Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling begroting Ministerie van Justitie en Veiligheid 2020

35300 VI 109 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Vergaderjaar 2019-2020

Nr. 109

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 februari 2020

Op 19 september 2019 is met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna Wob), verzocht om «inzage in documenten en communicatie bij het ministerie aanwezig inzake de vervolging van Geert Wilders voor het tijdvak 8 augustus 2007 tot 23 juni 2011.» Dit omvat de overwegingen omtrent de beslissing tot vervolging en de vervolging van Geert Wilders in de zaak met kenmerk ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ9001.

In lijn met het vaste beleid om Wob-verzoeken over onderwerpen die in de belangstelling van de Kamer staan uw Kamer te informeren, bied ik u hierbij het besluit en de openbaar gemaakte stukken op grond van de Wob aan1.
In 2016 heeft de KRO-NCRV een vergelijkbaar Wob-verzoek ingediend. In 2016 zijn net als nu documenten niet of slechts deels openbaar gemaakt onder meer met een beroep op artikel 11 lid 1 Wob. Dat neemt niet weg dat veel van dit dossier eerder al in de openbaarheid is geweest.2 Nu in het kader van het recente Wob-verzoek het gehele dossier waarover ik beschik nog eens is bezien ben ik tot de conclusie gekomen dat het voor de controlerende taak van uw Kamer aangewezen is uitgebreider kennis te kunnen nemen van het verloop van dit dossier, ook waar dit nieuwe informatie betreft. Deze kennis kan ik als Minister niet los zien van het dossier over de strafzaak Wilders met betrekking tot diens uitspraken in 2014, waarover veel vragen zijn gesteld vanuit uw Kamer. Beide zaken raken aan de werkwijze tussen het OM en het ministerie. Daarom wil ik u hier actief over informeren. Artikel 68 van de Grondwet biedt die ruimte.3

Vervolgens zal ik het verloop van dit dossier plaatsen in het staatsrechtelijk en wettelijk kader dat de verhouding van Minister van Justitie en Veiligheid en Openbaar Ministerie (OM) regelt.

In de bijlage bij deze brief treft u een overzicht van het verloop van dit dossier aan. Dit betreft een overzicht van adviezen en bespiegelingen die, met betrekking tot de rechtszaak Wilders in 2011, aan de toenmalige Minister van Justitie zijn gegeven, zijn reactie daarop en communicatie daarover met het OM. Om dit voor uw Kamer controleerbaar te maken zal ik het dossier vertrouwelijk en geanonimiseerd ter inzage leggen in de Tweede Kamer4.

Om uw Kamer een zo volledig mogelijk beeld te geven maakt het overzicht ook melding van persoonlijke beleidsopvattingen in de vorm van adviezen van ambtenaren aan de Minister. Ik hecht er aan te benadrukken dat in staatsrechtelijke zin de politieke verantwoordelijkheid steeds uitsluitend berust bij de betrokken bewindspersoon. Ambtenaren zijn van elke politieke verantwoordelijkheid uitgesloten. Dat geldt ook voor de ambtelijke processen rond de totstandkoming van besluiten van en het adviseren aan de Minister. Zij moeten hun bewindspersoon in vrijheid kunnen adviseren zodat alle argumenten uitgewisseld kunnen worden en er zo nodig tegenspraak kan worden geleverd. In dit kader is enkel wat de Minister doet met het advies relevant. Voor de goede orde verzoek ik de leden daarom vertrouwelijkheid te betrachten daar waar de documenten herleidbaar zijn tot personen.

Rechtszaak Wilders 2011

De betreffende zaak draaide om uitlatingen van de heer Wilders in de Volkskrant van 8 augustus 2007, in dagblad De Pers van 19 februari 2007, een column op internet, getiteld «Mohammed (deel II): de islamitische invasie», in de Volkskrant van 7 oktober 2006 en de film «Fitna». De vraag was of er sprake was van strafbare uitlatingen in de zin van artikel 137c, 137d of 137e Sr.: Was er sprake van beledigen van een groep mensen wegens hun godsdienst, het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld van een groep mensen vanwege hun godsdienst, dan wel het openbaar maken, toezenden of verspreiden van discriminerende of tot haat, discriminatie of geweld aanzettende uitlatingen?

Op 30 juni 2008 maakte het OM bekend dat het van oordeel is dat de betreffende uitlatingen niet strafbaar zijn en dat er daarom niet zal worden vervolgd. Het Hof Amsterdam heeft op 21 januari 2009 het OM bevolen de heer Wilders alsnog te vervolgen ter zake van het aanzetten tot haat en discriminatie. De uitspraak waarin de heer Wilders werd vrijgesproken volgde uiteindelijk in juni 2011.

Verloop van het dossier

Uit de documenten die ik tot mijn beschikking heb met betrekking tot de rechtszaak Wilders in 2011 blijkt dat de toenmalige Minister van Justitie meerdere malen heeft overlegd met het OM over het al dan niet vervolgen van de heer Wilders.

Uit het dossier blijkt dat na de aankondiging van de film Fitna het OM aan de Minister schrijft dat het heeft bezien of de hoedanigheid van Kamerlid enige formele invloed heeft op de mogelijkheid van vervolging van dit Kamerlid en op de instantie die daarvoor aangewezen is. Dat wil zeggen dat het OM heeft bezien of de gedane uitlatingen kunnen vallen onder de termen van art. 44 WvSr en er derhalve sprake zou kunnen zijn van een ambtsmisdrijf.

Om te beoordelen of sprake zou kunnen zijn van een ambtsmisdrijf moet de vraag worden beantwoord of het Kamerlid bij het begaan van het strafbaar feit gebruik gemaakt heeft van «gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken». Ingevolge art. 119 Grondwet en art. 76 RO staan (gewezen) Ministers, Staatssecretarissen en leden van de Staten-Generaal wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, in eerste en hoogste ressort terecht voor de Hoge Raad. Wanneer het OM het standpunt inneemt dat er vermoedelijk sprake is van een ambtsmisdrijf, dan wendt de voorzitter van het College zich voor vooroverleg tot de procureur-generaal bij de Hoge Raad teneinde deze in de gelegenheid te stellen in de voorfase zijn visie te geven of er vermoedelijk sprake is van een ambtsmisdrijf. Vervolgens wendt de voorzitter van het College – die zelfstandig na het vooroverleg met genoemde procureur-generaal zijn standpunt bepaalt – zich tot de Minister van Justitie. De voorzitter van het College stelt de Minister op de hoogte van zijn bevindingen en afwegingen. Het is dan de Minister van Justitie die de haalbaarheid en opportuniteit van vervolging van het ambtsmisdrijf moet beoordelen. Uit het dossier blijkt dat de Minister liet weten dat hij van oordeel was dat het juridische begrip «ambtsmisdrijf» hier niet juist werd toegepast.

Uit het dossier blijkt voorts dat er verschillende ambtelijke adviezen aan de Minister zijn gegeven over de rechtsvragen en de mogelijkheden tot vervolging. De Minister blijft juridische vragen stellen aan het OM en aan zijn ambtenaren met betrekking tot de onderbouwing van het voorgenomen besluit tot niet vervolgen. Dit betreft onder meer de term «onnodig grievend» en de vraag of er een grens gesteld moet worden aan de strafuitsluitende werking van de context van het «maatschappelijk debat». De vraag speelt of het wel aan het OM is om hier, onder verantwoordelijkheid van de Minister, een oordeel over te vellen in plaats van hiervoor een rechterlijke norm te indiceren.

Een van de adviezen aan de Minister, verantwoordelijk voor de openbare orde, was om, áls er tot vervolging zou worden overgegaan, dit dan te laten doen pas nadat de film Fitna was vertoond als reactie op de dan eventueel ontstane commotie. Op het moment dat dit advies werd gegeven was de film nog niet vertoond en de regering maakte zich ernstig zorgen om de mogelijk heftige reacties, zowel nationaal als internationaal, op de film Fitna. Er werd gesproken van mogelijk risicovolle reacties op het gebied van openbare orde, veiligheid en economie.

Uit de documenten blijkt dat er ambtelijk geen duidelijkheid was over eventuele achterliggende bedoelingen van de juridische vragen die de Minister stelde.

Staatsrechtelijk en wettelijk kader

Het verloop van het dossier over de rechtszaak Wilders 2011 moet worden bezien binnen het staatsrechtelijk en wettelijk kader dat bepalend is voor de verhouding tussen de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) en het OM. Over deze verhouding is, onder meer binnen uw Kamer, al uitvoerig gediscussieerd5, vanwege de bijzondere positie die het OM inneemt in het Nederlandse rechtsbestel. Het OM is een orgaan met medewerkers die zelfstandig door de wet aan hen geattribueerde taken en bevoegdheden uitoefenen. Het vormt in dat verband onderdeel van de rechterlijke organisatie. Het OM en al diens medewerkers staan echter wel in een hiërarchische gezagsverhouding tot de Minister. De Minister is politiek verantwoordelijk voor alle gedragingen van het OM en al diens medewerkers. De Minister moet beslissingen van het OM immers voor zijn rekening kunnen nemen en daarover verantwoording kunnen afleggen aan het parlement.
Volgens het Nederlandse staatsrecht geldt de regel «geen verantwoordelijkheid zonder bevoegdheid». Om deze verantwoordelijkheid ook jegens uw Kamer te kunnen dragen, en uw Kamer goed te kunnen informeren, beschikt de Minister dan ook over bevoegdheden ten opzichte van het OM, waaronder een inlichtingenbevoegdheid. Deze bevoegdheid is opgenomen in artikel 129 van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: Wet RO). Het eerste lid van dit artikel behelst de inlichtingenverplichting van het College van procureurs-generaal ten opzichte van de Minister. Zij onderstreept het belang van een goed functionerend OM dat in de juiste gevallen en op de juiste ogenblikken de Minister in staat stelt zijn politieke verantwoordelijkheid waar te maken. In deze zin vormt, aldus de memorie van toelichting bij de wet die heeft geleid tot de invoering van (onder meer) artikel 129 van de Wet RO, deze bepaling een accentuering van de politieke verantwoordelijkheid van de Minister. Vanzelfsprekend ligt in de verhouding tussen de Minister en het OM besloten dat ieder lid van het OM een inlichtingenplicht ten opzichte van de Minister heeft, zodat de Minister zich voor het verkrijgen van inlichtingen ook kan wenden tot een individueel lid van het OM.6 Een ander instrument in deze relatie is de bevoegdheid van de Minister tot het geven van algemene en bijzondere aanwijzingen aan (leden van) het OM. Deze bevoegdheid is vervat in de artikelen 127 en 128 van de Wet RO en houdt verband met de volledige ministeriële verantwoordelijkheid van de Minister voor het OM en ieder lid van het OM.7 Algemene aanwijzingen zijn met name aan de orde bij het vaststellen van strafvorderlijk beleid. Als het gaat om individuele strafzaken, kan de Minister een bijzondere aanwijzing geven. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het geven van een opdracht om tot vervolging over te gaan of het geven van een opdracht om van vervolging af te zien.
Uit de wetsgeschiedenis van de Wet RO blijkt dat de wetgever van oordeel is dat, omdat de Minister volledig verantwoordelijk is voor het OM, de reikwijdte van de aanwijzingsbevoegdheid in beginsel dan ook onbeperkt moet zijn.8 Wel zijn in bepaalde gevallen hieraan procedurele eisen verbonden. Zo moet de aanwijzing schriftelijk en gemotiveerd worden gegeven en, indien het een bijzondere aanwijzing tot niet verder opsporen of vervolgen betreft, hiervan zo spoedig mogelijk mededeling worden gedaan aan de Staten-Generaal (artikel 128 Wet RO). Voor de volledigheid merk ik hierbij op dat ook het parlement de ministeriële verantwoordelijkheid ten aanzien van het OM kan activeren door de Minister van Justitie en Veiligheid op het handelen van het OM, of het nalaten daarvan, aan te spreken.
In het kader van individuele strafzaken geeft de memorie van toelichting bij de wet die heeft geleid tot de invoering van (onder meer) de artikelen 127 tot en met 129 van de Wet RO aan, dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen ministeriële betrokkenheid bij het handelen van het OM en de daadwerkelijke uitoefening van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid.9Ministeriële betrokkenheid betekent, aldus deze memorie van toelichting, dat in de eerste plaats er goed overleg plaatsvindt tussen Minister en OM over de weg die in een bepaald geval moet worden gevolgd. Voorshands mag er van worden uitgegaan dat in verreweg de meeste gevallen dit overleg tot overeenstemming leidt. De vraag of een aanwijzing moet worden gegeven, komt dan niet aan de orde. Bovendien is in de wetsgeschiedenis opgemerkt dat de Minister zeer terughoudend dient om te gaan met het geven van bijzondere aanwijzingen. Verschillende malen in de wetsgeschiedenis is ook geëxpliciteerd dat de Minister de aan het OM toebedeelde wettelijke taken moet respecteren en terughoudend moet zijn met ingrijpen. Anders gezegd betekent dit dat de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid als een ultimum remedium kan worden beschouwd. Wanneer een bijzondere aanwijzing aan de orde zou kunnen zijn, voeren betrokken medewerkers van het departement of de Minister in beginsel eerst overleg met (betrokken medewerkers van) het OM en maakt de Minister pas van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid gebruik als dat overleg niet oplevert dat de Minister van mening is dat hij een voorgenomen besluit voor zijn rekening kan nemen.
De uitoefening van deze bevoegdheid dient vanzelfsprekend te blijven binnen de geldende juridische grenzen van het recht. Concreet worden deze bepaald door de wet, internationale verdragen en algemene rechtsbeginselen.10 Daarnaast geldt dat de Minister bij het gebruik van zijn aanwijzingsbevoegdheid ten minste gebonden is aan dezelfde algemene rechtsbeginselen waaraan ook de officier van justitie gebonden is. Daarbij valt onder meer te denken aan het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het verbod van détournement de pouvoir.

Tot slot

Hoewel de zaak Wilders 2011 niet meer onder de rechter is, ben ik van mening dat ik mij uiterst terughoudend dien op te stellen omdat ik dit dossier niet geheel los kan zien van de rechtszaak Wilders die nu nog wel onder de rechter is. Dat betekent dat ik in dit stadium niet inhoudelijk op de documenten zal ingaan. Het is namelijk van groot belang dat de rechterlijke macht zijn werk ongehinderd kan blijven doen. Aangezien het evenwel ook van het grootste belang is dat over de gang van zaken politieke verantwoording kan worden afgelegd, zal ik uw Kamer wanneer de zaak niet meer onder de rechter is uitgebreid informeren, waarbij ik ook mijn appreciatie van de gang van zaken zal geven.

De Minister van Justitie en Veiligheid,
F.B.J. Grapperhaus

BIJLAGE Verloop van het dossier rechtszaak Wilders 2011

In augustus 2007 start het OM met het verzamelen en beoordelen van de aangiften die het heeft ontvangen over de uitlatingen van de heer Wilders in de Volkskrant van 8 augustus 2007, in dagblad De Pers van 19 februari 2007, een column op internet, getiteld «Mohammed (deel II): de islamitische invasie», in de Volkskrant van 7 oktober 2006.

Op 31 oktober 2007 worden de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en de Minister van Justitie geïnformeerd over het voornemen van de heer Wilders een film te produceren die als voornaamste boodschap zou moeten hebben dat de Koran een boek is dat oproept tot geweld en dat de Koran om die reden verboden zou moeten worden. In de notitie wordt melding gemaakt van de potentiele (veiligheids-) risico’s van de aankondiging en eventuele verspreiding van de film.

Op 7 november 2007 vindt een overleg plaats tussen de Minister van BZK, de Minister van Justitie, de plaatsvervangend NCTb11 en de heer Wilders. Uit het verslag van dit overleg blijkt dat de beide Ministers rekening houden met extreem hevige reacties op de voorgenomen film en zich daarover zorgen maken. «Deze reacties kunnen zich richten op Nederlandse ambassades in het buitenland, op personeel van deze ambassades, meer in het algemeen op Nederlanders in het buitenland en op Nederlandse belangen in het buitenland. Daarnaast zijn reacties in Nederland denkbaar, die zich ook kunnen richten op persoonlijke en zakelijke relaties van de heer Wilders.» (Dit verslag is op 1 april 2008 met de Kamer gedeeld).12

Op 28 november 2007 kondigt de heer Wilders zijn film aan.

Op 15 januari 2008 schrijft het College van procureurs-generaal aan de Minister van Justitie dat het in het kader van de aangekondigde film Fitna zal bezien of er sprake is van strafbare feiten en tevens dat het zal bezien of de omstandigheden waaronder, en de wijze waarop de mogelijk strafbare uitingen gedaan zijn, kunnen betekenen dat er sprake is van een ambtsmisdrijf. De SG schrijft op dit document: «Dit lijkt me echt onzin tenzij het om de zendtijd voor politieke partijen gaat.» De Minister schrijft op 16 januari 2008 op deze nota: «m.i. wordt hier een te ruime uitleg gegeven van het begrip ambtsmisdrijf, de begrippen «macht, middel of gelegenheid» moeten worden gerelateerd aan het begrip «ambt» dat bevoegdheid impliceert.»

Op 17 januari 2008 schrijft het College van procureurs-generaal aan de Minister van Justitie dat het tot de conclusie komt dat er, inzake de uitlatingen van de heer Wilders in de krant, geen sprake is van strafbare uitlatingen in de zin van artikel 137c, 137d of 137e Sr. De heer Wilders heeft zich, met andere woorden, naar het oordeel van het Openbaar Ministerie niet schuldig gemaakt aan het beledigen van een groep mensen Wegens hun godsdienst, het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld van een groep mensen vanwege hun godsdienst, dan wel het openbaar maken, toezenden of verspreiden van discriminerende of tot haat, discriminatie of geweld aanzettende uitlatingen. Het college schrijft onder meer: «Omdat het politiek debat nog geen vrijbrief geeft om beledigende uitlatingen te doen, zal de grievendheid van de uitlating moeten worden beoordeeld. Wilders bedient zich in de uitlating niet van nodeloos grove bewoordingen en blijft bij beantwoording van de vraag van de interviewer naar de doelstellingen van zijn politieke partij binnen de grenzen van hetgeen aanvaardbaar is om zijn standpunt in het debat naar voren te brengen. Het beledigend karakter blijft derhalve aan de uitlating ontnomen.» Verder wordt opgemerkt dat het nog niet goed mogelijk is om een beoordeling te geven van de nog niet vertoonde film, omdat nog niet bekend is welke uitlatingen daarin worden gedaan en welke beelden daarbij zullen worden gebruikt.

Uit een ambtelijke memo van 28 januari 2008 blijkt dat er nog vragen zijn bij zowel de ambtenaren als bij de Minister van Justitie over de beoordeling van de aangiften door het OM. De vragen gaan over het begrip «maatschappelijk debat» en het begrip «onnodig grievend». Het College van procureurs-generaal wordt daarop gevraagd om een nadere uitwerking.

Op 30 januari 2008 volgt de nadere uitwerking via het College van procureurs-generaal. Het OM meldt dat het advies heeft gevraagd aan professor mr. Th. A. de Roos en dat deze het College heeft laten weten over de hele linie in te stemmen met de standpunten zoals door het OM geformuleerd en dat de uitlatingen van de heer Wilders niet strafbaar zijn. De Minister heeft handmatig op het document geschreven: «Speelt de bedoeling van Wilders nog een rol in die zin dat het hem gaat om electoraal gewin? Dit is waarschijnlijk niet toetsbaar door de rechter. Er is immers onmiskenbaar een debat over de invloed van de Islam in Nederland.» En «De vraag of een uitlating beledigend is moet beoordeeld worden aan de hand van de aard van de uitlating en is niet afhankelijk van de bedoeling van de dader.»

Uit een nota aan de Minister van Justitie van 1 februari 2008 blijkt dat de betrokken directies van het ministerie verschillend oordelen en adviseren over het al dan niet vervolgen van de heer Wilders. De Minister krijgt zowel argumenten voor als tegen vervolging. Onder meer wordt er geschreven dat nu er ruimte is voor een ander oordeel (positief of negatief) zou dat in ieder geval door de rechter moeten worden geveld en niet door het OM onder verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie. Daarnaast valt er te lezen dat ongeacht de beslissing het aanbeveling verdient de publiciteit te zoeken en de redenen voor de beslissing actief voor het voetlicht te brengen. In de nota schrijft men verder dat de vervolgingsbeslissing onder andere kan worden gemotiveerd met de wens op te treden tegen de vergroving en verharding van het maatschappelijke debat. De SG schrijft hierbij de opmerking: «tja...maar daarvoor is het strafrecht niet altijd het meest aangewezen middel.»

Bij de opmerking in de nota dat er geen politieke verantwoording hoeft te worden afgelegd over de beslissing om niet tot een aanwijzing over te gaan schrijft de SG: «M.i. is argument onjuist. Er moet altijd verantwoording worden afgelegd. In beide gevallen. De vraag is: wat wil de Minister verantwoorden.

In de nota schrijft men voorts dat «...in het geval de film van Wilders wordt vertoond en er sprake is van maatschappelijke commotie kunt u met verwijzing daarnaar, zonder de schijn van een politiek proces, via het OM een oordeel van de rechter vragen over de uitlatingen of beelden in de film, ook wanneer de strafwaardigheid daarvan discutabel is. Wellicht dat in een dergelijke situatie het OM zich niet (meer) zal verzetten tegen een vervolging. Een dergelijke zaak leent zich dan beter voor een vervolging. Bovendien heeft u in een dergelijke situatie de strafrechtelijke vervolging van Wilders als nog-niet gebruikt instrument beschikbaar om te reageren op de ontstane commotie». De SG schrijft op de nota: «Hoewel ik sympathie heb voor vervolgen, acht ik op dit moment de nadelen van vervolgen groter dan de voordelen. Als er vervolgd wordt dan op het moment dat we daarin ook de film kunnen betrekken. Dan hebben we een duidelijk signaal op het moment dat daaraan dringend behoefte bestaat.»

Op 7 februari 2008 heeft de Minister van Justitie een overleg met de landsadvocaat over de mogelijkheden de film Fitna te verbieden. In de voorbereidende nota wordt gewezen op de eerdere notities die hierover door de landsadvocaat zijn opgesteld. Het ambtelijk advies luidt dat een civielrechtelijke procedure niet productief lijkt wanneer het gaat om voorkomen van verstoring van openbare orde en veiligheid in binnen- en buitenland. Een strategie gericht op versterken van weerbaarheid in het binnenland en intensivering van diplomatieke inspanningen in het buitenland in combinatie met een stevige inzet op afstand nemen van de inhoud (en eventueel strafrechtelijke maatregelen) na vertoning lijkt effectiever.

Op 7 februari 2008 vraagt de Minister van Justitie het college van procureurs-generaal nog eens advies te vragen aan een EVRM-deskundige. Het college vindt daarop mr. dr. H.J.B. Sackers bereid. Op 26 februari 2008 ontvangt de Minister via het college diens bevindingen. Mr. Sackers concludeert dat de kans op veroordeling zeer klein is en adviseert niet te vervolgen. De bevindingen van De Roos en Sackers sterken de betreffende hoofdofficier in de voorgenomen afdoening van de aangiftes tegen Wilders. Verder schrijft het OM dat nog de vraag resteert wanneer de afdoeningsbeslissing publiek zal worden gemaakt.

Op 27 februari 2008 vraagt de Minister van Justitie het College van procureurs-generaal nog een andere deskundige, te weten prof. Dr. R.A. Lawson, mee te laten kijken.

Op 3 maart 2008 stuurt de heer Spong aan de Minister van Justitie een afschrift van de aangifte die hij namens verschillende personen doet tegen de heer Wilders wegens het aanzetten tot haat op basis van het artikel in de Volkskrant op 8 augustus 2007. In deze brief schrijft de heer Spong dat, in de opvatting van aangevers, hier sprake is van een dringende maatschappelijke urgentie de heer Wilders strafrechtelijk te vervolgen wegens de misdrijven als bedoeld in de artikelen 137c en/of 137d Sr. en verzoekt hij de Minister hiertoe over te gaan. De heer Spong komt in zijn onderbouwing onder meer tot de conclusie dat de uitlatingen van de heer Wilders wel «onnodig kwetsend» zijn. De Minister schrijft op deze brief: «SVP kopie voor mij bij stukken tbv overleg met PG Brouwer.»

De notitie van Lawson, «A constant search for balance», dateert van 13 maart 2008. Lawson steunt tot op zekere hoogte het standpunt van het OM, maar ziet vanuit de invalshoek van het EVRM wél een mogelijkheid om Wilders te vervolgen. In notitie behandelt Lawson onder meer de vraag of Nederland al dan niet verplicht is om te vervolgen. Het uitblijven van vervolging zou in dat geval kunnen leiden tot een klacht tegen Nederland van benadeelden dat Nederland te kort is geschoten in het beschermen van hun rechten. De Minister van Justitie ontvangt deze notitie op 25 maart 2008 via het College van procureurs-generaal. Het College van procureurs-generaal informeert de Minister daarbij nogmaals om de Minister voldoende inzicht te geven over de denkwijze en het uiteindelijke oordeel van het OM om niet tot vervolging over te gaan in verband met de uitlatingen van de heer Wilders. Het college vraagt de Minister in te stemmen. De Minister schrijft op deze nota: «Graag nader overleg. De redenering van het OM waarom er geen sprake zou zijn van aanzetten tot discriminatie in de zin van art. 137d Sr bij uitlating 3 en 4 is niet overtuigend. Wat uitlating 1 betreft, er zijn twee interpretaties mogelijk bij de ene zou 137c bij de andere 147 Sr van toepassing zijn.»

De film Fitna werd voor het eerst uitgezonden via internet op 27 maart 2008.

Op 4 april 2008 melden ambtenaren dat er bij het gerechtshof te Amsterdam een klacht ingevolge artikel 12 Sv. is ontvangen. Het beklag wordt gedaan tegen het uitblijven van een beslissing op de aangifte ter zake van artikel 137c, 137d en 137e Sr tegen de heer Wilders.

Op 1 april 2008 vindt een Kamerdebat plaats over de verklaring van de Minister-President, de Minister van Algemene Zaken, over de internetfilm Fitna. In dit debat wordt het verslag uitgedeeld van het overleg tussen de Minister van BZK, de Minister van Justitie, de plaatsvervangend NCTb en de heer Wilders op 7 november 2007.

Op 9 april 2008 wordt in een ambtelijke memo aan de Directeur Generaal ter voorbereiding op een gesprek met de Minister van Justitie opgeschreven dat het van belang is duidelijkheid te krijgen over de vraag «waar het wezenlijke probleem van de Minister nu zit. Dat maakt veel uit voor de verdere aanpak van de aangiftes.» In de nota wordt de vraag aan de orde gesteld of het gaat om een inhoudelijk verschil van mening op juridisch vlak (met daarachter de kwestie van de rechtsvragen die aan de orde zijn en die oplossing behoeven, eventueel door nieuwe wetgeving), of het gaat om de politieke behoefte een daad te stellen («Wilders aanpakken»)? Of dat het wellicht een combinatie van beide is. Deze nota is niet gericht aan de Minister en bereikt de Minister niet.

Op 24 april 2008 stuurt de heer Spong een brief aan de Minister van Justitie met daarbij een afschrift van de brief van 23 april 2008 van de heer Spong aan het Parket Amsterdam. In deze laatste brief gaat de heer Spong met betrekking tot zijn eerdere aangifte in op de term «fascisme». In zijn brief aan de Minister schrijft de heer Spong dat hem is gemeld dat de besluitvorming over de eerder gedane aangifte nog niet is voltooid en; «aangezien ik de mogelijkheid niet kan uitsluiten dat u bij voormelde besluitvorming betrokken zult raken, acht ik het dienstig u hierbij afschrift van de aangifte en van mijn brief d.d. 23 april 2008 te doen toekomen.»

Op 28 april 2008 wordt de Minister van Justitie gemeld dat het College van procureurs-generaal van mening is dat in «Fitna» geen strafbare uitingen voorkomen. Het College is voornemens de hoofdofficier van justitie te Amsterdam goedkeuring te verlenen aan zijn voorstel aangevers te berichten dat er geen vervolging zal plaatsvinden in verband met de film «Fitna». De Minister schrijft op de begeleidende memo aan zijn ambtenaren; «Ik zie graag het advies tegemoet. Het OM besteedt m.i. te weinig aandacht aan het aanzetten tot discriminatie.» In de daaropvolgende adviesnota van de ambtenaren van het ministerie aan de Minister van 14 mei 2008 wordt de Minister gevraagd in te stemmen met het voornemen van het OM om niet te vervolgen.

Uit een memo van 18 juni 2008 blijkt dat de Minister van Justitie heeft gevraagd of een niet-vervolging zich goed verhoudt tot hetgeen hij in het kader van de inwerkingtreding van het Europees kaderbesluit racisme en vreemdelingenhaat naar voren heeft gebracht, te weten dat 137c en 137d Sr voldoende houvast bieden, terwijl in een zaak als Wilders de wet kennelijk toch onvoldoende soelaas biedt. Op 20 juni 2008 wordt de Minister met een ambtelijke nota gevraagd in te stemmen met het kenbaar maken van de voorgenomen beslissing van het OM om geen vervolging in te stellen in de zaak Wilders (uitlatingen in de krant en film). Daarbij ontvangt de Minister tevens informatie dat de eerder gedane uitspraken zich goed verhouden tot niet-vervolgen van de heer Wilders.

Op 30 juni 2008 maakte het OM bekend dat het van oordeel is dat uitlatingen van de heer Wilders in de krant en zijn film «Fitna» niet strafbaar zijn en dat hij daarom niet zal worden vervolgd.

Op 21 januari 2009 wordt de Minister van Justitie geïnformeerd over de uitspraak van het Hof Amsterdam, waarin het Hof het OM beveelt de heer Wilders alsnog te vervolgen ter zake van het aanzetten tot haat en discriminatie (artikel 137d Sr) evenals ter zake van groepsbelediging voor zover het betreft de vergelijking met het nazisme (artikel 137c Sr). In deze nota aan de Minister wordt ook gemeld dat de Jordaanse autoriteiten veel belangstelling hebben getoond voor de klachtprocedure bij het Hof Amsterdam en dat de inschatting van ambtenaren van Buitenlandse Zaken is dat Jordanië zal afzien van verdere vervolging tegen de heer Wilders, nu het Hof Amsterdam tot de slotsom is gekomen dat het OM alsnog tot vervolging zal moeten overgaan.

Het college van procureurs-generaal informeert de Minister van Justitie op 25 juni 2009 over de planning van de zaak. In het bericht staat dat bij de rechtbank Amsterdam het verzoek is neergelegd om de zaak Wilders in november 2009 inhoudelijk te behandelen.

Op 21 juli 2009 wordt de Minister van Justitie met een ambtelijke memo geïnformeerd dat anders dan eerder is gemeld de pro-formazitting niet in september zal plaatsvinden maar op 12 oktober, met uitloop naar 13 oktober. De rechtbank zou hebben aangegeven niet eerder te kunnen.

Met een memo van 15 september 2009 wordt de Minister middels een ambtelijke nota geïnformeerd dat de zitting niet in oktober zal plaatsvinden, maar op 20 januari 2010. In de memo staat hier verder over: «Het Parket-Generaal heeft over de nieuwe planning het volgende aangegeven. Bij het plannen van een zitting heeft de Rechtbank de regie gehad. Aanvankelijk was voor een regiezitting in oktober gekozen, maar Wilders en zijn advocaat konden dan niet aanwezig zijn. Bij een nieuwe poging een zitting te plannen is de Rechtbank op 20 januari 2010 uitgekomen. In verband met de gewenste samenstelling van de Rechtbank en beschikbaarheid van procespartijen, kon niet op kortere termijn een datum worden gevonden. Het Openbaar Ministerie is ook pas heel laat van deze datum op de hoogte gesteld.» Door een ambtenaar is handmatig op dit memo geschreven; «NB, hoe later het wordt hoe meer het Wilders in de kaart speelt. Is hier niet enige regie nodig?»

Bij nota van 21 september 2009 wordt de Minister nogmaals geïnformeerd dat de regiezitting gepland is op 20 januari 2010 en dat over de planning van de inhoudelijk behandeling nog niks kan worden gezegd.

Op 25 november 2009 ontvangt de Minister bericht dat de heer Wilders op 1 december 2009 zal worden gedagvaard. De Minister ontvangt hierbij tevens informatie van het OM ten aanzien van de tenlastelegging, de benadeelde partijen, het verhoorplan, de planning en het requisitoir.

Op 3 februari 2010 wordt de Minister per nota op de hoogte gebracht van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam in de regiezitting, waarin de rechtbank 3 van de gevraagde 18 getuigen-deskundigen toewijst. De Minister schrijft op deze nota; «heeft het OM ook (meer gerenommeerde) deskundigen?»

In antwoord op deze vraag van de Minister staat in een nota van 11 februari 2010 aan de Minister: «Het OM stelt zich op het standpunt dat het een feit van algemene bekendheid is dat de Islam wel tot geweld kan, maar niet hoeft te leiden. Het OM heeft daarom geen reden gezien zelf een islamdeskundige in te schakelen en het initiatief daartoe te nemen. Het is niet aan de strafrechter «de waarheid» omtrent de Islam vast te stellen; niet de Islam staat terecht.»

Op 17 februari 2010 wordt de Minister per nota geïnformeerd dat 6 islamdeskundigen een brief aan het OM hebben gestuurd. In deze nota staat tevens dat het OM heeft besloten deze brief niet in het dossier te voegen. De Minister schrijft op deze nota: «waarom niet? Is toch ingekomen stuk?»

In een nota aan de Minister van 2 maart 2010 staat: «Gelet op de verkiezingen voor de Tweede Kamer op 9 juni 2010 is door het Openbaar Ministerie bij de Rechtbank Amsterdam geïnformeerd naar de planning van de voortzetting van het proces Wilders. De Rechtbank heeft aangegeven dat het proces in ieder geval niet voor de verkiezingen zal worden hervat.»

Op 3 maart 2010 waren gemeenteraadsverkiezingen en op 9 juni 2010 volgden de verkiezingen voor de Tweede Kamer.

Op 7 oktober 2010 ontvangt de (nieuwe) Minister van Veiligheid en Justitie een nota ter informatie waarin wordt gemeld dat dat de zaak nog onder de rechter is en dat zijn ambtsvoorganger altijd is geïnformeerd over de voortgang van deze zaak. De nota vermeld dat «de strekking van het requisitoir» vooraf met de Minister zal worden gedeeld. De nota gaat er vanuit dat de uitspraak volgens planning op 4 november 2010 zal zijn.

De uitspraak waarin de heer Wilders werd vrijgesproken volgde uiteindelijk in juni 2011.

Noot 1: Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.

Noot 2: Zie bijvoorbeeld Handelingen II 2007/08, item 70, p. 4880–4921.En de documentaire «Het proces Wilders», Human, 2011.

Noot 3: Kamerstuk 28 362, nr. 23.

Noot 4: Ter vertrouwelijke inzage gelegd, alleen voor de leden, bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer tot en met 2 juli 2020.

Noot 5: Zie bijvoorbeeld Kamerstuk 24 034 over de reorganisatie van het OM en Kamerstuk 25 392 aangaande het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Noot 6: Kamerstuk 25 392, nr. 3, p. 47.

Noot 7: Voor een uitgebreide beschouwing van de aanwijzingsbevoegdheid sinds 1814 wordt verwezen naar: M.E. Verburg «De Minister de baas. Minister van Justitie en openbaar ministerie. Grepen uit de historie van de aanwijzingsbevoegdheid», Den Haag: Sdu Uitgevers 2004.

Noot 8: Kamerstuk 25 392, nr. 3, p. 22.

Noot 9: Kamerstuk 25 392, nr. 3, p. 24.

Noot 10: Kamerstuk 25 392, nr. 3, p. 24–25.

Noot 11: De NCTb valt in 2007 onder de Ministers van Justitie én Binnenlandse Zaken.

Noot 12: Kamerstuk 31 402, nr. 3.