Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2013-2014

Nr. 2

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenaamde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Onder het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ressorteren de volgende agentschappen die een baten-lastenstelsel voeren: het Agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen, het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en de JeugdzorgPlus-instellingen Almata en De Lindenhorst-Almata.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten, het saldo van baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze Memorie van Toelichting en wel in de paragraaf inzake de baten-lastenagentschappen.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E.I. Schippers

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

Inleiding

Voor u ligt de begroting 2014 van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).

Deze begroting bestaat uit de volgende onderdelen:

  • –  Beleidsagenda;
  • –  Beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen;
  • –  Begroting agentschappen;
  • –  Financieel Beeld Zorg;
  • –  Diverse bijlagen.

Verantwoord Begroten

Op 20 april 2011 is de aanpassing van de presentatie van de Rijksbegroting onder de naam «Verantwoord Begroten» in de Tweede Kamer behandeld (TK 31 865, nr. 26). De nieuwe presentatie geeft meer inzicht in de financiële informatie, de rol en verantwoordelijkheid van de Minister en laat een duidelijke splitsing tussen apparaat en programma zien. In deze begroting zijn alle begrotingsartikelen ingevuld volgens de nieuwe voorschriften, inclusief de aanpassing van de tabel budgettaire gevolgen van beleid. Door de nieuwe indeling kunnen in de tabellen budgettaire gevolgen van beleid in de (niet-)beleisartikelen geen gegevens per artikelonderdeel en financieel instrument worden opgenomen voor het jaar 2012.

Groeiparagraaf

De VWS-begroting is ten opzichte van vorig jaar op een aantal punten gewijzigd, namelijk:

  • –  Achter de beleidsagenda is een meerjarenplanning van de beleidsdoorlichtingen opgenomen voor de periode 2012–2018. Hiermee wordt voldaan aan de toezegging om dit jaar een volledig dekkende programmering van beleidsdoorlichtingen te presenteren.
  • –  De apparaatsuitgaven van de inspecties, adviesraden en het SCP zijn uitgesplitst in overeenstemming met de Rijksbegrotingsvoorschriften.
  • –  In het Financieel Beeld Zorg is een aantal verbeteringen doorgevoerd. Dit naar aanleiding van opmerkingen van Kamerleden en de Algemene Rekenkamer.

Invulling motie-Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw (TK 21 501-20, nr. 537) ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. Voor VWS betreft het de volgende aanbeveling: «De geplande hervorming van de langdurige zorg uit te voeren om de kosteneffectiviteit ervan te waarborgen, en deze hervorming, met het oog op de houdbaarheid van het stelsel, aan te vullen met verdere maatregelen ter beteugeling van de kostenstijging».

In de beleidsagenda wordt in hoofdstuk 4 in gegaan op de noodzaak tot hervormen in de langdurige zorg en de maatregelen die daartoe worden getroffen.

Beleidsartikelen

Tabel rol en verantwoordelijkheden

Welke rol speelt de Minister bij het bereiken van het doel? Hier wordt aangegeven waar de Minister verantwoordelijk voor is, wat de belangrijkste instrumenten zijn en welke wet- en regelgeving van toepassing is. Voor de keuze van de rol van de Minister zijn vier typologieën van toepassing. Het gaat om stimuleren, regisseren, financieren en (doen) uitvoeren. Aangezien het gaat om typologieën sluit de rol van de Minister in veel gevallen niet geheel één op één aan bij een van de beschreven rollen; de meest van toepassing zijnde rol is bepaald en omschreven.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bij de budgettaire gevolgen van beleid worden per beleidsartikel de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten in één tabel gepresenteerd.

Het verschil tussen totale programma-uitgaven en de juridisch verplichte programma-uitgaven geeft de mate aan waarin de programma-uitgaven nog niet juridisch verplicht zijn. Dit vormt een indicatie voor de mate van de budgetflexibiliteit: de ruimte die budgettair technisch bezien beschikbaar is voor een alternatieve besteding. In de tabel budgettaire gevolgen van beleid van de beleidsartikelen is door middel van een percentage aangeven hoeveel procent van de programma-uitgaven juridisch verplicht is. Onder deze tabel is vervolgens per financieel instrument toegelicht welk percentage juridisch verplicht is op 1 januari 2014 en waaruit de juridisch verplichte uitgaven bestaan.

Verschil Budgettair Kader Zorg en de begroting van VWS

Inleiding

In de voorliggende begroting zijn, naast de begrotingsuitgaven van het Ministerie van VWS, ook de collectief gefinancierde zorguitgaven opgenomen. Hieronder wordt het onderscheid tussen begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitgaven toegelicht en wordt de relatie tussen het Budgettair Kader Zorg (BKZ) en de begroting van VWS verduidelijkt.

In het Financieel Beeld Zorg (FBZ) is een overzicht opgenomen van alle uitgaven die behoren tot het BKZ. Hierin wordt ook ingegaan op de ontwikkeling van de uitgaven behorend tot het BKZ.

Overzicht 1 geeft inzicht in de bruto-BKZ-uitgaven onderverdeeld naar financieringsbron.

Overzicht 1: Bruto-BKZ-uitgaven naar financieringsbron

Het Budgettair Kader Zorg (BKZ)

Bij het aantreden van het kabinet worden de uitgavenplafonds vastgesteld. Het Budgettair Kader Zorg is het uitgavenplafond waarin de maximale zorguitgaven zijn vastgelegd, die jaarlijks gedurende de kabinetsperiode mogen worden gedaan. Om de uitgavenkaders mee te laten stijgen met het prijspeil in de rest van de economie worden ze aangepast aan de prijsontwikkelingen van de nationale bestedingen (pNB).

De BKZ-uitgaven bestaan uit de zorguitgaven op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Een deel van de begrotingsuitgaven wordt ook toegerekend aan het BKZ. Tot deze categorie hoort een deel van de uitgaven aan de zorgopleidingen, de uitgaven van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) en de uitgaven voor zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland. Deze uitgaven worden op de VWS-begroting verantwoord. Verder vallen onder de BKZ-uitgaven middelen die via andere begrotingshoofdstukken beschikbaar komen. Het gaat hierbij om de middelen die via het Gemeentefonds worden uitgekeerd aan gemeenten voor uitgaven voor huishoudelijke hulp in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Verder zijn er bedragen gereserveerd op de aanvullende post van het Ministerie van Financiën.

Het verplicht eigen risico en de eigen bijdragen worden samen gerekend als niet-belastingontvangsten. De bruto-BKZ-uitgaven minus deze niet-belastingontvangsten vormen de netto-BKZ-uitgaven. Het Budgettair Kader Zorg is het kader voor de netto-BKZ-uitgaven.

Begroting VWS

De VWS-begroting bevat uitgaven voor onder meer preventie, jeugdzorg en sport. Ook uitgaven om het zorgstelsel goed te laten functioneren, maar die niet direct zijn te relateren aan de zorgverlening, komen rechtstreeks ten laste van de begroting. Voorbeelden hiervan zijn de exploitatiekosten van de zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s), zoals de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en het College voor zorgverzekeringen (CVZ). Deze uitgaven worden gerekend tot de budgetdisciplinesector Rijksbegroting in enge zin (RBG-eng).

Tabel 1 geeft een overzicht van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten uitgesplitst naar financieringsbron en vindplaats.

Tabel 1 Samenstelling van de bruto-BKZ-uitgaven en -ontvangsten naar financieringsbron (bedragen x € 1 miljard)

Omschrijving

2014

Vindplaats

Artikel

Bruto-BKZ-uitgaven stand ontwerpbegroting 2014

72,9

   

Premiegefinancierd

70,7

   

waarvan AWBZ

28,1

FBZ

 

waarvan Zvw

42,6

FBZ

 

Begrotingsgefinancierd

2,2

   

waarvan Wmo

1,7

gemeentefonds/BZK

 

waarvan Zorgopleidingen

0,1

Begroting VWS

4

waarvan Wtcg

0,4

Begroting VWS

4

waarvan zorg Caribisch Nederland

0,1

Begroting VWS

8

waarvan Loon- en prijsbijstelling

0,0

Aanvullende Post 80/81

 

BKZ-ontvangsten standontwerpbegroting 2014

5,1

   

waarvan Eigen bijdrage Zvw

3,1

FBZ

 

waarvan Eigen bijdrage AWBZ

1,9

FBZ

 

Netto-BKZ-uitgaven stand ontwerpbegroting 2014

67,8

   

Bron: VWS, NZa-gegevens over de productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens, CVZ-gegevens over de financieringslasten Zvw en AWBZ.

* Als gevolg van afronding kan de som der delen afwijken van het totaal

Overzicht 2: Bruto-BKZ-uitgaven naar fianncieringsbron

Overzicht 2 toont eveneens de bruto-BKZ uitgaven naar financieringsbron, maar dan als aandeel in de totale BKZ-uitgaven.

BELEIDSAGENDA 2014

1. Inleiding

Het gaat goed met de volksgezondheid. We worden ouder en kunnen langer werken en participeren in de samenleving. De gezondheidszorg is de afgelopen jaren productiever geworden, waardoor meer zorg voor dezelfde euro premie wordt geleverd. De Nederlandse gezondheidszorg behoort, zeker als het gaat om brede toegankelijkheid en kwaliteit, nog altijd tot de beste van Europa. Met veel betrokkenheid, inzet en liefde verlenen artsen, verpleegkundigen, verzorgenden, familieleden en vrijwilligers zorg en ondersteuning. Hier zijn we trots op.

Tegelijkertijd staat ons land voor grote uitdagingen in de zorg. Onze verworvenheden zijn, zonder structurele aanpassing, niet langer vanzelfsprekend. De zorgvraag verandert. We leven bijvoorbeeld langer met chronische ziekten, waaraan we vroeger dood gingen. De forse stijging van de zorguitgaven zet de solidariteit, de basis van een goed functionerend stelsel, onder druk. Zeker tegen de achtergrond van de aanhoudende economische crisis en de verslechterende toestand van de overheidsfinanciën. Misstanden, zoals ondoelmatig besteed zorggeld, fraude en vermijdbare medische fouten, ondermijnen de zorg – en daarmee de goed functionerende professionals en instellingen.

Het kabinet heeft de ambitie en de plicht om de zorg kwalitatief goed, toegankelijk en betaalbaar te houden. Nu en in de toekomst. Daarover zijn stevige afspraken vastgelegd in het regeerakkoord. De in 2013 gesloten zorgafspraken met sociale partners en veldpartijen, de Hervormingsagenda Langdurige Zorg (HLZ) en de nieuwe akkoorden die we gaan sluiten in de curatieve zorg – een aanpassing en verdere verdieping van de eerder gesloten hoofdlijnenakkoorden die inmiddels hun vruchten afwerpen – geven richting en invulling aan de verdere uitwerking van de strategische VWS-agenda («Van systemen naar mensen») uit begin 2013.

Voor de thema’s fraude, verspilling en patiëntveiligheid zijn slagvaardige taskforces ingesteld. Om de aanpak van deze thema’s tot een succes te maken is het belangrijk dat veldpartijen betrokken zijn en meedenken. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft het zorgveld eerder dit jaar in het televisieprogramma Buitenhof opgeroepen om vóór 1 september 2013 suggesties aan te dragen voor besparingen op het verzekerde pakket. Dat heeft tot nu toe goede gesprekken opgeleverd en ruim 2.000 reacties van burgers, branches, koepels en beroepsverenigingen. Inmiddels is ook het meldpunt verspilling van start gegaan. Dat heeft alleen in de eerste paar maanden al zo’n 17.000 reacties opgeleverd. Wij zijn blij met deze grote betrokkenheid van de maatschappij. Het verbeteren van de betaalbaarheid van de zorg gaat ons immers allemaal aan.

De eerste oogst van de oproep in Buitenhof en het overleg met veldpartijen maken duidelijk dat de bezuiniging op het pakket nu beter op alternatieve wijze kan worden ingevuld dan met de eerder voorgestelde inperking van het pakket aan de hand van lage ziektelastaandoeningen. In de hoofdlijnenakkoorden die door het kabinet gesloten gaan worden, is daarom afgesproken deze beperking van € 1,2 miljard terug te draaien. Met ziekenhuizen, medisch specialisten, huisartsen, de ggz en patiëntenorganisaties is overeengekomen de zorguitgaven langs andere lijnen terug te dringen, onder andere door actief te sturen op kwaliteit en doelmatigheid van de zorg, selectieve inkoop en het tegengaan van fraude, verspilling en onnodige bureaucratie. Daarnaast zijn afspraken gemaakt over gepaste zorg, door aanscherping van richtlijnen en protocollen. De taakstelling op stringent pakketbeheer (van structureel € 300 miljoen) blijft overeind.

Ten slotte zijn in de akkoorden maatregelen afgesproken om meer dan nu zorg op de juiste plek te verlenen. De zorg zal in de toekomst zo veel mogelijk dicht bij patiënten worden gegeven.

Een sterke, geïntegreerde eerstelijnszorg vormt de spil van een toekomstbestendige gezondheidszorg. Huisartsen krijgen een nog grotere rol. Bovendien zullen streekziekenhuizen, maar ook nieuwe eerstelijnscentra en anderhalvelijnscentra zich richten op de basiszorg en de medisch-specialistische chronische zorg. Om de kwaliteit te verbeteren, wordt de complexe en acute zorg uiteindelijk in minder ziekenhuizen geconcentreerd. We streven naar substitutie van medisch-specialistische zorg naar huisartsenzorg, en van huisartsenzorg naar zelfzorg. De toepassing van ICT en e-health speelt daarbij een belangrijke rol.

Veel winst is verder te behalen met gezondheidsbevordering, het voorkomen van chronische aandoeningen als gevolg van een ongezonde leefstijl en gezonder leven met een chronische aandoening. Tegelijkertijd houden we scherp aandacht voor gezondheidsbedreigingen, zoals de gevaren van antibioticaresistentie.

Waar de curatieve zorg midden in een overgangssituatie zit, die door de hoofdlijnenakkoorden versneld wordt doorgevoerd, staat de ondersteuning en langdurige zorg aan het begin van een nieuwe koers. Ook hier staan cliëntgerichtheid en menselijke maat centraal. Als hulp en ondersteuning nodig zijn, moeten mensen zo goed mogelijk gebruik maken van het eigen sociale netwerk. Wie ook met steun van de omgeving niet meer zelfredzaam is, kan rekenen op zorg in een instelling. Voor hen blijft een «kern-AWBZ» bestaan.

Ouderen, chronisch zieken en gehandicapten hebben vaak met veel verschillende instanties en zorgverleners te maken. Nu meer mensen langer thuis blijven wonen, is het noodzakelijk dat schotten tussen de verschillende domeinen verdwijnen. Betere samenwerking tussen zorgprofessionals, mantelzorgers, zorgverzekeraars, gemeenten en diensten is onmisbaar. Bij verandering van structuren en het leggen van verbindingen krijgen gemeenten een grote rol. Dat geldt ook voor de jeugdzorg die per 1 januari 2015 wordt ondergebracht bij gemeenten.

Alle maatregelen die worden genomen zijn cruciaal om de zorg duurzaam te financieren en de patiënt de beste kwaliteit en aandacht te kunnen geven. Daarnaast levert de zorg met al deze hervormingen een substantiële bijdrage aan het verbeteren van de overheidsfinanciën. Tegelijkertijd hebben ze grote impact. Draagvlak voor ingrijpende maatregelen – politiek en maatschappelijk – is niet vanzelfsprekend. Dit geldt in het bijzonder voor maatregelen die mensen direct voelen, zoals het beperken van de aanspraak op huishoudelijke verzorging. Veel mensen moeten zorg en ondersteuning – die in het verleden collectief werd betaald – nu voor eigen rekening nemen of een beroep doen op de omgeving.

Wij zijn ons ervan bewust dat maatregelen pijnlijk kunnen zijn en veel energie en aanpassing vragen. Er is gekeken of verzachtingen van eerder afgesproken maatregelen mogelijk en wenselijk waren. Dat kan het maatschappelijk draagvlak vergroten, werkgelegenheid bevorderen of procesinnovatie bewerkstelligen. Wij zijn dan ook zeer tevreden over de afspraken die voor 2014 en verder zijn gemaakt met werkgeversorganisaties en het gros van de werknemersorganisaties over verantwoorde hervormingen in de zorg. Zij hebben aangetoond verantwoordelijkheid te nemen om samen een duurzaam zorgstelsel te ontwikkelen.

Deze beleidsagenda geeft onze visie voor 2014 met een doorkijkje naar latere jaren. Sommige onderwerpen en thema’s worden hier niet of slechts kort behandeld, maar komen terug bij de relevante begrotingsartikelen. Dit sluit aan bij de vernieuwde begrotingsopzet: Verantwoord Begroten. Dit maakt op artikelniveau nog beter duidelijk waar het Ministerie van VWS zich sterk voor maakt. Deze beleidsagenda gaat achtereenvolgens in op (2) de VWS-brede thema’s, (3) de curatieve zorg, (4) de ondersteuning en langdurige zorg en (5) jeugdzorg. De afsluitende zesde paragraaf beschrijft het financieel beeld op hoofdlijnen.

2. VWS-brede thema’s

De grens tussen curatieve en langdurige zorg vervaagt. Vaker dan voorheen is een sectoroverstijgende aanpak noodzakelijk. De Minister en Staatssecretaris van VWS werken op die thema’s intensief samen. Zij werken ook aan een nauwe verbinding tussen preventie, curatieve zorg en ondersteuning en langdurige zorg.

Geld voor zorg besteden aan zorg

Om de solidariteit en het draagvlak te bewaken is het cruciaal dat premiegeld goed wordt besteed aan zinnige en zuinige zorg voor mensen die dat nodig hebben. Fraude in de zorg is onacceptabel en het kabinet pakt dit hard aan. In maart 2013 zijn hierover afspraken gemaakt. Het Ministerie van VWS werkt samen met partners als de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), Zorgverzekeraars Nederland (ZN), de Fiscale Inlichtingen en Opsporingen Dienst (FIOD) en het Openbaar Ministerie (OM) aan het terugdringen van fraude in de zorg. Ook zal de NZa een onderzoek uitvoeren naar de omvang van fraude in de zorgsector en naar de zwakke plekken in het stelsel. Andere speerpunten richten zich op het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Zvw binnen het project PInCeT en de aanpak van fraude met het persoonsgebonden budget (pgb) in de AWBZ. In september 2013 komt het kabinet met een nieuw aanvalsplan om fraude in de zorg te voorkomen, beter op te sporen en harder aan te pakken. Voor 1 januari 2014 zal de inzet van de extra middelen die het kabinet voor fraudebestrijding beschikbaar heeft gesteld (€ 5 miljoen in 2014 en € 10 miljoen vanaf 2015) nader worden bepaald.

In mei 2013 is het programma Verspilling in de Zorg van start gegaan. Hierin werken overheid en veldpartijen samen. Belangrijk onderdeel van het programma is het meldpunt verspilling (www.verspillingindezorg.nl). Hier worden meldingen geïnventariseerd van cliënten, patiënten, familieleden, mantelzorgers of zorgverleners. Het is de bedoeling dat alle betrokken partijen daar zo spoedig mogelijk mee aan de slag gaan. Jaarlijks wordt verslag gedaan aan de Tweede Kamer. De aanpak richt zich de komende periode op genees- en hulpmiddelen, de langdurige zorg, de geestelijke gezondheidszorg en de ziekenhuiszorg. In augustus 2013 zijn al ruim 17.000 meldingen binnengekomen. Veel daarvan bevatten concrete ideeën waar de themagroepen in 2014 mee aan de slag gaan.

Ook het terugdringen van administratieve lasten draagt bij aan een doelmatige en efficiënte inzet van zorgmiddelen. De lopende activiteiten om regeldruk te verminderen worden voortgezet en uitgebreid. Het kwaliteitsbeleid in de zorg kan flink verbeteren met een fikse opruiming van niet onderscheidende kwaliteitscriteria en kwaliteitseisen. Het Kwaliteitsinstituut in oprichting gaat zorgaanbieders doorlopend stimuleren om hier de bezem door te halen en indien nodig ook zelf hiervoor voorstellen doen. In de nieuwe hoofdlijnenakkoorden zijn afspraken met alle partijen gemaakt om nu echt werk te maken van het verbeteren van de kwaliteitsindicatoren in de curatieve zorg.

Voor de curatieve zorg ligt het komend jaar de nadruk op de standaardisatie van de eisen die op administratief gebied aan hen worden gesteld. De NZa moet hier een eerste slag in maken. Voor de langdurige zorg bezien we in samenspraak met instellingen en professionals waar regels afgeschaft of vereenvoudigd kunnen worden. Een voorbeeld hiervan is het experiment regelarme zorginstellingen, dat vanaf 2013 loopt. Op de werkvloer wordt maximaal twee jaar bekeken welke aanpak leidt tot lagere administratieve lasten. De eerste ervaringen laten zien dat de zorgaanbieders innovatieve en praktische manieren van zorgverlening ontwikkelen, die aansluiten op de leefwereld van cliënten en de dagelijkse werkzaamheden van medewerkers. In de kern-AWBZ wordt bijvoorbeeld bespaard op administratieve lasten bij instellingen en zorgkantoren door het standaardiseren van de inkoopvoorwaarden. Er wordt vaker gewerkt met langdurige contracten en er is meer ruimte voor maatwerk. De komende periode zet VWS de deregulering krachtig door. Daarbij is ook een rol weggelegd voor het platform Informatievoorziening Zorg en Ondersteuning (IZO).

Patiëntveiligheid en kwaliteit

Het vergroten van de patiëntveiligheid en kwaliteit van zorg heeft prioriteit. De patiënt moet kunnen rekenen op goede en veilige zorg. Dat is ook in het belang van de zorgverlener.

De positie van de patiënt wordt verbeterd met de invoering van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Deze ligt inmiddels voor behandeling voor in de Eerste Kamer. De wet levert een waardevolle bijdrage aan de versterking van de positie van patiënten en het waarborgen van de kwaliteit van de zorg. Dan moeten zorgaanbieders binnen zes weken reageren op een klacht en zijn zij verplicht aangesloten bij een geschilleninstantie. Ook worden de meldplichten uitgebreid en wordt een «verklaring omtrent gedrag» verplicht voor medewerkers in de zorg. Goed bestuur kan eveneens bijdragen aan veiligheid en kwaliteit. Daarom wordt in een apart wetsvoorstel geregeld dat minimaal één bestuurslid er expliciet voor verantwoordelijk is. Nieuwe toetreders in de zorg moeten binnen vier weken na hun start door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) worden gecontroleerd. De wijze waarop zij veilige zorg van voldoende kwaliteit hebben georganiseerd, staat daarbij centraal ((TK 33 497, nr. 9).

Om de klachtenafhandeling in de zorg te professionaliseren wordt een Zorgloket ingericht. Daar kunnen mensen met klachten terecht voor begeleiding en ondersteuning. Bovendien moeten zorgaanbieders en fabrikanten er hun verplichte (calamiteiten)meldingen doen. Het loket deelt informatie met de IGZ, zodat deze gebruikt kan worden voor toezicht en handhaving. Jaarlijks publiceert het Zorgloket een klachtenoverzicht. Iedereen kan dan zien wat voor klachten en meldingen zijn gedaan en hoe de afhandeling daarvan verloopt. Het Zorgloket wordt in 2014 operationeel.

Het Kwaliteitsinstituut stimuleert de verdere verbetering van de kwaliteit van de gezondheidszorg en zorgt dat iedereen toegang heeft tot betrouwbare en begrijpelijke informatie. Het is van het grootste belang dat onnodige en nietszeggende kwaliteitseisen en voorschriften worden opgeruimd. Momenteel werkt het Kwaliteitsinstituut aan een meerjarenagenda en aan een toetsingskader. Het wetsvoorstel (TK 33 243) dat zijn taken en bevoegdheden regelt, is door de Eerste Kamer in behandeling genomen. Na goedkeuring kan het Kwaliteitsinstituut officieel beginnen. Het instituut wordt onderdeel van het College voor Zorgverzekeringen, dat vanaf de inwerkingtreding van de wet Zorginstituut Nederland zal heten.

De IGZ speelt een belangrijke rol bij het toezicht op de gezondheidszorg. De versterking van de IGZ wordt met kracht voortgezet. Het kabinet maakt afspraken over verbetering van patiëntveiligheid inclusief de veilige toepassing en het gebruik van medische technologie en geneesmiddelen. Hier is nog veel veiligheidswinst te halen. Om de medicatieveiligheid te vergroten is het van belang dat betere uitwisseling en afstemming van de zorg tussen betrokken zorgverleners plaatsvindt en (behandel)richtlijnen beter worden nageleefd. Standaardisatie, normering en transparantie van onder andere sterftecijfers hebben prioriteit omdat deze cruciaal zijn bij het verbeteren van kwaliteit en veiligheid.

Voedselveiligheid en gezondheidsbescherming

Ook voedselveiligheid is een belangrijke taak van de overheid. Denk aan de bescherming van de consument tegen onveilige producten. De recente affaire met paardenvlees en andere incidenten met levensmiddelen laten zien dat voedselfraude gevolgen heeft voor het consumentenvertrouwen en mogelijk voor de volksgezondheid. Op initiatief van de Minister van VWS en de Staatssecretaris van Economische Zaken is met de vlees- en zuivelsector de Taskforce Voedselvertrouwen ingesteld. Het bedrijfsleven en de overheid hebben een actieplan opgesteld (TK 26 991, nr. 361). Het bedrijfsleven is verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige en betrouwbare producten. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit moet op haar beurt goed zijn toegerust om toezicht te houden.

In 2014 werken we aan de verdere invoering van aanpassingen op het gebied van infectiepreventie in de humane gezondheidszorg, goed gebruik van antibiotica in de humane gezondheidszorg, surveillance van Bijzonder Resistente Micro-Organismen (BRMO) en de ontwikkeling van nieuwe antibiotica. Verder zetten wij ons in om samen met Economische Zaken, het gebruik van antibiotica in de veehouderij blijvend te verlagen.

Gezond opgroeien en ouder worden

Een gezonde leefstijl is primair een zaak van mensen zelf. De overheid kan hen daarbij ondersteunen met duidelijke voorlichting en door van de gezonde keus de gemakkelijke keus te maken.

In april 2013 is het «Nationaal Programma Preventie» (NPP) ingesteld (TK 32 793, nr. 70). Dit programma verbindt zorgverzekeraars, gemeenten, werkgevers, scholen, sportverenigingen, de voedingsindustrie, patiëntenverenigingen, gezondheidsfondsen en vele anderen. Samen hebben zij een belangrijke verantwoordelijkheid bij het voorkomen van en het beter leven met ziekte. Ook gezondheidsbescherming is onderdeel van het NPP.

Alcohol en tabak schaden de ontwikkeling en gezondheid van jongeren. De minimumleeftijd waarop aan jongeren alcohol verkocht mag worden, gaat van 16 naar 18 jaar. Onder de 18 jaar mogen jongeren ook geen drank in bezit hebben. Ook ligt er een voorstel in de Tweede Kamer om de minimumleeftijd voor verkoop van tabak te verhogen naar 18 jaar. De beoogde invoering van beide wetten is 1 januari 2014. Met een campagne worden ouders, jongeren, en de alcohol- en tabakverkopers voorgelicht over de nieuwe leeftijdgrens. Het uitgangspunt van de campagne is het veranderen van de sociale norm, namelijk dat je niet rookt of drinkt onder de 18 jaar.

Voor ouderen is het belangrijk dat de ingrijpende gevolgen van dementie en het aanzienlijke zorggebruik bij deze ziekte worden tegengegaan. Het kabinet draagt in de periode 2013–2016 ruim € 32 miljoen bij aan het Deltaplan Dementie. Het plan voorziet in onderzoek, registratie van mensen met dementie en een e-healthportal voor allen die betrokken zijn bij dementie. In het najaar van 2013 komt het kabinet met een brief over de toekomst van de dementiezorg, met daarin een brede visie op het thema.

Moet alles wat kan?

De vraag naar zinnige zorg («Moet alles wat kan?») doet zich op dit moment het duidelijkst voor bij zorg rond het levenseinde. In het licht van steeds grotere medische mogelijkheden is in elke fase van het leven behandelen vaak een vanzelfsprekendheid voor zowel arts als patiënt. Dit hoeft echter voor de kwaliteit van leven niet altijd het beste te zijn. Het kabinet zal dit onderwerp maatschappelijk agenderen en de maatschappelijke discussie erover de komende periode verder brengen.

Sport en Bewegen in de Buurt

Het is belangrijk dat mensen plezier in sport houden en dat ook anderen daarmee kennis maken. Door voldoende te sporten kan iedereen bijdragen aan zijn eigen gezondheid. Ook draagt sporten bij aan de sociale samenhang en daarmee aan veiligheid in buurten en wijken. Sinds 2012 loopt het programma «Sport en Bewegen in de Buurt». Er zijn inmiddels buurtsportcoaches aangesteld in 377 gemeenten. Verspreid over Nederland zijn in twee rondes een kleine 340 sportimpulsprojecten van start gegaan. Vanaf 2014 is er extra geld om kinderen van wie de ouders weinig inkomen hebben gericht te benaderen. Van belang is ook dat iedereen veilig en met plezier moet kunnen sporten zonder last te hebben van intimidatie of geweld. Naast het met kracht doorvoeren van het huidige actieplan «Naar een veiliger sportklimaat», wordt een aantal intensiveringen ingezet die dit actieplan verder versterken. Dit betreft maatregelen als sport en veiligheid op lokaal niveau, de aanpak van excessen, de rol van ouders, sportiviteit en respectvol gedrag op school, het aanpassen van spelregels en verenigingsregels, de inzet van rolmodellen en het strikter optreden tegen agressie.

Verbetering financiële informatievoorziening

Om een goede werking van het zorgstelsel te garanderen is accurate informatie van groot belang. Zorgverzekeraars, zorgaanbieders, patiënten en de overheid hebben allemaal behoefte aan tijdige en volledige informatie. Sinds november 2012 is daarom de stuurgroep Verbetering Informatievoorziening Zorguitgaven actief. De stuurgroep zal periodiek voorstellen doen voor het versnellen van de informatievoorziening, voor het monitoren ervan en voor het verbeteren van de verklarende informatie. Eind 2014 moeten de eerste maatregelen van kracht zijn (TK 29 248, nr. 254).

Versterking kennis- en adviesfunctie en andere VWS-brede projecten

Met de strategische kennisagenda laat VWS zien wat de belangrijkste trends en doelen zijn op het terrein van volksgezondheid, ondersteuning en zorg. Omdat het klassieke onderscheid tussen preventie, zorg en welzijn aan het vervagen is, moet de advisering hierop worden toegesneden.

Een compacte overheid vraagt om een gerichte inzet van de beschikbare capaciteit. Daarom voegen we de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) samen tot een nieuwe strategische Adviesraad voor, Participatie en Zorg. Deze samenvoeging is een eerste concrete uitwerking van het project «VWS als concern». Daarmee spelen we in op veranderende beleidsopgaven en de herziening van de verschillende zorgstelsels.

In 2014 komen wij met voorstellen over taakherschikking tussen publieke en private organisaties en/of tussen (semi)publieke organisaties onderling in het VWS-domein. Die kunnen ook leiden tot minder opdrachten voor deze organisaties op het gebied van kennis, advies, uitvoering en voorlichting. En we maken afspraken over een eenduidige bedrijfsvoering.

VWS blijft investeren in de kwaliteit van uitvoeringstaken en dienstverlening. Via het Programma Informatiehuishouding op Orde (PrIO) verkennen we de mogelijkheden om de kwaliteit en het gebruik (zo nodig verplicht) van zorgbrede definities en informatiestandaarden te verbeteren. Zo kunnen we beschikbare gegevens beter benutten.

3. Curatieve zorg

In de curatieve zorg zal slimmer organiseren de komende jaren zijn beslag krijgen: meer zorg dichtbij, complexe zorg meer geconcentreerd in gespecialiseerde centra. De toegang tot de aanspraken wordt aangescherpt. De dokter en de patiënt hebben daarin een belangrijke verantwoordelijkheid. Substitutie van de medisch-specialistische zorg naar de huisartsenzorg en naar zelfzorg moet echt van de grond komen.

a. Versterken zelfredzaamheid en positie burger

Zelfredzaamheid en e-healthtoepassingen

Mensen zijn gezonder dan vroeger. Tegelijkertijd is er echter een trend waarbij mensen steeds sneller een beroep doen op het medisch circuit en daar ook steeds afhankelijker van worden. Die trend willen wij keren. Iedereen is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het bevorderen van zijn eigen gezondheid. Zelfredzaamheid moet meer een vanzelfsprekend uitgangspunt zijn. Mensen moeten de mogelijkheid krijgen de regie en verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen behandeling en zelf keuzes te maken. Het op veel grotere schaal en slimmer toepassen van ICT en e-health moet echt van de grond komen. Het helpt de zorg slimmer te organiseren met meer regie en vrijheid voor de patiënt, draagt bij aan het bestrijden van het dreigende personeelstekort en vermindert de kosten. Het kabinet draagt bij aan de ontwikkeling en het gebruik van (internationale) standaarden en de ontwikkeling van richtlijnen voor onderzoek naar de toepassing van e-health. Ook bieden we ruimte voor e-health in de bekostiging.

Kostenbewustzijn

Een beter inzicht in de kosten draagt bij aan zinnig en zuinig gebruik van zorg en het verhogen van kostenbewustzijn. Het stelt mensen ook in staat mogelijke onjuistheden te signaleren in de declaraties, het eigen risico en ingehouden eigen bijdragen. Daarom moeten mensen in de loop van 2014 een duidelijke zorgnota krijgen. Verder verloopt vanaf 2014 de terugkoppeling van zorgkosten aan de patiënt digitaal. Wij hebben met zorgaanbieders en branchepartijen afgesproken dat zij dit in 2013 en 2014 realiseren.

Kwaliteit en veiligheid

Met het Veiligheidsmanagementsysteem (VMS) kunnen ziekenhuizen continu risico’s signaleren, verbeteringen in de praktijk doorvoeren en beleid vastleggen, evalueren en aanpassen. VWS heeft de afgelopen jaren een programma gefinancierd om een VMS in alle ziekenhuizen te realiseren. Inmiddels hebben 81 van de 93 ziekenhuizen een gecertificeerd VMS. De IGZ zal handhavend optreden tegen ziekenhuizen die dat eind 2013 nog niet hebben. De IGZ betrekt de werking van het VMS bij haar toezichtactiviteiten.

Incidenten met medische hulpmiddelen, zoals PIP-borstimplantaten, hebben geleid tot onder meer een actieplan van de Europese Commissie om op basis van de bestaande wetgeving maatregelen te nemen om dergelijke incidenten zo veel mogelijk te voorkomen. Nederland heeft in het verlengde hiervan besloten tot een implantaten-basisregister. De IGZ draagt in 2014 ook actief bij aan nieuwe en verscherpte regelgeving voor medische hulpmiddelen en in-vitro diagnostica in Europa.

In het najaar van 2013 komen wij met een actieplan voor de cosmetische sector, waarin verschillende maatregelen zijn opgenomen om de risico's in deze sector drastisch te verkleinen. In de afgelopen periode is daartoe een wettelijke analyse uitgevoerd. Daarnaast hebben wij een aanvullend onderzoek naar de belangrijkste cosmetische ingrepen en dienstverleners laten uitvoeren. De uitkomsten van beide onderzoeken vormen de basis voor het actieplan en de maatregelen die daarin worden voorgesteld.

De strijd tegen vervalste geneesmiddelen en andere medische producten is gericht op het voorkomen van gezondheidsschade. Dit gebeurt aan de hand van vier thema’s: bewustwording; het bewaken van de kwaliteit en signalering; omvang en schade; en toezicht en opsporing. In 2014 wordt de richtlijn vervalsingen in de geneesmiddelenwetgeving verder uitgewerkt.

b. Slimmer en beter organiseren van curatieve zorg

Hoofdlijnenakkoorden

In de afgelopen jaren zijn hoofdlijnenakkoorden gesloten voor de medisch specialistische zorg (ziekenhuizen, zelfstandige behandelcentra en medisch-specialisten), huisartsenzorg en geestelijke gezondheidszorg. Deze akkoorden dragen bij aan de beheersbaarheid en inhoudelijke verbetering van het zorgstelsel. Er is veel commitment om de beoogde doelstellingen te realiseren. De uitvoering van de akkoorden is voortvarend ter hand genomen. De eerste successen zijn zichtbaar: kwaliteit speelt een nadrukkelijker rol in de onderhandelingen en zorgaanbieders en verzekeraars onderhandelen stevig met elkaar over prijzen.

In de nieuwe akkoorden die afgesloten gaan worden is afgesproken dat het groeipercentage van de zorguitgaven verder wordt teruggebracht naar 1,5 procent in 2014 en 1 procent per jaar van 2015 tot en met 2017. Voor huisartsen geldt dat ze daarbovenop 1 procent in 2014 en 1,5 procent in 2015–2017 krijgen als zij aantoonbaar zorg uit de tweede lijn opvangen en voorkomen dat mensen naar de duurdere tweede lijn worden doorverwezen. Met de huisartsen is eveneens overeengekomen dat hun bekostiging per 2015 wordt aangepast. Deze zal dan beter aansluiten bij de gezamenlijke ambities: meer zorg in de buurt. Daarbij werken diverse partijen (ggz, wijkverpleegkundigen, huisartsen en gemeenten) nauwer samen. Ook zal de bekostigingssystematiek gebruik maken van populatiegebonden kenmerken en komt er ruimte voor het belonen van (gezondheids)uitkomsten.

Om de uitgavengroei te verlagen, neemt de zorgsector extra maatregelen om de doelmatigheid en de kwaliteit te verbeteren: meer zorg van de medisch-specialisten naar de huisarts, en van de huisarts naar zelfzorg. Complexe zorg wordt geconcentreerd. Medische richtlijnen en zorgstandaarden worden strakker toegepast, opdat wordt behandeld naar de maatstaven van de medische sector zelf.

De zorgpolis wordt transparant: voor de verzekerde wordt tijdig duidelijk welke zorgaanbieder wél en welke níet is gecontracteerd, evenals hoeveel een verzekerde vergoed krijgt als hij naar een niet-gecontracteerde zorgaanbieder gaat (aanscherping artikel 13 Zorgverzekeringswet). Tegelijkertijd maakt de zorgverzekeraar het inkoopproces inzichtelijk, zodat de zorgaanbieder weet waar hij aan toe is.

Investeren in arbeidsmarkt en zorgpersoneel

In het voorjaar van 2013 sloten we met werkgevers en werknemers het «Zorgakkoord». Met de structurele middelen die daaruit beschikbaar komen, wordt in de curatieve zorg geïnvesteerd in verbetering van de arbeidsmarktpositie van zorgpersoneel. Personeel op mbo-niveau krijgt een betere kans om door te stromen naar het hbo. Ook wordt ingezet op kwaliteitsverbetering, door scholing en bijscholing.

De wijkverpleegkundige is de onmisbare schakel in buurten en wijken. Sinds 2008 zijn er in het kader van het ZonMw-programma «Zichtbare Schakel» in 40 gemeenten ongeveer 350 wijkverpleegkundigen actief. Uit evaluaties blijkt dat de wijkverpleegkundige zorgt voor betere samenwerking tussen zorgverleners, tot minder opnames in ziekenhuizen en latere opname in verpleeghuizen. Vanaf 2015 komt € 200 miljoen extra ter beschikking om meer wijkverpleegkundigen aan te trekken. Ook wordt € 50 miljoen geïnvesteerd in het opzetten van sociale wijkteams, waardoor de noodzakelijke verbinding tussen zorg en welzijn gemaakt kan worden.

Organisatie en bekostiging spoedeisende hulp en huisartsenposten

Het naast elkaar bestaan van verschillend gefinancierde spoedeisende hulpposten (SEH's) en huisartsenposten (HAP's) werkt overbehandeling en verspilling in hand. Daarom wordt concentratie en specialisatie van SEH's voortgezet en worden zij geïntegreerd met de HAP's. Zorgverzekeraars spelen – in samenspraak met VWS – een actieve rol op dit terrein. Op basis van een inventarisatie van knelpunten die samenwerking tussen HAP en SEH bemoeilijken, wordt momenteel met de NZa gewerkt aan aanpassingen in de bekostiging van de HAP. Dit loopt vooruit op een mogelijke nieuwe bekostiging voor HAP en SEH. Om de integratie van SEH-zorg en HAP-zorg te bevorderen maakt VWS afspraken met de zorgverzekeraars.

Systeemverbetering

Verschillende voorstellen om het systeem beter te laten werken staan op stapel en liggen in de Tweede Kamer en Eerste Kamer (verbod verticale integratie, aanpassen artikel 13 Zorgverzekeringswet, winstuitkering medisch-specialistische zorg, continuïteit cruciale zorg, Kwaliteitsinstituut). Het kabinet is van mening dat deze voorstellen ons zorgstelsel verstevigen en betere zorg opleveren voor een betere prijs, met meer maatwerk voor patiënten. Hierdoor kunnen zorgaanbieders meer middelen aantrekken om innovaties door te voeren en krijgen verzekeraars meer ruimte consequenties te verbinden aan slecht presterende aanbieders.

Grensoverschrijdende zorg

De uitgaven aan grensoverschrijdende zorg zijn sterk gestegen, met bijna 50 procent tussen 2007 en 2011 (van € 413 miljoen tot € 611 miljoen). In het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) grensoverschrijdende zorg, dat in 2014 wordt afgerond, worden deze stijgende uitgaven tegen het licht gehouden. Het IBO doet voorstellen om de groei van deze uitgaven beter in lijn te brengen met de overige sectoren in de curatieve zorg. Daarin staat een beheerste groei van de Nederlandse zorguitgaven centraal, in lijn met de nieuwe Europese Richtlijn patiëntenrechten bij grensoverschrijdende zorg. Het risico bestaat dat in Nederland geboekte resultaten (deels) teniet worden gedaan door een toename van het zorggebruik in het buitenland. Hoewel het onderzoek zich concentreert op de grensoverschrijdende Zvw-zorg wordt ook een analyse gemaakt van de grensoverschrijdende AWBZ-zorg in relatie tot de hervorming langdurige zorg.

c. Zorgvuldig pakketbeheer en geneesmiddelenbeleid

Zorgvuldig pakketbeheer

Elk jaar komen er nieuwe – vaak duurdere – hoogtechnologische behandelingen en hulp- en geneesmiddelen in het verzekerde pakket. Ook wordt daar steeds meer gebruik van gemaakt. Er moet daarom heel goed worden gekeken naar wat collectief via de zorgverzekering betaald wordt en welke behandelingen mensen voor eigen rekening en risico kunnen nemen. In het voorjaar hebben wij het veld opgeroepen om met alternatieve pakketmaatregelen te komen. Ook burgers konden via betaalbarezorg@minvws.nl voorstellen doen.

Dankzij de breed gedragen hoofdlijnenakkoorden is de eerder in het regeerakkoord voorgenomen bezuiniging (€ 1,5 miljard) op het basispakket aangepast. Voor € 1,2 miljard blijven bepaalde aanspraken toch in het pakket. Afgesproken is dat artsen kritischer en selectiever zijn wanneer zij patiënten toegang verlenen tot verzekerde zorg. Ook de patiënt zelf speelt een belangrijke rol bij gepast zorggebruik. De concrete aanpak hiervan wordt in de komende maanden uitgewerkt. Mensen die het echt nodig hebben, houden natuurlijk toegang tot verzekerde zorg.

Het kabinet werkt aan stringent pakketbeheer voor de zorg. Dit moet leiden tot een versobering van het pakket. De totale ombuiging bedraagt circa € 300 miljoen, waarvan € 225 miljoen nog moet worden ingevuld. In de akkoorden die afgesloten gaan worden onderschrijven partijen, dat een continue, systematische doorlichting van het verzekerde pakket noodzakelijk is. Hierbij zal het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) alle pakketcriteria – noodzakelijkheid, (kosten)effectiviteit en uitvoerbaarheid – betrekken. In september 2013 volgt een analyse van de ideeën die zijn ingediend naar aanleiding van de «Buitenhofoproep». Deze suggesties worden betrokken bij de invulling van de bezuiniging op stringent pakketbeheer en bij de verdere uitwerking en invulling van de gesloten akkoorden.

De bij de akkoorden betrokken partijen hebben onderstreept dat het mogelijk moet zijn voor zorgverzekeraars om selectief in te kopen. Zorgverzekeraars moeten de mogelijkheid hebben bij niet-gecontracteerde zorg hun vergoeding af te stemmen op het kwaliteitsniveau dat zij ervaren. De zogeheten restitutiepolis blijft onderdeel uitmaken van het basispakket, mits het desbetreffende wetsvoorstel wordt aangenomen.

Geneesmiddelenbeleid

Dankzij het succesvolle beleid van de afgelopen jaren zijn de uitgaven aan geneesmiddelen fors gedaald. Het beleid bestaat uit een samenhangend geheel van maatregelen, onder andere het afsluiten van convenanten met het veld, het geven van de bevoegdheid tot het voeren van preferentiebeleid en vrij onderhandelbare tarieven voor apotheekhoudenden. Daarnaast voeren zorgverzekeraars een scherper inkoopbeleid. Dit beleid zetten wij de komende jaren voort. Tegen de achtergrond van de veranderende zorg moeten we tegelijkertijd blijven werken aan een toekomstbestendige, meer innovatieve en samenhangende farmaceutische zorg. Daarbij staat centraal dat de apotheker van de toekomst nauw samenwerkt met huisartsen en voorschrijvers in de tweedelijn, vooral chronische patiënten informeert, begeleidt en ondersteunt bij het beter gebruiken van hun geneesmiddelen en daarmee integraal onderdeel is van de zorgverlening in de eerste lijn. De komende periode zullen we benutten om deze ambitie met betrokken partijen verder vorm te geven, onder andere binnen een periodiek bestuurlijk overleg. Dit is overeenkomstig de aanbevelingen van de verkenners extramurale farmacie.

In 2014 beginnen we met het uitvoeren van financiële arrangementen bij vergoedingsbesluiten over dure en weesgeneesmiddelen. Tot die tijd worden de pilots met deze arrangementen voortgezet. Via een arrangement kunnen financiële risico's bij een vergoedingsbesluit worden verzacht en tegelijkertijd de verzekerde toegang worden gewaarborgd.

4. Langdurige zorg en ondersteuning

De langdurige zorg en ondersteuning worden hervormd. Dit komt ten goede aan de kwaliteit, vergroot de betrokkenheid van burgers en verbetert de betaalbaarheid van de zorg. 2014 is hierbij een overgangsjaar; vanaf 2015 krijgen verschillende hervormingen hun beslag 1.

De noodzaak tot hervormen

In de brief Hervorming langdurige zorg: naar een waardevolle toekomst (TK 30 597, nr. 296), heeft het kabinet zijn visie op de langdurige zorg en ondersteuning neergelegd. Het stelsel van de langdurige zorg en ondersteuning wordt herzien om de kwaliteit van zorg en ondersteuning te verbeteren. Relatief lichte zorgvragen worden nog te vaak behandeld vanuit een medisch perspectief. Ook worden mensen afhankelijk gemaakt van zorg, doordat professionals deze te vaak overnemen. Dit kan leiden tot medicalisering.

Verder is het van belang om de betrokkenheid in de samenleving te vergroten. Nederland is naar een situatie gegroeid waarbij hulp en ondersteuning wordt geboden, terwijl de (financiële) mogelijkheden van de mensen zelf of hun sociale omgeving onvoldoende worden benut. Tot slot is het van belang de ondersteuning en langdurige zorg te herzien om deze betaalbaar te houden. De Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) heeft sinds haar introductie een sterke groei doorgemaakt. De reële zorguitgaven stijgen sinds het begin van deze eeuw met circa 4,3 procent per jaar. Dit is bijna drie keer zo veel als de structurele economische groei. Door de voorgestelde hervormingen wordt een structurele verlaging van de groei bewerkstelligd.

Om deze omslag te kunnen maken, schrapt het kabinet onderdelen van de AWBZ, die vooral gericht zijn op ondersteuning en participatie. Gemeenten worden in staat gesteld hun burgers passend te ondersteunen. Gemeenten beslissen over goede voorzieningen die aansluiten bij de individuele behoeften van mensen. Dit maakt maatwerk mogelijk. Zorg gericht op genezing of behoud van lichamelijke en geestelijke functies, zoals verpleging, wordt verleend vanuit de Zvw. Om de samenhangende zorg vanuit de Zvw te versterken, komen onderdelen van de AWBZ die gericht zijn op behandeling en verpleging onder de Zvw. De meest kwetsbare mensen houden recht op een plaats in een zorginstelling die valt onder de kern-AWBZ.

Ten opzichte van het regeerakkoord zijn enkele maatregelen verzacht. Dagbesteding, persoonlijke verzorging en huishoudelijke hulp blijven beschikbaar in 2014 en de norm voor gebruikelijke zorg (de activiteiten die partners, ouders van kinderen of huisgenoten normaal gesproken geacht worden voor elkaar te doen) wordt in dat jaar niet verhoogd. De voorgenomen korting per 2015 op het budget voor huishoudelijke hulp van 75 procent wordt verlaagd naar 40 procent. Dit betekent dat de korting hiermee structureel met € 530 miljoen wordt verlaagd.

In 2014 wordt een groot deel van de maatregelen in de langdurige zorg in wetgeving opgenomen. Gemeenten spelen een belangrijke rol in die voorbereiding aangezien zij er een forse taak bij krijgen. Op verschillende manieren wordt in het overgangsjaar ondersteuning geboden om de partijen voor te bereiden.

Zeggenschap bij cliënt

Het kabinet streeft naar een grotere zeggenschap voor de cliënt. Voor zorg in natura betekent dit meer ondersteuning en zorg op maat. Zorgaanbieders, zorgkantoren en verzekeraars moeten samen goede afspraken maken die het belang van de cliënt en passende zorg voorop stellen.

Het persoonsgebondenbudget (pgb) is een waardevol instrument om regie te hebben over de eigen zorg en ondersteuning. Dit komt ten goede aan de kwaliteit van ondersteuning en zorg en leidt tot innovaties. Voor het pgb is in het nieuwe stelsel van de langdurige zorg en ondersteuning een belangrijke rol weggelegd. Er zal beter worden gekeken of een pgb een geschikt instrument is. De budgethouder moet in staat zijn voldoende regie uit te oefenen over de geboden zorg. Er moet sprake zijn van een goede kwaliteit. Tot slot moeten de zorg en ondersteuning goedkoper zijn dan zorg in natura. In het kader van de aanpak van fraude en oneigenlijk gebruik worden sinds 2013 onder meer nieuwe cliënten persoonlijk gezien door de indicatiesteller en het zorgkantoor en moet een budgetplan worden opgesteld. Het 10-uurs criterium wordt voor bestaande cliënten niet ingevoerd voor bestaande cliënten, waardoor in 2014 circa 40.000 budgethouders hun pgb behouden. Voro nieuwe cliënten blijft dit criterium wel van kracht.

Brede verantwoordelijkheid gemeenten

Gemeenten krijgen een belangrijke rol bij de ondersteuning van mensen in hun zelfredzaamheid, maatschappelijke participatie en zo lang mogelijk zelfstandig thuis blijven wonen. Dat geldt ook voor de burgers die nu nog zijn aangewezen op «beschermd wonen». Gemeenten krijgen de middelen en ruimte om te kunnen zorgen voor goede voorzieningen die passen bij de individuele behoeften en mogelijkheden van mensen. Voor degenen die geen regie meer kunnen voeren over hun eigen leven en bij wie permanent toezicht nodig is, blijft er een kern-AWBZ bestaan. Er worden wetsvoorstellen opgesteld die zowel de Wmo als de AWBZ moeten vervangen. Deze wetten treden per 1 januari 2015 in werking.

Langer zelfstandig blijven wonen

Ouderen willen en kunnen steeds langer thuis wonen. Het kabinetsbeleid sluit aan bij deze ontwikkeling. Gemeenten en zorgverzekeraars worden de komende periode verantwoordelijk voor onderdelen van de zorg en ondersteuning die nu nog vanuit de AWBZ-instellingen wordt geleverd. De huidige cliënten behouden hun recht op zorg in een instelling. Voor ouderen met een zware zorgbehoefte blijft instellingszorg beschikbaar in de kern-AWBZ. Dat geldt ook voor cliënten met een geestelijke of lichamelijke aandoening en een zware zorgbehoefte.

Arbeidsmarkt en werkgelegenheidseffecten

Werknemers in de ondersteuning en langdurige zorg zijn van grote waarde voor de kwaliteit ervan. De voorgenomen hervormingen veroorzaken onzekerheid bij deze werknemers. Het is van belang dat alle partijen zich tot het uiterste inspannen om gedwongen ontslagen te voorkomen. Maar banenverlies is niet helemaal uit te sluiten. Om de effecten van de hervormingen zo goed mogelijk te monitoren en waar mogelijk te verzachten wordt een arbeidsmarkteffectrapportage opgesteld. Mede aan de hand van deze effectrapportage wordt gekeken naar de werkgelegenheidseffecten en wordt een sectorplan zorg opgesteld. Zo willen we mensen die hun baan dreigen te verliezen via mobiliteit, omscholing, herscholing en bijscholing aan de slag houden.

Kwaliteit

De kwaliteit van de langdurige zorg wordt de komende periode verder vormgegeven. Omdat organisaties in de langdurige zorg te maken krijgen met andere eisen van de samenleving is het van belang dat deze organisaties goed begeleid worden. Daarom trekken we de komende jaren € 14 miljoen uit voor het programma «In voor zorg!». Dit programma helpt zorgorganisaties werkprocessen in te richten op de toekomst, bundelt bestaande kennis en biedt organisaties praktische ondersteuning bij veranderingen. Vakmanschap staat hierbij centraal en mag niet worden belemmerd door onnodige centrale regelgeving en/of decentrale interne beheersregels.

Middelen maatwerk / inkomensbeleid

Het kabinet schaft per 2014 de landelijke inkomensregelingen voor financiële compensatie voor chronisch zieken en gehandicapten af. Het gaat om de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg), de Compensatieregeling Eigen Risico (CER) en de fiscale regeling voor aftrek van specifieke zorgkosten en de daarmee samenhangende Tegemoetkoming Specifieke Zorgkosten (TSZ). Na een korting zal het budget van de bestaande regelingen worden overgeheveld naar het gemeentefonds. Het gaat om een bedrag van € 700 miljoen structureel vanaf 2017. Gemeenten kunnen maatwerk bieden door het compenseren van beperkingen met voorzieningen via de Wmo of het geven van directe inkomenssteun via de individuele bijzondere bijstand. De middelen zijn niet geoormerkt.

Daarnaast zal de eigen bijdrage AWBZ per 2014 worden verhoogd voor mensen in een instelling. In de Kamerbrief «Langdurige zorg: naar een waardevolle toekomst» is aangegeven dat is gekozen voor een beperktere verhoging van de hoge intramurale eigen bijdrage AWBZ dan was voorzien in het regeerakkoord. Daarbij zal de maatregel zo worden vormgegeven dat er niet alleen sprake is van verzachting van de maatregel, maar tevens van een vereenvoudiging. De vereenvoudiging is bedoeld om de berekening van de eigen bijdrage begrijpelijker te maken voor de cliënt en de eigen bijdrageregeling minder complex in de uitvoering is voor het CAK. Daarbij is rekening gehouden met de totale inkomenseffecten van een stapeling van maatregelen voor cliënten in een instelling die een eigen bijdrage betalen. In de stapelingsmonitor die in de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid staat, wordt de stapeling van maatregelen (inclusief die op het gebied van langdurige zorg) in beeld gebracht.

Informele zorg

Eén van de uitgangspunten van de hervorming van de langdurige zorg is dat van mensen mag worden verwacht dat zij elkaar naar vermogen ondersteunen. In combinatie met de stijging van het aantal ouderen betekent dit dat van meer mensen zal worden gevraagd zich in te zetten voor hun naasten. Voorop staat dat mantelzorgers nergens toe verplicht worden en dat het beleid er niet op is gericht mantelzorgers (verplicht) in te zetten voor lijfsgebonden zorg.

In de afgelopen jaren heeft het kabinet ervoor gezorgd dat informele zorg beter in beeld kwam bij gemeenten, instellingen en professionals. Nu is het tijd om de positie van de informele zorgverlener binnen de ondersteuning en langdurige zorg beter vast te leggen. Het is de bedoeling dat gemeenten, instellingen en professionals geregeld kijken naar wat cliënten en hun sociale netwerk zelf aankunnen en welke formele zorg en ondersteuning in aanvulling daarop nodig is. Informele en formele zorg worden zo beter met elkaar verbonden. Hierdoor zal meer maatwerk worden geleverd en wordt een mogelijke overbelasting van mantelzorgers eerder in beeld gebracht. Gemeenten en aanbieders van zorg en welzijn moeten ook betere ondersteuning aan mantelzorgers bieden. Daarbij moet goed worden geluisterd naar de wensen en behoeften van mantelzorgers. Met de VNG en veldorganisaties werken wij aan een gezamenlijke agenda die zich richt op de speerpunten uit de Kamerbrief «Versterken, verlichten en verbinden». Deze agenda moet in het najaar van 2013 af zijn. Concrete acties voor 2014 zijn onder andere: het samen met de VNG aanpassen van de basisfuncties vrijwilligerswerk en mantelzorg aan de hervormingen langdurige zorg, het uitvoeren van een actieplan scholing voor zorg- en ondersteuningsprofessionals en het beschikbaar stellen van de toolkit mantelzorg voor de eerste- en tweedelijnszorg.

5. Jeugdzorg

Decentralisatie naar gemeenten

Op 1 januari 2015 wordt het nieuwe jeugdstelsel van kracht. Het «Transitieplan Jeugd» beschrijft de acties die nodig zijn voor een verantwoorde overgang naar het nieuwe stelsel. Daartoe werken het Rijk (en dan primair de Ministeries van V&J en VWS), de VNG en het Interprovinciaal Overleg (IPO) samen met zorgverzekeraars en veldpartijen (TK 31 839, nr. 290). Het voorstel voor de Jeugdwet is op 1 juli 2013 naar de Tweede Kamer gestuurd.

Hoofddoel van de stelselwijziging Jeugd is het realiseren van een omslag in de ondersteuning, hulp en zorg aan jongeren en gezinnen. Kerndoelen zijn preventie en het uitgaan van eigen verantwoordelijkheid en eigen mogelijkheden, het voorkomen van onnodig medicijngebruik en het versterken van het opvoedkundig klimaat in gezinnen, wijken, scholen en voorzieningen als kinderopvang en peuterspeelzalen. Ook is het van belang eerder de juiste hulp op maat te bieden, om het beroep op dure gespecialiseerde hulp en justitiële maatregelen te verminderen of te voorkomen.

Uitgangspunt is «één gezin, één plan, één regisseur». Door ontschotting van budgetten komt behandelen, begeleiden en beschermen meer in één hand. Zo ontstaan meer mogelijkheden voor betere samenwerking en innovaties in ondersteuning, hulp en zorg aan jongeren en gezinnen. Het is van belang professionals meer ruimte te geven om de juiste hulp te bieden en om regeldruk te verminderen.

Commissie-Samson

Het kabinet heeft op 21 december 2012 zijn reactie gegeven op de aanbevelingen van de commissie-Samson ten aanzien van seksueel misbruik in de jeugdzorg (TK 33 434, nr. 3). Het beleid richt zich enerzijds op de hulp aan de slachtoffers van in het verleden gepleegd seksueel misbruik. Anderzijds moeten we waarborgen scheppen om seksueel misbruik in de jeugdzorg in de toekomst zo veel mogelijk te voorkomen.

Professionalisering jeugdzorg

Eind april 2013 is vooruitlopend op de nieuwe Jeugdwet het wetsvoorstel «Professionalisering in de jeugdzorg» naar de Tweede Kamer gestuurd (TK 31 839, nr. 288). Dit wetsvoorstel, dat naar verwachting op 1 januari 2014 ingaat, is een wijziging van de Wet op de Jeugdzorg en heeft als doel de kwaliteit van de jeugdzorg op een hoger plan te brengen. Instellingen zijn dan verplicht met geregistreerde jeugdprofessionals te werken. Om geregistreerd te blijven is bij- en nascholing een voorwaarde. Ook verbinden jeugdprofessionals zich aan ethische beroepsnormen en wordt het tuchtrecht ingevoerd.

6. Financieel beeld op hoofdlijnen

De afgelopen periode zijn flinke stappen gezet om te komen tot een robuust zorgstelsel, waarbij kwalitatief goede zorg wordt geleverd voor een betaalbare premie. Dit vertaalt zich in zorguitgaven die beter aansluiten bij de aan het begin van de kabinetsperiode vastgestelde uitgavenkaders. Onderstaande grafiek geeft een overzicht van de jaarlijkse bijstelling van de zorguitgaven 2.
Bijstelling zorguitgaven Zvw/AWBZ (t+1/in mld €)

Uit de grafiek kan worden opgemaakt dat de afgelopen jaren sprake was van fors afnemende bijstellingen van de zorguitgaven. In 2010 was nog sprake van een opwaartse bijstelling van circa € 2,1 miljard. Over 2013 is sprake van een beperkte neerwaartse bijstelling met ruim € 0,2 miljard. Deze bijstelling wordt nader toegelicht in het Financieel Beeld Zorg elders in de VWS-begroting (zie actualisatiecijfers in het Financieel Beeld Zorg).

Verschillende structuurversterkende maatregelen in de curatieve en langdurige zorg hebben aan de uitgavenbeheersing bijgedragen. In 2006 is met de introductie van de Zvw de basis gelegd voor het huidige stelsel in de curatieve zorg. De afgelopen periode is hard gewerkt om met de afschaffing van de macronacalculatie en de doorontwikkeling van DOT (dbc’s op weg naar transparantie) het stelsel verder vorm te geven. Verder leveren de hoofdlijnenakkoorden en het preferentiebeleid bij geneesmiddelen een flinke bijdrage aan een beheerste ontwikkeling van de uitgaven. Het beleid lijkt inmiddels zijn vruchten af te werpen. Het is zaak dit de komende jaren verder vorm te geven en inhoudelijk te intensiveren.

Ook in de langdurige zorg is de afgelopen jaren gewerkt aan uitgavenbeheersing. Er zijn onder meer aangescherpte afspraken gemaakt over contractering tussen zorgkantoren en zorgaanbieders. De contracteerplicht is afgeschaft, waardoor meer gedifferentieerd kan worden met vergoedingen. De invoering van integrale tarieven zorgt er bovendien voor dat leegstand bij zorgaanbieders steeds minder wordt vergoed. Ook deze ontwikkelingen dragen bij aan een robuuster stelsel.

In het regeerakkoord en de met veldpartijen overeengekomen akkoorden (zorgakkoord, nieuwe hoofdlijnenakkoorden) zijn maatregelen getroffen om de zorguitgaven verder te beheersen en de groei nog verder af te vlakken. In de recente hoofdlijnenakkoorden is afgesproken om de volumegroei in de medisch-specialistische zorg en de curatieve ggz aanvullend met 1 procent te verlagen. Deze verlaging levert per saldo circa € 1,0 miljard op met name door het tegengaan van verspilling, fraude, onnodige bureaucratie en door het scherper duiden van aanspraken in de Zvw (gepast gebruik, minder praktijkvariatie). In de ondersteuning en langdurige zorg levert de hervormingsagenda langdurige zorg (HLZ) een wezenlijke bijdrage aan het beheersen van de zorguitgaven, onder meer door meer ondersteuning op gemeentelijk niveau in het sociale domein te verlenen en door een scherper afgebakende kern-AWBZ.

Het verplicht eigen risico in de Zvw wordt niet inkomensafhankelijk gemaakt. Bij de utiwerking van dit voornemen uit het regeerakkoord is duidelijk geworden dat het inkomensafhankelijk maken van het verplicht eigen risico te veel nadelen heeft. Zo zijn er afhankelijk van de uitvoeringsvariant vooral bezwaren rondom de privacy of zijn de uitvoeringskosten naar verhouding erg hoog. De zorgtoeslag wordt als gevolg van de afspraken uit het aanvullende bezuinigingspakket van € 6 miljard neerwaarts bijgesteld met € 320 miljoen door de standaardpremie vanaf 2014 te baseren op gemiddelde nominale premie inclusief collectieve contracten. De zorgtoeslag wordt daarnaast betrokken bij de vanaf 2015 gefaseerd in te voeren huishoudentoeslag.

BELANGRIJKE NIEUWE BELEIDSMATIGE BEGROTINGSMUTATIES

Opbouw uitgaven x € 1.000
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2013

15.711.317

15.806.204

16.107.957

16.925.773

17.917.899

17.917.899

Mutaties Nota van wijziging 2013

– 64.143

– 52.118

166.192

153.757

– 7.688

0

Mutaties amendementen 2013

0

0

0

0

0

0

Mutaties 1e suppletoire begroting 2013

89.176

27.111

– 421.387

– 634.815

– 862.897

1.048.649

Nieuwe mutaties

52.646

– 964.050

– 540.078

– 1.093.458

– 1.142.563

– 1.904.798

Stand ontwerpbegroting 2014

15.788.996

14.817.147

15.312.684

15.351.257

15.904.751

17.061.750

Toelichting belangrijkste nieuwe mutaties (bedragen x € 1.000)
 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Artikel

Bijdrage aan agentschap NVWA. Bij de behandeling van de VWS-begroting 2013 in de Tweede Kamer is amendement TK 33 400 XVI, nr. 47 aangenomen. Met dit amendement wordt de in 2013 voorgenomen korting op het budget NVWA niet doorgevoerd. Ter uitvoering van dit amendement is het verplichtingenbedrag en het uitgavenbedrag van artikel 1 (Volksgezondheid) structureel verhoogd ten laste van de gereserveerde middelen voor de prijsbijstelling (artikel 11 Nominaal en onvoorzien).

0

4.200

4.200

4.200

4.200

4.200

1

               

Dit betreft de toevoeging van de middelen voor de uitvoeringskosten van het CVZ in het kader van stringent pakketbeheer.

0

10.000

15.000

15.000

15.000

15.000

2

               

Dit betreft toevoeging van middelen aan artikel 3 (Langdurige zorg en ondersteuning) ter dekking van een voorzien structureel tekort voor de uitvoering van de regeling mantelzorgcompliment voor de jaren 2014 en verder. De begrote bedragen zijn gebaseerd op een raming van de Sociale Verzekeringsbank bij een mantelzorgcompliment van € 200.

0

20.970

20.970

20.970

20.970

20.970

3

               

Dit betreft een overboeking van de premie naar de begroting voor de kwaliteitsimpuls personeel ziekenhuizen. In het zorgakkoord zijn middelen gereserveerd voor een «kwaliteitsimpuls algemene en categorale ziekenhuizen». Met het oog op het hiervoor nog nader te ontwikkelen instrumentarium worden deze middelen naar het begrotingsgefinancierde deel van het BKZ overgeheveld.

0

48.000

134.000

140.000

145.000

151.000

4

               

Er worden middelen gereserveerd om de vaststelling van de uit het Fonds Ziekenhuisopleidingen (FZO) gefinancierde opleidingen te faciliteren. In verband met de overgang van het FZO van de VWS begroting naar de beschikbaarheidbijdrage binnen het BKZ en de daarmee samenhangende verandering in de systematiek (bekostiging per kalenderjaar in plaats van studiejaar) is geraamd dat er in 2014 € 20,0 miljoen aan nabetalingen zullen moeten worden verricht voor de in het najaar 2013 verleende subsidies binnen het begrotingskader. De financiering via de beschikbaarheidbijdrage start per 1 januari 2014.

– 20.000

20.000

0

0

0

0

4

               

Een aantal zorgopleidingen wordt met ingang van 2013 op basis van de Wmg gefinancierd via de beschikbaarheidbijdrage. Per 1 januari 2014 worden ook de tot het kalenderjaar 2014 via de subsidieregeling Ziekenhuisopleidingen gefinancierde opleidingen via de beschikbaarheidbijdrage gefinancierd. Daartoe wordt de bijbehorende budgetreeks, met uitzondering van een bedrag van € 20,0 miljoen dat in 2014 voor de afrekeningen over 2013 nodig is, overgeheveld van het begrotingsgefinancierde deel van het BKZ naar het premiegefinancierde deel.

0

– 146.954

– 150.288

– 150.509

– 150.613

– 154.762

4

               

Dit betreft een overboeking van de premie naar de begroting. In het regeerakkoord van het kabinet Rutte-Asscher zijn middelen gereserveerd ten behoeve van de kosten die gemaakt worden bij het aanpassen van de curricula van de medisch-specialistische vervolgopleidingen. De opleidingsduur wordt beperkt en de betrokken partijen worden zo in de gelegenheid gesteld zich hierop voor te bereiden.

0

5.000

3.000

2.000

0

0

4

               

Overboeking naar het gemeentefonds. Het betreft middelen voor de invoering van het nieuwe stelsel voor Jeugdzorg

0

– 7.775

0

0

0

0

5

               

Bij de behandeling van de VWS-begroting 2013 in de Tweede Kamer is de motie Ypma (TK 33 400-XVI, nr. 31) aangenomen. Deze motie roept de regering op om de loonbijstelling voor de jeugdzorg gelijk te trekken met de premiegefinancierde sectoren onder het ova-convenant. Dit betekent dat de begrotingsgefinancierde zorg voor wat betreft de jeugdzorgsector op een gelijke wijze wordt behandeld bij de vergoeding van de arbeidskostenmutatie als de premiegefinancierde zorg.

0

17.000

17.000

17.000

17.000

17.000

5

               

De uitwerking van de beleidsbrief Sport (TK 30 234, nr. 37) is in 2012 op verschillende terreinen ter hand genomen en zal in 2014 worden voortgezet, met in acht neming van de passage in het regeerakkoord Rutte-Asscher over de Olympische ambitie. In 2014 wordt op enkele dossiers een belangrijke stap gezet. Vanuit het regeerakkoord is € 5,0 miljoen per jaar extra beschikbaar gesteld voor de Sportimpuls, die in 2012 via ZonMw van start is gegaan.

0

5.000

5.000

5.250

5.250

5.000

6

               

De zorgtoeslag wordt als gevolg van de afspraken uit het aanvullend pakket neerwaarts bijgesteld met € 320,0 miljoen door de standaardpremie vanaf 2014 te baseren op gemiddelde nominale premie inclusief collectieve contracten.

0

– 320.000

– 320.000

– 320.000

– 320.000

– 320.000

8

               

Als gevolg van de gefaseerde invoering van de huishoudentoeslag vanaf 2015 wordt de bijdrage aan de zorgtoeslag in samenhang met andere maatregelen bijgesteld. In 2015 wordt de maximale zorgtoeslag verhoogd ter compensatie van het niet doorgaan van het inkomensafhankelijke eigen risico.

0

0

250.000

– 250.000

– 250.000

– 250.000

8

               

Bij de behandeling van de VWS-begroting 2013 in de Tweede Kamer is amendement TK 33 400 XVI, nr. 48 aangenomen. Met dit amendement worden extra middelen aan de IGZ toegekend ten behoeve van extra toezicht en de verbetering van de werkwijze en organisatie. Ter uitvoering van dit amendement zijn gereserveerde middelen voor de prijsbijstelling (artikel 11 Nominaal en onvoorzien) structureel ingezet voor de verhoging van het verplichtingenbedrag en uitgavenbedrag van artikel 10 (Apparaatsuitgaven, personele uitgaven inspecties.)

0

10.800

8.300

8.100

7.800

7.800

10

MEERJARENPLANNNIG BELEIDSDOORLICHTINGEN

Planning beleidsdoorlichtingen
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Artikel 1 Volksgezondheid

 

X

     

X

 

Artikel 2 Curatieve zorg

     

X

X

X

 

Artikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning

           

X

Artikel 4 Zorgbreed beleid

     

X

 

X

 

Artikel 5 Jeugd

   

X

     

X

Artikel 6 Sport en bewegen

         

X

 

Artikel 7 Oorlogsgetroffenen en herinnering WO II

   

n.v.t.

       

Artikel 8 Tegemoetkoming specifieke kosten

   

n.v.t.

       

Toelichting per artikel(-onderdeel)

Artikel 1

  • 1.1  Het beleid dat voortvloeit uit het Nationaal Programma Preventie (NPP) beslaat het grootste deel van artikel 1. De komende jaren worden evaluaties op onderdelen van artikel 1 uitgevoerd zoals de evaluatie van het basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg. Deze evaluatie worden betrokken in een integrale beleidsdoorlichting van artikel 1. Deze is in 2017 gereed. Met deze integrale beleidsdoorlichting komt de beleidsdoorlichting voedselveiligheid, die in de VWS-begroting 2013 voor 2014 gepland stond, te vervallen. Naar verwachting worden in 2013 drie beleidsdoorlichtingen met betrekking tot artikel 1 aan de Kamer gestuurd.
  • 1.2  Op het gebied van ziektepreventie wordt de evaluatie van het screeningsbeleid in 2013 verwerkt tot een beleidsdoorlichting. In 2013 vindt tevens de beleidsdoorlichting voor Aanvullende Seksuele Gezondheidszorg (ASG) plaats.
  • 1.3  Voor het artikelonderdeel gezondheidsbescherming is de beleidsdoorlichting Letselpreventie in 2013 aan Tweede Kamer verzonden. 3
  • 1.4  Het beleid van Ethiek wordt voor een belangrijk deel vormgegeven door wetgeving hiervoor vindt geen beleidsdoorlichting plaats. Medisch-ethische wetgeving wordt over het algemeen eens per 5 jaar geëvalueerd. Deze wetsevaluaties zijn onafhankelijke onderzoeken, waarvan de resultaten naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

Bovengenoemde beleidsdoorlichtingen bestrijken het totale artikel, met uitzondering van Ethiek.

Artikel 2

  • 2.1  Er loopt een aantal (externe) onderzoekstrajecten met betrekking tot het VWS-veiligheidsprogramma ziekenhuizen. Het eerste onderzoek zal eind 2013 gereed zijn en in 2014 met een kabinetsreactie aan de kamer worden verzonden. Deze onderzoeken vormen onderdelen ten behoeve van de beleidsdoorlichting op het gebied van kwaliteit en (patiënt-)veiligheid, die in 2016 zal worden afgerond. Omdat het beleid op het gebied van kwaliteit en veiligheid integraal wordt doorgelicht, vindt de aparte beleidsdoorlichting voor het veiligheidsprogramma, die in de VWS-begroting 2013 voor 2014 gepland stond, geen doorgang.
  • 2.2  De doorlichting van het beleid gericht op toegankelijkheid en betaalbaarheid van het stelsel (gereed in 2017) vindt plaats op basis van evaluaties van subsidies en regelingen die onder dit artikelonderdeel vallen.
  • 2.3  Het beleid om de werking van het stelsel te bevorderen wordt in 2015 doorgelicht, hierbij worden onder andere de evaluatie onverzekerden en wanbetalers en evaluatie Zvw (afronding 2014) betrokken.

Bovengenoemde beleidsdoorlichtingen bestrijken het totale artikel.

Artikel 3

  • 3.1  Voor het beleid gericht op het stimuleren van participatie en zelfredzaamheid van mensen is een evaluatie van de Wmo door het SCP gepland voor 2014.
  • 3.2  Vanwege de hervorming van de langdurige zorg (HLZ) is de beleidsdoorlichting op dit beleidsterrein gepland in 2018. Met het oog op de omvangrijke hervorming in de langdurige zorg zoals vastgelegd in het regeerakkoord Rutte-Asscher heeft het kabinet in november 2012 besloten het in september 2012 gestarte Interdepartementale Beleidsonderzoek (IBO) naar de Gehandicaptenzorg (GHZ) voortijdig te beëindigen.

Artikel 4

  • 4.1  De beleidsdoorlichting (geplande oplevering 2017) op het terrein van de positie van de cliënt vindt plaats op basis van de evaluatie van het beleidskader voor subsidiëring patiënten- en gehandicaptenorganisaties (2016).
  • 4.2  De evaluaties stagefonds (2016) en regionaal arbeidsmarktbeleid (2015) worden in de beleidsdoorlichting (2017) van de opleidingen, beroepenstructuur en de arbeidsmarkt binnen de zorg betrokken.
  • 4.3  De evaluatie van ZonMw (2016) wordt bij de doorlichting (2017) van het kennisontwikkelingsbeleid betrokken.
  • 4.4  Binnen de inrichting van uitvoeringsactiviteiten vindt de evaluatie van de beheerskosten ZBO’s (NZa, CVZ) in 2013 en 2014 plaats. Gegeven de aard van dit artikelonderdeel is een beleidsdoorlichting niet aan de orde.
  • 4.5  De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bereidt momenteel een brede evaluatie van de transitie van Caribisch Nederland per 10-10-2010 voor. Zorg en jeugdzorg in Caribisch Nederland zullen daarbij ook aan de orde komen. De voorlopige planning is om de aanbesteding van de evaluatie in 2014 plaats te laten vinden, zodat de evaluatie in 2015 kan worden afgerond.

Bovenstaande beleidsdoorlichtingen bestrijken het totale artikel, met uitzondering van artikelonderdeel 4.4.

Artikel 5

  • 5.1  Het beleid op het gebied van ondersteuning bij opvoeden en opgroeien wordt in 2014 doorgelicht. Daarnaast wordt in 2014 een midterm review op de Aanpak Kindermishandeling gehouden.
  • 5.2  Op dit moment wordt gewerkt aan de decentralisatie naar gemeenten van de hele jeugdzorg per 2015. Na drie jaar wordt deze decentralisatie geëvalueerd: de doorlichting van het jeugdzorgbeleid is gepland voor 2018.

Bovengenoemde beleidsdoorlichtingen bestrijken het totale artikel.

Artikel 6

De Topsportcyclus loopt van 2013 tot en met 2016. De doorlichting van het sportbeleid is gepland in 2017.

Bovengenoemde beleidsdoorlichting bestrijkt het totale artikel.

Artikel 7

  • 7.1  Op het gebied van oorlogsgetroffenen en de herinnering aan WO II staan twee evaluaties gepland. Een evaluatie van de uitvoering van het Comité 4 en 5 mei staat gepland voor 2013 en een evaluatie van de uitvoering van de pensioenen en uitkeringen door de Sociale Verzekeringsbank (afronding in 2014) staat gepland voor 2014.
  • 7.2  Zie toelichting artikelonderdeel 7.1.

Artikel 8

  • 8.1  De Zorgtoeslag wordt betrokken in de evaluatie van de Zvw en de Wmg die eind 2013 start en in 2014 wordt afgerond. Door veranderingen in de vormgeving van de zorgtoeslag met ingang van 2014 ligt een beleidsdoorlichting op korte termijn niet in de rede.
  • 8.2  De Wtcg wordt per 2014 afgeschaft.
  • 8.3  De Tegemoetkoming specifieke zorgkosten wordt per 2014 afgeschaft.

BELEIDSARTIKELEN

Artikel 1 Volksgezondheid

1. Algemene beleidsdoelstelling

Een goede volksgezondheid, waarbij mensen zo min mogelijk bloot staan aan bedreigingen van hun gezondheid én zij gezond leven.

Kengetallen levensverwachting
 

2000

2003

2005

2007

2008

2009

2010

2011

2012

1. Absolute levensverwachting in jaren:

                 

– mannen

75,5

76,2

77,2

78,0

78,3

78,5

78,8

79,2

79,1

– vrouwen

80,6

80,9

81,6

82,3

82,3

82,6

82,7

82,9

82,8

2. Waarvan jaren in goed ervaren gezondheid:

                 

– mannen

61,5

62,4

62,5

64,7

63,7

65,3

63,9

63,7

– vrouwen

60,9

61,6

61,8

63,4

63,5

63,8

63,0

63,3

1. Bron absolute levensverwachting: CBS-Statline. De levensverwachting van in Nederland geboren vrouwen in 2012 bedroeg 82,8 jaar. Dat is 3,7 jaar hoger dan die van mannen (79,1 jaar). Sinds 1980 is het verschil in levensverwachting tussen de seksen kleiner geworden. Mannen boekten vanaf 1980 een winst van 6,4 jaar, vrouwen zijn gemiddeld 3,3 jaar ouder geworden.

2. Bron levensverwachting in goed ervaren gezondheid: CBS StatLine – Gezonde levensverwachting; vanaf 1981. De realisatiecijfers over 2012 worden in het najaar van 2013 verwacht.

Voor het berekenen van levensverwachting in goed ervaren gezondheid is het aantal «gezonde» jaren bepaald op basis van een vraag naar de ervaren gezondheid. In de loop der jaren is de vraag naar de ervaren gezondheid op twee (vrijwel identieke) manieren gesteld, namelijk:

1. Hoe is het over het algemeen met uw gezondheid?

2. Hoe is over het algemeen de gezondheidstoestand van de onderzochte persoon?

Mensen die deze vraag beantwoorden met «goed» of «zeer goed» worden gezond genoemd.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

Een belangrijke beleidsopgave van de Minister van VWS is het beschermen en bevorderen van de gezondheid van burgers. Dit laat onverlet dat mensen in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor hun gezondheid en zichzelf – waar mogelijk – dienen te beschermen tegen gezondheidsrisico’s. Bij externe risicofactoren, zoals infectieziekten en rampen/crises, ligt hier een belangrijke rol voor de overheid. De verantwoordelijkheid voor veilig voedsel en veilige producten ligt primair bij het bedrijfsleven. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), een agentschap van het Ministerie van Economische Zaken (EZ), ziet namens VWS onder meer toe op de naleving van de Warenwet en de Tabakswet.

Op het terrein van de volksgezondheid heeft de Minister van VWS uiteenlopende rollen van stimuleren, financieren, regisseren tot (doen) uitvoeren (zie tabel op de volgende pagina). De rol en invulling daarvan verschilt per terrein en hangt af van de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van andere actoren, die ieder vanuit hun eigen rol bijdragen aan de doelstellingen op het terrein van de volksgezondheid. Met name de gemeenten hebben op het terrein van de publieke gezondheid een belangrijke eigenstandige verantwoordelijkheid. Relevante wet- en regelgeving voor gemeenten betreft de Wet Publieke Gezondheid, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Wet Veiligheidsregio’s, de Wet Kinderopvang, de Drank- en Horecawet en de Warenwet.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

Gezondheidsbescherming:

– Voedsel- en productveiligheid

– Crisisbeheersing

– Wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed door RIVM

   

Opstellen van het wettelijk kader voor bescherming consumenten tegen onveilige producten en levensmiddelen en doen handhaven ervan door de NVWA.

Opstellen wettelijk kader ter voorbereiding witte kolom op rampen en crises en in stand houden crisisinfrastructuur.

Het verder reduceren van antibioticagebruik, waar nodig in de gezondheidszorg en in de veehouderij in nauwe samenwerking met het Ministerie van EZ.

(Doen) uitvoeren wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed door het RIVM. Dit betreft onder andere infectieziektebestrijding en medische milieukunde.

Ziektepreventie

– Bevolkingsonderzoeken

– Infectieziektebestrijding

– Jeugdgezondheidszorg

   

Opstellen wettelijk kader en doen handhaven kwaliteit Jeugdgezondheidszorg.

Doelmatigheid, kwaliteit en toegankelijkheid bevolkingsonderzoeken ter voorkoming en vroegtijdige opsporing levensbedreigende ziekten. Dit betreft onder andere borstkanker, baarmoederhalskanker en darmkanker.

Vroegtijdige opsporing en bestrijding van infectieziekten. Dit betreft onder andere het Rijksvaccinatieprogramma en infectieziektebestrijding.

Gezondheidsbevordering

Bevorderen dat mensen gezonder gaan leven door gezonde keuze makkelijker te maken en zorg te dragen voor betrouwbare informatie over gezonde leefstijl en gezonde leefomgeving. Voorbeelden hiervan zijn de Jeugdimpuls, het Convenant Gezond Gewicht, JOGG, Kinderen op Sportief Gewicht, groene en rookvrije, beweegvriendelijke schoolplein en Sportimpuls sport en bewegen in de buurt, de gezonde school en het extra contactmoment in de Jeugdgezondheidszorg voor adolescenten.

 

Opstellen van het wettelijk kader voor de bescherming van de gezondheid van burgers tegen de risico’s van het gebruik van alcohol en tabak en doen handhaven ervan door de NVWA en gemeenten.

Inzetten op een gezonder aanbod van voeding en aandacht voor een gezonde, beweegvriendelijke en veilige omgeving waarin de gezonde keuze een makkelijke keuze is.

Coördinatie interdepartementale drugsbeleid en verantwoordelijk voor het (wettelijk) kader voor de gezondheidsaspecten van het drugsbeleid.

 

Ethiek

 

Financiering secretariaten toetsingscommissies,

abortusklinieken (via subsidie AWBZ) en CCMO.

Formuleren van wet- en regelgeving en beleid op het terrein van medisch-ethische vraagstukken.

 

3. Prioriteiten 2014 en beleidswijzigingen

De prioriteiten voor 2014 en de beleidswijzigingen zijn:

  • –  Met de brief van 12 april 2013 (TK 32 793, nr. 70) heeft het kabinet de agenda voor een Nationaal Programma Preventie vastgesteld. In het najaar van 2013 ontvangt de Tweede Kamer een brief, waarin de contouren van het programma verder worden uitgewerkt in concrete acties.
  • –  Antibioticaresistentie is een dreiging voor de volksgezondheid. In de brief van 2 juli 2013 (TK 32 793, nr. 91) is extra inzet aangekondigd op het gebied van infectiepreventie in de humane gezondheidszorg, goed gebruik van antibiotica in de humane gezondheidszorg, surveillance van Bijzonder Resistente Micro-organismen (BRMO), de internationale inzet, de ontwikkeling van nieuwe antibiotica, milieu en communicatie. In 2014 zal worden gewerkt aan de verdere implementatie van deze aanpassingen. Daarnaast wordt verder ingezet om het gebruik van antibiotica in de veehouderij blijvend te verlagen.
  • –  In het Begrotingsakkoord 2013 zijn middelen (in totaal € 26,0 miljoen) vrijgemaakt voor een extra inzet op de bestrijding van overgewicht bij kinderen. Hierbij komen verschillende gezondheidsthema’s voor de jeugd aan bod. De middelen worden via bestaande lijnen en structuren ingezet, zoals een intensivering van het programma Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG), de Gezonde Schoolkantine en de Sportimpuls Kinderen op Sportief Gewicht. In lijn met de voorgenomen inzet om scholen te ondersteunen bij hun gezondheidsbeleid wordt een stimuleringsregeling voor gezondere schoolpleinen gestart. Hierdoor wordt een link gelegd met een gezonde, groene leefomgeving van het Nationaal Programma Preventie.
  • –  Per 1 januari 2014 wordt de leeftijdsgrens voor alcohol verhoogd naar 18 jaar. De leeftijdsgrens voor tabak gaat in 2014 ook naar 18 jaar. Het is dan niet toegestaan alcohol en tabak te verstrekken aan iemand van wie niet is vastgesteld dat deze persoon de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Daarnaast is het niet toegestaan alcohol aanwezig te hebben onder de 18 jaar op voor het publiek toegankelijke plaatsen. In 2014 zal een campagne gaan lopen om de sociale norm dat het normaal is als je voor je 18e niet rookt of drinkt, te versterken. In de brief van 25 juni 2013 (TK 33 590, nr. 6) aan de Tweede Kamer is aangegeven dat op het terrein Tabak vanaf 2014 extra toezichthouders worden ingezet. Deze extra capaciteit komt bovenop de huidige NVWA-capaciteit. Het betreft toezichthouders die voor de reguliere NVWA-inspecteurs signaleren welke cafés en tabaksverkopers in overtreding zijn bij de naleving van de leeftijdsgrens en het rookverbod.
  • –  Op grond van het advies «Een stevig fundament, Evaluatie van het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg» (TK 31 839, nr. 272) is besloten het huidige basistakenpakket te moderniseren en een aantal inhoudelijke wijzigingen aan te brengen. Het nieuw basispakket jeugdgezondheidszorg bevat de activiteiten die vanuit volksgezondheidsbelang actief voor ieder kind beschikbaar moeten zijn en worden aangeboden, waarbij de inhoud moet worden afgestemd op de specifieke situatie van kind en ouders. In 2014 worden wijzigingen in het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg verwerkt in de Wet en het Besluit publieke gezondheid.

4. Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

442.213

488.072

494.520

496.248

501.274

507.476

508.548

               

Uitgaven

465.780

493.723

497.952

497.835

501.274

507.476

508.548

waarvan juridisch verplicht (%)

   

93%

       
               

1. Gezondheidsbescherming

 

101.996

97.489

92.989

91.821

91.731

91.430

               

Subsidies

 

4.216

9.652

7.852

7.378

7.385

7.467

waarvan onder andere:

             

Uitvoering landelijke nota gezondheidsbeleid/Nationaal Programma preventie

 

3.927

8.617

7.007

6.620

6.620

6.620

Crisisbeheersing Volksgezondheid

 

5

813

803

716

723

805

Communicatie verhoging leeftijd alcohol en tabak naar 18 jaar

 

243

182

0

0

0

0

               

Opdrachten

 

6.125

1.910

1.977

2.073

2.031

2.031

waarvan onder andere:

             

Crisisbeheersing Volksgezondheid

 

4.592

268

267

267

267

267

Nieuwe etikettering huishoudchemicaliën

 

413

417

413

0

0

0

               

Bijdrage aan agentschappen

 

91.576

85.626

82.859

82.069

82.014

81.631

waarvan onder andere:

             

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

 

71.859

67.392

66.769

66.001

66.001

65.827

RIVM: Wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed

 

17.417

14.853

14.119

14.039

14.038

14.038

               

Bijdragen aan medeoverheden

 

79

301

301

301

301

301

waarvan onder andere:

             

Bijdrage College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (CTGB)

 

0

120

120

120

120

120

               

2. Ziektepreventie

 

319.610

328.040

333.025

337.598

342.069

343.445

               

Subsidies

 

197.614

206.535

214.382

218.074

222.051

226.260

waarvan onder andere:

             

Ziektepreventie

 

5.450

6.891

6.836

5.948

5.115

5.114

Ziektepreventie Caribisch Nederland

 

1.200

1.200

1.200

1.200

1.200

1.200

Jeugdgezondheid

 

2.570

3.351

3.526

3.449

3.449

3.449

RIVM: Uitvoering Subsidieregeling Publieke Gezondheid

 

176.532

183.355

191.206

195.863

200.673

204.883

RIVM: Infectieziektebestrijding en/of bevordering seksuele gezondheid

 

11.862

11.738

11.614

11.614

11.614

11.614

               

Opdrachten

 

0

8.536

15.272

15.234

13.771

10.928

(Vaccin)onderzoek

 

0

8.536

15.272

15.234

13.771

10.928

               

Bijdragen aan agentschappen

 

121.904

112.878

103.278

104.197

106.155

106.166

waarvan onder andere:

             

RIVM/Opdrachtverlening Centra

 

85.915

81.341

77.896

78.597

79.541

79.537

Bevolkingsonderzoeken

 

34.504

29.715

23.500

23.759

24.775

24.791

RIVM/Ontwikkelingen technologie en demografie

 

1.263

1.601

1.658

1.618

1.618

1.618

               

Bijdragen aan medeoverheden

 

92

91

93

93

92

91

               

3. Gezondheidsbevordering

 

53.207

52.340

52.215

52.415

54.394

54.391

               

Subsidies

 

34.884

33.037

32.810

33.010

34.990

34.989

waarvan onder andere:

             

Preventie van schadelijk middelengebruik (alcohol, drugs en tabak)

 

1.723

3.302

2.620

2.620

2.620

2.620

Verslavingszorg

 

8.443

5.979

5.689

5.602

5.602

5.602

Gezonde voeding en gezond gewicht / JOGG

 

9.499

9.498

8.876

9.011

10.992

10.992

Gezonde leefstijl jeugd

 

0

407

2.620

2.620

2.620

2.620

Letselpreventie

 

5.199

4.722

4.693

4.668

4.668

4.668

Bevordering kwaliteit en toegankelijkheid zorg

 

3.229

3.179

3.130

3.130

3.130

3.130

Bevordering van seksuele gezondheid

 

5.460

4.486

2.835

2.835

2.835

2.835

               

Opdrachten

 

3.563

4.319

4.428

4.428

4.428

4.427

waarvan onder andere:

             

Heroïnebehandeling op medisch voorschrift

 

3.000

3.050

3.100

3.100

3.100

3.100

Letselpreventie

 

0

75

75

75

75

75

Gezonde voeding en gezond gewicht / JOGG

 

200

90

0

0

0

0

               

Bijdragen aan agentschappen

 

466

710

701

701

701

701

RIVM: Voedselconsumptiepeiling

 

221

221

221

221

221

221

RIVM: Monitoring e.d.

 

245

489

480

480

480

480

               

Bijdragen aan medeoverheden

 

14.294

14.274

14.276

14.276

14.275

14.274

Heroïnebehandeling op medisch voorschrift

 

14.294

14.274

14.276

14.276

14.275

14.274

               

4. Ethiek

 

18.910

20.083

19.606

19.440

19.282

19.282

               

Subsidies

 

1.463

1.660

1.409

1.451

1.293

1.293

Beleid Medische Ethiek

 

1.463

1.660

1.409

1.451

1.293

1.293

               

Bijdragen aan agentschappen

 

4.054

3.804

3.804

3.804

3.804

3.804

CIBG: Uitvoeringstaken medische ethiek

 

4.054

3.804

3.804

3.804

3.804

3.804

               

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

 

13.393

14.619

14.393

14.185

14.185

14.185

CVZ: Rijksbijdrage abortusklinieken

 

13.208

13.006

12.805

12.604

12.604

12.604

Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek

 

185

1.613

1.588

1.581

1.581

1.581

               

Ontvangsten

21.135

10.903

11.003

11.003

10.903

10.903

10.903

waarvan onder andere

             

Bestuurlijke boetes

 

4.252

4.252

4.252

4.252

4.252

4.252

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Van het beschikbare budget 2014 ad € 250,9 miljoen is 93% juridisch verplicht. Het betreft de financiering van de tot en met 2013 aangegane verplichtingen op basis van de Kaderregeling VWS-subsidies en de subsidieregeling Publieke Gezondheid. De niet-juridisch verplichte middelen zijn onder andere bestemd voor de uitvoering van de landelijke nota gezondheidsbeleid/Nationaal Programma Preventie.

Opdrachten

Van het budget 2014 ad € 14,8 miljoen is 96% juridisch verplicht. Het betreft de financiering van verplichtingen die tot en met 2013 zijn aangegaan. De niet-juridisch verplichte middelen zijn onder andere bestemd voor de uitvoering van de landelijke nota gezondheidsbeleid/Nationaal Programma Preventie.

Bijdragen aan agentschappen

Het budget betreft de financiering van de opdrachtverlening voor 2014 aan het RIVM, de NVWA en het CIBG. Op basis van het offertetraject is het budget 2014 ad € 203,0 miljoen voor 93% juridisch verplicht. De niet-juridisch verplichte middelen zijn bestemd voor de aanschaf van antivirale middelen en de handhavingstaken van de NVWA.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Betreft de bijdrage aan het CVZ inzake de financiering van de abortusklinieken en de bijdrage aan de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek. Het budget voor 2014 ad € 14,6 miljoen is voor 100% juridisch verplicht.

Bijdrage aan medeoverheden

Betreft de heroïneverstrekking door gemeenten op medisch voorschrift via het gemeentefonds en de bijdrage aan het College Toetsing Bestrijdingsmiddelen. Het budget voor 2014 ad € 14,7 miljoen is voor 100% juridisch verplicht.

5. Instrumenten

Gezondheidsbescherming

Subsidies voor activiteiten in het kader van het Nationaal Programma Preventie

In 2014 is hiervoor € 8,6 miljoen beschikbaar. In het najaar van 2013 ontvangt de Tweede Kamer een brief, waarin de contouren van het Nationaal Preventieprogramma verder worden uitgewerkt in concrete acties.

Bijdrage aan agentschap Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

De Minister van VWS is opdrachtgever voor het agentschap Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De NVWA heeft een centrale rol bij het bewaken van de veiligheid van voedsel- en consumentenproducten op grond van de wettelijke normen en ontvangt hiertoe financiering van de Minister van VWS.

Bij de behandeling van de VWS-begroting 2013 is een amendement aangenomen om af te zien van de korting van € 4,2 miljoen op het VWS-opdrachtgeversbudget voor de NVWA 2013 ten gevolge van de taakstelling Rutte-Verhagen. In onderhavige begroting is de meerjarige doorwerking van dit amendement verwerkt en is ook het tekort dat na het amendement resteert binnen de begroting opgelost.

Belangrijkste financieringsstromen van VWS naar de NVWA 2014 (Bedragen x 1 miljoen)

Beleidsterrein

Bedrag

Voedselveiligheid

40,5

Productveiligheid

12,0

Tabak en alcohol

7,1

Overig

7,8

Totaal

67,4

In onderstaande tabel is weergegeven hoe het aantal verloren gegane gezonde levensjaren door voedselinfecties zich ontwikkelt.

Kengetal voedselveiligheid: Aantal verloren gezonde levensjaren ten gevolge van voedselinfecties door ziekteverwekkende micro-organismen in voedsel in Nederland

Micro-organismen

Aantal verloren gezonde levensjaren (DALY=Disability Adjusted Life Year)

 

2009

2011

Toxoplasma gondii

2.000

2.000

Campylobacter spp.

1.300

1.530

Salmonella spp.

650

710

S. aureus toxine

630

670

C. perfringens toxine

450

490

Norovirus

240

300

Rotavirus

210

210

B. cereus toxine

97

100

Listeria monocytogenes

78

140

STEC O157

60

56

Giardia spp.

25

17

Hepatitis-A virus

15

9

Cryptosporidium spp.

10

8

Hepatitis-E virus

2

2

Totaal

5.800

6.250

Bron: Nationaal Kompas, RIVM

DALY=Disability Adjusted Life Year. Betreft de maat voor ziektelast in een populatie uitgedrukt in tijd; opgebouwd uit het aantal verloren levensjaren (door vroegtijdige sterfte) en het aantal jaren geleefd met gezondheidsproblemen (bijvoorbeeld een ziekte), gewogen voor de ernst hiervan (ziektejaar equivalenten). In deze maat komen de drie belangrijkste aspecten van gezondheid terug: kwantiteit (levensduur), kwaliteit en het aantal personen dat een effect ondervindt.

De getallen in de tabel zijn afgerond. Het totaal kan afwijken van de som van de weergegeven getallen.

Bijdragen aan agentschap RIVM in verband met wettelijke taken en beleidsondersteuning zorgbreed

Het RIVM heeft de wettelijke taak periodiek te rapporteren over de toestand en de toekomstige ontwikkeling van de volksgezondheid. Het RIVM rapporteert hierover in de Volksgezondheid Toekomst Verkenningen (VTV). Eens in de vier jaar geeft een samenvattend rapport inzicht in de belangrijkste epidemiologische parameters van het volksgezondheidsbeleid voor het heden, het verleden en de toekomst. In 2014 zal een nieuwe VTV gereed zijn. In het kader van de VTV wordt door het jaar heen informatie beschikbaar gesteld, onder meer via themarapporten en websites. Ook wordt informatie ter onderbouwing van beleid op het terrein van de volksgezondheid en zorg verzameld en gegenereerd. De bijdrage 2014 bedraagt € 14,9 miljoen.

Nagegaan wordt hoe na 2014 de VTV kan worden samengevoegd met de Zorgbalans van het RIVM, de Staat van de Gezondheidszorg van de IGZ en enkele monitors van het Sociaal en Cultureel Planbureau om zo te komen tot één invloedrijk rapport over de stand van zaken van de volksgezondheid.

Bijdrage aan ZBO/RWT ZonMw voor uitvoering van het preventieprogramma

In juni 2009 is opdracht gegeven voor de uitvoering van het vierde preventieprogramma. Met dit programma geeft ZonMw invulling aan de visie op preventie (TK 22 894, nr. 134) en levert een bijdrage aan het versterken van de preventiecyclus. Dit is een vierjarige cyclus waarmee specifieke doelstellingen en uitvoering van het Nederlandse gezondheidsbeleid worden vastgelegd, uitgevoerd en bijgesteld. Dit programma legt nog meer dan voorheen verbindingen tussen preventie en andere sectoren (wonen, werken, leren), in het bijzonder tussen de publieke en de eerstelijnsgezondheidszorg en daarmee ook tussen de preventieprogramma’s en andere programma’s van ZonMw. Deze middelen (circa € 5,2 miljoen in 2014) staan verantwoord op artikel 4 Zorgbreed beleid. In de paragraaf «instrumenten» van artikel 4 is een overzichtstabel opgenomen.

Ziektepreventie

Subsidies voor activiteiten op het terrein van ziektepreventie

De Minister verleent op het terrein van de ziektepreventie subsidies (€ 8,1 miljoen) voor een goede bescherming tegen infectieziekten en preventie van chronische ziekten door onder andere te zorgen voor:

  • –  een goede landelijke structuur om bekende en onbekende infectieziektedreigingen inclusief zoönosen en vectorgebonden aandoeningen snel te kunnen signaleren en bestrijden;
  • –  het internationaal uitwisselen van informatie en afstemmen van voorbereidings- en bestrijdingsmaatregelen.

Subsidies voor activiteiten op het terrein van Jeugdgezondheidszorg

De Minister verleent op het terrein van de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) subsidie (€ 3,4 miljoen) aan het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) voor activiteiten gericht op het ondersteunen van de JGZ-organisaties en de professionals bij het invoeren van vernieuwingen en verbeteringen in de praktijk.

Subsidies Publieke Gezondheid

De subsidieregeling Publieke Gezondheid wordt uitgevoerd door het RIVM en bestaat uit:

  • –  Het financieren, bewaken en verbeteren van de kwaliteit van de landelijke bevolkingsonderzoeken naar borstkanker, baarmoederhalskanker en darmkanker (€ 111,8 miljoen). De deelname aan deze screeningsprogramma’s is vrij constant over de jaren.
  • –  Het financieren van het Nationaal Programma Grieppreventie. Doel van dit programma is om kwetsbare groepen (alle 60+-ers en mensen onder de 60 jaar met een risico-indicatie zoals longziekten, hart- of nieraandoeningen en diabetes mellitus) te beschermen tegen (de ernstige gevolgen van) griep (€ 41,2 miljoen). De deelname aan dit programma is de laatste jaren teruggelopen.
  • –  Het financieren van soa-onderzoek en aanvullende seksuele gezondheidszorg en coördinatie (€ 30,3 miljoen).
Kengetal: Deelname aan bevolkingsonderzoeken en screeningen in procenten

Deze cijfers geven een goede indicatie van de ontwikkelingen op de beleidsterreinen met dien verstande dat de nadruk op geïnformeerde keuze voor deelname ligt en niet op een zo hoog mogelijk percentage. De beschermingsgraad ligt in de praktijk hoger dan het met het deelnamepercentage weergegeven cijfer in verband met bijvoorbeeld de groepsimmuniteit.

Opdracht (Vaccin)onderzoek

Het betreft budget voor vaccinonderzoek (€ 5,9 miljoen), ontwikkeling van het RSV-vaccin (€ 0,9 miljoen) en onderzoek naar alternatieven voor dierproeven (€ 1,7 miljoen). Voor 2014 zullen deze taken worden ondergebracht bij de projectorganisatie Antonie van Leeuwenhoekterrein (PD ALT).

Bijdragen aan agentschap RIVM

De Minister van VWS is opdrachtgever en eigenaar van het agentschap Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het RIVM stelt zich tot doel om de gezondheid van de Nederlandse bevolking te beschermen en te bevorderen. Het RIVM geeft hieraan uitvoering door middel van het (doen) uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek en advisering op het terrein van volksgezondheid en het voeren van de regie op diverse terreinen van de publieke gezondheid:

  • –  Het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) bij het RIVM ontvangt financiële middelen voor het vervullen van zijn taken ten aanzien van de preventie en bestrijding van infectieziekten, het bevorderen van seksuele gezondheid door de ondersteuning van professionals bij een goede uitvoering en taken op het gebied van Vaccinologie (€ 40,8 miljoen);
  • –  Het Centrum voor Bevolkingsonderzoek (CVB) bij het RIVM ontvangt financiële middelen voor het uitvoeren van zijn coördinerende taken gericht op de voorlichting over bevolkingsonderzoeken, het Nationaal Programma Grieppreventie en pre- en neonatale screeningen en de kwaliteit van de uitvoering en monitoring ervan. Mensen die tot de betreffende doelgroep behoren, kunnen vrijwillig aan de bevolkingsonderzoeken deelnemen (€ 27,9 miljoen). Ook verzorgt het CVB de uitvoering van de prenatale screening infectieziekten en erytrocytenimmunisatie (€ 18,3 miljoen);
  • –  Het Centrum Gezondheid en Milieu (CGM) van het RIVM ontvangt financiële middelen om de Minister en de regio’s bij te staan met gezondheidskundige advisering, advisering over het uitvoeren van gezondheidsonderzoek en risicoanalyses over mogelijke gezondheidseffecten en over psychosociale nazorg. Vragen over gezondheid en veiligheid in relatie tot milieu en het voorkomen van incidenten en rampen komen samen bij het CGM. Het CGM is erop gericht deze kennis waar nodig te ontwikkelen, te borgen en te ontsluiten voor professionals en bestuurders (€ 5,2 miljoen);
  • –  Het Centrum Gezond Leven (CGL) bij het RIVM ontvangt financiële middelen met als doel samenhangende en effectieve lokale gezondheidsbevordering te versterken. Het CGL bevordert het gebruik van de best passende leefstijlinterventies, onder meer door beschikbare interventies overzichtelijk te presenteren en te beoordelen op kwaliteit en samenhang (€ 2,4 miljoen). Daarnaast voert het CGL enkele programma’s uit, zoals «Structurele versterking Gezondeschool.nl» en de «Impuls Erkenning Jeugdinterventies» (samen € 2,5 miljoen);
  • –  Inkoop, Opslag en Distributie (IOD) bij het RIVM zorgt ervoor dat er voldoende goede en betaalbare vaccins en antisera beschikbaar zijn voor het Rijksvaccinatieprogramma (RVP), het Nationaal Programma Grieppreventie (NPG) en calamiteiten (€ 1,8 miljoen). Voor de aanschaf van antivirale middelen is € 9,6 miljoen beschikbaar.

Gezondheidsbevordering

Subsidies voor preventie van schadelijk middelengebruik (alcohol, drugs en tabak)

Het Trimbos Instituut ontvangt subsidie voor het uitvoeren van activiteiten die gericht zijn op preventie van (schadelijk) alcohol-, tabaks- en drugsgebruik. Het gaat hierbij onder andere om voorlichting op scholen of via nieuwe media. Ook zet het Trimbos-instituut zich in om wetenschappelijk onderbouwde, onafhankelijke informatie te geven aan professionals en burgers. De instellingssubsidie aan het Trimbos-instituut bevat ook middelen voor andere VWS-terreinen, zoals de geestelijke gezondheidszorg. De bijdrage 2014 bedraagt € 3,3 miljoen.

Subsidies op het terrein van verslavingszorg

Op dit onderdeel is de instellingssubsidie voor het Trimbos Instituut opgenomen voor het uitvoeren van activiteiten die gericht zijn op preventie van (schadelijk) alcohol-, tabaks- en drugsgebruik. Zie tevens bovenstaande alinea. Ook ontvangen de stichtingen Mainline en Informatievoorziening Zorg instellings-/projectsubsidies voor het uitvoeren van activiteiten die gericht zijn op de verslavingszorg. De bijdrage 2014 bedraagt circa € 6,0 miljoen.

Subsidies ter bevordering van een gezonde voedingskeuze en een gezond gewicht

Mensen moeten zo min mogelijk drempels ondervinden wanneer zij er voor kiezen om gezond te leven. Daartoe wordt onder andere subsidie verleend aan de Stichting Voedingscentrum Nederland. Het Voedingscentrum biedt de consument informatie over gezonde en meer duurzame voeding. Daarnaast ondersteunt het Voedingscentrum met zijn kennis organisaties die zich inzetten om de gezonde voedingskeuze makkelijker te maken.

Het Convenant Gezond Gewicht (TK 31 899, nr. 15) is een samenwerkingsverband van in totaal 26 partijen afkomstig uit (Rijks- en lokale) overheden, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties die zich gezamenlijk inzetten voor het realiseren van een daling van overgewicht en obesitas. De totale bijdrage 2014 bedraagt € 9,5 miljoen.

Subsidies ter bevordering gezonde leefstijl jeugd

Er wordt extra aandacht besteed aan een gezonde leefstijl bij de jeugd (€ 0,4 miljoen). Het gaat hierbij om het aanleren en stimuleren van een gezonde leefstijl, inzet op weerbaarheid om dagelijkse verleidingen te weerstaan, vroege signalering van risico’s en het stellen van grenzen. Dit vindt onder andere plaats in het kader van Onderwijsagenda Sport, Bewegen en Gezonde Leefstijl, de impuls gezonde leefstijl jeugd (Jeugdimpuls) en het programma Gezonde Schoolpleinen. Doel van de Onderwijsagenda is om met de inzet op gezondheidsbevordering aan te sluiten bij de behoefte van het onderwijs. De Ministeries van VWS en OCW trekken hier samen in op, de uitvoering ligt in handen van de onderwijsraden. Doel van de Jeugdimpuls is het bevorderen van een gezonde leefstijl van de jeugd via de setting school en door het vergroten van het bereik van jongeren over een gezonde leefstijl via social media. Dat gebeurt door te investeren in schoolprogramma’s, het aanbod voor schoolgezondheidsbeleid uit te breiden en het bereik van jongeren over een gezonde leefstijl via social media te vergroten. Het Centrum Gezond Leven (CGL) coördineert deze aanpak, op onderdelen in gezamenlijkheid met de Onderwijsagenda Sport, Bewegen en Gezonde Leefstijl. De middelen voor 2012 tot en met 2014 zijn al overgeboekt naar het CGL-budget, dat wordt verantwoord onder het artikelonderdeel Ziektepreventie.

Subsidies voor letselpreventie

Voor letselpreventie is € 4,7 miljoen beschikbaar. De Stichting VeiligheidNL ontvangt € 4,3 miljoen subsidie van VWS voor het uitvoeren van haar activiteiten die zijn gericht op letselpreventie door middel van interventies en programma’s voor bijvoorbeeld jongeren en ouderen en de monitoring daarvan.

Subsidies ter bevordering van kwaliteit en toegankelijkheid van zorg

De Stichting Pharos ontvangt als kennis- en adviescentrum subsidie voor het stimuleren van de toepassing van kennis in de praktijk voor de verbetering van de kwaliteit en effectiviteit van de zorg voor migranten en mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden (€ 3,2 miljoen).

Subsidies ter bevordering van de seksuele gezondheid

Om de seksuele gezondheid te bevorderen verleent VWS rechtstreeks (onder andere Stichting Ambulante FIOM) (totaal € 4,5 miljoen), dan wel via het RIVM/Centrum Infectieziektebestrijding (onder andere Rutgers WPF, Soa-Aids Nederland en de HIV-vereniging Nederland) subsidie aan diverse gezondheidsbevorderende instellingen. De middelen aan het RIVM staan verantwoord onder het artikelonderdeel Ziektepreventie.

Bijdragen aan medeoverheden en opdrachten in verband met heroïneverstrekking op medisch voorschrift

VWS verstrekt een financiële bijdrage (circa € 14,3 miljoen) aan gemeenten voor het binnen een gesloten systeem aanbieden van een behandeling, waarbij naast methadon medicinale heroïne wordt verstrekt aan een beperkte groep langdurig opiaatverslaafden. Deze behandeling leidt tot verbetering van de gezondheid en van de maatschappelijke re-integratie en helpt overlast en criminaliteit door ernstig opiaatverslaafden voorkomen. Omdat het een beperkte groep betreft, is deze behandeling niet in het reguliere zorgstelsel opgenomen. Binnen dit systeem zijn alle noodzakelijke veiligheidsmaatregelen genomen om ongeoorloofd gebruik van medicatie te voorkomen. De medicinale heroïne wordt voor circa € 3,1 miljoen aangeschaft.

Kengetallen Gezondheidsbevordering
 

2001

2007

2008

2009

2010

2011

2012

1. Het percentage niet-rokers ≥ 15 jaar

72%

73%

72%

73%

76%

74%

2. Overgewicht bij volwassenen ≥ 20 jaar

45,5%

46,9%

47,2%

48,2%

48,2%

3. Overgewicht bij kinderen leeftijd 4–20 jaar

13,1%

13,6%

12,8%

4. Het percentage mensen in algemene bevolking (12 jaar en ouder) dat niet zwaar drinkt.

89,3%

90,0%

89,6%

89,6%

90,6%

5. Het percentage 12–15 jarigen dat nog nooit alcoholhoudende drank heeft gedronken

25,6%

36,5%

35,0%

38,4%

6. Aantal problematische drugsverslaafden per 1.000 inwoners

3,1

1,6

7. Aantal spoedeisende hulpbehandelingen in ziekenhuizen door privéongevallen en sportblessures

700.000

650.000

650.000

640.000

600.000

600.000

8. Vindpercentage seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s) bij de soa-poli’s van de GGD

12,7%

13,2%

13,2%

13,7%

14,3%

15,1%

Bron:

1. STIVORO-expertisecentrum tabaksgebruik en verslaving. Roken onder volwassenen: de harde feiten (2012).

2. Permanent Onderzoek Leefstijl Situatie (POLS), Lengte en gewicht van personen, ondergewicht en overgewicht; vanaf 1981.

3. Permanent Onderzoek Leefstijl Situatie (POLS), Lengte en gewicht van personen, ondergewicht en overgewicht; vanaf 1981.

4. Permanent Onderzoek Leefstijl Situatie (POLS), via www.Statline.nl van Centraal Bureau voor de Statistiek.

5. Health Behaviour in School-aged Children, Trimbos-Instituut, zie www.trimbos.nl.

6. Jaarbericht Nationale Drug Monitor 2010, Trimbos-Instituut, 2010, zie www.trimbos.nl.

7. Letselinformatiesysteem 2001–2010 VeiligheidNL en CBS, zie www.veiligheid.nl en www.cbs.nl. De trend voor letsel als gevolg van privéongevallen en sportblessures in de afgelopen jaren is positief, waarbij in 2011 geen verandering is te zien ten opzichte van 2010.

8. Nationaal Kompas Volksgezondheid: Betreft het percentage bezoekers van soa-poli’s, waarbij één (of meer) soa is gevonden.

Ethiek

Bijdrage aan agentschap CIBG ten behoeve van uitvoeringstaken medische ethiek

Vanuit haar verantwoordelijkheid voor wet- en regelgeving ten aanzien van ethisch handelen in de zorg financiert de Minister een groot deel van de uitvoering van de uit de vigerende wetgeving voortvloeiende wettelijke taken. Het CIBG verzorgt de uitvoering van het secretariaat van de regionale toetsingscommissies euthanasie, de stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting, en de centrale deskundigencommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en beheert de daarbij behorende registers (€ 3,8 miljoen).

Bijdrage aan ZBO/RWT College voor zorgverzekeringen (CVZ)

VWS verstrekt een financiële bijdrage aan het CVZ voor het op grond van de regeling «subsidies AWBZ verstrekken van subsidies aan abortusklinieken» (€ 13,0 miljoen). De abortusklinieken dienen over een Waz-vergunning (Wet afbreking zwangerschap) te beschikken.

Bijdrage aan ZBO Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO)

De CCMO ontvangt een financiële bijdrage voor het uitvoeren van zijn kerntaak (€ 1,6 miljoen). Deze kerntaak is gericht op het waarborgen van de bescherming van proefpersonen bij medisch-wetenschappelijk onderzoek door middel van toetsing aan de hiervoor geldende wettelijke bepalingen en protocollen.

Onderzoeksprogramma «Translationeel Adult Stamcelonderzoek» via ZonMw

Het onderzoeksprogramma «Translationeel Adult Stamcelonderzoek» richt zich op onderzoek naar mogelijke nieuwe toepassingsmogelijkheden van adulte (niet-embryonale) stamcellen. De middelen (circa € 3,0 miljoen in 2014) staan verantwoord op artikel 4 Zorgbreed beleid.

Ontvangsten

Bestuurlijke boetes

In het kader van haar handhavingsbeleid schrijft de NVWA bestuurlijke boetes uit. Het houdt in dat de overtreder de onvoorwaardelijke verplichting heeft tot het betalen van een geldsom aan de overheid wegens overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens een van de aan het toezicht door de NVWA onderworpen wetten. De ontvangsten die hieruit voortvloeien worden geraamd op € 4,3 miljoen in 2014.

Artikel 2 Curatieve zorg

1. Algemene beleidsdoelstelling

Een kwalitatief goed en toegankelijk stelsel voor curatieve zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister van VWS is verantwoordelijk voor een goed werkend en samenhangend stelsel voor curatieve zorg. De Zorgverzekeringswet vormt samen met de zorgbrede wetten, zoals de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) en de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) de wettelijke basis van dit stelsel. De uitgaven en ontvangsten op basis van de Zorgverzekeringswet komen aan bod in het hoofdstuk Financieel Beeld Zorg. Op begrotingsartikel 2 Curatieve zorg worden de begrotingsuitgaven en -ontvangsten voor curatieve zorg verantwoord. Het betreft veelal uitgaven die ondersteunend zijn aan de werking van het stelsel. Dit laat onverlet dat dit beleid niet los kan worden gezien van het beleid ten aanzien van de zorg die bekostigd wordt uit de premiemiddelen.

Om het zorgstelsel goed te laten functioneren is het samenspel van zorgprofessionals, patiënten, zorginstellingen, zorgverzekeraars en toezichthouders van groot belang. De Minister van VWS richt zich in beginsel op het formuleren van de voorwaarden waarbinnen dit samenspel tot goede resultaten kan leiden en op het inzetten van aanvullende instrumenten waar het samenspel (nog) niet leidt tot voldoende kwaliteit, toegankelijkheid of betaalbaarheid van de curatieve zorg. Een deel van die instrumenten gaat gepaard met uitgaven die vanaf dit begrotingsartikel worden betaald. Het betreft subsidies, opdrachten en bijdragen waarmee de Minister een regisserende, stimulerende of financierende rol uitvoert. Hoe de Minister invulling geeft aan deze rollen in het kader van de uitgaven die verantwoord zijn op dit begrotingsartikel staat beschreven in de volgende tabel. Het betreft hier een beschrijving van de meest van toepassing zijnde rol. In de paragraaf «instrumenten» van dit begrotingsartikel staan de uitgaven in meer detail toegelicht.

Naast de uitgaven op dit begrotingsartikel worden er ook begrotingsuitgaven en -ontvangsten van de curatieve zorg verantwoord op andere begrotingsartikelen. Zo is de Minister van VWS vanuit de verantwoordelijkheid voor curatieve zorg beleidsverantwoordelijk voor de zorgtoeslag. Deze middelen staan verantwoord op artikel 8 Tegemoetkoming specifieke kosten. De uitgaven voor zorg in Caribisch Nederland staan vermeld in artikel 4. De uitgaven voor het apparaat van het Ministerie zelf en de financiering van de uitvoerende organisaties staan verantwoord in artikel 10 Apparaatsuitgaven respectievelijk artikel 4 Zorgbreed beleid.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Regisseren

Kwaliteit en (patiënt)veiligheid

Het bevorderen van de kwaliteit, (patiënt)veiligheid en innovatie in de curatieve zorg.

Het ondersteunen van initiatieven op het terrein van de Life Sciences and Health met als doel de beschikbaarheid van medische producten en materialen op termijn te bevorderen.

Bevorderen van het tot stand komen van een implantatenregister om daarmee de traceerbaarheid van geïmplanteerde medische hulpmiddelen mogelijk te maken.

Het bevorderen van kwalitatief goede zorg door medefinanciering van hoogwaardig oncologisch onderzoek en de financiering van de familie- en vertrouwenspersonen in ggz-instellingen. Daarnaast wordt het digitale communicatiesysteem voor de zwaailichtsector (mede) gefinancierd.

Bevorderen van de beschikbaarheid van donororganen door het financieren van initiatieven die bijdragen aan een zorgvuldige orgaandonorwerving in de ziekenhuizen, het onderhouden van het donorregister en het geven van publieksvoorlichting over orgaandonatie. Het financieren van bijwerkingenregistraties ten behoeve van het monitoren van de productveiligheid.

Het onderhouden van wet- en regelgeving op het gebied van geneesmiddelen, medische hulpmiddelen, lichaamsmaterialen en bloedvoorziening.

Toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg

Het ondersteunen van initiatieven om de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de curatieve zorg te garanderen en/of te verbeteren. Belangrijk daarin zijn de initiatieven om verspilling in de zorg tegen te gaan.

Bevorderen van de toegankelijkheid/ betaalbaarheid van de zorg door het deels compenseren van de gederfde inkomsten van zorgaanbieders als gevolg van het verstrekken van zorg aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen.

Bevorderen van de toegankelijkheid/ betaalbaarheid door het financieren van de zorguitgaven voor kinderen tot 18 jaar.

 

Bevorderen van de werking van het stelsel (waaronder doelmatigheid)

Het ondersteunen van initiatieven om fraude in de zorg zoveel mogelijk te voorkomen.

Het bevorderen van de werking van het stelsel door het systeem van risicoverevening

Het financieren van kostencomponenten die een gelijk speelveld verstoren.

De werking van het zorgverzekeringsstelsel wordt bevorderd door het actief opsporen van onverzekerden en wanbetalers.

Het (door)ontwikkelen van productstructuren op basis waarvan onderhandelingen over bekostiging plaatsvinden.

Het bepalen van de normen/criteria, waaraan de registers (bijvoorbeeld BIG-register) die worden bijhouden om de werking van het stelsel te bevorderen, moeten voldoen.

3. Prioriteiten 2014 en beleidswijzigingen

De prioriteiten voor 2014 en de beleidswijzigingen zijn:

  • –  Er zal zo goed mogelijk uitvoering worden gegeven aan de hoofdlijnenakkoorden die door het kabinet gesloten gaan worden.
  • –  Het tegengaan van fraude in de zorg behoeft continu aandacht en moet periodiek worden aangescherpt. De maatregelen ter bestrijding van fraude in de curatieve zorg staan toegelicht in de brief van 15 mei 2013 over fraudebestrijding in de zorg (TK 28 828, nr. 30). Daarnaast zal in september 2013 een uitgebreid plan van aanpak fraude naar de Tweede Kamer worden toegezonden. Dit plan van aanpak geeft de acties weer voor de komende tijd en biedt een stevige intensivering van de keten van preventie tot opsporing en de instrumenten die daarvoor nodig zijn.
  • –  In mei 2013 is het programma Verspilling in de Zorg van start gegaan (TK 33 654, nr. 1). Hiermee pakt VWS samen met veldpartijen verspilling aan. Van verspilling is sprake als er zorgkosten worden gemaakt, zonder dat het voor de patiënt iets oplevert. Belangrijk onderdeel van het programma is het meldpunt verspilling en het traject daarna om gezamenlijk met de stakeholders de verspilling aan te pakken. De actie verspilling is van start gegaan met de genees- en hulpmiddelen en de langdurige zorg en zal na de zomer worden uitgebreid met de medisch-specialistische zorg en de geestelijke gezondheidszorg (zie brief van 19 juli 2013, TK 33 654, nr. 2).
  • – 

    Patiëntveiligheid heeft deze kabinetsperiode prioriteit. De extra aandacht voor patiëntveiligheid zal daarom in 2014 worden voortgezet. Vanuit VWS zal sectoroverstijgend specifieke aandacht uitgaan naar verbetering van patiëntveiligheid door meer focus. Transparantie en standaardisatie van zorgprocessen en zorguitkomsten spelen daarin een belangrijke rol.

    Het rapport «monitor zorggerelateerde schade» zal verschijnen in november 2013. In dit rapport wordt specifiek ingegaan op vermijdbare schade veroorzaakt door medische technologie. Inmiddels zijn de resultaten van de herhaalstudie naar ziekenhuisopnames door verkeerd geneesmiddelgebruik (IPCI/Harm) bekend geworden (TK 29 477, nr. 226). Bezien zal worden welke maatregelen naar aanleiding van de resultaten en aanbevelingen uit deze rapporten in 2014 zullen worden uitgewerkt in het VWS beleid op het gebied van veilige toepassing medische technologie en geneesmiddelen.

  • –  De beoogde opzet en inrichting van een landelijk register voor implantaten (TK 32 805, nr. 23) zal in 2014 nader vorm krijgen op basis van de resultaten van een in 2013 te starten pilot.
  • –  Het gebruik van vervalste geneesmiddelen is een risico voor de volksgezondheid. De richtlijn 2011/62/EU heeft als doel het verhinderen dat vervalste geneesmiddelen in de legale distributieketen terecht komen. Naast aanscherping van bestaande verplichtingen voor fabrikanten, groothandelaars en apotheekhoudenden wordt een aantal nieuwe verplichtingen geïntroduceerd voor actoren die tot dusver niet zelfstandig onder de geneesmiddelenwetgeving waren ondergebracht. Het wetsvoorstel ter implementatie ligt momenteel voor in de Tweede Kamer.
  • –  De overige activiteiten in 2014 betreffen een continuering van het bestaande beleid. Voor de (overige) beleidsprioriteiten met betrekking tot de Zorgverzekeringswet wordt verwezen naar het Financieel Beeld Zorg.

4. Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

2.618.694

2.809.951

2.692.612

2.940.256

3.053.191

3.121.043

3.274.013

               

Uitgaven

2.655.887

2.797.170

2.733.958

2.940.256

3.053.191

3.121.043

3.274.013

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99%

       
               

1. Kwaliteit en veiligheid

 

122.357

99.543

84.078

96.323

75.302

75.576

               

Subsidies

 

114.287

91.824

75.861

85.399

63.528

63.802

waarvan onder andere:

             

Integrale kankercentrum

 

27.648

27.390

27.740

27.740

27.740

27.740

Nederlands Kanker Instituut

 

17.241

17.354

17.354

17.354

17.354

17.354

Patiëntveiligheid curatieve zorg

 

1.949

846

35

0

0

0

Subsidies in relatie tot zwangerschap en geboorte

 

1.506

1.440

1.415

1.218

1.211

1.489

Registratie en uitwisseling zorggegevens (PALGA)

 

3.386

3.590

3.534

3.534

3.534

3.534

Perinataal Webbased dossier

 

500

500

0

0

0

0

NICTIZ

 

4.169

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

Stichting Lareb: bijwerkingenregistratie voor vaccins en teratologie informatie service

 

1.225

1.225

1.225

1.225

1.225

1.225

Nederlandse Transplantatie Stichting en regio's landelijke implementatie pilots orgaandonatie

 

8.110

8.577

0

0

0

0

Nederlandse Transplantatie Stichting

 

0

3.095

3.044

3.044

3.044

3.044

Regeling Donatie bij leven

 

800

800

900

900

900

900

Herhaalstudie IPCI / Harm

 

50

0

0

0

0

0

Stichting Life Sciences & Health/ LSH Plaza

 

22.436

14.252

2.570

11.226

0

0

Topinstituut Pharma

 

13.956

0

0

0

0

0

UMCG ten behoeve van het project LifeLines

 

2.604

4.601

2.803

3.498

0

0

               

Opdrachten

 

4.267

4.412

4.932

7.711

8.611

8.611

               

Bijdragen aan agentschappen

 

3.703

3.107

3.023

3.004

2.954

2.954

CIBG: Donorregister

 

3.630

3.031

2.973

2.954

2.954

2.954

Agentschap NL: beheer subsidies LSH en TI Pharma

 

73

76

50

50

0

0

               

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

 

50

150

212

159

159

159

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

 

50

50

50

50

50

50

               

2. Toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg

 

2.612.505

2.550.873

2.759.856

2.860.397

2.949.273

3.101.972

               

Subsidies

 

14.274

13.214

11.335

10.430

10.431

10.431

waarvan onder andere:

             

Eerstelijns gezondheidscentra in VINEX-gebieden

 

1.312

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

Anonieme e-mental health

 

733

2.000

0

0

0

0

Stichting Patiëntvertrouwenspersoon

 

4.882

4.882

4.882

4.882

4.882

4.882

Stichting Familievertrouwenspersoon

 

1.080

1.080

1.080

1.080

1.080

1.080

Stichting Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik

 

892

477

0

0

0

0

               

Bekostiging

 

2.592.508

2.530.500

2.741.520

2.843.100

2.932.400

3.085.100

Rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds voor financiering van verzekerden 18–

 

2.565.500

2.498.500

2.709.500

2.811.100

2.900.400

3.053.100

Zorg illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen

 

27.008

32.000

32.000

32.000

32.000

32.000

               

Opdrachten

 

4.672

5.585

5.447

5.299

4.874

4.873

waarvan onder andere:

             

Programma Verspilling in de zorg

 

300

425

425

425

425

425

               

Bijdrage aan agentschap

 

1.051

958

958

952

952

952

CIBG: Farmatec

 

1.051

958

958

952

952

952

               

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

 

0

616

616

616

616

616

CVZ: Compensatie kosten van zorg illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen

 

0

616

616

616

616

616

               

3. Bevorderen werking van het stelsel

 

62.308

83.542

96.322

96.471

96.468

96.465

               

Subsidies

 

4.519

2.829

11.441

11.451

11.450

11.450

waarvan onder andere:

             

Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen

 

524

325

330

340

340

340

Zorgfraudebestrijding

 

1.155

1.723

0

0

0

0

               

Inkomensoverdrachten

 

31.978

28.166

28.169

28.168

28.167

28.166

Overgangsregeling FLO/VUT ouderenregeling ambulancepersoneel

 

31.978

28.166

28.169

28.168

28.167

28.166

               

Opdrachten

 

3.870

4.054

3.222

3.272

3.272

3.272

waarvan onder andere:

             

Risicoverevening

 

1.359

1.407

1.387

1.387

1.387

1.387

Uitvoering zorgverzekeringstelsel

 

1.188

1.215

420

470

470

470

               

Bijdragen aan agentschappen

 

20.594

23.735

23.731

23.776

23.775

23.774

waarvan onder andere:

             

CJIB: Onverzekerden en wanbetalers

 

19.060

22.201

22.197

22.242

22.241

22.240

               

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

 

1.312

20.633

25.634

25.679

25.679

25.678

SVB en CVZ: Onverzekerden en wanbetalers

 

1.256

10.633

10.634

10.679

10.679

10.678

CVZ: Doorlichten pakket

 

56

10.000

15.000

15.000

15.000

15.000

               

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

 

35

4.125

4.125

4.125

4.125

4.125

BZK: Bijdrage C2000

 

35

4.125

4.125

4.125

4.125

4.125

               

Ontvangsten

92.490

61.828

35.853

35.853

35.953

35.953

35.953

waarvan onder andere:

             

Ontvangsten wanbetalers

 

53.600

34.800

34.800

34.900

34.900

34.900

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Van het beschikbare budget 2014 ad € 107,9 miljoen is 98,5% juridisch verplicht. Het betreft diverse subsidies op het gebied van kwaliteit en (patiënt)veiligheid, subsidies ter bevordering van de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg en subsidies die de werking van het stelsel bevorderen.

Bekostiging

Van het beschikbare budget 2014 ad € 2,5 miljard is 100% juridisch verplicht. Het betreft de rijksbijdrage aan het Zorgverzekeringsfonds voor de financiering van verzekerden jonger dan 18 jaar en de bekostiging van de compensatie van (een deel van) de gederfde inkomsten van zorgaanbieders als gevolg van het verstrekken van zorg aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen.

Inkomensoverdrachten

Van het beschikbare budget 2014 ad € 28,2 miljoen is 99,4% juridisch verplicht. Het betreft voornamelijk de financiering van de overgangsregeling FLO/VUT ouderenregeling ambulancepersoneel.

Opdrachten

Van het beschikbare budget 2014 ad € 14,1 miljoen is 58,6% juridisch verplicht. Het betreft diverse opdrachten op het gebied van kwaliteit en (patiënt)veiligheid en opdrachten die de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg en de werking van het stelsel moeten bevorderen. De niet-juridisch verplichte uitgaven zijn gereserveerd voor opdrachten op het terrein van fraudebestrijding en bevorderen werking van het stelsel.

Bijdragen aan agentschappen

Van het beschikbare budget 2014 ad € 27,8 miljoen is 94,5% juridisch verplicht. Het betreft voornamelijk de bijdrage aan het CJIB voor de actieve opsporing van onverzekerden en wanbetalers zorgverzekeringswet en de middelen aan het CVZ voor stringent pakketbeheer.

Bijdragen aan ZBO’s en RWT’s

Van het beschikbare budget 2014 ad € 21,4 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft voornamelijk de bijdrage aan het CVZ en de SVB voor de actieve opsporing van onverzekerden en wanbetalers zorgverzekeringswet en de middelen aan het CVZ voor stringent pakketbeheer.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Het beschikbare budget van € 0,05 miljoen is niet-juridisch verplicht. Het betreft middelen die bestemd zijn voor bijdragen aan internationale organisaties zoals de WHO.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Van het beschikbare budget 2014 ad € 4,1 miljoen is 99,4% juridisch verplicht. Het betreft de bijdrage aan het Ministerie van BZK voor het C2000-systeem.

5. Instrumenten

Kwaliteit en veiligheid

Subsidies voor Integraal Kankercentrum Nederland

Het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) ondersteunt ziekenhuizen in de regio om kwalitatief hoogwaardige oncologische zorg te kunnen leveren. Het totale subsidiebedrag bedraagt in 2014 € 27,4 miljoen. Het IKNL is het kennis- en kwaliteitsinstituut voor professionals en bestuurders in de oncologische en palliatieve zorg. IKNL draagt bij aan het verbeteren van de zorg rond kanker door het verzamelen van gegevens, het opstellen van richtlijnen, het bewaken van kwaliteit, het faciliteren van samenwerkingsverbanden en bij- en nascholing. De landelijke kwaliteitsdata die het IKNL in samenwerking met DICA (Dutch institute for clinical auditing) registreert zijn uniek in de wereld en van grote waarde voor het verbeteren van de organisatie van de oncologische en palliatieve zorg binnen en tussen zorginstellingen. Vanaf 1 januari 2014 zal het Integraal Kankercentrum Nederland fuseren met het Integraal Kankercentrum Zuid (IKZ).

Subsidie voor het Nederlands Kanker Instituut

Het Nederlands Kanker Instituut (NKI), verbonden aan het Antoni van Leeuwenhoek, is een internationaal erkend centre of excellence op het gebied van oncologisch onderzoek. Het wetenschappelijk onderzoek beweegt zich op een breed gebied dat fundamenteel biologische vraagstellingen, klinisch onderzoek, epidemiologie en psychosociaal onderzoek omvat. De combinatie van een focus op oncologie en de aanwezigheid van state of the art kennis en technologie, maakt dat het NKI goed past binnen het concentratie- en specialisatiebeleid van VWS.

Volgens het KNI kan dankzij wetenschappelijk onderzoek inmiddels worden doorgedrongen tot de kern van kanker en de specifieke afwijking in het DNA van de tumor worden geïdentificeerd, waardoor er mogelijkheden zijn om tot een eigen unieke behandeling van de tumor te komen. Dit is volgens de onderzoekers een veelbelovende ontwikkeling.

Het NKI krijgt in 2014 € 17,4 miljoen subsidie van VWS. Ongeveer € 5 miljoen daarvan is bestemd voor de kapitaallasten.

Subsidies voor patiëntveiligheid curatieve zorg

VWS draagt bij aan patiëntveiligheid door de financiering op tijdelijke basis van veiligheidsprogramma’s in de sectoren (academische) ziekenhuizen, curatieve ggz-instellingen en zelfstandige behandelcentra (ZBC’s). In 2013 lopen deze veiligheidsprogramma’s af met uitzondering van het programma voor de ZBC’s dat in 2014 nog doorloopt. Het is aan zorgaanbieders, professionals, zorggebruikers en zorgverzekeraars om in 2014 veiligheid als onderdeel van kwaliteit verder te borgen en te integreren in de zorgprocessen en werkcultuur. De inzet van VWS is erop gericht om via bestuurlijke afspraken de inbedding van de resultaten daarvan alsmede voortgangsactiviteiten nauwlettend te monitoren en waar nodig aanvullende doelstellingen te bepalen. VWS zal ten aanzien van een aantal sectoroverstijgende speerpunten in 2014 een stimulerende rol spelen, zoals bij het versterken van de rol van de patiënt, veilig incident melden, medicatieveiligheid en de inbedding van patiëntveiligheid in opleidingen (zie ook brief van 11 juni 2013, TK 33 497, nr. 9). Voor de curatieve zorg zal VWS daarvoor op het gebied van patiëntveiligheid in 2014 circa € 0,8 miljoen uittrekken.

Subsidies en opdrachten in relatie tot zwangerschap en geboorte

In navolging van de adviezen van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte (TK 32 279, nr. 10) neemt het kabinet maatregelen om de perinatale gezondheid in Nederland te verbeteren. Dat moet er mede toe leiden dat goede resultaten worden doorgezet. Een Europese vergelijkende studie (Peristat 3 uit 2013) laat zien dat verdere verbeteringen mogelijk zijn. In 2014 is voor de maatregelen zwangerschap en geboorte in totaal circa € 2,0 miljoen beschikbaar. Deze middelen worden deels verantwoord onder artikel 1 Volksgezondheid.

Subsidie ten behoeve van registratie en uitwisseling zorggegevens (PALGA)

Er wordt subsidie (€ 3,6 miljoen) verleend aan de Stichting Pathologisch-Anatomisch Landelijk Geautomatiseerd Archief (PALGA) voor het in stand houden van een landelijke databank met alle pathologie-uitslagen in Nederland.

Subsidie Perinataal Webbased dossier

Eén van de belangrijkste voorwaarden voor het leveren van goede, integrale geboortezorg is het zorgen voor goede gegevensuitwisseling. Het programma Perinataal Webbased Dossier (PWD) werkt aan goede digitale gegevensuitwisseling in de perinatale zorg. Het PWD gaat daarbij uit van éénmalige registratie en meermalig gebruik van gegevens door digitale gegevensuitwisseling tussen enerzijds zorgverleners onderling (met name verloskundigen en gynaecologen) en anderzijds met centrale registraties zoals de Stichting Perinatale Registratie Nederland (landelijke databank voor informatie en onderzoek) en RIVM (in verband met de prenatale screening in het kader van de Wet op het Bevolkingsonderzoek). Er is door betrokken partijen gezamenlijk een plan opgesteld voor de volgende fase van het project (fase 2b) dat in 2013 van start is gegaan. Het betreft een weerbarstig traject waar ook in 2014 nog de nodige stappen voor gezet zullen moeten worden. In 2014 is hiervoor € 0,5 miljoen gereserveerd.

Subsidie aan Nictiz

Nictiz is het landelijke expertisecentrum dat ontwikkeling van ICT in de zorg faciliteert. Er wordt in 2014 € 5,0 miljoen subsidie verleend aan Nictiz om een coördinerende functie te vervullen bij de ontwikkeling van ICT- en informatiestandaarden en implementatieondersteuning bij het gebruik van deze standaarden. Tevens fungeert Nictiz als kennis- en expertisecentrum en vervult het een verbindende rol bij de ontwikkeling en het gebruik van ICT in de zorg.

Subsidies voor de bijwerkingenregistratie voor vaccins en teratologie informatie service

De stichting Lareb ontvangt een subsidie van € 1,2 miljoen voor het systematisch verzamelen van gegevens over bijwerkingen van de in het Rijksvaccinatieprogramma gebruikte vaccins en het verstrekken van informatie over en het doen van onderzoek naar het gebruik van geneesmiddelen tijdens de zwangerschap en de lactatieperiode (teratologie informatie service).

Subsidie aan de Nederlandse Transplantatie Stichting en regio’s landelijke implementatie pilots orgaandonatie

De Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS) verzorgt onder andere voorlichting over donatie van weefsels en organen aan burgers en professionals en voert activiteiten uit rond donorwerving. Daartoe ontvangt de NTS circa € 3,1 miljoen subsidie in 2014.

De landelijke uitrol van de pilots in de zeven orgaandonatieregio’s is inmiddels een feit. Voor het uitvoeren van deze activiteiten ontvangen de zeven orgaandonatieregio’s en de NTS subsidies van in totaal € 21 miljoen, waarvan € 8,6 miljoen in 2014. Over de evaluatie van de projecten, die in 2014 plaatsvindt, zal de Tweede Kamer eind 2014 worden geïnformeerd.

In onderstaande figuur wordt de ontwikkeling van postmortale orgaandonoren in de periode 2007–2012 geschetst. Postmortale orgaandonoren zijn donoren die na overlijden (postmortaal) daadwerkelijk één of meer organen hebben gedoneerd. In 2012 waren dit er 252. In de figuur wordt tevens aangegeven hoeveel organen van overleden donoren in de periode 2007–2012 zijn getransplanteerd.

Kengetallen orgaandonatie

Bron: website van de Nederlandse Transplantatie Stichting

Deze tabel geeft naast de aantallen donaties en transplantaties de verhouding weer tussen het aantal postmortale orgaandonoren en het aantal orgaantransplantaties in Nederland dat met uit postmortale orgaandonoren verkregen organen is verricht.

Subsidies aan de Stichting Life Sciences & Health voor LSH Plaza en UMCG ten behoeve van het project LifeLines en bijdrage aan agentschap NL voor beheer subsidies LSH en TI Pharma

Uit de voormalige FES-gelden wordt subsidie verstrekt aan projecten op het gebied van life sciences and health aan de Stichting Life Sciences & Health (LSH). In 2014 is hiervoor een bedrag van € 14,3 miljoen geraamd. Het Agentschap NL Innovatie verzorgt het subsidiebeheer voor de LSH-projecten en het Topinstituut Pharma. Hiervoor ontvangt het agentschap een vergoeding van circa € 0,08 miljoen. De subsidie aan het Topinstituut Pharma eindigt in 2013.

De Stichting LSH is omgevormd tot een topconsortium voor kennis en innovatie, genaamd LSH Plaza. LSH Plaza geeft vorm aan de publiekprivate samenwerking in de topsector life sciences and health en kan daarvoor een beroep doen op TKI-toeslag 4 van het Ministerie van EZ.

Uit de voormalige FES-gelden wordt tevens het project LifeLines van het UMC Groningen bekostigd. Het LifeLines project heeft als doel te onderzoeken waarom sommige mensen gezond ouder worden en andere mensen al op jonge leeftijd problemen met hun gezondheid krijgen. Er is speciale aandacht voor chronische ziekten, zoals astma, diabetes en nierfalen. Daartoe wordt in de periode 2010–2015 een subsidie verstrekt aan het UMCG van € 40 miljoen, waarvan € 4,6 miljoen in 2014.

Bijdrage aan agentschap CIBG: Donorregister

VWS verleent een bijdrage (€ 3,0 miljoen) aan het agentschap Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG) voor het registeren van de keuze van burgers over orgaan- en weefseldonatie in het Donorregister (zie onderstaande figuur).

Kengetal: Aantal geregistreerden in het Donorregister

Bron: Donorregister/ Registraties

Toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg

Subsidies voor eerstelijns gezondheidscentra in Vinex-gebieden

Het is van belang dat er ondanks marktfalen in grootschalige nieuwbouwlocaties, waar nog niet voldoende patiënten wonen, geïntegreerde eerstelijnszorg wordt aangeboden. Daarom worden gezondheidscentra waarbij sprake is van marktfalen in grootschalige nieuwbouwlocaties contractueel worden belast met het aanbieden van die zorg bij wijze van dienst van algemeen economisch belang. Dit betekent dat zij de taak hebben om op die locaties geïntegreerde eerstelijnszorg te verlenen en verder te ontwikkelen. Hiertoe zullen zij gedurende de aanloopperiode (maximaal 5 jaar) ter compensatie subsidie ontvangen. Hiervoor is in 2014 circa € 2,0 miljoen beschikbaar.

Subsidies voor anonieme e-mental health

Voor de financiering van anonieme e-mental health is in 2012, 2013 en 2014 jaarlijks een subsidie van € 2,0 miljoen beschikbaar. Om dit geld te verdelen over het brede palet van anonieme e-mental health aanbieders is een beleidskader anonieme e-mental health opgesteld, waarop aanbieders subsidieaanvragen hebben ingediend. Dit beleidskader is een tijdelijke maatregel, waarmee in 2012, 2013 en 2014 subsidie wordt verstrekt aan een aantal aanbieders van anonieme e-mental health. Met deze tijdelijke maatregel is ruimte gecreëerd om een structurele oplossing, vorm te geven. Het wetsvoorstel voor deze structurele oplossing is in de zomer 2013 aangeboden aan het parlement. Dit betreft een wijziging van de Zorgverzekeringswet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en enkele andere wetten teneinde de bekostiging van anonieme e-mental health structureel te regelen en de anonieme financiering van zorg aan ernstig bedreigde cliënten mogelijk te maken (TK 33 675, nr. 3).

Subsidie Stichting Patiëntenvertrouwenspersoon

De patiëntenvertrouwenspersoon verleent cliënten die zijn opgenomen in een geestelijke gezondheidszorginstelling (ggz-instelling) advies, informatie en bijstand bij de handhaving van hun rechten. De werkzaamheden van de patiëntenvertrouwenspersoon hebben een wettelijke basis in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) en het besluit patiëntenvertrouwenspersoon Bopz. Met de subsidie (€ 4,9 miljoen) stelt VWS de Stichting Patiëntenvertrouwenspersoon in staat deze wettelijke taak onafhankelijk van de instellingen uit te voeren. De subsidie dekt zowel de bureaukosten van de stichting als de inzet van de vertrouwenspersonen.

Subsidie Landelijke Stichting Familievertrouwenspersonen

VWS financiert de Landelijke Stichting Familievertrouwenspersonen (LSFVP) in verband met de uitvoering van de motie TK 30 492, nr. 23, waarin werd verzocht om in iedere ggz-instelling een familievertrouwenspersoon beschikbaar te hebben. Een familievertrouwenspersonen voorziet familieleden en naasten in advies, bijstand en informatie over de patiënt in de geestelijke gezondheidszorg. Het subsidiebedrag van € 1,1 miljoen is gebaseerd op gefaseerde introductie van de familievertruwenspersoon in ggz-instellingen en landelijke uitrol van de familievertrouwenspersoon. Met deze subsidie van VWS worden de LSFVP, de werkzaamheden van familievertrouwenspersonen in ggz-instellingen en de landelijke helpdesk van de LSFVP gefinancierd.

Subsidie Stichting Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik

Het Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik (IVM) is een organisatie die zich bezig houdt met het verspreiden van informatie en oplossingen voor een goed, veilig, betaalbaar, doelmatig en verantwoord medicijngebruik. Besloten is om de instellingssubsidie af te bouwen in twee jaar tijd; in 2014 bedraagt de subsidie circa € 0,5 miljoen. De concrete activiteiten die deze stichting voor VWS uitvoert (ontwikkeling en het onderhoud van materialen voor het farmacotherapeutisch overleg tussen huisartsen en apothekers, verzameling van informatie over geneesmiddelen in relatie tot ongewenste beïnvloeding en de jaarlijkse uitvoering van een benchmark voorschrijven huisartsen) passen meer in een opdrachtrelatie en zullen dan ook met ingang van 1 januari 2014 stapsgewijs Europees aanbesteed worden.

Bekostiging Rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds voor financiering van verzekerden 18–

Kinderen tot achttien jaar betalen geen nominale premie. De rijksbijdrage Zorgverzekeringsfonds (circa € 2,5 miljard) voorziet in de financiering van de premie van deze kinderen.

Bekostiging en bijdrage aan ZBO/RWT CVZ in het kader van het verstrekken van zorg aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen

Zorgaanbieders kunnen een bijdrage vragen aan het CVZ als zij medisch noodzakelijke zorg hebben verleend aan illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen en de kosten niet verhaalbaar blijken op de patiënt. Zorgaanbieders kunnen in aanmerking komen voor compensatie uit collectieve middelen onder in de wet gestelde voorwaarden. Voor compensatie aan de zorgaanbieders 2014 is € 32,0 miljoen beschikbaar. Het CVZ ontvangt voor de uitvoering een bijdrage van VWS (€ 0,6 miljoen in 2014).

Opdrachten meldpunt verspilling in de zorg

In het kader van het programma Verspilling in de Zorg is een meldpunt verspilling opgericht. VWS voorziet in de bekostiging van het meldpunt door het verstrekken van opdrachten voor de duur van de huidige kabinetsperiode. Het voornemen is om na de aanloopfase te verkennen of veldpartijen de structurele financiering van het landelijk meldpunt en het beheer van de rapportages willen overnemen van VWS. De geraamde kosten voor 2014 bedragen € 0,4 miljoen.

Bijdrage aan agentschap CIBG voor Farmatec

Het CIBG is verantwoordelijk voor het toekennen van vergoedingslimieten in het Geneesmiddelenvergoedingensysteem en het vaststellen van maximumprijzen voor geneesmiddelen op grond van de Wet Geneesmiddelenprijzen. Hiervoor wordt een bedrag van € 1,0 miljoen begroot.

Het CIBG verricht taken op het gebied van vergunning- en ontheffingsverlening op grond van de Geneesmiddelenwet, de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal en de Wet inzake bloedvoorziening. Deze activiteiten worden uit tarieven gefinancierd.

Bevorderen van de werking van het stelsel

Subsidie aan Stichting klachten en geschillen zorgverzekeringen

De Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ) verzorgt doelgroepgerichte voorlichting aan onverzekerden en wanbetalers zorgverzekeringswet om deze groepen te wijzen op hun plicht zich te verzekeren dan wel te betalen. Zo wordt een bijdrage geleverd aan het terugdringen van het aantal wanbetalers en onverzekerden. De bijdrage 2014 bedraagt € 0,3 miljoen.

Subsidies in het kader van de zorgfraudebestrijding

Er zijn subsidies verstrekt aan onder andere cliëntenorganisaties voor het opzetten van een gezamenlijk early warning systeem, waarmee cliënten hun signalen over het vermoeden van fraude kenbaar kunnen maken. Deze cliëntenorganisaties werken de signalen in overleg met de melder op zodat ze bruikbaar zijn voor vervolgstappen richting het verzamelpunt fraude van de NZa of richting IGZ. Doel van deze aanpak is bij te dragen aan het opsporen en voorkomen van fraude. Ook wordt een gezamenlijke projectorganisatie zorgfraudebestrijding ingericht waarin onder andere de volgende organisaties participeren: NZa, FIOD, IGZ, OM, ISZW, VWS en ZN. De projectorganisatie krijgt de opdracht om de meerwaarde van de programmatische aanpak van fraude aan te tonen. Zij krijgt een strategische en operationele functie. Bij de strategische functie gaat het om het maken van analyses met het doel meer zicht te krijgen op de risico’s van fraude. Bij de operationele functie gaat het om het gezamenlijk aanpakken van zorgfraudezaken.

De bijdrage voor 2014 bedraagt € 1,7 miljoen. Voor nieuw beleid wordt verwezen naar het plan van aanpak dat in september 2013 naar de Tweede Kamer wordt toegestuurd.

Inkomensoverdracht overgangsregeling FLO/VUT ouderenregeling ambulancepersoneel

Met de ambulancediensten zijn in de afgelopen jaren afspraken gemaakt over de vergoeding van het overgangsrecht ouderenregelingen. Deze regelingen zijn voor de werknemers bij de ambulancediensten afhankelijk van de verschillende CAO’s die voor de diensten golden (publiek, particulier en privaat). Met elk van de groepen is een overeenkomst gesloten, waarin is geregeld dat 95% van de kosten bij VWS gedeclareerd kan worden. Om verschillen in de tariefstelling ten gevolge van de ouderenregelingen te voorkomen, is ervoor gekozen de betalingen van alle drie deze regelingen via de begroting van VWS te laten verlopen (bijdrage 2014 € 28,0 miljoen).

Opdrachten Risicoverevening

Het systeem van risicoverevening wordt jaarlijks aangepast aan de gewijzigde omstandigheden in de zorg. In 2014 en de jaren daarna wordt vooral het ex ante vereveningsmodel voor de curatieve geestelijke gezondheidszorg verbeterd. Verder vindt er een kwantitatieve analyse plaats van de werking van het vereveningssysteem. Hiervoor is in 2014 circa € 1,4 miljoen beschikbaar.

Opdrachten in het kader van aanpak fraude

Om verder inzicht te verkrijgen in de oorzaken en mogelijke oplossingen gericht op de aanpak van zorgfraude worden diverse onderzoeken verricht die er op gericht zijn om de concrete aanpak van verbeterpunten in de keten van patiënt /aanbieder/verzekeraar/toezichthouder te onderbouwen en te monitoren. Deze onderzoeken zullen onder andere betrekking hebben op systeemverheldering, internationale vergelijkingen en best practices. Het doel van de onderzoeken is om vast te stellen wat we hieruit kunnen leren. Daarnaast wordt aandacht besteed aan publiekscommunicatie en gerichte communicatie aan veldpartijen (totaal € 1,2 miljoen in 2014). Voor nieuw beleid wordt verwezen naar het plan van aanpak dat in september 2013 naar de Tweede Kamer wordt toegestuurd.

Bijdragen aan agentschap CJIB en ZBO’s/RWT’s CVZ en SVB in verband met actieve opsporing onverzekerden en wanbetalers

Het kabinet vindt het ongewenst dat mensen zich aan de solidariteit van de Zorgverzekeringswet onttrekken door zich niet te verzekeren. Op grond van de Wet opsporing en verzekering onverzekerden zorgverzekering worden onverzekerde verzekeringsplichtigen actief opgespoord. Die opsporing vindt plaats door het CVZ door middel van vergelijking van een door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gebouwd bestand van alle AWBZ-verzekerden en het referentiebestand verzekerden Zorgverzekeringswet (RBVZ) dat alle Zvw-verzekerden bevat. Inning van de bestuurlijke boetes vindt plaats door het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB). De uitvoeringskosten van het CJIB en de SVB worden vanaf de VWS-begroting betaald.

Op grond van de Wet structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering worden wanbetalers die geen premie betalen bij zes maanden premieachterstand door de zorgverzekeraar overgedragen aan het CVZ. Via onder andere bronheffing betalen zij verplicht een bestuursrechtelijke premie van 130%. De uitvoeringskosten worden vanaf de VWS-begroting betaald. Van de bestuursrechtelijke premie die wanbetalers betalen wordt 30/130ste deel aangewend voor de uitvoering. In 2012 is een begin gemaakt met activiteiten die erop gericht zijn te voorkomen dat mensen in een bestuursrechtelijk premieregime terecht komen (door onder andere samenwerking tussen zorgverzekeraars en gemeenten). In 2014 zullen deze preventieve activiteiten, die in 2013 meer concreet zijn ingevuld en die ertoe strekken de betaal- en afloscapaciteit van de schuldenaar zo goed mogelijk aan te wenden voor aflossing van premieschulden, worden doorontwikkeld. Eveneens zullen in 2014 de aangekondigde maatregelen worden (door)ontwikkeld ter optimalisering van het bestuursrechtelijke premieregime en het bevorderen van de uitstroom (TK 33 683, nrs. 2 en 3). Vanaf maart 2013 is een stijgende trend waar te nemen in het aantal wanbetalers, vermoedelijk als gevolg van de economische situatie.

Kengetallen onverzekerden en wanbetalers Zorgverzekeringswet
 

2011

2012

Raming 2013

Aantal onverzekerden eind december bij het CVZ

58.000

39.000

40.000

Aantal wanbetalers eind december bij het CVZ

318.000

293.000

340.000

Bron: maandrapportage CVZ.

Voor het jaar 2013 is de raming gebaseerd op de actuele cijfers uit de maandrapportage van het CVZ van 1 juni 2013.

Bijdrage aan ZBO/RWT CVZ voor het jaarlijks doorlichten van een deel van het verzekerd pakket

Conform het regeerakkoord Rutte-Asscher zal het CVZ jaarlijks een deel van het verzekerd pakket doorlichten met een taakstellend bedrag aan uitgavenbesparing (stringent pakketbeheer). Voor de uitvoering van deze taak is een investering nodig in de capaciteit van het CVZ. De uitvoeringskosten worden vanaf de VWS-begroting betaald. Voor 2014 is daarvoor een bedrag van € 10,0 miljoen begroot.

Bijdrage aan ZBO NZa: doorontwikkeling en beheer dbc-systematiek

De middelen op de begroting van VWS voor de (door)ontwikkeling en het beheer van de dbc-systematiek zijn, in afwachting van de uitkomsten van een heroverweging naar de verantwoordelijkheid- en taakverdeling tussen publieke en private partijen bij de dbc- systematiek, vooralsnog in 2013 en 2014 beschikbaar gesteld aan de NZa. Deze middelen staan verantwoord op artikel 4.

Bijdrage aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie voor exploitatiekosten SLA C2000/GMS

VWS draagt 4,5% bij aan de exploitatiekosten van het digitale communicatiesysteem voor de hulpverleningsdiensten, C2000. Daarmee is het aandeel van de ambulancezorg gedekt. Deze uitgaven zijn structureel € 4,1 miljoen per jaar.

Ontvangsten

Ontvangsten wanbetalers en onverzekerden

De ontvangsten als gevolg van de aan wanbetalers opgelegde bestuursrechterlijke premie worden met ingang van 2012 voor 100/130ste deel toegevoegd aan het Zorgverzekeringsfonds; 30/130ste deel hiervan wordt toegevoegd aan de begroting van VWS, waaruit de uitvoeringskosten worden gefinancierd. De ontvangsten als gevolg van de inning van bestuurlijke boetes in geval van onverzekerdheid worden toegevoegd aan de begroting van VWS. Voor 2014 is het totale bedrag geraamd op € 34,8 miljoen.

Artikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning

1. Algemene beleidsdoelstelling

Een stelsel voor maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg dat ieder mens in staat stelt om zijn leven zo lang mogelijk zelf in te vullen en waarbij ondersteuning en zorg worden aangeboden op grond van de complexiteit van de zorgvraag én de kwetsbaarheid van de betreffende burger. Er wordt gestreefd naar welbevinden en (daarmee naar) een afname van de afhankelijkheid van ondersteuning en zorg. Dit alles tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

In aanloop naar de invoering van de hervorming van de langdurige zorg en ondersteuning (in 2015) zal een nieuwe algemene indicator of kengetal worden ontwikkeld. Onderstaande gegevens hebben hoofdzakelijk betrekking op de ondersteuningskant van bijgaand artikel.

Kengetal: De participatie van mensen met een lichamelijke beperking, lichte of matige verstandelijke beperking, ouderen (≥ 65 jaar) en de algemene bevolking in 2012 (percentages)

< 65 jaar. Bij mensen met een verstandelijke beperking gaat het om (on)betaald werk, zowel 65-plus als 65-min

Bron: Participatiemonitor 2013, NIVEL

Mensen met een lichamelijke beperking zijn conform de participatiemonitor van het NIVEL mensen met langdurige motorische en/of zintuiglijke beperkingen. De ernst van de beperking wordt vastgesteld aan de hand van de activiteiten die men (zelfstandig) kan doen. Het gaat om activiteiten op het gebied van algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) en mobiliteit, huishoudelijke activiteiten en om het zien en horen. In het kengetal zijn de gegevens opgenomen over mensen met en lichte of matige verstandelijke beperking op basis van vragen aan naasten over de feitelijke participatie van hun met een verstandelijke beperking. Hiervoor is gekozen omdat de vraagstelling bij naasten beter aansluit bij die van de algemene bevolking.

Bovenstaand kengetal toont de participatie in 2012 op basis van de participatiemonitor van het NIVEL. Op basis hiervan kan worden gesteld dat mensen met een lichamelijke beperking minder vaak betaald werk hebben en ook minder relatief vaak vrijwilligerswerk doen. Ouderen boven de 65 jaar doen vaker vrijwilligerswerk dan jongeren. Het kengetal laat zien dat 46% van de mensen met een verstandelijke beperking volgens hun naasten gebruik maken van het openbaar vervoer. Een deel van de mensen maakt gebruik van andere vervoersvoorzieningen, bijvoorbeeld via een zorgaanbieder of familie. Het gebruik van het openbaar vervoer is de afgelopen jaren gelijk gebleven. Het beeld uit de literatuur dat het sociale netwerk van mensen met een verstandelijke beperking klein is en veelal bestaat uit zorgprofessionals en familie wordt bevestigd door de monitor: niet meer dan 16% van de mensen heeft (ook) regelmatig contact met vrienden zonder een beperking. Op basis van de meerjarige gegevens van de participatiemonitor van het NIVEL kan worden gesteld dat er enige beweging is in de participatie van mensen met beperkingen, ouderen en de algemene bevolking. Zo zijn meer mensen met een lichamelijke beperking en ouderen vrijwilligerswerk gaan doen, wat goed past in de beleidsdoelstellingen van de Wmo. Mensen vinden het belangrijk om te participeren en er is ook behoefte om meer te participeren. Tegelijkertijd is het zo dat de totale participatie van mensen met een lichamelijke beperking of een lichte of matige verstandelijke beperking niet is veranderd in de periode 2008–2012 en ook de totale participatie van ouderen is onveranderd (periode 2009–2012).

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister is verantwoordelijk voor een goed werkend en samenhangend stelsel voor maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg. De Minister stimuleert zelfredzaamheid en participatie om iedereen in staat te stellen zijn leven zo lang mogelijk zelf in te vullen. Zo nodig wordt daarbij ondersteuning en/of zorg geboden, rekening houdend met het eigen sociale netwerk, de complexiteit van de zorgvraag en de kwetsbaarheid van de betreffende burger. Daarbij wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijk welbevinden en daarmee een afnemend beroep op ondersteuning en zorg.

De Minister stimuleert de ontwikkeling en brede verspreiding van kennis, waaronder goede voorbeelden en innovaties op het gebied van langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning en ondersteunt initiatieven om de kwaliteit en het innoverend vermogen van de zorg en de ondersteuning te versterken.

De Minister stelt de wettelijke kaders van de Wmo en de AWBZ vast en stuurt voorts door het maken van bestuurlijke afspraken en het monitoren van de uitkomsten. De Minister is daarnaast verantwoordelijk voor de uitvoering van het bovenregionaal sociaalrecreatief vervoer en het mantelzorgcompliment.

De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) vormen de wettelijke basis voor dit stelsel. Voorts financiert de Minister de AWBZ en de decentralisatie-uitkeringen vrouwenopvang en maatschappelijke opvang, het verslavingsbeleid en de openbare geestelijke gezondheidszorg. In dit begrotingsartikel zijn de begrotingsuitgaven voor langdurige zorg en maatschappelijke ondersteuning opgenomen. De premie-uitgaven en ontvangsten op het terrein van langdurige zorg komen aan bod in het hoofdstuk Financieel Beeld Zorg (FBZ).

De Minister is (mede)financier door onder meer de rijksbijdrage in de kosten van kortingen (BIKK) in de AWBZ en door het verstrekken van subsidies aan partijen die een belangrijke rol vervullen binnen het stelsel, zoals het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ).

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

Stimuleren participatie en zelfredzaamheid

Programma’s Welzijn Nieuwe Stijl en de Kanteling

Ondersteuningsprogramma zwerfjongeren

Project Aanpak geweld in huiselijke kring (tot en met 2014)

Wet Maatschappelijke Ondersteuning, decentralisatie-uitkering vrouwenopvang en decentralisatie-uitkering maatschappelijke opvang, verslavingsbeleid, openbare geestelijke gezondheidszorg

Subsidies en opdrachten voor kennis en advies (o.a. Movisie)

Bekostiging bovenregionaal sociaalrecreatief vervoer.

Mantelzorgcomplimenten en ondersteuning en versterking van de kwaliteit van mantelzorg

Uitvoering acties uit de brief Geweld In Afhankelijkheidsrelaties en het Actieplan «Ouderen in veilige handen»

Aanpassing Wmo; wetsvoorstel Wmo 2015

Beheer wettelijk kader Wmo: versterking positie slachtoffers geweld in huiselijke kring

Voorbereiding ratificering VN Verdrag inzake de rechten van personen met een beperking

De Sociale Verzekeringsbank verzorgt de uitvoering van de Regeling maatschappelijke ondersteuning

De gemeenten voeren de Wmo uit

Zorgdragen voor goede en toegankelijke langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

Programma’s In voor Zorg en Ambient assisted living

Programma actieplan onvrijwillige zorg

Implementatie kwaliteitskader verantwoorde zorg

Nationaal Programma Ouderenzorg en programma Meer tijd voor de cliënt

ZonMw-verbeterprogramma voor meer kwaliteit en een doelgerichte en efficiënte aanpak van palliatieve zorg

Subsidies aan Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), Centra voor Consultatie en Expertise (CCE) en op grond van de regeling Palliatief Terminale Zorg

Subsidies en opdrachten kennis en advies (o.a. Vilans)

Bekostiging bijdrage in kosten van kortingen

Aanpassing wettelijk kader AWBZ

Terugdringen administratieve lasten door programma Meer tijd voor de cliënt

Opstellen beleidsregels

indicatiestelling en kwaliteitseisen

Ontwikkeling regelgeving: Wet Zorg en Dwang

Het CIZ verzorgt de indicatiestelling voor de AWBZ

Het College voor zorgverzekeringen verzorgt de AWBZ-brede zorgregistratie

3. Prioriteiten 2014 en beleidswijzigingen

In 2014 zullen de prioriteiten in het teken staan van de hervorming van de langdurige zorg en ondersteuning (TK 30 597, nr. 296). Gemeenten krijgen vanaf 2015 een brede verantwoordelijkheid voor de maatschappelijke ondersteuning van hun inwoners. Een aantal aanspraken op grond van de AWBZ komt te vervallen. Het gaat om begeleiding, het bijbehorende vervoer, persoonlijke verzorging, kortdurend verblijf en de aanspraak van burgers die op grond van een indicatie voor verblijf in een beschermde woonvorm wonen. Er wordt veel geïnvesteerd in een zorgvuldige transitie. De transitie naar de nieuwe situatie is een gedeelde verantwoordelijkheid van meerdere partijen zoals de rijksoverheid, gemeenten en aanbieders. Zorg gericht op genezing of behoud van lichamelijke en geestelijke functies, zoals verpleging, wordt verleend vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw). Om de samenhangende zorg vanuit de Zvw te versterken, worden onderdelen van huidige AWBZ die gericht zijn op behandeling en verpleging onder de Zvw gebracht. Tegelijkertijd wordt de huidige AWBZ vervangen door een nieuwe wet die zich richt op al diegenen die (niet langer) in staat zijn de voor hen noodzakelijke zorg en ondersteuning te regisseren. De verantwoordelijkheid voor het organiseren van integrale zorg die zij nodig hebben ligt bij de aanbieder en de verzekeraar. Voor meer informatie wordt verwezen naar het Financieel Beeld Zorg.

De prioriteiten voor 2014 en de beleidswijzigingen zijn:

  • –  De gemeenten, aanbieders, verzekeraars en cliënten- en patiëntenorganisaties zullen op basis van het transitieplan hervorming langdurige zorg worden ondersteund bij de voorbereidingen naar de nieuwe situatie. De Tweede Kamer zal voor oktober 2014 het transitieplan hervorming langdurige zorg ontvangen. Onderdelen daarvan zijn een transitieplan voor de Wmo, de Zvw en de kern-AWBZ, een spoorboekje en een algemeen deel waarin de samenhang tussen één en ander is aangegeven.
  • –  Gedurende de transitie wordt door een monitor zicht gehouden op de voortgang en mogelijke risico's/knelpunten, om tijdig signalen te ontvangen wanneer en welke partijen achter dreigen te raken. Hierdoor wordt ondersteuning op lokaal niveau en passend bij de knelpunten tijdig ingezet.
  • –  De balans tussen formele en informele zorg wordt in 2014 verder verbeterd door niet meer apart te kijken naar de vraag van een cliënt en de vraag van mantelzorgers, maar integraal te kijken naar de cliënt en zijn sociale netwerk. Centraal staat wat de cliënt en zijn omgeving zelf kunnen doen. Vervolgens moet worden bekeken wat aanvullend van professionals en gemeenten nodig is om het zo goed mogelijk zelf te kunnen blijven doen.

De noodzaak voor de hervorming van de langdurige zorg is allereerst ingegeven vanuit de veranderende eisen die mensen stellen aan de kwaliteit van het leven. Mensen willen zo lang mogelijk thuis in hun eigen omgeving wonen en niet eenzaam zijn. De hervorming is erop gericht de zorg en ondersteuning voor ouderen en mensen met een beperking aan te passen aan die wens. Dat vraagt een andere organisatie van zowel de zorg die door professionals wordt gegeven als de ondersteuning die hun naasten hierbij kunnen bieden: wanneer mensen langer in hun omgeving willen blijven wonen zal er ook meer van die omgeving worden gevraagd.

(TK 30 169, nr. 28 d.d. 20 juli 2013)

  • –  Organisaties in de langdurige zorg krijgen in de toekomst te maken met andere eisen van de samenleving, zoals een krapper wordende arbeidsmarkt, financiële en economische druk. Zorgaanbieders krijgen te maken met andere partijen die andere eisen stellen. Dit vraagt hen om meer vanuit ondersteuning en minder vanuit zorg te handelen. Door middel van het programma «In voor zorg» worden zij hierin ondersteund.
  • –  Fraude met het persoonsgebonden budget (pgb) of zorg in natura kan niet worden getolereerd. Het tast het rechtsgevoel van Nederlanders aan omdat middelen die zijn bedoeld voor kwetsbare mensen verdwijnen in de zakken van criminelen. Daarom wordt uitvoering gegeven aan het fraudeplan dat eind 2013 naar de Kamer zal worden gestuurd.
  • –  Van belang is dat cliënten binnen de Treeknorm de zorg krijgen die nodig is. Afgelopen halfjaar heeft VWS een taskforce ingesteld om de betrouwbaarheid van de wachtlijsten te verbeteren en de informatie beter te ontsluiten. Inmiddels is de omvang van de wachtlijst fors gedaald. Voortaan kunnen belanghebbenden via de site www.zorgregistratie.nl van het CVZ toegang krijgen tot de module wachtlijsten AWBZ.
  • –  In vervolg op de inzet in Nederland om de dementiezorg te verbeteren en om de internationale programma’s in ons land goed te verankeren, stelt het kabinet in de periode 2013–2016 in totaal € 32,5 miljoen beschikbaar (TK 25 424, nr. 203) voor de uitvoering van wetenschappelijk onderzoek binnen het deltaplan Dementie en internationale samenwerkingsprojecten. Met deze samenwerking tussen overheid, wetenschap en bedrijfsleven sluit het deltaplan uitstekend aan bij de innovaties die het kabinet beoogt met het topsectorenbeleid.
  • –  In de Wmo-werkplaatsen, samenwerkingsverbanden van lectoren van hoge scholen, aanbieders, cliënten en gemeenten is veel relevante kennis voor diverse beroepsgroepen ontwikkeld. Deze kennis wordt ondergebracht in de diverse onderwijsprogramma's van de hoge scholen.
  • –  De horizontale verantwoording (art. 9 Wmo) zal in 2014 worden verbeterd door een standaard cliëntervaringsonderzoek te implementeren.
  • –  De positie van (potentiële) slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties zal door een brede ketenaanpak worden versterkt. Eind 2014 is een toekomstbestendig stelsel voor hulp en opvang van alle slachtoffers van geweld in huiselijke kring tot stand gebracht (brief «Aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties», TK 28 345, nr. 117, TK 33 400 XVI, nr. 14).
  • –  De ratificatie van het VN Verdrag Handicap wordt in 2015 een feit. Dit betekent dat de benodigde wetsvoorstellen voor ratificatie in 2014 door beide Kamers moeten zijn behandeld. Ter voorbereiding op de ratificatie zal structureel overleg worden gevoerd met alle relevante sectoren en veldpartijen, maar ook werkgevers- en werknemersorganisaties om zo met een gezamenlijke inzet te komen tot een continue verbetering van de inclusieve samenleving en zodoende vorm te geven aan de implementatie van het Verdrag. Dit zal in samenhang gebeuren met de programma’s «In voor Zorg» en «Aandacht Voor Iedereen».

4. Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

5.638.535

4.117.650

4.193.311

4.476.277

4.714.178

4.949.335

5.210.452

               

Uitgaven

5.633.963

4.117.754

4.193.291

4.476.277

4.714.178

4.949.335

5.210.452

waarvan juridisch verplicht (%)

   

98%

       
               

1. Stimuleren participatie en zelfredzaamheid van mensen met beperkingen

 

208.778

206.394

200.490

193.954

192.849

192.843

               

Subsidies

 

43.320

42.555

41.032

34.523

33.420

33.416

waarvan onder andere:

             

Movisie

 

7.929

7.939

7.939

7.939

7.939

7.939

Geweld in afhankelijkheidsrelaties

 

12.400

12.400

12.400

12.400

12.400

12.400

Mezzo

 

3.490

3.107

3.107

3.107

3.107

3.107

               

Bekostiging

 

432

432

432

432

432

432

               

Inkomensoverdrachten

 

86.627

86.627

86.627

86.627

86.627

86.627

Mantelzorgcompliment

 

86.627

86.627

86.627

86.627

86.627

86.627

               

Opdrachten

 

72.399

70.780

69.399

69.372

69.370

69.368

waarvan onder andere:

             

Bovenregionaal gehandicaptenvervoer

 

60.510

60.510

60.513

60.513

60.511

60.509

Geweld in afhankelijkheidsrelaties

 

3.112

3.112

3.112

3.112

3.112

3.112

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

 

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

SVB: uitvoering Regeling maatschappelijke ondersteuning

 

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

               

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

 

3.000

3.000

0

0

0

0

VenJ: opvang minderjarige meisjes

 

1.800

1.800

0

0

0

0

Gemeentefonds: opvang speciale doelgroepen

 

1.200

1.200

0

0

0

0

               

2. Zorgdragen voor goede en toegankelijke langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

 

3.908.976

3.986.897

4.275.787

4.520.224

4.756.486

5.017.609

               

Subsidies

 

214.495

207.656

165.542

161.441

162.764

162.588

waarvan onder andere:

             

Centrum Indicatiestelling Zorg

 

111.000

106.745

87.272

86.807

86.807

86.807

Aanpak fraude persoonsgebonden budget

 

12.500

17.500

5.000

5.000

5.000

5.000

Subsidieregeling palliatieve zorg

 

18.810

18.943

18.945

18.944

18.944

18.942

Kwaliteitsverbetering palliatieve zorg

 

7.642

7.642

7.642

7.642

7.642

7.642

Programma «In voor zorg!»

 

16.535

18.400

15.400

15.000

15.000

15.000

Stichting Centrum Consultatie en expertise

 

10.890

9.873

9.797

9.797

9.797

9.797

Vilans

 

5.144

5.268

5.186

5.186

5.186

5.186

Integraal Kankercentrum Nederland

 

6.400

6.400

6.400

6.400

6.400

6.400

               

Bekostiging

 

3.679.200

3.758.800

4.085.600

4.330.600

4.566.400

4.827.700

Bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK)

 

3.679.200

3.758.800

4.085.600

4.330.600

4.566.400

4.827.700

               

Opdrachten

 

13.054

18.427

22.631

26.169

25.308

25.307

waarvan onder andere:

             

Aanpak fraude persoonsgebonden budget

 

2.500

2.500

0

0

0

0

Programma «Kwaliteit palliatieve zorg'

 

2.547

2.547

2.547

2.547

2.547

2.547

Programma «Informatievoorziening zorg en ondersteuning'

 

4.000

4.000

4.000

4.000

4.000

4.000

Zorg en dwang

 

750

1.500

0

0

0

0

Deltaplan Dementie

 

1.200

1.750

1.750

1.750

1.750

1.500

Nationaal Programma Ouderenzorg

 

1.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

               

Bijdrage aan agentschappen

 

2.227

0

0

0

0

0

CIBG: Opdrachtgeverschap WTZi

 

2.227

0

0

0

0

0

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

 

0

2.014

2.014

2.014

2.014

2.014

CVZ: AWBZ-brede zorgregistratie

 

0

2.014

2.014

2.014

2.014

2.014

               

Ontvangsten

7.320

3.441

3.441

3.441

3.441

3.441

3.441

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Van het beschikbare budget ad € 250,2 miljoen is 90% juridisch verplicht. Het betreft de financiering van aangegane verplichtingen op basis van de Kaderregeling VWS-subsidies. Dit betreft zowel instellingsubsidies die jaarlijks worden verleend als projectsubsidies die meerjarig kunnen zijn.

Bekostiging

Van het beschikbare budget ad circa € 3,8 miljard is 100% juridisch verplicht. Het betreft voornamelijk de bekostiging van wachtgelden en de bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK).

Inkomensoverdrachten

Van het beschikbare budget ad € 86,6 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de financiering van het mantelzorgcompliment.

Opdrachten

Van het beschikbare budget ad € 89,2 miljoen is 83% juridisch verplicht. Het betreft onder andere bovenregionaal gehandicaptenvervoer, geweld in afhankelijkheidsrelaties, programma «Meer tijd voor de cliënt», programma «Kwaliteit palliatieve zorg», programma «Informatievoorziening zorg en ondersteuning» en de ontwikkeling en evaluatie van het persoonsgebonden budget.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Van het beschikbare budget ad € 5,0 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de bijdrage aan de SVB inzake de uitvoering Regeling maatschappelijke ondersteuning en het CVZ inzake de AWBZ-brede zorgregistratie.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Van het beschikbare budget ad € 3,0 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de financiering van de opvang van minderjarige meisjes en de financiering van de pilots opvang voor «specifieke groepen».

5. Instrumenten

Stimuleren participatie en zelfredzaamheid van mensen met beperkingen

Subsidie aan Movisie

Het kennisinstituut Movisie ontvangt in 2014 circa € 7,9 miljoen subsidie voor de ondersteuning van gemeenten en instellingen bij de adequate uitvoering van de Wmo en aanpalende terreinen door middel van het verzamelen, verrijken, valideren en verspreiden van kennis op het terrein van de Wmo.

Subsidie Mezzo (mantelzorgondersteuning)

De vereniging Mezzo ontvangt subsidie voor het versterken van de kwaliteit van de mantelzorgondersteuning (circa € 3,1 miljoen).

Inkomensoverdrachten en bijdrage aan ZBO/RWT Sociale verzekeringsbank ten behoeve van het mantelzorgcompliment

Als blijk van waardering kunnen zorgvragers hun mantelzorger voordragen voor een mantelzorgcompliment (Regeling maatschappelijke ondersteuning). In 2014 bedraagt het compliment € 200,– en het totaalbedrag aan versterkte mantelzorgcomplimenten is in 2014 begroot op € 86,6 miljoen.

Er wordt een bijdrage aan de Sociale Verzekeringsbank verleend voor uitvoering van de Regeling maatschappelijke ondersteuning op basis waarvan het mantelzorgcompliment wordt verstrekt (circa € 3,0 miljoen in 2014).

Dit kengetal geeft aan hoeveel mantelzorgcomplimenten door de Sociale Verzekeringsbank zijn verstrekt per boekjaar.

Kengetal: Aantal versterkte mantelzorgcomplimenten in een jaar

Bron: Sociale Verzekeringsbank. Het aantal verstrekte mantelzorgcomplimenten in 2013 betreft een raming.

Subsidies, opdrachten en bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken transitie en transformatie

De middelen (circa € 8,6 miljoen) worden ingezet voor de ondersteuning van gemeenten, aanbieders, verzekeraars en cliënten- en patiëntenorganisaties bij de voorbereidingen op de hervorming van de langdurige zorg. Hiernaast stelt het kabinet, in aanvulling op de middelen die in het kader van de decentralisatie begeleiding reeds beschikbaar zijn gesteld voor gemeenten (€ 47,6 miljoen in 2012; € 32 miljoen in 2013), in 2014 een bedrag van € 37 miljoen beschikbaar via de algemene uitkering van het gemeentefonds. Deze middelen zijn bedoeld om gemeenten te compenseren voor de (transitie)kosten die samenhangen met de inwerkingtreding van de nieuwe Wmo per 2015.

Subsidies en opdrachten aanpak geweld in afhankelijkheidsrelaties, inclusief ouderenmishandeling

De middelen (circa € 15,5 miljoen) worden ingezet voor het toekomstig stelsel van hulp en opvang aan alle slachtoffers van geweld in huiselijke kring (implementatie regiovisies «geweld in huiselijke kring», kwaliteitsborging, de samenvoeging van de Steunpunten huiselijk geweld en de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling). Het actieplan «Ouderen in veilige handen» wordt eind 2014 geëvalueerd.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken opvang specifieke groepen

Via de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie wordt ook in 2014 de opvang van minderjarige meisjes gefinancierd (circa € 1,8 miljoen). De financiering van de pilots opvang voor «specifieke groepen», waaronder ook de mannenopvang (€ 1,2 miljoen) via het gemeentefonds blijft gehandhaafd in 2014. Voor zowel van de opvang minderjarige meisjes als de overige specifieke groepen geldt dat vanaf 2015 een structurele oplossing binnen het gemeentelijk domein zal worden gerealiseerd.

Opdracht bovenregionaal gehandicaptenvervoer

Mensen met een mobiliteitsbeperking kunnen gebruik maken van het bovenregionaal sociaalrecreatief vervoer (BRV, voorheen bekend als Valys) per (deel)taxi (circa € 60,3 miljoen in 2014).

In 2012 was de klanttevredenheid over het BRV onverminderd hoog en stabiel (over het geheel genomen waarderen pashouders het reizen met het BRV met een 8,6), zie onderstaand kengetal.

Kengetal: Valys indexcijfers

Bron: Tevredenheidsonderzoek Valys, november 2012, Jes marketing en onderzoek.

pkb = persoonlijk kilometer budget

Het BRV is vraagafhankelijk vervoer, dit betekent dat factoren zoals de toegankelijkheid van het lokale openbaar vervoer, het weer of de gezondheid van de pashouders invloed kunnen hebben op het aantal verreden kilometers.

Zorgdragen voor goede en toegankelijke langdurige zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten

Subsidie aan het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

Het CIZ verzorgt de onafhankelijke, objectieve en integrale indicatiestelling voor de AWBZ. In het huidige kader is hiervoor in 2014 een bedrag van € 106,7 miljoen beschikbaar. Uit onderstaand figuur valt af te lezen dat het percentage indicatieaanvragen dat door het CIZ binnen de wettelijke termijn wordt afgehandeld hoog is (99% in 2012).

Naar aanleiding van de transitie die het CIZ als gevolg van de herziening van de langdurige zorg dient door te voeren wordt een nieuw meerjarenkader opgesteld.

Het CIZ heeft in 2012 opnieuw het percentage aanvragen dat is afgedaan binnen de daarvoor wettelijk toegestane termijn (0 tot 6 weken) weten te verhogen ten opzichte van het jaar ervoor (zie onderstaand figuur). Bovendien is het aantal aanvragen dat binnen 0 tot 2 weken wordt afgedaan toegenomen van 70% in het eerste kwartaal 2011 naar 83,2% in het vierde kwartaal 2012. Het totale aantal aanvragen dat in behandeling werd genomen in 2012 lag weliswaar iets lager (952.000 ten opzichte van het jaar 2011 981.000), het aantal besluiten waarin enige vorm van zorg wordt geïndiceerd ligt met 857.000 tienduizend hoger dan het jaar ervoor.

De verwachting is dat het aantal aanvragen voor AWBZ zorg in 2014 vergelijkbaar zal zijn met het aantal over 2013. Tegelijkertijd worden de voorbereidingen voor de invoering van de nieuwe wetgeving per 2015 ter hand genomen en zal ook de organisatie van het CIZ zelf gedurende het jaar wijziging ondergaan. Het streven is er niettemin op gericht om het aantal op «op tijd» gerealiseerde besluiten daaronder niet te laten lijden.

Indicator: Percentage indicatieaanvragen dat is afgehandeld binnen de wettelijke termijn (0 tot 6 weken)

Bron: Jaarverslag CIZ 2012, pagina 10.

Subsidies en opdrachten aanpak fraude persoongebonden budget

Ten behoeve van de aanpak van fraude bij het persoongebonden budget (pgb) is in 2014 € 20,0 miljoen beschikbaar. Dit bedrag wordt ingezet voor de invoering van trekkingsrechten, voor het vormgeven van een apart opsporingsunit voor pgb fraude bij de Inspectie SZW en voor het afleggen van huisbezoeken door de zorgkantoren aan circa 30.000 budgethouders.

Subsidies en opdrachten ten behoeve van (kwaliteitsverbetering) palliatieve zorg

Na besluitvorming over de positie van de palliatieve zorg in het nieuwe stelsel van zorg en ondersteuning vindt finale besluitvorming plaats over de stimuleringsmiddelen voor de kwaliteitsverbetering van de palliatieve zorg.

Kengetal: Totaal aantal personen dat door middel van de subsidieregeling palliatief terminale zorg is ondersteund in de laatste levensfase per 30 juni van een jaar

Bron: VWS, subsidieregeling Palliatief terminale zorg

Subsidie programma «In voor zorg»

Organisaties in de langdurige zorg krijgen in de toekomst te maken met andere eisen van de samenleving een krapper wordende arbeidsmarkt, financiële en economische druk en het daarmee samenhangende overheidsbeleid zoals onder andere de Herziening van de langdurige zorg. Zorgaanbieders zullen te maken krijgen met andere partijen die andere eisen stellen. Dit vraagt zorgaanbieders om nieuwe manieren van leveren van ondersteuning en zorg. Het programma «In voor zorg!» helpt zorgorganisaties hun werkprocessen in te richten met het oog op deze toekomst (circa € 18,4 miljoen in 2014).

Subsidie aan stichting Centrum Consultatie en Expertise

De stichting Centrum Consultatie en Expertise ontvangt een subsidie van € 9,9 miljoen voor het bieden van perspectief aan individuele cliënten met een bijzondere zorgvraag door inzet van expertise en (tijdelijke) extra ondersteuning.

Subsidie aan Vilans

Vilans is het kenniscentrum voor de langdurende zorg. Samen met professionals in het veld ontwikkelt Vilans vernieuwende en praktijkgerichte kennis en vinden nieuwe inzichten en goede voorbeelden snel en succesvol hun weg in de praktijk. Het betreft een basisbudget en een programmabudget voor kennisactiviteiten (€ 5,3 miljoen).

Subsidie Integraal Kankercentrum Nederland

Het Integraal Kankercentrum Nederland ontvangt een instellingssubsidie van € 6,4 miljoen om, als organisatie waarin deskundigheid over alle facetten van palliatieve zorg is samengebracht, de primaire zorgvraag te ondersteunen door middel van consultatie en ontwikkeling van na- en bijscholing.

Bekostiging Bijdrage in kosten van kortingen (BIKK)

De BIKK is een rijksbijdrage die is ingesteld om de lagere premieopbrengst van de AWBZ als gevolg van de grondslagverkleining van de AWBZ bij de invoering van het nieuwe belastingstelsel in 2001 te compenseren (€ 3,8 miljard in 2014).

Opdrachten programma Informatievoorziening Herziening Langdurige Zorg

Op het terrein van de informatievoorziening wordt een aantal projecten uitgevoerd in samenwerking met onder andere de VNG, Zorgverzekeraars Nederland en uitvoeringsorganisaties. Doel is onder meer het bevorderen van de standaardisering van gegevensuitwisseling Wmo en AWBZ, vereenvoudiging en modernisering van de AWBZ-brede zorgregistratie (AZR) en beheer en verdere optimalisatie van de webvoorziening Regelhulp (€ 4,0 miljoen).

Opdrachten in het kader van Deltaplan dementie

Sinds 2004 zijn in ons land programma’s uitgevoerd om de zorg voor mensen met dementie te verbeteren. In vervolg op de inzet in Nederland om de dementiezorg te verbeteren en om de internationale programma’s in ons land goed te verankeren, hebben Nederlandse wetenschappers met Alzheimer Nederland het initiatief genomen om het Deltapan Dementie te ontwikkelen. Het Deltaplan Dementie wil een bijdrage leveren aan oplossingen voor verschillende aspecten van deze aandoening en de vele consequenties die deze aandoening heeft voor zowel de mens met dementie, zijn omgeving als de samenleving als geheel (zie ook brief van 4 april 2013, TK 25 424, nr. 203). Het secretariaat van het deltaplan wordt gevoerd door ZonMw.

Eind 2013 ontvangt de Tweede Kamer een brief inzake dementie en het Deltaplan. Met deze samenwerking tussen overheid, wetenschap en bedrijfsleven sluit het Deltaplan uitstekend aan bij de innovaties die het kabinet beoogt met het topsectorenbeleid.

De VWS-bijdrage voor 2014 bedraagt € 8,2 miljoen, waarvan € 1,8 miljoen via artikel 3 ter beschikking wordt gesteld. Dit bedrag is bestemd voor de uitvoering van het onderzoeksvoorstel van het deltaplan.

Subsidies en opdrachten Nationaal Programma Ouderenzorg

Het Nationaal Programma Ouderenzorg (NPO) levert een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van nieuwe interventies gericht op de zorg voor en ondersteuning van kwetsbare ouderen. Vanaf 2008 zijn 73 projecten gestart. Eind 2013 zullen van 57 projecten de eindresultaten bekend zijn, van 16 projecten ligt de einddatum in 2014. De evaluatiegegevens van alle experimenten zijn in een landelijk bestand beschikbaar voor analyse, beoordeling en vergelijking. Het is uiteindelijk aan de beroepsgroepen en het kwaliteitsinstituut om de doelmatig gebleken interventies op te nemen in de professionele standaarden. De bij het NPO betrokken partijen werken in 2014 en 2015 aan de oogst van de resultaten en de overdracht van kennis en ervaring en instrumenten aan het veld. VWS biedt hen daarbij steun in de voorwaardenscheppende sfeer (€ 3,0 miljoen).

Bijdrage aan ZBO/RWT CVZ voor AWBZ-brede zorgregistratie

De AWBZ-brede zorgregistratie (AZR) is een uniforme systematiek waarmee indicatieorganen, zorgkantoren en zorgaanbieders elektronisch informatie over cliënten kunnen uitwisselen. Het College voor zorgverzekeringen (CVZ) draagt zorg voor de specificaties van de AZR, de standaarden en de bedrijfsregels en begeleidt de implementatie van de AZR en ontvangt daarvoor een bijdrage van VWS. De bijdrage 2014 bedraagt € 2,0 miljoen.

Artikel 4 Zorgbreed beleid

1. Algemene beleidsdoelstelling

Het scheppen van randvoorwaarden om het zorgstelsel te laten werken zodat de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van de zorg voor de burger is gewaarborgd.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister bevordert de werking van het stelsel door partijen in staat te stellen hun rol te spelen en door belemmeringen weg te nemen die een goede werking van het stelsel in de weg staan. Daar waar publieke belangen in het geding zijn, die niet voldoende door (partijen in) het stelsel behartigd kunnen worden, bevordert de Minister dat deze belangen worden behartigd.

De positie van de cliënt wordt versterkt. Ten eerste door de rechten van de cliënt te versterken door heldere, eenduidige wetgeving. Ten tweede door te stimuleren dat patiënten- en gehandicaptenorganisaties hun rol in het stelsel kunnen spelen.

De verantwoordelijkheid van de Minister wordt tevens ingevuld door met stakeholders te streven naar een innovatieve en kwalitatieve beroepenstructuur met bijbehorende opleidingsmatrix ter invulling van de huidige en toekomstige zorgvraag met aandacht voor kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid. Ook wordt – indien noodzakelijk – het arbeidsmarktbeleid van veldpartijen ondersteund en wordt gestimuleerd dat er voldoende capaciteit aan zorgverleners beschikbaar is en blijft.

Ook zijn er randvoorwaarden gecreëerd om het innoverend vermogen van de gezondheidszorg te waarborgen en wordt gezondheidsonderzoek en het gebruik van de ontwikkelde kennis gestimuleerd.

De IGZ houdt toezicht op ruim twintig wetten, waaronder de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), de Kwaliteitswet Zorginstellingen en de Geneesmiddelenwet. De uitgaven voor de IGZ staan verantwoord op artikel 10 Apparaatsuitgaven.

De Minister heeft voor een goede werking van het zorgstelsel de beschikking over verschillende zelfstandige bestuursorganen die een taak hebben op het gebied van markttoezicht, pakketbeheer, kwaliteit en transparantie.

In Caribisch Nederland wordt een passend aanbod van zorg en jeugdzorg gerealiseerd.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

Positie cliënt

Subsidieregeling voor organisaties van patiënten- en gehandicapten, zodat deze mensen kunnen helpen hun rol in het stelsel te spelen.

 

Zorgen voor adequate wet- en regelgeving die positie patiënt versterkt en privacy en beveiliging borgt.

 

Opleidingen, Beroepenstructuur en Arbeidsmarkt

Stimuleren van de juiste kwaliteit van zorgopleidingen.

Stimuleren van een logische opleidingsmatrix met de juiste samenhang tussen opleidingen.

Bevorderen van een logische beroepenstructuur, gebaseerd op competenties nodig voor de invulling van de huidige en toekomstige zorgvraag en gericht op samenwerking.

Stimuleren van beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd zorgpersoneel.

Bevorderen van kwaliteit van individuele zorgverlening.

Financieren van het Stagefonds.

Bijdrage leveren aan regionaal arbeidsmarktbeleid.

Bijdrage leveren aan stimulering van de kwaliteit van opleiden en invulling geven aan een adequate beroepenstructuur.

Bewaken van de tot standkoming en het vasthouden van een toekomstgericht opleidingscontinuüm, met juiste kwaliteit en gewenste instroom.

Monitoren en sturen van de tot standkoming en het vasthouden van een innovatieve, kwalitatieve beroepenstructuur.

Constant optimaliseren van de inhoud en uitvoering van de Wet BIG.

Bevorderen van een gezonde arbeidsmarkt die personeel weet te binden en te boeien en voldoende wervend is.

Volgen van ontwikkelingen op de arbeidsmarkt.

 

Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

Creëren randvoorwaarden om innoverend vermogen van de gezondheidszorg te waarborgen.

Stimuleren van gezondheidsonderzoek en het gebruik van ontwikkelde kennis (o.a. ZonMw).

 

Zorg voor prikkels gericht op kwaliteitsverbetering, normen voor kwaliteit en transparantie.

Oprichten van een nationaal kwaliteitsinstituut gezondheidszorg (zie CVZ).

 

Inrichten uitvoeringsactiviteiten

   

Opstellen van wetgeving waarin taken van NZa, CVZ en andere organisaties worden vastgelegd.

Via CVZ, NZa en andere organisaties een bijdrage leveren aan de uitvoering van het stelsel.

Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

Samen met betrokken partijen stimuleren van de verbetering van het aanbod van (jeugd)zorg, met name via de uitvoering van de Middel Lange Termijn Plannen die in 2008 samen met de eilandbesturen zijn vastgesteld.

Financieren zorg 100% en (mede)financieren jeugdzorg.

(Jaarlijks) evalueren van de aanspraken in kader van zorgregeling voor Caribisch Nederland en indien nodig aanpassen.

Voorbereiden regelgeving voor de jeugdzorg (financiering, kwaliteit) en realiseren van CJG op de drie eilanden.

Uitvoeren zorgregelgeving voor Caribisch Nederland door het Zorgverzekeringkantoor op Bonaire.

3. Prioriteiten 2014 en beleidswijzigingen

De prioriteiten voor 2014 en de beleidswijzigingen zijn:

Positie cliënt

  • – 

    De positie van de cliënt wordt verbeterd.

    Met de derde nota van wijziging Wet cliëntenrechten zorg van 15 april 2013 is het wetsvoorstel beperkt tot een wettelijke regeling van kwaliteit, klachten en geschillen en heeft het wetsvoorstel een andere naam gekregen, namelijk Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Op 4 juli 2013 heeft de Tweede Kamer de Wkkgz (TK 32402) aangenomen en ligt nu ter behandeling in de Eerste Kamer. Als de Eerste Kamer haar goedkeuring geeft zal in 2014 het wetsvoorstel in werking treden en geïmplementeerd worden.

    Op 24 mei 2013 is de derde nota van wijziging bij de Beginselenwet AWBZ-zorg bij de Tweede Kamer ingediend (TK 33109). Op verzoek van de Tweede Kamer zullen de bepalingen uit dit wetsvoorstel een plek krijgen in het wetsvoorstel dat de kern AWBZ regelt. De Beginselenwet AWBZ-zorg wordt ingetrokken.

Opleidingen beroepenstructuur en arbeidsmarkt

  • –  De zorgvraag stijgt de komende jaren als gevolg van demografische en technologische ontwikkelingen. Tegelijkertijd wordt er zowel in de langdurige zorg en ondersteuning als in de curatieve zorg een omvangrijke transitie in gang gezet. Om het zorgaanbod daarbij te waarborgen, zal de capaciteit van het zorgaanbod zowel kwalitatief als kwantitatief op niveau moeten liggen en aansluiten bij de behoeften van de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor het arbeidsmarktbeleid in de zorgsector ligt bij de zorginstellingen en sociale partners. De overheid heeft hierin een ondersteunende rol. Uitgaande van deze verantwoordelijkheidsverdeling zijn in de Arbeidsmarktbrief «Vertrouwen in professionals» (TK 29 282, nr. 128) de speerpunten voor de overheid geformuleerd op het terrein van de arbeidsmarkt. In de tweede helft van 2013 wordt een nieuwe arbeidsmarktbrief naar de Tweede Kamer gestuurd.
  • –  Tot en met 2013 werden de (vervolg)opleidingen voor gespecialiseerde verpleegkundigen en medisch ondersteunend personeel in het zogeheten Fonds Ziekenhuisopleidingen via begrotingssubsidies gefinancierd. Met ingang van 2014 worden deze opleidingen via een beschikbaarheidbijdrage op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) gefinancierd. De uitvoering geschiedt door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De betalingen lopen via het CVZ. In dit kader is het bij deze opleidingen horende budget van de begroting overgeheveld naar de premiegefinancierde uitgaven (zie Financieel Beeld Zorg).
  • –  In het zorgoverleg met sociale partners is afgesproken dat er een kwaliteitsimpuls komt voor het personeel in algemene en categorale ziekenhuizen (TK 33 566, nr. 29). Goed opgeleide en geëquipeerde professionals, in het bijzonder verpleegkundigen, zijn immers hard nodig. Het doel is dat de algemene en categorale ziekenhuizen vanaf 2014 via subsidiëring in de gelegenheid gesteld worden zoveel mogelijk van de huidige medewerkers de mogelijkheid te bieden om op een hoger professioneel niveau te functioneren. In het najaar 2013 wordt hiervoor het instrumentarium ontwikkeld. De benodigde middelen worden van de premiegefinancierde uitgaven overgeheveld naar de begroting. Wel blijven deze middelen behoren tot het BKZ.

Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

  • –  Er wordt naar gestreefd om per 1 januari 2014 het Kwaliteitsinstituut voor de zorg operationeel te laten zijn (TK 32 620, nr. 59). Hiermee wil het kabinet een forse impuls geven aan de kwaliteitsverbetering van de gezondheidszorg in Nederland. Het Kwaliteitsinstituut richt zich op het stimuleren van de steeds verdere verbetering van de kwaliteit van de gezondheidszorg in Nederland. Het toetsingskader van het Kwaliteitsinstituut draagt er aan bij dat onnodige administratieve lasten van bijvoorbeeld kwaliteitsindicatoren voorkomen worden. Ook moet het Kwaliteitsinstituut ervoor zorgen dat iedereen toegang heeft tot begrijpelijke en betrouwbare informatie over de kwaliteit van geleverde zorg. Het wetsvoorstel daartoe is in maart 2013 door de Tweede Kamer aangenomen en ligt ter behandeling in de Eerste Kamer. Het instituut wordt ondergebracht bij het College voor zorgverzekeringen. Het zal, bijvoorbeeld wanneer de doorzettingsmacht moet worden ingezet, deskundigheid tijdelijk uit het veld betrekken, zonder dat deze in dienst komt. Zo blijft het Kwaliteitsinstituut «lean and mean».

Inrichten uitvoeringsactiviteiten

  • –  Om de taken die door intermediaire organisaties voor VWS worden uitgevoerd doelmatiger te organiseren worden een aantal veranderingen in gang gezet. Het Centraal Administratie Kantoor (CAK) zal zich ontwikkelen tot frontoffice voor overheidsdiensten naar burgers. Vanuit het CVZ zullen taken met betrekking tot de uitvoering van de op burgers gerichte regelingen gefaseerd worden overgenomen door het CAK of SVB. De publieke taken van DBC-Onderhoud worden ondergebracht bij de NZa.
  • –  De Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet op de zorgtoeslag (Wzt) en het College voor zorgverzekeringen (CVZ) worden in 2014 geëvalueerd.

Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

  • – 

    Zorgverzekering Caribisch Nederland

    In 2013 is verder gewerkt aan het verbeteren van het zorginkoopproces, de verzekerden administratie en het administratieve beheer. Verwacht wordt dat het Zorgverkeringskantoor in 2014 de hiervoor genoemde processen op het juiste niveau kan brengen.

  • – 

    Verbeteren van het zorgaanbod

    De verbetering van de medische infrastructuur zal vanaf 2014 worden doorgezet als onderdeel van de bedrijfsvoering van de diverse zorginstellingen. Verder zal er worden gewerkt aan de verbetering van het contractbeheer met de zorgaanbieders.

    Het ziekenhuis op Bonaire kan door de jumelage met VU/AMC meer basiszorg zelf leveren, zodat er minder medische uitzendingen nodig zullen zijn. Hierdoor zal de rol van de huisartsen op de eilanden ook veranderen, waarvoor zij vanaf eind 2013 ondersteuning ontvangen.

  • – 

    Verslavingszorg

    Om de psychiatrie en de verslavingszorg op de drie eilanden op te zetten en te ondersteunen in de uitvoering, is de verslavingszorginstelling Novadic Kentron ingehuurd door het Zorgverzekeringskantoor. Novadic Kentron zal in 2014 in samenwerking met de bestaande voorzieningen op de eilanden de benodigde verbetering en uitbreiding van het aanbod realiseren.

  • – 

    Jeugdzorg

    De focus voor de jeugd ligt op het bieden van goede basisvoorzieningen en het voortzetten van de verbeteringen die de laatste jaren in dit kader zijn gedaan. Voorbeelden zijn de verbetering van de jeugdgezondheidszorg, het bieden van opvoedingsondersteuning, het versterken van seksuele educatie, het verbeteren van de gezinsvoogdij en een sluitende aanpak van kindermishandeling.

4. Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

748.883

783.599

694.225

737.871

731.186

739.767

748.517

               

Uitgaven

1.832.888

952.363

697.717

739.596

731.186

739.767

748.517

waarvan juridisch verplicht (%)

   

97%

       
               

1. Positie cliënt

 

35.655

26.934

25.630

25.542

25.841

25.840

               

Subsidies

 

30.491

22.878

20.005

19.917

20.216

20.215

Patiënten- en gehandicaptenorganisaties

 

30.164

22.698

19.855

19.917

20.216

20.215

Overig positie cliënt

 

327

180

150

0

0

0

               

Opdrachten

 

3.822

2.602

4.171

4.171

4.171

4.171

waarvan onder andere:

             

Ondersteuning cliënt organisaties

 

3.655

2.437

4.000

4.000

4.000

4.000

               

Bijdrage aan agentschappen

 

1.342

1.454

1.454

1.454

1.454

1.454

waarvan onder andere:

             

CIBG: uitvoering subsidieregeling

 

1.333

1.333

1.333

1.333

1.333

1.333

               

2. Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt

 

490.353

299.230

369.342

377.897

383.573

389.561

               

Subsidies

 

477.596

288.546

358.671

365.229

370.840

376.828

waarvan onder andere:

             

Kwaliteitsimpuls categorale en algemene ziekenhuizen

 

0

48.000

134.000

140.000

145.000

151.000

Stageplaatsen zorg / Stagefonds

 

106.000

110.000

110.000

110.000

110.000

110.000

Publieke Gezondheidszorgopleidingen

 

16.124

18.323

20.527

20.526

20.526

20.525

Aanpassing opleidingscurricula

 

0

5.000

3.000

2.000

0

0

Vaccinatie stageplaatsen zorg

 

3.850

3.850

3.850

3.850

3.850

3.850

Opleiding tot verpleegkundig specialist/physician assistant

 

27.425

34.775

38.812

39.375

39.375

39.375

Opleiding tot ziekenhuisarts

 

3.493

5.842

628

0

0

0

Capaciteitsorgaan

 

1.644

1.625

1.599

1.599

1.599

1.599

Regionaal arbeidsmarktbeleid

 

7.500

7.500

7.500

650

0

0

Veilig werken in de zorg

 

2.576

3.196

3.196

0

0

0

               

Opdrachten

 

2.329

2.115

2.104

3.094

3.160

3.160

               

Bijdragen aan agentschappen

 

9.746

7.903

7.904

7.904

7.903

7.903

waarvan onder andere:

             

CIBG: Bijdrage voor onder andere het BIG-register en SVB-Z

 

5.300

5.300

5.300

5.300

5.300

5.300

               

Bijdrage ZBO’s/ RWT

 

682

666

663

1.670

1.670

1.670

CVZ: sectie Zorgberoepen en opleidingen

 

682

666

663

1.670

1.670

1.670

               

3. Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

 

120.349

89.359

81.757

78.005

77.638

77.484

               

Subsidies

 

5.021

5.042

4.857

4.974

4.974

4.973

Nivel

 

5.021

5.042

4.857

4.974

4.974

4.973

               

Opdrachten

 

300

0

0

0

0

0

               

Bijdrage aan agentschappen

 

2.021

2.370

2.371

2.371

2.571

2.571

waarvan onder andere:

             

CIBG: Jaardocument Maatschappelijke Verantwoording

 

708

800

800

800

800

800

RIVM: Zorgbalans

 

623

650

650

650

650

650

               

Bijdragen aan ZBO’s/ RWT’s

 

113.007

81.947

74.529

70.660

70.093

69.940

ZonMw: programmering

 

106.826

81.947

74.529

70.660

70.093

69.940

ZonMw: exploitatie

 

6.181

0

0

0

0

0

               

4. Inrichten uitvoeringsactiviteiten

 

216.803

193.292

167.088

151.043

151.037

150.927

               

Subsidies

 

256

256

256

256

256

256

Uitvoering Wtcg

 

256

256

256

256

256

256

               

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

 

213.206

189.636

163.414

149.741

149.735

149.625

waarvan onder andere:

             

Centraal Administratie Kantoor

 

95.576

92.950

80.628

68.008

68.006

67.899

Nederlandse Zorgautoriteit

 

48.272

43.231

29.262

29.212

29.212

29.212

College voor zorgverzekeringen

 

65.265

48.436

48.636

47.636

47.636

47.636

College Bouw Zorginstellingen

 

1.204

1.400

1.350

1.350

1.350

1.350

College Sanering Zorginstellingen

 

2.523

2.615

2.615

2.615

2.615

2.615

               

Opdrachten

 

3.341

3.400

3.418

1.046

1.046

1.046

waarvan onder andere:

             

TNO centrum Zorg en Bouw

 

2.370

2.370

2.370

0

0

0

Uitvoering Wtcg

 

789

907

927

927

927

927

               

5. Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

 

89.203

88.902

95.779

98.699

101.678

104.705

               

Bekostiging

 

89.203

88.902

95.779

98.699

101.678

104.705

Zorg en welzijn

 

84.524

84.192

91.036

93.956

96.935

99.963

Jeugdzorg

 

4.679

4.710

4.743

4.743

4.743

4.742

               

Ontvangsten

33.922

156.858

4.858

4.858

4.858

4.858

4.858

Bovenstaande informatie is bedoeld voor Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Van het beschikbare budget 2014 ad € 316,7 miljoen is 97,6% juridisch verplicht. Het betreft de subsidies aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties, subsidies opleidingen, beroepen en arbeidsmarktbeleid en een subsidie aan Nivel. Het niet juridisch verplichte deel is voornamelijk bestemd voor de aanpassing van de opleidignscurricula, opdat de met de veldpartijen afgesproken besparing als gevolg van het verkorten van de opeldingsduur gerealiseerd kan worden.

Bekostiging

Van het beschikbare budget 2014 ad € 88,9 miljoen is 97,8% juridisch verplicht. Het betreft de bekostiging van de zorg, welzijn en jeugdzorg van Caribisch Nederland.

Opdrachten

Van het beschikbare budget 2014 ad € 8,1 miljoen is 81,9% juridisch verplicht. Het betreft onder andere een opdracht aan PGO-support en een overeenkomst met TNO Centrum Zorg en Bouw.

Bijdragen aan agentschappen

Op basis van het offertetraject is het budget voor 2014 ad € 11,7 miljoen 97,2% juridisch verplicht. Het betreft de financiering van de opdrachtverlening voor 2014 aan het CIBG en RIVM.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Van het beschikbare budget 2014 ad € 272,2 is 96,8% juridisch verplicht. Het betreft de bijdragen aan het CVZ, NZa, CAK, CBZ, CSZ en ZonMw.

5. Instrumenten

Positie cliënt

Subsidies aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties

Er worden subsidies verstrekt aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties, zodat kennis en ervaringen van cliënten zelf optimaal benut worden voor goede zorg en ondersteuning (beschikbare budget circa € 22,7 miljoen in 2014). Doel is het op collectief niveau inbrengen van cliëntenervaringen en het cliëntperspectief voor beter beleid, zorg en ondersteuning. Daarnaast kunnen patiënten en gehandicapten hun ervaringsdeskundigheid uitwisselen, zodat zij hun eigen leven met ziekte of beperking zo goed mogelijk kunnen inrichten en de zorg ontvangen die het beste bij hun behoeften past.

Opdrachten voor ondersteuning cliëntenorganisaties

Met PGO-support, een onafhankelijke netwerkorganisatie die versterking en ondersteuning biedt aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties, is een overeenkomst gesloten voor de ondersteuning van de cliëntenorganisaties bij het opstellen van subsidieaanvragen en het inbrengen van het cliëntenperspectief (€ 2,4 miljoen in 2014).

Bijdrage aan agentschap CIBG voor de uitvoering van de subsidieregeling pg-organisaties

De werkzaamheden rond de uitvoering van de subsidieregeling patiënten- en gehandicaptenorganisaties (pg-organisaties) worden vanaf medio 2013 uitgevoerd door het kerndepartement. De administratieve verwerking hiervan zal echter pas in de 1e suppletoire begroting 2014 worden geëffectueerd. De bijdrage hiervoor aan het CIBG komt dan te vervallen (€ 1,3 miljoen).

Opleidingen, Beroepenstructuur en Arbeidsmarkt

Subsidies Kwaliteitsimpuls Algemene en Categorale Ziekenhuizen

Om algemene en categorale ziekenhuizen te stimuleren zoveel mogelijk de huidige medewerkers de mogelijkheid te bieden om op een hoger professioneel niveau te gaan functioneren, kunnen zij vanaf 2014 hiervoor subsidie aanvragen. In 2014 is daar € 48,0 miljoen voor beschikbaar, oplopend tot € 151,0 miljoen in 2018.

Subsidies stageplaatsen zorg/stagefonds

Om de instroom van voldoende gekwalificeerd personeel te waarborgen is de zorg voor opleidingen van belang. Het Stagefonds is één van de instrumenten die VWS inzet om de kwaliteit en toegankelijkheid van zorgopleidingen te verbeteren. In 2014 en verder wordt het Stagefonds voortgezet met een budget van € 110,0 miljoen (TK 29 282, nr. 128).

Subsidies Publieke Gezondheidszorgopleidingen

Per 1 oktober 2012 is de subsidieregeling opleidingen Publieke Gezondheidszorg 2013–2017 in werking getreden. Op grond van deze regeling kan een instellingssubsidie worden verstrekt aan opleidingsinrichtingen, die een opleiding tot arts maatschappij en gezondheid verzorgen voor de profielen infectieziektebestrijding, Jeugdgezondheidszorg, medische milieukunde of tuberculosebestrijding. In 2014 is hiervoor € 18,3 miljoen beschikbaar.

Subsidies Aanpassing opleidingscurricula

Het betreft middelen die bedoeld zijn om de kosten voor het realiseren van een kortere opleidingsduur (en daarmee lagere uitgaven) beoogde aanpassingen van de opleidingscurricula te kunnen financieren (€ 5,0 miljoen in 2014).

Subsidies vaccinatie stageplaatsen zorg

De subsidieregeling vaccinatie stageplaatsen zorg (circa € 3,9 miljoen in 2014) draagt eraan bij dat stagiairs voorafgaand aan hun stage gevaccineerd zijn tegen Hepatitis B. Dit voorkomt studie-uitval of -vertraging.

Subsidies opleiding tot verpleegkundig specialist/physician assistant

Om te kunnen voldoen aan de toenemende vraag naar zorg moeten we alle zorgverleners inzetten daar waar ze het beste tot hun recht komen. Nieuwe beroepsbeoefenaren – verpleegkundig specialisten en physician assistants – zijn speciaal opgeleid om eenvoudige en routinematige taken van de huisarts of de specialist over te nemen. Er komen meer opleidingsplaatsen voor nieuwe beroepen. De bijdrage 2014 bedraagt € 21,0 miljoen.

Subsidies Opleiding ziekenhuisarts

De ziekenhuisartsen zijn meer generalistisch opgeleide artsen (met een profielregistratie) die in de intramurale basiszorg de minder complexe taken van de medisch specialist kunnen overnemen. De nieuwe medische functie van «ziekenhuisarts» wordt via een subsidie aan de Stichting Opleiding Ziekenhuis Geneeskunde in een viertal pilots geïmplementeerd. De bijdrage 2014 bedraagt € 5,8 miljoen.

Subsidie Capaciteitsorgaan

Voor het opstellen van ramingen voor de opleidingscapaciteit van onder andere de medische en tandheelkundige vervolgopleidingen, evenals de ramingen naar ggz-opleidingen, ontvangt het Capaciteitsorgaan jaarlijks een subsidie (in 2014 circa € 1,6 miljoen).

Subsidie regionaal arbeidsmarktbeleid

Het arbeidsmarktbeleid in de zorg dient op het lokale en regionale niveau gestalte te krijgen. Het is van belang dat zorginstellingen hierin gezamenlijk optrekken om daarmee de arbeidsmarktpositie van de zorg in de regio te versterken. Via Regioplus, de koepel van regionale werkverbanden in zorg en welzijn, wordt in 2014 een subsidie van € 7,5 miljoen beschikbaar gesteld. Met deze subsidie wordt in elke regio gewerkt aan een vijftal programmalijnen, te weten strategisch arbeidsmarktbeleid, werven met beleid, duurzame inzetbaarheid, kwalificeren voor zorg en welzijn en @nders werken.

Subsidie Veilig werken in de zorg

Om instellingen te stimuleren meer en beter beleid te voeren tegen de verschillende vormen van agressie worden tot en met 2015 via een subsidies middelen beschikbaar gesteld aan het Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel, Ambulancezorg Nederland en de Stichting Sociaal Fonds voor de Huisartsenzorg (in 2013 circa € 2,6 miljoen, in 2014 en 2015 € 3,2 miljoen).

Bijdragen aan agentschap CIBG voor BIG-register en Sectorale Berichten Voorziening in de Zorg

Buitenlands gediplomeerden die in de Nederlandse gezondheidszorg willen werken, moeten – voor zover zij niet vallen onder de automatische erkenning van diploma’s op grond van de Europese regelgeving – een aanvraag indienen voor een verklaring van vakbekwaamheid of voor een erkenning van de opleidingstitel(s) of de beroepskwalificatie.

Voor de beoordeling hiervan ontvangt het CIBG een bijdrage van VWS van € 2,4 miljoen.

Met de Sectorale Berichten Voorziening in de Zorg (SBV-Z) van het CIBG wordt het gebruik van het burgerservicenummer (BSN) in de zorg gefaciliteerd. Het CIBG ontvangt hiervoor een bijdrage van VWS. De bijdrage 2014 voor deze werkzaamheden bedraagt € 2,9 miljoen.

Bijdrage aan ZBO/RWT College voor zorgverzekeringen voor de sectie Zorgberoepen en Opleidingen

De sectie Zorgberoepen en Opleidingen van het CVZ houdt zich bezig met het toekomstgericht en sectoroverstijgend rapporteren en signaleren van de gewenste ontwikkelingen van beroepen en opleidingen in de zorg. Hierbij gaat de sectie uit van maatschappelijke en technologische ontwikkelingen over de zorgverlening en de vraag naar zorg. Nieuwe beroepen en bestaande beroepen met andere taken en daarmee taakherschikking zijn hiermee eveneens onderwerp van de sectie. De bijdrage 2014 bedraagt € 0,7 miljoen.

Onderstaande tabel bevat kengetallen over de arbeidsmarkt zorg en welzijn. De werkgelegenheid in 2012 is voor het eerst in jaren gedaald in de sectoren zorg en welzijn. Dit komt volledig voor rekening van de welzijnssector. In de zorgsector is de werkgelegenheid in 2012 met 1,4% gestegen. De arbeidsmarktgegevens laten verder zien dat de zorg haar positie bestendigt. Mede door de huidige economische conjunctuur zijn er op dit moment beperkte knelpunten voor specifieke beroepen.

Kengetallen arbeidsmarkt
 

Gemiddeld 2003–2007

2008

2009

2010

2011

2012

1. Werkgelegenheidsontwikkeling zorg en welzijn

2,7%

3,6%

3,8%

3,6%

1,1%

– 0,2%

2. Vacaturegraad in zorg en welzijn

16

23

16

13

13

11

3. Aantal leerlingen in zorg en welzijn opleidingen (mbo en hbo)

240.000

251.000

260.000

268.000

271.000

278.000

4. Netto verloop verpleegkundig, verzorgend en agogisch personeel

5,7%

6,4%

3,9%

5,2%

5,2%

5. Ziekteverzuim (1e ziektejaar)

5,50%

5,00%

4,90%

4,80%

4,80%

4,6%

Bronnen: CBS Statline, www.azwinfo.nl, Panteia, Vernet.

1. Groei werkgelegenheid (in fte) 4e kwartaal ten opzichte van 4e kwartaal voorgaande jaar.

2. Betreft het aantal vacatures per 1.000 banen ultimo 3e kwartaal van elk jaar.

3. Het gemiddelde betreft 2005–2007 in plaats van 2003–2007.

4. Netto verloop betreft uitstroom uit de gehele sector zorg en welzijn. De cijfers over het netto verloop voor 2012 en verder zijn vooralsnog niet beschikbaar. De definitie van het netto verloop is (met terugwerkende kracht) enigszins gewijzigd ten opzichte van voorgaande jaren. Daardoor zijn de percentages gestegen. Het gemiddelde over 2003–2007 heeft alleen betrekking op de jaren 2006 en 2007.

5. Het ziekteverzuim heeft alleen betrekking op de sector zorg (en niet op welzijn).

Kwaliteit, transparantie en kennisontwikkeling

Subsidie voor onderzoek van de gezondheidszorg

Voor onderzoek naar de effectiviteit en de kwaliteit van de gezondheidszorg in Nederland en de (relatie tussen) de verschillende partijen in de zorg wordt subsidie verleend (€ 5,0 miljoen in 2014) aan het Nederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (Nivel). Het Nivel ontwikkelt en beheert hiertoe databases, panels en monitors.

Bijdrage aan agentschap CIBG voor het Jaardocument Maatschappelijke verantwoording

Via het Jaardocument Maatschappelijke Verantwoording verantwoorden zorgaanbieders zich jaarlijks over de geleverde (financiële) prestaties. Zij zijn verplicht om een aantal gegevens aan te leveren aan de hiervoor bedoelde database. Alle partijen die een rol spelen binnen het zorgstelsel hebben toegang tot deze uniforme, digitale informatie via www.jaarverslagenzorg.nl. Het CIBG ontvangt hiervoor een bijdrage van VWS (beschikbare budget circa € 0,8 miljoen in 2014).

Bijdrage aan agentschap RIVM voor de Zorgbalans

De prestaties van het zorgstelsel worden gemonitord met de Zorgbalans (zie www.gezondheidszorgbalans.nl). De Zorgbalans schetst aan de hand van indicatoren een beeld van de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van de Nederlandse gezondheidszorg. Het RIVM ontvangt hiervoor een bijdrage van VWS (beschikbare budget circa € 0,7 miljoen in 2014).

Bijdrage aan ZBO/RWT ZonMw voor uitvoering programma’s

ZonMw is een intermediaire organisatie die op programmatische wijze projecten en onderzoek op het gebied van gezondheid, preventie en zorg laat uitvoeren. ZonMw bewaakt daarbij de kwaliteit, relevantie en samenhang. In onderstaande tabel zijn de activiteiten uitgesplitst naar de verschillende beleidsterreinen waarop de programma’s bij ZonMw betrekking hebben.

Op de overige artikelen staan ook begrotingsposten op het gebied van Kennisontwikkeling en innovatie, bijvoorbeeld RIVM (artikel 1), Nivel (artikel 2), Vilans (artikel 3) en Movisie (artikel 3).

Overzichtstabel geraamde programma-uitgaven ZonMw 2014–2018 (Bedragen x € 1.000)
 

2014

2015

2016

2017

2018

Totaal ZonMW

81.947

74.529

70.660

70.093

69.940

Artikel 1 Volksgezondheid: onder andere preventieprogramma en infectieziektebestrijding

26.653

26.630

26.660

26.217

25.127

Artikel 2 Curatieve zorg: onder andere doelmatigheidsprogramma en «Goed Gebruik Geneesmiddelen»

37.137

33.356

31.997

32.313

33.378

Artikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning: onder andere «Ambient Assisted Living» en Deltaplan Dementie

4.563

4.421

4.525

4.362

4.382

Artikel 5 Jeugd: onder andere «Effectief Werken in de Jeugdsector» en richtlijnen Jeugdgezondheidszorg

8.109

6.342

6.373

6.146

6.145

Artikel 6 Sport en bewegen: onder andere onderzoeksprogramma Sport

5.485

3.780

1.105

1.055

908

Inrichten uitvoeringsactiviteiten

Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s NZa, CVZ, CBZ, CSZ en CAK voor de beheerskosten

Het betreft bijdragen in de beheerkosten van de volgende zelfstandige bestuursorganen:

  • –  Het Centraal Administratie Kantoor (CAK) heeft vijf wettelijke taken, te weten: de centrale betaling aan 3.500 AWBZ-instellingen (namens de zorgverzekeraars), het innen van de eigen bijdrage voor Zorg met Verblijf (intramurale zorg) en de Zorg zonder Verblijf (extramurale zorg), het vaststellen, opleggen en innen van de eigen bijdrage Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), het uitkeren van de compensatie van het eigen risico zorgverzekeringswet en het uitvoeren van de maatregelen rond de eigen bijdrage regelingen in de wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten. Het beschikbare budget in 2014 bedraagt circa € 93,0 miljoen;
  • –  De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is belast met het markttoezicht specifiek voor de zorgsector en moet het algemeen consumentenbelang voorop stellen bij de uitoefening van haar taken. Die taken zijn concurrentie in de zorg op gang brengen en bewaken, tarieven in de zorg reguleren en toezien op de goede uitvoering van de Zvw en de AWBZ. De middelen op de begroting van VWS voor de (door)ontwikkeling en het beheer van de dbc systematiek zijn, in afwachting van de uitkomsten van een heroverweging naar de verantwoordelijkheids- en taakverdeling tussen publieke en private partijen bij de dbc systematiek, in 2014 beschikbaar gesteld aan de NZa. Het beschikbare budget in 2014 bedraagt circa € 43,2 miljoen;
  • –  Het College voor zorgverzekeringen (CVZ) heeft tot taak het uitvoeren van het pakketbeheer Zvw en AWBZ, fondsbeheer van het Zorgverzekeringsfonds en het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, het uitvoeren van de financiering van verzekeraars uit de fondsen (in het bijzonder de risicoverevening) en de beoordeling van de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de AWBZ, het uitvoeren regelingen bijzondere groepen (verdragsgerechtigden, wanbetalers, onverzekerden, illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen, gemoedsbezwaarden). Met ingang van 1 januari 2014 maakt het Kwaliteitsinstituut onderdeel uit van het CVZ. Het beschikbare budget in 2014 bedraagt circa € 48,4 miljoen;
  • –  De bouwregimes voor de curatieve- en de langdurige zorg zijn per 1 januari 2008 respectievelijk 1 januari 2009 afgeschaft. Daarmee zijn de wettelijke taken van het College Bouw Zorginstellingen (CBZ) komen te vervallen. Het CBZ zal als liquidatieorganisatie vooralsnog blijven bestaan. Het beschikbare budget in 2014 bedraagt circa € 1,4 miljoen.
  • –  Het College Sanering Zorginstellingen (CSZ) voert onder andere de meldings- en goedkeuringsregeling voor de vervreemding van onroerende zaken uit. Het beschikbare budget in 2014 bedraagt circa € 2,6 miljoen;

Opdracht TNO Centrum Zorg en Bouw

Om de opgebouwde kennis beschikbaar te blijven houden, primair voor zorgaanbieders (zeker in het kader van de volledige verantwoordelijkheid van zorgaanbieders voor de bouw en de financiering daarvan) en secundair voor de IGZ en de NZa, is er met TNO Centrum Zorg en Bouw een overeenkomst gesloten. Het beschikbare budget in 2014 bedraagt circa € 2,4 miljoen.

Zorg, welzijn en jeugdzorg op Caribisch Nederland

Bekostiging zorg en welzijn

Per 1 januari 2011 is er één zorgverzekering voor iedereen in Caribisch Nederland. Dat wil zeggen dat iedereen die legaal op Bonaire, Sint Eustatius en Saba woont en/of werkt, ongeacht ziektebeeld en leeftijd is verzekerd voor ziektekosten en zorgkosten die in het Europese deel van Nederland uit de Zvw, inclusief een deel van de aanvullende verzekeringen, en AWBZ worden vergoed.

De totale geraamde kosten die naar verwachting in 2014 gemoeid gaan met de zorg en welzijn op Caribisch Nederland betreffen circa € 84,2 miljoen. In 2011 is door de inwoners van Caribisch Nederland via belastingen en werkgeverspremies circa € 30 miljoen 5 bijgedragen aan de zorguitgaven.

Bekostiging jeugdzorg

In 2014 is voor de jeugdzorg op Caribisch Nederland circa € 4,7 miljoen beschikbaar. Op alle drie de eilanden is een Centrum voor Jeugd en Gezin.

Kengetallen (jeugd)zorg Caribisch Nederland
 

2011

2012

1. Aantal medische uitzendingen

11.271

7.539

2. Aantal verzekerden

21.843

23.430

3. Kosten per capita zorg

2.610

3.700

4. Aantal cliënten in de jeugdzorg inclusief cliënten Centra voor Jeugd en Gezin

304

Bron:

1. Zorgverzekeringskantoor Caribisch Nederland

2. Aantal verzekerden 2012 betreft het aantal inwoners (voorlopig cijfer)

3. Totaal uitgaven gedeeld door het aantal inwoners

4. Opgave directeur Jeugdzorg Caribisch Nederland

Artikel 5 Jeugd

1. Algemene beleidsdoelstelling

Kinderen in Nederland groeien gezond en veilig op, ontwikkelen hun talenten en doen mee aan de samenleving.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

Ouders/verzorgers zijn primair verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van hun kinderen. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor het kader waarbinnen kinderen in Nederland gezond en veilig opgroeien, zich ontwikkelen en participeren. Kinderen die in hun ontwikkeling worden bedreigd, moeten zorg krijgen en indien nodig in bescherming worden genomen.

De Minister is verantwoordelijk voor het wettelijk kader rond zorg voor jeugd waarbinnen gemeenten, provincies, grootstedelijke regio’s, lokale en landelijke organisaties, Bureaus Jeugdzorg, zorgverzekeraars en zorgaanbieders hun verantwoordelijkheden realiseren. Gemeenten zijn op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet publieke gezondheid (Wpg) verantwoordelijk voor het preventief jeugdbeleid en het basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg. Provincies zijn op grond van de Wet op de jeugdzorg verantwoordelijk voor de geïndiceerde jeugdzorg. Deze vorm van zorg doet zich voor wanneer sprake is van ernstige opgroei- en opvoedproblemen bij jongeren. Op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) respectievelijk de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) vindt financiering plaats van jeugd- geestelijke gezondheidszorg (Jeugd-ggz) respectievelijk de zorg voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking (jeugd-lvb).

Daarnaast heeft de Minister een bijzondere verantwoordelijkheid voor de JeugdzorgPlus. De Minister is rechtstreeks verantwoordelijk voor de JeugdzorgPlus, zowel financieel als inhoudelijk. JeugdzorgPlus is een intensieve vorm van jeugdzorg voor jongeren met ernstige gedragsproblemen die zich aan de noodzakelijke behandeling dreigen te onttrekken. Het betreft hulp met dwang en drang voor jongeren voor wie een machtiging gesloten jeugdzorg is afgegeven door een kinderrechter.

Voorts hecht de Minister een belang aan het in stand houden van een landelijke kennisinfrastructuur vanwege de systeemverantwoordelijkheid van het Rijk. Het gaat om het monitoren van en kennis voor beleidsontwikkeling, -implementatie en zorgvernieuwing rond het stelsel van jeugdvoorzieningen.

Ten aanzien van de verschillende onderdelen op het terrein van de zorg voor jeugd heeft de Minister van VWS uiteenlopende rollen van stimuleren, financieren, regisseren tot (doen) uitvoeren (zie tabel). De rol en invulling daarvan verschilt per terrein en hangt af van de taken en bevoegdheden van andere actoren die ieder vanuit hun eigen rol bijdragen aan de doelstellingen op het terrein van de jeugdzorg.

De Inspectie Jeugdzorg (IJZ) is verantwoordelijk voor het uitvoeren van onafhankelijk toezicht op de jeugdzorg. De uitgaven voor de IJZ staan verantwoord op artikel 10 Apparaatsuitgaven.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

Laagdrempelige ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien

Stimuleren van laagdrempelige opvoedondersteuning aan jongeren en ouders met opgroei- en opvoedvragen.

Het stimuleren van gemeenten om perspectief te bieden aan kwetsbare jongeren door verbetering van de samenhang in beleid en uitvoering tussen zorg, school en werk.

 

Samen met de Minister van VenJ bevorderen van een effectieve aanpak van kindermishandeling, onder andere door middel van het opstellen en regisseren van het Actieplan aanpak kindermishandeling «Kinderen Veilig» 2012–2016».

 

Noodzakelijke en passende zorg

Een landelijke kennisinfrastructuur in stand houden en hierbij het veld de ruimte geven om de eigen aanpak verder te ontwikkelen.

Stimuleren dat de kwaliteit en veiligheid in de jeugdzorg geborgd worden door verdere professionalisering en het stellen van kwaliteitseisen.

Het (mede-)financieren van een toegankelijk, passend en samenhangend zorgaanbod voor kinderen met een jeugdzorgindicatie. De provincies en grootstedelijke regio’s ontvangen een doeluitkering voor de uitvoering van de Wet op de Jeugdzorg. Hiermee zijn zij in staat een Bureau Jeugdzorg in stand te houden en zorgaanbod in te kopen voor kinderen en jongeren met een indicatie jeugdzorg.

Het financieren van benodigde JeugdzorgPlus capaciteit. Twaalf particuliere instellingen ontvangen subsidie voor het bieden van zorgaanbod in het gesloten kader.

 

Verantwoordelijk voor twee Rijksinstellingen die JeugdzorgPlus capaciteit aanbieden. De twee Rijksinstellingen (Almata en Lindenhorst) fuseren in 2013 en worden hierna geprivatiseerd.

3. Prioriteiten 2014 en beleidswijzigingen

De prioriteiten voor 2014 en de beleidswijzigingen zijn:

Stelselwijziging

  • –  De nieuwe Jeugdwet is 1 juli 2013 voor behandeling bij de Tweede Kamer ingediend. Na aanvaarding door het parlement zal de wet op 1 januari 2015 in werking treden. Door de decentralisatie van alle jeugdhulp, dus inclusief de uitvoering van de jeugdbescherming en jeugdreclassering naar gemeenten en de ontschotting van budgetten worden de prikkels vergroot voor meer preventie, meer inzet van eigen kracht en sociaal netwerk en integrale hulp aan gezinnen (één gezin, één plan, één regisseur).
  • –  In 2014 staan de voorbereidingen van gemeenten en het veld op de invoering van het nieuwe jeugdstelsel centraal. De voorbereiding vindt plaats aan de hand van de stappen in het Transitieplan Jeugd dat april 2013 naar de Tweede Kamer (TK 31 839, nr. 290) is gezonden. Om de continuïteit van zorg voor bestaande gevallen te borgen worden in 2014 de zogenoemde regionale transitiearrangementen uitgevoerd. Gemeenten en het veld worden bij de voorbereidingen op de stelselwijziging ondersteund door het Transitiebureau Jeugd (VNG, Rijk).

Demedicaliseren, ontzorgen, normaliseren

  • –  Demedicaliseren, ontzorgen en normaliseren is een hoofddoel van de stelselwijziging. In 2014 wordt uitvoering gegeven aan de Transformatieagenda Jeugd, een operationeel kader van VNG, Rijk en het veld om de beoogde transformatie van de jeugdhulp te faciliteren. Verspreiding van zorgvernieuwingen vindt plaats via een etalage van goede voorbeelden op www.voordejeugd.nl
  • –  Naar aanleiding van een rondetafelconferentie in april 2013 hebben de beroepsgroepen van artsen jeugdgezondheidszorg, kinderartsen, huisartsen en psychiaters zich uitgesproken voor gezamenlijke acties om medicaliseren tegen te gaan. Het gaat om aanscherping van bestaande richtlijn ADHD, verspreiden van best practices (zoals de praktijkondersteuner ggz), het organiseren van de maatschappelijke discussie over het aanzuigend effect van een label en betere samenwerking met scholen. Deze zogenoemde demedicaliseringsagenda jeugd wordt in 2014 verder uitgewerkt.
  • –  De Ministeries van SZW, OCW en VWS continueren in 2014 samen met het veld de domeinoverstijgende aanpak om participatie op het gebied van zorg, school en werk te bevorderen en medicalisering waar mogelijk te voorkomen.

Aanpak Kindermishandeling en seksueel misbruik

  • –  Doel van de aanpak is voorkomen dat een kind mishandeld wordt, signaleren van kindermishandeling en seksueel misbruik, stoppen van de mishandeling en beperken van de schadelijke gevolgen van de mishandeling.
  • –  In 2014 worden gemeenten ondersteund op de aanpak kindermishandeling en vindt verdere uitvoering plaats van de acties uit het actieplan Kinderen Veilig, zoals de publiekscampagne en het ontwikkelen van een richtlijn voor de jeugdzorg. De Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik monitort halfjaarlijks de voortgang en jaagt de acties aan. Eind 2014 is een mid term review voorzien van het actieplan Kinderen Veilig.
  • –  In 2014 wordt verdere uitvoering gegeven aan de aanbevelingen van de commissie-Samson met betrekking tot seksueel misbruik in de jeugdzorg. Dit betreft hulp aan slachtoffers en verdere professionalisering van de jeugdzorgsector. De instellingen die werkzaam zijn in de jeugdzorg en de jeugdbescherming hebben samen met Jeugdzorg Nederland het Kwaliteitskader voorkomen seksueel misbruik in de jeugdzorg ontwikkeld. De inspectie jeugdzorg zal toezicht houden op de naleving in de praktijk.

Professionalisering jeugdzorg

  • –  Naar verwachting treedt 1 januari 2014 de wijziging van de Wet op de jeugdzorg in werking om professionalisering van de provinciale jeugdzorg te ondersteunen.
  • –  Jeugdzorginstellingen worden verplicht om met geregistreerde jeugdzorgwerkers en gedragswetenschappers te werken. Doorlopende bij- en nascholing is een voorwaarde voor jeugdzorgprofessionals om geregistreerd te blijven. Ook verbinden zij zich aan beroepsethische normen. Als sluitstuk van de jeugdzorgprofessionalisering komt er tuchtrecht.
  • –  De norm van de verantwoorde werktoedeling en daarmee de verplichting om geregistreerde jeugdprofessionals in te zetten, is de afgelopen jaren ontwikkeld met in de context partijen in de provinciale jeugdzorg. In de Jeugdwet zal deze een bredere werking hebben. Een onderzoek (zomer 2013) zal zicht geven op de noodzaak en (financiële) consequenties van het van toepassing laten zijn van deze norm voor kwaliteitsborging op de (deels) andere beroepsgroepen en andere sectoren met hun eigen professionaliseringstrajecten. Op basis van dit onderzoek zal ook worden bezien of de uitkomst van dit onderzoek consequenties heeft voor de toepassing van de norm in het nieuwe jeugdstelsel.

4. Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

1.550.615

1.506.768

1.404.726

1.491.493

1.395.914

1.361.934

1.361.316

               

Uitgaven

1.503.200

1.500.445

1.551.126

1.491.493

1.395.914

1.361.934

1.361.316

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99%

       
               

1. Laagdrempelige ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien

 

45.624

38.197

41.585

41.349

41.347

40.809

               

Subsidies

 

36.428

31.772

30.953

30.206

30.204

30.203

Koepels van internaten voor schippers- en kermisjeugd

 

22.034

21.613

21.616

21.615

21.614

21.613

Preventief en ontwikkelingsgericht jeugdbeleid

 

6.887

6.836

6.806

6.806

6.805

6.805

Stelselherziening

 

3.309

162

16

0

0

0

Zorg voor jeugd

 

4.198

3.161

2.515

1.785

1.785

1.785

               

Opdrachten

 

6.910

4.609

5.004

5.520

5.520

5.520

Preventief en ontwikkelingsgericht jeugdbeleid

 

1.467

1.719

1.719

1.719

1.719

1.719

Stelselherziening

 

5.000

2.447

2.842

3.358

3.358

3.358

Aanpak kindermishandeling

 

443

443

443

443

443

443

               

Bijdrage aan agentschap

 

769

749

734

729

729

729

Verwijsindex

 

769

749

734

729

729

729

               

Bijdrage aan medeoverheden

 

201

201

4.028

4.028

4.028

3.491

               

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

 

1.316

866

866

866

866

866

VenJ: Aanpak kindermishandeling

 

665

665

665

665

665

665

Kijkwijzer

 

201

201

201

201

201

201

Stelselherziening

 

450

0

0

0

0

0

               

2. Noodzakelijke en passende zorg

 

1.454.821

1.512.929

1.449.908

1.354.565

1.320.587

1.320.507

               

Subsidies

 

210.570

208.624

210.389

202.776

202.936

202.924

JeugdzorgPlus

 

208.075

205.166

207.657

200.804

200.964

200.952

Jeugdzorg

 

2.495

3.458

2.732

1.972

1.972

1.972

               

Opdrachten

 

1.477

1.048

1.532

2.292

2.292

2.292

waarvan onder andere:

             

JeugdzorgPlus

 

335

250

0

0

0

0

Jeugdzorg

 

1.142

798

1.532

2.292

2.292

2.292

               

Bijdrage aan medeoverheden

 

1.237.062

1.297.465

1.231.944

1.143.454

1.109.316

1.109.249

Doeluitkering Jeugdzorg provincies en grootstedelijke regio's

 

1.237.062

1.297.465

1.231.944

1.143.454

1.109.316

1.109.249

               

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

 

5.712

5.792

6.043

6.043

6.043

6.042

JeugdzorgPlus

 

5.712

5.792

6.043

6.043

6.043

6.042

               

Ontvangsten

24.143

20.628

4.508

4.508

4.508

4.508

4.508

Laagdrempelige ondersteuning opvoeden en opgroeien

 

9.343

4.423

4.423

4.423

4.423

4.423

Noodzakelijke en passende zorg

 

11.285

85

85

85

85

85

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Dit betreft zowel instellingsubsidies die jaarlijks worden verleend als projectsubsidies. Projectsubsidies kunnen meerjarig zijn. Van het beschikbare budget 2014 ad € 240,4 miljoen is circa 98% juridisch verplicht. Het betreft de instellingsubsidies JeugdzorgPlus, Schippersinternaten, Nederlands Jeugdinstituut, Nationale Jeugdraad, Stichting Adoptievoorziening, LOC, Nederlandse vereniging pleeggezinnen, Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, Opvoeden.NL, Kinderrechtencollectief en subsidies op het terrein van de commissie-Samson.

Opdrachten

Van het beschikbare budget 2014 ad € 5,7 miljoen is circa 8% juridisch verplicht. Het betreft kaseffecten van opdrachten uit 2013. De niet juridisch verplichte middelen zijn gereserveerd voor opdrachten met name op het gebied van stelselwijziging jeugdzorg.

Bijdragen aan agentschappen

Van het beschikbare budget 2014 ad € 0,7 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft een bijdrage aan het CIBG voor de uitvoeringskosten en het beheer van de Verwijsindex risicojongeren, zoals vastgelegd in de tarievennotitie.

Bijdragen aan medeoverheden

Van het beschikbare budget 2014 ad € 1,297 miljard is 100% juridisch verplicht. Het betreft hoofdzakelijk de doeluitkering jeugdzorg aan provincies en grootstedelijke regio’s (op basis van uitvoeringsprogramma’s en landelijk beleidskader), compensatie besparingsverlies AKW/WKB aan het Ministerie van SZW en uitgaven voor uitvoeringskosten jeugdzorg in het kader van de stelselherziening.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Van het beschikbare budget 2014 ad € 6,7 miljoen is circa 95% juridisch verplicht. Het betreft bijdragen voor de vervoerkosten JeugdzorgPlus (convenant), onderwijskosten JeugdzorgPlus (afspraken met OCW), actieplan Aanpak kindermishandeling en Kijkwijzer.

5. Instrumenten

Laagdrempelige ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien

Subsidie aan koepels van internaten voor schippers- en kermisjeugd

Voor het regelen van opvang en verzorging van minderjarige kinderen van binnenschippers, kermisexploitanten en circusartiesten ontvangen internaten subsidie (circa € 21,6 miljoen).

Subsidies, opdrachten en bijdragen voor preventief en ontwikkelingsgericht jeugdbeleid

Er zijn middelen beschikbaar voor het stimuleren van diverse ontwikkelingen op het jeugdterrein zoals demedicaliseren, jongerenparticipatie, ouderbetrokkenheid, kinderrechten en mentale gezondheidsbevordering. Daarnaast zijn er middelen voor kennis en monitoring, visieontwikkeling en instrumentontwikkeling (circa € 8,6 miljoen).

Voorbeelden zijn:

  • – 

    Kennisontwikkeling

    Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) is het landelijk kennisinstituut voor jeugd- en opvoedingsvraagstukken en heeft tot doel deze kennis te verzamelen, verrijken, valideren en verspreiden. Het NJi voert hiertoe onderzoeksprojecten uit, ontwikkelt kennis, methoden, instrumenten en richtlijnen voor professionals, ondersteunt de implementatie van kennis en voert opleidingsactiviteiten uit.

  • – 

    Participatie

    Jongerenparticipatie en talentontwikkeling zijn de kerntaken van NJR (de landelijke vereniging van jongerenorganisaties). Bij NJR werken jongeren aan (media)campagnes en projecten voor hun leeftijdgenoten. NJR geeft jongeren de kans om te laten zien wie ze zijn en wat ze kunnen. Ook adviseert NJR overheden en andere organisaties over jeugdbeleid.

  • – 

    Kinderrechten

    Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind vormt de basis van het jeugdbeleid. Op grond van artikel 42 van het Verdrag worden activiteiten gesubsidieerd die de rechten van kinderen algemeen bekend maken.

  • – 

    Jeugdmonitor

    De jeugdmonitor laat de situatie van de jeugd zien aan de hand van indicatoren die het brede jeugdveld bestrijken, te weten de domeinen jongeren en gezin, gezondheid en welzijn, onderwijs, arbeid, veiligheid en justitie. De gegevens zijn opgeslagen in een jeugddatabase en in een database voor gemeenten (de lokale jeugdspiegel). Daarnaast verschijnt jaarlijks een publicatie waarin de situatie van de jeugd wordt beschreven, afwisselend voor het landelijk en regionaal niveau.

Subsidies, opdrachten en bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken Aanpak Kindermishandeling en voorzieningen met betrekking tot zorg voor jeugd

De bijdrage 2014 Aanpak Kindermishandeling en voorzieningen met betrekking tot zorg voor jeugd bedraagt circa € 4,3 miljoen. De aanpak van kindermishandeling is een belangrijk onderdeel van de brede aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties. Basis voor de aanpak is het actieplan Kinderen Veilig 2012–2016, dat samen met het Ministerie van Veiligheid en Justitie wordt uitgevoerd. Een sluitende aanpak van preventie, signalering en stoppen tot het beperken van de schade van kindermishandeling is hierin de leidraad. De aanbevelingen van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen over de aanpak van kinderpornografie zijn opgenomen in het actieplan. De Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik monitort de uitvoering van het actieplan evenals de acties als gevolg van de aanbevelingen van de commissie-Samson en jaagt betrokken veldpartijen aan. Daarnaast wordt een deel van de middelen in 2014 ingezet voor het opstellen van de richtlijn kindermishandeling voor de jeugdzorg. De subsidie voor de Forensische Polikliniek Kindermishandeling en de implementatie van de wettelijk verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling worden gefinancierd uit artikel 3.

Tevens zijn in het kader van zorg voor jeugd middelen beschikbaar op het gebied van adoptievoorziening en opvoedvraagstukken.

Kengetal: Aantal gerapporteerde mishandelde kinderen en jeugdigen in Nederland

Bron: Universiteit Leiden en TNO. De Tweede Nationale Prevalentiestudie Kindermishandeling in Nederland anno 2010, in opdracht van het Ministerie van VWS. In deze studie is onderzocht hoeveel kinderen tot 18 jaar in 2010 zijn mishandeld en om welke vorm van mishandeling het hierbij ging. In 2010 werden in heel Nederland naar schatting bijna 119.000 kinderen gerapporteerd als slachtoffer van kindermishandeling. De stijging ten opzichte van 2005 hangt vermoedelijk samen met de toegenomen politieke en publieke aandacht voor kindermishandeling, waardoor professionals meer alert zijn op signalen van kindermishandeling. Het onderzoek wordt in 2015 herhaald.

Bijdragen aan medeoverheden voor kwetsbare jongeren

Helaas lukt het een te grote groep jongeren niet op eigen kracht hun weg te vinden. Ze vallen uit op school, hebben problemen met het vinden van werk, komen vanuit de jeugdzorg moeilijk aan de slag en komen te snel in de Wajong terecht. Deze kwetsbare jongeren kennen vaak een opeenstapeling van problemen. Om deze jongeren te ondersteunen en perspectief te geven op een zelfstandige toekomst zijn bijdragen beschikbaar (circa € 4,0 miljoen). Daarvan is op verzoek van de Tweede Kamer € 3,8 miljoen beschikbaar gesteld voor de doorontwikkeling van campus «de Nieuwe Kans» in Rotterdam en voor doorontwikkeling van het concept wijkschool (TK 31 839, nr. 214).

Opdrachten, subsidies en bijdragen aan medeoverheden stelselherziening

In de bestuursafspraken 2011–2015 met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) zijn afspraken gemaakt over het nieuwe wettelijk kader, de bestuurlijke voorwaarden voor decentralisatie naar gemeenten, de transitie naar het nieuwe stelsel en de beschikbare in- en uitvoeringskosten.

In 2014 is voor de voorbereiding op de stelselwijziging jeugd in totaal circa € 18,5 miljoen beschikbaar, waarvan circa € 16,0 miljoen op artikelonderdeel 5.2 is begroot. De middelen worden ingezet voor invoeringskosten bij gemeenten, provincies en grootstedelijke regio’s, en daarnaast voor de ondersteuning van het transitieproces.

Bijdrage aan ZBO/RWT ZonMw voor het programma «Effectief werken in de jeugdsector»

Vanaf 2013 loopt het programma «Effectief werken in de jeugdsector» van ZonMW, wat een vervolg is op het programma «Zorg voor jeugd». Het nieuwe programma is naast de rol van ontwikkeling van effectieve instrumenten en interventies tevens gericht op de rol die de cliënt, de professional en de organisatie hebben op de effectiviteit van ondersteuning en zorg; evenals op de relatie die bestaat tussen deze dimensies. Deze middelen (circa € 3,6 miljoen) worden begroot op artikel 4 Zorgbreed beleid. In de paragraaf «instrumenten» van artikel 4 is een overzichtstabel opgenomen.

Bijdrage aan ZBO/RWT ZonMW voor het programma «Academische Werkplaatsen Jeugd»

Ook ontvangt ZonMw geld voor het programma «Academische Werkplaatsen Jeugd». Het doel van dit programma is het bevorderen van samenwerking tussen onderzoek, praktijk en beleid. In zes academische werkplaatsen wordt onderzoek gedaan rondom de thema’s CJG, ketensamenwerking en jeugdzorg. Het programma loopt van 2010 tot en met 2014. Deze middelen (circa € 1,5 miljoen) worden begroot op artikel 4 Zorgbreed beleid. In de paragraaf «instrumenten» van artikel 4 is een overzichtstabel opgenomen.

Bijdrage aan de Kinderombudsman

De Kinderombudsman heeft tot taak te bevorderen dat de kinderrechten in Nederland worden nageleefd door de overheid, door organisaties in het onderwijs, de kinderopvang, jeugdzorg en de gezondheidszorg. Deze middelen (€ 1,5 miljoen) zijn reeds overgeboekt naar de begroting Hoge Colleges van Staat.

Noodzakelijke en passende zorg

Subsidies, opdrachten en bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken voor JeugdzorgPlus

In de JeugdzorgPlus wordt gewerkt aan een omslag: iedere jongere die geplaatst wordt, komt in een traject dat erop gericht is om succesvol terug te keren naar de samenleving. Het veld geeft, samen met andere overheden en organisaties op het gebied van zorg, onderwijs en arbeid, vorm aan deze omslag. Dit moet er ook toe leiden dat de gemiddelde verblijfsduur in een instelling voor JeugdzorgPlus vermindert. Tijdige beschikbaarheid van vervolgvoorzieningen en ambulante begeleiding zijn daarbij belangrijk.

Daarnaast wordt aan de begroting van VenJ een bijdrage geleverd voor de vervoerskosten in de JeugdzorgPlus en wordt aan de begroting van het Ministerie van OCW een bijdrage geleverd voor de onderwijskosten voor jongeren geplaatst in een JeugdzorgPlus-instelling. Tevens vindt uit het budgettaire kader jeugdzorgPlus dekking plaats voor de te maken kosten in het kader van de stelselherziening jeugdzorg (zie artikelonderdeel 5.1). Voor 2014 is in totaal circa € 211,2 miljoen beschikbaar.

Subsidies en opdrachten voor sturing, beleidsinformatie, financiering en kwaliteit Jeugdzorg

De beroepsverenigingen, HBO-raad, werkgevers en cliëntorganisaties krijgen ondersteuning bij de uitvoering van het Implementatieplan Professionalisering Jeugdzorg 2010–2014.

Het implementatieplan bevat vier trajecten:

  • –  Voorbereiden beroepsregisters en beroepsverenigingen (mogelijk maken vrijwillige registratie vooruitlopend op kwaliteitsregister jeugd);
  • –  Verbinden en registreren (waaronder oprichten kwaliteitsregister);
  • –  In lijn brengen van scholing en opleidingen met registratievereisten;
  • –  Verbeteren entree sector (onder andere traineeship HBO-ers).

De implementatie raakt professionals uit de gehele jeugdzorg: Bureaus Jeugdzorg, zorgaanbieders, gesloten jeugdzorg, de Raad voor de Kinderbescherming, de justitiële jeugdinrichtingen, de bureaus Halt en Nidos.

Aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) wordt via het Ministerie van VenJ een subsidie verstrekt voor de inning van ouderbijdragen in de jeugdzorg. Voor 2014 is in totaal circa € 4,3 miljoen beschikbaar.

Bijdrage aan medeoverheden voor doeluitkering Jeugdzorg

De provincies en grootstedelijke regio’s ontvangen een doeluitkering voor de uitvoering van de Wet op de jeugdzorg. Met de doeluitkering zijn provincies en grootstedelijke regio’s in staat het Bureau Jeugdzorg te financieren en zorgaanbod in te kopen voor kinderen met een jeugdzorgindicatie. Van de zijde van het Ministerie van Veiligheid en Justitie ontvangen provincies middelen voor de hulpverlening aan gezinnen in het zogenoemde gedwongen kader.

Tevens vindt uit het budgettaire kader jeugdzorg dekking plaats voor kosten in het kader van de stelselherziening jeugdzorg (zie artikelonderdeel 5.1). In 2014 is voor de jeugdzorg circa € 1,297 miljard beschikbaar.

Kengetal: Aantal unieke jeugdigen in de jeugdzorg

Bron: Jeugdzorg Nederland en instellingen voor JeugdzorgPlus.

In deze figuur is het aantal cliënten dat aan het begin van het jaar jeugdzorg kreeg, opgeteld bij de cliënten die in dat jaar instroomden (inclusief de cliënten JeugdzorgPlus.) Daarbij zijn alle cliënten per jaar slechts één keer meegeteld.

Kengetal: Aandeel gebruik jeugdzorg met verblijf in de geindiceerde jeugdzorg

Bron: Jeugdzorg Nederland en instellingen voor JeugdzorgPlus.

Onder jeugdzorg met verblijf wordt verstaan: residentiële jeugdhulp, daghulp, pleegzorg en jeugdzorg plus (= gesloten jeugdzorg met verblijf). Onder jeugdzorg zonder verblijf wordt verstaan: jeugdhulp en spoedeisende zorg. Methodologisch zou het beter zijn om de spoedeisende zorg nader op te splitsten naar de verschillende zorgvormen. Aangezien deze categorie in voorgaande jaren toegerekend is aan de categorie «zorg zonder verblijf» wordt dat – vanwege de vergelijkbaarheid – in deze begroting opnieuw gedaan.

Deze figuren tonen dat steeds meer kinderen gebruik hebben gemaakt van de geïndiceerde jeugdzorg. Ondanks een stijging van ook de residentiële vormen van jeugdzorg, slagen de provincies er in om deze groei vooral te laten plaatsvinden in ambulante vormen van jeugdzorg. Deze zijn minder kostbaar dan residentiële voorzieningen.

Ontvangsten

De ontvangsten 2014 hebben voornamelijk betrekking op afrekeningen van subsidies. In totaal wordt voor 2014 circa € 4,5 miljoen aan ontvangsten geraamd.

Artikel 6 Sport en bewegen

1. Algemene doelstelling

Een sportieve samenleving waarin voor iedereen een passend sport- en beweegaanbod aanwezig is en waarin uitblinken in sport wordt gestimuleerd.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

Aan het sportbeleid van de rijksoverheid ligt vooral de maatschappelijke betekenis van sport ten grondslag. Sport en bewegen dragen in belangrijke mate bij aan een betere gezondheid, aan het verbeteren van leefbaarheid en veiligheid, sociale samenhang en integratie, aan het verbeteren van schoolprestaties en het verminderen van schooluitval. Daarnaast erkent de Rijksoverheid de intrinsieke waarde van sport.

Vanuit haar stimulerende rol op het beleidsterrein «Passend sport- en beweegaanbod» maakt de Minister gebruik van een tweetal bestaande stelsels. Nederland heeft een sterke sportsector die van oudsher in hoge mate zelforganiserend en zelfregulerend is. Daarbij is sprake van een landelijk netwerk met ruim 25.000 sportverenigingen, die aangesloten zijn bij landelijke sportbonden die zich verenigd hebben in de sportkoepel NOC*NSF. Deze verenigingen vertegenwoordigen circa 5 miljoen mensen. Ongeveer eenzelfde aantal landgenoten is actief in ongeorganiseerd verband.

De gemeenten in Nederland zijn verantwoordelijk voor het lokale accommodatiebeleid en het lokale sport- en beweegbeleid. De gemeenten trekken jaarlijks ongeveer € 1 miljard uit voor sport (ten opzichte van circa € 125 miljoen op de Rijksbegroting).

Voor het beleidsterrein «Uitblinken in sport» faciliteert de Minister de ambitie van de georganiseerde sport om bij de tien beste topsportlanden van de wereld te willen horen. De primaire verantwoordelijkheid ligt bij de sportsector zelf.

Voor het functioneren van de sportsector in Nederland zijn innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling van wezenlijk belang. Dat zijn essentiële hulpmiddelen bij zowel het realiseren van een passend sport- en beweegaanbod als bij het aangaan van de internationale competitie binnen de topsport.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Stimuleren

Financieren

Passend sport- en beweegaanbod

Het bevorderen van de samenwerking tussen partijen uit verschillende sectoren, zodat op lokaal niveau een passend en veilig sport- en beweegaanbod tot stand komt en blijft.

Het ontwikkelen en (mede)financieren van programma’s die er aan bijdragen dat er voor iedere Nederlander een passend en veilig sport- en beweegaanbod in de buurt aanwezig is.

Uitblinken in sport

 

Het faciliteren en (mede)financieren van de top 10 ambitie. Het scheppen van randvoorwaarden voor talenten en topsporters in Nederland, waardoor zij op een professionele en verantwoorde wijze kunnen uitblinken in sport, ook tijdens topsportevenementen in eigen land.

Borgen van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling

Het bevorderen van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling.

Het (mede)financieren van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling.

3. Prioriteiten 2014 en beleidswijzigingen

De uitwerking van de beleidsbrief «Sport» (TK 30 234, nr. 37) is in 2012 op verschillende terreinen ter hand genomen en zal in 2014 worden voortgezet, met in acht neming van de passage in het regeerakkoord Rutte-Asscher over de Olympische ambitie. In 2014 wordt op enkele dossiers een belangrijke stap gezet:

  • –  Vanuit het regeerakkoord is € 5 miljoen per jaar extra beschikbaar gesteld voor de Sportimpuls, die in 2012 via ZonMw van start is gegaan. Deze extra middelen worden ingezet voor lokale sport- en beweegactiviteiten specifiek gericht op kinderen uit gezinnen met een laag inkomen.
  • –  Het programma «Naar een veiliger sportklimaat» wordt voortgezet en inhoudelijk geïntensiveerd.
  • –  In 2014 zal een nieuw beleidskader voor (top)sportevenementen van kracht worden. Dit beleidskader zal in het najaar aan de Tweede Kamer worden toegezonden. In dit beleidskader ligt de focus meer op strategische evenementen en op vergroting van de maatschappelijke spin-off.
  • –  Ter bevordering van het topsportklimaat in Nederland wordt het Nationaal Topsport Netwerk ingericht. Daarin delen topsporters hun ervaring en expertise met het Rijk. Ook zullen het Nederlandse IOC-lid en gemeenten hierop aangesloten worden.

4. Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

42.713

81.240

106.544

120.539

125.076

132.387

129.977

               

Uitgaven

79.557

74.991

132.421

128.112

131.876

132.387

129.977

waarvan juridisch verplicht (%)

   

94%

       
               

1. Passend sport- en beweegaanbod

 

27.662

88.293

83.535

85.499

85.847

85.592

               

Subsidies

 

17.953

31.354

26.618

28.583

28.932

28.681

Gehandicaptensport

 

3.167

3.167

3.167

3.167

3.167

3.167

Verantwoord sporten en bewegen

 

2.186

3.086

3.086

3.086

3.086

3.086

Sport en bewegen in de buurt

 

5.474

17.976

13.239

15.204

15.553

15.303

Stimuleren van een veiliger sportklimaat

 

7.126

7.125

7.126

7.126

7.126

7.125

               

Bekostiging

 

9.398

9.398

9.399

9.399

9.399

9.398

Compensatie van betaalde energiebelasting

 

9.398

9.398

9.399

9.399

9.399

9.398

               

Opdrachten

 

100

0

0

0

0

0

Sport en bewegen in de buurt

 

100

0

0

0

0

0

               

Bijdrage aan medeoverheden

 

211

47.541

47.518

47.517

47.516

47.513

Sport en bewegen in de buurt

 

211

47.541

47.518

47.517

47.516

47.513

               

2. Uitblinken in sport

 

38.954

36.779

36.640

37.240

37.339

35.037

               

Subsidies

 

28.787

26.700

26.584

27.184

27.283

24.982

Topsportevenementen

 

5.793

6.523

6.406

7.006

7.106

4.806

Topsportprogramma's

 

21.549

18.932

18.933

18.933

18.932

18.931

Dopingbestrijding

 

1.445

1.245

1.245

1.245

1.245

1.245

               

Opdrachten

 

30

0

0

0

0

0

Topsportevenementen

 

30

0

0

0

0

0

               

Inkomensoverdrachten

 

9.943

9.885

9.862

9.862

9.862

9.861

Stipendiumregeling

 

9.943

9.885

9.862

9.862

9.862

9.861

               

Bijdragen aan internationale organisatie

 

194

194

194

194

194

194

Dopingbestrijding

 

194

194

194

194

194

194

               

3. Borgen van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling

 

8.375

7.349

7.937

9.137

9.201

9.348

               

Subsidies

 

7.899

7.146

7.734

8.934

8.998

9.145

Olympische ambitie

 

1.000

0

0

0

0

0

Kennis als fundament

 

6.670

6.644

7.232

8.432

8.496

8.643

Internationaal beleid

 

229

502

502

502

502

502

               

Opdrachten

 

418

203

203

203

203

203

Kennis als fundament

 

203

203

203

203

203

203

Internationaal beleid

 

215

0

0

0

0

0

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

 

58

0

0

0

0

0

Internationaal beleid

 

58

0

0

0

0

0

               

Ontvangsten

3.238

1.740

1.740

1.740

1.740

1.740

1.740

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Van het beschikbare budget 2014 ad € 65,2 miljoen is 88% juridisch verplicht in verband met de financiering van aangegane verplichtingen voor instellingssubsidies en meerjarige projectsubsidies. Het betreft onder meer de instellingssubsidies aan NOC*NSF, Gehandicaptensport Nederland, het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen en de Anti-Doping Autoriteit Nederland. Bij de projectsubsidies betreft het onder meer de Sportimpuls voor lokale sportaanbieders en het programma «Naar een veiliger sportklimaat».

Het deel van het budget dat nog niet juridisch verplicht is, is gereserveerd voor nog in te dienen incidentele aanvragen, onder meer op het programma Topsportevenementen.

Bekostiging

Van het beschikbare budget 2014 ad € 9,4 miljoen is 100% juridisch verplicht in verband met de bestaande regeling voor gedeeltelijke compensatie van door sportverenigingen betaalde energiebelasting.

Inkomensoverdrachten

Van het beschikbare budget 2014 ad € 9,9 miljoen is 100% juridisch verplicht in verband met de Stipendiumregeling voor topsporters.

Bijdragen aan medeoverheden

Van het beschikbare budget 2014 ad € 47,5 miljoen is 100% juridisch verplicht in verband met de bestuurlijke afspraken met de vereniging Nederlandse Gemeenten over de inzet van buurtsportcoaches binnen de gemeenten.

5. Instrumenten

Passend sport- en beweegaanbod

Kengetal: Percentage van de Nederlandse bevolking dat voldoet aan de beweegnorm

Bron: De gegevens die ten grondslag liggen aan de grafiek over de beweegnorm maken onderdeel uit van het standaardonderzoek Ongevallen en Bewegen in Nederland (OBiN), uitgevoerd door onder meer TNO. Deze kengetallen wordt jaarlijks gemeten en geven aan hoeveel Nederlanders voldoende bewegen voor hun gezondheid. Dit geeft een richting aan van de behaalde gezondheidswinst door sport. Als beweegnorm wordt de zogenaamde «combinorm» gehanteerd. Men voldoet aan die norm als men voldoet aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB) en/of de Fitnorm. De NNGB vereist minimaal 30 minuten matig intensief bewegen op minstens 5 dagen per week. Voor de jeugd tot 18 jaar is dit 60 minuten op 7 dagen per week. De Fitnorm vereist, zowel voor jeugdigen als volwassenen, minimaal 20 minuten intensief bewegen (sport of fitness) op minstens 3 dagen per week.

Subsidies voor sport en bewegen in de buurt

Dit betreft onder meer de sportimpuls, die is bedoeld om lokale initiatieven voor het creëren van een passend sport- en beweegaanbod in de buurt tot stand te brengen, waardoor speciale initietieven voor kinderen met overgewicht en voor kinderen uit gezinnen met een laag inkomen. De uitvoering van de sportimpuls is uitbesteed aan Zorg Onderzoek Nederland Medische Wetenschappen (ZonMw). Daarnaast worden subsidies verstrekt voor ondersteuning van partijen bij het implementeren van de buurtsportcoaches en van de sportimpuls en voor monitoring van het programma. Totaal in 2014 circa € 18,0 miljoen.

Subsidies voor het stimuleren van een veiliger sportklimaat

Iedereen moet veilig en met plezier kunnen sporten zonder last te hebben van intimidatie of geweld. Daartoe is subsidie verleend aan NOC*NSF (€ 7,1 miljoen), dat de uitvoering van het programma verzorgt in nauwe samenwerking met de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) en de Koninklijke Nederlandse Hockey Bond (KNHB). Bij de uitvoering van dit programma zijn 40 andere sportbonden actief betrokken.

Subsidies voor gehandicaptensport

Sport en bewegen is voor iedereen van belang ter stimulering van een gezonde leefstijl, maar vooral ook voor gehandicapten en chronisch zieken. Subsidies met als doel de sportdeelname van gehandicapten te bevorderen worden verleend aan NOC*NSF en Onbeperkt Sportief (€ 3,2 miljoen).

Subsidies voor verantwoord sporten en bewegen

Ondersteuning van activiteiten op het gebied van de opleiding van sportartsen, het verbeteren van de kwaliteit van de sportgeneeskunde, blessurepreventie en het verzamelen en verspreiden van kennis en informatie over gezonde sportbeoefening. Hiertoe worden subsidies verstrekt aan diverse instellingen zoals Stichting VeiligheidNL, Vereniging voor Sportgeneeskunde en het Nederlands Instituut voor Opleiding van Sportartsen. De totale bijdrage bedraagt € 3,1 miljoen.

Bekostiging compensatie van betaalde energiebelasting

Sportverenigingen ontvangen geld om de kosten als gevolg van de regulerende energiebelasting voor 50% te compenseren (€ 9,4 miljoen).

Bijdragen aan medeoverheden voor sport en bewegen in de buurt

Gemeenten stellen professionals aan als buurtsportcoaches. Zij leggen verbindingen tussen sport en sectoren als onderwijs, cultuur, zorg, welzijn en buitenschoolse opvang. De middelen (€ 47,5 miljoen in 2014) worden via het gemeentefonds in de vorm van decentralisatie-uitkeringen aan de gemeenten beschikbaar gesteld. Ook het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap draagt hier aan bij, te weten € 10,9 miljoen. Per fte ontvangen de deelnemende gemeenten een rijksbijdrage van € 20.000. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor een cofinanciering van € 30.000 per fte.

Uitblinken in sport

De medailleklassementen zijn een momentopname, maar geven wel een indicatie van de mate waarin Nederland erin slaagt om zich te scharen bij de beste tien sportlanden.

Kengetal: Positie Nederland in de medailleklassementen Olympische en Paralympische Zomerspelen
Kengetal: Positie Nederland in medailleklassementen Olympische en Paralympische Winterspelen

Bron: De medailleklassementen van de Olympische en Paralympische zomer- en winterspelen worden opgesteld door het International Olympic Committee (IOC). In Turijn 2006 deed Nederland niet mee aan de Paralympische spelen.

Subsidies voor topsportevenementen

Er zijn middelen beschikbaar voor (sport)organisaties voor het verkrijgen en organiseren van aansprekende topsportevenementen in Nederland (€ 6,5 miljoen). Daarbij ligt de focus meer op strategische evenementen en op vergroting van de maatschappelijke spin-off.

Subsidies voor topsportprogramma’s

Om de top 10 ambitie waar te kunnen maken voeren NOC*NSF en de sportbonden topsportprogramma’s uit. VWS verleent subsidie aan NOC*NSF (€ 18,9 miljoen) om bij te dragen aan de uitvoering van die topsportprogramma’s.

Subsidies en bijdragen dopingbestrijding

Voor het tegengaan van dopinggebruik worden op basis van internationale afspraken subsidies en bijdragen (€ 1,4 miljoen) verleend aan (inter)nationale anti-dopingorganisaties.

Inkomensoverdracht Stipendiumregeling

Het Fonds voor de Topsporter verzorgt het uitkeren van een stipendium aan A-topsporters en nationale toptalenten met een inkomen dat lager is dan het minimumloon. Zo kunnen zij zich vrij maken voor hun sportcarrière. Het Fonds voor de Topsporter zorgt bovendien voor het uitkeren van onkostenvergoedingen aan topsporters. De bijdrage bedraagt € 9,9 miljoen.

Borgen van innovatie, kennisontwikkeling en kennisdeling

Subsidies en opdrachten voor Kennis als fundament

In opdracht van VWS, NOC*NSF en de Stichting Innovatie Alliantie (SIA) wordt door de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), Zorg Onderzoek Nederland Medische Wetenschappen (ZonMw) en Stichting voor de Technische Wetenschappen (STW) het Onderzoeksprogramma Sport uitgevoerd. Hiermee wordt gewerkt aan borging van kennis op universiteiten en hogescholen en een goede kennistransfer vanuit de wetenschap en het hoger onderwijs naar het veld en bestaande en nieuwe opleidingen in de sport. Daartoe zijn middelen overgeboekt naar artikel 4 Zorgbreed beleid (€ 1,8 miljoen).

Daarnaast wordt ingezet op valideren van kansrijke sport- en beweeginterventies en op het borgen en verspreiden van beschikbare kennis via kennisinstituten, waaronder het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB), Onbeperkt Sportief en VeiligheidNL.

Een aantal onderzoeksinstituten, waaronder Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO), het Mulier Instituut, het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) krijgt subsidie om het adviesrapport over monitoring van kernindicatoren in de sport te implementeren. Ook is financiering beschikbaar om grensverleggende innovatieve toepassingen voor de sport te ontwikkelen. De totale bijdrage bedraagt € 6,8 miljoen.

Subsidies, opdrachten en bijdragen voor internationaal beleid

In internationaal verband vindt met name afstemming plaats binnen de Europese Unie, maar ook de Raad van Europa. Daarbij hebben onder meer zaken als goed sportbestuur, doping, spelersmakelaars en matchfixing de aandacht. Voor onderzoeken en bijdragen, onder meer voortvloeiend uit de European Partial Agreement on Sports, is € 0,5 miljoen beschikbaar.

Artikel 7 Oorlogsgetroffenen en Herinnering Tweede Wereldoorlog

1. Algemene beleidsdoelstelling

De zorg voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen uit de Tweede Wereldoorlog (WO II) is geborgd en mensen beseffen, mede op basis van de gebeurtenissen uit WO II, wat het betekent om in vrijheid te kunnen leven.

Het is belangrijk om de herinnering aan WO II levend te houden en te borgen dat blijvend betekenis kan worden gegeven aan het verhaal van «de oorlog». Ook dit is onderdeel van de leidende begrippen «ereschuld» en «bijzondere solidariteit» ten aanzien van de deelnemers aan voormalig verzet en de oorlogsgetroffenen. Het belang van het levend houden van de herinnering geldt niet alleen voor (nabestaanden van) mensen die deze oorlog hebben meegemaakt, maar juist ook voor nieuwe generaties. Generaties van nu en later moeten betekenis kunnen geven aan alle facetten van deze geschiedenis. Dat geldt zowel voor de oorlog zoals deze zich in Nederland en Europa heeft afgespeeld, en dan vooral de Holocaust als dieptepunt van het menselijk handelen, maar evenzo voor de oorlog (en de Bersiap-periode – 1945–1949) in voormalig Nederlands-Indië. De betekenis van het levend houden van de herinnering aan WO II is gerelateerd aan hedendaagse vraagstukken van grondrechten, democratie, (internationale) rechtsorde en vrijheid. Het Ministerie van VWS zorgt dat er een infrastructuur is die dat mogelijk maakt.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister vervult een regisserende rol met betrekking tot het actueel houden van de wet- en regelgeving voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II en het in stand houden van een infrastructuur die het mogelijk maakt om de herinnering aan WO II blijvend betekenis te laten houden.

De Minister van VWS is (mede)financier van maatschappelijk werk en sociale dienstverlening voor de (door Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) erkende) deelnemers aan het voormalig verzet en oorlogsgetroffenen, door het subsidiëren van de zogenoemde begeleidende instellingen en Stichting Cogis.

Vanuit de rol van «uitvoerder» is de Minister van VWS opdrachtgever van de zelfstandige bestuursorganen Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), Sociale Verzekeringsbank (SVB) en Commissie Algemene Ongevallenregeling Indonesië (CAOR) voor de uitvoering en toepassing van de wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II en aan de Stichting Afwikkeling Rechtsherstel Sinti Roma (SARSR). Ook houdt zij toezicht op deze organisaties.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

De zorg- en dienstverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II en de herinnering aan WO II.

Subsidiering van zogenoemde begeleidende instellingen voor maatschappelijk werk en sociale dienstverlening aan erkende deelnemers aan het voormalig verzet en oorlogsgetroffenen. Subsidiering van instellingen binnen de herinneringsinfrastructuur.

Het in stand houden van een infrastructuur die het mogelijk maakt om de herinnering aan WO II blijvend betekenis te laten houden.

Opdrachtgever en toezichthouder van/op het Nationaal Comité 4 en 5 mei voor het in mandaat verstrekken van projectsubsidies.

Wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen

 

Het actueel houden van de wet- en regelgeving voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II.

Opdrachtgever en toezichthouder van/op zelfstandige bestuursorganen PUR, SVB en CAOR voor uitvoering en toepassing van de wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II en de SARSR.

3. Prioriteiten 2014 en beleidswijzigingen

Op het terrein van de «erfenis van WO II» is continuïteit en toekomstbestendigheid essentieel.

De prioriteiten voor 2014 en de beleidswijzigingen zijn:

  • –  Door het monitoren en zo nodig bijsturen van ontwikkelingen op het terrein van de zorg- en dienstverlening en de herinnering WO II, bijdragen aan continuïteit en kwaliteit van het stelsel van voorzieningen en uitvoeringsorganisaties.
  • –  Bij een steeds kleinere doelgroep zeker stellen dat (de uitvoering van) het wettelijk stelsel van pensioenen en uitkeringen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen actueel en effectief blijft.

4. Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

340.290

344.044

327.802

311.492

292.568

274.859

259.325

               

Uitgaven

343.020

343.549

327.802

311.492

292.568

274.859

259.325

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99%

       
               

1. De zorg- en dienstverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WOII en de herinnering aan WOII

 

19.647

20.190

20.190

20.190

20.190

20.190

               

Subsidies

 

16.407

16.506

16.506

16.506

16.506

16.506

waarvan onder andere:

             

Nationaal Comité 4 en 5 mei

 

5.465

5.465

5.465

5.465

5.465

5.465

Nationale herinneringscentra

 

1.705

1.604

1.604

1.604

1.604

1.604

Zorg- en dienstverlening

 

6.995

6.888

6.806

6.806

6.806

6.806

               

Bekostiging

 

655

962

962

962

962

962

               

Opdrachten

 

2.385

2.422

2.422

2.422

2.422

2.422

               

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

 

100

100

100

100

100

100

               

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

 

100

200

200

200

200

200

               

2. Pensioenen en uitkeringen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WOII

 

323.902

307.612

291.302

272.378

254.669

239.135

               

Inkomensoverdrachten

 

308.046

291.756

275.446

256.522

238.813

223.279

waarvan onder andere:

             

Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Wuv)

 

169.800

159.401

153.818

148.256

142.826

137.429

Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Wubo)

 

73.400

72.501

70.637

68.290

65.863

63.462

Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Wbp)

 

52.600

47.557

42.567

37.533

32.667

27.872

               

Bijdragen aan ZBO's en RWT's

 

15.856

15.856

15.856

15.856

15.856

15.856

Sociale Verzekeringsbank

 

12.754

12.754

12.754

12.754

12.754

12.754

Pensioen- en Uitkeringsraad

 

1.581

1.581

1.581

1.581

1.581

1.581

Stichting Administratie Indonesische Pensioenen

 

1.521

1.521

1.521

1.521

1.521

1.521

               

Ontvangsten

1.043

901

901

901

901

901

901

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Budgetflexibiliteit

Subsidies

Van het beschikbare budget 2014 ad € 16,5 miljoen is 90% juridisch verplicht. Het betreft de financiering van aangegane verplichtingen op basis van de Kaderregeling VWS-subsidies. Dit betreft zowel instellingsubsidies die jaarlijks worden verleend als projectsubsidies die meerjarig kunnen zijn.

Bekostiging

Van het beschikbare budget 2014 ad circa € 1,0 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de bekostiging van wachtgelden, de vervoerskosten en de niet op grond van een wettelijke regeling of ziektekostenregeling vergoede kosten van behandeling bij stichting Centrum 45, inclusief de noodzakelijke verblijfskosten deels de vergoeding in de FPU plus- en WW/BWU-regeling 6 voor ex-werknemers van de stichting 1940–1945.

Inkomensoverdrachten

Van het beschikbare budget 2014 ad € 291,8 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de bekostiging van de pensioenen en uitkeringen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II.

Opdrachten

Van het beschikbare budget 2014 ad € 2,4 miljoen is 83% juridisch verplicht. Het betreft opdrachten ten behoeve van de herinnering aan WO II en zorg- en dienstverlening.

Bijdragen aan ZBO’s en RWT’s

Van het beschikbare budget 2014 ad circa € 16,0 miljoen is 100% juridisch verplicht. Het betreft de bijdragen aan de Sociale Verzekeringsbank, de Pensioen- en Uitkeringsraad en de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen.

5. Instrumenten

De zorg- en dienstverlening aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II en de herinnering aan WO II

Kengetal: percentage van de bevolking dat (veel) belang hecht aan 4 en 5 mei

Bron: Nationaal Comité 4 en 5 mei - Nationaal Vrijheidsonderzoek

Het draagvlak voor zowel de Nationale Herdenking op 4 mei als de viering van de Bevrijding op 5 mei is groot. De Minister van VWS ziet het als haar taak om die belangstelling voor en bewustzijn over de gebeurtenissen uit WO II te ondersteunen.

Subsidies ten behoeve van de herinnering aan WO II

Het Ministerie van VWS verleent vanuit haar regisserende rol instellingssubsidies aan vier nationale herinneringscentra (Kamp Vught, Kamp Westerbork, Kamp Amersfoort en het Indisch Herinneringscentrum) (circa € 1,6 miljoen), het Nationaal Instituut voor Oorlogsdocumentatie (inclusief Netwerk oorlogsbronnen: onderzoek en publieksactiviteiten Holocaust en andere genociden, coördinatie International Holocaust Memorial Day) (circa € 0,2 miljoen) en het Nationaal Comité 4 en 5 mei (circa € 5,5 miljoen).

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei verstrekt (in mandaat van de Minister van VWS) projectsubsidies (€ 0,98 miljoen) aan derden op het terrein van de educatie over de gebeurtenissen uit WO II. De ervaringen die het Comité in deze versterkte uitvoerende rol opdoet, kunnen bijdragen aan de effectiviteit van het VWS-beleid.

Nachtelijke overdenkingen

4 mei, ik lig in bed maar kan niet slapen

Beelden flitsen door mijn hoofd

Foto’s die ik zag op tentoonstellingen

kransen onder monumenten,

een man tegen een muur, zijn ogen gesloten in gebed

het kamertje in mijn ooms schuur

de lucht zwaar van herinneringen

Zo’n klein kamertje

zo’n klein belangrijk kamertje

een kamertje dat levens heeft gered

Ik knip mijn nachtlampje aan en kijk om mij heen

mijn laptop, mijn volle kledingkast

ik schaam mij er opeens voor

Mijn heftigste herinneringen zijn die van

een ander

Roos Reinarts, winnaar Dichter bij 4 mei 2013, Nationaal Comité 4 en 5 mei

Na WO II is in Nederland voor de deelnemers aan het voormalig verzet en de oorlogsslachtoffers geleidelijk een in de wereld uniek stelsel van pensioenen en uitkeringen en hulp- en dienstverlening ontstaan, geschraagd door principes de van «ereschuld» tegenover de deelnemers aan het voormalig verzet en «bijzondere solidariteit» tegenover de oorlogsslachtoffers. Het aantal cliënten neemt om demografische redenen gestaag af. Gezien deze ontwikkeling moeten ook de uitvoeringsorganisaties zich aanpassen aan de afnemende «vraag». Het is belangrijk dat dit op een verantwoorde manier gebeurt, zodat continuïteit en kwaliteit van de dienstverlening zijn gewaarborgd. Het Ministerie van VWS begeleidt en faciliteert deze ontwikkeling. Dat gebeurt bijvoorbeeld door samenwerking of fusie te stimuleren tussen die instellingen waar het organisatorisch draagvlak van de afzonderlijke organisaties te smal dreigt te worden. Zo heeft de stichting Pelita vergevorderde plannen om het maatschappelijk werk over te dragen aan stichting de Basis en om op het terrein van sociale dienstverlening en de rapportagetaak ten behoeve van aanvragen voor een pensioen of uitkering, nauw te gaan samenwerken met de Stichting ARQ.

Subsidies voor zorg- en dienstverlening

Om zorg- en dienstverlening (maatschappelijk werk, sociale dienstverlening) aan (erkende) verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen mogelijk te maken, worden subsidies (circa € 6,9 miljoen) verleend aan gespecialiseerde instellingen, waaronder de stichting Cogis en de zogenoemde begeleidende instellingen: de stichting Pelita, de stichting Joods Maatschappelijk Werk (JMW) en de stichting 1940–1945.

Het voornemen is dat de taak van SARSR met betrekking tot het naoorlogs rechtsherstel van de Roma en Sinti in 2014 tot een afronding komt.

Pensioenen en uitkeringen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen WO II

Inkomensoverdrachten wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen

De wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen worden alleen nog bijgesteld als wijzigingen in aanpalende wetten, bijvoorbeeld op het terrein van zorg en sociale zekerheid, dat noodzakelijk maken. In het kader van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen uit WO II (Wuv, Wubo en Wbp) worden onder andere vergoedingen voor bijzondere voorzieningen toegekend als onderdeel van de totale uitkering of vergoeding. Het betreft met name uitgaven voor medische voorzieningen, huishoudelijke hulp, «deelname maatschappelijk verkeer» en overige voorzieningen zoals vervoer en extra vakantie. Het gaat om wettelijke voorzieningen die medisch noodzakelijk en/of maatschappelijk wenselijk zijn en die rechtstreeks samenhangen met door de oorlogsomstandigheden veroorzaakte invaliditeit («causaliteit» is vereist).

Voor 2014 is circa € 291,8 miljoen beschikbaar, waarvan het merendeel voor de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (circa € 159,4 miljoen).

Kengetal: uitgaven Wuv, Wubo, Wbp en AOR

Bedragen x € 1 miljoen

Bron: SVB en de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen

Wuv = Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945;

Wubo = Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 19400û1945;

Wbp = Wet buitengewoon pensioen 1940–1945;

AOR= Algemene Ongevallenregeling

Bovenstaand figuur geeft een overzicht van (de ontwikkeling van) de totale gerealiseerde programma-uitgaven in het kader van de wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen over de periode 2007–2011. De uitgaven voor de periode 2012–2017 betreffen ramingen. Het gemiddeld aantal uitkeringen bij Wuv, Wubo en Wbp daalt geleidelijk met circa 5% per jaar. Bij de AOR-regeling is nog sprake van een lichte stijging, direct of indirect als gevolg van de publiciteit in verband met de projecten «Gerichte benadering» en «Brede benadering».

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s SVB, PUR en SAIP

Om pensioenen, uitkeringen en bijzondere voorzieningen te kunnen toekennen aan verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen, worden in 2014 bijdragen (circa € 15,9 miljoen) ter beschikking gesteld aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB), de Pensioen- en uitkeringsraad (PUR) en de Stichting Administratie Indische Pensioenen (SAIP).

Indicator: percentage eerste aanvragen dat door de PUR en de SVB binnen de (verlengde) wettelijke termijn is afgehandeld

Bron: De gerealiseerde percentages worden jaarlijks gepubliceerd in het jaarerslag van de PUR en de SVB.

Het aantal nieuwe «eerste» aanvragen ligt momenteel op circa 500 per jaar. Het hoogste aantal nieuwe eerste aanvragen in de afgelopen 5 jaar bedroeg ruim 3.200 in 2009. (N.B.: Er geldt geen leeftijdsgrens voor aanvragers; de cijfers zijn inclusief weduwen die een pensioen of uitkering aanvragen).

De percentages voor de afhandeling van de eerste aanvragen betreffen een gewogen gemiddelde van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Wuv), de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Wubo) en de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Wbp). Vanaf 2011 is de uitvoering van de wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen overgeheveld van de PUR naar de SVB, afdeling Verzetsdeelnemers en Oorlogsgetroffenen (V&O). De feitelijke behandeltijd is mede afhankelijk van derden. Er wordt door de SVB gestreefd naar minimale doorlooptijden. Het percentage aanvragen dat is afgehandeld binnen de (verlengde) wettelijke termijn is een cruciale indicator voor de kwaliteit van de wetsuitvoering.

Artikel 8 Tegemoetkoming specifieke kosten

1. Algemene beleidsdoelstelling

Zorg dragen voor een tegemoetkoming in de kosten van premie van de zorgverzekering en inkomensondersteuning voor mensen die geconfronteerd worden met meerkosten als gevolg van een handicap of chronische ziekte.

2. Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Zorgtoeslag is een inkomensafhankelijke tegemoetkoming van het Rijk in de kosten van de premie van de zorgverzekering en valt als zodanig onder de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). De Minister van VWS is verantwoordelijk voor de vaststelling van de hoogte van de Zorgtoeslag en de vormgeving van het stelsel van wet- en regelgeving. Dit hangt samen met de verantwoordelijkheid van de Minister van VWS voor betaalbare zorg.

De Minister van Financiën is wettelijk verantwoordelijk gesteld om de zorgtoeslag uit te voeren.

De uitvoering van de zorgtoeslag is opgedragen aan de Belastingdienst. Dit is vastgelegd in de Wet op de Zorgtoeslag. In het jaarverslag van het Ministerie van Financiën en het beheersverslag van de Belastingdienst wordt over de uitvoering van de zorgtoeslag verantwoording afgelegd.

De Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) regelt een tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten die geconfronteerd worden met meerkosten als gevolg van hun aandoening. Het gaat om een forfaitaire regeling, die automatisch wordt uitgekeerd. De forfaitaire regeling is idealiter zo vorm gegeven dat de rechthebbenden automatisch geselecteerd en bereikt worden. De automatische selectie wordt nagestreefd door het hanteren van afbakeningscriteria die gebaseerd zijn op het zorggebruik en de zorgvraag op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het zorggebruik wordt gezien als aanwijzing of iemand een bepaalde aandoening en/of handicap heeft die leidt tot meerkosten en daarmee of iemand recht heeft op een forfaitaire tegemoetkoming. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor de vaststelling van het niveau van de forfaitaire tegemoetkoming en de vormgeving van het stelsel van wet- en regelgeving. Dit hangt samen met de verantwoordelijkheid van de Minister van VWS voor betaalbare zorg.

In de Wtcg is het Centraal Administratie Kantoor (CAK) belast met de vaststelling van het recht op en de hoogte van de tegemoetkoming. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor de sturing en het toezicht op een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van deze regeling door het CAK.

Met de invoering van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten per 1 januari 2009 is in de Wet inkomstenbelasting 2001 de regeling tegemoetkoming buitengewone uitgaven (TBU-regeling) vervangen door de regeling tegemoetkoming specifieke zorgkosten (TSZ-regeling). De TSZ-regeling is een tegemoetkomingsregeling voor personen die in de inkomstenbelasting hun uitgaven voor specifieke zorgkosten als gevolg van heffingskortingen niet of niet geheel kunnen verzilveren.

De Belastingdienst is belast met de vaststelling van het recht en de hoogte van de tegemoetkoming specifieke zorgkosten. De uitbetaalde tegemoetkomingen op grond van de TSZ-regeling komen ten laste van de begroting van het Ministerie van VWS.

Rol en verantwoordelijkheid Minister

Beleidsterrein

Financieren

1. Zorgtoeslag

Financieren van de Zorgtoeslag. Vaststellen van de hoogte van de Zorgtoeslag en de vormgeving van het stelsel van wet- en regelgeving.

2. Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten

Financieren van de tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten die geconfronteerd worden met meerkosten als gevolg van hun aandoening. Vaststellen van het niveau van de forfaitaire tegemoetkoming en de vormgeving van het stelsel van wet- en regelgeving.

3. Tegemoetkoming specifieke zorgkosten

Financieren van de tegemoetkoming voor personen die in de inkomstenbelasting hun uitgaven voor specifieke zorgkosten als gevolg van heffingskortingen niet of niet geheel kunnen verzilveren.

3. Prioriteiten 2014 en beleidswijzigingen

De prioriteiten voor 2014 en de beleidswijzigingen zijn:

Zorgtoeslag

De zorgtoeslag wordt als gevolg van de afspraken uit het aanvullende bezuinigingspakket van € 6 miljard neerwaarts bijgesteld met € 320 miljoen door de standaardpremie vanaf 2014 te baseren op gemiddelde nominale premie inclusief collectieve contracten. De zorgtoeslag wordt daarnaast betrokken bij de vanaf 2015 gefaseerd in te voeren huishoudentoeslag.

Wtcg

In het regeerakkoord Rutte-Asscher is opgenomen dat het kabinet voornemens is de algemene tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten af te schaffen. In 2014 zullen er geen rechten meer worden opgebouwd voor de tegemoetkoming Wtcg (rechten voor tegemoetkomingsjaar 2014). Doordat de tegemoetkoming een jaar later wordt uitbetaald dan dat de rechten zijn opgebouwd, zal in 2014 nog wel de uitbetaling plaatsvinden van de tegemoetkoming 2013.

Tegemoetkoming specifieke zorgkosten

Conform het regeerakkoord Rutte-Asscher is belastingjaar 2013 het laatste jaar waarin fiscale aftrek mogelijk is van uitgaven voor specifieke zorgkosten. Dit betekent tevens dat het belastingjaar 2013 het laatste jaar is waarin aanspraak kan worden gemaakt op een tegemoetkoming specifieke zorgkosten (TSZ) door mensen die in de inkomstenbelasting hun uitgaven voor specifieke zorgkosten als gevolg van het recht op heffingskortingen niet of niet geheel kunnen verzilveren.

4. Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

6.375.508

5.235.465

4.466.171

4.496.812

4.313.646

4.613.731

5.372.041

               

Uitgaven

5.971.354

5.235.465

4.466.171

4.496.812

4.313.646

4.613.731

5.372.041

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
               

Inkomensoverdrachten

 

5.235.465

4.466.171

4.496.812

4.313.649

4.613.731

5.372.041

1. Zorgtoeslag

 

4.804.423

4.068.935

4.456.731

4.309.659

4.612.690

5.371.000

2. Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg)

 

388.743

354.937

25.782

688

742

742

3. Tegemoetkoming specifieke zorgkosten

 

42.299

42.299

14.299

3.299

299

299

               

Ontvangsten

669.003

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Inkomensoverdrachten

Van het beschikbare budget 2014 ad circa € 4,5 miljard is 100% juridisch verplicht. Het betreft de wettelijke regelingen zorgtoeslag, Wtcg en TSZ.

5. Instrumenten

Zorgtoeslag

De Belastingdienst betaalt als tegemoetkoming in de kosten van de nominale premie Zvw en het gemiddeld eigen risico de zorgtoeslag uit aan alle burgers die daar recht op hebben en toeslag aanvragen (zie onderstaand figuur). Hierdoor betaalt idealiter niemand een groter dan aanvaardbaar deel aan Zvw-premie. De raming voor 2014 is circa € 4,1 miljard.

Kengetal: Ontwikkeling aantal ontvangers zorgtoeslag

Bron: Belastingdienst

Dit is de stand van het aantal beschikkingen voor de zorgtoeslag voor het betreffende toeslagjaar.

De cijfers betreffen de stand op 3 juni 2013. In de stand van het aantal beschikkingen zijn zowel definitieve als voorlopige beschikkingen meegenomen. Het aantal ontvangers zorgtoeslag kan hoger of lager uitvallen, omdat de zorgtoeslag met terugwerkende kracht kan worden aangevraagd. Als alle aanvragen definitief beschikt zijn, is pas duidelijk hoeveel rechthebbenden er zijn. Een huishouden heeft recht op zorgtoeslag als de nominale premie plus het gemiddelde eigen risico een bepaald deel van het huishoudinkomen te boven gaat. Het aantal rechthebbenden op zorgtoeslag is de afgelopen jaren gestegen, omdat de zorgpremies harder zijn gestegen dan de inkomens.

Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg)

Chronisch zieken en gehandicapten ontvangen een algemene tegemoetkoming in de meerkosten die zij hebben als gevolg van hun chronische ziekte of handicap. De raming voor 2014 is circa € 355,0 miljoen. Dit bedrag beslaat grotendeels betalingen over tegemoetkomingjaar 2013 en daarnaast nabetalingen over voorgaande jaren.

Kengetal Wtcg:

Over het tegemoetkomingjaar 2009 (uitbetaald vanaf 2010) hebben ruim 2,1 miljoen personen recht op een tegemoetkoming. Daarmee is een bedrag van ruim € 595 miljoen mee gemoeid.

Over tegemoetkomingjaar 2010 (uitbetaald vanaf 2011) hebben circa 2,2 miljoen personen recht op een tegemoetkoming. Daarmee is naar verwachting een bedrag van € 635 miljoen gemoeid. Deze stijging wordt grotendeels veroorzaakt door de maatregelen die zijn doorgevoerd naar aanleiding van het advies van de Taskforce Linschoten (Verbetering van de criteria geneesmiddelen- en ziekenhuiszorggebruik voor afbakening van de doelgroep voor de Wtcg, TK 31 706, nr. 55 ). Over tegemoetkomingsjaar 2011 (uitbetaald vanaf 2012) hebben circa 2,3 miljoen personen 8 recht op een tegemoetkoming. Daarmee is naar verwachting een bedrag van € 660 miljoen gemoeid. Het aantal rechthebbenden daalt voor tegemoetkomingsjaar 2012 (uitbetaald vanaf 2013) door de inkomenstoets. Circa 1,25 miljoen personen zullen een tegemoetkoming 2012 ontvangen, wat een bedrag van circa € 345 miljoen met zich mee brengt.

Tegemoetkoming specifieke zorgkosten

De TSZ-regeling is een tegemoetkomingsregeling voor personen die in de inkomstenbelasting hun uitgaven voor specifieke zorgkosten als gevolg van heffingskortingen niet of niet geheel kunnen verzilveren. De raming voor 2014 is € 42,3 miljoen.

Kengetal TSZ:

De Tegemoetkoming Specifieke Zorgkosten is van kracht geworden op 1 januari 2009. Over belastingjaar 2011 (uitbetaald vanaf 2012) zullen naar verwachting een kleine 160.000 tegemoetkomingen worden verstrekt9.

Tegemoetkoming buitengewone uitgaven

De TBU-regeling is met ingang van 1 januari 2009 vervallen. De verwachting is dat er tot in 2015 kasuitgaven plaatsvinden als gevolg van afgehandelde beschikkingen door de Belastingdienst. De totale uitgaven voor de TBU-regeling nemen jaarlijks af.

NIET-BELEIDSARTIKELEN

Niet-beleidsartikel 9 Algemeen

1. Inleiding

In dit niet-beleidsartikel worden de departementsbrede uitgaven vermeld die niet zinvol kunnen worden toegerekend aan een beleidsartikel.

2. Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

71.254

14.785

30.748

29.694

29.494

28.314

28.313

               

Uitgaven

82.468

20.785

30.748

29.694

29.494

28.314

28.313

               

1. Internationale samenwerking

 

5.980

5.554

5.127

5.127

5.127

5.127

Bijdrage aan internationale organisatie

 

5.980

5.554

5.127

5.127

5.127

5.127

waarvan onder andere:

             

World Health Organization

 

4.721

4.295

3.868

3.868

3.868

3.868

               

2. Verzameluitkering VWS

 

580

349

311

311

311

311

Verzameluitkering Sport

 

0

0

0

0

0

0

Verzameluitkering Jeugd

 

311

311

311

311

311

311

Verzameluitkering Langdurige zorg

 

269

38

0

0

0

0

               

3. Strategisch onderzoek RIVM

 

14.225

24.845

24.256

24.056

22.876

22.875

Bekostiging

 

14.225

24.845

24.256

24.056

22.876

22.875

Strategisch onderzoek RIVM

 

14.225

24.845

24.256

24.056

22.876

22.875

               

Ontvangsten

32.484

0

0

0

0

0

0

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

3. Instrumenten

Internationale samenwerking

Bij internationale samenwerking gaat het erom dat een gemeenschappelijke benadering meerwaarde biedt boven een nationale aanpak. De nadruk moet liggen op het zoeken naar oplossingen voor grensoverschrijdende problemen, waarbij er concrete meerwaarde moet zijn vanuit de missie van het Ministerie van VWS. VWS ontplooit activiteiten om invulling te geven aan de internatonale samenwerking op de beleidsterreinen van volksgezondheid, welzijn en sport met een beperkt aantal landen en met multilaterale organisaties bij het vormgeven van onze internationale ambities binnen de gezondheidszorg.

Ministeriële verantwoordelijkheid

Het Ministerie van VWS is verantwoordelijk voor het stimuleren, afstemmen en waarborgen van internationale samenwerking op de beleidsterreinen van volksgezondheid, welzijn en sport. Op specifieke gebieden wordt hiertoe nadrukkelijk samengewerkt met andere Ministeries. Vooral de samenwerking met de Ministeries van Buitenlandse Zaken (WHO en drugs), Veiligheid en Justitie (drugs), Economische Zaken (life sciences and health, geneesmiddelenbeleid en voedselveiligheid) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (EU) is hierbij van belang.

Prioriteiten 2014

Internationale samenwerking kent een breed scala aan instrumenten en activiteiten:

Partnerschap met de World Health Organization (WHO)

In 2014 zal VWS een nieuw partnerschapprogramma (2014–2017) met de WHO starten. Hiermee is in totaal een bedrag van € 15,9 miljoen over 4 jaar gemoeid. De bijdrage 2014 bedraagt circa € 4,3 miljoen. De samenwerking zal zich onder meer richten op de vraagstukken van grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen, veiligheid van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen en Antimicrobial resistance (AMR). Het partnerschapprogramma vergroot de Nederlandse invloed binnen de WHO. Via het partnerschapprogramma worden ook de contacten tussen de WHO en aan VWS gelieerde organisaties bevorderd.

Samenwerking op Europees en mondiaal niveau

Het Ministerie van VWS vertegenwoordigt Nederland met betrekking tot de voor volksgezondheid, welzijn en sport relevante onderwerpen bij internationale organisaties als de Europese Unie, de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de Raad van Europa, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Verenigde Naties (VN). Contacten met een beperkt aantal voor het Ministerie van VWS belangrijke landen worden gestimuleerd, zoals contacten met landen als China en India, de groeiende economische grootheden en de Verenigde Staten. Voor 2014 wordt een nieuw Memorandum of Understanding met China ondertekend. Nederland heeft in 2013 aan deze landen een aantal bezoeken afgelegd in het kader van innovatie in de gezondheidszorg, grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen, AMR, sport en life sciences and health (LSH). Daarenboven ondersteunt het Ministerie van VWS activiteiten op het gebied van economische diplomatie voor een beperkt aantal landen in samenspraak met het Ministerie van Economische en Buitenlandse zaken en vanuit de behoeften van het bedrijfsleven.

In 2014 zal VWS starten met de voorbereiding voor het aankomend Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie. Het voorzitterschap is in de eerste helft van 2016 maar het (inter)departementale projectteam gaat in 2014 van start.

Verder zal VWS in 2014 actief betrokken zijn bij het Europese onderzoeksprogramma «Horizon 2020» en het actieprogramma Volksgezondheid. Beide programma’s starten in 2014 en zullen leiden tot nieuwe calls for proposals. Ook is het Ministerie betrokken bij het European Innovation Partnership on Active and Healthy ageing (EIP AHA), een instrument om onderzoek en innovatie op het terrein van gezond ouder worden te stimuleren en een verbinding te maken tussen nationale en regionale initiatieven en initiatieven vanuit Brussel.

Internationale samenwerking

Op het gebied van internationale samenwerking is toenemende aandacht voor internationale publieke goederen. Dit geldt zeker ook voor gezondheid. Besmettelijke ziekten stoppen niet bij grenzen en tekorten aan geneesmiddelen hebben een mondiale dimensie. Er wordt samengewerkt met andere lidstaten en binnen multilaterale organisaties om de verspreiding van ziekten te beperken en om te komen tot de ontwikkeling van geneesmiddelen en vaccins ter bestrijding en voorkoming van deze ziekten. Samenwerking blijft ook nodig voor de verdere implementatie van de WHO-gedragscode uit 2010 voor werving van gezondheidspersoneel uit ontwikkelingslanden. Internationale solidariteit is juist bij internationale publieke goederen van belang. Waar mogelijk wordt aansluiting gezocht bij de bredere aanpak van internationale ontwikkelingssamenwerking, waaronder de uitvoering van het speerpuntprogramma «Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten» (SRGR).

Grensoverschrijdende gezondheidzorg

Binnen Europa gaan steeds meer burgers de grens over voor hun gezondheidszorg. Vooral in grensstreken kan de dichtstbijzijnde zorgaanbieder zich in het buitenland bevinden. Zowel in EU-verband als via bilaterale programma’s met Duitsland en België, wordt hieraan invulling gegeven. Zo zal de implementatie van de richtlijn patiëntrechten grensoverschrijdende zorg eind oktober 2013 een feit zijn.

Internationaal personeels- en detacheringsbeleid

Om internationaal goed samen te kunnen werken, plaatst en detacheert het Ministerie van VWS medewerkers in het buitenland en bij multilaterale organisaties, zoals bij de World Health Organization (Geneve of Kopenhagen) en bij de Europese Commissie in Brussel.

De personele en materiële uitgaven met betrekking tot internationale samenwerking staan vermeld op artikel 10 Apparaatsuitgaven.

Verzameluitkering VWS

In een verzameluitkering worden per Ministerie alle financieel geringe overdrachten (beleidsthema’s) aan een medeoverheid opgenomen. Alle bedragen waarvoor een budget beschikbaar is dat onder het grensbedrag (gesteld op maximaal € 10 miljoen) ligt, moeten in de verzameluitkering worden opgenomen. De Financiële-verhoudingswet geeft de wettelijke grondslag voor de verzameluitkering. In de verzameluitkering zijn de volgende beleidsthema’s opgenomen:

  • –  De verzameluitkering van het Ministerie van VWS voor 2014 bevat de uitkering van bestuurskosten en een bijdrage in het kader van stelselwijziging aan de drie grootstedelijke regio’s (circa € 0,3 miljoen);
  • –  Het bestaande programma voor topsportevenementen kan ook voor de verzameluitkering in aanmerking komen. Het betreft een programma waarmee vooral subsidies worden verleend aan sportbonden voor de organisatie van een topsportevenement. Incidenteel vindt er een uitkering aan een medeoverheid plaats in het kader van deze programma's;
  • –  Ten slotte bevat de verzameluitkering een uitkering aan Frieslab (circa € 0,04 miljoen). Frieslab werkt op basis van knelpunten in zorg en dienstverlening. Binnengekomen knelpunten worden geanalyseerd en indien mogelijk opgelost. In projecten wordt hiermee geëxperimenteerd.

Met de verzameluitkering wordt beoogd de medeoverheden ruimte te bieden voor lokaal maatwerk en de administratieve lasten bij het Rijk en de medeoverheden te beperken (zie ook TK 31327, Stb. 2008, 312).

Strategisch onderzoek RIVM

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is een agentschap van het Ministerie van VWS en doet projectmatig onderzoek voor zijn primaire opdrachtgevers: de Ministeries van VWS, EZ, SZW en IenM. Daarnaast voert het RIVM ook strategisch onderzoek uit. Dit is onderzoek om de expertise te ontwikkelen die nodig is voor de continuïteit van het instituut. Zo kan het RIVM zijn toekomstige taken voor de opdrachtgevers adequaat uitvoeren, op zowel de middellange als de lange termijn. Het strategisch onderzoek richt zich enerzijds op lacunes in actuele kennis en anderzijds op nieuwe ontwikkelingen. Op dit artikel worden verder onder meer middelen voor huisvesting van het RIVM geraamd.

De Wet op het RIVM vormt de wettelijke basis voor het strategisch onderzoek dat dit instituut uitvoert. Deze wet bepaalt dat de directeur-generaal RIVM jaarlijks een programma van onderzoek opstelt. Hierin beschrijft hij welke inzichten het instituut moet verwerven om zijn taken adequaat te kunnen uitvoeren. Dit programma is openbaar. Met deze wettelijke bepaling laat de wetgever zien dat het RIVM professioneel zelfstandig is. In het licht van de betekenis van het strategisch onderzoek voor de toekomstige kennispositie van het RIVM is het budget voor het strategisch onderzoek belegd bij de secretaris-generaal van VWS, als «eigenaar» van het agentschap RIVM. Om deze reden worden deze middelen bekostigd vanuit dit niet-beleidsartikel.

Waar in vorige jaren sprake was van twee aparte budgetten, het Strategisch Onderzoeksbudget (SOR) (afkomstig van RIVM) en het Strategisch Vaccin Onderzoek Programma (SVOP) (afkomstig van het voormalig Nederlands Vaccin Instituut) zijn deze budgetten thans samengevoegd tot één strategisch budget. Dit bedraagt in 2014 circa € 13,9 miljoen, nadat vanaf 2013 een taakstelling van 10% op instellingssubsidies voor beleidsontwikkeling en implementatie aan kennisinstituten en op kennisvragen aan het RIVM is doorgevoerd en tevens de 50% van het voormalige SVOP-budget is meegegaan met de uitplaatsing van een aantal taken naar InTravacc 10.

Bij de start van elke nieuwe vierjarige ronde worden inhoudelijke speerpunten gekozen. De speerpunten dekken de kennisdomeinen af, waarop het RIVM zijn kennis en kunde moet vernieuwen of intact moet houden. Het huidige SOR 2011–2014 omvat zeven speerpunten, waarmee richting wordt gegeven aan de inhoudelijke accenten voor vernieuwing binnen het RIVM.

Ook procesmatig zijn de programma’s SOR en SVOP samengevoegd en worden ze behandeld als één programma, waarin het SVOP één van de inhoudelijke speerpunten is. In 2014 zullen circa 80 projecten worden uitgevoerd, verdeeld over de zeven speerpunten. De projecten starten dakpansgewijs, ook in 2014 zal nog een aantal projecten starten, die zullen doorlopen na 2014. Alle projecten worden jaarlijks geëvalueerd en door de Commissie van Toezicht gevolgd om de kennispositie van het instituut te garanderen.

Met de komst van de Chief Science Officers (CSO’s) met elk een eigen inhoudelijke portefeuille zal voor de nieuwe ronde 2015–2018 het SOR worden gericht op het bijdragen aan de realisering van deze portefeuilles én aan de realisering van RIVM 2020. Eind 2013 wordt de inhoud van de nieuwe speerpunten vastgesteld en in 2014 zal het selectieproces plaatsvinden voor de projecten die in 2015 mogen starten.

Niet-beleidsartikel 10 Apparaatsuitgaven

1. Inleiding

In dit niet-beleidsartikel wordt ingegaan op de personele en materiële uitgaven en ontvangsten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

2. Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (Bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

248.927

285.920

222.722

213.304

206.905

208.655

208.734

               

Uitgaven

245.655

285.993

222.775

213.304

206.905

208.655

208.734

– Personele uitgaven

 

176.501

158.350

153.058

149.318

148.252

148.202

waarvan eigen personeel

 

164.620

154.159

149.217

145.477

144.411

144.361

waarvan inhuur externen

 

9.667

1.977

1.627

1.627

1.627

1.627

– Materiële uitgaven

 

109.492

64.425

60.246

57.587

60.403

60.532

waarvan ICT-uitgaven

 

6.110

6.352

5.485

5.076

4.778

4.778

waarvan bijdrage aan SSO’s

 

46.201

40.217

36.835

34.693

37.807

37.857

               

Ontvangsten

16.044

38.903

5.358

5.354

5.357

5.357

5.357

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Nadere uitsplitsing apparaatsuitgaven (Bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Totaal apparaatsuitgaven Ministerie van VWS

 

285.993

222.775

213.304

206.905

208.655

208.734

               

Personele uitgaven kerndepartement

 

111.736

94.232

92.639

89.676

88.362

88.362

waarvan eigen personeel

 

103.734

91.611

90.368

87.405

86.091

86.091

waarvan inhuur externen

 

6.497

1.116

766

766

766

766

               

Materiële uitgaven kerndepartement

 

87.088

45.949

41.906

39.597

42.963

43.042

waarvan ICT-uitgaven

 

3.255

3.752

2.885

2.876

3.178

3.178

waarvan bijdrage aan SSO’s

 

40.999

34.967

31.535

29.343

32.407

32.407

               

Personele uitgaven inspecties (IGZ en IJZ)

 

51.586

55.147

51.670

50.952

51.200

51.150

waarvan eigen personeel

 

48.196

53.938

50.461

49.743

49.991

49.941

waarvan inhuur externen

 

2.681

500

500

500

500

500

               

Materiële uitgaven inspecties (IGZ en IJZ)

 

17.548

16.297

16.347

15.997

15.447

15.497

waarvan ICT-uitgaven

 

2.550

2.550

2.550

2.150

1.550

1.550

waarvan bijdrage aan SSO’s

 

5.200

5.250

5.300

5.350

5.400

5.450

               

Personele uitgaven SCP, RMO, RVZ, GR en CCMO

 

13.179

8.971

8.749

8.690

8.690

8.690

waarvan eigen personeel

 

12.690

8.610

8.388

8.329

8.329

8.329

waarvan inhuur externen

 

489

361

361

361

361

361

               

Materiële uitgaven SCP, RMO, RVZ, GR en CCMO

 

4.856

2.179

1.993

1.993

1.993

1.993

waarvan ICT-uitgaven

 

305

50

50

50

50

50

waarvan bijdrage aan SSO’s

 

2

0

0

0

0

0

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Apparaatskosten (Bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Totaal apparaatskosten agentschappen

471.315

463.038

433.069

403.486

402.785

401.314

405.355

               

Agentschap College Ter Beoordeling van Geneesmiddelen

38.667

38.174

38.230

38.230

38.230

38.230

38.230

Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg

35.956

34.523

36.837

33.750

34.590

33.481

37.565

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu 1

357.793

367.486

335.147

331.506

329.965

329.603

329.560

Almata JeugdzorgPlus

28.972

9.337

9.337

       

JeugdzorgPlus-instelling De Lindenhorst-Almata

9.927

13.518

13.518

       
               
Totaal apparaatskosten ZBO’s en RWT’s 2
   

420.190

       
               

Zorg Onderzoek Nederland/ Medische Wetenschappen (ZonMw)

   

6.100

       

Registratiecommissies en opleidingscolleges KNMG, KNMP en NMT

   

0

       

Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

   

106.700

       

Centraal Administratie Kantoor (CAK)

   

90.700

       

Accommodaties op grond van de Wet op jeugdzorg

   

125.000

       

Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR)

   

250

       

Centrale Commissie voor Mensgebonden Onderzoek (CCMO), inclusief Medisch Ethische Commissies (METC’s)

   

1.600

       

Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)

   

41.800

       

College voor zorgverzekeringen (CVZ)

   

45.400

       

College Sanering Zorginstellingen (CSZ)

   

2.600

       

Stichting Afwikkeling Rechtsherstel Roma Sinti

   

40

       

Noot 1: Het bedrag is inclusief de uitvoeringskosten voor het Rijksvaccinatieprogramma (circa € 104 miljoen).

Noot 2: Dit betreft alleen de begrotingsgefinancierde ZBO’s en RWT’s conform de richtlijnen van het Ministerie van Financien (RBV-model 1.34b).

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

2.1 Toelichting apparaatsuitgaven kerndepartement

Onder deze doelstelling worden de verplichtingen, uitgaven en ontvangsten voor ambtelijk personeel, inhuur externen en materieel geraamd die nodig zijn om het kernministerie te doen functioneren.

De personele uitgaven kernministerie bestaan uit alle personeelsuitgaven van het kernministerie inclusief de inhuur van externen van zowel primaire – als ondersteunende processen.

De materiële uitgaven hebben uitsluitend betrekking op de ondersteunende processen. Dit omvat onder andere ICT, bijdrage aan shared service organisaties (SSO’s) en overige materiële kosten zoals huisvestingskosten.

Apparaatsuitgaven kernministerie 2014 onderverdeeld naar beleid (Bedragen x € 1.000)

Omschrijving

Apparaatsuitgaven

Directoraat-generaal Volksgezondheid

20.020

Directoraat-generaal Curatieve zorg

13.866

Directoraat-generaal Langdurige zorg

18.283

Totaal beleid

52.169

Secretaris-generaal / (plaatsvervangend) secretaris-generaal

88.012

Totaal apparaatsuitgaven kerndepartement

140.181

2.2 Toelichting apparaatsuitgaven inspecties

Inspectie voor de Gezondheidszorg

Een patiënt of cliënt moet kunnen vertrouwen op veilige zorg. De primaire verantwoordelijkheid voor veilige zorg ligt bij de professional in de zorgverlening, de bestuurders van zorgaanbieders en bedrijven die medische producten aanbieden. De taak van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) is actief toe te zien én te handhaven wanneer de zorg kwalitatief «door de bodem zakt» of medische producten niet voldoen aan de geldende eisen. Zij doet dit onder verantwoordelijkheid van de Minister en met een professioneel en onafhankelijk oordeel.

De IGZ ziet scherp toe op veilige zorg en handhaaft streng. Hierbij hanteert de IGZ het uitgangspunt high trust, high penalty. Zorgverleners en -producenten die veilige zorg of medische producten leveren krijgen vertrouwen van de inspectie, maar wanneer de veiligheid door de bodem zakt, dan grijpt de IGZ snel en adequaat in.

De IGZ houdt toezicht met vertrouwen en gezag. Dat doet zij door deskundig, doortastend en duidelijk te werken en door in verbinding te staan met een voortdurend veranderende omgeving. De IGZ houdt actief en zichtbaar toezicht. Daarnaast stelt de IGZ het toezicht in dienst van de veiligheid en de kwaliteit van de zorg voor de patiënt. Burgers en zorgprofessionals zijn daarbij ook waardevolle informatiebronnen als het gaat om het beoordelen van de kwaliteit van de geleverde zorg en het waarschuwen wanneer deze in het geding is en risico’s ontstaan. Deze werkwijze past in de visie van dit kabinet op de gezondheidszorg: «van systemen naar mensen».

In 2014 gaat de IGZ door met haar verbeterplan gebaseerd op de aanbevelingen van de rapporten van heer Van der Steenhoven («Doorpakken!») en mevrouw Sorgdrager («Van incident naar effectief toezicht»). Hiermee zet de IGZ in op een robuuste organisatie die in staat is de Toezichtvisie IGZ van de Minister goed uit te voeren. Volgens het meerjarig plan van aanpak ontwikkelt de IGZ een eenduidige, consistente en (inhoudelijk) onafhankelijke werkwijze, zodat voor zorgaanbieders en bedrijven duidelijk en voorspelbaar is wat de IGZ van hen verwacht en wat zij van de IGZ kunnen verwachten. Medio 2014 is het Zorgloket operationeel. De tussenliggende periode wordt gebruikt voor het opzetten, inrichten en bemensen van het loket. Dit zorgloket staat buiten de IGZ, maar is nauw verbonden met – het werkproces van – de IGZ. De analyse van de klachten, meldingen en signalen die bij het Zorgloket binnenkomen benut de IGZ om het toezicht aan te scherpen en de risico’s voor de patiënt en cliënt te verkleinen. Tevens verbetert de IGZ haar interne werkprocessen en organisaties met een passend ondersteunende ICT-infrastructuur en zal de organisatie in 2014 centraal gehuisvest worden in Utrecht. De IGZ werkt daarbij stapsgewijs toe naar een gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem dat begin 2018 zal zijn gerealiseerd.

Zoals aangegeven in haar meerjarenbeleidsplan 2012–2015 zet de IGZ in op het veiliger maken van de zorg door te streven naar een aantoonbaar effect van haar toezicht in termen van minder patiënten met gezondheidsschade, minder vermijdbare sterfte en meer behoud van kwaliteit van leven van zorgafhankelijke mensen. Dit doet de inspectie door het bevorderen van de naleving van wetten, regels, (beroeps)normen, richtlijnen en standaarden voor ondertoezichtstaanden. Daarbij richt de inspectie zich in haar risicogestuurde toezicht op een aantal specifieke risico’s. Het gaat om het verhogen van de medicatieveiligheid, het verbeteren van de zorg voor ouderen, het opsporen en aanpakken van malafide zorgaanbieders, het aanpakken van disfunctionerende beroepsbeoefenaren, de dwang en drang in de zorg terugdringen en ten slotte het terugdringen van de risico’s als gevolg van de toetreding van nieuwe zorgaanbieders.

Inspectie Jeugdzorg

De Inspectie Jeugdzorg (IJZ) is verantwoordelijk voor het uitvoeren van onafhankelijk toezicht op de jeugdzorg en werkt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De bijdrage 2014 bedraagt € 5,9 miljoen. De inspectie verzamelt informatie over de kwaliteit van de jeugdzorg, vormt zich een oordeel en grijpt zo nodig in. Daarnaast kijkt de inspectie of het beleid voor de jeugdzorg in de praktijk goed werkt. Daarover adviseert de inspectie gevraagd en ongevraagd de betreffende instellingen en verantwoordelijke overheden.

De Inspectie Jeugdzorg wil met haar onderzoeken bijdragen aan:

  • –  Het behouden en bevorderen van de kwaliteit van de jeugdzorg;
  • –  Het versterken van de positie van jongeren en hun ouders of verzorgers (de cliënten);
  • –  De uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het beleid.

2014 is het laatste jaar voor de overgang naar een nieuw jeugdzorgstelsel in 2015, waarbinnen meer nadruk komt te liggen op preventie en alle taken op het gebied van jeugdzorg worden ondergebracht bij de (samenwerkende) gemeenten. In aanloop naar deze stelselwijziging – de zogenaamde transitieperiode – houdt de inspectie in het bijzonder zicht op vernieuwde werkwijzen die worden ontwikkeld en krijgt de continuïteit van de zorg voor en de veiligheid van de jongeren in de jeugdzorg extra aandacht.

De Inspectie Jeugdzorg houdt op grond van een vijftal wetten en regelingen 11 toezicht op de volgende organisaties:
  • –  Bureaus jeugdzorg;
  • –  Jeugdzorgaanbieders;
  • –  Justitiële jeugdinrichtingen;
  • –  Vergunninghouders voor interlandelijke adoptie;
  • –  Opvangvoorzieningen voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen;
  • –  Raad voor de Kinderbescherming;
  • –  Schippersinternaten.

2.3 Toelichting apparaatsuitgaven SCP, RMO, RVZ, GR en CCMO

Sociaal en Cultureel Planbureau en Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) is een interdepartementaal, wetenschappelijk instituut, opgericht bij Koninklijk Besluit op 30 maart 1973. Het Koninklijk Besluit is per 1 april 2012 ingetrokken en vervangen door de Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, houdende de vaststelling van de Aanwijzingen voor de Planbureaus (1 april 2012).

Het SCP verricht zelfstandig onderzoek en rapporteert – gevraagd en ongevraagd – aan de regering, de Eerste – en Tweede Kamer, Ministeries en andere maatschappelijke en overheidsorganisaties. De belangrijkste taken van het SCP zijn:

  • –  Het beschrijven van de situatie op sociaal en cultureel terrein in Nederland en de te verwachte ontwikkelingen;
  • –  Het bijdragen aan verantwoorde keuzen van doeleinden en middelen in het sociaal en cultureel beleid en het ontwikkelen van alternatieven;
  • –  Het beoordelen van het gevoerde beleid, speciaal het interdepartementale beleid.

Het SCP verricht daartoe sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de leefsituatie en de opvattingen van de burger, evenals naar het (overheids)beleid dat daarop van invloed is. Het werk van het SCP omvat de terreinen van nagenoeg alle Ministeries. Eens per jaar geeft het SCP een overzicht van de voorgenomen activiteiten in een werkprogramma. Het werkprogramma wordt gepubliceerd op de website van het bureau (www.scp.nl).

Activiteiten SCP en RMO 2014
 

Aantal rapporten

Uren in 2014

Uitgaven in 2014

(bedragen x € 1.000)

1. Wetenschappelijk onderzoek

45

54.603

4.169.160

2. Kennisverspreiding

6.067

463.240

3. Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling

5

7.820

965.600

Totaal

50

68.490

5.598.000

Toelichting

1. Wetenschappelijk onderzoek

Het onderzoeksprogramma van het SCP staat in het teken van het ondersteunen van het beleid van de overheid, waar dat gericht is op het behoud en de verhoging van het welzijn en het welbevinden van de Nederlandse burger en samenleving. Veel van de door het SCP in 2014 uit te voeren projecten vloeien voort uit eerder gemaakte afspraken of verkregen opdrachten.

In oneven jaren brengt het SCP «De Sociale Staat van Nederland» uit (een brede inventarisatie van de levensomstandigheden van de Nederlandse bevolking), in even jaren een meer thematisch Sociaal Cultureel Rapport.

Er zijn langjarige afspraken over de opstelling van bijvoorbeeld het Jaarrapport Integratie, de Armoedemonitor, de Monitor Discriminatie op de Arbeidsmarkt op grond van etnische herkomst, de Emancipatiemonitor, «De Sociale Staat van het Platteland», «Het Cultureel Draagvlak», de pgb-monitor en de ontwikkeling van ramingsmodellen voor de vraag naar jeugdzorg en langdurige zorg. Veel van het SCP-onderzoek is gebaseerd op door het CBS verzamelde en ter beschikking gestelde gegevens. Daarnaast laat het SCP zelf ook enkele grote surveys uitvoeren. Ook in 2014 zal het SCP ten behoeve van het kabinet rapporteren over de uitkomsten van het in 2008 gestarte onderzoek naar zorgen en maatschappelijke kwesties die leven onder de bevolking en van belang zijn voor de politiek («Continu Onderzoek Burgerperspectieven»).

2. Kennisverspreiding

Vele SCP-medewerkers hebben contacten met of maken deel uit van voor het SCP relevante wetenschappelijke of maatschappelijke organisaties, of hebben vanwege hun SCP-werk of -expertise een adviserende rol in allerlei gremia. Kennisverspreiding via presentaties, artikelen, papers e.d. zijn een belangrijk onderdeel van het werk.

Een kerntaak van het SCP is het adviseren van departementen en andere overheidsinstanties op basis van de beschikbare kennis en inzichten. De positionering van het bureau binnen de rijksoverheid maakt het mogelijk deel te nemen aan het commissie- en advieswerk binnen de overheid (onderraden en voorportalen). Afgezien van deze vorm van indirecte advisering brengt het bureau ook met regelmaat adviezen uit aan (beleidsdirecties van) departementen. Deze advisering kan zeer uiteenlopend van karakter zijn, bijvoorbeeld via participatie in de kenniskamers van verschillende Ministeries.

3. Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling

De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) is de adviesraad van het kabinet en de Staten-Generaal voor de sociale verhoudingen in Nederland (Wet op de RMO, Staatsblad 103, 4 maart 1997). Vanaf 1 april 2010 is het secretariaat van de RMO ondergebracht bij het SCP.

De wetgever heeft de RMO de taak gegeven te adviseren over «de hoofdlijnen van beleid inzake de gevolgen van maatschappelijke ontwikkelingen voor zover deze van invloed zijn op de participatie van burgers in en de stabiliteit van de samenleving». De RMO adviseert zowel gevraagd als ongevraagd over de hoofdlijnen van beleid (www.adviesorgaan-rmo.nl).

Besloten is met ingang van 2014 de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg en de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling samen te voegen. De noodzakelijke wetgeving is in voorbereiding en zal naar verwachting dit najaar de Tweede Kamer worden voorgelegd. Het belangrijkste argument voor samenvoeging is dat het klassieke onderscheid tussen preventie, zorg en welzijn vervaagt; de herziening van de verschillende zorgstelsels dragen daar toe bij. Dat is het geval bij de transitie van de jeugdzorg, de herziening van de langdurige zorg, maar ook de organisatie van zorg dichtbij en concentratie van gespecialiseerde medische zorg. Steeds duidelijker wordt dat het medisch perspectief maar één van de perspectieven is die gezondheidswinst doet realiseren. De veranderende beleidsopgaven die deze ontwikkeling met zich meebrengen vragen om strategische advisering waarin een breed intersectorale perspectief wordt gehanteerd en waarin nieuwe perspectieven voor het beleid op gezondheid, participatie en zorg worden geboden. Vooruitlopend op de samenvoeging zullen RMO en RVZ samenwerken bij de adviesvoorbereiding van de werkprogramma's van beide raden.

Gezondheidsraad

De Gezondheidsraad is een onafhankelijk wetenschappelijk adviesorgaan en heeft als taak de regering en het parlement van advies te dienen over de stand van kennis ten aanzien van vraagstukken op het gebied van de volksgezondheid.

Het werkterrein van de Gezondheidsraad omvat thans de volgende onderwerpen: preventie, gezondheidszorg, voeding, leefomgeving, arbeidsomstandigheden, health technology assessment, gezondheids(zorg)onderzoek, medische technologieontwikkeling en kennisinfrastructuur. De raad brengt gevraagd en ongevraagd adviezen uit. In september stelt de Minister van VWS het werkprogramma voor het komende jaar vast (www.gezondheidsraad.nl).

De Gezondheidsraad heeft samen met de Hoge Gezondheidsraad van België een Europees netwerk opgericht van vergelijkbare organisaties: EuSANH (European Science Advisory Network for Health). Vanuit dit netwerk wordt gewerkt aan het verbeteren van de kwaliteit en efficiency van de wetenschappelijke advisering op nationaal en op Europees niveau.

Raad voor de Volksgezondheid en Zorg

De Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) is een onafhankelijk adviesorgaan voor het parlement en de regering. Het adviesdomein van de RVZ is VWS-breed, en omvat dus de curatieve zorg, de langdurige zorg, de publieke gezondheid en de maatschappelijke ondersteuning. De RVZ houdt zich onder andere bezig met het opzetten van scenariostudies voor de gezondheidszorg. Het kabinet stelt in het najaar van 2013 het definitieve werkprogramma 2014 van de RVZ en het CEG vast (www.rvz.net). Hierover vindt nog besluitvorming binnen VWS plaats.

Het Centrum voor Ethiek en Gezondheid (CEG) is een samenwerkingsverband van de Gezondheidsraad en de RVZ. Het secretariaat van het CEG is bij de RVZ ondergebracht. Het CEG publiceert elk jaar signalementen over ethische thema’s (www.ceg.nl). Overleg tussen Gezondheidsraad en RVZ over een gezamenlijk signalement in 2014 zal nog plaatsvinden. Ook de onderwerpen die de Gezondheidsraad in CEG verband wil signaleren zijn nog niet bekend. Het CEG heeft naast signalering ook een verwijs- en informatiefunctie (publieksfunctie). Volgens afspraak met de Gezondheidsraad neemt de RVZ de publieksfunctie voor zijn rekening.

Bij het voorgaande moet een voorbehoud worden gemaakt vanwege de door de Minister voorgenomen samenvoeging van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg en de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.

Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek

De Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO) waarborgt de bescherming van proefpersonen betrokken bij medisch-wetenschappelijk onderzoek, middels toetsing aan de daarvoor vastgestelde wettelijke bepalingen en met inachtneming van de voortgang van de medische wetenschap. De basis voor deze werkzaamheden is vastgelegd in de Wet Medisch-wetenschappelijk Onderzoek (WMO) en de Embryowet. Nederland telt naast de CCMO nog 24 erkende medisch-ethische toetsingscommissies (METC’s) die zich bezighouden met het toetsen van medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen. De CCMO houdt toezicht op hun functioneren.

Ook in 2014 zal de CCMO zich ten behoeve van het veld blijven inzetten op verdere kennisontwikkeling op het gebied van klinisch onderzoek, met name nieuwe medische product typen en in het bijzonder (stam)celtherapie. En de CCMO zal in 2014 het eerder ingezette IT-traject doorzetten en substantieel blijven investeren in de digitalisering van het indienings- en het toetsingsproces. Daarmee wordt beoogd de (administratieve) belasting voor onderzoekers en medisch-ethische commissies te verminderen of minstens te vereenvoudigen.

Niet-beleidsartikel 11 Nominaal en onvoorzien

1. Inleiding

Dit niet-beleidsartikel heeft een technisch-administratief karakter. Vanuit dit artikel vinden overboekingen van loon- en prijsbijstellingen naar de loon- en prijsgevoelige artikelen binnen de begroting plaats. Ook worden er taakstellingen of extra middelen op dit artikel geplaatst die nog niet aan de beleidsartikelen zijn toegedeeld.

2. Budgettaire gevolgen van beleid

Begrotingsuitgaven (Bedragen x € 1.000)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Verplichtingen

0

– 33.242

– 36.814

– 12.187

– 18.975

– 32.750

– 39.486

               

Uitgaven

0

– 33.242

– 36.814

– 12.187

– 18.975

– 32.750

– 39.486

               

1. Loonbijstelling

 

0

0

0

0

0

0

2. Prijsbijstelling

 

266

297

330

330

330

330

3. Onvoorzien

 

0

0

0

0

0

0

4. Taakstelling

 

– 33.508

– 37.111

– 12.517

– 19.305

– 33.080

– 39.816

               

Ontvangsten

0

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

Het onderdeel Taakstelling omvat grosso modo de taakstellende onderuitputting die op de VWS-begroting is ingeboekt en die jaarlijks bij de 2e suppletoire begroting wordt ingevuld, alsmede de apparaatstaakstelling uit het regeerakkoord Rutte-Asscher (vanaf 2016).

Invulling taakstelling apparaatskosten

VWS kiest ervoor de apparaattaakstelling uit het regeerakkoord Rutte-Asscher te realiseren bij de agentschappen, ZBO’s, RWT’s en andere uit collectieve middelen gefinancierde instellingen, vanwege grote operaties die druk op het apparaat van het kerndepartement leggen. De taakstelling wordt vooralsnog ingevuld langs twee sporen: enerzijds door versoberde bedrijfsvoering, anderzijds door het verkleinen van de kennisinfrastructuur.

VWS bezuinigt € 13 miljoen op de bedrijfsvoering van agentschappen, ZBO’s, RWT’s en uit begrotingsgeld gefinancierde instellingen. Het gaat hierbij vooral om huisvesting, stroomlijning van de dienstverlening en het gemeenschappelijk uitvoeren van bedrijfsvoeringstaken (bijvoorbeeld inkoop via uitvoeringscentra, ICT-rekencentra delen en diensten afnemen bij expertisecentra). Hiertoe vindt een doorlichting van bedrijfsvoeringstaken plaats, mede aan de hand van de normen die voor de rijksdienst van toepassing zijn.

De andere € 13 miljoen bezuinigt VWS op de apparaatskosten van de kennisinfrastructuur. Niet-kerntaken in dit domein worden verminderd of beëindigd. Het gaat hierbij vooral om een kleinere kennisinfrastructuur voor bijvoorbeeld lokale ondersteuning, gezondheidsbevordering en strategisch onderzoek. Ook worden de kennisgebieden innovatie en kwaliteit op nut en noodzaak getoetst. De concrete invulling en precieze verdeling van de taakstelling die ingaat per 2016 wordt in de 1e suppletoire begroting 2014 verwerkt. De taakstelling is in onderstaand overzicht vooralsnog technisch naar rato van de apparaatkosten van de agentschappen, ZBO’s en RWT’s verdeeld over de verschillende organisaties.

Invulling taakstelling apparaatskosten Rutte-Asscher (Bedragen x € 1 miljoen)
 

Artikel

2016

2017

2018

Struct

Departementale taakstelling (totaal)

 

9,000

21,000

26,000

26,000

           

Agentschappen

         

ACBG

 

0,389

0,907

1,123

1,123

CIBG

1 t/m 4

0,351

0,820

1,016

1,016

RIVM

1, 4, 9

3,741

8,729

10,806

10,806

Almata

5

0,095

0,222

0,275

0,275

De Lindenhorst

5

0,138

0,321

0,398

0,398

Totaal Agentschappen

 

4,713

10,997

13,616

13,616

           

ZBO’s

         

Zorg Onderzoek Nederland/ Medische Wetenschappen (ZonMw)

4

0,063

0,147

0,182

0,182

Registratiecommissies en opleidingscolleges KNMG, KNMP en NMT

4

0,007

0,016

0,020

0,020

Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

3

1,105

2,579

3,193

3,193

Centraal Administratie Kantoor (CAK)

4

0,976

2,278

2,821

2,821

Accommodaties op grond van de Wet op jeugdzorg

5

1,283

2,993

3,705

3,705

Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR)

7

0,000

0,001

0,001

0,001

Centrale Commissie voor Mensgebonden Onderzoek (CCMO), inclusief Medisch Ethische Commissies (METC’s)

1

0,016

0,038

0,047

0,047

Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)

4

0,316

0,736

0,912

0,912

College voor zorgverzekeringen (CVZ)

1 t/m 4

0,492

1,150

1,423

1,423

College Sanering Zorginstellingen (CSZ)

4

0,028

0,064

0,080

0,080

Totaal ZBO's

 

4,287

10,003

12,384

12,384

Bovenstaande informatie is bedoeld voor de Staten-Generaal. Aan dit overzicht kunnen geen rechten worden ontleend.

BEGROTING AGENTSCHAPPEN

1. Agentschap College ter beoordeling van geneesmiddelen (ACBG)

1.1 Inleiding

Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) bestaat uit een College en een secretariaat dat is ondergebracht in een agentschap (ACBG). Het College is een organisatie met een zelfstandige bevoegdheid, een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). De uitvoeringsorganisatie ter ondersteuning van het CBG is een agentschap van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Naast de taken voor het CBG ondersteunt het agentschap tevens het Ministerie van Economische zaken (EZ) bij de uitvoering van veterinaire geneesmiddelenbeoordeling en -bewaking door de Commissie Registratie Diergeneesmiddelen (CRD) en het Ministerie van VWS bij de beoordeling van nieuwe voedingsmiddelen.

De belangrijkste taken op basis van de Nederlandse Geneesmiddelenwet, de Wet Dieren en Europese Verordeningen zijn voor het CBG:

  • –  Verstrekken, handhaven en schorsen van handelsvergunningen op basis van de beoordeling van werkzaamheid, risico’s en kwaliteit;
  • –  Vaststellen van de afleverstatus humaan, dus het bepalen of het geneesmiddel uitsluitend op recept, uitsluitend via de apotheek, via de drogist of in de vrije verkoop verkrijgbaar mag zijn;
  • –  Vaststellen van de afleverstatus veterinair, dus het bepalen of het diergeneesmiddel uitsluitend door een dierenarts mag worden toegediend, afgeleverd mag worden door dierenarts of apotheker, op recept afgeleverd mag worden door dierenarts, apotheker of vergunninghouder, of vrij verkrijgbaar is;
  • –  Geneesmiddelenbewaking;
  • –  Geven van wetenschappelijk advies in het kader van geneesmiddelontwikkeling.

De meest up-to-date informatie over de organisatiestructuur, college samenstelling en achtergrondinformatie over processen en procedures vindt men op de CBG-website: www.cbg-meb.nl.

1.2 Begroting 2014

Begroting van agentschap CBG voor het jaar 2014 (Bedragen x € 1.000)
 

2012 Stand Slotwet

2013 Vastgestelde begroting

2014

2015

2016

2017

2018

Baten

             

Omzet moederdepartement

180

178

178

178

178

178

178

Omzet overige departementen

789

612

612

612

612

612

612

Omzet derden

39.126

41.035

41.690

41.690

41.690

41.690

41.690

Rentebaten

4

80

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

               

Totaal baten

40.099

41.905

42.480

42.480

42.480

42.480

42.480

               

Lasten

             

Apparaatskosten

38.667

38.174

38.230

38.230

38.230

38.230

38.230

– Personele kosten

22.331

23.322

23.500

23.500

23.500

23.500

23.500

waarvan eigen personeel

20.095

20.990

21.300

21.300

21.300

21.300

21.300

waarvan externe inhuur

2.236

2.332

2.200

2.200

2.200

2.200

2.200

– Materiële kosten

16.336

14.852

14.730

14.730

14.730

14.730

14.730

waarvan apparaat ICT

2.391

2.125

2.125

2.125

2.125

2.125

2.125

waarvan bijdrage aan SSO’s

0

0

0

0

0

0

0

ZBO College

767

744

750

750

750

750

750

Rentelasten

0

0

0

0

0

0

0

Afschrijvingskosten

2.482

2.987

3.500

3.500

3.500

3.500

3.500

– Materieel

1.349

1.734

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

waarvan apparaat ICT

0

0

0

0

0

0

0

– Immaterieel

1.133

1.253

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

Overige kosten

0

0

0

0

0

0

0

– Dotaties voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

– Bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

               

Totaal lasten

41.916

41.905

42.480

42.480

42.480

42.480

42.480

               

Saldo van baten en lasten

– 1.817

0

0

0

0

0

0

Toelichting begroting van baten en lasten

In 2012 is een negatief resultaat behaald van € – 1,8 miljoen. De belangrijkste oorzaken hiervan zijn een tegenvallende omzet derden, een afboeking op de dubieuze debiteuren en tijdelijke dubbele huisvestingslasten.

De vastgestelde begroting 2013 toont een saldo van baten en lasten van nul. De exploitatie in 2013 staat echter onder druk als gevolg van toegenomen eisen en activiteiten op het terrein van farmacovigilantie 12. Daartoe is de ACBG-organisatie met 10 fte uitgebreid. Gezien het feit dat dit een structureel effect heeft, is besloten tot een stijging van de tarieven met ingang van 2014 voor jaarvergoedingen Humaan en Bureau Nieuwe Voedingsmiddelen.

Baten

Het ACBG ontvangt van opdrachtgever VWS een bedrag van € 0,178 miljoen ter dekking van de kosten van het Bureau Nieuwe Voedingsmiddelen.

Het Bureau Diergeneesmiddelen van het ACBG verricht voor het Ministerie van Economische zaken (EZ) beleidsondersteunende activiteiten. Hiervoor is een bedrag begroot van € 0,612 miljoen.

In de volgende tabel wordt de omzet derden 2014 verdeeld naar productgroepen. De hierbij gehanteerde tarieven zijn gebaseerd op de Regeling Geneesmiddelenwet en de Regeling diergeneesmiddelen. De tarieven worden kostendekkend vastgesteld.

Omzet derden naar productgroepen (Bedragen x € 1.000)

Productgroep

Omzet 2014

Beoordelen van nationale aanvragen

2.200

Beoordelen van Europese aanvragen: centraal

5.500

Beoordelen van Europese aanvragen: MRP

500

Beoordelen DCP's

13.000

Beoordelen van homeopathische aanvragen, kruiden en nieuwe voedingsmiddelen

190

Jaarvergoedingen

18.000

Bureau Diergeneesmiddelen

2.300

Totaal opbrengst derden

41.690

Onderstaand worden de productgroepen kort toegelicht.

Beoordelen van nationale aanvragen

Het beoordelingsproces van een nationale aanvraag betreft de aanvraag van een handelsvergunning voor een nieuw op de Nederlandse markt te brengen geneesmiddel. De handelsvergunning wordt door het ACBG afgegeven. Het betreffende geneesmiddel komt alleen in Nederland op de markt.

Beoordelen van Europese aanvragen: centraal

Om een Europese handelsvergunning voor een geneesmiddel van de Europese Commissie toegekend te krijgen, moet de fabrikant de centrale procedure volgen. De fabrikant kan dan een handelsvergunning krijgen die in alle EU-lidstaten geldig is. De coördinatie van de centrale procedure berust bij het Europese Geneesmiddelenagentschap (EMEA).

Beoordelen van Europese aanvragen: Mutual Recognition Procedure (MRP-procedure)

In een MRP-procedure heeft een andere EU-lidstaat een handelsvergunning verleend. Het ACBG beoordeelt of deze geneesmiddelen, op basis van het beoordelingsrapport van de andere lidstaat, toegelaten kunnen worden tot de Nederlandse markt.

Beoordelen van Europese aanvragen: DCP

Een Decentrale Procedure (DCP) kan door de fabrikant worden gebruikt om een handelsvergunning in meerdere lidstaten te verkrijgen als nog in geen enkel land een handelsvergunning is verkregen. De fabrikant kan een EU-lidstaat vragen om het beoordelingsproces te verrichten. Deze lidstaat wordt dan Referentieland (RMS). Na het beoordelingsproces starten de overige lidstaten een MRP-procedure.

Beoordeling van homeopathische aanvragen, kruiden en nieuwe voedingsmiddelen

Het ACBG verricht beoordelingswerkzaamheden voor homeopathische geneesmiddelen, kruiden en nieuwe voedingsmiddelen. Nieuwe voedingsmiddelen zijn voedingsmiddelen of voedselingrediënten die voor 15 mei 1997 niet in significante mate in de Europese Gemeenschap voor de menselijke voeding zijn gebruikt.

Jaarvergoedingen

Voor het op de markt brengen van een geneesmiddel moet door de registratiehouder jaarlijks een vergoeding worden betaald.

Bureau Diergeneesmiddelen

Het Bureau Diergeneesmiddelen beoordeelt en verleent vergunningen voor de productie en distributie van diergeneesmiddelen.

Lasten

Onderdeel van de materiële lasten is de subsidie aan het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, ter waarde van € 2,2 miljoen.

De verhuizing van het ACBG naar Utrecht en de overgang naar het nieuwe werken brachten in 2012 investeringen met zich mee die ook voor 2014 tot hogere afschrijvingskosten leiden. De totale afschrijvingslast komt voor 2014 op circa € 3,5 miljoen.

Kosten en niveau van externe inhuur blijven conform de huidige richtlijnen gehandhaafd.

1.3 Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht ACBG voor het jaar 2014 (Bedragen x € 1.000)
 

Omschrijving

2012 Stand Slotwet

2013 Vastgestelde begroting

2014

2015

2016

2017

2018

1.

Rekening courant RHB 1 januari + depositorekeningen

10.070

4.501

5.301

8.301

11.301

14.301

17.301

2.

Totaal operationele kasstroom

1.056

2.300

3.500

3.500

3.500

3.500

3.500

 

–/– totaal investeringen

– 6.625

– 1.500

– 500

– 500

– 500

– 500

– 500

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

0

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

– 6.625

– 1.500

– 500

– 500

– 500

– 500

– 500

 

–/– eenmalige uitkering aan moederdepartement

– 600

0

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

600

0

0

0

0

0

0

 

–/– aflossingen op leningen

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

0

0

0

0

0

0

0

4.

Totaal financieringskasstroom

0

0

0

0

0

0

0

5.

Rekening-courant RHB 31 december + stand depositorekeningen (=1+2+3+4)

4.501

5.301

8.301

11.301

14.301

17.301

20.301

Toelichting kasstroomoverzicht

De investeringen 2014 hebben betrekking op vervanging van kantoorautomatisering.

Gezien het feit dat in 2012 veel investeringen hebben plaatsgevonden als gevolg van de verhuizing worden de investeringen de komende jaren lager geraamd.

1.4 Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Overzicht doelmatigheidsindicatoren ACBG voor het jaar 2014
 

2012 Stand Slotwet

2013 Vastgestelde begroting

2014

2015

2016

2017

2018

Omschrijving generiek deel

             

1. Tarieven/uur

90,0

95,0

90,0

91,0

92,0

93,0

92,0

2. Omzet per productgroep (p*q; bedragen x € 1.000)

             

– Boordelen van nationale aanvragen

1.913

2.308

2.200

2.200

2.200

2.200

2.200

– Beoordelen van Europese aanvragen: centraal

5.438

5.241

5.500

5.500

5.500

5.500

5.500

– Beoordelen van Europese aanvragen: MRP

511

682

500

500

500

500

500

– Beoordelen van Europese aanvragen: DCP

11.010

14.293

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

– Beoordelen van homeopathische aanvragen, kruiden en nieuwe voedingsmiddelen

57

176

190

190

190

190

190

– Bureau Diergeneesmiddelen

2.398

2.745

2.300

2.300

2.300

2.300

2.300

– Jaarvergoedingen en bijdragen

17.559

15.590

18.000

18.000

18.000

18.000

18.000

– Overig

239

0

0

0

0

0

0

Totaal omzet

39.125

41.035

41.690

41.690

41.690

41.690

41.690

3. Aantal fte totaal (exclusief externe inhuur)

259

275

275

275

275

275

275

4. Saldo van baten en lasten (%)

– 4,58%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

               

Omschrijving specifiek deel

             

1. Gegronde klachten

40

32

32

32

32

32

32

2. Zaken per fte

86

86

86

86

86

86

86

Toelichting overzicht doelmatigheidsindicatoren

Tarieven/uur

Uurtarieven om de kostenefficiency aan te tonen. Deze indicator is een gemiddelde over alle functies, waarbij naar het primaire proces exclusief onderzoekskosten wordt gekeken.

Omzet per productgroep

De omzet per productgroep geeft inzicht in de samenstelling van de totale omzet van het ACBG. De verwachting voor 2014 en daaropvolgende jaren stijgt ten opzichte van 2013 als gevolg van de begrote tariefsaanpassing van de jaarvergoedingen met ingang van 2014, maar een en ander wordt ook door de aanvragen vanuit de farmaceutische industrie bepaald. De samenstelling en omvang worden deels beïnvloed door internationaal opgelegde (EMA) tarieven.

Aantal fte totaal

Het totaal aantal fulltime-equivalenten werkzaam bij het agentschap per 31 december van het jaar, exclusief externe inhuur. De toename van het aantal vaste medewerkers houdt verband met toegenomen eisen en activiteiten op het gebied van farmacovigilantie. Daarnaast is sprake van beperking van de externe inhuur/uitbesteding bij gelijkblijvende werklast. Het geraamde percentage inhuur externen bedraagt in 2014 9,4%.

Saldo van baten en lasten

Het saldo van baten en lasten als percentage van de totale baten. Het ACBG streeft er naar kostenneutraal te opereren. De omzet wordt, zoals hierboven aangegeven, bepaald door de vraag en deels door de internationaal opgelegde (EMA) tarieven.

Aantal gegronde klachten

Het aantal gegronde klachten wordt bijgehouden om inzicht te krijgen in de geleverde kwaliteit van de productie. Het streven is het aantal gegronde klachten niet te laten stijgen.

Aantal zaken per fte

Het aantal zaken per fte wordt bijgehouden om de efficiency van de productie inzichtelijk te maken.

2. Centraal Informatiepunt Beroepen gezondheidszorg (CIBG)

2.1 Inleiding

Sinds 1 januari 2003 is het CIBG een agentschap van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De kerntaken van het CIBG ten behoeve van zorgaanbieders, burgers en bedrijven zijn:

  • –  Het registreren, beheren, genereren, beoordelen en verstrekken van vertrouwelijke (zorg)gegevens die leiden tot besluiten, beschikkingen en vergunningen;
  • –  Hoogwaardig ondersteunen van onafhankelijke commissies en colleges;
  • –  Verstrekken van informatie over- en begeleiden bij implementatie van CIBG-producten.

Meer informatie over de organisatie en taken van het CIBG is te vinden op: www.cibg.nl.

2.2 Begroting 2014

Begroting van agentschap CIBG voor het jaar 2014 (Bedragen x € 1.000)
 

2012 Stand Slotwet

2013 Vastgestelde begroting

2014

2015

2016

2017

2018

Baten

             

Omzet moederdepartement

33.622

21.030

19.378

14.592

14.455

13.825

13.825

Omzet overige departementen

530

610

1.753

1.729

1.729

1.729

1.729

Omzet derden

4.393

14.560

17.216

18.424

19.401

18.922

23.006

Rentebaten

1

10

10

10

10

10

10

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

2

0

0

0

0

0

0

               

Totaal baten

38.548

36.210

38.357

34.755

35.595

34.486

38.570

               

Lasten

             

Apparaatskosten

35.956

34.523

36.837

33.750

34.590

33.481

37.565

– Personele kosten

20.992

19.523

19.150

17.750

18.550

17.530

18.850

waarvan eigen personeel

19.492

18.023

17.350

16.050

16.050

16.050

16.050

waarvan externe inhuur

1.500

1.500

1.800

1.700

2.500

1.480

2.800

– Materiële kosten

14.964

15.000

17.687

16.000

16.040

15.951

18.715

waarvan apparaat ICT

0

3.323

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

waarvan bijdrage SSO’s

0

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

Rentelasten

31

120

0

0

0

0

0

Afschrijvingskosten

2.430

1.567

1.520

1.005

1.005

1.005

1.005

– Materieel

26

157

20

5

5

5

5

waarvan apparaat ICT

0

0

0

0

0

0

0

– Immaterieel

2.404

1.410

1.500

1.000

1.000

1.000

1.000

Overige kosten

23

0

0

0

0

0

0

– Dotaties voorzieningen

19

0

0

0

0

0

0

– Bijzondere lasten

4

0

0

0

0

0

0

               

Totaal lasten

38.440

36.210

38.357

34.755

35.595

34.486

38.570

             

Saldo van baten en lasten

108

0

0

0

0

0

0

Toelichting begroting van baten en lasten

De omzet moederdepartement bestaat uit de omzet op basis van opdrachten vanuit de beleidsdirecties van VWS. Daarnaast is er bij het CIBG ook sprake van omzet derden (burgers en bedrijven) voor het verrichten van verschillende (wettelijke) registratieactiviteiten, voor het verstrekken van UZI-passen en -certificaten, voor verleende vergunningen en ontheffingen tegen door het departement vastgestelde tarieven alsmede voor de verkoop van medicinale cannabis.

Hoewel VWS de uitvoering van de taken met betrekking tot de subsidieverstrekking aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties heeft ondergebracht binnen het kerndepartement blijft, mede als gevolg van nieuwe taken en projecten, de omzet in 2014 vrijwel gelijk aan die in 2013.

De Minister van VWS is voornemens het Zorgloket 13 in 2014 onder te brengen bij het CIBG. Verwacht wordt dat het Zorgloket medio 2014 operationeel zal zijn. De omvang van de exploitatie is nog onbekend en daarom niet in deze begroting opgenomen 14.

De omzet derden stijgt mede doordat de beroepenregistratie in het kader van de Wet BIG vanaf 1 juli 2013 door derden wordt gefinancierd.

Omzet per opdrachtgever (Bedragen x € 1.000)
 

Omzet 2014

Moederdepartement

 

Directie Macro-Economische Vraagstukken en Arbeidsmarkt (MEVA)

6.215

Directie Geneesmiddelen en Medische Technologie (GMT)

3.820

Directie Publieke Gezondheid (PG)

3.702

Directie Langdurige Zorg (LZ)

2.096

Directie Jeugd

1.240

Directie Markt en Consument (MC)

1.254

IGZ Medische hulpmiddelen en Opiaten

1.051

Totaal omzet moederdepartement

19.378

   

Overige departementen

 

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)

900

Ministerie van Economische Zaken (EZ)

405

Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)

448

Totaal omzet overige departementen

1.753

   

Derden

 

Stichting Kwaliteitsregister Paramedici

51

BIG-registratie

2.583

BIG-herregistrate

939

Vakbekwaamheid en 1-Loket

473

UZI-register

9.887

Vergunningen en ontheffingen

1.610

Medicinale Cannabis

1.000

Medische hulpmiddelen en Opiaten

673

Totaal omzet derden

17.216

   

Totaal omzet

38.347

Een deel van de financiële taakstelling die het kabinet voor de periode 2012 tot en met 2016 aan VWS heeft opgelegd, is toebedeeld aan het CIBG.

Taakstelling CIBG (Bedragen x € 1.000)
 

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Taakstelling 2012–2016

17

606

1.104

1.587

1.983

2.104

De taakstelling wordt gerealiseerd door verhoging van de doelmatigheid, wat tot uitdrukking komt in een verlaging van de kostprijzen die aan de opdrachtgevers in rekening worden gebracht.

Het CIBG gaat ook in 2014 verder met het verbeteren en doelmatiger inrichten van processen (mede naar aanleiding van een in 2012 gehouden onderzoek) en met de toepassing van het managementprincipe LEAN.

De getoonde lasten zijn voor het jaar 2012 gebaseerd op de slotwet en voor de jaren 2014 en verder op de verwachte omzet en de kostenontwikkeling. De verwachte kostenontwikkeling en verdeling over de categorieën vertoont geen grote verschillen met die van de afgelopen jaren. De materiële component bestaat voor een aanzienlijk deel uit ICT-kosten.

2.3 Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht CIBG voor het jaar 2014 (Bedragen x € 1.000)
 

Omschrijving

2012 Stand Slotwet

2013 Vastgestelde begroting

2014

2015

2016

2017

2018

1.

Rekening courant RHB 1 januari + depositorekeningen

6.203

11.491

8.588

6.968

5.548

4.128

2.508

2.

Totaal operationele kasstroom

7.708

– 1.283

– 1.200

– 800

– 800

– 800

1.500

 

–/– totaal investeringen

– 1.397

– 2.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

– 371

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

– 1.768

– 2.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

 

–/– eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

–/– aflossingen op leningen

– 652

– 620

– 420

– 620

– 620

– 820

– 1.020

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

0

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

4.

Totaal financieringskasstroom

– 652

380

580

380

380

180

– 20

5.

Rekening-courant RHB 31 december + stand depositorekeningen (=1+2+3+4)

11.491

8.588

6.968

5.548

4.128

2.508

2.988

Toelichting kasstroomoverzicht

De investeringen 2014 hebben betrekking op vervanging van immateriële activa.

2.4 Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Overzicht doelmatigheidsindicatoren CIBG voor het jaar 2014
 

2012 Stand Slotwet

2013 Vastgestelde begroting

2014

2015

2016

2017

2018

Omschrijving generiek deel

             
1. Kostprijzen per product 1 (in €)
             

– Beschikking BIG-register

166

170

184

184

184

184

184

– Vakbekwaamheidsverklaring

6.295

6.295

5.657

5.657

5.657

5.657

5.657

– Oordeel RTE

692

654

– Vergunning Farmatec

2.538

2.538

2.538

2.538

2.538

2.538

2.538

– Registratie wilsbeschikking Donorregister

14

14

15

15

15

15

15

2. Omzet per productgroep (bedragen x € 1.000)

             

– BIG en vakbekwaamheidverklaring (excl. derden)

2.782

– BIG

1.956

2.546

2.597

2.648

2.701

2.756

– Vakbekwaamheid

2.350

2.523

2.523

2.523

2.523

2.523

– Oordeel RTE

2.820

2.833

– Vergunning Farmatec

1.018

1.500

1.600

1.600

1.600

1.600

1.600

– Registratie wilsbeschikking Donorregister

2.610

2.667

3.019

3.019

3.019

3.019

3.019

3. Aantal fte totaal (excl. externe inhuur)

218

206

186

186

186

186

186

4. Saldo van baten en lasten (% van de baten)

0,28%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

               

Omschrijving specifiek deel

             

1. Aantallen per productgroep

             

– Beschikkingen BIG register

12.479

11.000

11.500

11.500

11.500

11.500

11.500

– Vakbekwaamheidsverklaringen

343

400

400

400

400

400

400

– Oordelen RTE

4.679

4.000

– Vergunningen Farmatec

653

500

450

450

450

450

450

– Wilsbeschikkingen Donorregister

206.262

200.000

200.000

200.000

200.000

200.000

200.000

2. Aantal klachten / bezwaar en beroep

             

– Vakbekwaamheidsverklaring

44

15

10

10

10

10

10

– Wilsbeschikkingen donorregister

7

0

5

5

5

5

5

3. Doorlooptijden

             

– Oordeel RTE in dagen (wettelijke norm is 42 dagen)

125

42

– Wilsbeschikking donorregister (wettelijk norm is 42 dagen)

16

20

16

16

16

16

16

Noot 1: Betreft voorlopige cijfers, exclusief de taakstelling

Toelichting overzicht doelmatigheidsindicatoren

Het overzicht doelmatigheidsindicatoren bevat een selectie van de vier belangrijkste producten uit het takenpakket van het CIBG die op basis van prijs maal hoeveelheid worden afgerekend. Het betreft de beschikking BIG-register, de vakbekwaamheidsverklaring, de vergunning Farmatec 15 en de registratie wilsbeschikking donorregister.

De taak PGO is in 2014 ondergebracht bij het kerndepartement. De voorgenomen overdracht van de regionale toetsingscommissies euthanasie (RTE) is nog niet in de begroting verwerkt.

Kostprijzen per product

De kostprijzen per product geven inzicht in de kostprijzen van de belangrijkste producten van het CIBG.

Omzet per productgroep

De omzet per productgroep geeft inzicht in de samenstelling van de totale omzet van het CIBG inclusief opbrengst derden.

Aantal fte totaal

Het totaal aantal fulltime-equivalenten werkzaam bij het CIBG per 31 december van het jaar, exclusief externe inhuur.

Het geraamde percentage inhuur 2014 bedraagt 9,4%.

Saldo van baten en lasten

Het saldo van baten en lasten als percentage van de totale baten.

Aantallen per productgroep

De genoemde producten hebben een vrij stabiele instroom.

Aantal klachten /bezwaar en beroep

Aantal afgehandelde klachten en bezwaren.

Doorlooptijden

De gemiddelde netto doorlooptijd.

3. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

3.1 Inleiding

Sinds 1 januari 2004 is het RIVM een agentschap van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Het RIVM bevordert door onderzoek, uitvoering en ondersteuning de publieke gezondheid en een schoon en veilig leefmilieu. Kerntaak van het RIVM is het verrichten van onderzoek en het wereldwijd verzamelen van kennis. De uitkomsten daarvan dienen als beleidsondersteuning voor de overheid. Het RIVM voert onderzoek uit voor de Ministeries van VWS, IenM, EZ en SZW, voor diverse inspecties en voor internationale organisaties zoals de Europese Unie, de WHO en de Verenigde Naties. Informatie over de resultaten van het RIVM-onderzoek is te vinden via de thematische ingangen van de website www.rivm.nl. Het RIVM vervult ook regiefuncties en verzorgt de landelijke coördinatie van preventie- en interventieprogramma’s, zoals het Rijksvaccinatieprogramma (RVP).

Per 1 januari 2013 zijn enkele onderdelen van het RIVM, te weten de afdeling InTravacc van de unit Vaccinologie en de afdeling Uitvoering van het Facilitair Bedrijf uit het RIVM uitgeplaatst naar de Projectdirectie Antonie van Leeuwenhoek Terrein (ALT) van het Ministerie van VWS. Deze uitplaatsingen – die financieel nog niet verwerkt konden worden in de begroting 2013 – verklaren de daling in de baten en lasten in de begroting vanaf 2014.

Om de door de Algemene Rekenkamer gesignaleerde onvolkomenheid met betrekking tot het inkoopbeheer weg te werken, voert het RIVM een met de Algemene Rekenkamer en Auditdienst Rijk afgestemd verbeterplan uit. De interne controle laat zien dat er duidelijk vooruitgang wordt geboekt. De uitgezette acties leiden tot verbeteringen.

3.2 Begroting 2014

Begroting van agentschap RIVM voor het jaar 2014 (Bedragen x € 1.000)
 

2012 Stand Slotwet

2013 Vastgestelde begroting

2014

2015

2016

2017

2018

Baten

             

Omzet moederdepartement

175.506

144.809

146.354

143.726

142.335

141.973

141.930

Omzet overige departementen

55.954

47.587

55.353

54.340

54.190

54.190

54.190

Omzet derden

136.089

180.870

137.500

137.500

137.500

137.500

137.500

Rentebaten

296

50

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

2.917

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

               

Totaal baten

370.762

373.316

339.207

335.566

334.025

333.663

333.620

               

Lasten

             

Apparaatskosten

357.793

367.486

335.147

331.506

329.965

329.603

329.560

– Personele kosten

116.437

113.042

114.964

114.964

114.964

114.964

114.964

waarvan eigen personeel

108.976

101.738

103.468

103.468

103.468

103.468

103.468

waarvan externe inhuur

7.461

11.304

11.496

11.496

11.496

11.496

11.496

– Materiële kosten

241.356

254.444

220.183

216.542

215.001

214.639

214.596

waarvan apparaat ICT

9.300

10.950

8.785

8.785

8.785

8.785

8.785

waarvan bijdrage aan SSO’s

0

0

0

0

0

0

0

Rentelasten

294

225

0

0

0

0

0

Afschrijvingskosten

6.402

5.605

4.060

4.060

4.060

4.060

4.060

– Materieel

6.119

5.305

3.760

3.760

3.760

3.760

3.760

waarvan apparaat ICT

1.141

953

951

951

951

951

951

– Immaterieel

283

300

300

300

300

300

300

Overige kosten

3.472

0

0

0

0

0

0

– Dotaties voorzieningen

3.472

0

0

0

0

0

0

– Bijzondere lasten

0

0

0

0

0

0

0

               

Totaal lasten

367.961

373.316

339.207

335.566

334.025

333.663

333.620

               

Saldo van baten en lasten

2.801

0

0

0

0

0

0

Toelichting begroting van baten en lasten

Baten

De omzetbedragen voor 2014 voor de primaire opdrachtgevers (VWS-eigenaar, VWS-opdrachtgevers, IenM, EZ en SZW) zijn ramingen op grond van de verwachte opdrachtvolumes bij ongewijzigd beleid voor de komende jaren, waarin thans bekende ontwikkelingen zijn meegenomen. De overige omzetbedragen zijn gebaseerd op lopende en naar verwachting nog af te sluiten contracten met overige opdrachtgevers.

De hoogte van de omzet is afhankelijk van overeenstemming tussen opdrachtgevers en het RIVM over aard en omvang van de te verrichten activiteiten en – daarmee samenhangend – de in rekening te brengen kosten (zijnde uren x tarief plus directe projectgebonden kosten). De geraamde omzetbaten van VWS-eigenaar zijn hoofdzakelijk bestemd voor het strategisch onderzoek van het RIVM en als aanvullend huisvestingsbudget.

De geraamde omzetbaten van VWS-opdrachtgevers betreffen inkomsten die het RIVM op grond van lopende werkprogramma’s en thans bekende ontwikkelingen verwacht te verkrijgen door opdrachtverlening door de beleidsdirecties van VWS en de IGZ.

De geraamde baten van IenM, EZ en SZW volgen uit werkzaamheden die op het taakveld milieu in relatie tot volksgezondheid worden uitgevoerd in opdracht van de beleidsdirecties van IenM, de Inspectie Leefomgeving en Transport (IenM), EZ, de NVWA (EZ) en SZW.

Omzetbaten van derden verkrijgt het RIVM door het uitvoeren van werkzaamheden voor derden (onder andere EU, WHO, provincies, TNO, Bilthoven Biologicals) in Nederland en in internationaal verband.

Ten opzichte van de vastgestelde begroting 2013 heeft er voor de begroting 2014 om administratieve redenen enige verschuiving plaatsgevonden tussen omzet moederdepartement, omzet overige departementen en omzet derden.

Lasten

Uit de baten worden de lasten gedekt. De personele kosten bedragen in 2014 circa € 115 miljoen, waarvan circa € 103,5 miljoen voor ambtelijk personeel en circa € 11,5 miljoen voor inhuur. De materiële kosten bedragen in 2014 circa € 220 miljoen. Een groot deel betreft uitvoeringskosten voor het Rijksvaccinatieprogramma (circa € 104 miljoen).

Ingevolge de bezuinigingstaakstelling van het kabinet-Rutte-Verhagen heeft het RIVM te maken met een financiële reductie van 1,5% ingaande 2012 tot 6% structureel vanaf 2015. Deze bezuiniging werkt door in de opdrachtgeversbudgetten van VWS en IenM en in de eigenaarsbijdrage van VWS aan het RIVM. Tevens is de taakstelling uit het Begrotingsakkoord 2013 verwerkt (TK 33 280, nr. 1). Structureel betekent dit een reductie van € 1,0 miljoen in de VWS-opdrachtgeversbudgetten en € 1,8 miljoen in de eigenaarsbijdrage ten behoeve van strategisch onderzoek. Het RIVM gaat de programmering hierop aanpassen en verkent de mogelijkheden voor het verkrijgen van vervangende advies- en onderzoeksopdrachten.

3.3 Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht RIVM voor het jaar 2014 (Bedragen x € 1.000)
 

Omschrijving

2012 Stand Slotwet

2013 Vastgestelde begroting

2014

2015

2016

2017

2018

1.

Rekening courant RHB 1 januari + depositorekeningen

55.047

64.573

64.955

69.328

69.025

68.897

68.867

2.

Totaal operationele kasstroom

12.549

5.987

8.433

3.757

3.932

4.030

4.056

 

–/– totaal investeringen

– 3.023

– 5.605

– 4.060

– 4.060

– 4.060

– 4.060

– 4.060

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

0

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

– 3.023

– 5.605

– 4.060

– 4.060

– 4.060

– 4.060

– 4.060

 

–/– eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

–/– aflossingen op leningen

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

0

0

0

0

0

0

0

4.

Totaal financieringskasstroom

0

0

0

0

0

0

0

5.

Rekening-courant RHB 31 december + stand depositorekeningen (=1+2+3+4)

64.573

64.955

69.328

69.025

68.897

68.867

68.863

Toelichting kasstroomoverzicht

Het RIVM investeert jaarlijks in software en licenties, gebouwinstallaties en infrastructuur, laboratoriumapparatuur, vervoermiddelen, IT en audiovisuele apparatuur en facilitaire apparatuur. Dit betreft vervangingsinvesteringen, nodig om de continuïteit te waarborgen.

3.4 Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Overzicht doelmatigheidsindicatoren RIVM voor het jaar 2014
 

2012 Stand Slotwet

2013 Vastgestelde begroting

2014

2015

2016

2017

2018

Omschrijving generiek deel

             

1. Uurtarieven:

             

– Gewogen uurtarief in €

93,0

93,0

98,0

98,0

98,0

98,0

98,0

– Labopslag in €

42,0

42,0

42,0

42,0

42,0

42,0

42,0

– Ontwikkeling uurtarief (2012 = 100)

100

100

105

105

105

105

105

2. Aantal fte totaal (exclusief externe inhuur)

1.457

1.491

1.430

1.430

1.430

1.430

1.430

3. Saldo van baten en lasten (%)

0,76%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

               

Omschrijving specifiek deel

             

1. Liquiditeit (current ratio; norm: > 1,5)

1,40

1,51

1,62

1,62

1,62

1,62

1,62

2. Solvabiliteit (debt ratio)

0,67

0,73

0,73

0,73

0,73

0,73

0,73

3. Rentabiliteit eigen vermogen

6,7%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

4. Percentage externe inhuur ten opzichte van totale personele kosten

6,8%

10,0%

10,0%

10,0%

10,0%

10,0%

10,0%

5. Percentage facturen betaald binnen 30 dagen

96,3%

97,5%

97,5%

97,5%

97,5%

97,5%

97,5%

Toelichting overzicht doelmatigheidsindicatoren

Uurtarieven

Het RIVM hanteert als indicator voor de doelmatigheid het gewogen uurtarief. De uurtarieven worden jaarlijks door de eigenaar vastgesteld. De hoogte van de tarieven wordt onder meer bepaald door de ontwikkeling van de loonkosten, de materiële kosten (waaronder de huren die de Rijksgebouwendienst in rekening brengt) en het aantal te declareren uren per medewerker alsmede efficiencytaakstellingen.

Op grond van de ervaringen in 2012 en 2013 is voor 2014 een herschikking in de opbouw van het tarief doorgevoerd.

Aantal fte totaal

Het totaal aantal fulltime-equivalenten werkzaam bij het agentschap per 31 december van het jaar, exclusief externe inhuur. Het geraamde percentage externe inhuur 2014 bedraagt 10%.

Saldo van baten en lasten

Het saldo van baten en lasten als percentage van de totale baten.

Specifieke indicatoren

Voor wat betreft de specifieke doelmatigheidsindicatoren steunt het RIVM op de gangbare bedrijfseconomische indicatoren, zoals vermeld in bovenstaande tabel. Over de geleverde prestaties legt het RIVM systematisch verantwoording af richting de opdrachtgevers. Voor de primaire opdrachtgevers VWS en IenM gebeurt dat in periodieke voortgangsrapportages die door deze opdrachtgevers worden vastgesteld. Voor de overige opdrachtgevers gebeurt dat via de tijdige levering van de afgesproken producten en diensten en de daarop volgende tijdige betaling door de opdrachtgevers van de overeengekomen opdrachtsom.

Audits en benchmarkonderzoeken vinden periodiek plaats. Over de (wetenschappelijke) audits op onderdelen van de primaire processen wordt gerapporteerd aan de Commissie van Toezicht.

4. Almata JeugdzorgPlus (Ossendrecht)

4.1 Inleiding

De rijksinstellingen voor JeugdzorgPlus De Lindenhorst en Almata zijn sinds 2009 tijdelijke agentschappen van het Ministerie van VWS.

In april 2011 heeft de Staatssecretaris van VWS de Tweede Kamer geïnformeerd over de capaciteit en toekomstige ontwikkelingen van de JeugdzorgPlus (TK 31 914, nr. 1). De twee JeugdzorgPlus-instellingen Almata en De Lindenhorst zullen in 2014 worden geprivatiseerd. De eerste fase van de transitie betreft het samenvoegen van de locatie Den Dolder van Almata en De Lindenhorst tot één instelling van ongeveer 96 plaatsen. Na de fusie wordt de instelling geprivatiseerd. De locatie van Almata in Ossendrecht zal in 2013 zelfstandig verder gaan onder de naam Almata JeugdzorgPlus, zal daarbij afslanken naar 70 zorgplaatsen en gaat in 2014 privatiseren. De afslanking is nodig vanwege het in evenwicht brengen van vraag en aanbod in de regio/sector. Door de fusie en inkrimping zal er een financieel gezonde organisatie ontstaan, die klaar is voor privatisering in 2014.

Het proces van afsplitsing en inkrimping is in 2013 voltooid. Het privatiseringsproces zal in de loop van 2014 gereed zijn. Vanwege deze ontwikkelingen worden er alleen nog voor het jaar 2014 bedragen opgenomen. In onderstaande begroting wordt uitgegaan van de situatie per 1 januari 2014 waar Almata Ossendrecht als zelfstandig agentschap opereert. De begroting van de locatie Almata Den Dolder is opgenomen in de paragraaf De Lindenhorst-Almata. Vanwege vertraging in het reorganisatietraject is de Minister van Financiën akkoord gegaan met het verzoek van de Minister van VWS om de tijdelijke agentschapstatus van Almata te verlengen tot en met 31 december 2014.

Almata Ossendrecht heeft als missie jongeren met ernstige gedragsproblemen te behandelen. Doel van de behandeling is het verminderen van probleemgedrag, het vergroten van competenties en het creëren van een realistisch toekomstperspectief, zodat jongeren zo snel mogelijk en beter toegerust terug kunnen keren in de samenleving.

In 2013 is Almata gestart met 24 trajecten, waarbij de ambitie is jongeren korter te laten verblijven in geslotenheid en langer te volgen na hun verblijf binnen de instelling. Dit is in lijn met de invoering van trajectzorg in de gehele sector.

Meer informatie over de organisatie en taken van het Almata vindt men op de website www.almata.nl.

4.2 Begroting 2014

Begroting van agentschap Almata JeugdzorgPlus voor het jaar 2014 (Bedragen x € 1.000)
 

2012 Stand Slotwet

2013

1e suppletoire begroting

2014

2015

2016

2017

2018

Baten

             

Omzet moederdepartement

28.438

9.561

10.050

       

Omzet overige departementen

926

0

0

       

Omzet derden

340

0

0

       

Rentebaten

2

0

1

       

Vrijval voorzieningen

422

0

0

       

Bijzondere baten

0

0

0

       
               

Totaal baten

30.128

9.561

10.051

       
               

Lasten

             

Apparaatskosten

28.972

9.337

9.337

       

– Personele kosten

15.917

5.959

5.959

       

waarvan eigen personeel

13.112

5.221

5.221

       

waarvan externe inhuur

2.805

738

738

       

– Materiële kosten

13.055

3.378

3.378

       

waarvan apparaat ICT

511

30

30

       

waarvan bijdrage aan SSO’s

404

222

222

       

Rentelasten

21

44

44

       

Afschrijvingskosten

283

180

180

       

– Materieel

260

180

180

       

waarvan apparaat ICT

0

0

0

       

– Immaterieel

23

0

0

       

Overige kosten

640

0

490

       

– Dotaties voorzieningen

640

0

490

       

– Bijzondere lasten

0

0

0

       
               

Totaal lasten

29.916

9.561

10.051

       
               

Saldo van baten en lasten

212

0

0

       

Toelichting begroting van baten en lasten

De cijfers voor het jaar 2012 zijn de cijfers van voor de afsplitsing van de locaties van Almata en gaan nog uit van 190 behandelplaatsen. Hierdoor zijn deze cijfers niet vergelijkbaar met de latere jaren.

Vanaf 2013 is het aantal capaciteitsplaatsen teruggebracht tot 70. In de begroting voor 2013 en 2014 zijn 10 behandelplaatsen opgenomen als zorgtraject plaatsen. Hiervoor worden circa 24 trajecten uitgevoerd.

De bedragen voor 2014 zijn uitgegaan van gelijkblijvende situatie als gold voor 2013. Er wordt uitgegaan van een personele formatie van 90 fte, die past bij de taken die uitgevoerd worden binnen de regelgeving van de Wet op de Jeugdzorg. De kapitaalslasten gaan uit van de werkelijke kosten die door de Rijksgebouwendienst (RGD) in rekening gebracht worden. Er is hierbij nog geen rekening gehouden met de komende Normatieve Huisvestingscomponent. De rijksspecifieke uitgaven betreffen de kosten voor de deelnemers aan de SBF regeling. Voor het externe deel van de trajectzorg is een bedrag gereserveerd voor inkoop van specifieke diensten (fasehuis en thuisbest begeleiding).

Met de financiële gevolgen van de transitie (reorganisatie, inkrimping, privatisering en Van Werk Naar Werk-trajecten) is in deze begroting geen rekening gehouden. Voor de transitiekosten zijn bij VWS reeds middelen gereserveerd. Deze zijn door directie Jeugd opgenomen in een separate transitiebegroting, waarin rekening wordt gehouden met alle financiële gevolgen van de fusie en de privatisering (personele gevolgen op basis van sociaal beleid, afkoop huurcontracten, overheveling pensioenrechten en afkoop substantieel bezwarende functie (SBF) rechten en kosten van deskundigen voor de juiste afwikkeling van de privatisering).

De omzet moederdepartement bestaat uit een bijdrage per behandelplaats, een vaste bijdrage voor kapitaallasten en een bijdrage van het Rijk voor SBF rechten. Voor Almata Ossendrecht zijn geen frictiekosten (doorlopende kosten) begroot, omdat in 2013 de afsplitsing gerealiseerd is en de instelling gereed is voor privatisering.

Omzet moederdepartement 2014 Almata JeugdzorgPlus (Bedragen x € 1.000)

Exploitatiebijdrage op basis van 70 plaatsen * € 115.000

8.050

Bijdrage voor kapitaallasten

1.510

Bijdrage Rijk voor Sociaal Flankerend Beleid

490

Totaal

10.050

Voor omzet derden is geen bedrag geraamd, omdat nog niet duidelijk is of er inkomsten uit ESF-projecten (Europees Sociaal Fonds) zullen zijn.

In de begroting is rekening gehouden met 10 plaatsen (op jaarbasis) voor zorgtrajecten en is een bedrag gereserveerd voor inkoop van externe diensten ten behoeve van de vervolgvoorzieningen voor het deel van de zorgtrajecten na het residentiële deel.

4.3 Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht Almata JeugdzorgPlus voor het jaar 2014 (Bedragen x € 1.000)
 

Omschrijving

2012 Stand Slotwet

2013

1e suppletoire begroting

2014

2015

2016

2017

2018

1.

Rekening courant RHB 1 januari + depositorekeningen

7.423

5.739

4.689

       

2.

Totaal operationele kasstroom

– 1.635

– 200

– 2.800

       
 

–/– totaal investeringen

– 240

– 500

– 300

       
 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

431

0

0

       

3.

Totaal investeringskasstroom

191

– 500

– 300

       
 

–/– eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

       
 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

       
 

–/– aflossingen op leningen

– 240

– 350

0

       
 

+/+ beroep op leenfaciliteit

0

0

0

       

4.

Totaal financieringskasstroom

– 240

– 350

0

       

5.

Rekening-courant RHB 31 december + stand depositorekeningen (=1+2+3+4)

5.739

4.689

1.589

       

Toelichting kasstroomoverzicht

De kasstroom gaat verder vanuit de stand van Almata JeugdzorgPlus per eind 2012 (TK 33 400 XVI, nr. 1). Vervolgens is de stand 2013 berekend. Het saldo loopt terug, omdat in 2013 een overheveling heeft plaatsgevonden van het deel van de locatie Den Dolder naar het agentschap De Lindenhorst-Almata. Daarnaast worden reserves gebruikt voor de dekking van een deel van de transitiekosten en deze zijn als zodanig opgenomen in de transitiebegroting. Bij privatisering zal er volledig afgerekend moeten worden conform de regels voor een agentschap. Eventuele overschotten bij de afrekening vloeien terug naar VWS.

De investeringen bestaan uit de aanpassingen van de ruimten voor de leefgroepen en de kamers van de jongeren, uit voorzieningen ten behoeve van de activiteiten voor jongeren en de aanpassing van de kantoren, lokalen en spreekkamers in verband met klimaatbeheersing en arboregelgeving.

4.4 Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Overzicht doelmatigheidsindicatoren Almata JeugdzorgPlus voor het jaar 2014
 

2012 Stand Slotwet

2013 Vastgestelde begroting

2014

2015

2016

2017

2018

Omschrijving generiek deel

             

1a. Kostprijs per behandelplaats regulier (in €)

137.347

137.000

137.000

       

1b. Kostprijs per behandelplaats incidenteel

(in €)

11.205

0

0

       

2. Bijdrage per behandelplaats (in €)

141.117

137.000

137.000

       

3. Aantal fte totaal (exclusief externe inhuur)

205

89

89

       

4. Saldo van baten en lasten (%)

0,7%

0,0%

0,0%

       
               

Omschrijving specifiek deel

             

1. Gemiddelde verblijfsduur (in maanden)

7

7

7

       

2. Aantal geregistreerde klachten

144

50

50

       

3. Percentage klachten gegrond verklaard

7,6%

5,0%

5,0%

       

Toelichting overzicht doelmatigheidsindicatoren

Kostprijzen per product(groep)

De (gemiddeld gewogen) kostprijs per behandelplaats bestaat uit een regulier deel ad € 115.000 (exclusief doorlopende kostendeel) en kapitaallasten van circa € 22.000.

De kapitaallasten zijn hoger dan gemiddeld in de sector als gevolg van hogere huurkosten door de Rijksgebouwendienst.

De kostprijs per product is niet vergelijkbaar met 2012 als gevolg van de opsplitsing van Almata. De cijfers van de vestiging Almata Ossendrecht waren altijd lager dan de totale kosten voor Almata vanwege goedkopere huisvestingsituatie.

Aantal fte totaal

Het totaal aantal fulltime-equivalenten (fte) werkzaam bij het agentschap per 31 december van het jaar, exclusief externe inhuur. Het aantal van 89 fte is gebaseerd op de lagere capaciteit van de nieuwe organisatie.

Het geraamde percentage inhuur externen bedraagt in 2014 12,4%.

Saldo van baten en lasten

Het saldo van baten en lasten als percentage van de totale baten.

Gemiddelde verblijfsduur

De vermelde verblijfstermijn van zeven maanden betreft het gesloten deel. Het verlengde totale zorgtraject kan doorlopen tot anderhalf jaar.

Geregistreerde klachten

De verwachte afname van het aantal klachten vindt zijn oorzaak in de opsplitsing van Almata.

5. JeugdzorgPlus-instelling De Lindenhorst-Almata

5.1 Inleiding

De rijksinstellingen voor JeugdzorgPlus De Lindenhorst en Almata zijn sinds 2009 tijdelijke agentschappen van het Ministerie van VWS.

In april 2011 heeft de Staatssecretaris van VWS de Tweede Kamer geïnformeerd over de capaciteit en toekomstige de ontwikkelingen van de JeugdzorgPlus (TK 31 914, nr. 1). De twee JeugdzorgPlus-instellingen Almata en De Lindenhorst zullen in 2014 worden geprivatiseerd. De eerste fase van de transitie betreft het in 2013 samenvoegen van de locatie Den Dolder van Almata en De Lindenhorst tot één instelling, JeugdzorgPlus-instelling De Lindenhorst-Almata. Naast deze fusie zal de nieuwe instelling in 2013 afslanken van 174 capaciteitsplaatsen naar 96 capaciteitsplaatsen. Deze afslanking is nodig vanwege regionale overcapaciteit in de sector JeugdzorgPlus. Vanwege vertraging in het reorganisatietraject is de Minister van Financiën akkoord gegaan met het verzoek van de Minister van VWS om de tijdelijke agentschapstatus van De Lindenhorst te verlengen tot en met 31 december 2014.

Het proces van fusering en inkrimping is in 2013 afgerond, dat van de privatisering in 2014. Voor de jaren na 2014 zijn dan ook geen bedragen meer opgenomen.

De Lindenhorst-Almata is een gespecialiseerde JeugdzorgPlus-instelling en heeft als kerntaak het bieden van individuele zorgtrajecten voor jongeren tussen de 12 en 18 jaar, tijdelijk in een gesloten setting waarbij de gesloten fase zo kort als mogelijk en zo lang als nodig duurt. De organisatie biedt orthopedische basiszorg, onderwijs en specialistische interventies aan jongeren met ernstige gedragsproblemen op één of meerdere leefgebieden. Dit met als doel jongeren beter toegerust te laten terugkeren in de samenleving.

In 2013 is de instelling gestart met zorgtrajecten (waarvoor 16 behandelplaatsen zijn gereserveerd), waarbij de ambitie is jongeren korter te laten verblijven in geslotenheid, maar langer te begeleiden na hun verblijf binnen de instelling. Dit is in lijn met de invoering van trajectzorg in de gehele sector. Na de fusie wordt De Lindenhorst-Almata geprivatiseerd. Dit proces zal in 2014 zijn afgerond. Meer informatie over de organisatie en taken van Lindenhorst-Almata vindt men op de website: www.delindenhorst.nl

5.2 Begroting 2014

Begroting van baten en lasten agentschap De Lindenhorst- Almata voor het jaar 2014 (Bedragen x € 1.000)
 

2012 Stand Slotwet

2013

1e suppletoire begroting

2014

2015

2016

2017

2018

Baten

             

Omzet moederdepartement

9.687

18.849

18.739

       

Omzet overige departementen

0

0

0

       

Omzet derden

507

0

0

       

Rentebaten

0

0

3

       

Vrijval voorzieningen

0

0

0

       

Bijzondere baten

0

0

0

       
               

Totaal baten

10.194

18.849

18.742

       
               

Lasten

             

Apparaatskosten

9.927

13.518

13.518

       

– Personele kosten

6.085

8.573

8.573

       

waarvan eigen personeel

5.022

8.242

8.242

       

waarvan externe inhuur

1.063

331

331

       

– Materiële kosten

3.842

4.945

4.945

       

waarvan apparaat ICT

269

42

42

       

waarvan bijdrage aan SSO’s

180

297

297

       

Rentelasten

11

63

63

       

Afschrijvingskosten

76

252

252

       

– Materieel

76

202

202

       

waarvan apparaat ICT

0

0

0

       

– Immaterieel

0

50

50

       

Overige kosten

0

5.016

4.909

       

– Dotaties voorzieningen

0

297

500

       

– Bijzondere lasten

0

0

0

       

– Frictiekosten

0

4.719

4.409

       
               

Totaal lasten

10.014

18.849

18.742

       
               

Saldo van baten en lasten

180

0

0

       

Toelichting begroting van baten en lasten

De cijfers voor het jaar 2012 zijn de cijfers van voor de samenvoeging van De Lindenhorst met Almata Den Dolder en gaan uit van 54 behandelplaatsen. Ze zijn hierdoor niet vergelijkbaar met de latere jaren. Vanaf 2013 is het aantal capaciteitsplaatsen bepaald op 96 plaatsen. In de begroting voor 2013 en 2014 zijn 16 behandelplaatsen opgenomen als zorgtrajectplaatsen. Hiervoor worden circa 32 trajecten uitgevoerd.

De bedragen voor 2014 zijn uitgegaan van gelijkblijvende situatie als gold voor 2013. Er wordt uitgegaan van een personele formatie van 135 fte, die past bij de taken die uitgevoerd worden binnen de regelgeving van de Wet op de Jeugdzorg. De kapitaalslasten gaan uit van de werkelijke kosten die door de Rijksgebouwendienst (RGD) in rekening gebracht worden. Er is hierbij nog geen rekening gehouden met de normatieve huisvestingscomponent. De rijksspecifieke uitgaven betreffen de kosten voor de deelnemers aan de SBF regeling. Voor het externe deel van de trajectzorg is een bedrag gereserveerd voor inkoop van specifieke diensten (naar huis, zelfstandig en langerdurende zorg).

Met de financiële gevolgen van de transitie (reorganisatie, inkrimping, privatisering en Van Werk Naar Werk-trajecten) is in deze begroting geen rekening gehouden. Voor de transitiekosten zijn bij VWS reeds middelen gereserveerd. Deze zijn door directie Jeugd opgenomen in een separate transitiebegroting, waarin rekening wordt gehouden met alle financiële gevolgen van de fusie en de privatisering (personele gevolgen op basis van sociaal beleid, afkoop huurcontracten, overheveling pensioen rechten en afkoop SBF rechten en kosten van deskundigen voor de juiste afwikkeling van de privatisering)

De omzet moederdepartement bestaat uit een bijdrage per behandelplaats, een vaste bijdrage voor kapitaallasten en een bijdrage van het Rijk voor SBF rechten.

Bij De Lindenhorst-Almata is er, zolang de fusie en privatisering nog niet geregeld is, sprake van frictiekosten omdat er nog twee locaties in stand moeten worden gehouden. Er zijn zodoende doorlopende kosten voor huurcontracten, ICT contracten en beveiliging leegstand.

Omzet moederdepartement 2014 De Lindenhorst-Almata (Bedragen x € 1.000)

Regulier deel:

 

Exploitatiebijdrage op basis van 70 plaatsen * € 115.000

11.040

Bijdrage voor kapitaallasten

2.790

Bijdrage Rijk voor Sociaal Flankerend Beleid

500

 

Aanvullend deel:

Doorlopende (huur)kosten voor gebouw

3.710

Doorlopende ICT-kosten (contract)

149

Kosten bewaking leegstaand gebouw

550

   

Totaal

18.739

Voor omzet derden is geen bedrag geraamd, omdat nog niet duidelijk is of er inkomsten uit ESF-projecten (Europees Sociaal Fonds) zullen zijn.

5.3 Kasstroomoverzicht

Kasstroomoverzicht De Lindenhorst-Almata voor het jaar 2014 (Bedragen x € 1.000)
 

Omschrijving

2012 Stand Slotwet

2013

1e suppletoire begroting

2014

2015

2016

2017

2018

1.

Rekening courant RHB 1 januari + depositorekeningen

719

1.805

1.493

       

2.

Totaal operationele kasstroom

1.226

– 200

100

       
 

–/– totaal investeringen

– 83

– 55

– 100

       
 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

0

0

0

       

3.

Totaal investeringskasstroom

– 83

– 55

– 100

       
 

–/– eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

       
 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

       
 

–/– aflossingen op leningen

– 57

– 57

– 105

       
 

+/+ beroep op leenfaciliteit

0

0

0

       

4.

Totaal financieringskasstroom

– 57

– 57

– 105

       

5.

Rekening-courant RHB 31 december + stand depositorekeningen (=1+2+3+4)

1.805

1.493

1.388

       

Toelichting kasstroomoverzicht

De kasstroom gaat verder vanuit de stand van De Lindenhorst per eind 2012 (TK 33 400 XVI, nr. 1). Vervolgens is de stand 2013 berekend. In 2013 is het rekening-courant deel van Almata-Den Dolder toegevoegd aan de rekening-courant van De Lindenhorst bij het Ministerie van Financiën. Het saldo loopt in 2014 terug, omdat reserves gebruikt worden voor de dekking van een deel van de transitiekosten en omdat leningen afgelost zullen worden in verband met de privatiseringsplannen. Bij privatisering zal er volledig afgerekend moeten worden conform de regels voor een agentschap. Eventuele overschotten bij de afrekening vloeien terug naar het Ministerie van VWS.

In 2014 zal er geïnvesteerd worden in beveiligingsvoorzieningen in verband met het samenbrengen van de jongens en meisjes op één locatie.

5.4 Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Overzicht doelmatigheidsindicatoren De Lindenhorst-Almata voor het jaar 2014
 

2012 Stand Slotwet

2013 vastgestelde begroting

2014

2015

2016

2017

2018

Omschrijving generiek deel

             
1. Kostprijs per behandelplaats regulier inclusief kapitaallasten (in €) 1

134.141

147.000

147.000

       

2. Bijdrage per behandelplaats (in €)

140.993

147.000

147.000

       

3. Aantal fte totaal (exclusief externe inhuur)

75,3

135,0

135,0

       

4. Saldo van baten en lasten (%)

1,8%

0,0%

0,0%

       
               

Omschrijving specifiek deel

             

1. Gemiddelde verblijfsduur (in maanden)

5,9

7

7

       

2. Aantal geregistreerde klachten

28

100

80

       

3. Percentage klachten gegrond verklaard

0%

10%

5%

       

Noot 1: Kostprijs per behandelplaats exclusief frictiekosten.

Toelichting overzicht doelmatigheidsindicatoren

Kostprijzen per product(groep)

De (gemiddeld gewogen) kostprijs per behandelplaats bestaat uit een regulier deel ad € 115.000 (exclusief doorlopende kostendeel) en kapitaallasten van circa € 32.000. De instelling is qua reguliere kostprijs gelijk aan het gemiddelde van de sector.

De kapitaallasten zijn hoger dan gemiddeld in de sector als gevolg van hogere huurkosten door de Rijksgebouwendienst.

De kostprijs per product is niet vergelijkbaar met 2012 als gevolg van de fusie van de twee rijksinstellingen, de voorbereidingen van de privatisering en de invoering van de zorgtrajecten.

Aantal fte totaal

Het totaal aantal fulltime-equivalenten werkzaam bij het agentschap per 31 december van het jaar, exclusief externe inhuur.

Het aantal fte van 135 fte is gebaseerd op de lagere capaciteit van de nieuwe organisatie. Voor boventallig personeel wordt via Van Werk Naar Werk-trajecten ander werk gezocht.

Het geraamde percentage inhuur externen bedraagt in 2014 3,9%.

Saldo van baten en lasten

Het saldo van baten en lasten als percentage van de totale baten.

Gemiddelde verblijfsduur

De vermelde verblijfstermijn van zeven maanden betreft het gesloten deel. Het verlengde totale zorgtraject kan doorlopen tot anderhalf jaar.

Geregistreerde klachten

In 2014 wordt, als de rust in de instelling is weergekeerd na de fusie en de reorganisatie, een daling verwacht van het aantal klachten.

2. FINANCIEEL BEELD ZORG BEGROTING 2014

1. Inleiding

In het Financieel Beeld Zorg (FBZ) staat de ontwikkeling van het Budgettair Kader Zorg (BKZ) centraal.

Het FBZ bestaat uit de volgende onderdelen:

  • 1.  Inleiding
  • 2.  Zorguitgaven in vogelvlucht
  • 3.  Uitgaven Budgettair Kader Zorg
    • 3.1.  Zorgverzekeringswet (Zvw)
    • 3.2.  Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)
    • 3.3.  Begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven
  • 4.  Financiering van de zorguitgaven
  • 5.  Bijlage: Historische ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten 2004–2014
  • 6.  Bijlage: Verdieping Financieel Beeld Zorg

In de verdiepingsbijlage «Verdieping Financieel Beeld Zorg» wordt een gedetailleerd overzicht gegeven van de ontwikkelingen binnen het Budgettair Kader Zorg op het niveau van de deelsectoren binnen de Zvw en de AWBZ.

Wijzigingen in het Financieel Beeld Zorg

In lijn met de veranderingen die reeds zijn doorgevoerd in de ontwerpbegroting 2013 (TK vergaderjaar 2012–2013, 33605 XVI, nr. 1), is in de ontwerpbegroting 2014 een aantal verbeteringen doorgevoerd:

  • •  In paragraaf 3.1.5 en 3.2.5 «Verticale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten» zijn de belangrijkste mee- en tegenvallers bij de zorguitgaven (zie tabel 7 en 10) toegelicht. Hiermee is tegemoetgekomen aan de wens van de Algemene Rekenkamer en de Tweede Kamer om meer aandacht te besteden aan de mee- en tegenvallers.
  • •  Paragraaf 2.3 «Horizontale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten» is uitgebreid en per sector gepresenteerd. Hiermee is tegemoetgekomen aan het verzoek uit de Eerste Kamer van het lid De Grave om de jaar op jaar ontwikkeling van de zorguitgaven uit te splitsen in een AWBZ-, een Zvw- en een begrotingsgefinancierd deel. In deze paragraaf zijn in tabel 3A ook de groeipercentages van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per sector weergegeven.
  • •  Bij diverse Kamerleden is er behoefte aan meer informatie over de historische ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten. Naar aanleiding hiervan is een aantal veranderingen doorgevoerd:
    • –  In paragraaf 2.2 is in figuur 3 de historische ontwikkeling van het BKZ en van de netto-BKZ-uitgaven en -ontvangsten 2004–2014 weergegeven. In bijlage 5 is een cijfermatig overzicht gegeven. In bijlage 5 is verder een tabel opgenomen met actuele cijfers voor de jaren 2009–2012 op sectorniveau.
  • •  Op pagina 7 van de VWS-begroting is een tabel met kerngegevens opgenomen van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten 2014. Hierin zijn in één oogopslag de totale BKZ-uitgaven en -ontvangsten 2014 zichtbaar.

Verbetering financiële informatievoorziening

Zorgverzekeraars, zorgaanbieders, patiënten en de overheid hebben behoefte aan tijdige en volledige informatie over de zorg. De informatie, in het bijzonder de financiële informatie, komt echter pas na verloop van tijd beschikbaar. Daarnaast is sprake van een veelheid aan begrippen en bronnen waardoor het moeilijk is uit de informatie eenduidige conclusies te trekken.

Omdat informatievoorziening een zo belangrijke rol speelt in het stelsel en het beleidsproces, is de verbetering van de informatievoorziening als één van de prioriteiten van het VWS-beleid aangemerkt. Op dit gebied zijn al diverse verbetertrajecten in gang gezet.

Tijdige en accurate financiële informatie is nodig voor een goede uitgavenbeheersing. VWS heeft de verantwoordelijkheid om de zorguitgaven binnen het afgesproken Budgettair Kader Zorg te houden, om zo kwalitatief goede zorg toegankelijk en betaalbaar te houden. Het BKZ vormt de meetlat waartegen de ramingen (vooraf) en de werkelijke uitgaven (achteraf) worden gelegd. Als ongewenste ontwikkelingen dreigen of zich voordoen, moet er met gepaste maatregelen bijgestuurd kunnen worden.

Stuurgroep Verbetering Informatievoorziening Zorguitgaven

Om voldoende focus en draagkracht te creëren bij de verbeteringen op het gebied van de financiële informatievoorziening is, in het verlengde van de Taskforce beheersing zorguitgaven, eind vorig jaar een zware ambtelijke stuurgroep Verbetering Informatievoorziening Zorguitgaven ingesteld.

De opdracht aan de stuurgroep is:

  • 1.  Voorstellen ontwikkelen voor het versnellen van de financiële informatievoorziening en de implementatie van die voorstellen. Het doel is dat in maart t+1 voldoende betrouwbare informatie over t beschikbaar is.
  • 2.  Voorstellen ontwikkelen voor monitoring van de zorguitgaven gedurende het jaar (early warning, bijvoorbeeld door beter zicht op onderhanden werk) en de implementatie van die voorstellen.
  • 3.  Voorstellen ontwikkelen voor verbetering van de verklarende informatie (als eerste welke informatie is nodig, als tweede waar is die informatie beschikbaar en ten slotte hoe is de informatie te ontsluiten en op welke termijn) en de implementatie van die voorstellen.

Deze drie onderdelen kunnen niet los van elkaar worden gezien. Een sneller en vollediger beeld over de zorguitgaven aan het eind van een uitvoeringsjaar wint aan waarde wanneer die uitgaven ook in de loop van het jaar op eenduidige wijze kunnen worden gevolgd. Daarbij is het van belang dat de ontwikkelingen in de uitgaven ook kunnen worden verklaard, zeker als die afwijken van het beschikbare kader. Op die manier kunnen maatregelen ook beter aangrijpen bij de oorzaak van de afwijking. Over de te treffen maatregelen is de Kamer bij brief van 4 juli 2013 (127616–105951-FEZ) geïnformeerd.

Er is veel informatie over de zorg en de zorguitgaven beschikbaar. Hoewel deze informatie door het hanteren van verschillende definities, indelingen en/of perioden niet eenvoudig aan te sluiten is op de bedragen die zijn opgenomen in het Budgettair Kader Zorg, bieden deze bronnen een goed inzicht in diverse aspecten van de gezondheidszorg. Hieronder is als achtergrondinformatie een aantal links naar websites opgenomen die verwijzen naar publicaties van het RIVM, de NZa en het CVZ.

http://www.zorgatlas.nl/

http://www.nationaalkompas.nl/

http://www.kostenvanziekten.nl/

http://www.gezondheidszorgbalans.nl/

http://www.vtv2010.nl

http://www.nza.nl/

http://www.cvz.nl/

Het Budgettair Kader Zorg

Het BKZ bestaat uit alle uitgaven die op basis van een wettelijke aanspraak dan wel een subsidie op grond van de Zvw of de AWBZ worden gemaakt. Een deel van de begrotingsuitgaven van VWS wordt ook gerekend tot het BKZ. Het gaat daarbij om een deel van de uitgaven op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg), de uitgaven voor zorg, jeugd en welzijn in Caribisch Nederland en bepaalde uitgaven aan opleidingen. Deze uitgaven staan vermeld in de beleidsartikelen 4 en 8 van de VWS-begroting. Daarnaast omvat het BKZ uitgaven die via andere begrotingshoofdstukken beschikbaar worden gesteld. Het gaat hierbij om de middelen die via het gemeentefonds worden uitgekeerd aan gemeenten voor uitgaven voor huishoudelijke hulp in het kader van de Wmo. Ook zijn er bedragen gereserveerd op de aanvullende post van het Ministerie van Financiën die toegerekend worden aan het BKZ.

Het BKZ is het kader voor de netto-BKZ-uitgaven. In Figuur 1 wordt het onderscheid tussen bruto- en netto-BKZ schematisch weergegeven. Voor meer informatie zie de leeswijzer op pagina 5.

Figuur 1 Bruto- en netto Zorguitgaven 2014

* «Overig» betreft de begrotingsgefinancierde uitgaven op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg), de uitgaven voor zorg, jeugd en welzijn in Caribisch Nederland en bepaalde uitgaven aan opleidingen.

2. Zorguitgaven in vogelvlucht

2.1 Ontwikkeling van de zorguitgaven

De zorguitgaven zijn de afgelopen jaren aanzienlijk toegenomen. Met de maatregelen uit het regeerakkoord van het kabinet-Rutte-Asscher zijn voor zowel de curatieve zorg als de maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg flinke stappen gezet om te kunnen komen tot een meer houdbare ontwikkeling van de zorguitgaven. In de in het voorjaar van 2013 gesloten «Zorgafspraken» zijn overeenkomsten gesloten met de werkgevers- en het gros van de werknemersorganisaties in de zorg over beheerste loonontwikkeling. Met de structurele middelen die daaruit beschikbaar komen, wordt in de curatieve zorg geïnvesteerd in verbetering van de arbeidsmarktpositie van zorgpersoneel. Ook wordt ingezet op kwaliteitsverbetering, door scholing en bijscholing. In de langdurige zorg is een aantal verzachtingen van regeerakkoordmaatregelen overeengekomen. Aanvullend hierop zijn in juli van 2013 met verschillende sectoren in de curatieve zorg afspraken gemaakt over nieuw te sluiten Hoofdlijnenakkoorden waarbij is overeengekomen de uitgavenstijging in de zorg verder te beheersen en hiermee een bijdrage te leveren aan houdbare overheidsfinanciën (TK, 29 248, nr. 257). Alle partijen hebben hiermee aangetoond verantwoordelijkheid te nemen om samen een duurzaam zorgstelsel te ontwikkelen. Verder zijn door een samenhangend geheel van maatregelen (onder andere door het afsluiten van convenanten met het veld, het geven van de bevoegdheid tot het voeren van preferentiebeleid en vrij onderhandelbare tarieven apotheekhoudenden) en het inkoopbeleid van zorgverzekeraars, de uitgaven voor geneesmiddelen beduidend lager uitgevallen.

Onderstaande figuur maakt inzichtelijk dat de maatregelen uit het regeerakkoord en de Hoofdlijnenakkoorden die gesloten gaan worden met de verschillende sectoren in de curatieve zorg leiden tot een verlaging van de groei van de reële bruto-BKZ-uitgaven. Ondanks deze verlaging van de reële groei, ligt deze groei nog altijd boven de reële groei van het bruto binnenlands product (BBP).

Figuur 2 Reële groei van de bruto-BKZ-uitgaven en reële groei BBP (%)

2.2 Ontwikkeling van het Budgettair Kader Zorg en de netto-BKZ-uitgaven

Tabel 1 laat de ontwikkeling van het BKZ en de netto-BKZ-uitgaven zien in de periode 2013 tot en met 2017 vanaf de stand ontwerpbegroting 2013. Het Budgettair Kader Zorg is bij de start van het kabinet-Rutte-Asscher voor de periode 2013–2017 vastgesteld bij Startnota (TK 33 400, nr. 18) 16. De maatregelen uit het regeerakkooord hebben geleid tot een verlaging van het Budgettair Kader Zorg bij Startnota van ruim € 5 miljard in 2017. De actualisering van de zorguitgaven heeft geleid tot een onderschrijding van het BKZ vanaf 2013. In het voorjaar van 2013 zijn met diverse partijen uit het zorgveld Zorgafspraken gemaakt om een breed draagvlak voor de op handen zijnde hervormingen in de zorg te creëren. Onderdeel van dit akkoord is dat sectoren loonruimte inleveren (de incidentele loonontwikkeling wordt beperkt) en dat dit geld op een andere manier voor de sector beschikbaar komt. Daarnaast zijn in de Hoofdlijnenakkoorden die gesloten gaan worden met de sectoren in de curatieve zorg afspraken gemaakt over beperking van de groeiruimte. Deze ontwikkelingen leiden tot een forse onderschrijding van het BKZ.

De budgettaire effecten van het aanvullend beleidspakket worden verwerkt in de kaders zoals vastgesteld bij het regeerakkoord. Na verwerking van de maatregelen en de macro-economische doorwerking conform de MEV wroden de utigavenkaders herijkt.

Tabel 1 Ontwikkeling van het BKZ en de netto-BKZ-uitgaven 2013–2017 (bedragen x € 1 miljoen)
 

2013

2014

2015

2016

2017

Netto BKZ-uitgaven stand ontwerpbegroting 2013

65.801

69.276

72.548

77.215

82.272

Maatregelen regeerakkoord

145

– 463

– 2.975

– 3.891

– 5.222

Macro-economische doorwerking

236

838

383

– 1.001

– 2.537

Overig

0

17

17

43

43

BKZ Startnota Kabinet-Rutte-Asscher

66.181

69.667

69.973

72.366

74.556

Prijs nationale bestedingen (pNB)

– 368

– 729

– 732

– 757

– 780

IJklijnmutaties

– 40

– 72

– 69

– 91

– 101

Bijstelling BKZ

– 408

– 801

– 801

– 848

– 882

BKZ stand ontwerpbegroting 2014

65.774

68.866

69.172

71.518

73.674

Netto-BKZ-uitgaven stand ontwerpbegroting 2014

65.514

67.826

69.018

70.960

72.917

Over-/onderschrijding BKZ

– 260

– 1.040

– 154

– 558

– 757

Herijking kader

 

1.040

154

558

757

BKZ kader ontwerpbegroting 2014 na herijking

 

67.826

69.018

70.960

72.917

Nieuwe kadertoets

 

0

0

0

0

Bron: VWS, NZa-gegevens over de productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens, CVZ-gegevens over financieringslasten Zvw en AWBZ.

Startnota vergaderjaar 2012–2013 (33 400, nr. 18).

1 Door afronding kan de som der delen afwijken van het totaal.

De genomen maatregelen en gemaakte afspraken hebben ertoe geleid dat er vooralsnog sprake is van een onderschrijding van het BKZ oplopend van € 260 miljoen in 2013 tot € 757 miljoen in 2017. Ondanks deze onderschrijding van het BKZ blijven de zorguitgaven de komende jaren stijgen.

Tabel 2 geeft een overzicht van de kadertoetsing van het BKZ 2013 tot met 2017 vanaf de stand Startnota. De zorgsector laat vooral dankzij de lagere uitgavengroei bij de geneesmiddelen en de met de veldpartijen overeengekomen hoofdlijnenakkoorden in alle jaren een substantiële onderschrijding van het kader zien.

Tabel 2 Kadertoets Budgettair Kader Zorg 2014 (bedragen x € 1 miljoen; –/– is saldoverbeterend)
 

2013

2014

2015

2016

2017

Kadertoets BKZ Startnota

0

0

0

0

0

Mutatie 1e suppletoire begroting 2013

– 129

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Kadertoets BKZ 1e suppletoire begroting 2013

– 129

0

0

0

0

Mutatie begroting 2014

– 131

– 1.040

– 154

– 558

– 757

Kadertoets BKZ begroting 2014

– 260

– 1.040

– 154

– 558

– 757

herijking kader

 

1.040

154

558

757

Kadertoets BKZ begroting 2014 na herijking

 

0

0

0

0

Bron: VWS, NZa-gegevens over de productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens, CVZ-gegevens over voorlopige financieringslasten Zvw en AWBZ.

Realisatiecijfers in de zorg ijlen nog enige jaren na. Daardoor kunnen er ook na het verschijnen van VWS-jaarverslagen nog aanpassingen in de cijfers plaatsvinden. In figuur 3 is de historische ontwikkeling van het Budgettair Kader Zorg (stand jaarverslag), de netto-BKZ-uitgaven (stand jaarverslag) en de meest actuale stand weergegeven. Hieruit blijkt dat de uitgavenstand nog wijzigt na het verschijnen van het jaarverslag. Een cijfermatig overzicht wordt gegeven in bijlage 5.

Figuur 3 Historische ontwikkeling van het Budgettair Kader Zorg en de netto-BKZ-uitgaven 2004–2014* (bedragen x € 1 miljoen)

* De cijfers voor het jaar 2013 en 2014 zijn de standen ontwerpbegroting 2014

2.3 Horizontale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per sector

De horizontale ontwikkeling geeft de jaar op jaar ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten weer. In tabel 3 is de horizontale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per sector weergegeven. Hierbij wordt een toelichting gegeven op het verloop van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten vanaf 2012 tot en met 2014 volgens de huidige inzichten. De ontwikkeling van de sectoren is onderverdeeld naar de oorzaak van de ontwikkeling:

  • •  Nominaal (N);
  • •  Beleidsmatig (B), hieronder zijn opgenomen de intensiveringen en maatregelen;
  • •  Mee- en tegenvallers (M), waaronder de actualisering van de zorguitgaven op basis van cijfers CVZ en NZa;
  • •  Technisch (T), waaronder budgetnautrale verschuivingen.
Tabel 3 Horizontale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per sector (bedragen x € 1 miljard) 1Door afronding kan de som van de delen afwijken van het totaal.
 

2012

N

B

M

T

2013

N

B

M

T

2014

Zorgverzekeringswet (Zvw)

36,2

1,0

1,3

0,0

2,0

40,6

1,2

0,7

– 0,1

0,1

42,6

Eerstelijnszorg

4,2

0,1

0,1

– 0,1

0,0

4,4

0,0

0,1

0,0

0,0

4,5

Medisch-specialistische zorg

20,2

0,5

0,5

0,0

1,1

22,2

0,0

0,3

– 0,1

0,0

22,5

Ziekenvervoer

0,6

0,0

0,0

0,0

0,0

0,6

0,0

0,0

0,0

0,0

0,6

Genees- en hulpmiddelen

6,1

0,2

0,4

0,0

– 0,2

6,6

0,0

0,3

0,0

0,0

6,8

Geneeskundige geestelijke gezondheidszorg

4,0

0,1

0,1

0,0

0,0

4,3

0,0

0,1

0,0

0,0

4,3

Beschikbaarheidbijdrage opleidingen Zvw

0,0

0,0

0,0

0,0

1,0

1,0

0,0

0,0

0,0

0,2

1,2

Overige 2

1,1

0,0

0,0

0,0

0,0

1,2

0,0

0,0

0,0

0,0

1,2

Nominaal en onverdeeld

0,0

0,1

0,2

0,0

0,0

0,2

1,2

0,0

0,0

0,0

1,3

                       

Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)

27,9

0,5

– 0,3

0,3

– 1,0

27,3

1,1

– 0,4

0,2

– 0,1

28,1

Preventieve zorg

0,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,1

Zorg in natura

24,6

0,4

– 0,5

0,0

– 0,8

23,7

0,0

– 0,1

0,0

0,0

23,7

– wv. intramurale ggz

1,6

0,0

– 0,1

0,0

0,0

1,6

0,0

0,0

0,0

0,0

1,6

– wv. intramurale ghz

5,3

0,1

– 0,2

0,0

0,1

5,2

0,0

0,0

0,0

0,1

5,3

– wv. intramurale v&v

8,8

0,1

0,0

0,0

– 0,6

8,3

0,0

– 0,1

0,0

0,2

8,4

– wv. extramurale zorg

4,2

0,1

0,0

0,0

– 0,1

4,1

0,0

0,0

0,0

0,0

4,1

– wv. dagbesteding en vervoer

1,2

0,0

– 0,2

0,0

0,0

1,1

0,0

0,0

0,0

0,0

1,1

– wv. kapitaallasten

2,5

0,0

0,0

0,0

– 0,3

2,2

0,0

0,0

0,0

– 0,2

1,9

– wv. overige zorg in natura

1,1

0,0

0,0

0,0

0,1

1,3

0,0

0,0

0,0

0,0

1,3

                       

Persoonsgebonden budgetten

2,5

0,1

0,1

0,2

– 0,2

2,6

0,0

– 0,3

0,2

– 0,2

2,4

MEE-instellingen

0,2

0,0

0,0

0,0

0,0

0,2

0,0

0,0

0,0

0,0

0,2

Beschikbaarheidbijdrage opleidingen AWBZ

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Overige 3

0,4

0,0

0,0

0,0

– 0,1

0,3

0,0

0,0

0,0

0,0

0,3

Nominaal en onverdeeld

0,1

0,0

0,2

0,0

0,1

0,3

1,1

– 0,1

0,0

0,0

1,4

                       

Begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven

3,4

0,0

– 0,2

0,0

– 0,9

2,3

0,0

0,1

0,0

– 0,2

2,2

Opleidingen (begrotingsdeel)

1,2

0,0

0,0

0,0

– 0,9

0,3

0,0

0,0

0,0

– 0,2

0,1

Caribisch Nederland

0,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,1

Wtcg

0,6

0,0

– 0,2

0,0

0,0

0,4

0,0

0,0

0,0

0,0

0,4

Wmo (gemeentefonds)

1,5

0,0

0,0

0,0

0,0

1,5

0,0

0,1

0,0

0,0

1,7

Loon- en prijsbijstelling

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

                       

Bruto-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2014

67,5

1,5

0,9

0,3

0,1

70,2

2,3

0,4

0,2

– 0,2

72,9

BKZ-ontvangsten ontwerpbegroting 2014

3,7

0,0

0,9

0,1

0,0

4,7

0,0

0,1

0,3

0,0

5,1

Netto-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2014

63,8

1,5

0,0

0,2

0,1

65,5

2,3

0,3

– 0,2

– 0,2

67,8

Noot 2: Bij de Zvw zijn onder de post overige opgenomen de deelsectoren; grensoverschrijdende zorg, beheerskosten uitvoeringsorganen Zvw en multidisciplinaire zorgverlening.

Noot 3: Bij de AWBZ zijn onder de post overige opgenomen de deelsectoren; bovenbudgettaire vergoedingen (tot 2013), beheerskosten, subsidie, tandheelkundige zorg AWBZ, instellingen voor medisch specialistische zorg AWBZ en overig curatieve zorg AWBZ.

Bron: VWS, NZa-gegevens over de productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens, CVZ-gegevens over de financieringslasten Zvw en AWBZ.

Nominaal

De nominale ontwikkeling bij de Zvw en de AWBZ in 2013 van in totaal € 1,5 miljard en in 2014 van € 2,3 miljard betreft de jaarlijkse aanpassing van de zorguitgaven aan de loon- en prijsontwikkeling op basis van de ramingen van het CPB. De vergoeding voor loon- en prijsontwikkeling 2013 is toebedeeld aan de sectoren. De vergoedingen voor de loon- en prijsbijstelling 2014 is voor alle sectoren in eerste instantie gereserveerd op nominaal en onverdeeld 17. Daar staat de raming voor de rest van de kabinetsperiode gereserveerd. De tranche 2014 wordt later aan de sectoren toebedeeld.

Beleidsmatig

Onder beleidsmatig zijn opgenomen de intensiveringen en maatregelen die het gevolg zijn van politieke prioriteitstelling. De intensiveringen betreffen voornamelijk de groeiruimte die op basis van akkoorden, politieke prioriteitenstelling of op basis van de raming van de jaarlijkse autonome ontwikkeling van de zorguitgaven (volgend uit de CPB middellangetermijnraming) beschikbaar is. De uitgavenbeperkende maatregelen zijn veelal ter redressering van eerdere overschrijdingen. Groeiruimte of maatregelen kunnen zich zowel in volume als in prijseffecten manifesteren, of in een combinatie van beide.

Zorgverzekeringswet (Zvw)

Bij de sector Zvw is voor 2013 een beleidsmatige groei te zien van € 1,3 miljard en voor 2014 een groei van € 0,7 miljard. Met de sectoren medisch-specialistische zorg, curatieve ggz en huisartsen zijn in 2011 en 2012 akkoorden gesloten waarin is afgesproken dat de uitgaven van de sectoren in 2013 2,5 % mogen stijgen. In de Hoofdlijnenakkoorden die in juli 2013 overeen zijn gekomen met ziekenhuizen, medisch specialisten, zelfstandige behandelcentra, curatieve ggz en eerstelijnszorgaanbieders (huisartsen, zorggroepen) is afgesproken dat de uitgaven in deze sectoren in 2014 1,5% mogen stijgen. Hierdoor stijgen de Zvw-uitgaven minder snel. Verder neemt de groei van de geneesmiddelen af als gevolg van een samenhangend geheel van maatregelen en het inkoopbeleid van zorgverzekeraars.

Algemene Wet Bijzondere Ziekte kosten (AWBZ)

Bij de AWBZ is sprake van een beperkte negatieve ontwikkeling van de uitgaven van 2012 op 2013 en van 2013 op 2014 (€ 0,3 miljard en € 0,4 miljard). De daling van 2012 op 2013 hangt samen met de maatregelen die met ingang van 1 januari 2013 worden getroffen. Zo zijn vanaf 1 januari 2013 onder andere de bovenbudgettaire vergoedingen onder de contracteerruimte gebracht, de tariefverhoging van de ZZP’s in de ggz en gehandicaptenzorg ongedaan gemaakt, is de groeiruimte verlaagd tot het niveau van de demografie en zijn de normtarieven voor vervoer geharmoniseerd. Van 2013 op 2014 dalen de pgb-uitgaven als gevolg van eerder genomen maatregelen. De uitgaven intramurale verpleging en verzorging dalen als gevolg van compensatie van de Wmo in verband met het extramuraliseren van lichte ZZP’s.

Ontvangsten

De ontvangsten stijgen in 2013 en 2014. De toename van de ontvangsten in 2013 wordt voornamelijk veroorzaakt door de stijging van het eigen risico met € 115 zoals afgesproken in het Begrotingsakkoord 2013. In 2014 stijgen de ontvangsten verder door als gevolg van het afschaffen van de inkomensondersteunende regelingen.

Mee- en tegenvallers

De mee- en tegenvallers kunnen het gevolg zijn van een volume en/of een prijseffect. De actualisering van de zorguitgaven vallen onder de mee- en tegenvallers. Mee- en tegenvallers blijken veelal uit realisatiecijfers (in deze begroting betreft het de voorlopige realisatiecijfers 2012). Mee- en tegenvallers werken meestal structureel door als constante reeks. Daarom staan bij de meeste sectoren geen bijstellingen.

De stijging van de AWBZ-uitgaven van 2012 op 2013 als gevolg van mee- en tegenvallers wordt grotendeels veroorzaakt door een volumetoename bij de persoonsgebonden budgetten. In het Begrotingsakkoord 2013 zijn maatregelen genomen om deze groei te beperken.

In 2014 dalen de Zvw-uitgaven als gevolg van mee- en tegenvallers bij de medisch-specialistische zorg. Dit wordt grotendeels veroorzaakt door de ramingsbijstellingen van de beschikbaarheidbijdrage academische zorg en beschikbaarheidbijdrage kapitaallasten academische zorg.

Technisch

De technische mutaties betreffen voornamelijk budgetneutrale verschuivingen tussen onderdelen van de AWBZ, de Zvw en de begroting van VWS. Bij de ontwikkeling in 2013 gaat het om de overheveling van de geriatrische revalidatiezorg en de bruikleenregeling voor hulpmiddelen van de AWBZ naar de Zvw. Daarnaast zijn in 2013 middelen voor de opleidingen vanuit de VWS-begroting naar de AWBZ en Zvw overgeheveld. In 2014 wordt ook het Fonds ziekenhuisopleidingen overgeheveld van de VWS-begroting naar de Zvw.

In tabel 3A zijn de groeipercentages van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per financieringsbron weergegeven.

Tabel 3A Groeipercentages van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per financieringsbron (bedragen x € 1 miljard)
 

2012

Groei

Overhevelingen

Groei gecorr. voor overh.

2013

Groei

Overhevelingen

Groei gecorr. voor overh.

2014

 

(bedrag)

(%)

(%)

(%)

(bedrag)

(%)

(%)

(%)

(bedrag)

Zorgverzekeringswet

36,2

11,9

5,4

6,5

40,6

5,0

0,3

4,7

42,6

Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten

27,9

– 1,8

– 3,7

1,9

27,3

2,8

– 0,3

3,2

28,1

Begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven

3,4

– 31,6

– 25,4

– 6,2

2,3

– 4,6

– 8,4

3,8

2,2

Bruto-BKZ-uitgaven OW 2014

67,5

4,0

0,1

4,0

70,2

3,8

– 0,2

4,1

72,9

BKZ-ontvangsten OW 2014

3,7

25,2

– 0,9

26,2

4,7

10,7

0,0

10,7

5,1

Netto-BKZ-uitgaven OW 2014

63,8

2,8

0,1

2,7

65,5

3,4

– 0,2

3,6

67,8

2.4 Verticale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten

Tabel 4 laat vanaf de stand ontwerpbegroting 2013 de verticale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten op hoofdlijnen zien. De verdere verdieping van de verticale ontwik.eling vindt plaats in paragraaf 3 en in de verdiepingsbijlage Financieel Beeld Zorg in bijlage 6.

Tabel 4 Verticale ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten (bedragen x € 1 miljoen)
 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

Bruto-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2013

67.839,1

70.471,9

74.064,0

77.201,8

82.041,6

87.194,8

 
               

Mutaties Zvw-uitgaven

– 774,3

– 486,5

– 624,4

816,2

– 647,8

– 2.573,9

 

Mutaties AWBZ-uitgaven

420,1

45,2

– 626,5

– 3.509,8

-4.626,9

– 5.885,3

 

Mutaties begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven

24,1

201,1

81,9

– 117,1

– 276,7

– 171,8

 

Totaal mutaties

– 330,1

– 240,2

– 1.169,0

– 2.810,6

– 5.551,3

– 8.631,0

 
               

Bruto-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2014

67.509,0

70.231,6

72.895,0

74.391,2

76.490,3

78.563,8

81.825,9

BKZ-ontvangsten ontwerpbegroting 2013

3.601,4

4.671,0

4.788,2

4.653,8

4.826,6

4.922,8

               

Mutaties Zvw-ontvangsten

0,0

– 145,0

184,0

478,0

462,0

483,0

Mutaties AWBZ-ontvangsten

39,4

39,4

96,4

241,4

241,4

241,4

Mutaties begrotingsgefinancierde BKZ-ontvangsten

20,9

152,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Totaal mutaties

60,3

46,4

280,4

719,4

703,4

724,4

               

BKZ-ontvangsten ontwerpbegroting 2014

3.661,8

4.717,4

5.068,6

5.373,2

5.530,0

5.647,2

5.794,2

Netto-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2013

64.237,7

65.800,8

69.275,8

72.548,0

77.215,0

82.271,9

 
               

Totaal mutaties

– 390,4

– 286,6

– 1.449,4

– 3.530,0

– 6.254,7

– 9.355,4

 
               

Netto-BKZ-uitgaven ontwerpbegroting 2014

63.847,2

65.514,2

67.826,4

69.017,9

70.960,2

72.916,6

76.031,7

Bron: VWS, NZa-gegevens over de productieafspraken en voorlopige realisatiegegevens, CVZ-gegevens over de financieringslasten Zvw en AWBZ.

Ten opzichte van de stand ontwerpbegroting 2013 nemen de BKZ-uitgaven in 2014 af met circa € 1.169 miljoen en de BKZ-ontvangsten stijgen met circa € 280 miljoen. De daling van de BKZ-uitgaven heeft voornamelijk betrekking op de AWBZ (€ 627 miljoen) en de Zvw (€ 624 miljoen). De AWBZ-uitgaven dalen ten opzichte van de stand ontwerpbegroting 2013 voornamelijk als gevolg van de korting van de contracteerruimte 2014. De daling van de Zvw-uitgaven wordt grotendeels verklaard door de akkoorden die gesloten gaan worden met de veldpartijen in de curatieve zorg (TK, 29 248, nr. 257). De daling van de uitgaven voor geneesmiddelen leidt ook tot een daling van de Zvw-uitgaven. Daarnaast stijgen de begrotingsgefinancierde BKZ-uitgaven met circa € 82 miljoen. De stijging van de ontvangsten betreft de AWBZ (€ 96 miljoen) en de Zvw (€ 184 miljoen). In paragraaf 3 is de ontwikkeling van de BKZ-uitgaven en -ontvangsten per financieringsbron verder toegelicht.

3. Uitgaven Budgettair Kader Zorg

3.1 Zorgverzekeringswet (Zvw)

3.1.1 Algemene doelstelling

Een kwalitatief goed en toegankelijk stelsel voor curatieve zorg tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

3.1.2 Rol en verantwoordelijkheid Minister

De Minister van VWS is verantwoordelijk voor de werking van het stelsel voor curatieve zorg. De Minister is verantwoordelijk voor het opstellen en handhaven van de wettelijke kaders waarbinnen het zorgstelsel functioneert. Het wettelijk kader wordt gevormd door de Zorgverzekeringswet, de Wet Bijzondere Medische Verrichtingen, de Wet Marktordening Gezondheidszorg, de Wet Geneesmiddelenprijzen en de Wet Toelating zorginstellingen.

De uitvoering van het zorgstelsel is in handen van private partijen. Verzekeraars sluiten contracten met een veelheid aan private, over het land verspreide zorgaanbieders: ziekenhuizen, instellingen voor geestelijke gezondheidszorg en vrijgevestigde beroepsbeoefenaren, zoals huisartsen, apothekers, paramedici. Door middel van onderlinge concurrentie proberen verzekeraars een zo goed mogelijke prijs/kwaliteitverhouding en doelmatigheid in de zorg te bereiken. De zorg wordt gefinancierd uit collectieve middelen, maar de zorg die aanbieders verlenen en de uitgaven die daarmee gemoeid zijn vergen geen expliciete toestemming van de Minister van VWS. Deze vloeien voort uit de aanspraken die zijn vastgelegd in de Zorgverzekeringswet (Zvw). De diversiteit van de zorgsector op een speelveld met publieke en private elementen heeft consequenties voor de sturingsmogelijkheden voor de Minister van VWS.

De Minister is in het zorgstelsel verantwoordelijk voor macrokostenbeheersing en stelt eisen aan de kwaliteit van de zorg. De Minister heeft geen directe invloed op de hoeveelheid zorg die wordt geleverd en de prijsontwikkeling in die sectoren waar de prijsvorming door de partijen wordt bepaald. De Minister heeft wel invloed op de samenstelling van het verplicht verzekerde pakket (het basispakket) en de (maximale) hoogte van tarieven in sectoren waar de prijsvorming niet is vrijgegeven. Tevens kan de Minister doelmatigheid in de zorgsector bevorderen, bijvoorbeeld door het maken van afspraken met het veld en het stimuleren van gepast zorggebruik.

De Minister wordt ondersteund door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa).

De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) houdt op basis van de geldende normen toezicht op de kwaliteit en toegankelijkheid van de zorg in Nederland.

De NZa en het CVZ spelen een belangrijke rol bij de beheersing van de zorguitgaven. Het CVZ adviseert de Minister over de samenstelling van het verzekerde pakket en beheert het Zorgverzekeringsfonds (ZvF). De NZa behartigt het belang van de zorgconsument, onder andere door te adviseren over beleid en regelgeving. Daarnaast is de NZa onafhankelijk toezichthouder in de zorg die kijkt of zorgaanbieders en zorgverzekeraars de wet naleven. De NZa stelt op aanwijzing van de Minister regels, budgetten en tarieven vast voor dat deel van de zorg dat is gereguleerd en stelt condities voor concurrentie vast in zorgsectoren met vrije prijsvorming.

De NZa en het CVZ brengen de omvang van de gerealiseerde zorguitgaven in kaart. Zij baseren zich daarbij op informatie van zorgverzekeraars en instellingen, die na afloop van het jaar door een externe accountant worden beoordeeld. Op basis van de rapportages van de NZa en het CVZ legt de Minister verantwoording af aan de Tweede Kamer.

3.1.3 Kerncijfers

De kerncijfers in tabel 5 schetsen een beeld van de zorgverzekeringswet.

Tabel 5 Kerncijfers Zorgverzekeringswet (Zvw)
   

Eenheid

2010

2011

2012

2013

Algemeen

         

1

Bevolking naar leeftijd in % van totale bevolking 1 januari

%

       
 

Jonger dan 20 jaar

 

23,7

23,5

23,3

23,1

 

20 tot 65 jaar

 

61,0

60,9

60,5

60,1

 

65+