522 op www.eerstekamer.nl.

Noot 8: HR 28 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:AY1786.

Noot 9: Kamerstukken II, 2017–2018, 34 786, nr. 2.

Noot 10: Handelingen I, 2017–2018, nr. 12, item 7, p. 65.

Noot 11: Staatscourant, nr. 18050, 30 maart 2018, Wijziging van het besluit van 5 juli 2010, nr. DGB2010/872M, Stcrt. 2010, nr. 10783.

Noot 12: Kamerstukken I 2017/2018, 34 786, B. Het afschrift van het beleidsbesluit is ter inzage gelegd op de afdeling Inhoudelijke ondersteuning onder griffienr. 162784.

Noot 13: Nr. 2018-45958, Stcrt. 2018, 18050.

Noot 14: Kamerstukken II 2017/2018, 34 786, nr. 18.

Noot 15: Brief van 6 februari 2012, Kamerstukken II 2011/2012, 28 867, nr. 28.

Noot 16: BNB 1959/122.

Noot 17: Kamerstukken II 2017/18, 34 785, D, blz. 18.

Noot 18: Nr. DGB2010/872M, Stcrt. 2010, 10783.