Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2009-2010

Nr. 52

Vastgesteld 19 april 2010

De vaste commissie voor Economische Zaken1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Economische Zaken naar aanleiding van de brief van 29 januari 2010 inzake de uitvoering motie Blanksma-van den Heuvel/Elias (Kamerstuk 31 311 nr. 33) over effectiviteit ondernemerschaps- en innovatieinstrumentarium (Kamerstuk 31 311, nr. 38).

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 16 april 2010. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,
Timmer

Adjunct-griffier van de commissie,
Van der Velden

1

Kunt u aangeven welke prestatie-indicatoren met betrekking tot resultaten (outcome) worden gehanteerd bij de doelstelling van Economische Zaken «het ondernemerschap- en innovatieinstrumentarium heeft ten doel bij te dragen aan het stimuleren van ondernemerschap en innovatie»? Welke doelstellingen voor deze interpretatie van prestatie-indicatoren zijn geformuleerd voor 2009 en 2010? Indien niet op outcome wordt gemeten, waarom wordt dit nagelaten en hoe wordt het werkelijke effect van de subsidies dan wel gemeten? Kunt u aangeven in hoeverre deze doelstellingen voor 2009 zijn gehaald? Kunt u aangeven, indien deze doelstellingen niet zijn gehaald, wat daarvan de oorzaken zijn?

In de begroting komen prestatie-indicatoren en kengetallen voor. Voor prestatie-indicatoren worden doelen vastgesteld. Kengetallen zijn vooral bedoeld om inzicht te krijgen in de ontwikkelingen in de laatste jaren op een bepaald beleidsterrein. Voor deze kengetallen worden geen doelstellingen vastgesteld.

Voor ondernemerschap- en innovatiebeleid geldt dat de overheid niet als enige invloed heeft op de resultaten. Het overheidsbeleid is faciliterend en stimulerend, maar de ondernemers moeten het doen. In respectievelijk artikel 3 en artikel 2 van de EZ-begroting zijn voor ondernemerschap de ondernemersquote en de plaats op de Global Competitiveness Index (GCI) van het World Economic Forum (WEF) opgenomen als kengetallen. Voor innovatie zijn verschillende kengetallen opgenomen in de begroting zoals R&D-uitgaven, de plaats op het European Innovation Scoreboard, het aantal aangevraagde Europese octrooien en het aandeel innoverende bedrijven in het mkb. Voor deze kengetallen zijn derhalve geen doelstellingen vastgesteld waarop alleen de overheid afrekenbaar zou zijn. Er zijn echter wel ambities op langere termijn waaraan gezamenlijk wordt gewerkt, zoals een top-5 positie in de GCI en 3% R&D-uitgaven.

Om op instrument/maatregelniveau het gevoerde beleid te kunnen beoordelen zijn er evaluaties, beleidsdoorlichtingen en worden er voor zoveel mogelijk voor instrumenten doelstellingen opgenomen op output-niveau in de begroting, in de vorm van prestatie-indicatoren. In het jaarverslag van EZ over 2009 wordt hier nader op ingegaan. Daarnaast toont het kabinet met de deliverysystematiek2 de voortgang van het Beleidsprogramma «Samen Werken, Samen Leven». In de verantwoordingsbrief zult u nader worden geïnformeerd over de mate waarin de relevante doelstellingen in pijler 2 (doelstelling 14: «Het versterken van het innovatief vermogen van de Nederlandse economie» en doelstelling 15: «meer zelfstandige ondernemers met personeel en sneller groeiers in 2011») zijn behaald.

2

Is voorzien in een beleidsdoorlichting van het gehele innovatie- en ondernemerschapsbeleid, dus van alle zeven modules tegelijk?

Nee, deze is niet voorzien. De zeven modules omvatten samen het volledige EZ-beleid terwijl een beleidsdoorlichting, vanwege de omvang, meestal maar een gedeelte van het beleid evalueert, namelijk op het niveau van een algemene of operationele doelstelling, waarbij integraal gekeken wordt naar een geheel beleidsveld per begrotingsartikel. Een dergelijke periodieke beleidsdoorlichting geeft inzicht in de legitimiteit, doelmatigheid en doeltreffendheid van het gevoerde beleid en betreft een meta-analyse van het totale instrumentarium binnen dit beleidsveld.

Overigens wordt in de heroverweging «innovatie en toegepast onderzoek» het gehele artikel 2 van de EZ-begroting doorgelicht. Daarnaast vond er in 2008 de beleidsdoorlichting van OD 2 van artikel 3 (Stimuleren meer en beter ondernemerschap)3 plaats en staat er voor later dit jaar een beleidsdoorlichting van OD 3 van artikel 3 (Benutten van gebiedsgerichte economische kansen) gepland.

3

Welk beleidsinstrument is per module het minst succesvol gebleken?

De indeling van het EZ-instrumentarium in modules bestaat pas sinds kort. Dit is het resultaat van de herijking in 20054 en de daarop voortbouwende stroomlijning van het instrumentarium in 20085. In dat proces zijn niet-effectieve instrumenten gestopt of aangepast. Daarnaast worden de instrumenten regelmatig geëvalueerd op effectiviteit. Bij gebrek aan effectiviteit worden instrumenten aangepast of zelfs helemaal afgeschaft. Zo zijn de Subsidieregeling Kennisoverdracht Ondernemers MKB (SKO) en Subsidieregeling Kennisoverdracht Brancheorganisaties (SKB) in 2008 ingetrokken. Ook zijn verschillende instrumenten nog te jong om de effectiviteit vast te stellen.

4

Wat wordt bedoeld met de zinsnede «tevens is effectiviteit een belangrijk onderdeel van de rijksbrede heroverweging, waaronder die van innovatie en toegepast onderzoek»? Wat zijn de beoordelingscriteria voor effectiviteit?

In brief van de minister-president aan de Kamer van 25 september 20096 is de opdracht aan de werkgroepen toegelicht. De werkgroepen (waaronder de werkgroep Innovatie en toegepast onderzoek) wordt gevraagd «langs verschillende wegen mogelijke besparingen in beeld te brengen, al dan niet in combinatie, zoals (maar niet uitsluitend): (...) Toetsing van gevoerd beleid op nut, noodzaak en doeltreffendheid (...)». In het heroverwegingsrapport is de Kamer nader geïnformeerd over de wijze waarop doeltreffendheid door de ambtelijke heroverwegingswerkgroep wordt beoordeeld.

5 en 6

Kunt u aangeven welke constateringen in de evaluaties en beleidsdoorlichtingen aanleiding zijn geweest tot het aanbrengen van verbeteringen in individuele instrumenten en de instrumentenmix?

Kunt u aangeven welke concrete verbeteringen in de individuele instrumenten en de instrumentenmix zijn aangebracht, welke concrete effecten met de verbeteringen worden beoogd in relatie tot de op pagina één van uw brief genoemde prestatie-indicatoren en doelstellingen en op welk moment de Kamer hierover in het verleden is geïnformeerd?

Het parlement wordt regelmatig geïnformeerd over de effectiviteit van het bedrijfsgerichte subsidie-instrumentarium. In de reguliere cyclus van begroten en verantwoorden (VBTB) is aandacht voor de effectiviteit van het instrumentarium. Dit betekent dat in de EZ-begroting en vooral in het jaarverslag aandacht aan effectiviteit wordt besteed. Daarnaast worden alle (financiële) instrumenten gemiddeld in een periode van 3 tot 5 jaar geëvalueerd op doelmatigheid en doeltreffendheid en op basis daarvan worden verbeteringen doorgevoerd. Een overzicht van recente en komende evaluaties is een vast onderdeel van de begroting. Tenslotte meet en verantwoordt het kabinet de voortgang en de effecten van het Beleidsprogramma «Samen Werken, Samen Leven» middels de deliverysystematiek7.
De conclusies over en verbeteringen van individuele instrumenten zijn te vinden in de bijlage van de kamerbrief naar aanleiding van de motie Blanksma-van den Heuvel/Elias over de effectiviteit van het ondernemerschaps- en innovatie-instrumentarium8. Waar het gaat om de instrumentmix zijn de herijkingsbrief uit 2005 en de stroomlijning van het instrumentarium uit 200810 relevant. Met de herijking is het instrumentarium verdeeld in een basispakket en een programmatisch pakket. De stroomlijning heeft gezorgd voor een verdere vereenvoudiging van het instrumentarium. Beide operaties hebben als doel de doelmatigheid en doeltreffendheid van instrumenten te vergroten en de toegankelijkheid van het instrumentarium te verbeteren.

7

Hoeveel heeft de recente stroomlijning van het instrumentarium van het ministerie van Economische Zaken opgeleverd in termen van efficiency? Hoe beoordeelt u efficiency hier? Op welke wijze wordt bepaald wat voldoende is?

De Kamer is in 2008 geïnformeerd over het Kaderbesluit EZ-subsidies11 (hierna: Kaderbesluit. Zie voor hoofdlijnen van dit besluit ook het antwoord op vraag 9). Hierbij is aangegeven dat het niet mogelijk is een overall percentage efficiencywinst te noemen. Wel is het uitgangspunt – zoals aangegeven in de stroomlijningsbrief – dat voor een reguliere subsidieregeling (vgl. een tender op het gebied van innovatie) een vermindering van zeker 25% in administratieve lasten gehaald moet worden voor de gebruiker. Actal heeft dan ook positief over het Kaderbesluit geadviseerd. Het Kaderbesluit is daarna, in 2009, in werking getreden met de eerste 4 modules. Begin 2010 zijn de 3 laatste modules onder de werking van het Kaderbesluit gebracht. Het in de stroomlijningsbrief geschetste model van zeven modules is daarmee nu volledig ingevoerd. Dit betekent echter dat het merendeel van de subsidies in de jaren daarvoor nog volgens de toenmalig geldende kaders zijn verdeeld. De voordelen zijn voor deze groep ondernemers (en ook in de uitvoering) dus nog niet merkbaar. De efficiency wordt beoordeeld aan de hand van de kabinetsdoelstellingen in het kader van administratieve lastenverlichting en de taakstelling vanuit het Programma Vernieuwing Rijksdienst. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 10.

8

Welke instrumenten van de modules van het programmatisch pakket worden binnen de gestelde focus meegenomen in de evaluatie en hoe is de selectie op delen van de genoemde modules tot stand gekomen?

De instrumenten die zijn meegenomen, zijn allemaal terug te vinden in de bijlage van de kamerbrief naar aanleiding van de motie Blanksma-van den Heuvel/Elias over de effectiviteit van het ondernemerschaps- en innovatie-instrumentarium.

In de motie wordt gesproken van «subsidieregelingen voor ondernemingen» en «subsidieregelingen voor ondernemerschap en innovatie». Dat betekent dat in de selectie dus regelingen meegenomen zijn die ten goede komen aan ondernemingen en daarnaast ondernemerschap en/of innovatie stimuleren. Het begrip subsidie is hier breed opgevat en bijvoorbeeld ook fiscale regelingen, kredieten en borgstellingsregelingen meegenomen.

9

Op welke wijze wordt de laagdrempeligheid en/of toegankelijkheid van instrumenten in het basispakket getoetst, zowel objectief als qua beleving bij ondernemers? En kent u de signalen dat voor sommige ondernemers zelfs de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk niet wordt aangevraagd vanwege de te grote administratieve druk?

Laagdrempeligheid en/of toegankelijkheid van ieder subsidie-instrument van EZ, dus ook de instrumenten uit het basispakket, wordt op verschillende manieren getoetst. Vermindering van regeldruk is daarbij een speerpunt. Objectieve toetsing van de regeldruk vindt plaats door de meting van de administratieve lasten (AL) volgens het Standaard Kosten Model zoals dat door het kabinet is voorgeschreven als systematiek voor AL-onderzoek. Bij wijziging van het instrumentarium worden de administratieve lasten volgens dezelfde systematiek gekwantificeerd en voor externe toetsing aan Actal voorgelegd. Actal heeft hierbij positief gereageerd op het gehele instrumentarium onder het Kaderbesluit. Daarnaast wordt dit ook via algemene klanttevredenheidsmetingen of meer gericht onderzoek periodiek gecontroleerd.

De ervaringen van ondernemers worden betrokken bij de ontwikkeling van beleid, zodat onder meer de uitvoering en dienstverlening verder kunnen worden verbeterd. Zo zijn de subsidies van EZ per 1 januari 2010, als gevolg van de stroomlijningsbrief van 28 februari 200813, ondergebracht in een nieuw gestroomlijnd systeem, het Kaderbesluit EZ-subsidies, dat in samenspraak met het bedrijfsleven tot stand is gekomen. Het aantal regelingen is teruggebracht, instrumenten zijn ondergebracht in logische modules en de onderlinge samenhang van het instrumentarium is vergroot. In het verlengde daarvan wordt ook een vereenvoudiging van het proces van subsidie- en kredietverlening voor de ondernemer gerealiseerd, bijvoorbeeld door standaardisatie van formulieren. Daarnaast is het uitgangspunt de ondernemer meer vertrouwen te geven («high trust»), wat bijvoorbeeld al gebeurt door het uitbetalen van automatische voorschotten en minder controles. Met de recente vorming van één nieuw uitvoeringsagentschap, Agentschap NL, beoogt EZ langs deze lijnen het serviceniveau en de efficiency in de uitvoering te verhogen. Toegankelijkheid van de uitvoering wordt versterkt door Antwoord voor Bedrijven. Via deze weg worden ondernemers met vragen duidelijk doorverwezen naar de adviseurs die hen kunnen helpen met hun subsidieaanvraag. Via het Meldpunt Regelgeving vinden klachten van ondernemers over onduidelijke regelgeving, ingewikkelde procedures, slechte dienstverlening en bureaucratie van de overheid hun weg naar de betrokken instanties en worden van antwoord voorzien en/of bij de beleidsontwikkeling en uitvoering betrokken.
Signalen over te grote administratieve druk bij de WBSO worden incidenteel ontvangen. De WBSO vereist het bijhouden van uren per werknemer per project. Zonder dit is het onmogelijk om de hoogte van het financiële voordeel voor de ondernemer te kunnen bepalen. Enkele ondernemers zien dit als een te zware administratieve last. Uit het WBSO-evaluatierapport van EIM en UNU-MERIT uit 200714 volgt echter dat de administratieve lasten voor gebruikers (i.e. WBSO-aanvragers) niet uitzonderlijk hoog zijn. Voorts blijkt uit het evaluatierapport dat de verplichte S&O-administratie voor de meeste administratieve lasten zorgt, maar dat ongeveer tweederde van de gebruikers aangeeft deze administratie ook zonder WBSO te zullen voeren. Als hiervoor gecorrigeerd zou worden, dan zouden volgens EIM de administratieve lasten bijna halveren. Als het gaat om de AL die gebruikers ervaren, kan gesteld worden dat de WBSO bekend staat als een mkb-vriendelijke en laagdrempelige regeling. Uit klanttevredenheidsonderzoek (2008) blijkt dat WBSO-aanvragers de WBSO met een 7,5 beoordelen. Dit algemene oordeel is samengesteld uit onderdelen die (indirect) inzicht geven in de beleving van de AL door WBSO-aanvragers. Er is zowel naar vormen15 als naar aspecten16 van de dienstverlening door de WBSO gekeken, waarvan alle beoordelingen gelegen zijn tussen 7,4 en 8,0. De beschikbare gegevens wijzen dus niet op een (te) grote administratieve lastendruk, noch vanuit objectief oogpunt, noch vanuit belevingsperspectief.

10

Kunt u aangeven welk concreet resultaat wordt beoogd met de recente stroomlijning van het instrumentarium van het ministerie van Economische Zaken in relatie tot de op pagina één genoemde prestatie-indicatoren en doelstellingen? Welke besparing in de administratieve en uitvoeringslasten wordt beoogd met deze stroomlijning?

Door de stroomlijning van het EZ-instrumentarium, die recent heeft plaatsgevonden, is het bedrijfsgerichte financiële instrumentarium sterk vereenvoudigd en zijn de regelingen toegankelijker geworden voor ondernemers. Na de Herijking Financieel Instrumentarium is een forse vereenvoudiging van de regelingen doorgevoerd en zijn het basispakket en de programmatische aanpak geïntroduceerd. De stroomlijningsoperatie heeft hierop verder gebouwd, en de implementatie ervan, waar nodig, een krachtige nieuwe impuls gegeven. Dit heeft geleid tot een instrumentarium dat vooral efficiënter is voor ondernemers.

Daarnaast is er één bindende set van algemene (subsidie-)voorwaarden voor heel EZ ontwikkeld, en worden lagere administratieve lasten bereikt door ondernemers meer vertrouwen te geven («high trust») en door regels efficiënt aan te laten sluiten bij de bedrijfsvoering van bedrijven en kennisinstellingen. De uitvoeringsorganisatie Agentschap NL borgt dat geharmoniseerde regelgeving ook uniform wordt toegepast en dat high trust geen kreet, maar werkelijkheid is.

Het instrumentarium van EZ sluit aan bij het rijksbreed bindende, uniforme uitvoeringskader voor subsidies. Doel van dit rijksbrede kader is om de uitvoerings- en administratieve lasten van alle rijkssubsidies van departementen aan burgers, bedrijven, instellingen en medeoverheden te reduceren. Het gaat dan om de vereenvoudiging en uniformering van voorwaarden en procedures van de uitvoerings- en verantwoordingseisen.

In oktober 2009 is het EIM-onderzoek naar de effecten van het Kaderbesluit op de administratieve lasten (AL) van de subsidieontvanger afgerond. Het effect van het Kaderbesluit is dat de beoogde 25% besparing voor een reguliere subsidieverstrekking gehaald wordt.

Doordat het instrumentarium transparanter en efficiënter is, mag worden verwacht dat er sprake is van een positieve bijdrage aan de doelstellingen van het instrumentarium. Zo lopen aanvraagprocedures sneller en kosten ze minder. Het gevolg is dat bedrijven meer tijd en energie kunnen steken in de uitvoering van projecten.

11

Kunt u een actualisatie verschaffen van de tabel en overige gegevens in «box 1: een voorbeeld uit het basispakket»?

De tabel en overige gegevens uit «box 1» van de kamerbrief naar aanleiding van de motie Blanksma-van den Heuvel/Elias over de effectiviteit van het ondernemerschaps- en innovatie-instrumentarium zijn afkomstig uit de evaluatie van de BMKB (toen nog BBMKB) uit 200519. Er staat later dit jaar een nieuwe evaluatie van de BMKB gepland. Zodra deze nieuwe evaluatie is afgerond, zal de Tweede Kamer hierover worden ingelicht.

12

Wat is de stand van zaken bij de inventarisatie van vragen en klachten (aantal en aard) die bij de Ondernemerskredietdesk binnenkomen? Hoe beoordeelt u de ontwikkeling van de cijfers?

De Ondernemerskredietdesk is gestart op 10 november 2009. Het betreft een initiatief van MKB-Nederland, VNO-NCW en de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), en heeft de steun van EZ. Tot en met februari 2010 zijn er 596 contacten geweest tussen bedrijven en de Ondernemerskredietdesk. Er zijn 223 vragen gesteld en afgehandeld, en 373 klachten binnengekomen. De helft van de klachten betreft de weigering van een bank om krediet te verlenen. Andere veelgemelde klachten zijn dat de bank het bestaande krediet heeft ingetrokken of heeft beperkt.

In het kader van de Taskforce Kredietverlening wordt met de banken een dieper gaande analyse uitgevoerd om een beeld te krijgen hoe deze cijfers geïnterpreteerd moeten worden.

13

Hoe ziet de agenda van de Taskforce Financiering eruit? Hoe worden de ondernemers op de hoogte gehouden van de activiteiten en de uitkomsten van overleggen en contacten?

De Taskforce Kredietverlening heeft de volgende taken geformuleerd:

  • 1.  de informatie uit de Ondernemerskredietdesk en andere bronnen over de problemen van ondernemingen met kredietverlening analyseren. Hierbij zal onder meer gekeken worden naar sectorale, regionale of financieringsspecifieke problemen.
  • 2.  op basis van deze analyse met aanbevelingen komen richting banken, overheid en werkgevers/brancheorganisaties, waarbij onder andere gekeken zal worden naar het gebruik en de praktische bruikbaarheid van de overheidsinstrumenten op het gebied van kredietverlening.
  • 3.  regelmatig overleggen met relevante partijen, waaronder vertegenwoordigers van de banken en van de verantwoordelijke ministeries.
  • 4.  de mogelijkheden voor ondersteuning bij het aanvragen van krediet specifiek in het segment van de kleine kredieten verder uitwerken.
  • 5.  nadrukkelijk geen rol vervullen als bemiddelaar of ombudsman in individuele gevallen.

Ondernemers worden via verschillende kanalen op de hoogte gehouden, onder andere de website, de nieuwsbrief, evenementen zoals de week van de ondernemer, cursussen en spotjes op de radio.

14

Waar of bij wie moeten ondernemers die bij alle banken «nul op het rekest» krijgen bij hun goed onderbouwde kredietaanvraag zich in eerste instantie melden? Wat kan deze ondernemer verwachten?

Tijdens het Algemeen Overleg op 11 februari 2010 is toegezegd aan de Taskforce te vragen advies uit te brengen over dit onderwerp. Dit verzoek is aan de Taskforce voorgelegd.

15

Hoe hoog is het percentage kredieten dat van overheidswege wordt voorzien van een garantie of borgstelling (zoals de Borgstelling MKB Kredieten)? Is het waar dat dit slechts ongeveer één procent is?

Het relateren van de overheidsgaranties en borgstellingen aan het totale volume aan kredietverlening aan het bedrijfsleven heeft als nadeel dat daarmee uit het oog verloren wordt dat de betreffende overheidsregelingen slechts op een beperkt deel van die totale markt van toepassing zijn.

Er zijn geen exact vergelijkbare cijfers beschikbaar tussen het datamateriaal van De Nederlandsche Bank en de BMKB. Wel is een ruwe benadering mogelijk, die slechts gebruikt kan worden om de orde van grootte van het gevraagde percentage weer te geven.

Het aandeel van de BMKB is – in de enige markt waarvoor vergelijkingsmateriaal aanwezig is (leningen van minder dan € 1 mln) – naar schatting circa 7%. Daarbij moet worden aangetekend dat de BMKB niet van toepassing is op bepaalde sectoren, zoals de landbouw en de zorg, waar eigen garantieregelingen bestaan. Hiervan zijn geen cijfers beschikbaar. Het genoemde aandeel van de BMKB in de betreffende relevante markt is daarom een onderschatting.

Het aandeel van de GO in de relevante markt is aanzienlijk beperkter, maar niet goed te berekenen, aangezien geen cijfers van DNB bekend zijn over het aandeel leningen tot € 150 mln op het totaal van de aan bedrijven verstrekte leningen.

De Groeifaciliteit is een garantieregeling gericht op het verstrekken van achtergestelde leningen en risicokapitaal door banken en participatiemaatschappijen aan het bedrijfsleven. Deze regeling betreft dus niet een garantiestelling op kredieten.

Toelichting op berekening marktaandeel

DNB-cijfers geven aan dat uitstaande leningen aan niet-financiële bedrijven circa € 325 mrd bedragen (eind december 2009). Het aandeel nieuwe contracten voor leningen t/m € 1 mln ten opzichte van het totaal aantal nieuwe contracten (excl. rekening-courantkrediet) bedraagt de laatste 3 jaar gemiddeld ca. 12%. Dit zou corresponderen met 12% van € 325 mrd = circa € 38 mrd aan uitstaande leningen t/m € 1 mln.

Onder de garantieregeling BMKB stond ultimo 2009 ruim € 1,9 mrd aan garanties uit. Dit correspondeert met ruim € 3,9 miljard aan kredieten. Daarbij wordt er nog aan voorbijgegaan dat volgens banken het effect op het verstrekken van financiering van een garantie groter is doordat een gegarandeerde lening vaak nodig is om een totaal financieringspakket, inclusief niet gegarandeerde leningen, te realiseren.

Binnen de BMKB betreft ruim tweederde van de borgstellingskredieten leningen t/m € 1 mln, ofwel € 2,6 mrd. Het aandeel van de BMKB in de relevante markt zou daarmee zijn te berekenen als 2,6/38=7%.

16

Kunt u aangeven hoe u het effect van fiscale stimulering beoordeelt in vergelijking met het effect van subsidies in relatie tot de op pagina één van uw brief genoemde prestatie-indicatoren en doelstellingen?

Subsidies en fiscale instrumenten dienen beide de realisatie van de beleidsdoelstellingen. De keuze tussen een subsidie of fiscale stimulering wordt bepaald door economische, sociale en maatschappelijke aspecten, waaronder beleidseffectiviteit, doelmatigheid en de inpasbaarheid in de fiscale structuur.

Er bestaan belangrijke verschillen tussen beide instrumenten met consequenties voor de effectiviteit en efficiency van het instrument bij het aanpakken van een gegeven (markt-)verstoring. Subsidies kunnen op korte termijn worden uitbetaald, en bereiken ook betrokkenen die niet belastingplichtig zijn of die in een bepaald tijdvak geen belasting verschuldigd zijn. Met subsidies kan dus sneller en breder worden gereageerd op marktverstoringen. In het geval van een fiscale regeling kan er langer onzekerheid bestaan omtrent de definitieve toekenning, die bijvoorbeeld investeringsbeslissingen van bedrijven negatief kan beïnvloeden. Deze onzekerheid is inherent aan de werking van het fiscale systeem. Voorts zal verrekening met te betalen belasting doorgaans later plaatsvinden dan de uitbetaling van subsidies, en kunnen alleen belastingplichtigen die daadwerkelijk belasting verschuldigd zijn, er profijt van hebben.

Een fiscaal instrument verdient de voorkeur als de beoordeling van de toekenning van een bepaalde faciliteit op eenvoudige wijze binnen de belastingdienst kan plaatsvinden én indien de gegevens reeds voorhanden zijn binnen de fiscale systematiek. In de praktijk zal dit slechts opgaan voor minder complexe beoordelingscircuits. De verkrijgingskosten voor ondernemers voor fiscale regelingen zijn voorts vergelijkbaar met die voor subsidies, zo blijkt uit onderzoek door EIM.

De keuze voor een bepaald soort instrument hangt dus nauw samen met de effectiviteit en efficiëntie van het middel in relatie tot het doel dat wordt nagestreefd. Dit dient van geval tot geval te worden afgewogen.

17

Kunt u aangeven waar u op doelt met het marktfalen van de kapitaalmarkt en waarom het volgens u nodig is dat te corrigeren?

De kapitaalmarkt moet op een zodanige manier werken dat bedrijven goede toegang hebben tot financiering. Als dat niet zo is, worden bedrijven geremd in hun ontwikkeling. In het algemeen ondervinden ondernemers op dit gebied weinig beperkingen bij bestaande activiteiten met relatief voorspelbare kasstromen van voldoende schaal. Echter, bij minder voorspelbare activiteiten, zoals innoveren of investeren in en/of exporteren naar buitenlandse markten, ontstaat er een informatieasymmetrie. De financiële wereld is terughoudend in het verstrekken van financiering voor zulke activiteiten.

Vooral starters en snelle groeiers in het mkb lopen tegen deze terughoudendheid aan. Daar zijn allerlei uiteenlopende oorzaken voor, die ook nog in combinatie kunnen voorkomen. Het gaat dan bijvoorbeeld om relatief hoge risico’s, het ontbreken van «track records» bij starters of hoge behandelingskosten bij kleine kredieten. Ook speelt mee dat het voor de financiers vaak gaat om kleinere markten. De stimulans voor hen om expertise op te bouwen en te onderhouden is dan meestal niet erg groot.

18

Is het correct dat de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk hier tot het basispakket innovatie wordt gerekend? Is er een rangorde te maken in de mate van additionaliteit van de verschillende fiscale en niet-fiscale instrumenten?

Ja, de WBSO wordt beleidsmatig tot het basispakket Innoveren gerekend. De WBSO maakt echter geen deel uit van de subsidieregeling Innoveren van EZ, omdat het een zogenaamde belastinguitgave betreft. Er valt geen rangorde te maken van de mate van additionaliteit van de verschillende fiscale en niet-fiscale instrumenten, omdat de instrumenten op verschillende vormen van markt- en systeemfalen en knelpunten in het innovatiesysteem ingrijpen (zie tevens antwoord op vraag 16).

19

Waarom is de oplossing van knelpunten en de verbetering van concurrentiekracht na twee jaar nog slechts beperkt meetbaar? Na welke looptijd zijn de effecten wel meetbaar?

Met het R&D- en innovatieproces zijn meerjarige investeringen gemoeid: in de eerste plaats om het onderzoek te doen en in de tweede plaats om de resultaten ervan om te zetten in nieuwe producten en processen. Met die doorlooptijd hebben ook innovatieprogramma’s te maken. Vandaar dat in de midterm review van de innovatieprogramma’s (MTR)20, is aangegeven dat de verbetering van de concurrentiekracht en het oplossen van knelpunten nog maar beperkt meetbaar is. Voor de duidelijkheid: dat is een conclusie die de onderzoekers van EIM, de uitvoerders van de MTR, trekken.

De diverse innovatieprogramma’s zijn bovendien nog slechts recent gestart. Ten tijde van de MTR waren met name de innovatieprogramma’s Point One en Food & Nutrition twee jaar onderweg. Hoewel ook voor deze programma’s de meeste onderzoeksprojecten nog niet eens waren afgerond, was bij deze programma’s toch al enig effect zichtbaar op de bijdrage aan de concurrentiekracht en het oplossen van knelpunten. Een vertrouwenwekkend resultaat na zo’n korte periode.

In de aanbiedingsbrief bij de MTR is naar u geschreven dat bij de formele ex-post evaluatie, die volgens planning in 2011 start om in 2012 te worden afgerond, meer inzicht zal worden verkregen over het oplossen van knelpunten en het versterken van de concurrentiekracht. Het uitgebreide monitoringsysteem dat rond de innovatieprogramma’s is opgebouwd, zal daarbij behulpzaam zijn.

20

Op welke termijn wordt voorzien in een evaluatie van de genoemde «jonge» instrumenten uit het basispakket innovatiebeleid?

Evaluaties van de genoemde «jonge» instrumenten uit de module Innoveren zijn voorzien in respectievelijk 2010 (Innovatieprestatiecontracten) en 2011 (Innovatiekredieten).

21

Op welke manier hebben de innovatieprogramma’s een toegevoegde waarde, als men bedenkt dat in de kansrijke clusters, die door de innovatieprogramma’s worden ondersteund, al veel ervaring is opgedaan met brede valorisatie en adoptie van de vernieuwingen? Welk deel van de € 307 miljoen aan Research & Development investeringen is toe te schrijven aan innovatieprogramma’s en sleutelgebieden? Kunt u dit uitsplitsen per sleutelgebied?

Zoals onder meer blijkt uit de midterm review van de innovatieprogramma’s (MTR), en uit de publicatie «voortgang sleutelgebieden en tussentijdse evaluatie Sleutelgebiedenaanpak» die de voortgangscommissie sleutelgebieden onder voorzitterschap van de heer Scheepbouwer in januari 2009 aan het Innovatieplatform heeft aangeboden, dragen de innovatieprogramma’s op meerdere wijzen bij aan het versterken van kansrijke clusters:

  • 1)  innovatieprogramma’s zorgen voor nieuwe verbindingen tussen bedrijven en kennisinstellingen, waardoor het ecosysteem van innovatie verder wordt verdiept en verbreed (meer en dieper gaande samenwerkingsverbanden).
  • 2)  innovatieprogramma’s lokken extra R&D-investeringen uit. Dat is nuttig omdat de internationale wetenschappelijke literatuur aangeeft dat extra R&D leidt tot een hogere toegevoegde waarde.
  • 3)  innovatieprogramma’s dragen bij aan een effectievere inzet van publieke middelen (door vraagsturing, focus en massa, en maatwerk). Door de innovatieprogramma’s neemt de effectiviteit van andere subsidies, bijvoorbeeld op het gebied van valorisatie en adoptie van vernieuwingen toe.

Deelnemers aan innovatieprogramma’s geven daarnaast aan dat door de nieuwe en sterkere ecosystemen, die mede door de programma’s zijn opgebouwd, ze beter in staat zijn te overleven in de economische crisis en dat ze bovendien veel sneller voorstellen kunnen aanpassen en geheel opbouwen voor crisisgerelateerde instrumenten, zoals de kenniswerkersregeling, de hightech topregeling en de Fes-ronde van 500 mln euro.

In de jaarrapportage «Innovatieprogramma’s: de motor achter het innovatienetwerk» die op 12 november jl. aan uw Kamer is toegestuurd, staat in tabel 5 op pagina 12 precies beschreven hoe dat bedrag is verdeeld over de programma’s. De tabel wordt hieronder herhaald:

Publiekprivate r&d-investering en de bijdrage van EZ in miljoen euro per programma in 2008

Innovatieprogramma

Totale R&D-investeringen (publiek & privaat)

Bijdrage EZ

Point-One (inclusief Holst en ESI)

128,3

49,1

Food & Nutrition Delta (inclusief TIFN)

57,1

25,6

Watertechnologie (inclusief Wetsus)

29,4

12,0

Maritiem

10,0

3,7

Hightech Automotive Systems

15,5

3,9

Life Sciences & Health (inclusief CTMM, BMM)

23,8

11,6

Chemie (inclusief DSTI)

29,6

14,3

M2i

13,4

6,7

Totaal

307,1

126,9

De koppeling tussen de innovatieprogramma’s en de sleutelgebieden is als volgt:

  • 1)  Point One, Hightech Automotive Systems (HTAS) en M2i (Materialen) behoren tot het sleutelgebied HTSM – Hightech Systems en Materialen;
  • 2)  Food & Nutrition Delta behoort tot het sleutelgebied Flowers & Food;
  • 3)  Watertechnologie en Maritiem behoren tot het sleutelgebied Water;
  • 4)  Chemie behoort tot het sleutelgebied Chemie; en
  • 5)  Life Sciences & Health is niet één-op-één gekoppeld aan een sleutelgebied.

22

Op welke wijze wordt de evaluatie van het Pieken in de Delta programma in 2010 opgezet, mede in het licht van deelnemende partijen en betrokken regio’s?

Bij de opzet van de evaluatie staan de volgende onderdelen centraal:

  • •  effectiviteit van het subsidie-instrument Pieken in de Delta over de periode 2006–2009;
  • •  efficiëntie van de uitvoering;
  • •  inzicht in de ontwikkeling in de effectiviteit en efficiëntie sinds de start in 2006.

De evaluatie start in maart en wordt voor de zomer afgerond. De samenstelling van de begeleidingscommissie van de evaluatie is een afspiegeling van betrokkenen bij de opzet en uitvoering van de regeling (bedrijfsleven, wetenschap, rijk, provincie, gemeente).

23

Klopt het dat het plafond voor de Garantie Ondernemingsfinanciering in 2010 is opgehoogd tot € 1,5 miljard en niet de vermelde € 1 miljard?

Bij de realisatie van de Garantie Ondernemingsfinanciering is besloten voor de periode 2009–2010 een budget van € 1,5 mrd beschikbaar te stellen. Voorlopig is toen gekozen voor een verdeling over de jaren van € 1 mrd in 2009 en € 0,5 mrd in 2010. Aangezien het gebruik langzaam op gang kwam, resteerde van de € 1 mrd uit 2009 nog circa ¾. Dat budget wordt overgeheveld naar 2010, waarmee het totaal beschikbare budget nog steeds op 1,5 mld uitkomt.

24

Kunt u voor alle instrumenten, genoemd in bijlage 1, aangeven welk deel van het resultaat het gevolg is van inzetten van deze instrumenten?

Het gewenste maatschappelijke resultaat is dat Nederland ondernemender (bijvoorbeeld meer ondernemers en – snelle – groeiers) en innovatiever (bijvoorbeeld meer R&D en meer omzet bij bedrijven door nieuwe en verbeterde producten) wordt. Dit resultaat is uiteindelijk de inspanning van veel partijen, zoals bedrijven (ondernemers en werknemers), kennisinstellingen en de overheid. De rol van de overheid is vooral faciliterend en stimulerend, bijvoorbeeld via goed werkende markten en kwalitatief goede regelgeving. Maar soms zijn ook financiële instrumenten nodig (zoals garanties, kredieten, subsidies of fiscale prikkels). Financiële instrumenten richten zich op het wegwerken van knelpunten, omdat de onderliggende markten (bijvoorbeeld de kapitaalmarkt of de markt voor kennis) vanuit maatschappelijk oogpunt onvoldoende functioneren. Er wordt dan resultaat geboekt als deze knelpunten worden opgelost. Concreet: als door een garantiestelling banken bedrijven kredieten gaan verstrekken waardoor ondernemers kunnen investeren, als ondernemingen door een fiscale faciliteit als de WBSO gaan investeren in R&D of als ondernemers via een innovatiekrediet nieuwe en verbeterde producten op de markt gaan brengen.

De resultaten van de instrumenten waar een evaluatie van beschikbaar is, zijn te vinden in bijlage 1 bij de brief als antwoord op de motie Blanksma-van den Heuvel/Elias.

25

Op basis van welke criteria kan de stelling worden onderbouwd dat «bedrijven die een MKB-krediet verkregen hebben, relatief goed presteren in economisch opzicht»? Kunt u een overzicht geven van hoe de bedrijven scoren op die criteria? Kunt u op basis van dezelfde criteria als bij het MKB een overzicht geven van hoe goed bedrijven economisch presteren die een garantstelling hebben gekregen via de Groeifaciliteit of de Borgstelling Scheepsnieuwbouw en/of die een subsidie hebben gekregen via TechnoPartner?

Zoals in box 1 van de kamerbrief naar aanleiding van de motie Blanksma-van den Heuvel/Elias over de effectiviteit van het ondernemerschaps- en innovatie-instrumentarium is toegelicht, is gekeken naar omzet, werkgelegenheid en rendement van ondernemingen. Bedrijven met een BMKB-krediet zien deze factoren veelal toenemen en een meerderheid van deze bedrijven geeft aan dat zonder de borgstelling de toenames in omzet, werkgelegenheid en rendement niet gerealiseerd zouden zijn.

De Groeifaciliteit is een jong instrument dat in 2011 voor het eerst zal worden geëvalueerd. Er zijn dus nog geen harde cijfers bekend.

Van de Borgstelling Scheepsnieuwbouw is nog geen gebruik gemaakt. De banken wilden de regeling in de oorspronkelijke opzet niet uitvoeren. In 2009 heeft er zeer intensief overleg plaats gevonden met de banken, wat er toe moet leiden dat begin 2010 een nieuwe, voor de banken acceptabele regeling tot stand komt. Deze nieuwe opzet ligt nu bij de Europese Commissie voor.

De review van TechnoPartner door Bureau Bartels uit 2007 laat zien dat TechnoPartner een positief effect heeft op het aantal technostarters, het aantal werkzame personen per technostarter en op de gemiddelde omzet per technostarter. De gegeven cijfers zijn echter nog zeer voorlopig, en pas bij de evaluatie in 2011 zullen betrouwbare gegevens beschikbaar zijn.

26

Wat is het verliespercentage bij de Borgstelling MKB Kredieten, de Groeifaciliteit en de Borgstelling Scheepsnieuwbouw, voor zover van toepassing, in de afgelopen vijf jaren?

In onderstaande tabel zijn de verliespercentages van de genoemde regelingen weergegeven. Voor de Borgstelling Scheepsbouw geldt dat hier nog geen gebruik van is gemaakt (zie vraag 25) en er zich dus geen verliezen hebben voorgedaan.

De Groeifaciliteit is sinds eind 2006 in werking. Hierbij hebben zich alleen in 2009 verliezen voorgedaan.

 

2005

2006

2007

2008

2009

BMKB

1,6%

1,5%

1,6%

1,3%

2,3%

Groeifaciliteit

n.v.t.

0%

0%

0%

3,8%

Borgstelling Scheepsnieuwbouw

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

27

Hoe groot is de additionaliteit van de Groeifaciliteit, de Garantie Ondernemingsfinanciering, de Borgstelling Scheepsnieuwbouw en Technopartner?

Additionaliteit betreft bij deze regelingen de vraag in hoeverre de genoemde regelingen tot extra financiering hebben geleid.

Wat betreft de BMKB komt uit de laatste evaluatie, uitgevoerd door Bureau Bartels, naar voren dat in de helft van de gevallen zonder garantie geen financiering zou zijn verkregen. In de helft van de gevallen zou de financiering geheel of gedeeltelijk ook zonder garantie verkregen zijn.

Wat betreft de Groeifaciliteit en de Garantie Ondernemingsfinanciering zal de vraag naar de additionaliteit bij de evaluaties, gepland in 2011 en 2010 respectievelijk, onderzocht worden.

Met de TechnoPartner SEED-fondsen is een totaal bedrag van € 189 mln aan extra risicokapitaal voor technostarters bewerkstelligd.

Aangezien van de Borgstelling Scheepsnieuwbouw nog geen gebruik is gemaakt (zie vraag 25), kan geen indicatie worden gegeven van de additionaliteit van deze regeling.

28

Wat is de benutting van de Borgstelling Scheepsnieuwbouw en TechnoPartner, voor zover van toepassing, in de afgelopen vijf jaren?

Van de Borgstelling Scheepsnieuwbouw is nog geen gebruik gemaakt (zie vraag 25).

Bij de TechnoPartner SEED-faciliteit is afgelopen vijf jaren gemiddeld 81% van het budget benut. De jaarlijkse benuttingpercentages zijn als volgt: 2005: 100%, 2006: 96%, 2007: 67%, 2008: 63% en in 2009: 81%. De kwaliteitscontrole in de selectie- en beoordelingsprocedure van de fondsvoorstellen beïnvloedt het aantal te honoreren fondsvoorstellen. Dit is van directe invloed op het jaarlijkse benuttingspercentage.

29

Wat is de multiplier van de Borgstelling MKB Kredieten, de Groeifaciliteit, de Garantie Ondernemingsfinanciering, de Borgstelling Scheepsnieuwbouw en TechnoPartner, in termen van additionele investeringen, per euro waarvoor de overheid garant staat of subsidie verleent?

Bij de beantwoording van deze vraag wordt onder een multiplier verstaan hoeveel kapitaal een onderneming met een borgstelling kan aantrekken. Vervolgvraag daarbij is waaraan de multiplier gerelateerd wordt, het bedrag waarvoor de overheid borg staat of de kosten van deze regelingen voor de overheid. Genoemde regelingen beogen geheel of in grote mate kostendekkend of zelfs winstgevend te zijn.

Als uit wordt gegaan van kosten ten opzichte van bereik van de BMKB, wordt op basis van historische gegevens uitgegaan van een verlies van ca. 1,5% van het gegarandeerde bedrag. Wanneer € 600 mln aan garanties verstrekt wordt, levert dat een verlies op van ca. € 9 mln. Daar komen dan nog de uitvoeringskosten van bijna € 2 mln bovenop. Dan zijn de kosten voor de overheid dus 11 miljoen.

Als wordt gekeken naar hoeveelheid extra financiering voor elke euro garantstelling wat betreft de BMKB, hebben banken eerder aangegeven dat voor elke euro aan garanties drie euro aan financiering wordt verstrekt. Dan zou € 600 mln aan garanties corresponderen met € 1,8 mrd aan leningen. De BMKB kan dus met relatief beperkte kosten leiden tot een grote hoeveelheid verstrekt kapitaal.

Voor de GO, de Groeifaciliteit en de TechnoPartner SEED-faciliteit is een dergelijke berekening nog niet gemaakt.

Opgemerkt zij dat voor de Groeifaciliteit en nog in sterkere mate voor de TechnoPartner SEED-faciliteit geldt dat extra risicokapitaal wordt ingebracht, dat het mogelijk maakt om vreemd vermogen aan te trekken. Bij de nu voor mkb-bedrijven gebruikelijke eigenvermogen ratio van circa een kwart, kan iedere euro extra eigen vermogen dus leiden tot 3 euro extra vreemd vermogen.

Vooral voor technostarters geldt bovendien dat zonder de financiering die tot stand komt als gevolg van de SEED-faciliteit, een aanmerkelijk deel van de bedrijven zelfs niet gerealiseerd zou zijn.

Aangezien van de Borgstelling Scheepsnieuwbouw nog geen gebruik is gemaakt (zie vraag 25), is een multiplier hierop nog niet van toepassing.

30

Hoe hoog is het aandeel MKB bij de Borgstelling MKB Kredieten, de Groeifaciliteit, de Borgstelling Scheepsnieuwbouw, de Garantie Ondernemingsfinanciering en Technopartner?

De doelgroep van de BMKB is het mkb, zodat deze regeling een mkb-aandeel van 100% kent.

De doelgroep van de Groeifaciliteit is medio december 2009 tijdelijk verbreed naar alle bedrijven. Op dit moment bedraagt het aandeel mkb in deze regeling nog 100%.

Het aandeel mkb-ondernemingen binnen de GO bedraagt circa 33%.

De doelgroep van de Technopartner SEED-faciliteit zijn technostarters die volledig tot het mkb behoren, zodat deze regeling een mkb-aandeel van 100% kent.

31

Wat is de gemiddelde omvang van een microkrediet en wat zijn de administratieve en uitvoeringslasten van een individueel microkrediet?

In 2009 en 2010 worden op het gebied van microkredieten parallel 2 pilots uitgevoerd.

De ene pilot, de SZW-borgstellingsregeling, vindt plaats in 5 regio’s, waarbij de screening  en begeleiding van ondernemers in opdracht van gemeenten geschiedt. Banken verlenen vervolgens aan ondernemers die positief gescreend zijn, een krediet onder borgstelling van de rijksoverheid. De administratieve lasten van de borgstelling zijn globaal gelijk aan die van de BMKB (0,02%), omdat de borgstellingsregeling voor microkredieten vrijwel geheel op deze regeling is gebaseerd. De screening in opdracht van gemeenten komt in plaats van die door banken. De gemiddelde omvang van de verleende microkredieten binnen de SZW-borgstellingsregeling bedroeg in 2009 € 20 683.

De andere pilot vindt plaats in de rest van het land. Microkredieten worden daar verstrekt door een gespecialiseerde microkredietinstelling (Qredits). Er is een voor de ondernemers zo weinig mogelijk belastend proces gerealiseerd, waarin de persoonlijke benadering voorop staat. Deze benadering wordt door ondernemers zeer gewaardeerd. De gemiddelde omvang van de verleende microkredieten bedraagt € 21 176.

Beide pilots zullen later dit jaar worden geëvalueerd.

32

Kunt u de 20 procent grootste (in termen van budget) fiscale ondernemingsfaciliteiten uitsplitsen? Kunt u aangeven wat hier de budgetten voor zijn, de benutting, de additionaliteit (in welke mate activiteiten al dan niet hadden plaatsgevonden zonder de ondernemingsfaciliteit), de multiplier (in welke mate de ondernemingsfaciliteit heeft geleid tot additionele investeringen en activiteiten) en het aandeel MKB (in budget)?

Voor een integraal overzicht van de belastinguitgaven verwijs ik u graag naar bijlage 5 van de Miljoenennota 2010. Deze bijlage bevat een meerjarig en compleet overzicht, inclusief budgettair belang, van de belastinguitgaven in de belastingen op inkomen, winst en vermogen en de belastinguitgaven op de kostprijsverhogende belastingen. In tabel 5.4.1 zijn de belastinguitgaven ter verlaging van lastendruk op ondernemingen en verlaging lastendruk arbeid van werkgevers expliciet geclusterd.

De belangrijkste generieke maatregelen zijn: de zelfstandigenaftrek, de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) en de fiscale oudedagsreserve (FOR).

Deze drie regelingen zijn meegenomen in de evaluatie van EIM uit 200525. Genoemde fiscale instrumenten zijn openeinderegelingen en dus niet gebudgetteerd. De benutting voor een belastingjaar is pas bekend na afwikkeling van alle aangiften over dat jaar. Vooral voor ondernemers kan dat tot enkele jaren na afloop van het kalenderjaar duren. Het in genoemde bijlage opgenomen bedrag is de raming van de verwachtte belastingderving voor 2010. Voor de zelfstandigenaftrek, de KIA en de FOR bedraagt deze verwachtte belastingderving respectievelijk € 1 188 mln, € 337 mln en € 226 mln. Omtrent de gevraagde multipliers zijn geen gegevens bekend.
De zelfstandigenaftrek is toegankelijk voor ondernemers die voldoen aan het urencriterium en is geheel gericht op het mkb. Uit de econometrische analyses van genoemde evaluatie is met enige voorzichtigheid geconcludeerd dat de zelfstandigenaftrek een significant positieve bijdrage levert aan het totale aantal ondernemers en het niveau van de investeringen. Het instrument is, gelet op deze door het EIM geformuleerde meetbare doelindicatoren, daarmee als effectief aangemerkt. Overigens lijkt de zelfstandigenaftrek, door de afbouw naarmate de winst groter is, geen effectief instrument voor groei. Terwijl de positieve externe effecten van ondernemerschap, zoals innovatie en het creëren van werkgelegenheid, juist zijn toe te rekenen aan de groep snelgroeiende en innoverende ondernemers. Hoewel het totale aantal ondernemers in Nederland snel stijgt, blijft de omvang van deze groep ondernemers juist achter26. In de bijlagen bij de Belastingplannen 2009 en 2010 is beschreven dat de zelfstandigenaftrek een averechts effect heeft voor (door)groei27.

Per 1 januari 2010 (Belastingplan 2010) is de regeling voor de zelfstandigenaftrek gewijzigd, waarbij de zelfstandigenaftrek beter wordt gericht op winstinkomen. De zelfstandigenaftrek is niet langer te verrekenen met ander inkomen. Deze aanpassing in de verrekeningssystematiek van de zelfstandigenaftrek geldt niet voor startende ondernemers. Bovendien raken ondernemers de zelfstandigenaftrek niet kwijt. Als sprake is van een verlies of van een te lage winst om de volledige zelfstandigenaftrek te kunnen verzilveren, mag het niet verrekende deel van de zelfstandigenaftrek maximaal 9 jaar worden voortgewenteld. In het eerstvolgende jaar dat er voldoende winst is, kan nog niet verrekende zelfstandigenaftrek uit voorgaande jaren worden afgetrokken van de winst. Het kabinet verwacht dat de zelfstandigenaftrek in haar nieuwe vorm effectiever zal zijn, al is de negatieve prikkel voor groei hiermee niet weggenomen. De zelfstandigenaftrek zal in haar nieuwe vorm opnieuw worden geëvalueerd.

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) is geheel gericht op het mkb en bedoeld om investeringen van beperkte omvang door ondernemers aan te moedigen. Vanaf 2010 (Belastingplan 2010) is de KIA aanzienlijk verruimd en gestroomlijnd. Er bestaat recht op KIA vanaf investeringen van € 2 200. Een maximale aftrek (hoogste percentage) is voortaan mogelijk bij een investering van € 54 000 tot € 100 000. Boven een investeringsbedrag van € 300 000 is voortaan geen aftrek meer mogelijk; deze grens lag voorheen op € 240 000. In de nieuwe situatie bedraagt bij een investering van € 50 000 de investeringaftrek € 14 000; dit was voorheen € 10 500. Bij een investering van € 250 000 was voorheen geen aftrek mogelijk, vanaf 2010 bedraagt de aftrek € 3 780 bij een dergelijke investering.

Uit de econometrische analyses van het genoemde evaluatieonderzoek naar de KIA zoals die voor 2010 bestond kwam al naar voren dat de KIA een positieve bijdrage levert aan het aantal ondernemers en aan het niveau van de investeringen. Op grond hiervan werd de KIA beoordeeld als een effectieve regeling. Het kabinet verwacht dat de KIA in haar nieuwe vorm effectiever zal zijn. Ook de KIA zal in haar nieuwe vorm opnieuw worden geëvalueerd.

De fiscale oudedagsreserve (FOR) is een fiscale aftrekpost die bijdraagt aan het vormen van een oudedagsvoorziening. De faciliteit is geheel gericht op het mkb. Het gevormde vermogen blijft binnen de onderneming in de vorm van een nog te belasten oudedagsreserve. Doel is de mogelijkheid te creëren om te sparen voor de oude dag onder vergelijkbare fiscale condities als voor andere groepen belastingplichtigen (werknemers) gelden. Alleen voor zover de FOR uiteindelijk niet wordt gebruikt voor de aankoop van een lijfrente is er sprake van een belastinguitgave bij de vorming van de FOR. Bij de FOR is bij de evaluatie vooral gekeken naar het feitelijke gebruik van het instrument: er is gemeten hoeveel ondernemers de FOR gebruiken en hoeveel zij jaarlijks doteren. Over het gebruik van de FOR ter aankoop van een lijfrente bij het staken van de onderneming is op macroniveau geen directe informatie beschikbaar. De FOR wordt door ongeveer een kwart van de zelfstandige ondernemers gebruikt en de gemiddelde jaarlijkse dotatie aan de FOR blijft onder het gestelde maximum. Omdat sinds 2001 de fiscale oudedagsreserve op de balans van een onderneming staat en zodoende de toevoeging aan de FOR niet meer wordt waargenomen op het aangifteformulier kon EIM geen duidelijke cijfers geven over additionaliteit.

33

Kunt u op basis van de 69 lopende projecten van de regeling Beroepsonderwijs in bedrijf het oordeel «zowel onderwijsinstellingen als bedrijven zijn van mening dat de regeling bijdraagt aan het versterken van de relatie tussen scholen en bedrijven en daardoor aan de aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt» van Berenschot nader concretiseren in relatie tot effectiviteit, doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid?

In het jaar 2009 zijn 69 projecten van start gegaan. De tussenevaluatie heeft zich gericht op de 104 projecten die in de jaren 2007 en 2008 van start zijn gegaan. In deze projecten werken ruim 1.000 bedrijven samen met onderwijsinstellingen aan de verbetering van het praktijkleren. De looptijd van het totaal van deze projecten bevond zich ten tijde van de tussenevaluatie ruim over de helft, waardoor er al voldoende in gang was gezet om een goede evaluatie uit te kunnen voeren.

Het subsidieprogramma BiB is in hoge mate relevant voor de behoeften en vraagstukken van onderwijsinstellingen en mkb-bedrijven in de praktijk. Berenschot concludeert dat de BiB-regeling bijdraagt aan een betere aansluiting van het beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt. Dit komt onder meer doordat de samenwerking op het gebied van praktijkleren door de projecten is versterkt en de drempel voor docenten om bij bedrijven binnen te komen is verlaagd. Hierdoor is het inzicht in elkaars werkprocessen vergroot, zijn wederzijdse verwachtingen realistischer geworden en is er meer inzicht in elkaars mogelijkheden en onmogelijkheden. Ook is de inbreng van het bedrijfsleven op het onderwijsprogramma en de kwalificatie-eisen vergroot. Berenschot stelt daarom vast dat de BiB-regeling aantoonbare toegevoegde waarde heeft en bijdraagt aan de gestelde doelen en ambities van de regeling. De resultaten uit de projecten zouden voor een groot deel niet tot stand zouden zijn gekomen zonder BiB-financiering.

De doelmatigheid van het BiB-programma is beoordeeld op basis van de volgende onderzoeksvragen:

  • •  Staat het aantal betrokken leerlingen, docenten en praktijkopleiders dat wordt bereikt in verhouding tot de kosten?
  • •  In welke mate zijn de gewenste effecten behaald tegen redelijke kosten?

Deze onderzoeksvragen zijn onderzocht aan de hand van de enquête onder deelnemers en in interviews. De meeste deelnemers zijn tevreden over de doelmatigheid van de projecten. Deelnemers beoordelen de verhouding tussen opbrengsten en de gemaakte kosten als gunstig. Berenschot suggereert wel dat de wijze waarop de doelmatigheid van de projecten wordt gemeten, verder verbeterd zou kunnen worden. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door per project heldere prestatie-indicatoren te eisen, zoals feitelijke instroomcijfers, aantal schoolverlaters met diploma, uitval of duur tussen afstuderen en het vinden van een baan.

34

Kunt u de conclusie «de bekendheid van Technopartner (en haar regelingen) onder partijen die zich bezighouden met technostartersinitiatieven als goed te bestempelen valt en dat Technopartner een duidelijke meerwaarde heeft voor de technostarters(initiatieven)» van Bureau Bartels over het effect van Technopartner nader concretiseren in relatie tot effectiviteit, doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid?

Het Actieprogramma TechnoPartner is opgezet om het klimaat voor technostarters te verbeteren. Het is een integraal programma met langjarige actielijnen, regelingen en doelstellingen. In 2007 is door Bureau Bartels tussentijds onderzoek uitgevoerd naar het Programma TechnoPartner. De evaluatie van het gehele TechnoPartner Actieprogramma zal in 2011 plaatsvinden. Op dit moment laten de regelingen de volgende resultaten zien:

SEED-faciliteit

Middels de SEED-faciliteit wordt het aanbod van risicokapitaal voor technostarters via medefinanciering in startersfondsen (SEED-faciliteit) verbeterd.

Er zijn nu 28 investeringsfondsen, met een gezamenlijk investeringsbudget van ruim 189 miljoen euro, die actief investeren in technostarters. Tot op heden zijn 103 deals in technostarters gerealiseerd, met een totaal investeringsbudget van ruim 58 mln. In 2009 zijn maatregelen genomen om het mogelijk te maken dat investeringsfondsen gericht op de «creative industry» kunnen deelnemen aan de tender van 2010.

SKE-regeling

Binnen het Subsidieprogramma Kennisexploitatie zijn structurele voorzieningen en samenwerkingsverbanden tot stand gekomen rondom kennisinstellingen voor het valoriseren van technologische kennis, ten behoeve van bestaand en nieuw bedrijfsleven.

Er zijn 21 SKE-projecten in beheer (18 SKE, 3 I-Crea projecten) met een projectkostenomvang van 75,4 miljoen euro. Via deze projecten zijn toe nu toe 973 technostarters ondersteund. Er zijn tot nu toe aan deze starters 588 pre-seed leningen verstrekt, met een totale omvang van 12,4 mln.

Technopartner label

Sinds de start van het Technopartner label (in 2006) hebben 219 technostarters met behulp van het label een borgstellingkrediet bij de bank gekregen, met een totale omvang van ruim 86 miljoen euro.

35

Kunt u het oordeel «de betrokken onderwijsinstellingen besteden meer aandacht aan ondernemerschap en zijn in de meeste gevallen op weg om ondernemerschap te verankeren. De gepercipieerde effecten laten zien dat de regeling meer ondernemend gedrag en/of een meer ondernemende houding weet uit te lokken bij leerlingen/studenten» van EIM over het effect van de regeling Onderwijs en ondernemerschap nader concretiseren in relatie tot effectiviteit, doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid?

We zullen de tussentijdse evaluatie door het EIM aan uw Kamer doen toekomen. Het EIM heeft de 28 lopende projecten in het primair, voortgezet, middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs geëvalueerd. In de evaluatie is aandacht geschonken aan het bereik en de effecten van de projecten, de verankering van ondernemerschap in het onderwijs, kwantitatieve output, en de ontwikkeling van de projecten tot nu toe.

De algemene conclusie is dat voor alle onderwijsvormen de O&O-regeling werkt. De deelnemende onderwijsinstellingen besteden meer aandacht aan ondernemerschapsonderwijs en weten met hun onderwijs meer ondernemend gedrag en/of een meer ondernemende houding uit te lokken bij leerlingen en studenten.

  • •  Primair onderwijs. De deelname aan de O&O-regeling betekent voor de basisscholen een positieve impuls aan het ondernemerschapsonderwijs. Het stimuleren van ondernemend gedrag staat daarbij voorop. Ongeveer een op de drie leerlingen zegt door het O&O-project ondernemender te zijn geworden.
  • •  Voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs. Door het O&O-project heeft het ondernemerschapsonderwijs een grotere vlucht genomen in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs. Van de leerlingen/studenten in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs vertoont 39% meer ondernemend gedrag, 46% is beter in staat later zelf te ondernemen, de helft is zich meer bewust over wat ondernemen is, 45% is positiever gaan denken over ondernemen of ondernemer zijn. Verankering van het O&O-project is of wordt op de meeste scholen een feit. De ene school is wel verder met de verankering dan de andere school.
  • •  Hoger onderwijs. Ondernemerschapsonderwijs krijgt een positieve impuls bij alle Centres of Entrepreneurship. Met name in het 3e en het 4e jaar van de betrokken HBO- en universitaire opleidingen wordt veel nieuw onderwijs ontwikkeld, of zijn bestaande vakken in een nieuwe jas gegoten. Bij elkaar bieden de Centres meer dan 250 vakken aan, waarvan er minstens 200 met subsidie uit de O&O-regeling tot stand zijn gekomen. Bovendien zien we bij alle Centres een toeloop van studenten, of dat per saldo méér studenten ondernemerschapsonderwijs volgen dan voorheen. Van de geënquêteerden zegt 74% zich door het onderwijs meer bewust te zijn van wat ondernemerschap is, 67% ziet verbetering van de eigen ondernemerscompetenties, 56% is positiever gaan denken over ondernemen, 53% vindt zichzelf meer geneigd om later zelf te gaan ondernemen, en 51% zegt meer ondernemend gedrag te vertonen. Het ligt niet voor de hand dat het aangeboden onderwijs na de subsidieperiode zal verdwijnen; de financieringsstructuur in het hoger onderwijs op basis van studentaantallen en behaalde studiepunten biedt hiervoor een verzekering.

36

Kunt u de hoofdconclusie «dat de Innovatievoucher een nuttig instrument is dat uniek is in zijn soort, met een hoge additionaliteit (80 procent)» van Dialogic over de Innovatievouchers nader concretiseren in relatie tot effectiviteit, doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid?

De doelstelling van de innovatievoucher is kennisinstellingen en mkb met elkaar kennis laten maken, en het bevorderen van het gebruik van kennis bij de kennisinstellingen door het mkb.

Uit het onderzoek blijkt dat deze doelstelling ruimschoots gehaald wordt. Met de vouchers wordt een brede doelgroep (steeds weer nieuwe) mkb’ers bereikt, en 80% van deze ondernemers zou zonder voucher niet of veel later onderzoek laten doen bij een kennisinstelling. De kennisinstellingen geven aan dat veel ondernemers later terug komen zonder voucher. Ondernemers geven aan de inbreng van de kennisinstelling waardevol te vinden en willen in de toekomst meer met kennisinstellingen samenwerken.

De voucher is een laagdrempelig subsidie-instrument. De mkb-ondernemer kan de voucher op eenvoudige wijze verkrijgen. De administratieve lasten voor ondernemers zijn dan ook zeer laag.

37, 39, 40, 41, 42, 44 en 45

Kunt u van de verschillende individuele innovatieprogramma’s aangeven wat de benutting, de additionaliteit en de multiplier is (publieke versus private investeringen)?

Kunt u aangeven hoe groot het benuttingspercentage is (geweest) van de Innovatiekredieten, de Innovatie Prestatie Contracten, de innovatie gerichte onderzoeksprogramma’s en de Innovatievouchers?

Kunt u aangeven hoe groot de multiplier is van de Innovatievouchers? In welke mate zijn er bijvoorbeeld vervolginvesteringen in onderzoek en/of productontwikkeling gedaan, die gerelateerd zijn aan het project dat met de Innovatievoucher is uitgevoerd?

Kunt u aangeven hoe hoog de additionaliteit is van de innovatie gerichte onderzoeksprogramma’s?

Kunt u aangeven hoe groot de multiplier is van de innovatiegerichte onderzoeksprogramma’s, de Innovatie Prestatie Contracten, het Innovatiekrediet en de cofinanciering Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling?

Kunt u aangeven hoe hoog de benutting en additionaliteit is van Pieken in de Delta?

Kunt u aangeven hoe hoog de additionaliteit is van de Cofinanciering Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling?

In het onderstaande worden deze vragen over benutting, additionaliteit en multiplier per onderwerp beantwoord.

Benutting

Onder benutting wordtverstaan de mate waarin het beschikbare subsidiebedrag wordt benut. De budgetten van de Innovatiekredieten, de Innovatie Prestatie Contracten en de Innovatie Gerichte Onderzoeksprogramma’s, de Innovatieprogramma’s en Pieken in de Delta zijn in 2009 (en voorgaande jaren) 100% benut. In veel gevallen ligt de aangevraagde subsidie in projectvoorstellen ruimschoots boven het beschikbare budget.

Van de innovatievouchers is 63% van de uitgegeven vouchers 2008 bij kennisinstellingen verzilverd. Dit lagere percentage is echter eigen aan de laagdrempelige vouchersystematiek. Niet alle vouchers die worden aangevraagd, worden verzilverd bij een kennisinstelling. Echter, bij het vaststellen van het aantal uitgegeven vouchers wordt er rekening mee gehouden dat ze niet allemaal verzilverd worden.

Additionaliteit

Voor de innovatiegerichte onderzoeksprogramma’s (IOP’s) geldt dat het onderzoek dat binnen deze programma’s plaatsvindt dermate aan het begin van de ontwikkeling van nieuwe technologievelden staat dat zonder publieke financiering dit onderzoek niet in voldoende mate zou plaatsvinden. Een IOP brengt in het algemeen een betere balans in de verhouding van het aantal onderzoekers bij universiteiten en bij bedrijven, bijvoorbeeld bij het IOP Polymeren begin jaren «90. Met de oprichting van het TTI Polymeren (Dutch Polymer Institute) heeft het onderzoek op dit gebied een extra stimulans gekregen. Tegelijkertijd wordt het netwerk van onderzoekers voortdurend groter naarmate het IOP zich verder (in een tweede fase van 4 jaar) doorontwikkelt. Tevens raken in een tweede fase ook meer mkb-bedrijven betrokken bij de uitvoering. Overigens zullen de IOP’s als zelfstandig instrument geleidelijk verdwijnen en opgaan in de innovatieprogramma’s.

Vormen van additionaliteit, conform de onderzoeksvragen uit de midterm review van de innovatieprogramma’s (MTR)28, betreffen een effectievere inzet van publieke middelen, verbetering van de concurrentiekracht op het programmadomein, aanpak en oplossing van knelpunten, betere samenwerking van bedrijven en kennisinstellingen en een betere strategische samenwerking. Zoals uit de MTR blijkt, is er als gevolg van de innovatieprogramma’s met name sprake van additionaliteit met betrekking tot de R&D-uitgaven, betere en meer strategische samenwerking en een effectievere inzet van publieke middelen. Dat geldt voor de meeste individuele programma’s, met de aantekening dat de effecten sterker zijn naarmate programma’s langer lopen. Voor bijvoorbeeld het programma Chemie geldt dat veel van de beoogde programmalijnen nog niet waren gestart ten tijde van de MTR. Zoals in het antwoord op vraag 19 al is aangegeven, is de additionaliteit aan de concurrentiekracht en aan het oplossen van knelpunten nog beperkt. In de twee oudste programma’s, Point One en Food & Nutrition, die ten tijde van de MTR al twee jaar liepen, is niettemin al zichtbaar dat de sector is versterkt. In hoofdstuk 2 van de MTR is per programma een overzichtstabel gegeven van de «midterm-effecten». Ter illustratie geeft onderstaande tabel de «midterm-effecten» voor Point One weer:
Tabel 6 Midterm-effecten Point-One

Activiteit

Toename private en publieke investeringen

Effecteivere inzet publieke middelen

Verbetering concurrentiekracht op het programmadomein

Aanpak en oplossing van knelpunten

Betere samenwerking bedrijven en kennis-instellingen

Betere strategische samenwerking

Programma algemeen

+

+

+

+

++

+

R&D-projecten

+

+

+

+

+

+

Open innovatie

+

+

+/–

+

+

+

Human capital

n.v.t.

n.v.t.

+/–

+/–

+

n.v.t.

MKB

+

+/–

+

+/–

+

+

Bron: EIM.

Voor PiD geldt dat is afgesproken dat tegenover elke euro nationale publieke cofinanciering eveneens een euro decentrale publieke cofinanciering staat. Daarnaast heeft in de periode 2006–2008 elke euro nationale publieke cofinanciering een investering door derden van € 1,40 opgeleverd. Uit klanttevredenheidsonderzoek blijkt tevens dat de helft van alle afgewezen projectvoorstellen niet is uitgevoerd. De meerderheid van de gehonoreerde projectaanvragen zou volgens de respondenten zonder subsidie uit Pieken in de Delta eveneens niet tot uitvoering zijn gekomen. Een onderzoek hiernaar zoals bij het programma Pieken in de Delta heeft plaatsgevonden, is voor EFRO nog niet gedaan.

Multiplier

Een multiplier staat in een nauwe relatie tot de additionaliteit van een instrument. Een multiplier geeft de output ten opzichte van de input weer in geldbedragen. Daarbij is een onderscheid te maken tussen directe effecten op bijvoorbeeld R&D op korte termijn en de doorwerking hiervan in de economie op langere termijn. Zo is op basis van macro-economische literatuur te berekenen dat een euro extra R&D op lange termijn zou leiden tot 5 tot 10 euro extra toegevoegde waarde bij bedrijven.

Voor de innovatiegerichte onderzoeksprogramma’s zijn geen multipliers beschikbaar. Dit is mede gelegen in het feit dat er verschillende ordes van effecten worden nagestreefd, te weten:

  • •  1e orde effect is dat het IOP praktijkgedreven onderzoek oplevert dat voldoet aan de middellange termijn behoefte van de industrie. Tevens dient het IOP als opleidingsinstrument voor nieuwe onderzoekers op vakgebieden die relevant zijn voor de industrie.
  • •  2e orde is pas na enkele jaren merkbaar als concrete kennis ingebracht wordt in producten. Dat is overigens niet altijd direct herleidbaar tot een eenduidige kennisbron als het IOP.
  • •  3e orde effect is het breder industrieel en/of maatschappelijk belang van netwerken in relevante vakgebieden.

Bij Innovatie Prestatie Contracten (IPC) en Innovatievouchers zijn geen multipliers bekend. Wel blijkt uit de monitoring van IPC’s dat na het IPC 50% van de ondernemers meer gaat samenwerken met andere ondernemers. Uit de evaluatie van de vouchers blijkt dat zonder voucher ongeveer 80% van de vouchergebruikers geen onderzoek zou hebben laten doen bij een kennisinstelling, of pas op een veel later tijdstip. De voucher beantwoordt daarmee aan de doelstelling. Ruim 60% van de vouchergebruikers verwacht in de toekomst meer samen te werken met een kennisinstelling. Bij het Innovatiekrediet kan uit de voorwaarden van het instrument een effect op het stimuleren van private R&D-investeringen worden afgeleid van drie: met iedere euro van het Innovatiekrediet investeert de onderneming zelf circa 3 euro in innovatie.

Een multiplier voor de innovatieprogramma’s is, zoals in het antwoord op vraag 19 al geduid, op dit moment niet te geven. De aanpak is daarvoor nog te recent gestart. In algemene zin is aan te geven dat R&D-overheidsstimulering leidt tot een aanzienlijke economische groei. De multiplier van R&D op het BBP is namelijk aanzienlijk.

Voor EFRO is geraamd dat in de programmaperiode 2007–2013 elke euro nationale publieke cofinanciering een investering oplevert van minimaal € 0,70 door private partijen.

38 en 47

Kunt u van de innovatie gerichte onderzoeksprogramma’s aangeven in welke mate dit heeft geleid tot de ontwikkeling en/of marktintroductie van producten die nieuw zijn voor het bedrijf, de sector of de markt, voor zover het industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling betrof? Kunt u hetzelfde doen voor de Innovatiekredieten en de Innovatie-programma’s, waarbij voor de Innovatie-programma’s een uitsplitsing wordt gemaakt per programma? Kunt u hetzelfde doen voor de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk, de Innovatievouchers en de Innovatiekredieten?

Kunt u van Pieken in de Delta en de Cofinanciering Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling aangeven in welke mate dit heeft geleid tot de ontwikkeling en/of marktintroductie van producten die nieuw zijn voor het bedrijf, de sector of de markt, voor zover het industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling betrof?

De Innovatiegerichte onderzoeksprogramma’s (IOP’s) zijn ondergebracht in de programmatische aanpak en zullen als zelfstandig instrument geleidelijk verdwijnen. De IOP’s betreffen hoofdzakelijk fundamenteel onderzoek uitgevoerd aan kennisinstellingen (universiteiten, HBO en kennisinstituten). Het fundamentele onderzoek in het IOP is praktijkgedreven: bedrijven geven aan aan welke kennis op middellange termijn behoefte is. Bovendien worden op gebieden die de industrie belangrijk vindt, nieuwe onderzoekers opgeleid. Voorbeelden van concrete producten die worden ontwikkeld met kennis uit IOP’s zijn moeilijk te geven, omdat er vaak meerdere bronnen van kennis zijn die aan zulke producten een bijdrage leveren. In dit kader kunnen wel de volgende voorbeelden genoemd worden:

  • –  De trillingsisolator voor het compenseren van trillingen in de lens van waferapparatuur; het IOP Precisietechnologie heeft daarvoor essentiële kennis ontwikkeld.
  • –  Vanuit het IOP Precisietechnologie twee bedrijfjes gestart: LightMotiv en Xpress.
  • –  Het UXSuite pakket dat in het IOP IPCR is ontwikkeld, wordt toegepast in een commercieel product van de firma Océ. Het gaat hier om de ColorWave printer.
  • –  In het IOP metalen is veel werk gedaan het snel laten afkoelen van aluminium (1 miljoen graden per seconde). Het zo geproduceerde aluminium is veel sterker. Het later opgerichte bedrijf RSP verkoopt aluminium dat op deze manier is geproduceerd.

De WBSO is een fiscale tegemoetkoming voor ondernemingen die zich bezig houden met speur- en ontwikkelingswerk. Er moet sprake zijn van technische nieuwheid van te ontwikkelen producten (of productieprocessen of programmatuur) op het niveau van de onderneming. Ontwikkelingen die voor een onderneming nieuw zijn, hoeven niet nieuw te zijn voor een sector of markt om toch voor WBSO-ondersteuning in aanmerking te kunnen komen. Evenmin wordt de eis opgelegd dat projecten tot een (commercieel) succes moeten leiden. Ontwikkelingstrajecten kosten tijd en geld en zijn risicovol, ondernemers zullen dergelijke projecten alleen initiëren als er een reële marktvraag of -kans is. Afhankelijk van de marktpositie van een onderneming leiden WBSO-projecten ook tot producten die nieuw zijn voor de sector of markt. Aangevraagde projecten kunnen daarentegen ook mislukken, alsnog geen doorgang vinden of niet door de markt geaccepteerd worden.

Als gekeken wordt naar de zgn. hogere-orde effecten van de WBSO, wordt in het evaluatierapport van EIM uit 2007 geconcludeerd dat de intensiteit van speur- en ontwikkelingswerk «een significante en positieve invloed» heeft op het omzetaandeel uit nieuwe producten/diensten. Volgens het achtergrondrapport bij de evaluatie zou de omzet uit nieuwe producten per euro WBSO ongeveer € 1,40 zijn. Hierbij zijn een aantal kanttekeningen gemaakt. Het langetermijneffect op de omzet uit nieuwe producten/diensten heeft het EIM door datarestricties niet kunnen analyseren. Speur- en ontwikkelingswerk vertaalt zich vaak pas na enige tijd in markttoepassingen (uit de literatuur blijkt dat hogere-orde effecten van fiscale stimulering pas echt goed gemeten kunnen worden na 10–15 jaar). Daarnaast zal een deel van het effect op de innovatieprestaties bestaan uit procesmatige innovaties, welke eveneens buiten beeld zijn gebleven. Ten slotte dekte de gebruikte steekproef in deze alleen grotere bedrijven af. Bij kleine bedrijven wordt de additionaliteit, en daarmee het effect op de omzet, hoger geacht.

Vouchers kunnen ingezet worden voor kennisvragen op het gebied van productinnovatie, diensteninnovatie en procesinnovatie. Ongeveer de helft van de vouchers wordt aangewend voor productinnovatie, 20% voor diensteninnovatie en 30% voor procesinnovatie. De vouchers worden op een breed gebied ingezet. Op de website van Agentschap NL staan voorbeelden van projecten waarvoor de innovatievouchers zijn ingezet. Er is ook een aparte brochure ontwikkeld met voorbeelden uit de toeristisch-recreatieve sector.

Bij ieder verstrekt Innovatiekrediet wordt projectmatig en specifiek gericht gewerkt aan het ontwikkelen van een nieuw product, dienst of proces dat voor de onderneming substantiële economische betekenis heeft. Kwantitatief betekent dit dat het aantal verstrekte Innovatiekredieten overeenkomt met het aantal nieuw te ontwikkelen producten, diensten of processen.

Zoals de jaarrapportage aangeeft, dragen de innovatieprogramma's bij aan valorisatie en daarmee aan de innovatiekracht. Alle innovatieprogramma’s genereren octrooien, licenties en startende ondernemingen. Ook vinden veel onderzoeksresultaten hun weg naar nieuwe producten en toepassingen via de ontwikkelafdelingen van de bedrijven die meedoen aan de innovatieprogramma’s. Deze 782 bedrijven, waarvan meer dan drie kwart mkb, vertalen de resultaten van het gezamenlijke precompetitieve R&D op eigen kosten naar nieuwe producten en processen. De grootste kunst is natuurlijk om ook te zorgen dat andere bedrijven deze nieuwe kennis omzetten in innovatieve producten. Deze valorisatieroute kwam het afgelopen jaar goed op gang. Kennisinstellingen zoals TNO Kwaliteit van Leven en Industrie en procestechniek droegen bijvoorbeeld nieuwe kennis over voeding en water uit via tientallen nieuwe projecten met bedrijven. En ook de innovatiemakelaars voor watertechnologie, food and nutrition brachten partijen met kennis, potentiële afnemers en andere schakels in de innovatieketen bij elkaar. Het value centre van het polymereninnovatieprogramma hielp zo al meer dan 200 bedrijven op weg.

Pieken in de Delta kent twee verschillende typen projecten, gebiedsgerichte- en innovatieprojecten. De innovatieprojecten hebben met name betrekking op projecten waarin bedrijven in onderlinge samenwerking technologisch nieuwe producten ontwikkelen die binnen vier jaar naar de markt kunnen. Tevens moet het een ontwikkeling betreffen die nieuw voor Nederland is. Onderzoek gericht op fundamentele kennisontwikkeling of alleen betrekking hebbende op industrieel onderzoek, kan niet door Pieken in de Delta worden medegefinancierd.

Een concreet resultaat van deze focus is het project Lunaris. In dit project wordt met bedrijven, kennisinstellingen en overheden gewerkt aan een snelle introductie van een innovatief product dat gericht is om de doorlooptijd van het lithografisch proces, 16 uur, terug te brengen tot slechts 5 minuten. De commerciële levering van het product is voorzien in 2011.

De grootste prioriteit van de landsdelige EFRO-programma’s is innovatie, ondernemerschap en kenniseconomie. Door middel van deze prioriteit wordt nadrukkelijk ingezet op het verbinden en vermarkten van opgedane kennis. Met deze prioriteit onderscheiden de programma’s zich van andere programma’s die exclusief gericht zijn op het stimuleren en ondersteunen van meer onderzoek. De innovatieprioriteit draagt er zo aan bij dat de vruchten kunnen worden geplukt van kennis die door research en development worden opgedaan. Bij aanvragers bestaat in het bijzonder aandacht voor deze prioriteit.

43

Kunt u aangeven wat het percentage MKB-deelname (in termen van budget) is van de verschillende individuele innovatieprogramma’s, de innovatie gerichte onderzoeksprogramma’s, de Innovatie Prestatie Contracten, de Innovatievouchers, Pieken in de Delta en de Cofinanciering Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling?

Enkele regelingen staan enkel open voor het mkb. In de afgelopen jaren is de mkb-deelname daarom 100% bij Innovatie Prestatie Contracten, Innovatievouchers en het Innovatiekrediet.

Het IOP betreft vooral fundamenteel onderzoek aan kennisinstellingen. Een klein deel van het budget (0–10%) gaat naar de industrie, mkb vormt daar weer een klein deel van. Toch neemt vooral het high-end mkb actief deel aan de IOP’s in de vorm van onder andere deelname aan begeleidingscommissies. Het levert hen kennis op, netwerken op en zicht op onderzoekers die later potentieel medewerker kunnen zijn.

In hoofdstuk 1 van de jaarrapportage «Innovatieprogramma’s: de motor achter het innovatienetwerk» die op 12 november jl. aan uw Kamer is toegestuurd, staan twee tabellen die per programma weergeven: het aantal deelnemers dat een financiële bijdrage ontvangt (tabel 1 op pagina 8) en de verdeling van de ontvangen subsidies (tabel 4 op pagina 12). Deze tabellen voor de Innovatieprogramma’sworden hieronder weergegeven:

Aantal deelnemers die een financiële bijdrage ontvangen vanuit de programma’s vanaf de start tot en met 31 december 2008

Innovatieprogramma

mkb

Grootbedrijf

Kennis-instelling

Organisaties overig1

Totaal

Point-One

105

21

19

11

156

Food & Nutrition Delta

199

34

22

4

259

Watertechnologie

64

61

23

28

176

Maritiem

76

32

7

3

118

Hightech Automotive Systems

11

7

5

0

23

Life Sciences & Health

90

22

21

3

136

Chemie

71

46

45

4

166

M2i

7

14

15

5

41

Totaal2

591

191

97

56

935

Aandeel in %

63

20

11

6

 

Noot 1: Dit zijn brancheorganisaties, platforms, waterschappen, regionale opleidingscentra en lokale overheden.

Noot 2: Dit aantal is lager dan de som van het aantal deelnemers per programma omdat partijen die in meerdere programma’s deelnemen maar een keer worden meegeteld.

Omvang subsidies voor innovatieprojecten in miljoen euro verdeeld naar type organisatie tot en met 31 december 2008

Innovatieprogramma

mkb

Grootbedrijf

Kennis-instelling

Organisatie

Totaal

Point-One

18,3

28,5

14,4

0

61,2

Food & Nutrition Delta

16,5

8,1

8,3

0

32,9

Watertechnologie

5,3

5,6

3,6

1,6

16,2

Maritiem

3,8

5,0

2,4

0

11,3

Hightech Automotive Systems

2,5

4,0

2,7

0

9,3

Life Sciences & Health

6,2

0

1,2

0

7,3

Chemie

1,9

0,1

0,2

0

2,1

M2i

Totaal in miljoen euro

54,5

51,3

32,8

1,6

140,3

Aandeel per type deelnemer %

38,8

36,3

23,4

1,1

 

In de subsidieregeling Sterktes in de regio hoofdstuk Pieken in de Delta, is in de eerste tender van 2009 35% subsidie aan mkb-bedrijven verleend. Van het totale EFRO-budget beschikbaar gesteld door de Europese commissie (€ 830 mln) voor de programmaperiode 2007–2013 is 17% exclusief beschikbaar voor mkb-bedrijven. Daarnaast kunnen zij ook in aanmerking komen voor financiering uit het overige budget. In de evaluatie gepland voor de tweede helft van 2010 zal een precieze verdeling naar financieringsbron in beeld worden gebracht (publieke en private cofinanciering).

46

Wat is het verliespercentage van de Innovatiekredieten?

Bij de tot nu toe verstrekte Innovatiekredieten zijn nog geen significante verliespercentages aan de orde. Op basis van de huidige structuur van het Innovatiekrediet en de ervaringsfeiten bij vergelijkbare instrumenten wordt een verliespercentage verwacht van 20%. Dit betekent in vergelijk met subsidies dat 80% van het verstrekte budget op termijn terugvloeit naar de Staat.

Noot 1: Samenstelling:Leden: Vlies, B.J. van der (SGP), Schreijer-Pierik, J.M.G. (CDA), Vendrik, C.C.M. (GL), Hoopen, J. ten (CDA), Spies, J.W.E. (CDA), Ham, B. van der (D66), Velzen, K. van (SP), Aptroot, Ch.B. (VVD), Smeets, P.E. (PvdA), Samsom, D.M. (PvdA), Timmer, A.J. (PvdA), Voorzitter, Irrgang, E. (SP), Jansen, P.F.C. (SP), Biskop, J.J.G.M. (CDA), Ondervoorzitter, Ortega-Martijn, C.A. (CU), Blanksma-van den Heuvel, P.J.M.G. (CDA), Burg, B.I. van der (VVD), Graus, D.J.G. (PVV), Zijlstra, H. (VVD), Besselink, M. (PvdA), Gesthuizen, S.M.J.G. (SP), Ouwehand, E. (PvdD), Vos, M.L. (PvdA), Rouwe, S. de (CDA), Elias en T.M.Ch. (VVD).Plv. leden: Staaij, C.G. van der (SGP), Dijk, J.J. van (CDA), Sap, J.C.M. (GL), Vroonhoven-Kok, J.N. van (CDA), Aasted Madsen-van Stiphout, J.D.M.P. (CDA), Ko┼čer Kaya, F. (D66), Ulenbelt, P. (SP), Blok, S.A. (VVD), Boelhouwer, A.J.W. (PvdA), Kalma, P. (PvdA), Kraneveldt-van der Veen, M. (PvdA), Karabulut, S. (SP), Luijben, A.P.M. (SP), Nerée tot Babberich, F.J.F.M. de (CDA), Wiegman-van Meppelen Scheppink, E.E. (CU), Atsma, J.J. (CDA), Dezentjé Hamming-Bluemink, I. (VVD), Bosma, M. (PVV), Meeuwis, CLM (VVD), Dam, M.H.P. Van (PvdA), Gerkens, A.M.V. (SP), Thieme, M.L. (PvdD), Heerts, A.J.M. (PvdA), Algra, R.H. (CDA) en Weekers, F.H.H. (VVD).

Noot 2: Zie http://www.regering.nl/verantwoordingsdag/.

Noot 3: Kamerstukken II, 2008–2009, 30 991, nr. 5.

Noot 4: Kamerstukken II, 2004–2005, 29 800 XIII, nr. 73.

Noot 5: Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XIII, nr. 47.

Noot 6: Kamerstukken II, 2009–2010, 32 123, nr. 25.

Noot 7: Kamerstukken II, 2008–2009, 31 951, nr. 1.

Noot 8: Kamerstukken II, 2009–2010, 31 311, nr. 38.

Noot 10: Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XIII, nr. 47.

Noot 11: Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XIII, nr. 75.

Noot 13: Kamerstukken II, 2007–2008, 31 200 XIII, nr. 47.

Noot 14: Kamerstukken II, 2006–2007, 30 800 XIII, nr. 51.

Noot 15: Vormen van dienstverlening omvatten hier Website, Helpdesk, Folders en Brochures, Aanvraag en Beslissing.

Noot 16: Aspecten van dienstverlening omvatten hier Volledigheid, Tijdigheid, Duidelijkheid, Klantvriendelijkheid en Bruikbaarheid.

Noot 19: Kamerstukken II, 2005–2006, 30 300 XIII, nr. 74.

Noot 20: Kamerstukken II, 2008–2009, 31 700 XIII, nr. 63.

Noot 25: Evaluatierapport EIM, Ondernemen makkelijker én leuker, Kamerstukken II, 2005–2006, 29 949, nr. 56.

Noot 26: CBS, 2008, «Het Nederlandse ondernemingsklimaat in cijfers 2008», o.a. p. 15–16, 23, 170 en 180; CBS, 2009, «Lage inkomens, kans op armoede en uitsluiting», p. 21

Noot 27: Kamerstukken II, 2008–2009, 31 704, nr. 3 (bijlage 1) en Kamerstukken II, 2009–2010, 32 128, nr. 3 (bijlage 1).

Noot 28: Kamerstukken II, 2008–2009, 31 700 XIII, nr. 63.