Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

Rijksbegrotingsfasen
RijksbegrotingOverzichtVoorbereidingUitvoeringVerantwoording
2019
  • Begrotingsstaat
  • Najaarsnota
  • 2e suppletore
  • Financieel jaarverslag
  • Verantwoordingsbrief
  • Jaarverslag
  • Slotwet
  • Download PDF

7. Kinderopvang

Algemene doelstelling

De overheid biedt financiële ondersteuning aan werkende ouders voor kinderopvang en bevordert de kwaliteit van kinderopvang.

De overheid hecht aan goede, veilige en financieel toegankelijke kinderopvang, zodat ouders arbeid en zorg kunnen combineren. Voor de bevordering van de arbeidsparticipatie is het belangrijk dat ouders van jonge kinderen actief blijven op de arbeidsmarkt. Bovendien zorgt goede kinderopvang er ook voor dat kinderen worden gestimuleerd in hun ontwikkeling.

De kinderopvangtoeslag houdt formele kinderopvang betaalbaar voor ouders. Om de kwaliteit van kinderopvang te bevorderen heeft de overheid in de Wet kinderopvang (Wko) vastgesteld aan welke eisen de kinderopvangvoorzieningen moeten voldoen. De GGD houdt hier, in opdracht van gemeenten, toezicht op. Daarnaast steunt de Minister via subsidies projecten die de (informatie)positie van ouders versterken. Dit om te zorgen dat ouders hun kind naar een kinderopvangvoorziening kunnen brengen die veilig en van goede kwaliteit is. De kinderopvangondernemers zijn verantwoordelijk voor het goed functioneren van de kinderopvang. Gastouderbureaus en gastouders zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van gastouderopvang. Ouders hebben een eigen verantwoordelijkheid bij de keuze voor een kinderopvangvoorziening en kunnen hun invloed onder andere via de oudercommissies uitoefenen.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel, financiert met de kinderopvangtoeslag (KOT) het gebruik van kinderopvang en stimuleert met subsidies de (informatie) positie van ouders. Hij is in deze rollen verantwoordelijk voor:

  • •  De vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;
  • •  Het vaststellen van de hoogte van de kinderopvangtoeslag en de voorwaarden waaronder deze wordt toegekend;
  • •  Het ter beschikking stellen van middelen aan gemeenten via het Gemeentefonds ter financiering van toezicht en handhaving op de kinderopvang;
  • •  Het borgen van de kwaliteit van toezicht en handhaving;
  • •  Het bevorderen van de kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang.

De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering van de KOT door de Belastingdienst.

Beleidswijzigingen

Intensivering kinderopvangtoeslag

Het kabinet investeert vanaf 2019 € 248 miljoen structureel in de betaalbaarheid van de kinderopvang (Tweede Kamer, 2017–2018, 31 322, nr. 365). De kinderopvangtoeslag voor zowel eerste als tweede en volgende kinderen wordt verhoogd, waardoor bijna alle ouders hogere toeslag krijgen van de Belastingdienst en kinderopvang betaalbaarder wordt. Voor de eerste kindtabel wordt het maximum vergoedingspercentage voor de laagste inkomens verhoogd naar 96%, gezinnen met een modaal inkomen krijgen 88,3% vergoed en de allerhoogste inkomens behouden de vaste voet van 33,3%. Wel wordt de inkomensgrens waarbij ouders voor het eerste kind kinderopvangtoeslag krijgen ter hoogte van de vaste voet (33,3%) in 2019 verhoogd naar € 123.920.

Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang

Op 1 januari 2018 is de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang in werking getreden. Met de maatregelen uit die wet wordt een kwaliteitsverbetering gerealiseerd en wordt de ontwikkeling van het kind meer centraal gesteld. Een aantal eisen uit deze wet wordt per 1 januari 2019 ingevoerd. Dit betreft ten eerste de wijziging van de beroepskracht-kindratio. Voor baby’s gaat deze van één pedagogisch medewerker per vier baby’s naar één per drie baby’s, waardoor er meer tijd en aandacht voor kinderen in hun eerste levensjaar is. De beroepskracht-kindratio voor kinderen van 7 jaar en ouder wordt versoepeld van één pedagogisch medewerker op tien kinderen, naar één op twaalf.

Ten tweede wordt de pedagogische beleidsmedewerker geïntroduceerd. Deze coacht de pedagogisch medewerkers bij de dagelijkse werkzaamheden en houdt zich bezig met de ontwikkeling van pedagogisch beleid. De maatregelen die per 1 januari 2019 in werking treden, leiden tot een verhoging van de maximumuurprijs met € 0,27 voor de dagopvang en een verlaging met € 0,34 voor de buitenschoolse opvang (Tweede Kamer, 2017–2018, 31 322, nr. 365).

Verbeteringen kinderopvangtoeslag

Het kabinet wil grote geldschulden, mede als gevolg van de kinderopvangtoeslag, voorkomen en heeft het besluit genomen om daarvoor verbeteringen in de kinderopvangtoeslag door te voeren. Het eerder beoogde wetsvoorstel Wet nieuw financieringsstelsel kinderopvang (directe financiering) zal niet bij de Tweede Kamer worden ingediend (Tweede Kamer, 2017–2018, 31 322, nr. 361).

De verbetervoorstellen richten zich op het aanpakken van de problematiek als gevolg van terugvorderingen bij ouders, met bijzondere aandacht voor het terugdringen van (zeer) hoge terugvorderingen. Het is de bedoeling dat de meeste van de nu voorgenomen verbeteringen bij de Belastingdienst stapsgewijs naar 2020 worden gerealiseerd, zodat ze bij de definitieve toekenning van de kinderopvangtoeslag over 2020 tot zichtbaar resultaat leiden. De Tweede Kamer zal hier middels de halfjaarrapportages van de Belastingdienst over worden geïnformeerd.

Verbetering kwaliteit en toegankelijkheid van kinderopvang in Caribisch Nederland

Samen met de openbare lichamen van de eilanden in Caribisch Nederland zal worden gewerkt aan een integraal plan van aanpak voor de verbetering van de kwaliteit en (financiële) toegankelijkheid van kinderopvang op Caribisch Nederland in de komende jaren. Voorwaarde voor (structurele) financiering is dat de kwaliteit van de kinderopvang van voldoende niveau is. Over kinderopvang op Caribisch Nederland zal naar verwachting in het najaar eerste besluitvorming plaatsvinden. Op de begroting van SZW zijn hiervoor reeds structureel middelen gereserveerd.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.7.1 Begrotingsgefinancierde uitgaven en -ontvangsten artikel 7 (x € 1.000)

Artikelonderdeel

Realisatie 2017

Raming 2018

Raming 2019

Raming 2020

Raming 2021

Raming 2022

Raming 2023

Verplichtingen

2.610.668

2.964.782

3.286.740

3.346.132

3.378.292

3.388.517

3.402.946

Uitgaven

2.610.681

2.964.782

3.286.740

3.346.132

3.378.292

3.388.517

3.402.946

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,5%

       
               

Inkomensoverdrachten

2.585.976

2.933.110

3.264.213

3.326.473

3.358.622

3.370.247

3.384.676

Kinderopvangtoeslag

2.585.976

2.933.110

3.264.213

3.326.473

3.358.622

3.370.247

3.384.676

               

Subsidies

5.624

5.393

4.550

4.550

4.550

4.550

4.550

Subsidies Caribisch Nederland

0

200

200

200

200

200

200

Overige subsidies

5.624

5.193

4.350

4.350

4.350

4.350

4.350

               

Opdrachten

4.563

6.164

4.877

5.302

5.302

5.302

5.302

Opdrachten Caribisch Nederland

0

445

2.828

2.800

2.800

2.800

2.800

Overige opdrachten

4.563

5.719

2.049

2.502

2.502

2.502

2.502

               

Bijdrage aan agentschappen

14.518

20.115

13.100

9.807

9.818

8.418

8.418

DUO

14.415

19.854

12.853

9.549

9.557

8.157

8.157

Justis

103

261

247

258

261

261

261

               

Ontvangsten

1.464.185

1.531.959

1.580.594

1.626.757

1.661.443

1.678.431

1.682.590

Ontvangsten algemeen

313.466

314.959

346.613

374.753

400.627

410.582

414.741

Werkgeversbijdrage kinderopvang

1.150.719

1.217.000

1.233.981

1.252.004

1.260.816

1.267.849

1.267.849

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten:

De inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en daarom voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten kinderopvangtoeslag.

Subsidies:

De subsidies zijn voor 24% juridisch verplicht. Het gaat daarbij hoofdzakelijk om subsidies gericht op toezicht en handhaving in de gastouderopvang, op de eindafrekening van harmonisatie van kwaliteitseisen in de kinderopvang en peuterspeelzalen uit 2018 en op de versterking van de informatiepositiepositie van ouders en de positie van ouders in het klachtrecht. Het niet-juridisch verplichte deel betreft onder andere toezicht.

Opdrachten:

De opdrachten zijn voor 74% juridisch verplicht. De juridisch verplichte uitgaven betreffen onder andere kosten voor toezicht, onderzoek, gegevenslevering en projecten. Het niet-juridisch verplichte deel betreft vooral kosten in het kader van communicatie kwaliteit kinderopvang.

Bijdrage aan agentschappen:

De bijdrage aan agentschappen is nog niet juridisch verplicht maar wel bestuurlijk gebonden. Het betreft middelen beheer en (door)ontwikkeling van het Personenregister Kinderopvang.

Toelichting op de financiële instrumenten

A. Inkomensoverdrachten

Kinderopvangtoeslag (KOT)

Ouders die betaalde arbeid verrichten en ouders die tot een doelgroep behoren zoals omschreven in de Wko, ontvangen een inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderopvang: de kinderopvangtoeslag. Hierbij geldt de voorwaarde dat zij hun kinderen naar een kinderopvanginstelling of gastouder brengen die voldoet aan de eisen van de Wko en daarom geregistreerd is in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK). De KOT wordt uitgevoerd door de Belastingdienst/Toeslagen. DUO verzorgt de inschrijving in het register buitenlandse kinderopvang en de SVB is verantwoordelijk voor de uitbetaling van de aanvulling op de KOT in het buitenland.

Wie komt er voor in aanmerking?

  • •  Ouders die arbeid en zorg voor kinderen combineren en beide werken (werknemers en zelfstandigen);
  • •  Alleenstaande ouders die arbeid en zorg voor kinderen combineren (werknemers en zelfstandigen);
  • •  Doelgroepouders, bijvoorbeeld ouders die studeren of deelnemen aan een traject om weer aan het werk te komen.

Hoe hoog is de kinderopvangtoeslag?

De hoogte van de kinderopvangtoeslag is van een aantal aspecten afhankelijk:

  • •  Hoogte van het verzamelinkomen;
  • •  Hoogte van de werkelijk betaalde uurprijs;
  • •  Het kind waar de opvang betrekking op heeft: voor het eerste kind geldt een andere toeslag dan voor tweede en volgende kinderen;
  • •  De opvangsoort: dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang kennen een verschillend maximumuurtarief waarvoor ouders een toeslag kunnen ontvangen;
  • •  Het aantal gewerkte uren door de ouder die de minste uren per jaar werkt dan wel de periode waarin een traject naar werk gevolgd wordt;
  • •  Het aantal uren dat gebruik wordt gemaakt van een kinderopvangvoorziening.

Budgettaire ontwikkelingen

In 2019 stijgen de verwachte uitgaven voor kinderopvangtoeslag relatief sterk als gevolg van de intensivering van dat jaar (zie ook beleidswijzigingen). De toename van het gebruik van kinderopvang als gevolg van deze intensivering groeit geleidelijk in. De intensivering leidt daardoor ook in de jaren 2020 en 2021 nog tot hogere uitgaven. Daarnaast leidt de gunstige conjuncturele ontwikkeling er vooral in 2019 toe dat ouders meer gaan werken met als gevolg een hoger gebruik van kinderopvang.

Beleidsrelevante kerncijfers

Het aantal kinderen met kinderopvangtoeslag neemt vooral in 2018 sterk toe. Dit is deels het gevolg van de inwerkingtreding van de harmonisatie van peuterspeelzalen en kinderopvang op 1 januari 2018, waardoor meer peuters van werkende ouders in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag. Daarnaast zorgt de verbetering van de conjunctuur voor een hoger gebruik van kinderopvang in 2018 en 2019. Het gebruik van kinderopvang neemt in 2019 naar verwachting verder toe als gevolg van de intensivering uit het Regeerakkoord. Het aantal uren per kind stijgt licht in 2018 en 2019.

De maximum uurprijzen en de gemiddelde tarieven nemen in 2018 en 2019 toe door de reguliere indexeringen. Daarnaast heeft een aantal van de maatregelen uit de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang gevolgen voor de kosten van dagopvang en buitenschoolse opvang. Deze wijzigingen in de kosten worden vertaald in een evenredige aanpassing van de maximum uurprijzen en werken naar verwachting ook door in de tarieven. De ouderbijdrage per uur neemt in 2019 af als gevolg van de intensivering van de kinderopvangtoeslag in dat jaar.

Tabel 3.7.2 Kerncijfers gebruik kinderopvang (jaargemiddelden)1SZW-berekeningen op basis van informatie van CBS (bevolkingsprognose voor berekening deelname) en Belastingdienst/Toeslagen.
 
Realisatie 20172

Raming 2018

Raming 2019

Aantal huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvangtoeslag (x 1.000, jaargemiddelde)

486

526

542

       

Aantal kinderen met kinderopvangtoeslag (x 1.000, jaargemiddelde)

     

0–12 jaar

732

793

817

0–4 jaar

345

376

389

4–12 jaar

387

417

428

       

Deelname kinderen met kinderopvangtoeslag (%)

     

0–12 jaar

34

37

38

0–4 jaar

50

54

56

4–12 jaar

26

28

29

       

Aantal uren per kind per maand

     

0–12 jaar

57,5

57,7

58,1

0–4 jaar

80,2

80,0

80,3

4–12 jaar

37,3

37,6

37,9

       

Gebruik kinderopvangtoeslag naar verzamelinkomen

     

Aantal kinderen met kinderopvangtoeslag x 1.000

     

Tot 130% Wml

67

75

76

130% Wml tot 1½ x modaal

176

191

197

1½ x modaal tot 3 x modaal

379

408

421

3 x modaal en hoger

110

119

122

       

Aantal uren per kind per maand met kinderopvangtoeslag

     

Tot 130% Wml

74

74

75

130% Wml tot 1½ x modaal

54

54

55

1½ x modaal tot 3 x modaal

54

55

55

3 x modaal en hoger

64

63

63

Noot 2: De realisatiecijfers van 2017 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van inkomen en gebruik.

Tabel 3.7.3 Kerncijfers kinderopvang bijdragen sectoren en ouders1SZW-berekeningen op basis van informatie van Belastingdienst/Toeslagen.
   
Realisatie 20172

Raming 2018

Raming 2019

Bijdragen sectoren (in %)

     

Collectief

70

69

73

 

waarvan Overheid

35

37

42

 

waarvan Werkgevers

35

32

31

Ouders

31

31

27

         
Wettelijke maximum uurprijs (in €)3
     

Dagopvang

7,18

7,45

8,02

Buitenschoolse opvang

6,69

6,95

6,89

Gastouderopvang

5,75

5,91

6,15

       
Gemiddelde tarieven van kinderopvanginstellingen (in €)4, 5, 6
     

Dagopvang

7,17

7,36

7,93

Buitenschoolse opvang

6,98

7,10

7,04

Gastouderopvang

5,81

5,88

6,12

       
Ouderbijdrage eerste kind in € per uur voor gezinsinkomen7
     

130% Wml

0,45

0,46

0,35

1½ x modaal

1,70

1,77

1,60

3x modaal

4,79

4,97

4,70

       

Ouderbijdrage volgende kind in € per uur voor gezinsinkomen

     

130% Wml

0,37

0,38

0,34

1½ x modaal

0,47

0,48

0,47

3x modaal

1,19

1,24

1,19

Noot 2: De realisatiecijfers van 2017 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van inkomen en gebruik.

Noot 3: De maximum uurprijzen betreffen de vastgestelde maximum uurprijzen (en niet een raming).

Noot 4: De raming is opgesteld in prijzen 2018. Echter, het geraamde gemiddelde tarief 2019 is, evenals de wettelijke maximum uurprijs 2019 weergegeven op prijsniveau 2019.

Noot 5: De cijfers over de gemiddelde uurprijs zijn gebaseerd op de uurprijzen die ouders aan de Belastingdienst/Toeslagen doorgeven.

Noot 6: Het betreft de gemiddelde uurprijzen, waarbij gewogen is naar gebruik. Ter illustratie: de uurprijs van gebruikers die 60 opvanguren afnemen weegt drie keer zo zwaar mee bij bepaling van het gemiddelde als de uurprijs van gebruikers die 20 opvanguren afnemen.

Noot 7: Kosten van kinderdagopvang per uur voor ouders, gebaseerd op de maximum uurprijzen en de toeslag die ouders ontvangen.

B. Subsidies

Voor 2019 is € 4,35 miljoen beschikbaar voor subsidies. Dit betreft onder andere uitgaven aan:

  • •  verbetering van de kwaliteit, via een bijdrage aan Bureau Kwaliteit Kinderopvang voor pedagogisch curriculum;
  • •  versterken van de (informatie)positie van ouders door middel van een bijdrage aan communicatie- en voorlichtingsactiviteiten van BOinK en Voor Werkende Ouders;
  • •  het Expertisecentrum toezicht en handhaving kinderopvang van de VNG, dat gemeenten ondersteunt bij het versterken en verbeteren van toezicht en handhaving in de kinderopvang.

Vanaf 2018 stelt het kabinet daarnaast additionele middelen beschikbaar voor de verbetering van de kwaliteit en toegankelijkheid van kinderopvang in Caribisch Nederland die aangekondigd zijn in de kabinetsreactie op het onderzoek naar een ijkpunt voor de bestaanszekerheid voor Caribisch Nederland.

C. Opdrachten

Voor 2019 is er € 2 miljoen beschikbaar voor opdrachten. Het opdrachtenbudget wordt onder andere gebruikt ten behoeve van uitgaven voor de ontwikkeling van beleidsinstrumenten en daarnaast voor de financiering van huidig toezicht, voor het project Innovatie en Kwaliteit in de Kinderopvang, voor het project «een betere basis voor peuters» en voor diverse onderzoeken. Vanaf 2018 stelt het kabinet daarnaast additionele middelen beschikbaar voor Caribisch Nederland (zie ook subsidies).

D. Bijdrage aan agentschappen

Voor 2019 wordt naar verwachting € 10,8 miljoen uitgegeven aan bijdragen voor agentschappen. Het merendeel hiervan is bestemd voor DUO en de Belastingdienst, voornamelijk ten behoeve van de ontwikkeling en beheer van het LRK en de Gemeenschappelijke Inspectieruimte, voor de ontwikkeling en het beheer van het Personenregister Kinderopvang en voor het beheer van het Register Buitenlandse Kinderopvang. Daarnaast worden middelen gereserveerd voor de verbeteringen kinderopvangtoeslag bij de Belastingdienst.

E. Ontvangsten

De ontvangsten bestaan uit twee componenten: de ontvangsten algemeen en de werkgeversbijdrage. De ontvangsten algemeen zijn de terugbetalingen door ouders die in eerdere jaren te veel kinderopvangtoeslag hebben ontvangen. Sinds 2016 stijgen de uitgaven aan kinderopvangtoeslag weer, onder meer als gevolg van structurele intensiveringen in de kinderopvangtoeslag. Hierdoor nemen, met vertraging, de ontvangsten vanaf 2019 naar verwachting toe. De werkgeversbijdrage kinderopvang betreft een vast percentage (0,5%) van de geraamde totale loonsom. Omdat de totale loonsom licht stijgt, neemt ook de werkgeversbijdrage kinderopvang licht toe.

Kerncijfers

Het aantal gewerkte uren per week is zowel bij vrouwen in het algemeen als bij moeders met jonge kinderen toegenomen.

Tabel 3.7.4 Ontwikkeling in gewerkte uren van vrouwen en moeders met jonge kinderen (gemiddelde binnen de groep vrouwen met een baan van meer dan 1 uur, jaarcijfers)1CBS, Enquête beroepsbevolking (EBB).
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Vrouwen 15 tot 75 jaar

25,3

25,6

25,9

Moeders met jonge kinderen (0–11 jaar)

25,5

25,8

26,4

De netto arbeidsparticipatie van ouders is in 2016 en 2017 over vrijwel de gehele linie toegenomen. Alleen bij alleenstaande vaders is de netto arbeidsparticipatie in 2017 gedaald. De netto arbeidsparticipatie van alleenstaande vaders kan sterk fluctueren omdat het een kleine groep betreft.

Tabel 3.7.5 Netto arbeidsparticipatie (%)
 

Realisatie 2015

Realisatie 2016

Realisatie 2017

Totaal mannen en vrouwen 15 tot 75 jaar1

65,4

65,8

66,7

       

Moeders (lid van ouderpaar)

76,7

77,6

78,5

Vaders (lid van ouderpaar)

90,4

90,8

91,2

       

Alleenstaande moeders

59,5

62,2

63,1

Alleenstaande vaders

75,5

76,3

73,8

       
Moeders met jonge kinderen (0–11)2

75,9

76,5

77,2

Vaders met jonge kinderen (0–11)

93,0

93,3

93,5

Noot 1: CBS, Statline.

Noot 2: CBS, Enquête beroepsbevolking (EBB)

Artikel