Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Beleidsartikel 18 Scheepvaart en Havens

Algemene doelstelling

Het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam goederenvervoersysteem, waarbinnen de internationale concurrentiekracht van de mainport en van de Nederlandse maritieme sector wordt versterkt.

Rollen en verantwoordelijkheden

(Doen) uitvoeren

De Minister is verantwoordelijk voor het instandhouden van een robuust hoofdnetwerk van vaarwegen. Vanuit de begroting Hoofdstuk XII (artikel 26.01) wordt een bijdrage gedaan aan het Infrastructuurfonds. Via het Infrastructuurfonds (artikel 15, 17 en 18) investeert de Minister door middel van aanleg en benutting in dit netwerk, in binnenhavens en in de maritieme toegang van zeehavens om een goede en betrouwbare bereikbaarheid over water van de economische kerngebieden te realiseren. Aanleg- en benuttingsprojecten worden in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) vastgelegd. De Minister is verantwoordelijk voor toezicht en nautisch beheer. Rijkswaterstaat voert als beheerder het beheer, onderhoud en vervanging uit. De uitgaven aan beheer, onderhoud en vervanging worden verantwoord op het Infrastructuurfonds (artikel 15).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het maritiem beleid. De rol «regisseren» heeft betrekking op de volgende taken:

  • •  De Minister stelt normen en handhaaft deze om het veilige en duurzame gebruik van netwerken te waarborgen. De Minister ijvert regionaal en internationaal voor deze normen, bijvoorbeeld in de Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie van de EU en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), ook omdat een internationaal level playing field goed is voor de Nederlandse concurrentiepositie. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van IMO en Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en een gerichte bijdrage aan de totstandkoming van Europese regelgeving, inclusief een actieve rol in agentschappen als het Europese Maritieme Veiligheidsagentschap (EMSA) en andere organisaties.
  • •  De in 2015 vastgestelde maritieme strategie geeft de leidende principes aan: meerwaarde door samenwerking, ruimte voor ondernemerschap en oog voor de stad en leefomgeving. Vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving in de zeehavengebieden wordt de innovatie en de transitie naar een duurzame scheepvaart bevorderd. IenM zorgt voor «state of the art» regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, bemanningszaken en security. Waar nodig wordt hiervoor internationaal samengewerkt.
  • •  Met het programma Beter Benutten stimuleert de Minister een slim, efficiënt en veilig gebruik van de vaarwegen. Samen met de inspanningen van de vervoerders en verladers kan daarmee de capaciteit van de vaarwegen beter worden benut.
  • •  De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor een permanente verbetering van de veiligheid en duurzaamheid met betrekking tot maritiem beleid.
  • •  IenM draagt, binnen het kabinetsbrede bedrijvenbeleid onder coördinatie van het Ministerie van Economische Zaken, als vakdepartement verantwoordelijkheid voor de overheidsinbreng op de Topsector Logistiek en het maritieme cluster binnen de Topsector Water.
  • •  Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de Inspectie Leefomgeving en Transport op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht) en door de Autoriteit Consument en Markt.

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor scheepvaart en havens opgenomen. In productartikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Indicator: Passeertijd sluizen
 

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Realisatie

2015

Realisatie

2016

Streefwaarde 2017 en 2018

Hoofdtransportas

67%

68%

69%

70%

68%

66%

85%

Hoofdvaarweg

79%

78%

80%

80%

80%

80%

75%

Overige vaarweg

92%

93%

92%

92%

91%

91%

70%

Bron: RWS, 2016

Toelichting

De «passeertijd sluizen» is een absolute normtijd die voor elke sluis afzonderlijk is bepaald. Voor elk type vaarweg wordt een te realiseren percentage schepen nagestreefd dat binnen de normtijd de sluis passeert. De gerealiseerde passeertijden op de hoofdtransportassen voldoen nog niet aan de streefwaarden. Dit speelt al langere tijd en wordt, naast geplande onderhoudsmaatregelen, voornamelijk veroorzaakt door gebrek aan capaciteit op de trajecten tussen Rotterdam en Zeeland. Voor de sluizen op die corridor lopen dan ook MIRT-projecten, gericht op het verbeteren van de toekomstige capaciteit. De passeertijden voor de hoofd- en overige vaarwegen scoren overall gezien wel ruim voldoende.

Kengetal: Ontwikkeling van het procentuele marktaandeel (in tonnen) van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest Europese havenrange (de «Hamburg–Le Havre range»)
 

Basiswaarde 2005

2010

2011

2012

2013

2014

2015

20161

Totaal Nederlandse Zeehavens

44,9

47,8

47,2

47,9

47,5

47,2

48,1

48,2

Mainport Rotterdam

34,9

37,0

36,3

37,0

36,6

36,2

37,3

37,7

Overige Nederlandse Zeehavens

10,0

10,8

10,9

10,9

10,9

11,0

10,8

10,5

Noot 1: Vanaf 2016 Havenbedrijf Rotterdam op basis van cijfers ESPO. ESPO beschouwt daarin alleen de Nederlandse havens van Rotterdam, Amsterdam en Zeeland. In eerdere jaren zijn ook de havens van Moerdijk en Groningen in het overzicht meegenomen. Deze worden niet meegenomen door ESPO.

Bron: 2002–2010 Nationale Havenraad; 2011–2015 IenM;

Toelichting

Dit kengetal geeft informatie over het marktaandeel van de Nederlandse zeehavens ten opzichte van de concurrerende Noordwest Europese havenrange (de zogenaamde «Hamburg-Le Havre range»). Het streven is het marktaandeel van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest (de «Hamburg-Le Havre range») ten minste te handhaven.

«Totaal Nederlandse Zeehavens» laat in 2015 weer een lichte stijging van het marktaandeel zien ten opzichte van voorgaande jaren. Met name Mainport Rotterdam, die na een lichte stijging in 2012 in 2013 en 2014 marktaandeel verloor, laat een behoorlijke stijging van het marktaandeel zien. Het marktaandeel van de overige Nederlandse zeehavens laat een lichte daling zien. In 2016 heeft Rotterdam haar marktleiderspositie in de Hamburg-Le Havre range kunnen behouden, maar niet verder kunnen versterken. Het marktaandeel van Rotterdam is licht gedaald. In 2015 bedroeg het marktaandeel nog 38,0%. In 2016 kwam het marktaandeel uit op 37,7%. Deze daling wordt met name veroorzaakt door een daling in de overslag van droog massagoed (vooral van kolen en ijzererts).

Kengetal: Ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT)1Schepen > 100 GT en pontons > 1000 GT
 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

 
Van de vloot van in Nederland geregistreerde zeeschepen onder Nederlandse vlag2

Aantallen

             

Handelsvaart

725

769

800

822

808

790

771

Zeesleepvaart

249

235

247

260

258

275

288

Waterbouw

120

156

169

168

167

171

171

Totaal

1.094

1.160

1.216

1.250

1.233

1.236

1.230

Bruto tonnage (GT) (x 1.000)

             

Handelsvaart

6.075

6.883

6.740

7.045

6.978

6.572

6.411

Zeesleepvaart

310

290

362

347

360

409

423

Waterbouw

450

513

531

533

537

531

542

Totaal

6.835

7.686

7.633

7.925

7.875

7.512

7.376

 

Van de vloot onder buitenlandse vlag in Nederlands eigendom of beheer

Aantallen

             

Handelsvaart

433

422

408

403

403

432

451

Zeesleepvaart

459

456

477

498

519

512

502

Waterbouw

63

55

55

52

52

62

62

Totaal

955

933

940

953

974

1.006

1.015

Bruto tonnage (GT) (x 1.000)

             

Handelsvaart

5.259

5.232

5.072

5.517

5.987

6.500

7.203

Zeesleepvaart

1.011

1.298

1.640

1.612

1.643

1.740

2.239

Waterbouw

251

210

264

248

285

312

322

Totaal

6.521

6.740

6.976

7.377

7.915

8.552

9.764

Noot 2: Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2017

Bron: Zeeschepen onder Nederlandse vlag: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2017. Zeeschepen onder buitenlandse vlag: cijfers 2005 Ecorys (december 2008); cijfers van 2006–2009 Policy Research Corporation (april 2010); cijfers 2010–2016 Inspectie Leefomgeving en Transport, 2017. Cijfers van zeeschepen onder buitenlandse vlag op basis van IHS.

Toelichting

Bovenstaande kengetallen geven informatie over de ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT) van de vloot in Nederlands eigendom of beheer onder Nederlandse en buitenlandse vlag. De gegevens zijn opgesplitst naar de sectoren handelsvaart, zeesleepvaart en waterbouw. De groei c.q. afname van de vloot onder Nederlandse vlag is niet alleen van overheidsbeleid afhankelijk, maar ook van externe factoren zoals de wereldwijde groei van het ladingaanbod en investeringsklimaat, het zeevaartbeleid (waaronder fiscale klimaat) van andere landen en de individuele prestaties van de ondernemingen. Een toename van de vanuit Nederland beheerde vloot (en dan met name de Nederlandse vlag) is gunstig voor de ontwikkeling van de toegevoegde waarde.

Kengetal: veiligheid scheepvaart
 

Aantal scheepvaartongevallen (inclusief visservaartuigen en recreatievaart) op het Nederlandse deel van de Noordzee (Nederlandse en buitenlandse vlag)

 

2005

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Zeer ernstige scheepvaartongevallen (ZESO)

1

1

0

4

2

0

0

2

Ernstige scheepvaartongevallen (ESO)

4

9

4

15

13

12

11

8

Totaal

5

10

4

19

15

12

11

10

 
Aantal significante ongevallen met schepen op de Nederlandse binnenwateren1

Aantal significante scheepsongevallen

96

164

159

161

136

138

157

 
 

Aantal doden en gewonden op schepen op de Nederlandse binnenwateren (ook onder niet Nederlandse vlag)

Aantal doden

7

4

8

4

9

4

6

 

Aantal gewonden

49

45

63

58

27

44

35

 

Noot 1: Voor de beoordeling van de ontwikkeling van de veiligheid op de Nederlandse binnenwateren wordt gebruik gemaakt van het begrip «significant scheepsongeval». Significante scheepsongevallen zijn scheepsongevallen op de Nederlandse binnenwateren met schepen (ook onder niet Nederlandse vlag) waarbij schade is ontstaan die als ernstig wordt geclassificeerd in de vorm van slachtoffers (doden/gewonden), stremming van de vaarweg of schade aan de vaarweg, schip, lading of milieu.

Bron: RWS, 2016

In 2016 zijn op het Nederlandse deel van de Noordzee 2 ZESO’s (zeer ernstige scheepvaartongevallen) geregistreerd en 8 ESO’s (ernstige scheepvaartongevallen). De 2 ZESO’s betroffen recreatievaart. Hierbij is in beide gevallen het vaartuig verloren gegaan. De 8 ESO’s zijn als volgt verdeeld: zeevaart (5), visserij (1), recreatievaart (2). In 2016 zijn geen doden en/of zwaar gewonden geregistreerd bij scheepsongevallen op de Noordzee.

Sinds 2012 is de registratie en classificatie van scheepsongevallen op de Noordzee aanzienlijk verbeterd en verfijnd. Dit heeft tot het inzicht geleid dat de historische reeks 2004–2011 waarschijnlijk een onderschatting van het aantal ESO’s geeft dat in werkelijkheid is opgetreden. Om een goede uitspraak te kunnen doen over de ontwikkeling van de veiligheid van scheepvaart op de Noordzee moet vanaf 2012 een nieuwe historische reeks van ESO’s worden opgebouwd. De historische reeks van ZESO’s wordt wel betrouwbaar geacht.

Toelichting

In september 2016 is gebleken dat er een ongeval niet meegeteld was (geen melding van gemaakt door politie/hulpdiensten in database, zoals vereist is). Zodra de nieuwe cijfers binnen zijn in mei, zal de tekst van de toelichting worden toegevoegd.

Beleidswijzigingen

De met de Rijksbrede Nederlandse Maritieme Strategie 2015 – 2025 (Kamerstukken II 2014–2015 31 409, nr. 70) ingezette koers wordt ook in 2018 voortgezet, evenals de samenwerking tussen de rijksoverheid en de maritieme sector bij de uitwerking van de maritieme strategie. De basis voor deze samenwerking wordt gevormd door een in het najaar van 2017 vastgesteld werkprogramma, waarin de prioriteiten op het gebied van zeevaart, zeehavens, binnenvaart en de maritieme maakindustrie voor de komende jaren zijn vastgelegd. Het werkprogramma heeft een doorlooptijd tot en met 2021 en adresseert voor 2018 onder meer de volgende onderwerpen: verbetering van het scheepsregister, Smart Shipping, structuurversterking binnenvaart, vergroening zeevaart/binnenvaart en beroepskwalificaties binnenvaart.

Bij brief van 5 december 2016 (Kamerstukken II 2016–2017 32 861, nr. 22) heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu de beleidsdoorlichting van artikel 18 aangeboden aan de Tweede Kamer. Uit de beleidsdoorlichting komt naar voren dat het merendeel van de beleidsinstrumenten op het gebied van zeevaart, binnenvaart en zeehavens doeltreffend is ingezet en een positieve bijdrage is geleverd aan de doelstelling van artikel 18. Op het terrein van doelmatigheid bleek het lastiger deze relatie te leggen, hoewel voor een groot deel van de instrumenten één of meer waarborgen zijn aangetroffen voor een doelmatige uitvoering. Om het inzicht in de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleidsinstrumentarium te vergroten zal nagegaan worden hoe de inrichting van het beleidsproces verder versterkt kan worden. Eventuele nieuwe indicatoren of kengetallen zullen worden meegenomen in de begroting.

Budgettaire gevolgen van beleid

art. 18 Scheepvaart en havens (bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Verplichtingen

21.489

34.547

4.576

4.462

4.523

4.657

4.663

Uitgaven:

22.733

31.553

25.396

14.016

11.032

4.657

4.663

Waarvan juridisch verplicht

   

95%

       

18.01

Scheepvaart en havens

22.733

31.553

25.396

14.016

11.032

4.657

4.663

18.01.01

Opdrachten

14.562

19.770

17.561

8.120

7.836

2.006

2.012

 

– Topsector logistiek

11.954

16.813

8.071

6.309

5.964

0

0

 

– Overige opdrachten

2.608

2.957

9.490

1.811

1.872

2.006

2.012

18.01.02

Subsidies

5.926

8.936

5.044

3.245

545

0

0

 

– Topsector logistiek

5.102

7.850

4.935

3.177

545

0

0

 

– Overige subsidies

824

1.086

109

68

0

0

0

18.01.03

Bijdrage aan agentschappen

1.290

1.114

1.114

974

974

974

974

 

– waarvan bijdrage aan RWS

1.290

1.114

1.114

974

974

974

974

18.01.05

Bijdragen aan internationale organisaties

955

1.733

1.677

1.677

1.677

1.677

1.677

Ontvangsten

254

700

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijzing naar artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds

833.549

1.120.351

958.002

744.749

820.698

Andere ontvangsten van artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds

131.197

133.927

100.240

59.500

37.668

Totale uitgaven op artikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds

964.746

1.254.278

1.058.242

804.249

858.366

waarvan

         

15.01

Verkeersmanagement

8.525

8.525

8.525

8.525

8.525

15.02

Beheer, onderhoud en vervanging

376.866

386.647

294.409

214.636

298.197

15.03

Aanleg

227.570

323.205

286.411

233.580

203.242

15.04

Geïntegreerde contractvormen/PPS

44.839

232.771

166.789

46.912

53.284

15.06

Netwerkgebonden kosten HVWN

306.946

303.130

302.108

300.596

295.118

15.07

Investeringsruimte

0

0

0

0

0

Extracomptabele verwijzing naar artikel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds

34.940

3.872

1.724

2.993

2.993

Andere ontvangsten van artikel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds

34.940

3.872

1.724

2.993

2.993

waarvan

         

17.06

Project Mainportontwikkeling Rotterdam

34.940

3.872

1.724

2.993

2.993

Extracomptabele verwijzing naar artikel 18.03 Intermodaal vervoer van het Infrastructuurfonds (bedragen x € 1.000)
 

2018

2019

2020

2021

2022

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 18.03 Intermodaal vervoer van het Infrastructuurfonds

0

0

0

0

0

Andere ontvangsten van artikel 18.03 Intermodaal vervoer van het Infrastructuurfonds

0

0

0

0

0

Totale uitgaven op artikel 18.03 Intermodaal vervoer van het Infrastructuurfonds

0

0

0

0

0

waarvan 18.03

Intermodaal vervoer

0

0

0

0

0

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage «Fiscale regelingen» in de Miljoenennota. De fiscale regelingen die niet in onderstaande tabel zijn opgenomen, maar wel op dit beleidsartikel betrekking hebben, zijn:

  • –  Accijnsvrijstelling communautaire wateren
  • –  Willekeurige afschrijving zeeschepen

Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota «Toelichting op de fiscale regelingen».

Fiscale regelingen 2013–2018, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (bedragen x € miljoen)1[–] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.
 

2016

2017

2018

Tonnageregeling winst uit zeescheepvaart

120

120

120

Afdrachtvermindering zeevaart

112

111

111

Budgetflexibiliteit

18.01 Scheepvaart en havens

De bijdragen aan agentschappen en internationale organisaties zijn volledig juridisch verplicht en hebben een structureel karakter.

Voor de Topsector Logistiek zijn zowel het subsidiedeel aan de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) als de opdrachten via Connekt volledig juridisch verplicht. Dat geldt ook voor het opdrachtenbudget voor IenM opdrachten voor de topsector Logistiek dat eveneens juridisch verplicht is.

Van het overige opdrachtenbudget is circa de helft juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van aangegane verplichtingen voor onder meer de uitvoering van toezichtstaken door de ACM, de uitvoering van inningstaken betreffende het Verkeersbegeleidingstarief door de Belastingdienst/douane en de monitoring van maritieme indicatoren en kengetallen. De bijdrage aan kennismakingsstages zeevaart en koopvaardij is conform de vastgestelde subsidieregeling verplicht.

Het niet juridisch verplichte deel van dit artikel wordt aangewend voor beleidsonderzoek gericht op onder meer binnenvaart, zeevaart, zeehavens en Caribisch Nederland.

Toelichting op de financiële instrumenten

18.01 Scheepvaart en havens

18.01.01 Opdrachten

  • •  Voor beleidswerk gericht op havens (onder andere havensamenwerking) en Caribisch Nederland (de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) is het benodigde budget gereserveerd.
  • •  Het werkprogramma zeehavens 2014–2016 wordt vanaf 2017 als onderdeel van het integrale werkprogramma ter uitvoering van de maritieme strategie doorgezet.
  • •  Als vlaggen-, kust- en havenstaat zet Nederland in International Maritime Organization (IMO)- en EU-verband in op verbetering van het stelsel van regelgeving (bij voorkeur door optimaliseren bestaande regelgeving).
  • •  De concurrentiepositie van het maritieme cluster vereist de implementatie van verdragen, een gelijk speelveld en vermindering van de administratieve lasten. De inzet richt zich bijvoorbeeld op een Europese maritieme ruimte zonder grenzen, het monitoren van de arbeidsmarkt, het faciliteren van verbetering van de efficiency van bemanningen en het wegnemen van knelpunten in de relevante wetgeving. Hiervoor wordt beleidsinformatie verzameld en onderzoek verricht.
  • •  Voor de topsector Logistiek worden in 2018 opdrachten uitgevoerd onder regie van het Topteam Logistiek.

18.01.02 Subsidies

  • •  Voor de topsector Logistiek worden de subsidies op basis van het meerjarenprogramma en de op te starten activiteiten in 2018 via de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) uitgezet.
  • •  In 2017 met een uitloop naar 2018 is er een subsidieregeling Innovaties Duurzame Binnenvaart. Voor het einde van het jaar zal in overleg met de sector besloten worden over continuering van deze regeling. Het geld is afkomstig uit de compensatiegelden voor het renteverlies op het door de binnenvaart opgebouwde reservefonds, die tot ca. 2022 aan de sector zijn toegezegd.

18.01.03 Bijdragen aan agentschappen

In het kader van het Beleidsondersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG’s. Door middel van de agentschapbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd.

18.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Vanuit de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) gelden betaalt IenM in totaal € 1,07 miljoen aan contributies in het kader van Luchtvaart. Hiervan gaat circa € 0,5 miljoen contributie naar de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en circa € 0,4 miljoen contributie naar de International Maritime Organisation (IMO) conform verdragsverplichtingen. Daarnaast worden bijdragen gedaan aan de International Association of Marine Aids to Navigation and Lighthouse Authorities (IALA), de Donaucommissie en de North Atlantic Ice Patrol.