Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2016-2017

Nr. 2

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het jaar 2017 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat/begrotingsstaten opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

Wetsartikel 3

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat van het Diergezondheidsfonds voor het jaar 2017 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2017 vastgesteld. Het in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikel wordt in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

De Minister van Economische Zaken,
H.G.J. Kamp

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. Leeswijzer

De leeswijzer gaat in op de volgende onderwerpen:

  • 1.  Begrotingsstructuur;
  • 2.  Prestatiegegevens;
  • 3.  Groeiparagraaf;
  • 4.  Verwerking motie Schouw en motie Hachchi c.s.;
  • 5.  Ontwikkeling bedrijfsinvesteringen.

1. Begrotingsstructuur

Beleidsagenda

De beleidsagenda begint met een beschrijving van het economisch beeld. Evenals vorig jaar vormen «vernieuwen, verduurzamen en verbinden» de basis voor de beleidsagenda. Onder vernieuwen wordt ingegaan op het investeren in onderzoek en innovatie, het borgen van randvoorwaarden en digitalisering van de economie. Onder verduurzamen wordt ingegaan op een duurzame agrovoedselketen, duurzame energievoorziening, natuur en mededinging. Onder verbinden wordt ingegaan op de verbinding in de regio, de verbinding van energie als integraal onderdeel van ruimte en voedsel (verbinding producent en consument).

Beleidsartikelen

Aansluitend op de beleidsagenda volgt de toelichting op de beleidsartikelen. Per beleidsartikel is een algemene doelstelling en een beschrijving van de rol en verantwoordelijkheid van de bewindspersonen opgenomen. Voor elk beleidsartikel zijn de belangrijkste beleidswijzigingen apart opgenomen onder het kopje «beleidswijzigingen». De financiële instrumenten zijn voorzien van een korte toelichting. Waar mogelijk wordt, voor een meer inhoudelijke en gedetailleerde beleidstoelichting, verwezen naar de relevante beleidsnota’s of brieven die naar de Tweede Kamer zijn gestuurd.

In de budgettaire tabellen van de beleidsartikelen zijn de financiële instrumenten onderverdeeld naar de volgende categorieën: subsidies, opdrachten, garanties, leningen, bekostiging, bijdrage aan agentschappen, bijdrage aan ZBO’s/RWT’s, bijdrage aan (inter)nationale organisaties en bijdragen aan medeoverheden. Deze onderverdeling komt ook terug in de structuur van het beleidsartikel.

Begrotingsreserves

Een begrotingsreserve mag met toestemming van de Minister van Financiën ten laste van een begrotingsartikel worden aangehouden (artikel 5, lid 4 Comptabiliteitswet). De begrotingsreserves zijn bestemd voor een concreet doel en kunnen alleen voor dat doel worden gebruikt. De begrotingsreserves op de EZ-begroting worden ingezet voor de volgende doelen:

  • •  Als borg voor de afgegeven garantstellingen (Borgstelling MKB-kredieten, Garantie Ondernemingsfinanciering, Groeifaciliteit, Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering, MKB financiering, garantieregeling Aardwarmte en Borgstellingsfaciliteit voor de landbouw). Uit deze begrotingsreserves kan een eventuele mismatch in de tijd tussen (premie-)inkomsten en uitgaven (verliesdeclaraties) worden opgevangen.
  • •  De uitfinanciering (op kasbasis) van reeds aangegane en deels nog aan te gane verplichtingen (reserve voor duurzame energie en de reserves voor landbouw en visserij). Via de reserves blijven de middelen beschikbaar voor het specifieke doel tot het moment van uitbetaling.
  • •  Het terugbetalen van financiële correcties van de Europese Commissie (begrotingsreserve voor apurement).
  • •  Garantstelling EZ voor het in gebreke blijven van instellingen die gebruik maken van de regeling schatkistbankieren (begrotingsreserve schatkistbankieren Groen Onderwijs).

Omvang reserves eind 2015 (x € 1 mln)

Totaal

% Juridisch verplicht

Specificatie naar type reserve(x € 1 mln)

Borg garanties

Duurzame energie

Lening ECN

Verplichtingen Landbouw en Visserij

Apurement

Groen onderwijs

Artikel 2

143,3

100%

143,3

         

Artikel 4

1.106,3

63%

22,0

1.077,8

6,6

     

Artikel 6

238,8

51%

22,2

   

42,1

174,5

 

Artikel 7

0,1

100%

         

0,1

Totaal

1.488,6

65%

187,4

1.077,8

6,6

42,1

174,5

0,1

Volledigheidshalve zijn in de aansluitende tabel de mutaties weergegeven die gemeld zijn in de 1e suppletoire begroting 2016.

Mutaties reserves t.o.v. stand eind 2015 (x € 1 mln)

Totaal

Specificatie naar type reserve (x € 1 mln)

Borg garanties

Duurzame energie

Lening ECN

Verplichtingen Landbouw en Visserij

Apurement

Groen onderwijs

Mutaties 1e suppletoire 2016

311,1

– 13,5

383,0

1,3

– 59,7

Stand na 1e suppletoire 2016

1.799,7

173,9

1.460,8

6,6

43,4

114,8

0,1

In de betreffende beleidsartikelen (2, 4, 6 en 7) van deze begroting worden de bovengenoemde begrotingsreserves apart toegelicht (conform artikel 5, lid 5 Comptabiliteitswet). Naar aanleiding van de toezegging van de Minister van Financiën aan de Algemene Rekenkamer en de aangenomen motie Ronnes c.s. (TK, 34 475 XIII, nr. 11) wordt het percentage juridisch verplicht voor de begrotingsreserves in de beleidsartikelen 2, 4, 6 en 7 toegelicht. Daarnaast zijn conform de motie Van Veldhoven en Koolmees (TK, 34 475 XIII, nr. 12) de eventuele aanvullende afspraken over de begrotingsreserves opgenomen.

Als opvolging van de motie Geurts (TK, 34 000 XIII, nr. 64) worden de geraamde wijzigingen gedurende het begrotingsjaar in de 1e en 2e suppletoire begroting inzichtelijk gemaakt.

Overzicht maatregelen ten behoeve van het Energieakkoord

Conform de motie Leegte (TK, 2014–2015, 30 196 nr. 278) is in beleidsartikel 4 (Een doelmatige en duurzame energievoorziening) een totaaloverzicht opgenomen van alle maatregelen van alle ministeries ten behoeve van het energieakkoord.

Overzichtstabel agentschappen

In het hoofdstuk «De agentschappen» is een overzichtstabel agentschappen opgenomen. In deze tabel is de aansluiting te maken tussen de «opbrengst moederdepartement» zoals opgenomen in de agentschapsparagrafen en de «bijdrage aan agentschappen» zoals opgenomen in de begrotingsartikelen. Eventuele resterende verschillen zijn toegelicht.

2. Prestatiegegevens

In de beleidsartikelen wordt onder de algemene doelstelling aangegeven waar de Minister van EZ voor verantwoordelijk is. Indien voor deze doelstellingen een directe relatie gelegd kan worden tussen het gevoerde beleid en de gewenste (maatschappelijke) uitkomst, zijn prestatie-indicatoren opgenomen. De voorwaarde voor het opnemen van een indicator is een (doen) uitvoerende rol van de Minister. Bij de doelstellingen waarbij EZ een belangrijke bijdrage kan leveren door de juiste randvoorwaarden te creëren en het resultaat afhankelijk is van externe factoren, is het niet of beperkt mogelijk om prestatie-indicatoren op te nemen en wordt volstaan met kengetallen over ontwikkelingen op het betreffende beleidsterrein. Daarnaast zijn, waar mogelijk, prestatie-indicatoren en kengetallen opgenomen op instrumentniveau, die inzicht geven in het bereiken van specifieke resultaten.

De indicator «EU-OIE vrije status» is met ingang van 2017 geschrapt omdat deze te weinig inzicht geeft in actuele ontwikkelingen met betrekking tot dierziekten. Nederland heeft een hoge diergezondheidstatus en daarom wijzigt het aantal dierziekten waarvoor Nederland een EU/OIE vrije status heeft vrijwel nooit. Daarnaast doet de indicator geen recht aan alle inspanningen die aan dierziektepreventie en -bestrijding zijn verbonden. Denk hierbij aan vroegtijdige signalering en crisisparaatheid, bijvoorbeeld vaccinvoorraden.

3. Groeiparagraaf

Zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 23 juni 2016 (TK, 34 300 XIII, nr. 174) is in deze Ontwerpbegroting het nieuwe beleidsartikel «Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen» opgenomen. In de 1e suppletoire begroting 2016 (TK, 34 485 XIII, nrs. 1 en 2) is reeds het nieuwe beleidsartikel «Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen» geïntroduceerd. Gezien de bovengenoemde twee nieuwe beleidsartikelen is de nummering van de EZ-begrotingsartikelen aangepast in de volgende nummering.

Was (Begroting 2016)

Wordt (Begroting 2017)

11. Goed functionerende economie en markten

1. Goed functionerende economie en markten

12. Een sterk innovatievermogen /

13. Een excellent ondernemingsklimaat/

18. Regiodeel

2. Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

19. Toekomstfonds

3. Toekomstfonds

14. Een doelmatige en duurzame energievoorziening

4. Een doelmatige en duurzame energievoorziening

15. Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen (vanaf 1e suppletoire begroting 2016)

5. Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen

16. Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

6. Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

17. Groen onderwijs van hoge kwaliteit

7. Groen onderwijs van hoge kwaliteit

18. Natuur (exclusief Regio)

8. Natuur en biodiversiteit

40. Apparaat

40. Apparaat

41. Nominaal en Onvoorzien

41. Nominaal en Onvoorzien

In het nieuwe beleidsartikel 2 is de informatiewaarde vergroot met «open informatie» door het opnemen van diverse hyperlinks.

Hieronder is een specificatie opgenomen van de verdeling van het oude beleidsartikel 18 (Natuur en Regio) naar de nieuwe beleidsartikelen 2 (Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen) en 8 (Natuur en biodiversiteit).

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

Subsidies

Cofinanciering EFRO, inclusief ETS

 

Bijdrage aan ROM's

 

Overige subsidies

   

Onderzoek en opdrachten

Onderzoek en opdrachten

 

Caribisch Nederland (deels)

 

Mainport Rotterdam

 

Regiekosten regionale functie

   

Bijdragen agentschappen

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (deels)

   

Bijdragen mede- overheden

Uitfinanciering Sterke Regio's en Nota Ruimte

   

Ontvangsten

Diverse ontvangsten (regionaal beleid)

Artikel 8 Natuur en biodiversiteit

   

Leningen

Rente en aflossingen voor bestaande leningen (EHS & PNB)

   

Subsidies

Vermaatschappelijking Natuur en Biodiversiteit

 

Natuur en biodiversiteit op land

 

Beheer Kroondomein

   

Onderzoek en opdrachten

Natuur en Biodiversiteit Grote Wateren

 

Vermaatschappelijking Natuur en Biodiversiteit

 

Overige stelsel activiteiten

 

Internationale Samenwerking

 

Natuur en Biodiversiteit op land

 

Caribisch Nederland (deels)

   

Bijdragen agentschappen

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (deels)

 

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

   

Bijdragen ZBO / RWT

Staatsbosbeheer/ZBO

   

Bijdragen mede- overheden

Vermaatschappelijking Natuur en Biodiversiteit

 

Natuur en Biodiversiteit Grote Wateren

 

Natuur en Biodiversiteit op land

 

Caribisch Nederland

   

Bijdragen (inter)nationale organisaties

Internationale Samenwerking

   

Ontvangsten

Landinrichtingsrente

 

Jachtakten

 

Verkoop gronden

 

Overige ontvangsten

4. Verwerking motie Schouw en motie Hachchi c.s.

Motie Schouw

In juni 2011 is de motie Schouw c.s. ingediend en aangenomen (TK, 2010–2011, 21 501-20, nr. 537). Deze motie beoogt de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma’s een eigenstandige plaats te geven in de departementale begrotingen. In de beleidsagenda wordt in paragraaf 3.1 (Investeren in onderzoek en innovatie) ingegaan op de uitwerking van de aanbeveling van de Europese Commissie, de OECD en het IMF om meer publiek te investeren in Research en Development (R&D) en meer private R&D-investeringen uit te lokken door de randvoorwaarden te verbeteren.

Motie Hachchi c.s.

Ter uitvoering van de motie Hachchi c.s. (TK, 33 000 IV, nr. 28) brengen departementen in kaart welke uitgaven zij doen in Caribisch Nederland, uitgesplitst per instrument. Hiervoor geldt een ondergrens van € 1 mln. De totale uitgaven van EZ voor Caribisch Nederland in 2017 bedragen € 7,1 mln. Deze uitgaven zijn verdeeld over de beleidsartikelen 1, 2, 4, 8. De uitgaven voor het beleidsartikel 1 zijn lager dan de ondergrens van € 1 mln en worden derhalve niet opgenomen in de budgettaire tabel.

Sinds 10 oktober 2010 is Nederland verantwoordelijk voor de veterinaire gezondheidszorg in Caribisch Nederland (Bonaire, St Eustatius en Saba). Het DGF heeft geen betrekking op de veehouders in dit gebied.

5. Ontwikkeling bedrijfsinvesteringen

Zoals tijdens een mondeling overleg over het nationaal hervormingsprogramma op 26 april 2016 door de Minister van EZ aan de leden van de Eerste Kamer is toegezegd, wordt hier ingegaan op de ontwikkeling van de bedrijfsinvesteringen. Nadat de investeringen tijdens de crisisjaren sterk onder druk kwamen te staan, heeft zich in recente jaren herstel voorgedaan. Na een krimp van 11,9% in 2009, zijn de investeringen in 2015 met 7,2% gegroeid en raamt het CPB ook voor het lopende jaar forse groei (+6,0%). Ook het aandeel van investeringen in onderzoek en ontwikkeling heeft zich na de terugval gedurende de crisis snel hersteld: in 2015 bedroegen de investeringen in onderzoek en ontwikkeling 9,2% van het totaal. De huidige hoge investeringsgroei wordt naar verwachting niet vastgehouden. Voor de periode van 2018 tot 2021 raamt het CPB een investeringsgroei van gemiddeld 2,4% per jaar. Deze groei is naar verwachting voldoende om de vraag te kunnen absorberen.

2. De beleidsagenda

1. Inleiding: zaaien en oogsten

Sinds 2012 heeft het kabinet maatregelen genomen om de economische crisis het hoofd te bieden en de economie structureel te versterken. Er is gezaaid in moeilijke omstandigheden. Ondernemers hebben hard gewerkt om bedrijven ondanks de crisis te laten doordraaien, banen te behouden en te blijven innoveren en investeren. Deze inspanningen werpen nu hun vruchten af: meer werkgelegenheid, groei van het bruto binnenlands product (bbp), toename in koopkracht, herstel op de huizenmarkt en meer ruimte voor natuur en leefomgeving in Nederland. De wereldwijde economische, technologische en maatschappelijke ontwikkelingen gaan razendsnel. Stilzitten is geen optie. Het is van belang om te blijven werken aan ons duurzame verdienvermogen. Door te blijven zaaien, ten behoeve van een nog betere oogst in de toekomst. Het Ministerie van Economische Zaken (EZ) doet dit in 2017 langs de lijn van vernieuwen, verduurzamen en verbinden. Vernieuwing is niet alleen de belangrijkste drijver voor groei maar ook een effectieve manier om te komen tot oplossingen voor maatschappelijke opgaven. Verduurzamen is de randvoorwaarde om groei te realiseren die ook op langere termijn houdbaar is. Verbinden erkent dat verandering alleen met de samenleving tot stand kan komen. Deze drie factoren zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden en vormen de basis voor de prioriteiten die in deze agenda aan de orde komen. De twee inhoudelijke prioriteiten voor het komende jaar – waar vernieuwing, verduurzaming en verbinding samen komen- zijn energie en voedsel.

2. Economisch beeld

Met een economische groei van 2,0% bereikte de Nederlandse economie in 2015 voor het eerst na zeven jaar weer de omvang van voor de crisis. Dat herstel is terug te zien over de hele linie. Naast de export, droegen zowel de consumptie als de investeringen positief bij. Ook het consumentenvertrouwen ontwikkelt zich na jaren van negatief sentiment weer positief. Dat het economisch beter gaat, blijkt eveneens uit de toegevoegde waarde van de bedrijfstakken. Waar de bouw het gedurende de crisis moeilijk had, kon over 2015 een groeipercentage van 8,4% genoteerd worden. Ook de zakelijke dienstverlening en informatie en communicatie doen het goed met respectievelijk 5,7% en 4,5% groei. De delfstoffenwinning noteerde over 2015 juist een forse krimp (– 16,2%); een reflectie van de productiebeperkingen van gas en de daling van de gasprijs.

De vooruitzichten voor de komende jaren zijn positief. Volgens de ramingen van het Centraal Planbureau (CPB) houdt de groei duidelijk aan. Voor 2016 en 2017 verwacht het CPB een groei van 1,7% in beide jaren. In de jaren daarna wordt een stabiele groei van 1,7% verwacht (figuur 1). De groei is breed gedragen: de export blijft een belangrijke component, maar ook de consumptie en de investeringen dragen positief bij.

Figuur 1: Nederlandse economie vertoont aanhoudende groei Ontwikkeling (reëel) bbp, 2007 = 100, doorgetrokken lijn betreft realisatiecijfers

Bron: CPB, MEV (2016–2017) en MLT (2018–2021)

Het herstel van de economie vertaalt zich naar de arbeidsmarkt. De werkgelegenheid neemt in de komende jaren verder toe. En dankzij het positievere economisch beeld keren steeds meer ontmoedigden terug op de arbeidsmarkt. Ook beleidswijzigingen, zoals de verhoging van de AOW-leeftijd, hebben een opwaarts effect op het arbeidsaanbod. De keerzijde hiervan is dat de werkloosheid langzaam afneemt, doordat het aantal banen en het arbeidsaanbod gelijktijdig blijven stijgen. Volgens het CPB daalt de werkloosheid langzaam aan tot 5,5% ofwel 505.000 personen in 2021.

Uit de CPB-ramingen blijkt dat de overheidsfinanciën er beter voor staan dan voor de crisis. Het overheidstekort slaat de komende jaren om in een overschot. In 2021 bedraagt de EMU-schuld naar verwachting 52,3%, het laagste niveau sinds 2007. De overheidsfinanciën zijn op lange termijn weer houdbaar. Waar voorafgaand aan de kabinetsperiode sprake was van een houdbaarheidstekort, is dit inmiddels omgebogen naar een overschot. Het CPB geeft wel aan dat dit omgeven blijft met onzekerheid.

Hoewel het economisch beter gaat, betekent dat niet dat we er al zijn. Om de werkloosheid verder te laten dalen is het belangrijk dat de economische groei verder aantrekt. Daarnaast zijn er verschillende neerwaartse risico’s ten aanzien van het economisch beeld, zoals de gevolgen van de Brexit en een sterkere groeivertraging van opkomende economieën, in het bijzonder van de Chinese economie. Ook de ontwikkeling van de olieprijs en de wisselkoers blijft onzeker.

De potentiële economische groei (dat wil zeggen, de economische groei geschoond voor conjuncturele invloeden) blijft achter bij de ontwikkeling van voor de crisis. Dat komt voor een belangrijk deel doordat de structurele werkgelegenheid – een van de fundamenten van de potentiële groei – minder hard groeit door de vergrijzing. Ons economisch groeipotentieel hangt dus vooral af van de verdere groei van de arbeidsproductiviteit, zoals tabel 1 laat zien.

Tabel 1: Aandeel structurele werkgelegenheid in potentiële groei neemt af
 

1998–2005

2006–2013

2014–2017

2018–2021

%-punt potentiële bbp-groei

2,3

1,5

1,4

1,6

– w.v. structurele productiviteit

1,4

0,8

0,6

1,2

– w.v. structurele werkgelegenheid

0,9

0,7

0,8

0,4

3. Vernieuwen

Ook in 2017 vervolgt het kabinet haar inzet om vernieuwing maximaal de ruimte te geven. Belangrijke punten voor 2017 zijn investeringen in onderzoek en innovatie, het borgen van randvoorwaarden en digitalisering van de economie.

3.1 Investeren in onderzoek en innovatie

Om het toekomstig verdienvermogen van Nederland verder te versterken zijn publieke en private investeringen in Research en Development (R&D) noodzakelijk. Deze staan aan de basis van het innovatief vermogen van de samenleving en zijn nodig voor nieuwe grensverleggende, vindingen en toepassingen en voor het aantrekken van talent.

Nederland is in 2016 toegetreden tot de groep innovatieleiders van de Europese Unie (EU).1 Dit is voor het kabinet echter geen reden om achterover te leunen. Het streven in het kader van de Europa 2020-strategie is dat Nederland in 2020 2,5% van het bbp aan R&D uitgeeft. De publieke en private investeringen liggen in Nederland op 0,88% respectievelijk 1,12% van het bbp, waardoor Nederland nu onder deze doelstelling presteert. Van de Europese Commissie, de OECD en het IMF heeft Nederland de aanbeveling gekregen om meer publiek te investeren in R&D en meer private R&D-investeringen uit te lokken door de randvoorwaarden te verbeteren.

Veel aandacht gaat uit naar het bevorderen van innovatie door het MKB. Een groot aandeel van het innovatie-instrumentarium richt zich specifiek op het MKB en start-ups. Voorbeelden zijn de Europese structuurfondsen, het Innovatiekrediet, de Seed Capital regeling, Eurostars en de MIT-regeling. Daarnaast gaat een aanzienlijk deel van het budget van het generieke innovatie-instrumentarium naar het MKB. Zo wordt 66% van het totale budget van de WBSO toegekend aan MKB-bedrijven. De bijzondere aandacht voor het MKB werpt zijn vruchten af. Nederland scoorde traditioneel al goed bij de kwaliteit van de wetenschappelijke publicaties. De European Innovation Scoreboard 2016 laat zien dat nu ook het MKB beter presteert op het gebied van innovatie.

Tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap lag voor innovatie de nadruk op het verbeteren van het R&D vestigingsklimaat met als resultaten dat op EU-niveau gewerkt wordt aan innovation deals (naar het Nederlandse voorbeeld van green deals), aan het innovation principle (om regelgeving innovatievriendelijk te maken) en dat een doorbraak is bereikt over de octrooieerbaarheid van plantaardig materiaal, met het opstellen van een interpretatieve verklaring van de Biotechrichtlijn. In 2017 heeft het kabinet bijzonder aandacht voor:

  • •  Verbetering R&D vestigingsklimaat: onder meer door investeringen in onderzoeksinfrastructuur en – via de EU structuurfondsen – samen met decentrale overheden (grensoverschrijdende) R&D samenwerkingsprojecten te ondersteunen en investeringskapitaal beschikbaar te stellen. Daarnaast komt er vanaf 2017 extra budget beschikbaar voor de WBSO. Daarmee kunnen de ondersteuningspercentages in 2017 in stand blijven. Dit is van belang voor een stabiel investerings- en vestigingsklimaat voor het R&D-intensieve bedrijfsleven. Daarnaast kent de regeling ook in 2017 een focus op innovatief MKB dat wil doorgroeien met een verhoogd ondersteuningspercentage voor de eerste € 350.000 aan R&D-kosten.
  • •  Bevorderen van publiek private samenwerking (pps), door in te zetten op met de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI)-toeslag ondersteunde grote strategische pps’en die een potentiële doorbraak kunnen betekenen en meer aandacht voor kennis dicht bij de markt door versterking van de technologietransfer functie van universiteiten en TO2 organisaties.
  • •  Een ambitieuze energie-innovatieaanpak: in 2017 zal onder meer het subsidiebudget voor de Demonstratieregeling Energie-innovatie (DEI) groeien naar € 41 mln.

3.2 Het borgen van randvoorwaarden

Vernieuwing vraagt om een omgeving waarin ondernemerschap en creativiteit kunnen floreren. Ondernemers moeten zonder grenzen kunnen ondernemen, de juiste werknemers kunnen vinden, niet worden geremd door onnodige regels en toegang hebben tot financiering. Hiertoe werkt het kabinet aan het wegnemen van onnodige belemmeringen.

Interne markt

Het kabinet zet in op een verbetering van het investeringsklimaat van de EU, onder meer door versterking van de interne markt. Focus ligt bij de dienstensector, de digitale markt en energiesector, op implementatie en handhaving van bestaande wet- en regelgeving, nationale structurele hervormingen van (diensten)markten en aanvullende acties en regelgeving op EU-niveau. Het kabinet heeft het Nederlands voorzitterschap van de EU benut om zoveel mogelijk voortgang te boeken op deze terreinen. Komend jaar zal de nadruk liggen op implementatie van deze agenda. In 2017 zal de discussie over de rol van octrooien bij medicijnontwikkeling – met het oog op de betaalbaarheid van het zorgsysteem – ook een nadrukkelijke rol spelen in de interne markt. Bij een voorspoedige behandeling in het Europees Parlement zal in 2017 de tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap tussen de lidstaten overeengekomen Portabiliteitsverordening in werking treden. Dit maakt mogelijk dat Europese burgers wanneer ze op reis zijn in een andere lidstaat, toegang zullen blijven houden tot online-inhoud die ze legaal hebben verkregen of waarvoor ze in hun land een abonnement hebben genomen.

Ondernemerschap en het techniekpact

Startups en scale-ups zijn de vernieuwers van de economie. Door hun beperkte omvang en jonge bestaan kunnen zij experimenteren en risico’s nemen. Startups zoeken met radicale innovaties de grens op van wat mogelijk is en verleggen deze grens. Ze dagen daarmee ook andere bedrijven uit om meer te innoveren. Daarnaast kunnen zij belangrijke kennispartners worden van de meer gevestigde bedrijven. Vanwege het potentieel dat startups en scale-ups hebben wil het kabinet hen alle ruimte gegeven om te starten en te groeien. Onder de noemer van StartupDelta2020 wordt voortgebouwd op het programma StartupDelta. De missie van StartupDelta2020 is het initiëren, verbinden en opschalen van belangrijke startup en scale-up initiatieven in Nederland, om op deze wijze bij te dragen aan een internationaal onderscheidend en concurrerend innovatie ecosysteem. De innovatieregio’s (zogenaamde innovatiehubs) van ons land, de startup en scale-up gemeenschap zelf en de overheid werken hierbij intensief samen, zodat de aantrekkingskracht van het Nederlandse ecosysteem wordt vergroot en ook veelbelovende buitenlandse starters en bedrijven zich in Nederland willen vestigen. Het Ministerie van EZ en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) nemen een deel van de kosten op zich, het andere deel komt van de regionale innovatiehubs en private partijen. Om het initiatief een extra impuls te geven is de heer Constantijn van Oranje-Nassau aangesteld als Special Envoy StartupDelta.

Naast aandacht voor groeiondernemers is er extra inzet op het beter benutten van menselijk kapitaal. Er worden stappen gezet om het ondernemerschapsonderwijs in alle onderwijssectoren steviger te verankeren en op te schalen, daarbij wordt voortgebouwd op bestaande initiatieven. Daarnaast draagt de uitvoering van het Techniekpact bij aan een goed opgeleide beroepsbevolking met voldoende vakbekwame technici voor de banen van nu én morgen.

Toekomstbestendige wet- en regelgeving

De kabinetsdoelstelling om de regeldruk voor bedrijven, burgers en professionals in de periode 2012–2017 met € 2,5 mld te verminderen zal in 2017 worden gerealiseerd. Er is inmiddels voor € 2,45 mld aan maatregelen in kaart gebracht en voor € 2,09 mld gerealiseerd. Dat betekent niet dat daarmee een einde komt aan de inzet van de overheid voor het verminderen van regeldruk, het creëren van meer ruimte in wet- en regelgeving en betere (digitale) dienstverlening voor ondernemers, burgers en professionals. Het kabinet zal ook in 2017 inzetten op wet- en regelgeving die toekomstbestendig is en ruimte geeft voor innovatie, ondernemerschap en groene groei. Het wil daarmee een solide basis bieden voor toekomstig regeldruk beleid dat aansluit bij de economische en maatschappelijke dynamiek, waarbij er ook aandacht blijft voor maatwerk in verschillende regeldichte sectoren.

Toegang tot financiering

Om toegenomen risico’s op te vangen en blijvend te kunnen investeren hebben bedrijven meer bedrijfseconomische buffers nodig. Het belang van alternatieve financiering in al zijn vormen (venture capital, business angels, kredietunies, crowdfunding) neemt daarom toe, in het bijzonder het aanbod van risicodragend vermogen. Vanuit het perspectief van ondernemers, vooral het MKB, wordt de omgeving complexer. Het investeren in kennis en toegang tot financiering wordt nog belangrijker. Daarom wordt ingezet op het verder uitbouwen en uitrollen – zoveel mogelijk aansluitend op ontwikkelingen in de markt – van initiatieven als de Nationale Financieringswijzer en NL Groeit. Het kabinet heeft al veel gedaan om deze transitie in gang te zetten en de markt te stimuleren met haar financieringsinstrumenten, verdere uitrol van het Aanvullend Actieplan MKB-financiering en risicokapitaal. Er is dan ook een trend gaande naar meer eigen vermogen bij het MKB.Tevens is een toename te zien in het slagingspercentage bij het aanvragen van vreemd vermogen. Daarnaast worden financieringsknelpunten zichtbaar met betrekking tot anderemaatschappelijke uitdagingen zoals duurzaamheid. Het Nederlands Investerings Agentschap (NIA) is opgericht om deze aan te pakken. NIA werkt nauw samen met de Europese Investeringsbank (EIB) / het Europees Investeringsfonds (EIF), in het bijzonder het Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI), de regio’s en de institutionele beleggers via de Nederlandse Investeringsinstelling (NLII). Door koppeling en flexibeler inzet van stimuleringsinstrumenten kan beter worden ingespeeld op de ontwikkelingen in de markt. Het NIA zal daar verder op worden toegerust.

3.3 Digitalisering van de economie

ICT levert een belangrijke bijdrage aan het verdienvermogen van ons land. Nederland heeft een uitstekende uitgangspositie om de kansen voor innovatie en economische groei te benutten die digitalisering biedt. Het kabinet streeft er naar deze voorsprong duurzaam uit te bouwen en heeft de digitalisering van de economie over de volle breedte in haar beleid geïntegreerd. Dit vraagt om een goede, betrouwbare en betaalbare connectiviteit, en om ondernemers en overheid die de kansen van digitalisering benutten.

Om snel internet overal in Nederland, dus ook in het buitengebied, te realiseren komt er een Kennisplatform Snel Internet, dat alle betrokken partijen verenigt, waaronder de Vereniging van Nederlands Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO) Breedband en Europa Decentraal. In het voorjaar van 2017 zal het kabinet in de Strategische Nota Mobiele Communicatie de doelstellingen formuleren voor frequentieverdelingen voor de komende vijf tot tien jaar en aangeven hoe onder meer de 700 MHz, 2100 MHz en 1452–1492 MHz frequentiebanden zullen worden uitgegeven om te voorzien in de sterk groeiende behoefte aan mobiele communicatie. Digitale innovatie verandert steeds meer sectoren en domeinen ingrijpend. Dat vereist beleid en regelgeving die ondernemerschap bevordert, publieke belangen beschermt en die bovendien houdbaar is en effectief blijft bij veranderingen. De meeste randvoorwaarden voor connectiviteit zijn Europees vastgelegd in het EU Telecomkader en in 2017 wordt de start gemaakt met de herziening daarvan. Het ondernemingsklimaat in het digitale domein wordt gestimuleerd met gericht innovatiebeleid, én door ICT als doorsnijdend thema te verankeren in het topsectorenbeleid. In 2017 zal het kabinet in dat verband verder uitvoering geven aan de Digitale Agenda 2016–2017, met als belangrijkste acties:

  • •  Een impuls voor digitalisering in een aantal sectoren. Het gaat hierbij onder meer om de uitvoering van de kennis- en innovatieagenda van Team ICT. Op de terreinen energie, smart industry, cyber security en e-health wordt met de ontwikkeling en toepassing van big data analyse een impuls gegeven aan het concurrentievermogen.
  • •  De opleiding van voldoende ICT-professionals. Hiertoe wordt de Human Capital Agenda uitgevoerd en wordt samen met het Ministerie van OCW gewerkt aan het aansluiten van alle scholen op snel internet en de ontwikkeling van adaptief lesmateriaal.
  • •  De uitrol van de internationaliseringstrategie. Die is gericht op export van Nederlandse kennis en kunde en op het naar Nederland halen van ICT-gerelateerde bedrijvigheid.

Ook de overheid zelf gaat mee in de trend van digitalisering. Eind 2017 moet de doelstelling uit het regeerakkoord gerealiseerd zijn dat burgers en bedrijven hun zaken digitaal kunnen afhandelen. Veel overheidsproducten en -diensten zijn al digitaal beschikbaar. In 2017 wordt, in samenhang met een impuls voor het Ondernemersplein.nl, MijnOverheid voor bedrijven gerealiseerd. De digitalisering van contacten tussen overheid en bedrijfsleven wordt verder versterkt door de ontwikkeling en uitrol van digitale identificatie, de implementatie van e-facturen en de verplichting om jaarrekeningen bij de Kamer van Koophandel digitaal via de Standard Business Reporting (SBR) in te dienen.

Smart Industry

De voortgaande digitalisering en de verwevenheid van apparaten, productiemiddelen en organisaties (het «internet of things») waardoor nieuwe manieren van produceren, nieuwe business modellen en nieuwe sectoren ontstaan, scheppen grote kansen en uitdagingen voor de Nederlandse economie. Om die kansen te kunnen verzilveren heeft het kabinet samen met industrie, kennisinstellingen en regionale overheden het Smart Industry-initiatief gestart. De eerste tranche van tien fieldlabs is inmiddels operationeel. Een tweede tranche fieldlabs wordt in 2017 verder vormgegeven. Daarnaast wordt voor dit onderwerp gewerkt aan de uitwerking van de Europese actieagenda die onder het Nederlands Voorzitterschap is gestart.

4. Verduurzamen

De groei van welvaart is alleen duurzaam als in de behoeftes van de huidige generatie wordt voorzien zonder het vermogen van toekomstige generaties aan te tasten om in hun behoeftes te voorzien. Bij de kabinetsinzet om het Nederlandse groeivermogen te versterken is duurzaamheid een belangrijke randvoorwaarde. Prangende beleidsvelden zijn landbouw en energie. Dit gaat bijvoorbeeld over een transitie naar een integraal duurzaam voedselbeleid en een duurzame energievoorziening. Dit zijn wereldwijde maatschappelijke uitdagingen waar Nederland een wezenlijke bijdrage kan en moet leveren.

4.1 Een duurzame en economisch gezonde agrovoedselketen

Alle schakels in de voedselketen (tot en met de consument), maatschappelijke organisaties en instellingen zijn nodig om te komen tot een ecologisch houdbaar en robuust voedselsysteem, dat voorziet in voldoende, veilig, gezond en duurzaam geproduceerd voedsel, bereikbaar voor iedereen. De voedselagenda van het kabinet zal hier in 2017 verdere invulling aan geven. Het kabinet wil aansluiten op ontwikkelingen en initiatieven in de samenleving om de doelen van deze voedselagenda te realiseren. De agrarische sector, die circa 60% van de oppervlakte van Nederland in gebruik heeft, neemt hierbij een belangrijke rol in: de landbouw kan door meer geavanceerde productiemethoden en door zijn bijdrage aan de circulaire economie (voorkomen van voedselverliezen en -verspilling en door hergebruik van waardevolle mineralen uit dierlijke mest) een belangrijke stimulans bieden voor de bescherming en het herstel van natuurlijke hulpbronnen en biodiversiteit.

Het voedselsysteem moet robuust genoeg zijn om schokken op te vangen en te blijven functioneren onder verschillende omstandigheden. Geopolitieke spanningen, maar ook klimaatverandering, afnemende biodiversiteit en milieuverontreiniging maken het allesbehalve zeker dat blijvend aan de stijgende vraag naar voedsel kan worden voldaan. Het kabinet wil zich inzetten voor een transitie naar een voedselsysteem dat niet bijdraagt aan klimaatverandering maar deze juist helpt op te lossen. En dat niet leidt tot teruglopende biodiversiteit, ontbossing en uitputting van natuurlijke hulpbronnen op het land en in zee, maar juist de draagkracht van de aarde versterkt. Veranderende consumptiepatronen en leefgewoonten veroorzaken in toenemende mate volksgezondheidsrisico’s, zoals obesitas en daaraan gerelateerde welvaartsziekten. Het voedselsysteem moet helpen om de volksgezondheid te versterken en daarmee de maatschappelijk kosten die hiermee gepaard gaan te verminderen. Dit betreft mondiale opgaven, met een belangrijke Europese dimensie, die daarom ook binnen de EU en internationaal een stevige inzet vereisen. De voedselagenda richt zich het komende jaar prioritair op drie thema’s: «jong leren eten», transparantie en innovatie in de voedselketen.

De afgelopen kabinetsperiode is de sector met hulp van de overheid een succesvol pad ingeslagen om de landbouw duurzamer te maken. Zo is het antibioticagebruik bij dieren in de vier grote veehouderijsectoren (kalveren, varkens, pluimvee en melkvee) de afgelopen kabinetsperiode verder gereduceerd. Tussen 2009–2015 is een totale reductie bereikt van 58,4%. Deze reductie heeft in de periode 2009–2014 bovendien geleid tot een daling in resistentie tegen antibiotica bij kalveren (26%), varkens (22%) en pluimvee (8%). Ook heeft er verduurzaming van de vleesproductie en -consumptie plaats gevonden. Op het gebied van dierenwelzijn zijn resultaten geboekt voor wat betreft het verbod op wilde dieren in circussen, weidegang van koeien, het wettelijk vastleggen van de positieflijst zoogdieren (huisdierenlijst), de invoering van groepshuisvesting van zeugen en een nieuw stelsel voor vergunningverlening van dierproeven. In 2017 zal het actieprogramma gewasbescherming naar aanleiding van de nota «Gezonde groei, duurzame oogst» uitgevoerd worden.

Op 1 januari 2017 wordt een stelsel van fosfaatrechten voor de melkveehouderij ingevoerd. Dat moet ervoor zorgen dat de fosfaatproductie, die voornamelijk is gestegen door het vervallen van de Europese melkquotering weer onder het nationale plafond wordt gebracht. Dat is een belangrijke voorwaarde om derogatie van de Nitraatrichtlijn, waarmee milieukundig verantwoord meer dierlijke mest in de landbouw mag worden gebruikt, te kunnen behouden. Vanaf 2017 mogen melkveehouders alleen fosfaat produceren, dus alleen melkvee houden, als zij over voldoende rechten beschikken. Daarnaast wordt er onderhandeld over een zesde actieprogramma op basis van de evaluatie meststoffenwetgeving.

Het kabinet beraadt zich op maatregelen naar aanleiding van de publicatie van onderzoeken («Veehouderij en Gezondheid Omwonenden» en «Emissies van endotoxinen uit de veehouderij») waarin mogelijke verbanden zijn gevonden tussen het wonen in de omgeving van veehouderijen en de gezondheid. De problematiek van emissies, zoals geschetst in deze onderzoeken, vraagt om een gezamenlijke aanpak van ministeries, medeoverheden, de sector en overige betrokkenen.

Daarnaast zal het kabinet het eerder aangekondigde wetsvoorstel dieraantallen en volksgezondheid verder in gang zetten zodat provincies in de toekomst over optimale mogelijkheden beschikken om te kunnen sturen op dieraantallen in zowel het belang van de kwaliteit van de leefomgeving als in het belang van volksgezondheid. Het wetsvoorstel zal naar verwachting eind 2016, na advisering van de Raad van State aan de Tweede Kamer worden gestuurd.

4.2 Duurzame, betaalbare en betrouwbare energievoorziening

Een van de belangrijkste opgaven om aan de klimaatdoelstellingen te voldoen waaraan het kabinet zich heeft gecommitteerd, is het verduurzamen van de energievoorziening in Nederland. Het lange-termijnstreven is om in internationaal verband een CO2-arme energievoorziening te bereiken die veilig, betrouwbaar en betaalbaar is. Hierbij staat het sturen op CO2-reductie centraal, naast het verzilveren van economische kansen die die energietransitie biedt en de integratie van energie in het ruimtelijk beleid. Na de energiedialoog zal een energieagenda de langere termijn specifiek voor de transitiepaden per energiefunctionaliteit benoemen. Doel van de Energieagenda is een kader voor het energiebeleid na 2023, waarbij helder wordt gemaakt welke stappen de komende jaren moeten worden gezet om richting 2030 en daarna concrete resultaten te bereiken. Ook wordt aangegeven op welke manier, en op welke terreinen, de dialoog wordt voortgezet. In 2017 zal gestart worden met de uitvoering van de acties uit de Energieagenda.

Stevige invloed op Europese voorstellen klimaat- en energiedoelen en Energie Unie

De randvoorwaarden voor de energie transitie in Nederland en Europa worden in hoge mate bepaald door EU wetgevende voorstellen en de 2030 klimaat- en energiedoelen. Dat vraagt om een stevige inzet op de totstandkoming van de relevante Europese wetgeving en de nationale vertaling ervan. In Europees verband zullen verder de speerpunten van het afgelopen Nederlandse Voorzitterschap van de EU op het gebied van regionale samenwerking tussen lidstaten, zoals de samenwerking op de Noordzee, en het versterken van de interne energiemarkt worden voortgezet.

Verdere uitvoering van het Energieakkoord

De evaluatie van de Warmtewet – die begin 2016 is afgerond – heeft bouwstenen opgeleverd voor een vernieuwde Warmtewet. Daarnaast zal in 2017 opnieuw een tender Wind op Zee plaatsvinden en wordt de innovatiekavel voor Wind op Zee aanbesteed. Tenslotte krijgen de afspraken over energiebesparing in 2017 verder vorm. Voor energiebesparing in de gebouwde omgeving wordt een energiebesparingsverplichting of een vergelijkbaar systeem uitgewerkt. Voor energiebesparing in de energie-intensieve industrie worden één-op-één afspraken met individuele bedrijven afgesloten en worden de besparingsnormen in de Energie-investeringsaftrek (EIA) verruimd ten gunste van industriële bedrijven. Met de SDE+ werd in 2016, met een verplichting voor de reguliere SDE+ projecten van € 9 mld en een reservering van € 10 mld voor de eerste twee tenders Wind op Zee, een stevige impuls gegeven aan het bereiken van de doelstellingen uit het Energieakkoord.

4.3 Natuur

Met het Natuurpact, de Rijksnatuurvisie en bijbehorende maatschappelijke uitvoeringsagenda en met de invoering van de nieuwe wet Natuurbescherming wordt uitvoering gegeven aan het natuurbeleid. De maatregelen uit de Natura 2000-beheerplannen, waarvan sommigen al jaren geleden gestart zijn, en de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland hebben effect gehad. Het gaat gemiddeld genomen weer beter met de plant- en diersoorten in Nederland. Maar het herstel is beperkt en er zijn soortgroepen en leefgebieden waar de achteruitgang nog niet is gestopt. Natuurherstel vraagt om een lange adem. In de komende jaren zullen provincies en gemeenten, in lijn met de decentralisatie, samen met natuurorganisaties blijven investeren in de uitvoering van deze maatregelen. Belangrijk is daarbij om natuurbescherming te verankeren in andere sectoren zoals landbouw, water, infrastructuur en bouw en stedelijke beleid. Instrumenten hiervoor zijn het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, de Kaderrichtlijn Water, hoogwater-bescherming, grote projecten zoals Marker Wadden en Nationale Parken en het stimuleren van groene daken en tuininrichting in steden.

In januari 2016 is een effectiever en efficiënter nieuw collectief stelsel voor Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer gestart. Hierin ondersteunen Rijk en provincies vernieuwende initiatieven.

Op andere vlakken moeten overheden zélf initiatief blijven nemen. Zo heeft Nederland zich verplicht aan internationale verdragen voor natuur en biodiversiteit, waarbij we onder de koepel van de Conventie Biologische Diversiteit (CBD) inzetten op een aantal essentiële doelen, zoals behoud van gezonde, natuurlijke systemen als basis voor biodiversiteit, herstel van flora en fauna van oceanen en het veiligstellen van migratieroutes van trekvogels. Investeren in natuur draagt ook bij aan een betere verdeling van welvaart en welzijn. Nederland neemt daarin zijn verantwoordelijkheid. Een goed voorbeeld is wildlife crime. Nederland toont zich actief in de alliantie van landen tegen wildlife crime, zet in op actie in Europees verband en neemt waar nodig en mogelijk maatregelen op nationaal niveau. Als belangrijkste instrument wordt de CITES-regelgeving ingezet die is vastgelegd in Europese verordeningen.2

4.4 Circulaire economie

Circulaire economie biedt veel potentie om bij te dragen aan de doelstellingen op het gebied van duurzaamheid. Nederland heeft een goede uitgangspositie op het gebied van recycling, slim materiaal gebruik en energietechnologie. De overheid kan een rol spelen om nieuwe verdienmodellen die aan de circulaire economie een bijdrage leveren, mogelijk te maken. In het najaar van 2016 brengt het kabinet het Rijksbrede programma circulaire economie uit. 2017 staat in het teken van het uitvoeren van de acties uit dit programma.

4.5 Mededinging en duurzaamheid

Er wordt steeds vaker een beroep gedaan op bedrijven en sectoren om zelf initiatieven te ontplooien als het gaat om maatschappelijke thema’s als bijvoorbeeld duurzaamheid, maatschappelijk verantwoord ondernemen, dierenwelzijn en volksgezondheid. Daardoor komt regelmatig de vraag aan de orde in hoeverre dit soort afspraken kunnen worden gemaakt binnen de kaders van het Nederlandse en Europese mededingingsrecht. In 2016 heeft het kabinet de beleidsregel duurzaamheid en mededinging aangepast en andere maatregelen aangekondigd die meer duidelijkheid moeten bieden aan ondernemers. Het kabinet dient in 2017 een wetsvoorstel in waarmee meer ruimte wordt geboden voor afspraken die duurzaamheid verbeteren.

5. Verbinden

Verbinding is de basis voor vernieuwing. Vernieuwing komt voort uit de combinatie van bestaande kennis in nieuwe producten en diensten. Dit vraagt om de verbinding van kennis, mensen, faciliteiten en geld. Hierin ligt de rol van de overheid want verbindingen en de hiermee samenhangende synergie komen niet vanzelfsprekend uit zich zelf tot stand. Met de volgende initiatieven wordt hierop ingezet.

5.1 Verbinding in de regio en maatschappelijke partners

De regionale dimensie van de economie is van toenemend belang. EZ zet in dit kader in op het verbinden van de agenda’s van decentrale overheden en het Rijk en van triple helices (samenwerkingsverbanden van overheden, bedrijven en kennisinstellingen). In de regionetwerken acteren we hier proactief op door de inzet van Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen, samenwerking met regio’s rond grensoverschrijdende economie en arbeidsmarkt, en een meer samenhangende inzet in relatie tot economische clusters en campussen. In dat kader werken in 2017 EZ, provincies en MKB/topteams gestaag verder aan de opgaven en afspraken in de MKB samenwerkingsagenda. Inzet is versteviging en verdieping van de huidige afspraken en opgaven die zich concentreren op het uniformeren, harmoniseren en waar mogelijk bundelen van landelijke en regionale MKB innovatie-instrumenten. Tevens faciliteert het Rijk de uitvoering van de regionale Techniekpactagenda's van de vijf landsdelen.

Green City deals

Het Green Deal instrument faciliteert kansen voor groene groei vanuit de samenleving. Inmiddels zijn er meer dan 200 deals afgesloten. Ook in 2017 zal dit instrument worden voortgezet. Geïnspireerd door de Green Deal aanpak werkt het kabinet sinds 2015 met steden en andere partners aan City Deals rond concrete maatschappelijke vraagstukken in steden. Dit wordt in 2017 verder voortgezet. Daarmee bevorderen we groei, innovatie en leefbaarheid in Nederlandse steden. We werken in deze innovatieve partnerschappen actiegericht aan verbeteringen van stedelijke economische ecosystemen of doen via experimenten en living labs inspiratie op voor beleidsaanpassingen. Zo zetten we Nederland internationaal op de kaart als een sustainable urban delta.

Retailagenda

EZ werkt met alle stakeholders van de retailsector – gemeenten, provincies, vastgoed, vakbonden, financiers, MKB Nederland en de sector zelf – aan de uitvoering van de twintig afspraken die in de Retailagenda zijn gemaakt. Zo werken we aan vitale winkelgebieden. In 2016 heeft EZ samen met enkele initiatiefnemers uit de publieke en private sector het initiatief genomen tot een verdere intensivering van de Retailagenda. Dat is nodig na recente faillissementen van grote winkelketens, waardoor de vitaliteit van de winkelcentra en de leefbaarheid van de binnensteden extra onder druk staat.

Beter aanbesteden

Uit de evaluatie van de Aanbestedingswet 2012 kwam naar voren dat de ervaren problemen rond aanbestedingen niet zitten in de wet zelf, maar in de toepassing van de aanbestedingsregels. Om de kwaliteit van aanbestedingen in de praktijk te verbeteren is EZ in 2016 het traject beter aanbesteden gestart. In 2017 zal worden begonnen met de uitvoering van dit traject in de praktijk. Zo zullen in de regio’s afspraken worden gemaakt waarbij aandacht voor lokale situaties en wensen mogelijk is.

5.2 Energie verbinden als integraal onderdeel van de leefomgeving

Door in dialoog te gaan met de samenleving leggen we verbindingen tussen partijen, vergroten we onderling begrip, en ontstaat meer draagvlak voor moeilijke keuzes. De energietransitie heeft alleen kans van slagen als de energievoorziening betrouwbaar en betaalbaar blijft en maatschappelijk urgentie wordt gevoeld om de energievoorziening te veranderen. Verduurzaming van de energievoorziening heeft grote impact op de inrichting van de fysieke leefomgeving. Die impact wordt alleen geaccepteerd als nut en noodzaak van verandering breed draagvlak kent. Dit is randvoorwaardelijk om energieprojecten al dan niet onder Rijkscoördinatie goed te kunnen uitvoeren. Daarom zal EZ bekijken of en hoe een verbeterd procesontwerp in de praktijk kan worden gebracht. Bij de inpassing van (grote) energieprojecten waar EZ bevoegd gezag is, zal EZ vroegtijdig en zorgvuldig het gesprek aangaan met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Voor mijnbouwactiviteiten zal EZ zorgdragen dat de omgeving zich gekend en erkend voelt bij de besluitvorming over vergunningverlening en zal duidelijk worden gemaakt onder welke voorwaarden deze kunnen plaatsvinden (op grond van de nieuwe Mijnbouwwet). Voor de gaswinning in Groningen is samen met de regio het proces richting besluitvorming vorm gegeven. Door middel van ambtelijke en bestuurlijke overleggen worden zowel procesmatige als technisch-inhoudelijke onderwerpen met elkaar besproken. Het kabinet vindt het belangrijk om samen met de regio te werken aan het verbeteren van het gevoel van veiligheid, het beperken van het gevoel van overlast en het herstel van vertrouwen van de inwoners van het aardbevingsgebied. Naast de besluitvorming over de gaswinning heeft het kabinet de Nationaal Coördinator Groningen de taak gegeven om door middel van publieke regie te komen tot een gedragen aanpak voor het verbeteren van het schadeafhandelingsproces, het versnellen van de versterkingsopgave en het verbeteren van het toekomstperspectief voor Groningen, bijvoorbeeld op het gebied van leefbaarheid, duurzaamheid en economie. Deze aanpak wordt samen met maatschappelijke organisaties en bestuurlijke partijen vormgegeven.

5.3 Voedsel: meer verbinding tussen producent en consument

De afgelopen jaren zijn diverse incidenten op het gebied van voedsel de revue gepasseerd en er woeden stevige maatschappelijke discussies over dierenwelzijn, intellectueel eigendom op plantaardig en dierlijk uitgangsmateriaal en de gezondheid van onze voeding. Het kabinet heeft besloten – in reactie op het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid over risico’s in de vleesketen – de publieke taak van vleeskeuring opnieuw in publieke handen te brengen. Daarvoor zal in 2017 bij wet een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) worden opgericht.

Als producenten en consumenten van voedsel weten waar het voedsel vandaan komt, wat de samenstelling ervan is, hoe gezond en duurzaam het is – kortom als zij zich sterker bewust zijn van de waarde van voedsel – dan kunnen zij bewuster kiezen en worden producenten gestimuleerd voedsel op de markt te brengen met positieve eigenschappen op het gebied van gezondheid, dierenwelzijn en milieu. Omdat slechts 2% van de Nederlanders voldoende groente en fruit eet, zal het kabinet zich onder andere via een aanjager inzetten om de consumptie van groente en fruit te stimuleren. In de samenleving leeft breed de wens de «anonimiteit» van de voedselproducent te doorbreken. Het is belangrijk dat de voedselproducent weer een gezicht krijgt en dat de plaats en herkomst van productie en producten beter is te traceren. Veel consumenten hebben behoefte aan directer contact met de producent en/of met de streek van herkomst van het voedsel. Dit stelt consumenten daarnaast in staat om zich kritisch op te stellen bij incidenten op het gebied van voedselveiligheid. Deze opgaven staan hoog op de voedselagenda waaraan het kabinet in 2017 wil verder werken.

6. Slot

De economische crisis heeft het kabinet gedwongen maatregelen te nemen om Nederland weer veerkrachtig en wendbaar te maken. Dankzij de gezamenlijke inzet van ondernemers en burgers zijn we erin geslaagd een goede voedingsbodem te creëren voor toekomstige generaties. Nu is het zaak te blijven zaaien ter vergroting van het toekomstig verdienvermogen van Nederland. Hier zal het kabinet zich ook in 2017 voor blijven inzetten.

2.1.1 Belangrijkste mutaties ontwerpbegroting 2017

UITGAVEN (Bedragen x € 1.000)

Art. nr.

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Stand Ontwerpbegroting 2016

 

4.894.512

4.843.336

5.000.574

5.550.951

6.226.508

 

Mutaties Voorjaarsnota 2016

 

405.704

96.367

67.161

68.909

61.105

 

Stand Voorjaarsnota 2016

 

5.300.216

4.939.703

5.067.735

5.619.860

6.287.613

 
               

Nieuwe mutaties:

             

Ramingsbijstelling subsidies

2

   

– 5.500

– 7.700

– 6.000

 

Uit aanvullende post voor Ruimtevaart

2

   

13.000

13.000

13.000

 

Bijdrage SZW Programmering TNO

2

 

3.700

       

Generieke Digitale Infrastructuur (GDI)

2

4.240

5.500

       

Temporisering uitgaven Kamer van Koophandel

2

13.559

– 13.559

       

Kasschuif uitfinanciering EFRO

2

– 12.041

12.041

       

Bijdrage OCW niet revolverende investeringen

3

   

5.000

5.000

5.000

 

Kasschuif Toekomstfonds

3

– 30.600

 

3.400

6.400

9.400

 

Kasschuif Toekomstfonds fundamenteel en toegepast onderzoek

3

– 51.000

 

22.500

18.500

5.500

 

Middelen start-ups/MKB

3

 

23.000

23.000

23.000

23.000

 

SDE

4

 

– 35.000

– 25.000

     

Kennisprogramma Ondergrond

4

1.750

3.750

3.750

3.750

3.750

 

Bijdrage OCW scholenprogramma

5

 

3.000

3.000

3.000

3.000

 

Polair programma en Geobasisregistraties

6

– 1.471

– 1.471

– 1.471

– 1.471

– 1.471

 

Vismigratierivier

8

– 1.000

– 1.500

– 2.000

     

Kasschuif egalisatieschuld Rijksvastgoedbedrijf

40

9.516

– 1.012

– 1.392

– 1.861

– 1.471

 

Overige mutaties

 

3.220

5.422

347

– 4.250

– 3.447

 

Stand Ontwerpbegroting 2017

 

5.236.389

4.943.574

5.106.369

5.677.228

6.337.874

6.245.906

Artikel 2

Ramingsbijstelling subsidies

Vanwege het aflopen van in voorgaande jaren verleende subsidies is er vanaf 2018 minder budget nodig om de nog openstaande verplichtingen uit te financieren. Het budget voor subsidies is daarom verlaagd.

Uit aanvullende post voor Ruimtevaart

Bij de voorjaarsbesluitvorming zijn middelen die in het Regeerakkoord zijn gereserveerd voor onderwijs en onderzoek (maatregel D32) overgeheveld naar de begroting van OCW. Als onderdeel hiervan is er vanaf 2018 structureel € 13 mln beschikbaar gekomen voor de Ruimtevaart op de EZ-begroting. Hiermee kan Nederland op lange termijn blijven investeren in ESA-programma’s.

Bijdrage SZW programmering TNO

Bijdrage van het Ministerie van SZW voor het maatschappelijke Thema Arbeid en Gezondheid in het kader de vraag gestuurde programmering van TNO.

Generieke Digitale Infrastructuur (GDI)

Bijdrage vanuit de aanvullende post voor de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI) voor implementatie, beheer en toezicht op EZ-voorzieningen van de GDI.

Temporisering uitgaven Kamer van Koophandel

Dit betreft een temporisatie van de uitgaven van de Kamer van Koophandel voor de bevoorschotting 2017. Uit oogpunt van liquiditeit wordt het eerste voorschot 2017 in december 2016 verstrekt.

Kasschuif uitfinanciering EFRO

Het programma EFRO 2007–2013 wordt in 2017 afgerond. Dan zal ook de laatste termijn van de uitfinanciering van het programma plaatsvinden. Daarom wordt het beschikbare budget verschoven van 2016 naar 2017.

Artikel 3

Bijdrage OCW niet revolverende investeringen

De bijdrage van OCW van jaarlijks € 5 mln wordt vanaf 2018 gedurende 10 jaar ingezet voor (de dekking van) niet revolverende investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek vanuit het Toekomstfonds. Bij voorjaarsbesluitvorming zijn de middelen die hiervoor in het Regeerakkoord zijn gereserveerd overgeheveld naar de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het betreft maatregel D32 uit het Regeerakkoord.

Kasschuif Toekomstfonds

Met deze mutatie wordt de onderuitputting 2015 die opgevraagd is bij Voorjaarsnota 2016, doorgeschoven naar latere jaren. De mutatie betreft de instrumenten vroege fase financiering en Dutch Venture Initiative.

Middelen start-ups/MKB

Dit betreft de middelen voor een co-investeringsregeling voor durfkapitaal voor het stimuleren van investeringen in startups/MKB.

Kasschuif Toekomstfonds fundamenteel en toegepast onderzoek

De kasmiddelen voor fundamenteel en toegepast onderzoek worden in het verwachte kasritme verspreid over de komende jaren. Dit betreft onder andere de middelen voor de regeling Toekomstfondskrediet Onderzoeksfaciliteiten (TOF) en Smart Industry.

Artikel 4

SDE

Dit betreft een kasschuif in de raming van de uitfinanciering van in het verleden aangegane verplichtingen SDE. In 2022 en 2023 worden deze bedragen (respectievelijk € 35 mln en € 25 mln) weer toegevoegd aan de begroting.

Kennisprogramma Ondergrond

Een verhoging van de raming voor zoutwinning en terugontvangen subsidievoorschotten wordt ingezet ter dekking van het Kennisprogramma Ondergrond.

Artikel 5

Bijdrage OCW scholenprogramma

OCW draagt € 3 mln per jaar bij aan het herstel van schoolgebouwen in de provincie Groningen in het kader van het aardbeving bestendig maken van deze gebouwen. De bijdrage start in 2017.

Artikel 6

Polair programma en Geobasisregistraties

Bijdrage aan OCW voor het Polair programma (€ 0,4 mln) en aan IenM voor het project Geobasisregistraties (€ 1,1 mln).

Artikel 8

Vismigratierivier

Bijdrage aan de provincie Friesland in de realisatie van de vismigratierivier in de Afsluitdijk.

Artikel 40

Kasschuif egalisatieschuld Rijksvastgoedbedrijf

Deze Kasschuif betreft de vervroegde aflossing in 2016 van de egalisatieschuld aan het Rijksvastgoedbedrijf.

Mutatie op de aanvullende post

Handelsmissies

Het kabinet heeft de ambitie internationaal ondernemen sterk te bevorderen en in te spelen op de groeiende behoefte vanuit het bedrijfsleven en de kenniswereld naar internationale handels- en innovatiebevorderende diensten van de overheid. Om aan deze vraag te kunnen blijven voldoen, heeft het kabinet besloten om vanaf 2017 € 10 mln structureel extra vrij te maken voor inspanningen die de Nederlandse concurrentiepositie van Nederland in het buitenland ten goede komen, zoals een betere follow up van economische missies en het effectiever maken van het internationale topsectorenbeleid.

In afwachting van de nieuwe acties zijn de middelen geraamd op een aanvullende post. Een belangrijk uitgangspunt hierbij is dat de middelen ten goede moeten komen aan een meer doeltreffende economische diplomatie, over de volle breedte van handelsbevordering tot en met innovatiesamenwerking, waarin publieke en private partijen complementaire rollen hebben, maar nauw samenwerken bij het helpen realiseren van gezamenlijk vast te stellen doelen gericht op prioriteitslanden, topsectoren en mondiale maatschappelijke uitdagingen. De door de Dutch Trade & Investment Board (DTIB) geïnitieerde publiek-private Stuurgroep Handels- en investeringsbevordering zal begin 2017 het kabinet adviseren hoe deze publiek-private meerjarig geprogrammeerde aanpak in de praktijk zou moeten gaan werken.

ONTVANGSTEN (Bedragen x € 1.000)
 

Art. nr.

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Stand Ontwerpbegroting 2016

 

6.783.470

6.495.507

6.976.908

7.774.047

8.296.171

 

Mutaties Voorjaarsnota 2016

 

– 3.428.541

– 3.197.501

– 3.247.282

– 3.347.217

– 3.298.726

 

Stand Voorjaarsnota 2016

 

3.354.929

3.298.006

3.729.626

4.426.830

4.997.445

 
               

Nieuwe mutaties:

             

Verhoging BMKB-premie

2

 

4.000

4.000

4.000

4.000

 

Aardgasbaten

4

150.000

450.000

300.000

250.000

250.000

 

Geothermie provisies

4

800

2.500

4.700

4.700

4.700

 

Hogere ontvangsten zoutwinning en subsidies

4

1.750

3.750

3.750

3.750

3.750

 

Apurement

6

 

8.000

3.000

2.700

2.700

 

Verhuur mosselpercelen

6

2.000

         

Overige mutaties

 

2.878

4.606

– 225

– 1.808

– 3.054

 
               

Stand Ontwerpbegroting 2017

 

3.512.357

3.770.862

4.044.851

4.690.172

5.259.541

5.161.697

Verhoging BMKB-premie

Verbetering van de kostendekkendheid van de Borgstelling Midden- en Kleinbedrijf (BMKB) door een verhoging van de gemiddelde premie van 3,6% naar 4,8%.

Aardgasbaten

De aardgasbaten zullen in de komende jaren naar verwachting hoger uitvallen dan bij Voorjaarsnota 2016 geraamd. Dit komt door de samenloop van twee (tegengestelde) effecten: de voorgenomen verlaging van de gaswinning tot 24 miljard m3 per gasjaar en de gestegen TTF gasprijsverwachting. Per saldo wordt in de jaren 2016 en verder de voorgenomen lagere gaswinning meer dan gecompenseerd door de actuele hogere gasprijsverwachtingen. De raming van de aardgasbaten is in lijn met de uitgangspunten die het CPB heeft gebruikt bij het opstellen van de MEV.

Geothermie provisies

Bij elke openstelling van de regeling Geothermie worden provisies in rekening gebracht. Met deze bijstelling worden de ramingen in overeenstemming gebracht met de verwachte opbrengst aan provisies.

Hogere ontvangsten zoutwinning en subsidies

Hogere ontvangsten uit zoutwinning en terugontvangen subsidievoorschotten worden ingezet ter dekking van het Kennisprogramma Ondergrond (uitgaven artikel 4).

Apurement

Onttrekking van middelen uit de begrotingsreserve apurement voor de versterking van het toezicht door de NVWA als onderdeel van financiële dekking zoals aangekondigd in de brief van 27 mei 2016 (TK, 33 835, nr. 33). Jaarlijks vindt een beoordeling plaats van de omvang van de reserve in relatie tot de correctievoorstellen en definitieve correctiebesluiten van de Europese Commissie. Naar huidig inzicht is de omvang van de begrotingsreserve voldoende om opgelegde correcties en boetes van de Europese Commissie te dekken.

Verhuur mosselpercelen

Extra ontvangsten uit de verhuur van mosselpercelen.

2.1.2 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven en bestemming (bedragen x € 1.000)

Art.nr.

Naam artikel

(€ tot. Uitg. art.)

Juridisch verplichte uitgaven

Niet-juridisch verplichte uitgaven

Bestemming van de belangrijkste niet-juridisch verplichte uitgaven

1

Goed functionerende economie en markten

(€ 185.726)

€ 183.573 (99%)

€ 2.153 (1%)

– Onderzoek en opdrachten (€ 719).

– Bijdrage aan (inter)nationale organisaties (€ 1.434).

2

Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

(€ 829.851)

€ 738.522 (89%)

€ 91.329 (11%)

– Subsidies (€ 28.141), waarvan MKB-Innovatiestimulering Topsectoren (€ 20.532), Eurostars (€ 3.088), bevorderen ondernemerschap (€ 1.100) en Innovatie prestatie contracten (€ 1.508).

– Opdrachten (€ 7.750), waarvan onderzoek en opdrachten (€ 1.969), ICT-beleid (€ 3.056) en regiegroep Regeldruk (€ 1.080).

– Bijdragen aan (inter)nationale organisaties (€ 55.411), waarvan Internationaal innoveren (€ 6.495), TKI-toeslag (€ 35.455), Ruimtevaart ESA (€ 7.276), Bijdragen aan (div.) organisaties (€ 5.289).

3

Toekomstfonds

(€ 145.118)

€ 101.683 (69%)

€ 44.435

(31%)

– Innovatiekrediet

(€ 17.627).

– Vroege fase financiering (€ 3.808).

– Startups MKB (€ 23.000).

4

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

(€ 1.902.455)

€ 1.583.179

(83%)

€ 319.276

(17%)

– Subsidies (€ 274.577), waarvan Topsectoren energie (€ 15.902), SDE+ (€ 236.197) en Demonstratieregeling Energie Innovatie (€ 22.478).

– Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s; TNO Bodembeheer (€ 3.745).

– Bijdragen aan medeovereheden; uitkoop en verkabeling(€ 28.000).

– Bijdragen aan organisaties (€ 12.671), waarvan bijdrage aan diverse instituten

(€ 1.357), bijdrage aan ECN (€ 9.136) en lening ECN/NRG (€ 2.178).

5

Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen (€ 77.600)

€ 0

(0%)

€ 77.600 (100%)

Zie budgettaire tabel van artikel 5.

6

Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens (€ 538.382)

€ 514.110

(95%)

€ 24.272

(5%)

– Subsidies (€ 2.760), waarvan duurzame veehouderij (€ 1.162), tegemoetkoming Vamil (€ 372), Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (€ 1.220).

– Opdrachten (€ 16.779), waarvan Voedselagenda (€ 12.562), diergezondheid en dierenwelzijn (€ 1.582), voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid

(€ 1.525).

– Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s (€ 4.726), waarvan bijdrage aan Wageningen Research (€ 808), medebewind en overige voormalige publieke PBO-taken (€ 3.918).

7

Groen onderwijs van hoge kwaliteit (€ 804.513)

€ 802.210

(100%)

€ 2.303

(0%)

– Subsidies (€ 2.303).

8

Natuur en biodiversiteit

(€ 125.645)

€ 105.228

(84%)

€ 20.417

(16%)

– Opdrachten (€ 12.501), waarvan Nationale parken (€ 500), Natuurlijk ondernemen en green deals (€ 2.495), Natuurvisie (€ 5.060), Natura 2000 (€ 2.149), bijdrage BES-eilanden

(€ 495).

– Bijdragen aan medeoverheden

(€ 7.916), waarvan Programmatische Aanpak Stikstof (€ 1.647) en Westerschelde (€ 6.117).

Totaal aan niet verplichte uitgaven

 

€ 581.785

 

2.1.3 Overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren

De tabel bevat een meerjarig overzicht van de middelen die in 2016–2021 beschikbaar zijn binnen de begrotingen van een aantal departementen voor het bedrijvenbeleid en de topsectoren. De indeling van de tabel geeft inzicht in de samenhang tussen de verschillende onderdelen. Voor een groot deel betreft dit het innovatiebeleid, dat uit een generieke pijler en een specifieke pijler bestaat. Het generieke beleid ondersteunt innovatie voor alle bedrijven, binnen en buiten de Topsectoren (tabel A1 en A2). Ook de bijdrage van Buitenlandse Zaken (A3) is generiek van aard. De kern van het specifieke beleid is publiek-private samenwerking (PPS, tabel B1 en B2). Door een intensievere samenwerking tussen de excellente Nederlandse publieke kennisinfrastructuur en de bedrijven vindt de kennis beter zijn weg in innovatieve producten. PPS wordt gestimuleerd met de TKI Toeslag en de MIT. Internationale PPS wordt mogelijk gemaakt dankzij EU cofinanciering (B2), daarnaast door de Innovatie Attachés en technologiemissies. Via het onderzoeksdeel van het Toekomstfonds is in totaal € 100 mln beschikbaar voor hoogwaardige onderzoeksfaciliteiten en (publiek – private samenwerking) op specifieke thema’s. Opbrengsten uit deze investeringen vloeien terug in het fonds. Onderdeel C bevat de instrumenten voor aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt en tot slot bestaat onderdeel D uit verschillende specifieke bijdragen van departementen aan voor hun relevante topsectoren.

In de tabel is ook aangegeven op welk begrotingsartikel de middelen op de departementale begrotingen staan. Daar zijn de hier getoonde reeksen vaak niet één op één terug te vinden, omdat hier alleen de middelen zijn getoond die samenhangen met het bedrijfslevenbeleid en topsectoren. Een afnemend deel van de middelen is reeds belegd met uitgaven voor lopende programma’s. De verantwoording over dit budget vindt plaats via de reguliere begrotingscyclus via de desbetreffende departementale begrotingen. De reeksen Creatief liggen vast in de BIS (2017–2020). Een deel van het geld van het regionaal investeringsfonds MBO gaat ook naar publiek-private samenwerkingsverbanden buiten de topsectoren.

(kasbedragen x € 1 mln)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Departement

Artikel

I Generiek

               
                 

A1. Ondernemerschap en innovatie

190

139

145

128

148

158

   

Financieringsinstrumenten Toekomstfonds

190

139

145

128

148

158

EZ

3

                 

A2. Fiscale maatregelen

1.151

1.213

1.213

1.213

1.213

1.213

   

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

8

8

8

8

8

8

EZ/FIN

2, belastingplan

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO)

1.143

1.205

1.205

1.205

1.205

1.205

   
                 

A3. Internationaal

329

266

270

237

195

276

   

Internationaal ondernemen en ontwikkelingssamenwerking

210

158

156

182

168

168

BH/OS

1,2,3

Dutch Good Growth Fund (DGGF)

119

108

114

55

27

108

BH/OS

1

                 

II Specifiek voor topsectoren

               
                 

B1. Kennis en innovatie

553

545

543

541

541

541

   

NWO

275

275

275

275

275

275

OCW/

EZ

16

STW

21

20

25

23

23

23

EZ

2

KNAW

14

14

14

14

14

14

OCW

16

Toegepast onderzoek (TO2: TNO, Wageningen Research, Marin, ECN, NLR, Deltares)

198

192

185

185

185

185

EZ

2,4,6

Profilering kennisinfrastructuur

44

44

44

44

44

44

OCW

16

                 

B2. Innovatie en PPS

246

200

225

227

220

219

   

TKI Toeslag

76

99

107

114

119

119

EZ

2

MKB Innovatiestimuleringsregeling Topsectoren

34

31

29

28

29

29

EZ

2

Europese Cofinanciering, afloop FES en innovatieprogramma's1

82

70

61

61

61

61

EZ

2

Investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek

54

0

28

24

11

10

EZ

3

                 

C. Onderwijs en arbeidsmarkt

52

35

0

0

0

0

   

Professionele masters

7

7

0

0

0

0

OCW

6

Centra voor Innovatief vakmanschap

3

3

0

0

0

0

OCW/EZ

4

Stimuleren beta en technologie

0

0

0

0

0

0

OCW

6

Centers of Expertise

17

0

0

0

0

0

OCW

6

Regionaal investeringsfonds MBO2

25

25

0

0

0

0

OCW

4

                 

D. Specifieke bijdragen departementen

250

241

234

243

216

165

   

VWS: Life Sciences & Health/zorg

65

52

44

46

45

45

VWS

1, 2, 4, kader Zorg

EZ: Energie-innovatie (excl. ECN)

120

125

126

133

133

100

EZ

4

IenM: Logistiek3

20

24

22

21

18

0

IenM

divers H-XII, IF en DF

IenM: Water

25

21

23

23

0

0

IenM

divers H-XII, IF en DF

OCW: Creatief

11

11

11

11

11

11

OCW

14

Defensie

8

8

8

8

8

8

DEF

6

                 

Totaal

2.771

2.639

2.630

2.589

2.533

2.572

   

Noot 1: Voor een totaalbedrag van cofinanciering KP7 en H2020 wordt verwezen naar Bijlage 5.4 Europese geldstromen, paragraaf 5 Horizon 2020.

Noot 2: Een deel van het geld van het regionaal investeringsfonds gaat ook naar publiek-private samenwerkingsverbanden buiten de topsectoren.

Noot 3: Voorbehoud voor de bijdrage vanuit IenM is dat deze alleen vrijkomt voor de door IenM goedgekeurde concrete projectvoorstellen vanuit de sector.

2.1.4 Meerjarenplanning Beleidsdoorlichtingen

Artikel

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Geheel artikel?

1

Goed functionerende economie en markten (voormalig artikel 11)

 

X

       

X

Ja

2

Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen (voormalig artikel 12, 13 en 18 (regiodeel))

X

       

X

 

Ja

3

Toekomstfonds (voormalig artikel 19)

         

X

 

Ja

4

Een doelmatige en duurzame energievoorziening (voormalig artikel 14)

         

X

 

Ja

5

Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen (voormalig artikel 15)

           

X

Ja

6

Concurrerende, duurzame en veilige agro-, visserij- en voedselketens (voormalig artikel 16)

X

     

X

   

Ja

7

Groen onderwijs van hoge kwaliteit (voormalig artikel 17)

       

X

   

Ja

8

Natuur en biodiversiteit (voormalig artikel 18)

X

         

X

Ja

Artikel 1: De beleidsdoorlichting van voormalig artikel 11 is op 28 april 2016 aan de Tweede Kamer aangeboden (TK, 30 991, nr. 31). De doorlichting is grotendeels intern EZ uitgevoerd en is gebaseerd op bestaand evaluatiemateriaal. Een extern onderzoeksbureau heeft onderzocht in hoeverre de verschillende beleidsinstrumenten van artikel 11 in hun onderlinge samenhang bijdragen aan de centrale doelstelling van artikel 11. Met afronding van deze beleidsdoorlichting zijn in een tijdsbestek van 2014–2016 alle artikelen van de EZ-begroting doorgelicht en aan de Tweede Kamer aangeboden.

Artikel 2: De beleidsdoorlichting van voormalige artikelen 12 en 13 is gezamenlijk uitgevoerd en op 13 mei 2015 aan de Tweede Kamer aangeboden (TK, 30 991, nr. 23).

Artikel 3: Dit artikel is in 2016 aan de EZ-begroting toegevoegd en zal voor het eerst in 2020 worden doorgelicht.

Artikel 4: De beleidsdoorlichting van voormalig artikel 14 (energie) is op 19 december 2014 naar de Tweede Kamer gestuurd (TK, 30 991, nr. 17). Dit betrof een ex-post beleidsdoorlichting over de periode 2007–2012. De volgende beleidsdoorlichting zal logischerwijs dan de periode 2013–2018 beslaan en in 2019/2020 worden uitgevoerd.

Artikel 5: Dit artikel is in 2016 aan de EZ-begroting toegevoegd en zal voor het eerst in 2021 worden doorgelicht.

Artikel 6: Het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) agro-, visserij-, en voedselketens is geïntegreerd met de geplande beleidsdoorlichting van voormalig artikel 16. Het IBO is 26 juni 2015 met de kabinetsreactie aan de Tweede Kamer aangeboden (TK, 30 991, nr. 25).

Artikel 7: De beleidsdoorlichting van voormalig artikel 17 is op 2 juni 2014 aan de Tweede Kamer aangeboden (TK, 30 991, nr. 11).

Artikel 8: De beleidsdoorlichting van voormalig artikel 18 is op 24 december 2015 aan de Tweede Kamer aangeboden (TK, 30 991, nr. 29).

Voor het meest recente overzicht van de realisatie van beleidsdoorlichtingen, klik op deze link

http://www.rijksbegroting.nl/beleidsevaluaties/evaluaties-en-beleidsdoorlichtingen/2015

Voor een verdere onderbouwing van de meerjarenprogrammering zie de bijlage «Evaluatie- en overig onderzoek» (bijlage 7.7).

2.1.5 Overzicht van risicoregelingen

Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitstaande garanties 2015

Geraamd te verlenen 2016

Geraamd te vervallen 2016

Uitstaande garanties 2016

Geraamd te verlenen 2017

Geraamd te vervallen 2017

Uitstaande garanties 2017

Garantieplafond 2017

Totaal plafond

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

BMKB

1.756.290

765.000

326.047

2.195.243

765.000

490.922

2.469.321

765.000

 

Garantie Ondernemingsfinanciering

665.450

400.000

193.909

871.541

400.000

88.969

1.182.572

400.000

 

Groeifaciliteit

107.707

114.485

21.661

200.531

135.000

40.328

295.203

135.000

 

Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfaciliteit

42.040

376.662

3.000

415.702

376.662

39.040

753.324

376.662

 

MKB financiering

 

750.000

 

750.000

   

750.000

 

750.000

Microkredieten

99.700

 

4.800

94.900

 

4.800

90.100

 

113.000

                     

Artikel 4 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Aardwarmte

66.715

111.650

21.657

156.708

66.600

25.064

198.244

66.600

 
                     

Artikel 6 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garanties voor investeringen en werkkapitaal landbouwondernemingen (Garantieregelingen Landbouw en Garantieregeling Marktintroductie Innovatie)

322.398

120.000

35.000

407.398

120.000

30.000

497.398

120.000

 
                     

Artikel 8 Natuur en biodiversiteit

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

399.689

16.042

383.647

16.594

367.053

 

399.689

 

Totaal

3.459.989

2.637.797

622.116

5.475.670

1.863.262

735.717

6.603.215

1.863.262

1.262.689

Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)

Artikel

Omschrijving

Uitgaven 2015

Ontvangsten 2015

Saldo 2015

Uitgaven 2016

Ontvangsten 2016

Saldo 2016

Uitgaven 2017

Ontvangsten 2017

Saldo 2017

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

BMKB

65.330

32.307

– 33.023

42.594

29.000

– 13.594

41.594

33.000

– 8.594

Garantie Ondernemingsfinanciering

10.600

9.443

– 1.157

11.745

13.000

1.255

11.745

13.000

1.255

Groeifaciliteit

3.499

2.964

– 535

8.850

8.000

– 850

8.850

8.000

– 850

Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfaciliteit

15

15

3.591

4.000

409

3.591

4.000

409

MKB financiering

Microkredieten

                     

Artikel 4 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Aardwarmte

922

922

1.800

1.800

2.500

2.500

                     

Artikel 6 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Garanties voor investeringen en werkkapitaal landbouwondernemingen (Garantieregelingen Landbouw en Garantieregeling Marktintroductie Innovatie)

28.347

1.696

– 26.651

5.000

1.800

– 3.200

2.500

1.800

– 700

                     

Artikel 8 Natuur en biodiversiteit

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

 

Totaal

107.776

47.347

– 60.429

71.780

57.600

– 14.180

68.280

62.300

– 5.980

Artikel 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

De BMKB biedt banken een borgstelling voor leningen aan midden- en kleinbedrijven (≤ 250 werknemers) voor zover deze bedrijven onvoldoende zekerheden kunnen bieden aan de bank. Het knelpunt dat met de BMKB wordt bestreden is het verschijnsel dat in de kern gezond MKB – met voldoende zicht op rentabiliteit en continuïteit – niet of onvoldoende in een kredietbehoefte kan voorzien door een tekort aan zekerheden (onderpand).

De gemiddelde eenmalige premie die voor het borgstellingskrediet wordt betaald is per 1 januari 2017 4,8%. De premie is afhankelijk van de looptijd van het bedrijfsborgstellingskrediet. Er zal gedifferentieerd worden tussen de premies voor enerzijds startende en gevestigde bedrijven (gemiddeld 4,65%) en anderzijds voor innovatieve bedrijven (gemiddeld 6,65%). Hierbij wordt de mogelijkheid geboden de premiebetaling gedeeltelijk over de looptijd van het krediet te voldoen. De premie is niet kostendekkend. Op de begroting is structureel € 10,5 mln (inclusief de uitvoeringskosten) beschikbaar ter afdekking van de schades die niet door premie-ontvangsten worden gedekt.

Er is een begrotingsreserve voor de BMKB waardoor een verevening mogelijk is van premie-inkomsten en schade-uitgaven over een reeks van jaren. De regeling is namelijk conjunctuurgevoelig (in tijden van krimp en recessie hogere verliezen) waardoor uitgaven en inkomsten kunnen fluctueren.

De horizonbepaling voor de BMKB is juli 2017. Het kabinet is voornemens deze horizon te verlengen naar 1 juli 2022, naar aanleiding van de recent afgeronde evaluatie van de BMKB. De volgende evaluatie zal in 2021 plaatsvinden.

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

De GO-regeling is bestemd voor ondernemers die financiering willen aantrekken bij banken en is gericht op (middel)grote ondernemingen met substantiële activiteiten in Nederland en met bevredigende rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven. De GO regeling biedt banken de mogelijkheid om nieuwe bankleningen te verstrekken en/of bankgaranties af te geven van minimaal € 1,5 mln en maximaal € 50 mln (tot ultimo 2017 € 150 mln) met een garantie van 50% door de overheid. De overheid deelt mee in de opbrengsten uit zekerheden. De GO is door het huidige kabinet structureel gemaakt met een jaarlijks garantieplafond van € 400 mln.

Het kredietbeheer ligt primair bij de bank. De bank heeft geen ander belang bij de betaling van rente en aflossing dan de overheid. Naast de 50% garantie van de overheid draagt de bank namelijk zelf eveneens 50% risico. RVO.nl beoordeelt de kredietaanvragen en wijziging van kredieten. Daarnaast is een kredietcommissie met externe deskundigen geïnstalleerd, die de kredietvoorstellen eveneens beoordeelt. De Commissie toetst – additioneel aan RVO.nl – het risico van het betreffende voorstel en bij fiattering wordt de premie bepaald op basis van het te lopen risico.

De premie bestaat in hoofdzaak uit de provisie op de rentemarge voor het debiteurenrisico van de bank onder aftrek van 0,25% die de bank voor haar beheersactiviteiten mag behouden. Andere bronnen van inkomsten zijn bijvoorbeeld afsluitprovisies en fees die ten gunste van bank en overheid komen. Uitgangspunt is dat de GO-regeling kostendekkend is. Een eventueel verschil tussen premieontvangsten, schades en uitvoeringskosten in enig jaar worden afgestort naar dan wel onttrokken aan de begrotingsreserve.

De horizonbepaling voor de GO is 1 juli 2017. Het kabinet is voornemens de horizon te verlengen tot 1 juli 2020. De GO-regeling is recent geëvalueerd in 2014. De volgende evaluatie zal in 2019 plaatsvinden.

Groeifaciliteit

De regeling Groeifaciliteit helpt bedrijven bij het aantrekken van risicodragend vermogen door garanties te geven op achtergestelde leningen verstrekt door banken en op aandelen verstrekt door participatiemaatschappijen aan ondernemingen. De Groeifaciliteit kan ondernemingen in een groeifase, bij bedrijfsovernames en bij herstructureringen helpen bij het aantrekken van risicokapitaal. De regeling wordt ook opengesteld voor bedrijven uit de agrosector.

Alleen deelnemende financiers kunnen een garantieaanvraag bij de overheid indienen. De maximumgarantie van de overheid is 50%, wat bij participaties neerkomt op maximaal € 12,5 mln en bij bancaire achtergestelde leningen op maximaal € 2,5 mln.

Financiers betalen om de garantie te verwerven in ieder geval een eenmalige premie van 1% van het garantiebedrag vooraf en vervolgens een premie over het uitstaande garantiebedrag. Voor participaties is voorzichtigheidshalve uitgegaan van 3% per jaar en voor achtergestelde leningen 2,5%. Het uitgangspunt is dat de Groeifaciliteit hiermee kostendekkend is. Deze jaarlijkse premie kan gedurende de looptijd van de garantiemaatregel worden herzien en zo nodig naar boven worden bijgesteld om ervoor te zorgen dat de premies de kosten van de regeling blijven dekken. Een eventueel verschil tussen premieontvangsten, schades en uitvoeringskosten in enig jaar wordt met ingang van 2014 afgestort in de begrotingsreserve.

De horizonbepaling voor de Groeifaciliteit is 1 juli 2017. Het kabinet is voornemens de horizon te verlengen tot 1 juli 2020. De laatste evaluatie is uitgevoerd in 2012. De eerstvolgende evaluatie zal in 2019 worden uitgevoerd.

Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfaciliteit

De garantieregeling Scheepsnieuwbouwfaciliteit (GSF) biedt banken van in Nederland gevestigde scheepswerven de mogelijkheid om een garantie te verkrijgen op de financiering van de bouwfase van nieuwe schepen. De bank is de aanvrager van de staatsgarantie op de financieringsvraag, die door een scheepswerf aan de bank is voorgelegd. De maximale garantie, die de Staat kan verstrekken bedraagt 80% van de gecontracteerde bouwsom. Bij het verlenen van de financiering worden de gebruikelijke bancaire spelregels in acht genomen, waarbij het risico tussen bank en staat paritair (20/80) verdeeld is. Deze garantieregeling creëert een level playing field voor de Nederlandse scheepswerven in Europa voor de productie van nieuwe schepen. Andere Europese landen kennen voor hun nationale scheepsbouwproductiesector vergelijkbare nationale regelingen. De maximale bouwsom per schip wordt losgelaten en de maximumbouwperiode wordt verlengd van drie naar vier jaar, maar de maximumgarantie blijft gehandhaafd op € 80 mln. Vanaf 2016 is een plafond beschikbaar van jaarlijks € 377 mln, waarbij één scheepswerf(groep) maximaal 30% van dit plafond mag benutten.

Het verstrekken van een garantie kan eerst plaatsvinden nadat de betrokken bankier zelf de bereidheid heeft om voor ten minste 20% een eigen risico te aanvaarden op de betreffende werf. Daarnaast adviseert een onafhankelijke kredietcommissie over de aanvraag voor een staatsgarantie.

Via een analyse van de markt is nagegaan welke faillissementen zich in Nederland hebben voorgedaan bij relevante scheepswerven en wat de gevolgen zijn voor de positie van het onderhanden werk (schepen). Uit de analyse van een periode van 15 jaar bleek dat er nagenoeg geen schade was ontstaan. Dit heeft geleid tot de inschatting dat de kans dat de borgtocht daadwerkelijk zal worden ingeroepen minimaal is. Op basis daarvan is het risico gewaardeerd op 1%. De provisie die de staat over de garantie zal ontvangen bedraagt gemiddeld 1,5% en is kostendekkend. Om eventuele schades in de eerste jaren op te vangen is een begrotingsreserve ingesteld. Ultimo 2015 bevat deze reserve € 10 mln. Het plafond voor de Garantieregeling Scheepsnieuwbouw bedraagt met ingang van 2016 € 377 mln.

De horizonbepaling voor de Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering is 1 juli 2017. De evaluatie van de GSF zal begin 2017 worden afgerond.

MKB-financiering

In het aanvullend actieplan MKB-financiering van 8 juli 2014 heeft het kabinet aangekondigd een garantiebedrag van € 400 mln ter beschikking te stellen om de funding van nieuwe aanbieders van MKB-financiering mogelijk te maken. Naast alle andere initiatieven en plannen is er behoefte aan nieuwe financiers en nieuwe financieringsmogelijkheden voor het verstrekken van vreemd vermogen aan het MKB. Het vinden van funding voor deze nieuwe mogelijkheden is echter, bij gebrek aan voldoende track-record van dergelijke financiers, lastig. Met het Aanvullend Actieplan MKB-financiering is er daarom voor goede initiatieven ruimte beschikbaar om die funding te vereenvoudigen met behulp van een overheidsgarantie. Een overheidsgarantie zal kostendekkend moeten zijn en geen staatssteun mogen inhouden. Op 30 oktober 2014 is in de Staatscourant een oproep gepubliceerd om voorstellen in te dienen om in aanmerking te komen voor een garantie uit het genoemde budget. Er vinden onderhandelingen plaats met een aantal initiatieven die door een commissie van externe experts tenminste als voldoende zijn beoordeeld. Naar verwachting zullen in 2016 de eerste garantieovereenkomsten kunnen worden afgesloten. Omdat bij het opstellen van de begroting nog geen garantieovereenkomsten zijn afgesloten konden daarom in het bovenstaande garantieoverzicht derhalve geen raming van ontvangsten en uitgaven worden opgenomen. Er is een begrotingsreserve voor de verevening van premie-inkomsten en schade-uitgaven. De garanties in het kader van het Aanvullend Actieplan MKB-financiering kunnen tot en met 2017 worden verstrekt.

Micro- en MKBkredieten

Dit betreft een eenmalige garantie van € 13 mln ten behoeve van de Bank Nederlandse Gemeenten in het kader van de funding van Qredits met € 15 mln voor het verstrekken van microkredieten. Voor deze garantie is geen premie verschuldigd. Daarnaast is een eenmalige garantie verstrekt aan de Europese Investeringsbank van € 86,7 mln voor de funding van Qredits met € 100 mln voor de verstrekking van micro- en MKBkrediet. Voor deze garantie is een premie van 0,4% verschuldigd.

Artikel 4 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Aardwarmte

Aardwarmte wordt gezien als een kosteneffectieve duurzame energiebron met potentie. Het draagt bij aan het halen van de duurzame energiedoelstelling van Nederland. Binnen de SDE+ is het één van de gunstigste opties. Aardwarmte is tevens een belangrijke optie voor het behalen van energie- en klimaatdoelen. Stimuleren van aardwarmte is een prioriteit uit het energieakkoord, de warmtevisie, de beleidsbrief tuinbouw en de meerjarenafspraak energietransitie glastuinbouw 2014–2020.

Het doel van de garantieregeling aardwarmte is het afdekken van het geologisch risico dat het boren van de putten voor de toepassing van aardwarmte, niet succesvol is. Het gaat om het risico dat de volgens het plan aangeboorde aardlaag minder warm water productie oplevert en/of water van lagere temperatuur oplevert dan op basis van een gedegen geologisch vooronderzoek verwacht werd.

Het ontbreken van een (betaalbare) verzekering is nog steeds een belangrijk knelpunt voor de toepassing van aardwarmte. Door dit risico af te dekken wordt de toepassing van aardwarmte gestimuleerd. De garantieregeling dekt het risico dat een boring niet in een goede watervoerende laag uitkomt, waardoor het vermogen dat vooraf verwacht werd, niet wordt behaald. In dat geval wordt voor een deel van de gemaakte kosten een subsidie uitgekeerd, gerelateerd naar de mate waarin de aardwarmteboring mislukt is.

Er wordt een premie van 7% gevraagd.

De garantie wordt uitgekeerd wanneer projecten (deels) mislukken. Met de garantstelling worden projecten uitgelokt met een relatief klein risico (eis 90% slaagkans). Het verwacht vermogen dat aan de bodem onttrokken wordt (dit is het vermogen dat bij de aanvraag is opgegeven) is maximaal het vermogen dat met 90% zekerheid aan de ondergrond kan worden onttrokken (op basis van een locatiespecifiek geologisch onderzoek dat moet zijn opgesteld door een ISO 9001 gecertificeerde onderneming)

EZ maakt een garantieplafond en het maximaal te garanderen bedrag per boring bekend. EZ neemt binnen acht weken na de indiendatum een besluit op de aanvraag. De aanvrager moet binnen 6 maanden na goedkeuring van de aanvraag starten met het boorproject. Na de aanvang van de aardwarmteboring heeft de aanvrager een jaar voor de voltooiing. Het aardwarmteproject moet binnen twee jaar leiden tot toepassing van aardwarmte in Nederland.

De premieontvangsten worden gestort in de begrotingsreserve. Eventuele schade-uitkeringen komen ten laste van deze reserve. In 2016 is de garantieregeling geëvalueerd, het onderzoeksrapport is in juli 2016 samen met het bijgestelde toetsingskader aan de Tweede Kamer aangeboden.

De horizonbepaling is 2020.

Artikel 6 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

De borgstellingsregelingen voor de landbouw bieden banken een borgstelling voor leningen aan land- en tuinbouwondernemers voor zover deze bedrijven onvoldoende zekerheden kunnen bieden aan de bank. Het knelpunt dat met de borgstelling wordt bestreden is het verschijnsel dat in de kern gezond bedrijven – met voldoende zicht op rentabiliteit en continuïteit – niet of onvoldoende in hun kredietbehoefte kunnen voorzien door een tekort aan zekerheden (onderpand). Het plafond voor de landbouw-borgstellingen is € 120 mln.

Garantieregeling Landbouw (GL, vanaf 2017 BL)

De Garantieregeling Landbouw (GL) wordt per 1 januari 2017 vervangen door de regeling Borgstelling MKB Landbouwkredieten (BL). In de Borgstelling MKB-Landbouwkredieten (BL) is de landbouw-borgstellingsregeling geharmoniseerd met de Borgstelling MKB Kredieten (BMKB). De wijzigingen betreffen enerzijds een update van de regeling, waardoor deze weer beter aansluit op de huidige praktijk van bedrijfsfinanciering; tegelijkertijd wordt de uitvoering voor banken en voor RVO.nl eenvoudiger en goedkoper gemaakt. Om de kostendekkendheid van de regeling te verbeteren wordt tevens het percentage waarvoor de rijksoverheid garant staat verlaagd naar 70% (was 80%). Tenslotte wordt ook omschakelkapitaal voor de transitie van de bedrijfsvoering van een gangbaar naar een biologische gecertificeerd agrarisch productiebedrijf onder de borgstellingsregeling mogelijk gemaakt.

De totale borgstelling voor een onderneming kan maximaal 70% van € 2,5 mln bedragen. De borgstellingslening is maximaal 2/3 van de benodigde investering, waardoor de borgstelling maximaal 46,6% van de benodigde financiering bedraagt. Borgstelling wordt alleen verleend voor «fresh money», dat wil zeggen nieuwe leningen ten behoeve van de (door-)ontwikkeling van een bedrijf.

De BL kent drie varianten:

  • •  BL basis: Maximale garantstelling 70% van € 1,2 mln.
  • •  BL starters/overnemers: Maximale garantstelling 70% (als bij basis of plus), maar tegen verlaagde provisie van 1%.
  • •  BL plus: Maximale garantstelling 70% van € 2,5 mln. De investeringen die in aanmerking komen zijn Groen Label Kassen (GLK) en Duurzame stallen die voldoen aan de maatlat duurzame veehouderij (MDV).

Voor deze drie varianten tezamen is het garantieplafond € 82,5 mln.

De provisie voor de BL bedraagt (eenmalig) 3% van het te lenen bedrag. De provisie wordt gebruikt om verliesdeclaraties te betalen. Jaarlijks worden de premieontvangsten en een bijdrage van EZ (tezamen € 3 mln) in de begrotingsreserve gestort. Het geld uit de begrotingsreserve wordt gebruikt om verliesdeclaraties te betalen. De regeling is niet volledig kostendekkend.

De afgelopen jaren was het beroep op de GL laag maar zijn er veel verliesdeclaraties ingediend. Dit als gevolg van de economische crisis. Naar verwachting zal er bij een aantrekkende economie weer meer behoefte aan garantiekredieten voor investeringen zijn. In 2018 zal de Garantstelling Landbouw geëvalueerd worden.

Garantieregeling Marktintroductie Innovatie (GMI)

Er is een knelpunt geconstateerd in de marktintroductiefase van risicovolle grensverleggende innovaties. De bedrijven, die als eerste prototypen op het vlak van dierenwelzijn en milieu op praktijkschaal willen toepassen, worden vaak geconfronteerd met grotere financiële risico’s. Daardoor komt dit soort duurzame investeringen slechts beperkt van de grond. Een borgstelling door het Rijk stimuleert de investeringen op het vlak van verduurzaming en marktvernieuwing.

De deelsectoren die het aangaat betreffen: rundveehouderij, varkenshouderij, pluimveehouderij, glastuinbouw, en opengrondstuinbouw. Een opzet van de regeling met POP3 budget is bij de banken niet kosteneffectief uitvoerbaar is gebleken. Momenteel wordt daarom bekeken of de borgstelling als module onder de BL uitgewerkt kan worden met het oog op openstelling in 2017. De genoemde bedragen hieronder zijn indicatief.

Omdat de GMI als de BL module wordt uitgewerkt, wordt ook de borgstelling van een onderneming verlaagd naar maximaal 70% (was 80%) van € 2,5 mln.

Naar verwachting zullen 25 initiatieven een garantstelling van gemiddeld € 1,5 mln ontvangen. Het totaal risico bedraagt € 37,5 mln maximaal op jaarbasis.

De ondernemers betalen 3% premie om voor de garantstelling in aanmerking te komen, maar de regeling is niet volledig kostendekkend. De bijdrage van de Staat is jaarlijks circa € 1,6 mln bij een plafond van € 37,5 mln. De premie en bijdrage van het Rijk worden in de begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit gestort en gebruikt om verliesdeclaraties te betalen.

Artikel 8 Natuur en biodiversiteit

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

Het betreft het garant staan voor de leningen die aangetrokken zijn via het Groenfonds voor het realiseren van de EHS-gronden. Deze gronden zijn opgegaan in het Natuur Netwerk Nederland.

Overzicht uitstaande leningen per ultimo 2015

Bedragen x € 1.000

Artikel

Omschrijving

Uitstaande lening 2015

Looptijd

Lening

Rente

percentage

Wijze van

aflossing

Artikel 2

Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

Microkrediet Nederland

46.966

tot en met 2036

1,2%

vanaf 2031

Artikel 4

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Energieonderzoek Centrum Nederland

36.955

tot en met 2023

5,5%

vanaf 2018

Artikel 4

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Pallas

11.474

tot en met 2018

1,5%

uiterlijk 2019

Artikel 6 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Wageningen Research

36.352

tot en met 2027

4,5%

jaarlijks

Artikel 6 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Wageningen Research

27.598

tot en met 2027

4,5%

jaarlijks

Artikel 6 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Wageningen Research

14.112

tot en met 2029

5,2%

jaarlijks

Artikel 6 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Wageningen Research

2.954

tot en met 2030

5,0%

jaarlijks

Deze leningen zijn verstrekt in de context van de genoemde beleidsartikelen.

3. De Beleidsartikelen

1 Goed functionerende economie en markten

Algemene doelstelling

Het scheppen van voorwaarden voor een goed functionerende economie en goed functionerende markten, waaronder de markt voor elektronische communicatie.

Goed functionerende markten dragen in belangrijke mate bij aan de economische groei en innovatie. In een goed functionerende markt reageren vraag en aanbod effectief op elkaar. Consumenten en bedrijven profiteren daarvan. Op goed functionerende markten ontstaat een optimale prijs – kwaliteitverhouding van goederen en diensten en hebben gebruikers keuzevrijheid. Het slim benutten van en zorgdragen voor hoogwaardige elektronische communicatienetwerken en digitale infrastructuren waar de Nederlandse samenleving op kan bouwen én vertrouwen draagt bij aan het economisch groeivermogen en een goed functionerende economie.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Telecommunicatiewet verantwoordelijk voor het stellen van regels voor vaste en mobiele communicatienetwerken. Daarnaast ziet de Minister van EZ het als een taak eventuele belemmeringen voor het goed functioneren van markten te verminderen of weg te nemen en heeft een systeemverantwoordelijkheid voor de statistische informatievoorziening van rijkswege. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Stimuleren

  • •  Het stimuleren van een goede balans tussen de belangen van bedrijven en consumenten met generiek consumentenbeleid waarbij de Wet handhaving consumentenbescherming centraal staat.

Financieren

  • •  Het bijdragen aan het goed functioneren van markten door het financieren van TenderNed (het elektronisch aanbestedingssysteem) en diverse organisaties op het gebied van metrologie, normalisatie, accreditatie en markttoezicht.
  • •  Het financieren van een deel van de exploitatie van het Agentschap Telecom en het verrichten van uitgaven voor opdrachten inzake beleidsvoorbereiding en evaluaties voor frequentiebeleid en veiligheid.
  • •  Het financieren van het CBS om het van overheidswege verrichten van statistisch onderzoek ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap en het openbaar maken van de op grond van zodanig onderzoek samengestelde statistieken mogelijk te maken.

(Doen) uitvoeren

  • •  Het tegengaan van mededingingsbeperkende gedragingen met de Mededingingswet, mededingingsbeleid en Telecommunicatiewet in alle sectoren van de Nederlandse economie.
  • •  Het reguleren van de postmarkt met de Postwet 2009 waardoor een toegankelijke en betaalbare basisvoorziening voor de post is gewaarborgd (universele postdienst).
  • •  Het opstellen van verkeersregels voor het gebruik van de ether, door afspraken te maken in internationaal verband voor harmonisatie en door – in geval van schaarste – te bepalen op welke wijze het spectrum wordt verdeeld.
  • •  Het inzetten op het realiseren van hoogwaardige en innovatieve breedbandige mobiele communicatie en omroeptoepassingen door verruiming van gebruiksmogelijkheden van het spectrum en door de uitgifte van beschikbare frequentieruimte.

Regisseren

  • •  Het bevorderen van goed functionerende markten door het scheppen van randvoorwaarden via wet- en regelgeving.
  • •  Het scheppen van voorwaarden waarbinnen concurrentie kan plaatsvinden door middel van de Waarborgwet, de Winkeltijdenwet, de Aanbestedingswet, de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie en de Metrologiewet.
  • •  Het op basis van de middellange termijnvisie op de ontwikkeling van telecommunicatie, media en Internet in 2016 verder moderniseren van de regelgeving om deze te kunnen laten meegroeien met de ontwikkelingen in de markt en de behoeftes in de samenleving.

Beleidswijzigingen

Er wordt een verkenning gemaakt naar de toekomstige vraag naar en het aanbod van digitale connectiviteit in Nederland en welke inzet dit van de overheid vraagt. Deze verkenning wordt eind 2016 afgerond. In 2017 worden acties in dit kader in gang gezet.

In het voorjaar van 2017 wordt de (nieuwe) Strategische Nota Mobiele Communicatie aan de Tweede Kamer aangeboden. Hierin worden de doelstellingen gedefinieerd die de overheid nastreeft bij het verdelen van vergunningen voor mobiele communicatie in de komende 5 tot 10 jaar. Dit betreft in eerste instantie de 700 MHZ, 2100 MHz en 1452–1492 MHz frequentiebanden.

Kengetal

Peildatum

Waarde

Ambitie komende jaren

Concurrentie markt mobiele telefonie (HHI)

2016

3.483

dalend

Bron: ACM

Een dalende Herfindahl-Hirschman Index (HHI) de komende jaren zal wijzen op toegenomen concurrentie binnen de markt voor mobiele telefonie, een stijging op afname. De in de afgelopen jaren in de begroting opgenomen HHI-indexen waren niet vergelijkbaar, onder andere door de wijze waarop marktpartijen die diensten aanbieden via de netwerken van andere operators, werden meegenomen in de berekening. Met de komst van Tele2 als aanbieder met een eigen netwerk kan de HHI-index worden bepaald op basis van de marktaandelen van netwerkaanbieders en de eerder genoemde marktpartijen afzonderlijk. De HHI-index 2016 is op de nieuwe wijze bepaald en geldt als nieuwe peildatum. De juiste berekening wordt jaarlijks door ACM gedaan en gepresenteerd in haar marktmonitor.

In 2017 zal Nederland in EU verband onderhandelen over herziening van de regels voor elektronische communicatienetwerken en diensten. Het gaat hierbij onder andere over de regels met betrekking tot verplichte toegang tot vaste netwerken, uitgifte van radiospectrum voor mobiele netwerken, bescherming van eindgebruikers, telecommunicatie als universele dienst en privacybescherming door telecombedrijven. De Europese Commissie zal in 2016 voorstellen presenteren, waarna lidstaten tot een gezamenlijke positie zullen moeten komen. Daarnaast zal Nederland in 2017 in EU verband onderhandelen over de verlaging van de wholesale roaming tarieven in de EU met het streven de afschaffing van roamingtoeslagen voor consumenten per 15 juni 2017 mogelijk te maken.

Beoogd wordt eind 2016 een wetsvoorstel tot wijziging van de WION (Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten) aan te bieden aan de Kamer. In dit wijzigingsvoorstel zijn de aanbevelingen meegenomen uit een eerdere evaluatie van de WION (TK, 33 634, nr. 1), uit een advies van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid naar aanleiding van het onderzoek naar de gasexplosie in Diemen (2014) en vanuit de sector.

In 2015 is de Wet markt en overheid geëvalueerd (TK, 34 487, nr. 1). Hieruit blijkt dat de mate waarin de wet heeft bijgedragen aan gelijke concurrentieverhoudingen suboptimaal is, met name als gevolg van veelvuldig gebruik van de «algemeen belanguitzondering». Aangezien de wet een horizonbepaling bevat en halverwege 2017 afloopt, is de inzet van de Minister van EZ om de huidige wet te verlengen en tegelijkertijd de effectiviteit te versterken.

Uit de evaluatie van de Aanbestedingswet 2012 blijkt dat de ervaren problemen bij aanbesteden niet zozeer in de wet zelf zitten, maar vooral in de toepassing daarvan. In de Kabinetsreactie op de evaluatie is daarom ingezet op het verbeteren van de kwaliteit van aanbesteden: «beter aanbesteden». Met dit project wordt ingezet op een regionale aanpak onder leiding van een aanjager, dhr. Huizing. Kern van het traject is dat aanbestedende diensten en ondernemers zelf afspraken maken die moeten leiden tot beter aanbesteden.

In 2017 zal een wetsvoorstel naar de Kamer worden gestuurd waarmee het kabinet beoogt dergelijke afspraken algemene gelding te kunnen geven, waardoor niet aan mededingingsvragen wordt toegekomen. Tevens blijft het ministerie in contact met de Europese Commissie om meer duidelijkheid te creëren over de ruimte voor publieke belangen in mededingingsrecht.

De richtlijn pakketreizen zal naar verwachting in 2017 in de Nederlandse wetgeving zijn geïmplementeerd. Het voortouw hiervoor ligt bij met Ministerie van Veiligheid en Justitie in nauw overleg met het Ministerie van Economische Zaken.

In 2017 zal de Universele Postdienst (UPD) worden geëvalueerd. Tevens zal onderzoek worden uitgevoerd naar mogelijke toekomstscenario’s voor de (krimpende) postmarkt met als doel het borgen van adequate regelgeving gezien verwachte marktontwikkelingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

VERPLICHTINGEN

197.904

192.858

188.943

180.723

178.462

178.210

178.035

UITGAVEN

200.072

194.079

185.726

178.626

177.445

177.193

177.018

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

99%

       
               

Subsidies

900

100

         

Digitalisering regionale radio

900

100

         
               

Opdrachten

8.575

8.197

7.503

7.525

8.433

8.180

8.021

Onderzoek en Opdrachten

2.961

1.692

1.199

1.399

1.459

1.459

1.459

PIANOo/TenderNed

1.040

823

644

644

409

159

 

Beleidsvoorbereiding en evaluaties Frequenties en Veiligheid

4.574

5.682

5.660

5.482

6.565

6.562

6.562

               

Bijdragen aan agentschappen

20.074

22.785

22.909

21.842

19.480

19.481

19.481

Agentschap Telecom

12.021

14.146

13.173

12.256

12.261

12.263

12.263

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

996

679

9.736

9.586

7.219

7.218

7.218

DICTU

7.057

7.960

         
               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

166.532

159.230

151.395

145.291

145.276

145.276

145.274

Metrologie

14.268

9.889

9.458

8.971

8.971

8.971

8.971

Raad voor Accreditatie

190

145

132

130

130

130

128

ACM

645

450

448

450

450

450

450

CBS

151.429

148.746

141.357

135.740

135.725

135.725

135.725

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

3.991

3.767

3.919

3.968

4.256

4.256

4.242

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

1.234

1.234

1.212

1.087

1.087

1.087

1.073

Internationale organisaties

2.757

2.460

2.634

2.808

3.096

3.096

3.096

Raad van deskundigen voor de nationale meetstandaarden

0

73

73

73

73

73

73

               

ONTVANGSTEN

52.224

115.342

30.900

30.900

30.900

30.900

30.900

Ontvangsten ACM

             

High Trust

31.880

31.300

30.200

30.200

30.200

30.200

30.200

Diverse ontvangsten

20.344

84.042

700

700

700

700

700

Budgetflexibiliteit

Subsidies: Het bedrag dat geraamd is in 2017 voor deze subsidie vloeit voort uit een verplichting die in het verleden is aangegaan; deze is dus 100% juridisch verplicht.

Opdrachten: Het geraamde bedrag voor uitgaven uit hoofde van opdrachten is voor 88% juridisch verplicht. Het betreft met name geraamde kosten voor de uitoefening van het toezicht op de post voorziening op de BES-eilanden, geraamde kosten voor de Commissie van Aanbestedingsexperts en kosten in het kader van de uitvoering van de Wet informatie uitwisseling Ondergrondse Netten (WION).

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de uitfinanciering van opdrachten 2017 aan Agentschappen en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Van de totaal voor 2016 geraamde uitgaven voor artikel 1 is circa € 151,4 mln bestemd voor bijdragen aan ZBO's/RWT's. Hiervan is 100% niet flexibel inzetbaar in 2017 als gevolg van overeenkomsten met betrokken organisaties.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Over de contributies aan (inter)nationale organisaties zijn meerjarige afspraken gemaakt, de bedragen zijn voor 63% juridisch verplicht.

Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Digitalisering regionale radio

Dit betreft de uitfinanciering van de in 2011 afgegeven subsidiebeschikking aan de Stichting Regionale Omroep Overleg en Samenwerking. Dit zal worden aangewend voor investeringen in digitale radio voor regionaal publieke omroepen.

Een indicatie voor het succes van de introductie van digitale radio is de penetratiegraad van digitale radio-ontvangers in huishoudens. Dit wordt gemonitord door het CBS. Belangrijke indicator voor dit succes is het percentage huishoudens dat over een DAB+ ontvanger beschikt (in huis en/of in de auto) en daarmee toegang heeft tot digitale radio. Het percentage draagt bij aan het bepalen van een afschakeldatum voor de analoge FM.

Kengetal

Referentie-

waarde

Peildatum

Raming

2016

Streef-

waarde

Planning

Penetratiegraad van digitale radio ontvangers in huishoudens

6,0%

2015

8–10%

35%

2020

Bron: CBS

Opdrachten

Onderzoek en opdrachten

Dit betreft onderzoeksopdrachten die dienen ter ondersteuning van het beleid op het gebied van onder andere het marktordeningsbeleid, mededingingsbeleid, consumentenbeleid, aanbestedingsbeleid, Europese zaken en strategie.

PIANOo en TenderNed (aanbestedingsbeleid)

De Aanbestedingswet 2012 beoogt een eenduidig en helder regelgevend kader te geven van de voorwaarden waaronder aanbestedende diensten hun opdrachten voor concurrentie moeten openstellen.

Een belangrijk element in het aanbestedingsbeleid vormt TenderNed. TenderNed is het elektronische aanbestedingssysteem, waardoor alle openbare (overheids)opdrachten op één centrale plaats te vinden zijn. TenderNed levert een belangrijke bijdrage aan de professionalisering van de overheidsinkoop, verbetering van naleving van de aanbestedingsregels en vermindering van de administratieve lasten voor ondernemers. Ondernemers kunnen dankzij de verplichting voor aanbestedende diensten om op TenderNed te publiceren alle openbare (overheids-)opdrachten vinden op één centrale plaats. TenderNed wordt beheerd door het experticecentrum aanbesteden PIANOo.

Op 31 maart 2016 is de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over het voornemen om PIANOo per 1 januari 2017 organisatorisch onder te brengen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (TK, 34 252, nr. 2).

Bijdragen aan agentschappen

Agentschap Telecom

Agentschap Telecom draagt onder meer zorg voor de toelating tot het spectrum en ziet toe op het juiste gebruik daarvan. De voornaamste uitvoeringstaken zijn voorlichting in het kader van het antennebeleid, juridische procedures en een bijdrage voor werkzaamheden in het kader van vergunningvrije toepassingen. De toezichtstaken hebben betrekking op onder meer toezicht ondergrondse netten (WION), Metrologiewet, Waarborgwet, bevoegd aftappen en dataretentie.

De structurele verhoging van het budget voor Agentschap Telecom met ingang van het begrotingsjaar 2016 heeft betrekking op de overdracht van het takenpakket van Verispect B.V. aan het Agentschap Telecom samenhangende met het toezicht op de Metrologie- en Waarborgwet.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

PIANOo en het daarbij behorende TenderNed, het systeem voor elektronisch aanbesteden, zijn organisatorisch ingedeeld bij het Ministerie van Economische Zaken. Na meerdere tijdelijke instellingsperiodes is het belang onderkend om voor deze organisatie toekomstbestendig en met structureel voldoende budget een vaste inbedding te vinden. Na onderzoek is geconcludeerd dat inbedding bij RVO.nl het meest voor de hand ligt. RVO.nl is de uitvoeringsdienst van het Ministerie van EZ en is onder meer verantwoordelijk voor de voorlichting van ondernemers over de aanbestedingsregelgeving. Dit sluit aan bij de taken van PIANOo als expertisecentrum voor aanbestedende diensten. De inbedding vindt plaats met ingang van 1 januari 2017.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Metrologie

Met de Metrologiewet worden nationale meetstandaarden beschikbaar gesteld, die de basis vormen van een internationaal herleidbare metrologische infrastructuur. Het gebruik van gecontroleerde meetinstrumenten bij het leveren van goederen draagt onder andere bij aan eerlijke handel en consumentenbescherming.

VSL B.V. ontwikkelt, beheert en onderhoudt de nationale meetstandaarden op basis van een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Met ingang van 2016 is het toezicht op de Metrologiewet en Waarborgwet, dat voorheen door Verispect werd uitgevoerd, ondergebracht bij Agentschap Telecom.

De structurele verlaging van het budget Metrologie hangt samen met de overdracht van de toezichtstaken Metrologie – en Waarborgwet aan het Agentschap Telecom.

Raad voor Accreditatie

De Raad voor Accreditatie (RvA) is een ZBO dat controleert of een keuringsinstantie, certificeringsinstantie, inspectie-instantie of een laboratorium aan de accreditatienormen voldoet. De taken van de Raad voor Accreditatie zijn vastgelegd in de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie. De RvA ontvangt jaarlijks een bijdrage van de Staat voor de kosten die de RvA maakt in het kader van Europese en internationale activiteiten die relevant zijn voor de accreditatie sector als geheel. In 2016 is de RvA geëvalueerd en het rapport is in augustus 2016 aan de Kamer aangeboden.

Autoriteit Consument en Markt (ACM)

De ACM is belast met wettelijke taken op het gebied van het generieke mededingingstoezicht (Mededingingswet), generieke consumentenbescherming (Wet handhaving consumentenbescherming), de regulering van de telecommarkt en het sectorspecifieke markttoezicht in de sectoren energie, telecommunicatie, post en vervoer.

De apparaatsuitgaven van de ACM zijn geraamd op artikel 40, voor zover de kosten van de ACM niet worden doorbelast naar marktorganisaties die onder het ACM-toezicht vallen. Het bedrag geraamd op artikel 1 betreft de geraamde kosten van de leden van het bestuur van de ACM.

In 2016 is de eerste evaluatie van de ACM uitgevoerd. De onderzoekers concluderen dat de ACM over het algemeen doeltreffend is. De ACM heeft een bijdrage geleverd aan goed functionerende markten en aan het beschermen van de consument. Tegelijkertijd stellen zij dat op onderdelen nog verbetering kan plaatsvinden en de doeltreffendheid nog verder kan toenemen. De ACM ziet de aanbevelingen als een bevestiging dat zij aandacht besteedt aan de juiste onderwerpen en zal aandacht aan deze onderwerpen blijven geven.

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is opgericht om te zorgen dat cijfers aan de basis liggen van (solide) beleid. Het CBS heeft als onafhankelijk kennisinstituut dan ook tot taak het publiceren van betrouwbare en samenhangende statistische informatie, waardoor becijferde maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden. Het werkterrein van het CBS omvat alle onderwerpen die de mensen in Nederland raken.

De rijksbijdrage 2017 is € 141,4 mln (de omzet beslaat circa 85% van de totale bedrijfsopbrengsten); deze bijdrage dient voor het vervaardigen van verplichte Europese communautaire statistieken en niet-wettelijk verplichte statistieken. Het procentueel belang van het betaalde werk in opdracht bedraagt ruim 14% van de totale bedrijfsopbrengsten

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties:

Nederlands Normalisatie Instituut (NEN)

Het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) ontvangt een bijdrage van de Staat voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden die voortvloeien uit de Europese verordening voor normalisatie (Verordening (EU) Nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012) en de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen die over het geven van informatie over normen gaat. Tevens is de bijdrage bedoeld voor het informeren van Nederlandse belanghebbenden over initiatieven van de Europese en mondiale normalisatie-instellingen. Daarnaast gebruikt het NEN de bijdrage voor een deel van de contributies die het NEN is verschuldigd aan de Europese en mondiale normalisatie-instellingen en voor de controle op actualiteit van verwijzingen naar normen in regelgeving en kennisgeving aan ministeries indien verwezen wordt naar ingetrokken normen.

Internationale organisaties

Dit betreft bijdragen aan:

  • •  Universal Postal Union (UPU): In het najaar van 2016 wordt het vierjaarlijkse UPU Congres gehouden waarin afspraken worden gemaakt voor de periode 2017–2021.
  • •  European Conference of Postal and Telecommunications Administrations (CEPT): De inzet in de ITU en UPU wordt regionaal voorbereid, voor landen in Europa is daarvoor CEPT het aangewezen kanaal. EZ draagt jaarlijks bij aan de kosten van ERO (het permanente ondersteunende bureau van CEPT in Kopenhagen).
  • •  Internationale organisaties Metrologie. Het gaat om bijdragen op het gebied van metrologie die vastliggen in internationale verdragen (Organisation Internationale de Métrologie Légale (OIML), WELMEC, Bureau International des Poids et Mesures (BIPM)).
  • •  Nederland betaalt als lid van de International Telecommunications Union (ITU) lidmaatschap. Binnen de ITU worden internationale afspraken gemaakt over wereldwijde toewijzing van radiofrequenties aan categorieën van diensten en over de toewijzing van (schaarse) ruimteposities aan satellietsystemen.
  • •  EZ doneert jaarlijks een bedrag aan het secretariaat van het Internet Governance Forum (IGF). Dit forum is een uitvloeisel van het VN-top World Summit on Information Society in 2005.
  • •  Nederland heeft een stoel in het overheidsadviescomité binnen The Internet Corporation for Assigned Names and Numbers/Governmental Advisory Committee (ICANN/GAC). EZ financiert samen met Brazilië en Noorwegen het secretariaat van dit comité met als doel de slagkracht van overheden binnen ICANN te vergroten.

Raad van deskundigen voor de nationale meetstandaarden

Het geraamde bedrag betreft vergoedingen voor de leden van de op grond van de Metrologiewet verplicht ingestelde adviesraad, kosten secretariaat en vergaderkosten. De Raad is een technisch specialistisch adviescollege als bedoeld in de Kaderwet adviescolleges. De Raad oefent toezicht uit op de verwezenlijking en het beheer van onze nationale meetstandaarden en geeft gevraagd en ongevraagd advies over meetstandaarden en grootheden.

Toelichting op de ontvangsten

Diverse ontvangsten

Vanwege de verlenging van UMTS-vergunningen van KPN, Vodafone en T-mobile over de periode 31 december 2016 tot en met 31 december 2020 wordt het ontvangstenbudget naar boven bijgesteld. De ontvangsten betreffen de gehele periode en vinden vooraf plaats.

High Trust

Betreft raming van ontvangsten van boetes die toezichthouders van EZ opleggen en waar – in het kader van het zogenaamde High Trust-beleid – een meerjarige raming voor wordt aangehouden. Verreweg het grootste deel van de ontvangsten betreft boetes die opgelegd worden door de ACM.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2016

2017

BTW-vrijstelling Post

38

38

Een toelichting op de fiscale instrumenten is opgenomen in bijlage 5 van de Miljoenennota (Belastinguitgaven en Inkomstenbeperkende regelingen).

2 Bedrijvenbeleid: innovatie en duurzaam ondernemen

Algemene doelstelling

Met het bedrijvenbeleid werkt EZ aan een uitmuntend ondernemingsklimaat dat bedrijven stimuleert om duurzaam en innovatief te kunnen ondernemen. Daarbij worden de volgende vier strategische doelen nagestreefd:

  • 1.  stimuleren van een concurrerend, innovatief en duurzaam bedrijfsleven;
  • 2.  bevorderen van ondernemerschap en toegang tot en benutting van ondernemers(risico)financiering;
  • 3.  ontwikkelen en benutten van hoogwaardig (internationaal) publiek gefinancierd onderzoek en technologie, inclusief publiek-private programma’s voor onderzoek, innovatie en menselijk kapitaal;
  • 4.  waarborgen van responsieve overheids- en informatiediensten voor ondersteuning van ondernemers op regionaal, nationaal en internationaal niveau.

Het kabinet heeft met het Bedrijvenbeleid drie ambities:

  • –  Nederland in de top 5 van de meest concurrerende kenniseconomieën in de wereld (in 2020);
  • –  stijging van de Nederlandse R&D-inspanningen naar 2,5% van het BBP (in 2020);
  • –  Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI) waarin publieke en private partijen participeren voor meer dan € 800 mln waarvan tenminste 40% private financiering betreft (in 2020).
Over de jaarlijkse voortgang van het Bedrijvenbeleid en over de indicatoren en kengetallen op dit beleidsterrein wordt uitgebreid gerapporteerd in respectievelijk de «Rapportage Bedrijvenbeleid» en de «Monitor Bedrijvenbeleid 2015».3 De begroting geeft het overzicht van de budgettaire gevolgen van het bedrijvenbeleid.

Ad 1) Stimuleren van een concurrerend, innovatief en duurzaam bedrijfsleven

Het vergroten van de maatschappelijke welvaart – door met innovatie duurzame economische groei aan te jagen – vormt de kern van het bedrijvenbeleid. Nederland zal het, in het geval van een krimpend arbeidsaanbod, de komende decennia vooral moeten hebben van productiviteitsgroei. Innovatie en ambitieus ondernemerschap zijn daar belangrijke sleutels voor. Succesvolle innovaties creëren daarbij niet alleen economische toegevoegde waarde, maar ook nieuwe producten, diensten en productieprocessen die een bijdrage leveren aan (deel)oplossingen voor de grote maatschappelijke uitdagingen van deze tijd, bijvoorbeeld op het gebied van medische technologie, watermanagement en duurzaam energie- en materiaalgebruik. Een belangrijk deel van de beleidsinspanningen richt zich daarom op het aanjagen en stimuleren van een innovatief en duurzaam bedrijfsleven.

2) Bevorderen van ondernemerschap en toegang tot en benutting van ondernemers(risico)financiering

Ondernemerschap is, in een dynamische economie als de Nederlandse, cruciaal voor ons concurrentie- en innovatievermogen. Nieuwe bedrijven zijn een belangrijke bron van economische groei, innovatie en productiviteit (creatieve destructie). Een goede toegang tot ondernemersfinanciering is van essentieel belang voor het kunnen realiseren van de plannen van ambitieuze ondernemers. Het bedrijvenbeleid borgt daarom de toegang tot financiering voor kansrijke en in de kern gezonde bedrijven. Daarnaast wordt in het bedrijvenbeleid ondernemerschap in Nederland ook bevorderd door ook andere facetten van het ondernemingsklimaat goed en concurrerend te houden. Daarbij gaat het niet alleen om zaken als fiscale regelingen (onder andere zelfstandigenaftrek), toegang tot talent (onder andere techniekpact) en ondernemersvaardigheden (onder andere NLGroeit) maar ook om eventuele onvolkomenheden in het handelsverkeer (franchisecode; betaaltermijnen), om de impact van regelgeving en om de gevolgen van overheidsbeleid zelf (innovatiegericht inkopen).

3) Ontwikkelen en benutten van hoogwaardig (internationaal) publiek gefinancierd onderzoek en technologie, inclusief publiek-private samenwerking

Voor innovatie en vernieuwend ondernemerschap is de ontwikkeling, kwaliteit en benutting van wetenschappelijke en toegepaste kennis één van de belangrijkste voedingsbronnen. Het maatschappelijk rendement en responsiviteit van publiek gefinancierde onderzoeksinstellingen kan worden vergroot door onderzoekssamenwerking met bedrijven en door het uitlokken van private kennisinvesteringen van bedrijven in dergelijke publiek-private onderzoekssamenwerking. Daarmee worden bovendien de beschikbare middelen voor onderzoek vergroot. Innovatie is geen lineair proces dat zich binnen één organisatie afspeelt, maar een complex interactie- en kennisuitwisselingsproces tussen verschillende actoren in een «open» innovatienetwerk of -cluster (van bedrijven, kennisleveranciers, maatschappelijke organisaties en/of consumenten). Niet alleen de ondernemer en zijn omgeving staat daarom centraal in het bedrijvenbeleid, maar ook het stelsel van toegepast onderzoek en de interactie en publiek-private onderzoeksamenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen en overheden (nationaal, regionaal en Europees) in het relevante innovatienetwerk, zoals in de topsectoren. Daartoe faciliteert EZ met het bedrijvenbeleid ook een responsief stelsel van (toegepast) onderzoek.

4) Responsieve overheids- en informatiediensten en ondersteuning voor ondernemers op regionaal, nationaal en internationaal niveau

Om ondernemers de ruimte te geven om succesvol te kunnen ondernemen en hun positie zowel regionaal, nationaal als internationaal te versterken biedt EZ (veelal samen met andere departementen) verschillende publieke diensten aan. De geboden informatie en dienstverlening is veelzijdig: van informatie over wetgeving, belastingregels en maatschappelijk verantwoord ondernemen tot subsidies en directe (financiële) ondersteuning bij regionale en (inter)nationale activiteiten van ondernemers uit binnen- en buitenland. Toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige publieke diensten verhogen de kwaliteit van het ondernemerschap en bespaart ondernemers kostbare tijd. Om de (hoge) kwaliteit van het Nederlandse vestigings- en ondernemingsklimaat op peil te houden werkt EZ nauw samen met haar internationale, Europese en regionale partners en andere vakdepartementen. EZ versterkt de digitalisering van contacten tussen overheid en bedrijfsleven met als doelstelling dat burgers en bedrijven hun zaken digitaal kunnen afhandelen. Ook met merkbare vermindering van administratieve lasten en nalevingskosten, meer innovatie en duurzaamheid bevorderende wet- en regelgeving en met de inzet van meer ICT worden gunstige voorwaarden gecreëerd voor succesvol ondernemerschap, een ondersteunend ondernemingsklimaat en een aantrekkelijk investeringsklimaat.

Rol en verantwoordelijkheid

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de belangrijkste rollen en verantwoordelijken die de Minister van Economische Zaken heeft in het Bedrijvenbeleid. In de tekst onder de tabel wordt verder toegelicht wat deze rollen en verantwoordelijkheden behelzen en op welke van de vier hierboven onderscheiden strategische doelen ze betrekking hebben.

In dit begrotingsartikel ligt de nadruk zoals aangegeven op overheidsinterventies met financiële gevolgen voor de begroting. Naast financiële interventies spelen in het Bedrijvenbeleid echter ook niet-financiële interventies een belangrijke rol bij het realiseren van de strategische doelen, bijvoorbeeld op het terrein van wet- en regelgeving, maar ook en vooral bij het organiseren van publiek-private samenwerking (bijvoorbeeld binnen de topsectoren, op regionaal niveau en door de inzet van «Green Deals»). Een volledig overzicht van deze interventies wordt geboden in de jaarlijkse voortgangsrapportage en in de Monitor Bedrijvenbeleid.

 

Stimuleren

Financieren

Regisseren

(Doen) uitvoeren

Stimuleren van een concurrerend, innovatief en duurzaam bedrijfsleven

     
         

Ondernemerschap bevorderen en toegang tot en benutting van ondernemers(risico)financiering

     
         

Ontwikkelen en benutten van hoogwaardig (internationaal) publiek gefinancierd onderzoek en technologie, inclusief publiek-private samenwerking

 
         

Responsieve overheids- en informatiediensten en ondersteuning voor ondernemers op regionaal, nationaal en internationaal niveau

 

Stimuleren van een concurrerend, innovatief en duurzaam bedrijfsleven

De Minister stimuleert een concurrerend, innovatief en duurzaam bedrijfsleven door:

  • –  private investeringen in R&D te bevorderen via de WBSO;
  • –  de R&D-samenwerking in het midden- en kleinbedrijf te stimuleren via de regeling MKB-innovatiestimulering Topsectoren (MIT);
  • –  in samenwerking met andere ministeries, bedrijven, wetenschap en maatschappelijke organisaties de transitie naar groene groei te versnellen, onder meer via het «Green Deal»- en «Ruimte in Regels» instrument en de interdepartementale programma’s «Groene Groei» en «Bio Based Economy» en het rijksbrede programma Circulaire Economie;
  • –  internationale samenwerking op het terrein van R&D te faciliteren, onder meer via Internationaal Innoveren en Eurostars;
  • –  cofinanciering van de EFRO-programma’s (Europees Fonds Regionale Ontwikkeling (EFRO); voor de EFRO-programma’s binnen Nederland draagt de Minister systeemverantwoordelijkheid;
  • –  het bevorderen van innovatiegericht inkopen door overheden;
  • –  de inrichting van een adequaat stelsel van intellectueel eigendom;
  • –  samen met OCW en met het Valorisatieprogramma twaalf consortia te ondersteunen bij het vormgeven van hun activiteiten op het gebied van ondernemerschapsonderwijs en kennisvalorisatie;
  • –  samen met de partners van het «Techniekpact» te zorgen voor voldoende technisch personeel;
  • –  In samenwerking met bedrijfsleven, maatschappelijke middenveld, de vakbeweging, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en andere ministeries door middel van IMVO-convenanten in te zetten op het identificeren, voorkomen en verminderen van IMVO-risico’s in de waardeketens van het Nederlands bedrijfsleven.

Bevorderen van ondernemerschap en toegang tot en benutting van ondernemers(risico)-financiering

De Minister stimuleert ondernemerschap door:

  • –  de toegang tot financiering te verbeteren door als overheid garant te staan voor in de kern gezonde bedrijven en verbeterde toegang tot (risico)kapitaal in cruciale fases in de levenscyclus van bedrijven;
  • –  het ondersteunen van de transitie op de kapitaalmarkt door ruimte en ondersteuning te bieden aan alternatieve vormen van financiering;
  • –  inzetten op investeringen in Nederland onder meer door het Nederlands Investerings Agentschap (NIA) en via ondersteuning van het private initiatief van institutionele beleggers in de vorm van de Nederlandse Investeringsinstelling (NLII); een pakket van fiscale ondernemersstimulering gericht op zelfstandig ondernemerschap, bedrijfsoverdrachten en bedrijfsinvesteringen;
  • –  ambitieus ondernemerschap in Nederland aan te jagen door het met StartupDelta versterken van het «start up» en «scale up» ecosysteem;
  • –  de toegang tot vaardigheden te verbeteren door vraag en aanbod op elkaar af te stemmen via publiek-private samenwerking (NL-Groeit);
  • –  eerlijk en verantwoord handelsverkeer te bevorderen via afspraken en/of gedragscodes (corporate governance, franchise, betaalme.nu).

Ontwikkelen en benutten van hoogwaardig (internationaal) publiek gefinancierd onderzoek en technologie, inclusief publiek-private samenwerking

De Minister van EZ en de bewindslieden van OCW coördineren en borgen de publieke kennisinfrastructuur voor toegepast en fundamenteel onderzoek. De Minister financiert en regisseert het ontwikkelen en benutten van hoogwaardig (internationaal) publiek gefinancierd onderzoek en technologie, inclusief publiek-private samenwerking door:

  • –  de TO2-instituten (TNO, Wageningen Research, ECN, Deltares, Marin en NLR) te financieren.
  • –  gezamenlijke regie met OCW op de publiek-private samenwerking via NWO, waarbij EZ specifiek STW subsidieert.

Daarnaast heeft de Minister een stimulerende rol met:

  • –  de TKI-toeslag, voor het stimuleren van private deelname aan publiek-private onderzoeksinitiatieven vanuit de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s);
  • –  de financiële bijdrage aan het ruimtevaartbeleid, met name in Europees verband.

Tot slot heeft de Minister een regisserende rol bij het tot stand komen van publiek-private samenwerking binnen het bedrijvenbeleid: de topsectorenaanpak, zoals bij de invulling van de kennis- en innovatiecontracten en «Human Capital Agenda’s» van de topsectoren, bij de maatwerkaanpak op het terrein van regelgeving, bij de «Green Deals» en bij de «Nationale Iconen».

Waarborgen van responsieve overheids- en informatiediensten voor ondersteuning van ondernemers op regionaal, nationaal en internationaal niveau

De Minister stimuleert responsieve overheids- en informatiediensten en ondersteuning voor ondernemers op regionaal, nationaal en internationaal niveau door:

  • –  uitvoering van de wettelijke taken van de Kamer van Koophandel (Handelsregister en innovatiestimulering) en het inrichten van regionale Ondernemerspleinen ten behoeve van de informatievoorziening, zowel fysiek als digitaal;
  • –  digitaal zakendoen met de overheid voor ondernemers mogelijk te maken;
  • –  toegang tot overheidsondersteuning (financieel en/of door middel van kennis via: de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland; Het aansturen van het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) met als oogmerk het aantrekken van buitenlandse investeerders naar Nederland, samen met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking; het Innovatie Attaché Netwerk ter ondersteuning van ondernemers uit binnen- en buitenland bij hun internationale R&D en innovatie-ambities;
  • –  gerichte regie op het verbinden van het Bedrijvenbeleid met de relevante regionale netwerken en partners.

Daarnaast heeft de Minister ook een uitvoerende rol bij het verlenen van Nederlandse octrooien volgens de in de Rijksoctrooiwet geformuleerde voorwaarden.

Beleidswijzigingen

  • –  EZ verlengt de subsidierelatie met de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen en stelt daarvoor per ROM jaarlijks € 1 mln beschikbaar als bijdrage voor de taken business development en acquisitie.
  • –  De huidige regeling TKI-toeslag wordt gewijzigd waardoor voor bepaalde grote en cross-sectorale samenwerkingsprojecten de mogelijkheid wordt geboden rechtstreeks bij RVO.nl projecttoeslag aan te vragen. Deze route biedt een uitkomst voor projecten die betrokken partijen tezamen reeds op eigen initiatief hebben gebouwd, alsook voor cross-sectorale projecten waarvan de regierol niet duidelijk bij één TKI ligt. De bestaande aanvraagprocedure via een TKI blijft open staan. Om deze nieuwe- en sector overstijgende mogelijkheid te onderstrepen wordt bij de publicatie van de regeling in 2017 de naam TKI-toeslag gewijzigd in PPS-toeslag onderzoek en innovatie.
  • –  Als uitkomst van de evaluatie van de BMKB wordt de kostendekkendheid van de regeling vergroot. Daartoe wordt de premie vanaf 1 januari 2017 verhoogd van gemiddeld 3,6% naar gemiddeld 4,8%. Er zal gedifferentieerd worden tussen de premies voor enerzijds startende en gevestigde bedrijven (gemiddeld 4,65%) en anderzijds voor innovatieve bedrijven (gemiddeld 6,65%). Hierbij wordt de mogelijkheid geboden de premiebetaling gedeeltelijk over de looptijd van het krediet te voldoen.
  • –  De internationaal opererende en snel groeiende maakindustrie in Brainport Eindhoven (onder andere ASML, Philips, NXP, VDL) is van bijzondere waarde voor het verdienvermogen van Nederland. De aanwezigheid van (internationale) kenniswerkers is een cruciale factor. Om daarvoor aantrekkelijk te blijven is een impuls in het voorzieningenniveau nodig. De fondsbeheerders hebben de Stuurgroep Herziening Financiële verhoudingen ingesteld om op basis van de Studiegroep Openbaar Bestuur en op verzoek van de Tweede Kamer voor de langere termijn te bezien wat de rol van economische groei in de verhoudingen van het Gemeentefonds kan zijn. Om ook een korte termijn oplossing aan te reiken scheldt het kabinet een eerdere lening van € 7 mln aan de Internationale School Eindhoven kwijt. Daarnaast wordt vanuit de begroting OCW vier keer € 0,4 mln beschikbaar gesteld als bijdrage aan de Dutch Design Week en vanuit de begroting EZ € 0,9 mln ter versterking van het regionale vestigingsklimaat. Dit met het uitgangspunt en de verwachting dat de provincie Brabant bereid is deze bijdragen te matchen.

Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

VERPLICHTINGEN

1.570.416

3.124.659

2.357.764

2.356.597

2.326.156

2.338.858

2.363.562

Waarvan garantieverplichtingen

722.430

2.419.447

1.676.662

1.676.662

1.646.750

1.626.750

1.650.000

UITGAVEN

912.262

867.698

829.851

804.300

800.327

802.108

796.360

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

89%

       
               

Garanties

91.429

66.780

65.780

65.780

65.990

65.990

65.990

BMKB

65.330

42.594

41.594

41.594

41.594

41.594

41.594

Groeifaciliteit

3.499

8.850

8.850

8.850

8.972

8.972

8.972

Begrotingsreserve Groeifaciliteit

12.000

           

Garantie Ondernemersfinanciering

10.600

11.745

11.745

11.745

11.745

11.745

11.745

Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering

0

3.591

3.591

3.591

3.679

3.679

3.679

Garanties MKB Financiering

             
               

Subsidies

140.335

107.794

113.606

94.241

89.060

86.193

87.895

Lucht- en Ruimtevaart

3.511

4.900

3.214

9

9

9

9

MKB-Innovatiestimulering Topsectoren (MIT)

21.133

34.199

31.265

29.314

28.445

28.908

28.908

Eurostars

8.531

13.098

15.089

17.808

17.958

17.958

17.958

Bevorderen Ondernemerschap

10.675

8.724

6.942

7.100

7.600

8.904

9.115

Groene Groei en Biobased Economy

951

1.614

1.553

0

0

0

0

Cofinanciering EFRO, inclusief INTERREG

52.380

17.686

42.916

31.373

27.375

24.136

25.677

Bijdrage aan ROM's

5.380

6.399

5.313

5.300

5.300

5.300

5.300

Overige subsidies

37.774

21.174

7.314

3.346

2.382

987

937

               

Opdrachten

31.457

30.508

35.881

31.600

32.453

33.089

25.649

Onderzoek en opdrachten

4.095

4.995

3.897

3.753

2.828

2.628

2.628

Caribisch Nederland

472

638

1.044

1.044

1.044

1.044

1.044

ICT beleid

18.040

14.548

20.056

15.680

17.682

18.345

18.345

Regeldruk

1.251

2.131

2.221

2.336

2.336

2.336

2.336

Mainport Rotterdam

7.244

7.461

7.612

7.754

7.913

8.071

631

Regiekosten regionale functie

355

735

1.051

1.051

650

665

665

               

Bijdragen aan agentschappen

90.620

96.966

88.925

82.069

79.279

78.321

78.321

Bijdrage RVO.nl

87.684

91.721

83.978

77.022

76.094

75.945

75.945

Bijdrage Agentschap Telecom

778

3.008

2.710

2.810

948

139

139

Bijdrage Logius

2.158

2.237

2.237

2.237

2.237

2.237

2.237

               

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

231.034

272.410

235.662

242.477

242.476

242.470

242.470

Bijdrage aan TNO

121.747

137.954

131.361

125.444

125.444

125.444

125.444

Kamer van Koophandel

109.287

134.456

104.301

117.033

117.032

117.026

117.026

               

Bijdragen aan medeoverheden

5.247

5.914

3.914

1.611

0

0

0

Sterke Regio's en Nota Ruimte

5.247

5.914

3.914

1.611

0

0

0

               

Bijdragen aan (inter-)nationale organisaties

322.140

287.326

286.083

286.522

291.069

296.045

296.035

Internationaal Innoveren

17.019

23.724

33.771

39.799

39.799

39.799

39.799

TKI-toeslag

54.638

75.838

99.396

106.543

113.814

118.824

118.824

TO2 (excl. TNO)

44.589

33.626

31.745

30.830

30.830

30.830

30.830

Topsectoren overig

128.269

61.701

41.612

28.222

26.265

26.086

26.411

Ruimtevaart (ESA)

63.982

77.962

64.766

66.617

66.617

66.762

66.427

Bijdrage NBTC

8.810

8.554

8.554

8.554

8.554

8.554

8.554

Bijdragen organisaties

4.833

5.921

6.239

5.957

5.190

5.190

5.190

               

ONTVANGSTEN

117.096

112.652

114.332

111.047

112.909

110.819

111.615

BMKB

32.307

29.000

33.000

33.000

33.000

33.000

33.000

Begrotingsreserve BMKB

12.387

5.000

   

0

0

0

Groeifaciliteit

2.964

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

Garantie Ondernemersfinanciering (GO)

9.443

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

13.000

Begrotingsreserve GO

1.898

           

Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering

15

4.000

4.000

4.000

4.000

4.000

4.000

Luchtvaartkredietregeling

4.980

5.777

8.447

9.046

9.906

6.116

5.912

Rijksoctrooiwet

39.456

37.512

37.681

32.599

32.212

31.912

31.912

Eurostars

112

3.572

4.238

4.821

5.094

5.094

5.094

Joint Strike Fighter

1.297

1.500

2.500

3.750

5.000

7.000

8.000

Diverse ontvangsten

12.237

5.291

3.466

2.831

2.697

2.697

2.697

Budgetflexibiliteit

Garanties: Het budget voor de verschillende garanties is voor 100% juridisch verplicht. Het budget is nodig om de verwachte schades te kunnen betalen op garanties die eerder zijn aangegaan.

Subsidies: Van het beschikbare kasbudget is 75% juridisch verplicht. Het betreft onder andere de uitfinanciering van tot en met 2016 aangegane verplichtingen voor Eurostars, MKB innovatiestimulering Topsectoren, de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen, EFRO en Bevorderen Ondernemerschap. Daarnaast is 18% van het budget bestuurlijk gebonden. Dit betreft € 20 mln van het budget van de regeling MKB Innovatiestimulering (MIT) die in 2017 via het Provinciefonds aan de provincies wordt overgeheveld voor de decentrale uitvoering van de MIT.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 78% juridisch verplicht. Het betreft de uitfinanciering van in voorgaande jaren aangegane verplichtingen voor onder andere beleidsondersteunend onderzoek, SBIR, ICT-beleid en Project Mainport Rotterdam.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van het opdrachtenpakket 2017 aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Agentschap Telecom en Logius en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Het budget betreft de uitfinanciering van de verplichting 2017 aan TNO en Kamer van Koophandel. Het budget is 100% juridisch verplicht

Bijdragen aan medeoverheden: Het budget voor 2017 is voor 100% juridisch verplicht ten behoeve van de uitfinanciering van lopende verplichtingen.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties: Van dit bedrag is 81% juridisch verplicht. Dit betreft vooral de bijdragen aan de TO2-instituten, Stichting Technische Wetenschappen, de uitfinanciering van verschillende innovatieprogramma’s en oud FES-projecten, en een groot deel van het budget voor de TKI-toeslag en Ruimtevaart. Van het budget is 1% bestuurlijk gebonden. Dit betreft onder andere de bijdrage aan de World Tourism Organization (UNWTO), het eengemaakt octrooigerecht, de World Intellectual Property Organization (WIPO) en de Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie (AWTI).

Toelichting op de instrumenten

De financiële beleidsinstrumenten van het Bedrijvenbeleid richten zich op het realiseren van de geformuleerde strategische doelen. Bij de toelichting op de instrumenten worden de interventies daarom samenhangend per strategisch beleidsdoel beschreven. Voor elk van de strategische doelen wordt vervolgens, overeenkomstig de voorschriften, de indeling van de begrotingstabel naar aard van de financiële beleidsinterventie gehanteerd. Op die manier wordt zowel de inhoudelijke samenhang van verschillende instrumenten, alsook de aard van de financiële interventie zichtbaar gemaakt. Voor elk van de instrumenten worden kengetallen gepresenteerd. Een meer uitgebreide rapportage van kengetallen en indicatoren is te vinden in de Monitor bedrijvenbeleid 2015.4 Voor elk instrument is een verwijzing opgenomen naar de relevante website.

Strategisch doel 1 Stimuleren van een concurrerend, innovatief en duurzaam bedrijfsleven

Tabel kengetallen behorend bij strategisch doel 1

Kengetallen

2011

2012

2013

2014

2015

Bron

MIT

         

RVO.nl

Aantal bedrijven dat deelneemt aan MIT

   
7071

662

1.1992
 

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met MIT

(x € 1 mln)

   

26

61

71

 

Eurostars

         

RVO.nl

Aantal Nederlandse deelnemers aan Eurostars

723

44

49

20

69

 

waarvan bedrijven

61

37

37

13

50

 

waarvan hightech MKB (%)

82%

89%

81%

100%

96%

 

Door Eurostars ondersteunde private R&D-uitgaven van Nederlandse deelnemers (x € 1 mln)

19,8

11,1

13

7

32

 

Horizon2020

         

RVO.nl/EC

Aantal Nederlandse deelnemers aan H2020

   
1.5444

449

7125
 

waarvan bedrijven

   

1.185

298

500

 

Omvang H2020-middelen voor Nederlandse deelnemers (retour in mln euro)

   

€ 3.403

€ 538

1.016

 

waarvan bedrijven (%)

   

21%

31%

28%

 

Retourpercentage voor Nederland (%)

   

7,5%

8,1%

7,7%

 

WBSO

         

RVO.nl

Aantal bedrijven dat gebruik maakt van WBSO

20.530

22.220

22.640

22.974

22.980

 

Door WBSO ondersteunde private R&D-uitgaven (S&O-loon, x € 1 mln)

3.571

3.854

3.917

3.997

3.868

 

Noot 1: Dit cijfer van de MIT wijkt af van het jaarverslag over 2013 omdat vanwege de vergelijkbaarheid van de cijfers tussen de jaren de toekenningen voor netwerkbijeenkomsten e.d. niet in de cijfers zijn opgenomen.

Noot 2: De cijfers over 2015 voor de MIT zijn inclusief de cijfers van de regio’s, in tegenstelling tot voorgaande jaren. De cijfers wijken af van het jaarverslag 2015 omdat in het jaarverslag nog niet alle gegevens van de regio’s beschikbaar waren.

Noot 3: De gegevens voor Eurostars vermeld onder 2011 betreft de som van de jaren 2009, 2010 en 2011

Noot 4: KP7 was de voorganger van Horizon2020. Dit programma liep van 2007 tot en met 2013. De cijfers in deze tabel voor 2013 betreffen het totaal over deze periode (zoals bekend in november 2015). Cijfers vanaf 2014 zijn cumulatief, met peilmoment februari (t+1).

Noot 5: De hier vermelde cijfers voor Horizon 2020 wijken licht af van de resultaten die vermeld staan in het jaarverslag 2015. De reden hiervoor is dat een bepaalde categorie projecten ten onrechte is meegerekend.

Subsidies

MIT

De regeling MKB Innovatiestimulering Topsectoren heeft ten doel het bevorderen van innovatie bij het MKB en het MKB beter in staat te stellen zich aan te sluiten bij de door de topsectoren opgestelde innovatieagenda’s, onder andere door het stimuleren van samenwerking tussen MKB-bedrijven op het vlak van onderzoek, ontwikkeling en innovatie en het stimuleren van het gebruik van publiek gefinancierde kennis door het MKB. De regeling wordt in samenwerking met de provincies uitgevoerd en gefinancierd.

Meer informatie over de ondersteunde projecten vindt u op Volginnovatie.nl.

Eurostars

«Eurostars» is een internationaal programma dat gezamenlijk gefinancierd wordt door 34 deelnemende landen en de EU. De regeling is met name gericht op het «hightech»-MKB en ondersteunt bedrijven en kennisinstellingen die met buitenlandse partijen in Europa samenwerken in projecten die gericht zijn op marktgericht technologisch onderzoek en technologische ontwikkeling.

Meer informatie over de ondersteunde projecten vindt u op Volginnovatie.nl.

Groene Groei en Biobased Economy

De rijksbrede groene groeistrategie is gericht op versterking van het verdienvermogen waarbij tegelijkertijd de druk op het milieu wordt gereduceerd en de afhankelijkheid van schaarse grondstoffen wordt verminderd. De middelen op de EZ-begroting worden ingezet voor het overkoepelende programma Groene Groei, voor specifieke domeinen als de biobased & circulaire economie en mobiliteit/elektrisch vervoer en instrumenten/pijlers als het programma Ruimte in Regels en de Green Deals.

Op Volginnovatie.nl vindt u meer informatie over de ondersteunde projecten van de Green Deals en de Biobased Economy.

Cofinanciering EFRO, inclusief INTERREG

Innovatiestimulering en de transitie naar een koolstofarme economie zijn de hoofddoelen van de programma’s die worden gefinancierd vanuit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO). Daarbij is het MKB de belangrijkste doelgroep. Het rijk neemt de voor EFRO vereiste cofinanciering deels voor zijn rekening, voor projecten die bijdragen aan nationale beleidsdoelen op het gebied van innovatie en energie.

Bijdragen aan agentschappen

Bijdrage aan Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) – Octrooicentrum Nederland

De bijdrage aan Octrooicentrum Nederland, onderdeel van RVO.nl, is bestemd voor de uitvoering van taken die bij, of op grond van, wetten of verdragen zijn opgedragen, zoals bijvoorbeeld de verlening en registratie van octrooien, de inning van taksen, de vertegenwoordiging van Nederland in Europese en mondiale organisaties, de uitvoering van andere wettelijke taken onder de Rijksoctrooiwet 1995, evenals de nakoming van Europese en internationale verplichtingen. Daarnaast geeft Octrooicentrum Nederland voorlichting en advies aan bedrijven, kennisinstellingen, overheden en uitvinders. Doel is het vinden van de juiste balans tussen enerzijds kennisbescherming en anderzijds de verspreiding en benutting van kennis.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Internationaal Innoveren

In het kader van het beleid voor Internationaal Innoveren is voor Nederlandse deelname aan publiek-private onderzoeksprogramma’s in Europees verband cofinanciering beschikbaar. Deze middelen worden ingezet voor Eureka clusters en het Joint Technology Initiatives ECSEL dat is gelieerd aan Horizon 2020.

Op Volginnovatie.nl vindt u meer informatie over de ondersteunde projecten van de Joint Technology Initiatives en KP7 (de voorganger van Horizon2020) en van Eureka.

Fiscale maatregelen

WBSO

De WBSO is de verzamelnaam voor de faciliteit afdrachtsvermindering speur- en ontwikkelingswerk (S&O) in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen en de S&O-aftrek in de Wet inkomstenbelasting. De WBSO is gericht op het stimuleren van Speur- en Ontwikkelingswerk (S&O) door het bedrijfsleven, door het verlagen van de aan S&O-gerelateerde kosten. De WBSO richt zich op de loonkosten van S&O-medewerkers en, door de integratie met de RDA, ook op de overige aan S&O-gerelateerde kosten en uitgaven.

Informatie over de totale toegekende WBSO-bedragen per provincie vindt u op Volginnovatie.nl

Strategisch doel 2 Bevorderen ondernemerschap en toegang tot en benutting van ondernemers(risico)financiering

Tabel kengetallen behorend bij strategisch doel 2

Kengetallen

2011

2012

2013

2014

2015

Bron

BMKB

         

RVO.nl

Verstrekte garanties BMKB, x € 1 mln

909

486

344

372

446

 

Totaal aantal verstrekte garanties

4.325

2.640

1.983

1.949

2.545

 

Groeifaciliteit

         

RVO.nl

Verstrekte garanties Groeifaciliteit, x € 1 mln

12

13

8

32

19

 

Totaal aantal verstrekte garanties

17

21

16

20

14

 

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

         

RVO.nl

Verstrekte garanties GO, x € 1 mln

261

103

103

82

137

 

Totaal aantal verstrekte garanties

62

53

51

39

76

 

Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering

         

RVO.nl

Verstrekte garanties Scheepsnieuwbouw, x € 1 mln

   

44

0

3

 

Totaal aantal verstrekte garanties

   

6

0

1

 

Qredits

         

Qredits

Aantal verstrekte kredieten (Micro- en MKB-krediet)

1.000

1.133

1.020

1.187

1.500

 

Subsidies

Bevorderen Ondernemerschap

Deze middelen zijn gereserveerd voor diverse initiatieven ter bevordering van het ondernemerschap, waaronder het «Actieplan MKB-financiering», «Innovatiegericht Inkopen», het Valorisatieprogramma, «Startup Delta», «NL Groeit» en het «Techniekpact».

Microkrediet

In de categorie subsidies vallen ook de uitgaven aan «Qredits» ten behoeve van micro-en MKB kredieten voor ondernemers met een haalbaar ondernemersplan die geen toegang hebben tot het reguliere financiële circuit. De afgelopen jaren is er in totaal een lening van € 45 mln verstrekt voor micro- en MKB-krediet. Voor 2017 en volgende jaren zijn er geen uitgaven geraamd op de begroting.

Bijdrage aan ROM’s

Met deze middelen worden de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen ondersteund: NOM (Noord), BOM (Brabant), LIOF (Limburg), Oost NV (Oost) en «Innovation Quarter» (IQ, Zuidvleugel). Deze middelen hebben tot doel de economische krachten in de regio te versterken en te bundelen met sectorale initiatieven vanuit het topsectorenbeleid en ander generiek beleid en daarnaast om de samenwerking tussen het (innovatieve) MKB en kennisinstellingen in de regio te bevorderen.

Garanties

Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

De BMKB maakt mogelijk dat bedrijven met te weinig zekerheden (onderpand) toch financiering kunnen krijgen, doordat de overheid borg staat voor het deel van de lening waar het bedrijf geen onderpand voor heeft. De kredietverstrekker kan, mocht dat nodig zijn, voor dat deel dus terugvallen op de overheid. Het gebruik van de regeling hangt af van de kredietbehoefte van het bedrijfsleven en is daarmee sterk afhankelijk van de ontwikkeling van de conjunctuur. De raming betreft de verwachte schades die kredietverstrekkers declareren bij EZ als kredieten niet terug kunnen worden betaald. Tegenover de schades staan premies en ontvangsten bij uitwinning van faillissementen. In de budgettaire tabel is een splitsing gemaakt tussen de werkelijke schadebetalingen en stortingen in de begrotingsreserve BMKB.

Groeifaciliteit

De Groeifaciliteit richt zich op buffervermogen – zoals eigen vermogen van participatiemaatschappijen en achtergestelde leningen door banken – en is vooral gericht op de start-, groei- en expansiefase van een bedrijf. Achtergestelde leningen en aandelenkapitaal verstrekt door participatiemaatschappijen vallen tot maximaal € 25 mln onder de garantieregeling. Een bank kan een garantiefinanciering verstrekken tot maximaal € 5 mln in de vorm van achtergestelde leningen. De garantie van de overheid bedraagt 50%. De regeling is kostendekkend. In de Voorjaarsnota 2016 is het budget van de Groeifaciliteit met € 150 mln verhoogd verspreid over de jaren 2016–2019, omdat het Achtergestelde-leningen-fonds van het NLII, gebruik maakt van de Groeifaciliteit. Deze garantieruimte was beschikbaar binnen de middelen van het Aanvullend Actieplan MKB-financiering.

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

De GO-regeling geeft financiers de mogelijkheid om een garantie van 50% van de overheid te verkrijgen, indien zij vanwege het risicoprofiel niet zelfstandig of onvoldoende in staat zijn in de kern gezonde bedrijven te financieren. Jaarlijks kan voor maximaal € 400 mln aan garanties worden verleend; het gebruik is afhankelijk van de conjuncturele ontwikkeling. Het geraamde bedrag betreft de verwachte schades op de regeling. Tegenover de schades staan premieontvangsten. De GO-regeling is kostendekkend.

Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering

In navolging van andere EU-landen is een garantieregeling geïntroduceerd die het bankkrediet aan de scheepsbouwer garandeert gedurende de periode van de bouw van het schip. Met de GSF kunnen banken 80% Staatsgarantie krijgen. Het jaarlijkse garantieplafond bedraagt € 377 mln. Met stakeholders (onder andere maritieme sector en betrokken banken) is in de afgelopen periode onderzocht wat de oorzaken van het geringe gebruik zijn. Op basis daarvan is de regeling aangepast.

Fiscale maatregelen

Ter stimulering van (zelfstandig) ondernemerschap wordt een aantal fiscale maatregelen ingezet via het stelsel van inkomsten- en omzetbelasting.

Bedragen x € 1 mln
 

2016

2017

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk

8

8

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk WBSO

1.143

1.205

Zelfstandigenaftrek

1.512

1.552

Extra zelfstandigenaftrek starters

76

77

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

1

2

FOR, niet omgezet in lijfrente

51

51

Meewerkaftrek

7

7

Stakingsaftrek

15

14

Doorschuiving stakingswinst

250

262

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit in successiewet

402

402

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

424

441

Willekeurige afschrijving starters

8

8

Persoonsgebonden aftrekpost durfkapitaal

2

1

Verlaagd BTW-tarief Logiesverstrekking (incl. kamperen)

701

744

Verlaagd BTW-tarief Voedingsmiddelen horeca

1.793

1.820

BTW Kleine ondernemersregeling

149

158

Verlaagd accijnstarief kleine brouwerijen

2

2

Vrijstelling overdrachtsbelasting bedrijfsoverdracht in familiesfeer

16

17

Verlaagd gebruikelijk loon voor dga's van startups

0

29

Een toelichting op de fiscale instrumenten is opgenomen in bijlage 5 van de Miljoenennota (Belastinguitgaven en Inkomstenbeperkende regelingen).

http://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/zakelijk/ondernemen/

Strategisch doel 3 Ontwikkelen en benutten van hoogwaardig (internationaal) publiek gefinancierd onderzoek en technologie, inclusief publiek-private samenwerking

Tabel kengetallen behorend bij strategisch doel 3

Kengetallen

2011

2012

2013

2014

2015

Bron

TKI's

         

RVO.nl/ TKI’s

Omvang middelen PPS-programma’s TKI (x € 1 mln)

   

571

814

938

 

waarvan private middelen (%)

   

35%

44%

45%

 
TO21
           

Klanttevredenheid Deltares

7,9

 

8,0

 

8,7

Deltares

Klanttevredenheid Marin

8,6

 

8,8

 

8,8

Marin

Klanttevredenheid NLR

8,7

 

8,5

 

8,8

NLR

Klanttevredenheid TNO

7,2

 

8,2

 

8,4

TNO

Kennisbenutting Deltares

       

96%

Deltares

Kennisbenutting Marin

       

97%

Marin

Kennisbenutting NLR

       

99%

NLR

Kennisbenutting TNO

       

98%

TNO

Europese Ruimtevaartorganisatie (ESA)

     

 
Aantal Nederlandse bedrijven dat deelneemt aan ruimtevaartprogramma’s ESA2

488

499

 

552

121

ESA

Ruimtevaart geo-return/retour (%)3

1,09

1,07

1,10

1,14

1,02

ESA

Noot 1: In 2015 zijn alle TO2 instituten overgegaan op een nieuwe, uniforme methode voor het meten van klanttevredenheid en kennisbenutting. De scores in bovenstaande tabellen geven de gerealiseerde waarden van klanttevredenheid en kennisbenutting voor het onderzoek dat de TO2 in opdracht uitvoeren (het betreft dus zowel PPS onderzoek, als onderzoek in opdracht van private klanten als onderzoek in opdracht van de publieke sector, tenzij anders vermeld). De cijfers over 2015 zijn dus niet zonder meer te vergelijken met de jaren voor 2015. Kennisbenutting en klanttevredenheid ECN en Wageningen Research zijn opgenomen in de EZ begrotingsartikelen 14, respectievelijk 16. De eerste meting bij Wageningen Research vindt plaats begin 2017 en heeft betrekking op 2016.

Noot 2: In het hier weergegeven getal zijn alle contracten van Nederlandse bedrijven met ESA opgenomen, ook de contracten die niet direct aan ruimtevaartprogramma’s zijn gekoppeld, maar gerelateerd zijn aan de vestiging van ESTEC in Nederland. Verschillende divisies van een bedrijf worden als afzonderlijke contractanten meegeteld. ESA heeft geen contractenlijst tot en met 2013 opgeleverd, waardoor het realisatiecijfer 2013 ontbreekt. In 2015 is ESA gestart met een nieuwe, opgeschoonde database waardoor de waarde in 2015 substantieel lager uitvalt. Bedrijven waarmee al enige tijd geen contracten zijn afgesloten zullen niet in het nieuwe databestand worden opgenomen. Vanaf 2015 betreft het een cumulatief getal op basis van databestanden van ESA vanaf 1 januari 2015.

Noot 3: De prestatie-indicator «ruimtevaart geo-return/retour (%)» betreft research- en leveringsopdrachten van ESA aan de Nederlandse industrie en kennisinstellingen. Deze opdrachten komen voort uit de Nederlandse contributies aan diverse Ruimtevaart-programma’s van ESA. Daarbij wordt door ESA een retour van 0,9 (90%) van de bijdragen van lidstaten aan deze programma’s gegarandeerd. Een hogere retour dan 1 betekent dat Nederlandse bedrijven extra succesvol zijn bij het werven van ESA-orders, maar ook dat Nederland uit eigen middelen mogelijk moet compenseren aan lidstaten met een lagere retour dan 1.

Opdrachten

Onderzoek en opdrachten

De middelen zijn gereserveerd ten behoeve van de monitoring, effectmeting en feitelijke onderbouwing van beleid («evidence based policy making») en beleidsexperimenten en proefprojecten.

ICT-beleid: SURF

De Nederlandse ICT-infrastructuur is van hoog niveau. Om een bijdrage te leveren aan de ICT-onderzoekinfrastructuur dragen EZ en OCW samen € 12 mln bij voor de periode van 2017 tot en met 2019.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Bijdrage aan TNO

TNO (Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek) werkt samen met ECN, Marin, Deltares, Wageningen Research en NLR in de federatie Toegepaste Onderzoek Organisaties (TO2). EZ investeert samen met enkele andere ministeries in deze instituten, omdat hier onafhankelijk onderzoek in Nederland plaatsvindt dat kansen kan creëren voor innovatie en economische groei en dat een bijdrage levert aan de publieke kennis op terreinen van maatschappelijk belang. TNO bestrijkt een breed onderzoeksgebied op het terrein van meerdere topsectoren, met name HTSM, en energie. Daarnaast ontwikkelt het kennis op een aantal maatschappelijke thema’s, met name defensie, maatschappelijke veiligheid en arbeid & gezondheid.

Bijdragen aan medeoverheden

Sterke Regio’s en Nota Ruimte

Zoals onder «Beleidswijzigingen» aangegeven, levert het kabinet een bijdrage aan de impuls in het voorzieningenniveau van Brainport Eindhoven. Dit gebeurt onder meer door vanuit het instrument Sterke Regio’s en Nota Ruimte € 0,9 mln beschikbaar te stellen ter versterking van het regionale vestigingsklimaat.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

TKI-toeslag

In 2013 zijn de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) gestart met het bundelen en stroomlijnen van de onderzoeksprogrammering in de gehele kennisketen. Het doel is om meer privaat-publieke samenwerkingsprogramma’s (PPS) vanuit de onderzoekagenda’s van de topsectoren (inclusief maatschappelijke uitdagingen) te genereren. De TKI’s zijn daarbij programmerend en regisserend. Via de TKI-toeslagregeling kunnen PPS-projecten voor elke privaat ingelegde euro 25% toeslag verdienen die aan de TKI’s wordt overgemaakt ter bestemming voor onderzoek dat past binnen de onderzoekagenda’s van de topsectoren.

Meer informatie over de ondersteunde projecten vindt u op Volginnovatie.nl.

TO2 (toegepaste onderzoeksorganisaties)

De middelen zijn gereserveerd voor de financiering van onderzoek in het kader van de topsectoren, maatschappelijke thema’s en voor onderzoek ten behoeve van (wettelijke) taken van de overheid. Naast TNO (zie «Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s»), omvat TO2 de volgende instituten:

  • –  Deltares (Delta Research): instituut op het gebied van deltatechnologie. Deltares levert ten behoeve van de overheid en de topsector water bijdragen aan innovatieve oplossingen voor water-, ondergrond- en deltavraagstukken die het leven in delta’s, kust- en riviergebieden veilig, schoon en duurzaam maken. De bijdrage aan Deltares bedraagt in 2017 circa € 9,4 mln.
  • –  MARIN (Maritiem Research Instituut Nederland): instituut op het gebied van hydromechanisch en nautisch onderzoek. De bijdrage aan Marin bedraagt in 2017 circa € 3,3 mln.
  • –  NLR (Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium): instituut op het gebied van militaire en civiele luchtvaart ten behoeve van de ministeries van Defensie en Infrastructuur en Milieu en de topsectoren HTSM en water. De bijdrage aan NLR bedraagt in 2017 circa € 19,1 mln.
  • –  ECN (Energieonderzoek Centrum Nederland) en Wageningen Research: deze instituten worden toegelicht in respectievelijk artikel 4 en 6.

Topsectoren overig (met name STW)

De Stichting voor de Technische Wetenschappen (STW, onderdeel van NWO) financiert technisch wetenschappelijk onderzoek aan Nederlandse universiteiten en instituten. Met de bijdrage van EZ worden de Perspectiefprogramma’s gefinancierd, die worden ingezet voor innovatiecontracten van topsectoren. Voor de bijdrage aan STW is structureel circa € 23 mln per jaar beschikbaar.

Deze post bevat daarnaast de middelen die gereserveerd zijn voor de afbouw van een aantal oud FES-projecten, voormalige Innovatieprogramma’s (waaronder Point One) en enkele kleine posten met betrekking tot het huidige topsectorenbeleid.

Ruimtevaart (ESA)

De bijdrage aan Ruimtevaart bestaat uit verplichte programma’s (contributie) van het European Space Agency (ESA) en uit gerichte inschrijving op optionele programma’s van ESA. De ingeschreven middelen vloeien via opdrachten aan Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen ter realisatie van de onderscheiden ruimtevaartprogramma’s grotendeels terug naar Nederland («Geo Return»-systeem). Daarnaast kent het Ruimtevaartbeleid een (beperkt) nationaal flankerend beleid, waarin onder andere wetenschappelijke instrumenten ontwikkeld worden en de interactie van bedrijven en kennisinstellingen met ESTEC wordt bevorderd. Ook wordt daarmee de benutting van satellietdata gestimuleerd. Uitvoering van het beleid is neergelegd bij het Netherlands Space Office (NSO). Om de ambities van Nederland op het gebied van ruimtevaart financieel op peil te houden is vanaf 2018 € 13 mln aan de EZ-begroting toegevoegd.

Strategisch doel 4 Waarborgen van responsieve overheids- en informatiediensten en ondersteuning voor ondernemers op regionaal, nationaal en internationaal niveau

Tabel kengetallen behorend bij strategisch doel 4

Kengetallen

2012

2013

2014

2015

Bron

Innovatie Attaché Netwerk

       

IAN/RVO.nl

Geformaliseerde samenwerkingsverbanden

55

67

115

78

 

Klanttevredenheid

8,9

8,6

8,8

8,61
 

Netherlands Foreign Investment Agency

       

NFIA/RVO.nl

Projecten

170

193

187

207

 

Investeringsomvang (€ mln)

931

1.658

3.185

1.765

 
Werkgelegenheid (arbeidsplaatsen)2

5.166

8.435

6.304

7.779

 

KvK/Ondernemerspleinen

       

KvK

Waardering Kamer van Koophandel

   

7,1

7,1

 

Bereik Kamer van Koophandel

   

51%

52%

 

Waardering Ondernemersplein.nl

   

6,8

6,8

 

Regeldruk

         
Netto verlaging regeldruk (cumulatief, € mln)3
 

527

1.153

1.808

EZ

Noot 1: Vanaf 2015 is een nieuwe methodiek gehanteerd, waardoor het cijfer niet zonder meer vergelijkbaar is met voorgaande jaren.

Noot 2: Zowel nieuwe werkgelegenheid als behoud van werkgelegenheid.

Noot 3: Dit betreft de realisatie van de kabinetsdoelstelling € 2,5 mld regeldrukvermindering.

Bijdragen aan agentschappen

Bijdrage aan RVO.nl – Innovatie-attachés

De Innovatie Attachés, onderdeel van RVO.nl, werken in veertien landen vanuit ambassades en consulaten en leveren kennis en informatie over ontwikkelingen en trends op het terrein van innovatie in het buitenland en creëren verbindingen tussen Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen en bevorderen de internationale innovatiesamenwerking. Zij zorgen daarmee dat er meer buitenlandse R&D naar Nederland komt.

Bijdrage aan RVO.nl – Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA)

De bijdrage aan de NFIA is gereserveerd voor ondersteuning van buitenlandse bedrijven die zich willen vestigen of die willen uitbreiden in Nederland of Nederland als een strategische uitvalsbasis voor Europa zien. De dienstverlening bestaat uit advies, informatievoorziening en praktische assistentie en discrete toegang tot een breed netwerk van zakelijke partners en overheden.

Bijdrage aan RVO.nl – uitvoering instrumentarium

Deze middelen zijn grotendeels voor de uitvoering van de financierings- en innovatie-instrumenten (MKB Innovatiestimulering Topsectoren, Eurostars, Horizon2020, TKI-toeslag, WBSO, BMKB, Groeifaciliteit, Garantie Ondernemingsfinanciering, Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering). Dit betreft activiteiten als beoordeling van aanvragen, bedrijfscontroles, voorlichting over de instrumenten en terugontvangen van kredieten.

Bijdrage aan Agentschap Telecom

Met deze bijdrage wordt de uitvoering, het toezicht en de handhaving van de bepalingen van de Wet ruimtevaartactiviteiten verzorgd door Agentschap Telecom. Het gaat om werkzaamheden die voortkomen uit aanvragen voor een ruimtevaartvergunning, registreren van ruimtevoorwerpen, deelname aan internationale gremia, adviseren en voorlichting geven over ruimtevaartactiviteiten. Het wettelijke toezicht heeft betrekking op de afgifte van ruimtevaartvergunningen.

Verder voert Agentschap Telecom het toezicht uit op vertrouwensdiensten die onder de Europese eIDAS-Verordening vallen en is wetgeving in voorbereiding waarin Agentschap Telecom wordt aangewezen als toezichthouder op de veiligheid en betrouwbaarheid van het stelsel van elektronische toegangsdiensten (ETD-stelsel).

Bijdrage aan Logius

De bijdrage aan Logius betreft het EZ-aandeel voor het programma (Bureau) Forum Standaardisatie.

Opdrachten

ICT-beleid: digitale overheid voor bedrijven

Het doel is dat ondernemers en burgers in 2017 hun zaken met de overheid digitaal kunnen afhandelen door het realiseren van een snelle en betrouwbare en veilige dienstverlening. De middelen zijn gereserveerd ter bekostiging van de ondernemersvoorzieningen die hiervoor nodig zijn: een informatieportaal (ondernemersplein.nl), een inlogvoorziening (eHerkenning/eID), een voorziening om digitaal zaken te doen met de overheid (Mijn overheid voor Ondernemers), een Berichtenbox en standaarden voor informatie-uitwisseling (zoals Standard Business Reporting en e-factureren) als onderdeel van de Generieke Digitale Infrastructuur.

Regeldruk

Met het kabinetsbrede programma «Goed Geregeld: een verantwoorde vermindering van de regeldruk 2012–2017» zet het kabinet in op de vermindering van regeldruk voor bedrijven, burgers en professionals met € 2,5 mrd. Om met toekomstvaste en ondernemersvriendelijke regels het ondernemen en innoveren voor bedrijven makkelijker te maken.

http://www.actal.nl/

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Kamer van Koophandel

De Kamer van Koophandel voert vijf wettelijke taken uit in het kader van ondernemerschapsbeleid: houden van het handelsregister, inrichten en beheren van Ondernemerspleinen (zowel digitaal als fysiek), geven van inlichtingen en voorlichting aan ondernemers (onder meer) via online informatie, stimuleren van innovatie via advies en voorlichting en regio-specifieke activiteiten, bijvoorbeeld door middel van regionale onderzoeken, overleggen en samenwerkingsvormen. Hiervoor krijgt de Kamer van Koophandel een rijksbijdrage; daarnaast genereert de Kamer van Koophandel eigen inkomsten uit verkoop van eigen producten en diensten. De reeks in de budgettaire tabel is inclusief de inputfinanciering Handelsregister. Het bedrag voor 2017 wijkt af van de meerjarige reeks omdat eind 2016 reeds een voorschot wordt verstrekt voor de eerste periode 2017.

Bijdragen aan (internationale) organisaties

Bijdrage NBTC

EZ stelt op basis van meerjarenafspraken budget beschikbaar voor de internationale «branding» en «marketing» van Nederland en internationale congreswerving. Het budget wordt ingezet op de belangrijkste toeristische herkomstmarkten en doelgroepen.

Overige bijdragen aan organisaties (met name MVO Nederland)

De bijdrage (€ 0,45 mln in 2017) is gereserveerd voor de stichting Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, die partijen (bedrijven, overheden, kennisinstellingen, ngo’s en vakbonden) informeert en stimuleert om bij te dragen aan een duurzame en eerlijke wereld. Daarnaast wordt een bijdrage verstrekt aan Ondernemersklankbord (circa € 0,4 mln), de Fraudehelpdesk (Stichting Safecin, € 0,25 mln) en de Koning Willem I Stichting (circa € 0,15 mln).

Toelichting op de ontvangsten

De ontvangsten BMKB, Groeifaciliteit, Garantie Ondernemingsfinanciering en Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering betreffen de premie-inkomsten in het kader van de verstrekte garanties. Bij de BMKB is daarnaast ook sprake van ontvangsten als gevolg van uitbetaalde maar later afgewezen verliesdeclaraties.

Voor de BMKB en de Garantie Ondernemingsfinanciering zijn ook de onttrekkingen aan de begrotingsreserves weergegeven, waarmee de verschillen tussen uitgaven en premie-inkomsten worden verevend.

De ontvangsten in het kader van de Luchtvaartkredietregeling betreffen terugbetalingen (kredietsom en rente) van kredieten, verleend in de periode 1998 tot en met 2003 en 2008 tot en met 2011 voor vliegtuigtechnologieprojecten.

De ontvangsten Rijksoctrooiwet betreffen de ontvangsten van OCNL, uit hoofde van procedure- en instandhoudingtaksen op basis van de Rijksoctrooiwet. Daarin zijn begrepen de instandhoudingstaksen voor Europese octrooien, waarvoor geldt dat de hiervoor geraamde ontvangsten de helft zijn van de feitelijke ontvangsten uit taksen. De andere helft wordt afgedragen aan het Europees Octrooibureau.

De ontvangst Eurostars betreft de Europese bijdrage aan Eurostars-projecten. De bijdrage betreft 23% van de nationale bijdrage.

De ontvangsten JSF hebben betrekking op de geraamde afdrachten door de defensie-industrie aan de Staat. Op basis van de gesloten medefinancieringsovereenkomst over de deelname van Nederland aan de ontwikkeling van de F-35 draagt de industrie 2% over de gerealiseerde omzet voor ontwikkeling en onderhoud van de F-35 af aan EZ.

Toelichting op de begrotingsreserves

Er zijn begrotingsreserves voor de BMKB, de regeling Garantie Ondernemingsfinanciering (GO), de Groeifaciliteit (GF), de Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering (GSF) en de garanties voor nieuwe aanbieders van MKB-financiering. De GO, GF, GSF en de garanties voor alternatieve aanbieders van MKB-financiering betreffen kostendekkende garanties, waarvan de te realiseren premie-ontvangsten toereikend zijn voor het afdekken van eventuele verliesdeclaraties. De begrotingsreserves zijn ervoor bedoeld inkomsten uit premies en uitgaven voor schades, die over de jaren kunnen fluctueren, te verevenen.

In onderstaande tabel zijn de saldi van de begrotingsreserves per 31 december 2015 weergegeven.

Stand begrotingsreserves per 31 december 2015 (x € 1.000)
   

Waarvan juridisch verplicht

Begrotingsreserve Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

54.168

100%

Begrotingsreserve Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

53.111

100%

Begrotingsreserve Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering

10.044

100%

Begrotingsreserve Groeifaciliteit

17.000

100%

Begrotingsreserve Garantie MKB-faciliteiten

9.000

100%

Budgetflexibiliteit begrotingsreserves

BMKB

Bij de BMKB is sprake van een niet geheel kostendekkende regeling. In de periode 2009–2015 is voor circa € 384 mln aan schades – veroorzaakt door het hoge aantal faillissementen als gevolg van de economische crisis – uit begrotingsmiddelen gefinancierd. Om in de toekomst bestand te zijn tegen een crisis met een dergelijke omvang, dient in tijden van hoogconjunctuur «gespaard» te worden. De begrotingsreserve kan als gevolg daarvan toenemen tot een forse omvang. Op het moment dat een economische crisis aan de orde is en de verliesdeclaraties toenemen, is de reserve noodzakelijk om de tekorten aan te vullen. Het uitstaand obligo van de BMKB was ultimo 2015 circa € 1,8 mld waarmee de volledige reserve juridisch verplicht is. Ervaring wijst echter uit dat slechts een beperkt deel van de garanties tot schadedeclaraties leidt. Voor een crisis, zoals hiervoor genoemd, dient echter een adequate buffer voorhanden te zijn. Daarnaast wordt met ingang van 2017 aan banken de mogelijkheid geboden de garantiepremie gedeeltelijk te spreiden over de looptijd van de garantie in plaats van de situatie dat de volledige premie ineens vooraf moet worden betaald. Indien de banken dit gaan toepassen en de premieontvangsten voor de staat over meerdere jaren gespreid worden, zullen de ontvangsten van de staat voor enkele jaren terugvallen naar een lager niveau. Hierdoor zal de komende jaren een beroep op de reserve mogelijk noodzakelijk zijn om de tijdelijke terugval in ontvangsten te compenseren.

Met het Ministerie van Financiën is vooralsnog afgesproken dat de reserve maximaal € 75 mln mag bedragen. De omvang en benutting van de begrotingsreserve zal in 2017 in samenspraak met het Ministerie van Financiën worden geëvalueerd.

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO), Groeifaciliteit (GF) en de Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering (GSF)

Bij de Garantie Ondernemingsfinanciering, de Groeifaciliteit en de Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering is sprake van kostendekkende regelingen. Bij deze regelingen dient de begrotingsreserve er toe de discrepantie in de tijd tussen ontvangsten en uitgaven te verevenen. Bij deze regelingen kunnen relatief grote verliesdeclaraties worden ingediend, die de omvang van de in enig jaar te ontvangen provisies te boven gaan. Bij de GO kan dit zelfs gaan om garanties met een maximum van € 75 mln. Voor die situaties is het nodig een forse begrotingsreserve aan te houden om deze tegenvallers binnen de begroting te kunnen accommoderen. Het uitstaande obligo voor deze regelingen was ultimo 2015 € 665 mln (GO), € 108 mln (GF) en € 42 mln (GSF) waardoor de volledige reserves voor deze regelingen juridisch verplicht zijn. De omvang en benutting van de reserves worden betrokken bij de evaluatie van deze regelingen.

MKB-faciliteiten

De begrotingsreserve dient er toe de discrepantie in de tijd tussen de premieontvangsten en de uitgaven te verevenen. In 2016 zullen garanties worden verstrekt voor de alternatieve financiers voor het MKB. Naar verwachting zal hierdoor ultimo 2016 het uitstaand obligo van deze garanties de omvang van de begrotingsreserve overstijgen, waardoor de volledige reserve juridisch verplicht is.

3 Toekomstfonds

Algemene Doelstelling

Versterken van de innovatieve kracht van Nederland door het beschikbaar stellen van financiering voor innovatief en snelgroeiend MKB en voor fundamenteel en toegepast onderzoek en het behouden van vermogen voor toekomstige generaties.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van Economische Zaken is rijksbreed verantwoordelijk voor versterking van het innovatievermogen, in het bijzonder gericht op het bedrijfsleven en verantwoordelijk voor het scheppen van randvoorwaarden voor een excellent ondernemingsklimaat.

De Minister van EZ en de bewindslieden van OCW coördineren en borgen de publieke kennisinfrastructuur voor toegepast en fundamenteel onderzoek.

Vanuit deze verantwoordelijkheden heeft de Minister een financierende en faciliterende rol, samenhangend met de stimulerende, regisserende en faciliterende rollen zoals vermeld in artikel 2 van deze begroting:

Financieren/faciliteren

  • •  Het mede-financieren van investeringen in R&D en innovatie.
  • •  Het faciliteren van toegang tot en financieren van (risico)kapitaal voor bedrijven.
  • •  Het mede-financieren van Europese en internationale samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie.

Beleidswijzigingen

Toekomstfonds

Het Toekomstfonds heeft een startkapitaal van € 200 mln en wordt gevoed door mogelijke meevallers in de gasbaten ten opzichte van de ijklijn Miljoenennota 2015. Deze middelen worden met behoud van vermogen ingezet voor de financiering van innovatieve en snelgroeiende mkb-bedrijven en voor fundamenteel en toepassingsgericht onderzoek. Ook de begrotingsmiddelen voor het Innovatiefonds MKB+ en de participatie van het Rijk in de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) zijn in het Toekomstfonds ondergebracht.

Voor behoud van vermogen wordt vanaf 2018 een buffer opgebouwd van in totaal € 50 mln voor de niet renderende investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek. De opbouw van deze buffer start in 2018 met € 5 mln per jaar (zie TK, 34 000 XIII, nr. 150).

Het Toekomstfonds heeft een revolverend karakter, waarbij de middelen die verstrekt worden in beginsel terug moeten vloeien naar het fonds. In 2017 zal worden onderzocht of de voedingssystematiek en governancestructuur van het Toekomstfonds goed functioneren. In 2020 volgt een evaluatie van de werking van het gehele fonds.

Om kleine private investeerders te stimuleren in startups en het MKB te investeren komt er per ingang van 2017 een co-investeringsregeling. Deze maatregel voor investeerders zal complementair zijn aan de bestaande instrumenten van de overheid. Hiervoor is met ingang van 2017 € 23 mln per jaar aan het Toekomstfonds toegevoegd.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

VERPLICHTINGEN

194.439

306.104

94.489

102.718

96.705

104.206

112.406

UITGAVEN

78.451

250.826

145.118

178.867

157.667

164.896

173.355

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

69%

       
               

Leningen

72.401

244.048

138.530

172.279

151.406

158.635

167.094

I Startups/MKB-FINANCIERING

             

Volledig revolverend

             

Dutch Venture Initiative/Fund of Funds

3.000

36.700

32.600

25.392

23.851

32.933

42.992

Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen

 

45.166

         
               

Gedeeltelijk revolverend

             

Innovatiekrediet

45.178

59.653

51.358

46.052

38.297

48.643

47.543

Risicokapitaal (seed capital)

14.856

35.744

20.263

28.124

26.343

27.144

28.044

Vroege fasefinanciering

9.367

13.161

11.309

22.211

16.415

16.415

16.015

Start ups/MKB

   

23.000

23.000

23.000

23.000

23.000

               

II INVESTERINGEN IN FUNDAMENTEEL EN TOEGEPAST ONDERZOEK

Met vermogensbehoud

             

Fundamenteel en toegepast onderzoek

 

53.624

 

27.500

23.500

10.500

9.500

               

III Staatsobligaties Toekomstfonds

             
               

Subsidies

             

IV Reëel rendement voor onderzoek

             
               

Bijdragen aan agentschappen

6.050

6.778

6.588

6.588

6.261

6.261

6.261

Bijdrage Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

6.050

6.778

6.588

6.588

6.261

6.261

6.261

               

ONTVANGSTEN

49.428

129.254

36.388

40.588

42.588

47.600

56.600

MKB-FINANCIERING BESTAAND INSTRUMENTARIUM

             

Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen

10.000

97.166

3.000

       

Fund of Funds (DVI I/Business Angels)

   

100

800

2.800

7.800

17.000

Innovatiekredieten

24.920

25.388

25.288

30.688

31.188

30.400

29.300

Seed

14.508

6.700

8.000

9.100

8.600

9.400

10.300

               

MKB-FINANCIERING INCIDENTELE MIDDELEN

             

Ontvangsten DVI II

             
               

Ontvangsten fundamenteel en toegepast onderzoek

             
               

Renteontvangsten Toekomstfonds

             

Budgetflexibiliteit

Leningen: Het budget in 2017 is voor 68% juridisch verplicht. Dit betreft een groot deel van het budget voor Innovatiekredieten, de Seedregeling, Vroege fase financiering en de investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek. Het budget voor DVI/Fund of funds is volledig juridisch verplicht. Het budget voor Startups/MKB van € 23 mln is nog niet juridisch verplicht.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van het opdrachtenpakket 2017 aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) en is 100% juridisch verplicht.

Toelichting op de financiële instrumenten

Leningen

Binnen de structuur van het in 2014 gevormde Toekomstfonds (TK, 34 000 XIII, nr. 5), bestaat het Innovatiefonds MKB+ uit volledig revolverende instrumenten (het Dutch Venture Initiative (DVI) en de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen) en gedeeltelijk revolverende instrumenten (Innovatiekrediet, de Seed capital-regeling (risicokapitaal), en de regeling Vroegefasefinanciering).

MKB-financiering: volledig revolverend

  • •  Het Dutch Venture Initiative stelt risico-kapitaal beschikbaar voor doorgroei van het innovatieve MKB. Het DVI-1 wordt samen met het Europees Investeringsfonds (EIF) en het participatiefonds PPM Oost uitgevoerd. Naast de € 130 mln bijdrage vanuit het Rijk dragen het EIF € 67,5 mln en de BOM € 5 mln bij, waarmee in totaal een investeringsfonds van € 202,5 mln actief is. Hiermee wordt geïnvesteerd in private investeringsfondsen die zich richten op innovatief en snel groeiend MKB. Samen met private investeerders in deze fondsen komt in totaal € 1,2 mld aan risicokapitaal beschikbaar voor het innovatieve MKB. Naast deze middelen is met het Aanvullend Actieplan MKB-financiering nog eens € 100 mln extra beschikbaar gesteld in 2014 voor het DVI-2 dat eenzelfde doelstelling en structuur heeft als DVI-1. De inzet van het kabinet is geslaagd, om evenals bij de eerste investering in DVI, het Europees Investeringsfonds/EIF weer mee te laten investeren. De bijdrage vanuit het EIF is zelfs hoger en bedraagt nu € 100 mln.
  • •  Naast het DVI worden de eventuele participaties in de ROM’s onder de revolverende investeringen verantwoord.

MKB-financiering: gedeeltelijk revolverend

  • •  Het innovatiekrediet biedt toegang tot financiering voor met name innovatieve het MKB en start-ups en helpt bij het aantrekken van risicokapitaal. In een fase waarin bancaire financiering niet of nauwelijks beschikbaar is, maakt het Innovatiekrediet onder voorwaarde van 50–75% eigen middelen innovatieprojecten mogelijk met een maximale ondersteuning van € 10 mln.
  • •  De Seed capital-regeling (risicokapitaal) ondersteunt starters in high tech en creatieve sectoren bij het verwerven van risicokapitaal.
  • •  De regeling Vroege Fase Financiering is onderdeel van het Innovatiefonds MKB+. Het biedt financiering – in de vorm van een geldlening – voor academische starters, voor innovatieve starters en kleine bedrijven in een vroege ontwikkelingsfase: van validatie en onderbouwing van een business case, van idee naar concept. Hierdoor wordt ook de toegang tot vervolgfinanciering gefaciliteerd. Dit initiatief wordt door RVO.nl en de Stichting Technische Wetenschappen (STW) uitgevoerd.

Bovengenoemde instrumenten versterken en stimuleren private vermogensverschaffers om innovatieprojecten van bedrijven te financieren en voorzien in de behoefte van bedrijven voor een betere toegang tot risicokapitaal voor innovatie.

Indicator

Referentie-

waarde

Peil-

datum

Raming 2017

Bron

Aantal bedrijven dat Innovatiekrediet gebruikt

33

2015

>30

RVO.nl

Omvang private R&D-uitgaven ondersteund met een Innovatiekrediet (x € 1 mln)

119

2015

>120

RVO.nl

Aantal participaties via SEED en Fund of Funds

44

2015

45

RVO.nl/EIF

Omvang gestimuleerd risicokapitaal voor innovatieve bedrijven door SEED en Dutch Venture Initiative/Fund of Funds (x € 1 mln)

551

2015

390

RVO.nl/EIF

Aantal ondernemers dat Vroege Fase Financiering gebruikt

39

2015

>35

RVO.nl/STW

EZ hanteert voor de innovatiekredieten een indicator die aangeeft hoeveel private R&D-uitgaven worden ondersteund met het innovatiekrediet. De streefwaarde voor 2017 (> € 120 mln) is vastgesteld op basis van het beschikbare verplichtingenbedrag voor innovatiekredieten in 2017 (circa € 60 mln) en het feit dat EZ maximaal 50% van de subsidiabele innovatieprojectkosten financiert. De verwachting is dat hiermee in 2017 ongeveer 30 à 40 bedrijven kunnen starten met hun innovatieprojecten.

Voor het stimuleren van de risicokapitaalmarkt via de SEED-capitalregeling en het DVI is een relevante indicator hoeveel participaties de overheid genomen heeft via private risicokapitaalfondsen. Daarnaast wordt een indicator gehanteerd die aangeeft hoeveel risicokapitaal in totaal (private en overheidsbijdrage) beschikbaar komt voor innovatieve ondernemingen. De streefwaarde voor 2017 is minimaal € 390 mln.

De streefwaarde voor het aantal ondernemers dat Vroegefasefinanciering gebruikt, is gebaseerd op het beschikbaar budget en een maximale leningsomvang van de ondernemer. Naar verwachting kan aan circa 36 ondernemers Vroegefasefinanciering verstrekt worden.

Investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek (met vermogensbehoud)

Vanuit het onderzoeksdeel van het Toekomstfonds wordt geïnvesteerd in nieuwe onderzoeksfaciliteiten en upgrading van bestaande faciliteiten. Uit het werk van de permanente commissie grootschalige wetenschappelijke infrastructuur blijkt de grote behoefte aan infrastructuur zowel bij universiteiten, bij TO2-instellingen als bij rijkskennisinstellingen. Bij de eerste call van het Toekomstfondskrediet OnderzoeksFaciliteiten (TOF) hebben de TO2-instellingen de meeste voorstellen ingediend. Dat heeft vermoedelijk te maken met de eis van revolverendheid, waardoor de infrastructuur voor onderzoek relatief dicht bij de markt wordt gebruikt, en met de beschikbaarheid van financieringsarrangementen van NWO voor de wetenschappelijke faciliteiten (NWO groot, nationale Roadmap). De investeringen uit het Toekomstfonds versterken het innovatievermogen van Nederland en ondersteunen de ambities om met het onderzoek bij de internationale top te blijven horen. Daarnaast wordt vanuit het onderzoeksdeel geïnvesteerd in specifieke thema’s.

Van de € 100 mln startkapitaal is in 2015 € 80 mln in gelijke delen beschikbaar gesteld op onderzoeksfaciliteiten respectievelijk op de thema’s Smart Industry, Proof of Concept en Thematische Technology Transfer. De resterende € 20 mln voor onderzoek wordt ingezet voor een 2e tender van de regeling Toekomstfondskrediet voor Onderzoeksfaciliteiten (TOF).

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Verstrekte leningen onderzoeksinfrastructuur

60 mln

2017

RVO.nl

Uitgelokte investeringen in onderzoeksinfrastructuur

> 60 mln

2017

RVO.nl

Vanuit het onderzoeksdeel van het Toekomstfonds wordt geïnvesteerd in onderzoeksinfrastructuur waarbij de mate waarin leningen passend binnen de criteria verstrekt kunnen worden een indicatie is van de bijdrage van de regeling aan het op peil houden van de publieke kennisinfrastructuur. Het streven is dat dit minimaal een gelijk volume aan uitgelokte investeringen met zich meebrengt.

Na verdere uitwerking van de andere onderdelen van het onderzoeksdeel Toekomstfonds worden hiervoor aanvullende indicatoren opgenomen.

Investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek (zonder vermogensbehoud)

De reële rendementen uit het Toekomstfonds worden ingezet voor fundamenteel en toegepast onderzoek (waaronder ook Europese co-financiering) zonder de voorwaarde van vermogensbehoud. Vooralsnog worden dergelijke rendementen niet geraamd, zodat er voor deze uitgavencategorie geen raming is opgenomen.

Toelichting op de ontvangsten

De ontvangsten van het Toekomstfonds betreffen de op de EZ-begroting geraamde terugbetalingen van kredieten (hoofdsom en rente) in het kader van het Innovatiekrediet. Daarnaast worden de terugontvangsten van het Dutch Venture Initiative (DVI) en de Seed capital regelingen verantwoord. Deze ontvangsten bestaan uit de opbrengsten van rente, dividend en de verkoopwaarde van ondernemingen op het moment dat een fonds haar belangen daarin verkoopt.

Ook worden de ontvangsten in het kader van de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen in het Toekomstfonds verantwoord. Dit betreft eventuele dividenden of in voorkomende gevallen de opbrengst van aandelenverkopen. Voor 2016 is een ontvangst geraamd van € 97,2 mln. Dit betreft onder andere € 32 mln als gevolg van de verkoop van een deel van het aandelenpakket LIOF aan de provincie Limburg. Deze middelen blijven binnen het Toekomstfonds beschikbaar. Daarnaast wordt een deel van het aandelenpakket NOM verkocht aan de noordelijke provincies (€ 42 mln). Deze middelen komen ten gunste van het generale beeld. Ook wordt naar verwachting € 20 mln dividend van de NOM ontvangen. Deze middelen worden ingezet voor het verduurzamen van woningen in Groningen.

Revolverendheid

De instrumenten voor MKB-financiering hebben een revolverend karakter, waarbij naar verwachting gemiddeld 60–80% van de investeringen wordt terugbetaald. Met betrekking tot de investeringen in fundamenteel en toegepast onderzoek kan pas op termijn inzicht worden verkregen in de mate waarin deze investeringen inkomsten genereren voor het Toekomstfonds.

Opbrengsten van succesvolle innovaties vloeien zo terug in het Toekomstfonds, zodat ze weer opnieuw kunnen worden ingezet. Het fonds is daarmee additioneel aan de markt: de overheid neemt het grootste risico, waardoor private investeerders kunnen mee-investeren in innovatieve ondernemingen. De overheid deelt echter mee in de opbrengsten van geslaagde innovaties, waardoor deze middelen opnieuw kunnen worden ingezet voor het vergroten van het beschikbare risicokapitaal voor innovatieve bedrijven.

Procedure staatsobligaties

Het Toekomstfonds wordt gevoed met mogelijke meevallers in de gasbaten vanaf 2014. Er is sprake van meevallers wanneer de gerealiseerde gasbaten in een bepaald jaar hoger zijn dan de gasbaten zoals die geraamd zijn in de onderstaande tabel5. De motie Pechtold c.s. (TK, 27 406, nr. 210) vraagt om het inzetten van de gasbaten met vermogensbehoud. De meevallers in de gasbaten worden, als ze zich voordoen, belegd in Nederlandse staatsobligaties. Voor een nadere beschrijving van de procedure voor het beleggen in staatsobligaties wordt verwezen naar de Nota van wijziging op de ontwerpbegroting 2015 (TK, 34 000 XIII, nr. 11).

Toelichting ijklijn gasbaten

Het Toekomstfonds wordt mede gevoed met eventuele meevallers uit de aardgasbaten. Er is sprake van meevallers wanneer de gerealiseerde aardgasbaten in een bepaald jaar hoger zijn dan de aardgasbaten zoals die voor dat betreffende jaar geraamd zijn in de Miljoenennota 2015. Deze raming wordt herijkt als er beleidsmatige aanpassingen van de gasproductie plaatsvinden (TK, 34 000 XIII, nr. 5).

In het jaar 2015 en bij Voorjaarsnota 2016 is de oorspronkelijke raming, relevant voor het Toekomstfonds, herijkt als gevolg van diverse beleidsmatige aanpassingen van de gasproductie. Vervolgens is de raming vanwege het kabinetsbesluit van 24 juni 2016 om het productieniveau voor de gaswinning uit het Groningenveld in het ontwerpinstemmingsbesluit vast te stellen op 24 miljard m3 per jaar (TK, 33 529, nr. 278) verder aangepast.

Als gevolg van deze wijzigingen is er sprake van meevallers voor het Toekomstfonds wanneer de gerealiseerde gasbaten in een bepaald jaar hoger zijn dan de gasbaten zoals in onderstaande tabel is opgenomen (stand actuele ijklijn aardgasbaten Miljoenennota 2017).

Bedragen x € 1 mln
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

IJklijn aardgasbaten Miljoenennota 2016

7.750

7.250

7.400

7.300

7.550

6.500

 

Bijstelling n.a.v. beleidsmatige aanpassingen (volume-effect) bij Voorjaarsnota 2016

 

– 850

– 950

– 950

– 950

– 950

 

IJklijn aardgasbaten Voorjaarsnota 2016

 

6.400

6.450

6.350

6.600

5.550

2.150

Bijstelling n.a.v. beleidsmatige aanpassingen (volume-effect) bij Miljoenennota 2017

 

100

– 100

– 350

– 350

– 300

– 350

Actuele ijklijn aardgasbaten Miljoenennota 2017

 

6.500

6.350

6.000

6.250

5.250

1.800

Deze actuele ijklijn wijkt af van de raming van de aardgasbaten op beleidsartikel 4 omdat voor het Toekomstfonds alleen de beleidsmatige aanpassingen van de gasproductie van toepassing zijn. Bij het vaststellen van de gasbatenraming op beleidsartikel 4 spelen onder andere de euro/dollar koers en de olieprijs een rol. Deze blijven bij de berekening van de ijklijn voor het Toekomstfonds buiten beschouwing.

Met de brief van 16 september 2014 (TK, 34 000 XIII, nr. 5) is de Kamer reeds geïnformeerd dat vanwege fluctuaties in de productie, prijs en wisselkoers moeilijk voorspelbaar is wanneer en in welke mate meevallers in de gasbaten zich zullen voordoen. Ook is de Kamer met deze brief geïnformeerd dat de verwachting wel is dat meevallers kleiner en minder frequent zullen zijn dan in het verleden.

4 Een doelmatige en duurzame energievoorziening

Algemene doelstelling

In internationaal verband streven naar een CO2-arme energievoorziening die veilig, betrouwbaar en betaalbaar is, op zodanige wijze dat economische kansen worden verzilverd, op CO2-reductie wordt gestuurd en energie in het ruimtelijk beleid is geïntegreerd.

Op de korte termijn stuurt het kabinet op de doelstellingen, zoals overeengekomen in het energieakkoord: 14% duurzame energie in 2020 en 16% in 2023; gemiddeld 1,5% energiebesparing met per jaar en 100 PJ in 2020; creëren van ten minste 15.000 voltijdsbanen.

Om deze doelstelling te bereiken zet EZ financiële instrumenten in zoals subsidies en garanties, maar ook niet-financiële instrumenten zoals het stroomlijnen van energieregelgeving om de werking van de energiemarkt te verbeteren, de regeldruk te verminderen en efficiënter toezicht mogelijk te maken.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Elektriciteitswet, de Gaswet en de Mijnbouwwet verantwoordelijk voor het energiebeleid. Hieruit vloeien de volgende verantwoordelijkheden voort:

Financieren

  • •  Het voeren van het financieel instrumentarium op de beleidsterreinen hernieuwbare energie, energiebesparing, mijnbouwklimaat en innovatieve energietechnologieën.

(Doen)Uitvoeren

  • •  Het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie (conform afspraken Energieakkoord).
  • •  Het vergroten van het aandeel energiebesparing (conform afspraken Energieakkoord).

Regisseren

  • •  Het regisseren van de realisatie van grote energie-infrastructuurprojecten die onder de rijkscoördinatieregeling vallen; dit betekent als projectminister, samen met de Minister van Infrastructuur en Milieu, verantwoordelijk voor de ruimtelijke inpassing van projecten en voor de coördinatie van benodigde projecten.
  • •  Het stimuleren van een goed werkende Europese energiemarkt met een adequate infrastructuur.
  • •  Het actief participeren in Europese en internationale netwerken ten behoeve van energy governance, kennis brengen naar en leren van andere landen en instellingen.
  • •  Het creëren van randvoorwaarden waardoor de energievoorziening internationaal kan concurreren en het verdienpotentieel van de energiesector in relatie tot de energietransitie ten volle wordt benut.
  • •  Het creëren van randvoorwaarden voor een doelmatige, veilige en verantwoorde winning van onze bodemschatten.
  • •  Het stimuleren van de transitie naar een duurzame en betrouwbare energievoorziening.
  • •  Het bieden van mogelijkheden aan, en het faciliteren van, lokale duurzame energie-initiatieven.
  • •  Het coördineren van het energiebesparingsbeleid via de verschillende vakministers en het stimuleren van energiebesparing in de industrie en energiesectoren.
  • •  Het stimuleren van de ontwikkeling en gebruik van innovatieve energietechnologieën.
  • •  Het stimuleren van de verdergaande reductie van CO2-uitstoot van energiebedrijven en industrie.
  • •  Het creëren van randvoorwaarden voor een goede positie op het gebied van nucleair onderzoek, isotopenproductie en uraniumverrijking, met inbegrip van de taken die hierover zijn opgenomen in internationale verdragen, met het oog op de bewaking en beveiliging van de hierbij betrokken kennis en technologie.
  • •  Het sturen op CO2-reductie in Europees en internationaal verband.

Kengetal HHI en C3

De C3 is het gezamenlijk marktaandeel van de drie grootste leveranciers. De mate van concentratie op de kleinverbruikersmarkt voor elektriciteit en gas vormt een indicatie voor de concurrentie op die markten. Een indicator hiervoor is de Herfindahl-Hirschman Index (HHI). Een markt met een HHI onder de 1.800 punten wordt gezien als een competitieve markt en een markt met een index tussen de 1.800 en 8.000 punten wordt gezien als een geconcentreerde markt. Het energiebeleid is gericht op een zo goed mogelijk werkende markt. Dat zal zich vertalen in een structurele daling van C3 en lagere HHI. Evenwel is er geen beleid specifiek gericht op het beïnvloeden van de concentratiegraad. De ambitie richt zich dan ook niet op een specifieke uitkomst, maar op een voortzetting van de daling van C3 en HHI als indicatie of het beleid voldoende effectief is.

Kengetal

2012

2013

2014

2015

Ambitie 2017

1. Concentratiegraad in de retailsector elektriciteit

– HHI

2.338

2.276

2.230

2.152

<2.100

– C3

83%

81%

81%

79%

<77%

2. Concentratiegraad in de retailsector gas

– HHI

2.258

2.204

2.171

2.052

<2.000

– C3

81%

79%

79%

76,8%

<75%

Bron: ACM

Kengetal: Elektriciteitsstoringen in minuten per jaar

Bron: Netbeheer Nederland

Het aantal storingsminuten per huishouden per jaar geeft een indicatie van de leveringszekerheid van elektriciteit. Een huishouden had in 2015 gemiddeld 33 minuten geen stroom als gevolg van een storing. Dit grote aantal minuten is het gevolg van een grote stroomstoring bij Diemen op 27 maart 2015 die grote maatschappelijke effecten heeft gehad voor delen van Noord-Holland en Flevoland. Eén grote verstoring heeft dus grote invloed op dit kengetal. Waarschijnlijk komt het aantal storingsminuten vanaf 2016 weer uit rond de gemiddelde waarde van de afgelopen jaren.

Beleidswijzigingen

Concrete invulling van het energiebeleid na 2023: Energieagenda

Op het uitbrengen van het Energierapport (TK, 31 510, nr. 50) in januari 2016 volgde een maatschappelijke Energiedialoog die de kaders uit het Energierapport heeft getoetst en nader ingevuld. Het Energierapport geeft een integrale en strategische visie op de energievoorziening in Nederland. Mede op basis van de Energiedialoog wordt in het najaar van 2016 een Energieagenda voor de langere termijn opgesteld, met daarin onder meer acties per energiefunctionaliteit (ruimteverwarming, proceswarmte in de industrie, vervoer, kracht en licht). Doel van de Energieagenda is een invulling van het energiebeleid na 2023. Hierbij wordt helder gemaakt welke stappen de komende jaren moeten worden gezet om concrete resultaten te bereiken richting 2030 en daarna. Ook wordt aangegeven op welke manier, en op welke terreinen, de dialoog wordt voortgezet. In 2017 zal gestart worden met de uitvoering van de acties uit de Energieagenda. Uitvoering van de concrete maatregelen uit zowel de Energieagenda als uit het eerder gesloten Energieakkoord dragen indirect ook bij aan de realisatie van de doelen die in het Akkoord van Parijs zijn afgesproken. Energiebeleid en klimaatbeleid worden zo veel mogelijk in samenhang bekeken en afgestemd. Hiermee wordt tevens bijgedragen aan de uitvoering van de duurzame ontwikkelingsdoelen (Sustainable Development Goals, SGDs), specifiek subdoel 7.2. De duurzame ontwikkelingsdoelen zijn op 25 september 2015 door alle lidstaten van de Verenigde Naties aangenomen. Daarbij zal aansluiting worden gezocht bij de relevante internationale allianties op het gebied van energietransitie.

Stevige inzet op Europese voorstellen klimaat- en energiedoelen en Energie Unie

De randvoorwaarden voor de energietransitie in Nederland en Europa worden in hoge mate bepaald door de Europese wetgevende voorstellen in het kader van de Energie Unie en de 2030 klimaat- en energiedoelen. Dat vraagt om een stevige inzet op de totstandkoming van de relevante Europese wetgeving en de nationale vertaling ervan.

In Europees verband zullen verder de speerpunten van het afgelopen Nederlandse voorzitterschap van de EU op het gebied van regionale samenwerking tussen lidstaten, zoals de samenwerking op de Noordzee, en het versterken van de interne energiemarkt worden voortgezet.

Energie-innovatie

Versterkte inzet op energie-innovatie is onmisbaar om de kansen die de energietransitie biedt te benutten en om CO2-reductie in onder meer de industrie mogelijk te maken. Nederland heeft zich op 1 juni 2016 kandidaat gesteld voor deelname aan Mission Innovation, een initiatief van 20 vooraanstaande industrielanden om de inzet en samenwerking op energie-innovatie te intensiveren met het oog op de klimaatdoelstellingen. Definitieve toetreding van Nederland is voorzien tijdens COP22 in Marrakech in november 2016. In 2017 zal onder meer het subsidiebudget voor de Demonstratieregeling Energie-innovatie (DEI) groeien naar € 41 mln.

Energiebesparing

Voor energiebesparing zal het ministerie verdere intensiveringen doorvoeren ten behoeve van de doelen uit het Energieakkoord. Er zal een energiebesparingsverplichting of een vergelijkbaar systeem worden ingevoerd voor energiebesparing in de gebouwde omgeving. Voor energiebesparing in de energie-intensieve industrie worden de afgesloten één op één afspraken met individuele bedrijven uitgevoerd en zal indien nodig aanvullend instrumentarium worden ingevoerd. Tevens wordt er actief ingezet op facilitering van energiebesparingsprojecten.

Mijnbouwwet

In 2016 is een aantal wijzigingen van de Mijnbouwwet voorzien (TK, 34 041, nr. 2, 34 348, nr. 2 en 34 390, nr. 2). Aanleiding hiervoor is een Europese richtlijn betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten (2013/30/EU) en het rapport van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid over de aardbevingsrisico’s in Groningen. Als gevolg van deze wetsvoorstellen en de maatschappelijke onrust over mijnbouw zullen de kosten voor het verlenen van vergunningen en de kosten van het toezicht door SodM toenemen. Ook de rol van de Mijnraad (wettelijk adviseur van de Minister) zal groter worden. Op grond van genoemde wetsvoorstel wordt het mogelijk om de kosten van vergunningverlening en een belangrijk deel van de kosten van het toezicht door SodM door te berekenen aan de mijnbouwbedrijven.

Uitvoering energieaudit

Grote ondernemingen dienen volgens de Energie Efficiency richtlijn iedere vier jaar een energie audit uit te voeren. Gemeenten en provincies (de bevoegde gezagen) zien toe op de uitvoering daarvan. Bij de implementatie van de richtlijn was onvoldoende zicht op de reikwijdte van de auditplicht, waardoor het uitvoeringsbudget voor bevoegde gezagen ontoereikend is gebleken om hun rol goed te kunnen vervullen. De uitvoeringslasten worden in de zomer 2016 op verzoek van EZ door een extern bureau onderzocht.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

VERPLICHTINGEN

6.494.697

16.953.890

13.472.436

448.241

452.041

417.041

347.901

Waarvan garantieverplichtingen

31.873

111.650

66.600

66.600

66.600

66.600

 

UITGAVEN

1.557.919

1.874.310

1.902.455

2.177.413

2.791.739

3.467.178

3.382.791

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

83%

       
               

Subsidies

1.347.519

1.619.564

1.663.412

1.952.896

2.571.422

3.246.313

3.170.513

Topsectoren Energie

– tenderregeling Energie-innovatie

– SDE+projecten

36.543

21.138

35.640

48.840

33.088

48.600

26.770

48.320

31.490

50.000

31.490

50.000

31.490

17.500

Energie-innovatie (IA)

17.300

17.998

2.368

2.368

2.368

2.368

2.368

Green Deal

1.809

11.479

3.000

500

500

500

500

Energieakkoord

– Demonstratie-regeling Energie Innovatie (DEI)

10.153

17.000

41.000

49.000

49.000

49.000

49.000

– Projecten Energieakkoord SER

478

3.853

4.089

       

MEP

362.995

278.022

187.847

54.991

47.025

40.025

 

SDE

218.303

664.025

613.605

626.059

657.151

659.142

663.831

SDE+

104.756

393.403

653.197

1.066.697

1.658.697

2.333.597

2.386.633

Storting in begrotingsreserve duurzame energie

503.423

           

ISDE-regeling

 

60.000

         

Compensatie Energie-intensieve bedrijven (ETS)

31.765

51.235

61.045

62.000

61.000

61.000

0

CCS

2.500

240

4.362

5.080

3.080

8.080

8.080

Regeling Sportaccommodaties

 

6.000

         

Hoge Flux Reactor

7.250

7.251

8.111

8.111

8.111

8.111

8.111

Elektrisch rijden

1.541

700

         

Caribisch Nederland

17.108

7.900

3.100

3.000

3.000

3.000

3.000

Overige subsidies

10.457

15.978

         
               

Garanties

1.922

1.800

2.500

4.700

4.700

4.700

 

Storting in begrotingsreserve Aardwarmte

1.922

1.800

2.500

4.700

4.700

4.700

 
               

Opdrachten

19.813

24.289

14.537

11.123

9.383

10.383

10.386

O&O bodembeheer

12.651

6.883

7.806

8.757

7.017

8.017

8.017

Joint implementation

252

516

410

       

Straling

50

20

46

46

46

46

46

Pallas

0

12.034

4.011

       

Onderzoek en opdrachten

6.860

4.836

2.264

2.320

2.320

2.320

2.323

               

Bijdragen aan agentschappen

41.805

45.693

44.819

38.456

35.996

35.996

32.693

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

40.168

43.961

43.099

36.738

34.278

34.278

30.975

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

681

698

690

687

687

687

687

KNMI

956

1.034

1.030

1.031

1.031

1.031

1.031

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

107.423

115.446

115.594

115.594

115.594

115.594

115.594

Doorsluis COVA heffing

106.074

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

TNO Bodembeheer

1.349

4.446

4.594

4.594

4.594

4.594

4.594

               

Bijdragen aan mede-overheden

   

28.000

28.000

28.000

28.000

28.000

Uitkoopregeling

   

28.000

28.000

28.000

28.000

28.000

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

39.437

67.518

33.593

26.644

26.644

26.192

25.605

ECN/NRG

38.819

66.392

32.236

25.587

25.587

25.135

24.548

Diverse instituten

618

1.126

1.357

1.057

1.057

1.057

1.057

               

ONTVANGSTEN

6.851.765

2.942.561

3.426.661

3.718.211

4.379.211

4.952.211

4.846.511

COVA

106.074

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

111.000

Opbrengst heffing ODE (SDE+)

278.861

494.000

678.000

1.074.000

1.730.000

2.308.000

2.280.000

Onttrekking begrotingsreserve duurzame energie

20.000

77.000

77.000

73.000

78.000

73.000

 

Aardgasbaten

6.424.910

2.250.000

2.550.000

2.450.000

2.450.000

2.450.000

2.450.000

Ontvangsten zoutwinning

2.342

2.511

2.511

2.511

2.511

2.511

2.511

Diverse ontvangsten

19.578

8.050

8.150

7.700

7.700

7.700

3.000

Budgetflexibiliteit

Subsidies: Van het totale subsidiebudget is 83% juridisch verplicht. Dit percentage is hoog als gevolg van uitfinanciering van tot en met 2016 aangegane verplichtingen, met name langlopende uitbetalingen op reeds afgegeven beschikkingen in het kader van de MEP/SDE en verplichtingen die in 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015 zijn aangegaan voor de SDE+. Omdat het resterende budget van de duurzame energieregelingen in de begrotingsreserve duurzame energie gestort zal worden, is het subsidiebudget weinig flexibel.

Opdrachten: Van het opdrachtenbudget is 98% juridisch verplicht. Het betreft uitfinanciering van in voorgaande jaren afgegeven beschikkingen, met name in het kader van Joint Implementation en Pallas.

Bijdragen aan agentschappen: Het budget betreft de financiering van de opdracht 2017 aan RVO.nl, NVWA en het KNMI en is 100% juridisch verplicht.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s: Op dit onderdeel is sprake van zeer beperkte budgetflexibiliteit, 97% van het budget is juridisch verplicht. Het betreft met name de doorsluis van de COVA-heffing op aardolieproducten, bedoeld voor het dekken van de kosten van het aanhouden van voorraden. Dit is gebaseerd op nationale en internationale wetgeving.

Bijdragen aan mede-overheden: het budget betreft de bijdrage van EZ aan de kosten van uitkoop van woningen die loodrecht onder hoogspanningsmasten staan. De regeling zal per 1 januari 2017 worden opengesteld en wordt door de betrokken gemeenten uitgevoerd. Het budget is daarmee nog niet juridisch verplicht, maar zeer beperkt flexibel.

Bijdragen (inter)nationale organisaties: Van het beschikbare budget voor (inter)nationale organisaties is 62% juridisch verplicht. De bijdrage aan ECN betreft een al langlopende gevestigde en op overeenkomsten gebaseerde subsidierelatie ten behoeve van energieonderzoek. Dit betekent dat er op dit onderdeel sprake is van enige budgetflexibiliteit, zij het beperkt op de korte termijn.

Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Topsector Energie

De Topsector Energie richt zich op de verduurzaming van de energievoorziening en de versterking van de toegevoegde waarde van de energiesector voor de Nederlandse economie. In samenwerking tussen de overheid, het bedrijfsleven en kennisinstellingen is ervoor gekozen om daarbij de focus te leggen op windenergie op zee, bio-energie, energie in de industrie, urban energy (combinatie van inpassing zonne-energie, energiebesparing in de gebouwde omgeving en intelligente netten) en (hernieuwbaar) gas. Daarnaast zet de Topsector Energie in op de inpassing van energie uit hernieuwbare bronnen in het energiesysteem en maatschappelijk verantwoord innoveren, zodat de innovaties aansluiten bij de gebruikersvoorkeuren. EZ stimuleert en ondersteunt energie-innovaties met de tenderregelingen voor de Topsector Energie en een speciaal voor innovatieprojecten afgezonderd deel van de SDE+ middelen. Deze laatste projecten richten zich op energie-innovaties die op termijn moeten leiden tot lagere SDE+ subsidies.

Het Topteam Energie ziet toe op het onderzoeks- en innovatieportfolio van de TKI’s en stuurt zo nodig bij.

Energie-innovatie (Innovatie Agenda Energie)

De Innovatie Agenda Energie is afgerond in 2015. De voor 2016 opgenomen bedragen betreffen alleen nog de uitfinanciering van verschillende subsidieregelingen op het gebied van energie-innovatie (Groene grondstoffen, Smart Grids, Nieuw gas, Wind op Zee, Unieke Kansen Regeling). Daarnaast financiert EZ projecten ter uitvoering van de Meerjarenafspraken Energie-efficiëntie (MJA-E), die gericht zijn op de realisatie van CO2-reductie en het behalen van de energiebesparingsdoelen in het Energieakkoord.

Kengetal

2012

2013

2014

2015

2016

Ambitie 2017

Aantal deelnemende bedrijven bij TKI

Bron: RVO.nl

3011

486

612

1.150

1.200

1.350

Kwaliteit van het Nederlandse energieonderzoek gemeten als retourpercentage van het Achtste EU kaderprogramma thema energie2

7,0%

6,8%

6,6%

7,2%

7,0%

7,0%

Noot 1: De oorspronkelijke waarde van 333 is bijgesteld naar 301. Oorzaken hiervoor waren: het terugtrekken van bedrijven uit samenwerkingsprojecten en goedgekeurde projecten die uiteindelijk niet zijn doorgegaan of waarvan de aanvraag is ingetrokken.

Noot 2: De cijfers betreffen cumulatieve cijfers vanaf de start van het zevende kaderprogramma in 2007.

Green Deal

Green Deals zijn gericht op het ruimte geven aan vernieuwende initiatieven uit de samenleving om de transitie naar een duurzame economie te versnellen. De Green Deal aanpak is sinds 2011 een onderdeel van het groene groei beleid van het kabinet. Ook in het Energieakkoord zijn de Green Deals als één van de instrumenten genoemd in het streven om tot een volledig duurzame energiehuishouding te komen. De onderwerpen van deze energiedeals zijn zeer divers, variërend van energiebesparing, warmtenetten, aardwarmte tot elektrisch vervoer. De deals hebben veelal een looptijd van drie jaar en zijn volop in uitvoering. Tot en met 2015 zijn er 110 Green Deals afgesloten met als (deel) thema energie: de verwachting is dat er in 2016 in totaal nog eens 10 nieuwe deals afgesloten worden. Vanaf 2017 is een beperkt budget beschikbaar voor Green Deals. Het zal dan alleen nog gaan om een kleine hoeveelheid procesgeld (€ 0,5 mln per jaar). Omdat daarnaast naar verwachting nog voor € 2,5 mln betalingen doorlopen in 2017 op Green Deals uit 2016 of eerder, heeft een overheveling van kasmiddelen uit 2016 plaats gevonden. Een compleet overzicht van Green Deals is te vinden op: http://www.greendeals.nl.

Energieakkoord

De Demonstratieregeling Energie-innovatie (DEI) komt voort uit het Energieakkoord en is gericht op versnelling van de commercialisering van energie-innovaties voor de export. De regeling draagt bij aan de ambitie om de economische waarde van de schone energie-technologieketen in 2020 te verviervoudigen ten opzichte van 2010. De regeling is in 2014 gestart. In 2015 is voor bijna € 34 mln aan subsidies verstrekt. In 2016 is de regeling op enkele punten aangepast om beter te voldoen aan de behoefte vanuit de markt en was het subsidiebudget € 37 mln, dit stijgt in 2017 naar € 41 mln. In de Nationale Energieverkenning (NEV) 2016 zal inzicht gegeven worden in de realisatie tot nu toe op weg naar de afgesproken ambitie naar 2020.

Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP) / Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE)

De voor 2017 en verder geraamde budgetten betreffen de uitfinanciering van verplichtingen die in het verleden in het kader van de subsidieregelingen Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP) en Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) zijn aangegaan. MEP-subsidie is verleend aan producenten van elektriciteit uit wind- en zonne-energie, waterkracht en biomassa. Projecten ontvangen MEP-subsidie tot aan het einde van de subsidietermijn. De MEP-subsidie geldt voor een periode van tien jaar. Aan het eind van de looptijd wordt de definitieve subsidie vastgesteld.

De SDE-regeling is de opvolger van de MEP. De SDE is een exploitatiesubsidie die het verschil vergoedt tussen de kostprijs van hernieuwbare energie en de marktprijs (de onrendabele top) voor projecten op het gebied van hernieuwbaar gas en hernieuwbare elektriciteit. De regeling is daarmee breder dan de MEP. Met ingang van 2011 is de SDE omgevormd en aangepast tot de SDE+.

Stimulering Duurzame Energieproductie+ (SDE+)

In het Energieakkoord voor duurzame energie is afgesproken dat Nederland in 2020 een aandeel van 14% hernieuwbare energieproductie heeft. Verder is afgesproken dat dit aandeel in 2023 16% zal zijn. Het belangrijkste instrument dat het kabinet heeft om dit te realiseren is de SDE+. De SDE+ richt zich op de opties hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas en hernieuwbare warmte en subsidieert het verschil tussen de kostprijs van hernieuwbare energie en de marktprijs, de zogenaamde onrendabele top. Doordat in de SDE+ goedkopere projecten voorrang hebben bij het verkrijgen van subsidie en er concurrentie is tussen verschillende vormen van hernieuwbare energie, zal op de meest kosteneffectieve wijze de productie van hernieuwbare energie worden gestimuleerd. De totale uitgaven zijn afhankelijk van de beschikbare projecten en de ontwikkeling van de energieprijs. Voor 2016 is voor de eerste tender Wind op zee een verplichtingenbedrag van € 2,3 mld toegezegd (de kavels I en II van het gebied Borssele). Een bedrag van € 5 mld is gereserveerd voor de tweede tender (kavels III en IV van Borssele). Voor de reguliere SDE+ is in 2016 een plafond van € 9 mld aangekondigd. Voor 2017 is in het budget naast het reguliere budget van € 8 mld rekening gehouden met opnieuw een tender Wind op zee van € 5 mld.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Duurzame energieproductie

4,5%

2013

16%

2023

CBS

Compensatie indirecte kosten ETS elektriciteitsgrootverbruikers

Door de introductie van het Europese Emissiehandelssysteem (ETS) wordt de CO2-prijs door de elektriciteitsproducenten aan de elektriciteitsgrootgebruikers doorberekend. Elektriciteitsgrootgebruikers die internationaal concurreren kunnen in veel gevallen die CO2-kosten (ook wel indirecte kosten genoemd) niet doorberekenen, omdat de concurrenten buiten de EU die kosten niet hebben. Naast verstoring van het gelijke speelveld leidt dit tot een CO2-weglekrisico (het verplaatsen van bedrijven met veel directe of indirecte CO2-uitstoot naar landen waar de uitstoot van CO2 geen prijs heeft). Voor de compensatie van de indirecte kosten in het kader van het ETS is in 2017 een bedrag beschikbaar van € 61 mln op de EZ-begroting.

Afvang en opslag van CO2

Om op de lange termijn te komen tot een volledig duurzame energievoorziening zal afvang, gebruik en opslag van CO2 (CCS) onvermijdelijk zijn. CCS kan worden toegepast bij de industrie en bij gas- en kolencentrales. De rijksoverheid heeft haar lange termijn visie op CCS verwerkt in het Energierapport 2015. EZ heeft eerder toegezegd € 150 mln aan cofinanciering bij te dragen aan het grootschalige CCS-demonstratieproject ROAD. Het gaat hierbij om het afvangen van CO2 bij de in april 2016 geopende Uniper-kolencentrale op de Tweede Maasvlakte die vervolgens buiten de kust in een (vrijwel) leeg gasveld wordt opgeslagen. Het oorspronkelijke plan van ROAD om CO2 op te slaan in het TAQA P18a-veld bleek financieel niet haalbaar. Een kleiner, maar dichterbij de kust gelegen veld van Oranje Nassau Energie (ONE) wordt nu onderzocht. De verwachting is dat de initiatiefnemers in de loop van 2016 een definitief investeringsbesluit zullen nemen. Naast EZ en de energieproducenten Uniper en Engie zijn ook de Europese Commissie, de gemeente Rotterdam en diverse Europese landen betrokken.

Regeling Sportaccommodaties

De subsidieregeling Energiebesparing en duurzame energie sportaccommodaties (EDS) richt zich op sportverenigingen en sportstichtingen. Het hiervoor beschikbare budget is afkomstig van het Ministerie van VWS. Jaarlijks bepaalt VWS welk bedrag naar EZ wordt overgeheveld voor de subsidieregeling. Het voor 2017 benodigde budget zal daarom bij Voorjaarsnota 2017 naar de begroting van EZ worden overgeheveld.

Hoge Flux Reactor (HFR)

De HFR in Petten is eigendom van de Europese Commissie en wordt geëxploiteerd door de Nuclear Research and consultancy Group (NRG). De exploitatie van de HFR wordt ondersteund door een reeks aanvullende onderzoeksprogramma’s. De voor de HFR opgenomen middelen betreffen de Nederlandse bijdrage aan het «aanvullend programma» van het Joint Research Centre van de Europese Commissie, dat in de HFR wordt uitgevoerd. Het voornaamste doel van het aanvullend onderzoeksprogramma van de HFR is een constante en betrouwbare neutronenflux voor experimentele doeleinden te leveren.

Caribisch Nederland

De kosten van energievoorziening op de eilanden van Caribisch Nederland zijn relatief hoog door de beperkte schaalgrootte, het insulair karakter en de sociaal-economische omstandigheden. De energiebedrijven van de BES-eilanden kunnen op basis van de wet Elektriciteit en Drinkwater BES een subsidie van het Ministerie van EZ ontvangen om de kosten van het netbeheer per aansluiting op hetzelfde niveau te brengen als het niveau in Europees Nederland. Daarnaast zet het Ministerie van EZ in op kostprijsverlaging door introductie van duurzame energie (zon, wind) op Saba en Sint Eustatius en verplaatsing en modernisering van de elektriciteitscentrale op Saba. De nieuwe centrale op Saba is in februari 2016 in gebruik genomen.

Overige subsidies

In het Energieakkoord en de Warmtevisie (TK, 30 196, nr. 305) zijn afspraken gemaakt over respectievelijk 1-op-1 afspraken met individuele bedrijven over investeringen in energiebesparing en restwarmteprojecten en ondersteuning van regionale (rest)warmteprojecten in de startfase. Tot op heden zijn slechts enkele concrete afspraken over projecten met deze bedrijven gemaakt, waardoor het halen van de doelstelling van het energieakkoord (9 PJ extra energiebesparing in 2020) onder druk komt te staan. Ook regionale (rest)warmteprojecten zijn nog in ontwikkeling. EZ zal op basis van de door bedrijven ingediende projecten voor 1-op-1 afspraken en de initiatieven voor regionale (rest)warmteprojecten helpen de knelpunten van deze projecten te lossen. Het oplossen van knelpunten kan onder andere gericht zijn op het verlagen van de kosten voor het uitwerken van de business case en het ondervangen van (technische) risico’s. Het hiervoor beschikbare budget in 2016 is € 15 mln.

Daarnaast vindt in 2016 alleen nog uitfinanciering plaats van verplichtingen van reeds beëindigde energie-innovatie programma’s, met name op het gebied van transitiemanagement.

Garanties

Aardwarmte

Aardwarmte of geothermie betreft het winnen van warmte uit diepe aardlagen. Het potentieel van aardwarmte is 11 petajoule (PJ) in 2020. Het ontbreken van een (betaalbare) verzekering is een belangrijk knelpunt voor de toepassing van aardwarmte. De garantieregeling aardwarmte heeft als doel het afdekken van het risico dat het boren van putten voor de toepassing van aardwarmte niet succesvol is. De overheid dekt dit risico af door middel van het verlenen van garanties aan marktpartijen die hiervoor een kostendekkende premie betalen. In 2016 is de garantieregeling geëvalueerd (TK, 31 239, nr. 220). Uit de evaluatie blijkt dat het marktfalen in de commerciële verkrijgbaarheid van geologische risicoafdekking nog steeds bestaat (terwijl tegelijkertijd afdekken van dit risico een voorwaarde is voor financiering) en dat er momenteel geen partijen in de markt zijn te vinden die bereid zijn dit verzekeringsrisico af te dekken. Met ingang van 2016 zal de garantieregeling voor en periode van vijf jaar opnieuw worden opengesteld.

Opdrachten

Onderzoek en opdrachten bodembeheer

Dit budget betreft (onderzoeks)opdrachten van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM), de Technische commissie bodembeweging (Tcbb) en de Commissie MER gerelateerd aan de aardbevingsproblematiek in Groningen en de mijnbouwproblematiek in Limburg, het Kennisprogramma Effecten Mijnbouw en de organisatiekosten van de Mijnraad en de Tcbb. Ook worden uit dit budget adviezen bekostigd in het kader van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO).

Joint implementation

De Joint Implementation aankoopprogramma’s die gericht waren op het aankopen van CO2-rechten voor het door Nederland nakomen van de Kyoto-doelstelling zijn afgesloten. Voor een aantal van de in de programma’s gesteunde projecten lopen nog enkele financiële verplichtingen.

Pallas

Het kabinet en de provincie Noord-Holland investeren elk maximaal € 40 mln in de vorm van een lening in de eerste fase van het Pallas-project met als doel de realisatie van een nieuwe onderzoeksreactor in Petten in 2024. Deze bijdrage in de periode 2013–2018 is bedoeld voor de aanbesteding van het ontwerp, de vergunningprocedure en het verkrijgen van de benodigde financiering op basis van een geactualiseerde business case. Uitgangspunt van het kabinet is dat de bouw en exploitatie van de reactor met privaat en risicodragend kapitaal wordt gefinancierd, waarbij de gemaakte kosten voor ontwerp, aanbesteding en vergunningprocedure moeten worden terugbetaald.

Voor deze voorbereidende activiteiten ten behoeve van de onderzoeksreactor is in 2013 de onafhankelijke Stichting Voorbereiding Pallas-reactor opgericht. In 2015 heeft de Stichting Voorbereiding Pallas-reactor de eerste vergunningen aangevraagd en zijn de eerste stappen gezet in de aanbestedingsprocedure. Het kabinet en de provincie Noord-Holland zullen de beslissing over verdere uitbetaling van de toegezegde lening nemen mede in het licht van concrete belangstelling voor Pallas van potentiële investeerders en exploitanten.

Overige onderzoeken en opdrachten

Dit betreft kleinere onderzoeksopdrachten die dienen ter ondersteuning van het energiebeleid en die veelal gericht zijn op beantwoording van één specifieke vraag. Ook worden diverse uitgaven ter uitvoering van de Rijkscoördinatieregeling (RCR) uit dit budget bekostigd, zoals het ondersteunen van Rijksinpassingsplannen, opstellen MER-adviezen ten aanzien van kavelbesluiten, het opstellen en uitvoeren van communicatieplannen en het inschakelen van gebiedscoördinatoren en planschadeadviseurs.

Bijdrage aan agentschappen

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

Dit budget betreft vooral de kosten van uitvoering door RVO.nl van energiesubsidieregelingen, waaronder Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP) en Stimulering Duurzame Energieproductie(+) (SDE/SDE+). Voor een klein deel heeft het budget betrekking op voorbereidende en ondersteunende werkzaamheden van RVO.nl op het gebied van het energiebeleid.

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

NVWA voert het toezicht uit op de naleving van de Wet Implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie. De werkzaamheden van NVWA in dat kader betreffen het uitvoeren van inspecties en producttesten, het onderhouden van internationale contacten, interventies bij niet-naleving, het volgen van marktontwikkelingen en het geven van voorlichting. Het budget betreft de kosten van uitvoering van deze werkzaamheden, alsmede de kosten van aanschaf van te testen apparatuur.

Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI)

De werkzaamheden die het KNMI voor EZ uitvoert betreffen vooral de advisering en ondersteuning inzake de uitvoering van het mijnbouw- en energiebeleid. De werkzaamheden zijn onder te verdelen in monitoring van seismiciteit (veelvuldigheid en hevigheid waarmee op een bepaalde plaats aardbevingen voorkomen) van de gaswinning en overige mijnbouwactiviteiten, kennisontwikkeling en advisering over aan mijnbouw gerelateerde risico’s en communicatie en informatievoorziening.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Doorsluis Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) heffing

Het crisisbeleid gericht op de olievoorzieningszekerheid dient verstoringen in de olieaanvoer op te vangen. De Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten (COVA) en het oliebedrijfsleven houden in opdracht van EZ strategische olievoorraden aan in lijn met hetgeen hierover geregeld is in de Wet voorraadvorming aardolieproducten (Wva) 2012. De uitgavenreeks op de EZ-begroting betreft de doorsluis van de ontvangen voorraadheffingen naar de COVA. De voorraadheffing is een heffing ingesteld op aan accijns van minerale oliën onderworpen aardolieproducten. De heffing bedraagt momenteel € 8,– per 1.000 liter benzine en diesel en wordt door de Minister van Financiën geheven en ingevorderd door de Belastingdienst. De Minister van EZ keert de opbrengst van de heffing uit aan de stichting COVA ter dekking van de operationele kosten en financieringslasten van de COVA.

TNO Bodembeheer

Dit betreft een bijdrage aan TNO-AGE voor de adviestaak voortvloeiend uit de Mijnbouwwet en Mijnbouwregeling. De adviserende taak ligt op het vlak van het opsporen en winnen van delfstoffen (olie, gas en steenzout) en aardwarmte en van het opslaan van stoffen in de (diepe) ondergrond van Nederland.

Bijdragen aan medeoverheden

Uitkoopregeling

Woningen die loodrecht onder de hoogspanningslijnen staan van 220 en 380 kV verbindingen en 110 en 150 kV verbindingen buiten de bevolkingskernen, komen in aanmerking voor uitkoop. Het Rijk stelt vanaf 2017 jaarlijks € 28 mln in de periode 2017–2021 beschikbaar voor een vrijwillige uitkoopregeling onder de voorwaarde dat de betrokken gemeenten zorgen voor verwijderen van de woonfunctie van het betreffende pand. De regeling wordt samen met de betrokken gemeenten uitgewerkt en heeft een looptijd van vijf jaar (TK, 31 574, nr. 29). Uitvoering zal door de betrokken gemeenten plaatsvinden. De ministeriële regeling zal naar verwachting in oktober 2016 conform toezegging ter informatie naar de Tweede Kamer gezonden worden.

Het Rijk maakt het daarnaast naar verwachting in 2017 via een specifieke uitkering mogelijk om 140 kilometer aan bestaande hoogspanningslijnen van 50, 110 en 150 kV binnen bevolkingskernen gedeeltelijk onder de grond te brengen (verkabelen) of de tracés te verplaatsen. Dit vergt aanpassing van de Elektriciteitswet 1998. Verkabeling of verplaatsing gebeurt alleen op verzoek van de gemeente en/of de provincie. In geval een gemeente en/of provincie een dergelijk verzoek indient zal zij een deel van de kosten zelf dienen te betalen, de overige kosten worden gedekt uit de transporttarieven voor elektriciteit.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Energie Onderzoekcentrum Nederland (ECN)/Nuclear Research and consultancy Group (NRG)

ECN ontwikkelt hoogwaardige kennis en technologie voor een efficiënte en duurzame energievoorziening en brengt deze naar de markt. Het onderzoeksprogramma van ECN wordt in overleg met de Topsector Energie vormgegeven. Daarnaast ondersteunt ECN de ontwikkeling en uitvoering van energiebeleid. Voor NRG, dat onderdeel is van ECN, betreft het onderzoeksactiviteiten op het gebied van onder meer de nucleaire veiligheid, radioactief afval, stralingsbescherming en CO2-neutrale energievoorziening. Centraal daarbij staat de ontwikkeling van kennis, producten en processen voor veilige toepassing van nucleaire technologie voor energie, milieu en gezondheid. Met het oog op de financiële situatie bij de Stichting ECN is het uitgangspunt om eind september 2016 een beslissing te nemen over de toekomst van zowel de duurzame als de nucleaire activiteiten (TK, 30 196, nr. 465).

Internationale energieorganisaties

Nederland kiest voor een actieve participatie in met name de internationale netwerken van het IEA (kennissamenwerking en oliecrisisbeleid), het International Renewable Energy Agency (IRENA, hernieuwbare energie) en het Energy Charter (investeringsbescherming en energietransit). De contributies volgen uit de aangegane internationale verplichtingen en komen overeen met de contributies in 2016. Daarnaast wordt binnen de bestaande begrotingsruimte vanuit EZ een bijdrage ter beschikking gesteld van maximaal € 0,8 mln in 2016–2017 voor de Expo 2017 in Kazachstan, met het thema Future Energy. Daarnaast ontvangt het Clingendael International Energy Programme jaarlijks € 50.000 subsidie voor het uitvoeren van publieke activiteiten ter ondersteuning van de maatschappelijke discussie over internationale ontwikkelingen in de energiesector.

Indicator: klanttevredenheid en kennisbenutting

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Streefwaarde

Planning

Bron

Klanttevredenheid ECN

8,6

2014

8,4

2017

ECN

Kennisbenutting ECN

96%

2015

96%

2017

ECN

In 2015 zijn alle TO2-instituten (waaronder ECN) overgegaan op een nieuwe, uniforme methode voor het meten van klanttevredenheid en kennisbenutting. De scores in bovenstaande tabel geven de gerealiseerde waarden van klanttevredenheid en kennisbenutting voor al het onderzoek dat ECN in opdracht uitvoert Over 2014 is al wel een uniforme meting van klanttevredenheid uitgevoerd, daarop is de referentiewaarde voor klanttevredenheid gebaseerd. In 2015 is voor het eerst ook kennisbenutting uniform gemeten, dit vormt de basis voor de referentiewaarde van kennisbenutting.

Toelichting op de ontvangsten

COVA

Deze ontvangsten betreffen ontvangsten uit hoofde van de voorraadheffing COVA, zoals toegelicht bij de uitgavenpost «Doorsluis COVA heffing».

Opbrengst heffing ODE (SDE+)

De uitgaven van de SDE+ subsidie worden gefinancierd via een opslag op de energierekening, de Opslag Duurzame Energie (ODE). Deze opslag is in 2013 ingevoerd.

Aardgasbaten

Het kabinet heeft besloten om het productieniveau voor de gaswinning uit het Groningenveld in het ontwerp-instemmingsbesluit vast te stellen op 24 miljard m3 per jaar, met ruimte voor meer winning bij een winter die kouder is dan gemiddeld vanwege de leveringszekerheid. Het kabinet heeft de Tweede Kamer hierover op 24 juni jl. geïnformeerd (TK, 33 529, nr. 278). Het ontwerp-instemmingsbesluit lag gedurende juli en augustus voor een periode van zes weken ter inzage, zodat eenieder een zienswijze kon indienen. Deze zienswijzen worden betrokken bij de totstandkoming van het definitieve instemmingsbesluit dat voor 1 oktober 2016 zal worden genomen. In de raming van de aardgasbaten wordt vooruitlopend op het besluit reeds uitgegaan van een productie van 24 miljard m3 per jaar.

Als gevolg van de verlaging van de gasproductie en de verwachte lagere gasprijs zullen de gasbaten in 2016 en 2017 aanzienlijk lager uitvallen dan in 2015. De raming van de aardgasbaten voor 2016 en verder is gebaseerd op het meest recente scenario van het CPB.

Verwachting 2016–2017

2016

2017

Productie aardgas totaal (in Groningen equivalenten)

50

44

Euro/dollarkoers

1,11

1,11

Olieprijs (dollar/vat)

42

51

Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

14

17

Kengetallen

2012

2013

2014

2015

1. Gewonnen volume aardgas kleine velden (in Nm3)

Bron: TNO

26 mld Nm3

26 mld Nm3

24 mld Nm3

22 mld Nm3

2. Aantal boringen exploratie onshore en offshore

Bron: TNO

16

9

21

16

3. Aantal boringen productie onshore en offshore

Bron: TNO

19

18

32

17

4. Productie aardgas totaal (in Nm3)

Bron: TNO

74 mld Nm3

80 mld Nm3

66 mld Nm3

50 mld Nm3

5. Euro/dollarkoers

Bron: CBS/CPB

1,28

1,33

1,33

1,11

6. Olieprijs (dollar/vat) Bron: CBS/CPB

111,7

108,7

101,4

52,5

7. Beursprijs van TTF-gas (eurocent/ m3)

Bron: APX Endex

24,0

26,0

21,3

19,8

  • 1 t/m 4  In het kader van voorzieningszekerheid is het van belang dat het aardgas dat zich bevindt in de Nederlandse kleine velden ook wordt gewonnen. Dit omvat zowel het produceren van reeds ontdekte velden (kengetal 1, 3 en 4) als het exploreren van nieuwe velden (kengetal 2). EZ stelt de randvoorwaarden voor een concurrerend mijnbouwklimaat: marktpartijen nemen de productie en exploratie voor hun rekening. Kengetal 1 geeft de totale hoeveelheid gewonnen gas uit kleine velden (onshore en offshore). Kengetal 4 geeft de totale aardgasproductie in Nederland weer in Normaal m3, dus aardgas gewonnen uit kleine velden en het Groningerveld.
  • 5 t/m 7  De bepalende factoren voor de geraamde aardgasbaten zijn de aardgasprijs en het volume van de verkopen. De aardgasprijs is gerelateerd aan enerzijds de prijs van olie in dollars in combinatie met de euro/dollarkoers en anderzijds aan de prijs van gas die onafhankelijk van de olieprijs op de markt tot stand komt op onder andere gasbeurzen.

Toelichting op de begrotingsreserves

Stand begrotingsreserve per 31 december 2015 (x € 1.000)
   

Waarvan juridisch verplicht

Begrotingsreserve duurzame energie

1.077.786

63%

Begrotingsreserve Aardwarmte

21.959

100%

Begrotingsreserve ECN verstrekte leningen

6.600

0%

Duurzame energie

De begrotingsreserve voor duurzame energie is bestemd voor onbesteed gebleven middelen als gevolg van vertraging bij of het niet doorgaan van projecten waaraan subsidie is toegekend op basis van de MEP, de SDE of de SDE+. Via de reserve blijven deze middelen ook in de toekomst beschikbaar voor het stimuleren van hernieuwbare energieproductie. Afgesproken is dat de werking van de reserve in 2016 zal worden geëvalueerd. De afspraken over en de werking van de begrotingsreserve Duurzame Energie zijn het meest recent toegelicht in de volgende stukken:

  • •  TK, 31 865, nr. 79: Brief van Minister van EZ van 25 maart 2016 inzake het behouden van de middelen van de reserve.
  • •  TK, 32 239, nr. 218: Brief van Minister van EZ van 1 juli 2016 inzake voor- en nadelen fondsvorming en specificaties begrotingsreserve duurzame energie, waaronder een toelichting op het aandeel «juridisch verplicht».

Gegeven de gebleken informatiebehoefte van de Tweede Kamer is in de brief van 1 juli 2016 aangekondigd dat de Tweede Kamer periodiek geïnformeerd zal worden over de ontwikkeling van de begrotingsreserve en de beschikbare financiële middelen. Het voornemen is om in de begrotingsstukken met een vaste set van tabellen te voorzien in deze informatiebehoefte. Dit met de kanttekening dat de Tweede Kamer aanvullend specifiek geïnformeerd blijft worden over de gang en stand van zaken bij de duurzame energieproductie in de brieven over de nieuwe openstellingen van de SDE+ die EZ jaarlijks aan de Tweede Kamer stuurt.

A – Specificatie van begrotingsreserve Duurzame Energie en percentage juridisch verplicht

Specificatie begrotingsreserve Duurzame Energie (x € 1 mln)
 

2013

2014

2015

Totaal

Juridisch verplicht

MEP (algemene middelen)

23

16

2

41

100%

SDE (algemene middelen)

143

220

297

660

100%

Tijdelijke onttrekking (MEP/SDE)

   

– 20

– 20

 

SDE+ (ODE gefinancierd)

59

134

204

397

0%

Totaal

225

369

483

1.078

63%

Eind 2015 bedraagt de stand van de reserve € 1.078 mln. Daarvan is 63% juridisch verplicht (€ 701 mln MEP en SDE, minus de tijdelijke onttrekking van € 20 mln). Bij de huidige inzichten is de in de meerjarencijfers beschikbare uitgavenruimte toereikend voor de kasuitloop van de afgegeven beschikkingen, zodat er in de komende jaren geen beroep gedaan hoeft te worden op de begrotingsreserve. Uitgaande van de huidige ramingen zullen er minimaal tot en met 2020 toevoegingen aan de reserve plaatsvinden.

B – Overzicht met geraamd verloop van de begrotingsreserve Duurzame Energie

Overzicht geraamd verloop begrotingsreserve Duurzame Energie (x € 1 mln)

2016

2017

Stand per 01.01

Verwachte toevoegingen

Verwachte onttrekkingen

Verwachte stand per 01.01

Verwachte toevoegingen

Verwachte onttrekkingen

Verwachte stand per 31.12

1.078

460

77

1.461

285

77

1.669

Zoals aangegeven in de suppletoire begroting EZ naar aanleiding van de Voorjaarsnota (TK, 34 485 XIII, nr. 2, blz. 16), wordt voor 2016 een toevoeging aan de reserve geraamd van € 460 mln.

Dit betreft het saldo van hogere uitgaven MEP (+ € 11 mln) en lagere uitgaven SDE (-/- € 230 mln) en SDE+ (-/- € 241 mln). De geraamde toevoegingen in 2017 bestaan uit lagere uitgaven MEP (-/- € 27 mln) en SDE+ (-/- € 258 mln). De verwachte onttrekkingen betreffen de 2016 en 2017 tranches van de tijdelijke onttrekking aan de begrotingsreserve die bij de behandeling van de Voorjaarsnota 2015 aan de orde is geweest (zie hiervoor onder meer het antwoord op vraag 5 en 6 in TK, 34 210 XIII, nr. 4, blz. 5–7).

Met de brief van 25 maart jl. (TK, 31 865, nr. 79, blz. 2) is uiteengezet dat een nieuw kabinet, bij het vaststellen van een nieuw uitgavenkader, de op dat moment in de begrotingsreserve opgebouwde middelen kan overboeken naar de nieuwe begroting en de meerjarencijfers op basis van de dan actuele inzichten. De in het overzicht gegeven stand per eind 2017 is de stand als het volgende kabinet besluit om niet over te gaan tot die overboeking.

C – Reeds verplicht, prognose kasuitloop en meerjarig beschikbare middelen

Beschikbare middelen (x € 1 mln)
 

MEP

SDE

SDE+

Totaal

Meerjarencijfers 2016 t/m 2032

608

8.064

31.384

40.056

Begrotingsreserve Duurzame Energie

41

640

397

1.078

Totaal beschikbaar

649

8.704

31.781

41.134

Beschikt en restant verplicht (x € 1 mln)
 

MEP

SDE

SDE+

Totaal

Afgegeven beschikkingen t/m 2015

9.676

10.396

13.251

33.323

Waarvan nog openstaande juridische verplichtingen 01/01/2016

1.249

8.680

11.237

21.166

         

Prognose kasuitloop 2016 e.v.

461

7.329

4.434

12.224

Inclusief de middelen uit de begrotingsreserve is er in de meerjarencijfers € 41,1 mld beschikbaar voor uitgaven. Deze beschikbare middelen zijn gebaseerd op de raming bij Energieakkoord van de benodigde kasmiddelen voor de doelstellingen van 14% duurzame energie in 2020 en 16% in 2023. Van het totaal aan tot en met 2015 afgegeven beschikkingen (€ 33,3 mld), staat na uitgaven en intrekkingen op de afgegeven beschikkingen eind 2015 nog € 21,2 mld open. De huidige prognose is dat hier nog € 12,2 mld op uitbetaald moet worden vanaf 2016. Dit bedrag is lager dan de beschikking omdat de beschikking uitgaat van het maximaal subsidiabele bedrag, terwijl de prognose een realistische raming van nog uit te betalen bedragen betreft.

D – Indicatie van ruimte voor nieuwe beschikkingen

Indicatie van ruimte voor beschikkingen vanaf 2016 e.v.

   

1 – Totaal beschikbaar (incl. begrotingsreserve)

     

41.134

2 – Prognose kasuitloop 2016 e.v.

     

12.224

3 – Beschikbare kas voor aan te gane verplichtingen 2016 e.v. (1–2)

28.910

4 – Indicatieve ruimte voor budgetpublicatie (grove benadering):

 

uitgaande van kasbeslag 50–60%

 

€ 48–58 mld

 

Uitgaande van de meerjarig beschikbare middelen (€ 41,1 mld) en de prognose van de kasuitloop van bestaande verplichtingen (€ 12,2 mld) is er € 28,9 mld beschikbaar voor uitgaven op nieuwe beschikkingen die met ingang van 2016 afgegeven worden. Naar de huidige inzichten (uit de NEV 2015) zijn al deze resterende beschikbare kasmiddelen nodig om de doelstellingen uit het Energieakkoord door duurzame energie te halen. De beschikbare middelen binnen MEP en SDE vanwege uitgevallen projecten worden hierbij opnieuw ingezet onder de SDE+ regeling. Per jaar wordt bezien of, en hoeveel, verplichtingenruimte wordt opengesteld voor nieuwe SDE+ subsidiebeschikkingen voor het komende jaar.

Uitgaande van een mede op ervaringsgegevens gebaseerde kasuitloop op afgegeven beschikkingen van 50 à 60%, kan als indicatie gelden dat er vanaf 2016 tot en met 2019 voor circa € 50 à € 60 mld aan maximale verplichtingenruimte is om nieuwe beschikkingen af te geven.

Aardwarmte

De begrotingsreserve voor de garantieregeling Aardwarmte is bedoeld om het budget voor het mogelijk uitbetalen van verliesdeclaraties meerjarig in te kunnen zetten en een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten (premies) en uitgaven (verliesdeclaraties) op te vangen. Om gebruik te kunnen maken van de garantieregeling Aardwarmte betalen marktpartijen een kostendekkende premie aan de uitvoerder van de regeling (RVO.nl) die wordt gestort in de begrotingsreserve. Het uitstaande bedrag aan garanties bedroeg per 1 januari 2016 € 66,7 mln. Omdat het hier om omvangrijke garanties gaat (maximaal € 12,75 mln per project) is in 2014 een extra storting in de reserve gedaan van ruim € 9 mln. Uit het toetsingskader van de garantieregeling aardwarmte blijkt dat, gelet op het risicoprofiel van de aardwarmtegaranties (tussen de 1,4% bij volledige en 7,6% bij gedeeltelijke mislukking) de huidige omvang van de begrotingsreserve samen met de over de verstrekte garanties te ontvangen provisies (7%) benodigd is om de komende jaren een gemiddeld garantieplafond van € 66,6 mln per jaar mogelijk te maken. Gelet op de uitstaande garanties en het genoemde risicoprofiel is de gehele reserve benodigd om mogelijke verliesdeclaraties op te kunnen vangen en is daarmee voor 100% inflexibel.

ECN

De middelen in de begrotingsreserve risicopremie ECN/NRG zullen worden aangesproken als ECN – al dan niet tijdelijk – (gedeeltelijk) niet kan voldoen aan de terugbetalingsverplichtingen volgens de afgesloten leningsovereenkomst. Deze reserve betreft uitsluitend een zekerstelling binnen de rijksbegroting. Derden kunnen geen beroep op deze middelen doen en daarmee zijn de middelen op deze reserve niet juridisch verplicht.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2016

2017

Energie-investeringsaftrek (EIA)

161

176

Lokaal opgewekte duurzame energie

0

0

De energie-investeringsaftrek (EIA) heeft tot doel om de investeringen in energiebesparende maatregelen te stimuleren. Op grond van deze regeling wordt een extra aftrek op de fiscale winst verleend voor door de Minister van EZ aangewezen investeringen in nieuwe energiebesparende bedrijfsmiddelen. De aftrek geldt tevens voor de kosten van advies over energiebesparende maatregelen in gebouwen of bij processen. Uit het Jaarverslag EIA 2015 blijkt dat er in 2015 aftrek is aangevraagd voor € 1,37 mld aan energiezuinige investeringen. Het totaal verwachte fiscale voordeel voor de bedrijven in 2015 bedraagt ongeveer € 107 mln. In 2017 wordt eenmalig € 15 mln toegevoegd aan het EIA-budget, waarmee het totale budget op € 176 mln uitkomt. Hiermee kunnen de besparingsnormen in de EIA worden verruimd ten gunste van industriële bedrijven en komen bijvoorbeeld ook investeringen met een langere terugverdientijd (12 jaar in plaats van 8 jaar) in aanmerking voor de EIA.

Een toelichting op de fiscale instrumenten is opgenomen in bijlage 5 van de Miljoenennota (Belastinguitgaven en Inkomstenbeperkende regelingen).

Overzicht maatregelen ten behoeve van het Energieakkoord

Conform de motie Leegte (TK, 30 196, nr. 278) is onderstaand een totaaloverzicht opgenomen van alle maatregelen van alle ministeries ten behoeve van het Energieakkoord. De maatregelen zijn gegroepeerd op basis van de doelstelling uit het Energieakkoord waaraan de maatregelen het meest direct bijdragen. Veel maatregelen dragen echter bij aan meerdere doelen.

In de begrotingen van Infrastructuur en Milieu en van Wonen en Rijksdienst zijn verwijzingen naar dit totaaloverzicht opgenomen. De betreffende maatregelen die op deze begrotingen staan zijn in onderstaand overzicht opgenomen. Achter de maatregelen in dit overzicht wordt aangegeven op welke begroting en beleidsartikel de maatregelen feitelijk staan.

De budgettaire gevolgen van het Energieakkoord zijn als bijlage bij de aanbiedingsbrief van het Energieakkoord gevoegd (TK, 30 196, nr. 202). Hierin zijn ook de fiscale maatregelen vermeld die onderdeel vormen van het Energieakkoord. De budgettaire gevolgen van deze aanpassingen zijn niet veranderd ten opzichte van het afsluiten van het Energieakkoord. Deze aanpassingen zijn derhalve niet meegenomen in dit overzicht en worden ook niet apart vermeld in de begroting van Financiën (IX).

Uitgaven x € 1.000
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

ENERGIEBESPARING

             

MJA3 / MEE (EZ, art. 4)

3.061

4.277

2.368

2.368

2.368

2.368

2.368

EIA (FIN, fiscaal)

106.000

161.000

161.000

161.000

161.000

161.000

161.000

Compensatie indirecte kosten ETS (EZ, art. 4)

31.765

51.235

61.045

62.000

61.000

61.000

0

Duurzame warmte (EZ,art 4)

 

15.000

         

Demo Schoon en Zuinig (EZ, art. 6)

911

           

Innovatieagenda Energie (EZ, art. 6)

640

649

2.105

3.108

2.908

2.908

2.908

Marktintroductie energie innovaties (MEI) (EZ, art. 6)

4.768

2.989

789

4.535

5.539

5.539

5.539

Investeringsregeling Energiebesparing (IRE) / Investeringsregeling Milieuvriendelijke Maatregelen (IMM) (EZ, art. 6)

3.275

12.100

7.100

400

1.400

5.400

5.400

Wet Milieubeheer energiebesparing (IenM, art. 19)

3.888

3.982

         

Openbare verlichting decentrale overheden (IenM, art. 19)

17

           

Revolverend fonds EGO (WenR, art. 2)

 

35.000

         

Bijdragen aan agentschappen (WenR, art. 2)

11.745

7.500

5.000

2.500

2.000

500

500

Energiebesparing verhuurders, inclusief uitvoering (WenR, art. 2)

0

1.100

200

197.420

200.370

   

Beleidsprogramma Energiebesparing (Subsidies en opdrachten) (WenR, art. 2)

5.000

4.000

1.000

       

Revolverend fonds Energiebesparing verhuurders (WenR, art. 2)

 

72.800

         

Energiebesparing Koopsector (WenR, art. 2)

 

19.700

35.800

26.500

     
               

HERNIEUWBARE ENERGIE

             

MEP (EZ, art. 4)

362.995

278.022

187.847

54.991

47.025

40.025

 

SDE/SDE+ (EZ, art.4)

323.059

1.057.428

1.266.802

1.692.756

2.315.848

2.992.739

3.050.464

Storting in begrotingsreserve duurzame energie (EZ, art. 4)

503.423

           

Storting in begrotingsreserve

Garantieregeling Aardwarmte (EZ, art. 4)

1.922

1.800

2.500

4.700

4.700

4.700

 

InvesteringsSubsidie Duurzame Energie (EZ, art.4)

 

60.000

         
               

ENERGIE-INNOVATIE

             

Topsector Energie (EZ, art. 4)

36.516

35.600

33.088

26.770

31.490

31.490

31.490

Demonstratieregeling Energie-innovaties (EZ, art. 4)

10.153

17.000

41.000

49.000

49.000

49.000

49.000

Innovatiemiddelen SDE+ (EZ, art. 4)

21.138

48.840

48.600

48.320

50.000

50.000

17.500

               

MOBILITEIT

             

Elektrisch rijden (EZ, art. 4)

1.541

700

         

Lean and Green Personal Mobility (IenM, art. 14)

540

93

         

Meerjaren bewustwordingscampagne «Hopper» (IenM, art. 14)

50

 

35

       

Organisatiekosten Green Deal Autodelen (IenM, art. 14)

60

           

Campagne veilige, zuinige, stille banden op spanning (IenM, art. 19)

112

98

         
               

OVERIGE

             

Bijdrage RVO.nl uitvoeringslasten Energieakkoord (EZ, art. 4)

5.200

5.200

5.200

       

Uitvoeringskosten Revolverend Fonds Energiebesparing Verhuurders (RVO.nl) (WenR, art. 2)

353

450

403

403

403

   

Beleidsprogramma Energiebesparing (Subsidies en opdrachten) (WenR, art. 2)

8.443

4.760

3.000

2.500

2.400

2.398

2.398

5 Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen

Algemene doelstelling

Het scheppen van voorwaarden voor een aardbevingsbestendig en kansrijk Groningen.

Om deze doelstelling te bereiken zorgt de Nationaal Coördinator Groningen in dialoog met alle maatschappelijke en bestuurlijke stakeholders voor een planmatige en daadkrachtige regie en sturing op een duurzame versterking en vernieuwing van het aardbevingsgebied, opdat deze regio weer veilig wordt en sterker dan ooit een nieuwe balans vindt tussen gaswinning en een versterkte gebiedsidentiteit en gebiedskwaliteit met nieuwe economische kansen en een leefbare en aantrekkelijke woon-, werk en leefomgeving.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is op grond van de Mijnbouwwet verantwoordelijk voor de gaswinning. De gaswinning in Groningen grijpt diep in op het dagelijkse leven van inwoners in het gebied, met name in het gebied waar zich frequent aardbevingen voordoen. Voor het kabinet staat de veiligheid van inwoners voorop. Naast een beperking van de gaswinning, is gekozen voor een brede flankerende aanpak die zich richt op de veiligheid (schadeherstel), het (preventief) versterken van woningen en gebouwen en het gelijktijdig investeren in de leefbaarheid, economie en duurzaamheid. De opgave in Groningen is een nationale opgave van de NAM, regio en Rijk, waarbij wordt gezocht hoe Rijksopgaven en Rijksambities verbonden kunnen worden aan regionale opgaven en regionale ambities.

De gezamenlijke opgave heeft als eerste geresulteerd in het bestuursakkoord «Vertrouwen op herstel en herstel van vertrouwen» (TK, 33 529, nr. 28) en in de aanvulling daarop (TK, 33529, nr. 96, TK, 33 529, nr. 98). De afspraken in deze bestuursakkoorden zien mede op de intensivering, verbreding en versnelling van de inzet van betrokken overheden door middel van publieke regie in de vorm van een Nationaal Coördinator Groningen (NCG).

De NCG valt conform het Instellingsbesluit onder de verantwoordelijkheid van de Minister van EZ als coördinerend Minister (Staatscourant, nr. 12511). De NCG is belast met het bevorderen van de uitvoering van het meerjarenprogramma aardbevingsbestendig en kansrijk Groningen (bijlage bij TK, 33 529, nr. 212). De NCG voert de volgende taken uit:

Stimuleren

  • •  Het in samenhang bevorderen van de leefbaarheid, duurzaamheid en de economie van het aardbevingsgebied.
  • •  Het bevorderen van maatschappelijk, politiek en bestuurlijk draagvlak voor het meerjarenprogramma en van maatschappelijke participatie in de uitvoering daarvan en het bijdragen aan herstel van vertrouwen.
  • •  Het bevorderen van de instelling van een bedrijvenloket en een steunpunt voor burgers.

Financieren

  • •  Het financieel bijdragen aan de verduurzaming bij het herstel van woningen in de provincie Groningen.
  • •  Inzet specifiek instrumentarium voor de woningmarkt, waaronder een regeling voor achterstallig onderhoud en de opzet van een woonbedrijf.
  • •  Compensatie van extra kosten voor gemeenten en provincie.

(Doen) uitvoeren

  • •  Het bijdragen aan de uitvoering van het meerjarenprogramma.
  • •  Het behandelen van de complexe schademeldingen, door met alle betrokkenen te zoeken naar een oplossing en te komen met een bemiddelingsvoorstel.
  • •  Het inrichten van een breed instrumentarium ter bevordering van schadeafhandeling en de preventieve versterking van gebouwen, alsmede op de thema’s vergroten van leefbaarheid en de verbetering van de woningmarkt.

Regisseren

  • •  Het coördineren en faciliteren van de uitvoering van het meerjarenprogramma.
  • •  Het monitoren van de afhandeling van reguliere schadegevallen door het Centrum Veilig Wonen (CVW).
  • •  Het voeren van programmaregie bij de versterking van gebouwen in het aardbevingsgebied.

Beleidswijzigingen

Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen

Voor de aanpak van de aardbevingsproblematiek als gevolg van de gaswinning in de provincie Groningen is een meerjarenprogramma opgezet dat tot doel heeft te voorzien in een duurzame versterking van de leefbaarheid en het economisch perspectief in de provincie Groningen. Voor dit doel wordt in 2016 totaal € 244,2 mln uit de gasbaten beschikbaar gesteld voor uitvoering van het meerjarenprogramma in de jaren 2016 tot en met 2024. Deze € 244,2 mln aan uitgaven worden als niet-relevant voor het uitgavenkader beschouwd. Het begrotingsartikel voor het meerjarenprogramma NCG kent een 100% eindejaarsmarge voor de uitgaven die vanuit de aardgasbaten worden gefinancierd. Dit houdt in dat budget dat in een bepaald jaar niet wordt benut, meegenomen kan worden naar volgende jaren en derhalve beschikbaar blijft voor de uitvoering van het meerjarenprogramma. Op deze wijze houdt het kabinet rekening met de complexe en deels onvoorspelbare opgave waar de NCG voor staat en wordt de benodigde flexibiliteit geboden zodat het budget optimaal kan worden aangewend. De 100% eindejaarsmarge geldt niet voor de middelen die in onderstaande budgettaire tabel onder «Verduurzamingsopgave overig» (totaal € 40 mln in de jaren 2016–2020) en onder «Scholenprogramma» (de door OCW voor het Scholenprogramma beschikbaar gestelde € 3 mln per jaar vanaf 2017) worden vermeld.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

VERPLICHTINGEN

 

116.566

77.600

22.400

21.600

19.900

14.900

UITGAVEN

 

116.566

77.600

22.400

21.600

19.900

14.900

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

0%

       
               

Subsidies

 

102.500

64.000

8.800

8.700

7.000

3.000

Verduurzamingsopgave uit aardgasbaten

 

75.000

50.000

       
Verduurzamingsopgave overig (kader relevante uitgaven)1
 

18.500

6.000

5.800

5.700

4.000

 

Instrumentarium woningmarkt

 

9.000

5.000

       

Scholenprogramma (kader relevante uitgaven)

   

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

               

Opdrachten

 

13.996

13.600

13.600

12.900

12.900

11.900

Onderzoek en compensatie gemeenten en provincie

 

6.096

7.000

7.000

7.000

7.000

6.000

Werkbudget

 

7.900

6.600

6.600

5.900

5.900

5.900

               

Bijdragen aan agentschappen

 

70

         

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

 

70

         

Noot 1: Deze uitgaven werden in de eerste suppletoire begroting 2016 geraamd op beleidsartikel 14 (artikel 4 van de EZ-begroting 2017). Om een integraal beeld te geven van het programmabudget NCG is deze reeks toegevoegd aan artikel 5.

Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Verduurzamingsopgave

NCG heeft € 165 mln beschikbaar voor de combinatie van verduurzaming bij versterkingen herstel van schade. Hiervan zal € 23,5 mln aangewend worden voor het Scholenprogramma.

De inschatting is dat het budget voldoende ruimte biedt om invulling te geven aan de wens van de Kamer om tot een combinatie te komen van verduurzaming en versterking van gebouwen alsmede het bieden van compensatie voor de overlast van schade. De NCG zal in de loop van 2016 samen met de regio de specifieke wijze waarop het budget wordt ingezet uitwerken.

Instrumentarium woningmarkt

De NCG heeft € 4 mln beschikbaar voor een regeling voor achterstallig onderhoud. In 2016 wordt gestart met een pilot fonds woningonderhoud en aardbevingen. Daarnaast heeft de NCG € 10 mln beschikbaar voor de opzet van een woonbedrijf.

Scholenprogramma

Het scholenprogramma richt zich op het versterken en nieuwbouw van scholen in de provincie Groningen. Hiervoor wordt € 50 mln beschikbaar gesteld van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in een structurele bijdrage van € 3 mln per jaar, ingaande 2017. Zoals uiteengezet in de brief van de Minister van EZ van 6 juni jl. (TK, 33 529, nr. 256), wordt naast de € 50 mln ook € 23,5 mln bijgedragen aan het Scholenprogramma uit de € 165 mln NCG-middelen gereserveerd voor de Verduurzamingsopgave. Voorts dragen zowel de NAM (€ 172,5 mln) als de negen betrokken gemeenten (€ 44,5 mln) bij.

Opdrachten

Onderzoek en compensatie gemeenten en provincie

De NCG heeft de komende jaren in totaal € 30 mln beschikbaar voor onderzoek. Het voor 2017 beschikbare budget wordt vooral ingezet voor het kennisprogramma bovengronds, het epi kenniscentrum, een public review en het onderzoek Groningsperspectief.

Daarnaast is in totaal € 20 mln gereserveerd voor de compensatie van de door gemeenten en provincie Groningen extra benodigde inzet. Het voor 2017 beschikbare budget van € 4 mln wordt ingezet voor de uitvoering van het meerjarenprogramma en de versterkingsactiviteiten die worden verricht binnen de gebiedsgerichte aanpak. Dit betreft onder andere de aan de versterkingsopgave gerelateerde taken ten aanzien van vergunningverlening, toezicht en handhaving, monumenten, openbare ruimte en ruimtelijke kwaliteit.

Werkbudget

Het werkbudget NCG, inclusief aanvullend budget voor onder andere de gebiedsgerichte aanpak voor preventieve versterking van gebouwen en voor bekostiging van de per 1 mei 2016 ingestelde arbiters voor schadeafhandeling, bedraagt in totaal € 55 mln.

Bijdragen aan agentschappen

Bijdrage aan Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Het uitvoeringsbudget voor RVO.nl is in 2016 ingezet voor een klantcontactpunt voor het beantwoorden van vragen van bewoners en bedrijven.

Overzicht financiële middelen

De aansluitende tabel geeft het totaaloverzicht van het budget waar NCG over kan beschikken voor de uitvoering van het meerjarenplan. Naast dit totaalbudget van € 334,1 mln, is er op artikel 40 van de EZ-begroting een meerjarig budget geraamd van € 96 mln voor de apparaatsuitgaven van de organisatie NCG (personeel en materieel). Voor 2017 is € 12,4 mln aan apparaatsuitgaven geraamd.

Daarnaast zal de NAM zal de komende jaren een bijdrage leveren aan specifieke programma’s van de NCG, waarbij voor 2016 is afgesproken dat de NAM hier € 7 mln voor reserveert.

Voor zover noodzakelijk is er op artikel 5 onder het kopje werkbudget NCG nog aanvullend budget beschikbaar voor personeel en materieel. Per jaar zal worden bekeken of dit aanvullend budget noodzakelijk is.

Specificatie budget NCG

(Bedragen x € 1 mln)
 

Totaal

2016

2017

na 2017

Verduurzaming en waardevermeerdering1

141,5

87,7

50,1

3,7

Scholenprogramma

73,5

5,9

8,9

58,7

Instrumentarium woningmarkt

14,0

9,0

5,0

0,0

– regeling achterstallig onderhoud

4,0

     

– opzet woonbedrijf

10,0

     

Bovengronds onderzoek

29,1

2,1

3,0

24,0

Compensatie gemeenten en provincie

20,0

4,0

4,0

12,0

Werkbudget NCG + aanvullend apparaatsbudget

55,0

7,9

6,6

40,5

Overige uitvoering (RVO.nl)

0,1

0,1

   

Budget NCG op artikel 5

333,2

116,6

77,6

139,0

Overgeboekt van artikel 5 naar IenM t.b.v. Deltares

0,9

0,9

   

Budget NCG op artikel 40

96,0

12,0

12,0

72,0

Noot 1: De rijksbijdrage aan het Scholenprogramma bestaat uit de € 50 mln (€ 3 mln per jaar met ingang van 2017) die overgeboekt is van de OCW-begroting en € 23,5 mln die binnen de EZ-begroting gedekt is uit de middelen voor Verduurzaming en waardevermeerdering.

De verdeling van de € 334,1 mln aan budget over de jaren is afhankelijk van de nadere invulling van het meerjarenprogramma en de daaromtrent met betrokken partijen te maken afspraken. Omdat er in totaal voor € 244,2 mln (het deel gefinancierd uit de gasbaten) van de € 334,1 mln een 100% eindejaarsmarge bestaat, is geborgd dat de voor enig jaar geraamde uitgavenbedragen behouden blijven voor het meerjarenprogramma.

Los van deze budgetten op de artikelen 5 en 40 die beheerd worden door NCG, is op artikel 4 van de EZ-begroting budget geraamd voor Bodembeheer en op artikel 40 budget voor de organisatie Staatstoezicht op de Mijnen (SodM). Deze budgetten maken geen onderdeel uit van het meerjarenprogramma NCG. Hieruit worden wel activiteiten betaald die bijdragen aan de doelstelling van dit programma, zoals seismologisch onderzoek en de advisering door SodM inzake de consequenties van de gaswinning.

Naast de middelen die vanuit het Rijk beschikbaar zijn voor het meerjarenprogramma NCG is er vanuit het bestuursakkoord en het aanvullende bestuursakkoord totaal € 1,2 mld geraamd voor de verschillende maatregelen in Groningen (TK, 33 529, nr. 28 en TK, 33 529, nr. 96). Dit bestaat uit de volgende middelen:

  • •  De NAM heeft € 600 mln begroot voor bouwkundig versterken, waarvan per 1 juli 2016 € 258 mln is gerealiseerd.
  • •  Voor schadeclaims is in totaal € 250 mln begroot, waarvan per 1 juli 2016 is € 494 mln gerealiseerd.
  • •  € 285 mln is begroot voor het overige instrumentarium NAM (de waardevermeerderingsregeling, waardevermindering, nieuwbouw, leefbaarheid en economisch perspectief (Economic Board). Hiervoor is € 189 mln aan uitgaven gedaan tot en met 1 juli 2016.

Het aandeel van de NAM daarin bedraagt totaal afgerond € 1,1 mld. De Provincie Groningen draagt € 32,5 mln bij aan het bestuursakkoord voor de Economic Board. De Economic Board heeft als doel de economie van Noordoost-Groningen te versterken.

Voor specifieke programma’s maakt de NCG afspraken met betrokken partijen, zoals in het kader van het Scholenprogramma (zie brief van 6 juni jl. TK, 33 529, nr. 256). Los van de rijksbijdrage van € 73,5 mln, dragen de NAM (€ 172,5 mln) en gemeenten (€ 44,5 mln) daaraan bij.

Voor de financiële middelen die niet via de Rijksbegroting lopen, kan de Minister van Economische Zaken geen verantwoording afleggen. Met de NAM is in het Bestuursakkoord afgesproken welk budget beschikbaar is en waaraan dit wordt besteed. Met de provincie Groningen is in het bestuursakkoord ook de hoogte van de bijdrage en de besteding hiervan afgesproken. Om de Tweede Kamer zo goed mogelijk te informeren, zal NCG met betrokken partijen afspraken maken om op enkele momenten in het jaar de Tweede Kamer te kunnen rapporteren over de realisatie van de uitgaven van de NAM en de provincie Groningen in het kader van het bestuursakkoord. Dit financiële overzicht zal onderdeel uitmaken van de kwartaalrapportages van de NCG.

6 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

Algemene doelstelling

EZ streeft naar internationaal toonaangevende, concurrerende, sociaal verantwoorde, veilige, en dier- en milieuvriendelijke agro-, visserij- en voedselketens.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is verantwoordelijk voor:

Stimuleren

  • •  Het versterken van de positie van de Nederlandse agro-, visserij- en voedselketens, het stimuleren van groene economische groei via energie- en klimaatbeleid voor de landbouw en het bevorderen van transparantie en ketenverantwoordelijkheid in de Nederlandse agro- visserij- en voedselketens.
  • •  Het stimuleren van een adequate en duurzame voedselvoorziening/voedselzekerheid, voedselkwaliteit op Europees en mondiaal niveau evenals het bijdragen aan het Europese en internationale landbouw- en visserijbeleid.
  • •  Het stimuleren van kennisontwikkeling, innovatie en nieuwe technologieën in de land- en tuinbouw.
  • •  Het stimuleren van verduurzaming van de productie en de consumptie van dierlijke en plantaardige producten door middel van nieuwe vormen van ketensamenwerking en nieuwe marktstrategieën.
  • •  Het zeker stellen van gewasbescherming, evenals het borgen en verbeteren van plant- en diergezondheid en dierenwelzijn.

Regisseren

  • •  Het borgen van voedselveiligheid. Producenten en partijen uit de voedselketen zijn primair verantwoordelijk voor de veiligheid van hun producten en productiewijze. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor wetgeving voor voedselveiligheid, met uitzondering van wetgeving voor het slachten van dieren en het keuren en uitsnijden van vlees, waar de Minister van EZ verantwoordelijk voor is.

Uitvoeren

  • •  Het doen uitvoeren van een effectief beleid ter realisatie van de doelstellingen uit de Europese regelgeving.
  • •  Het uitvoeren van adequaat veterinair en fytosanitair beleid.
  • •  Het uitoefenen van toezicht en het handhaven van de regelgeving op het gebied van dier- en plantgezondheid, dierenwelzijn, mest, natuur en voedselveiligheid (primaire productie en slachterijfase).
  • •  Het uitvoeren van het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid.

Beleidswijzigingen

Op de volgende speerpunten en beleidswijzigingen wordt ingezet in 2017:

  • •  In 2015 heeft het kabinet de «voedselagenda» opgesteld (TK, 31 532 nr. 156). In 2017 wordt samen met actoren in de voedselketen uitvoering gegeven aan de voedselagenda, die toewerkt naar een veilig en gezond, ecologisch houdbaar en robuust voedselsysteem. Verschuiving van landbouwbeleid naar voedselbeleid staat centraal.
  • •  Per 1 januari 2017 wordt een stelsel van fosfaatrechten voor melkvee van kracht om te kunnen voldoen aan de voorwaarde bij de derogatie van de Nitraatrichtlijn om de fosfaatproductie van de Nederlandse veehouderij onder het niveau van 2002 te houden.
  • •  Versnelling van de verduurzaming van gewasbescherming door het middelenpakket sneller aan te vullen met lagere risicomiddelen. In een systeemaanpak zo duurzaam mogelijk het gewas beschermen, waarbij de geïntegreerde gewasbescherming leidend is (TK, 27 858 nr. 369). Duurzame gewasbescherming ook promoten op mondiale schaal en daardoor een markt creëren. Nederland als koploper op dit gebied.
  • •  In 2017 worden de keuringtaken van roodvlees ondergebracht in een publiekrechtelijk Zelfstandig Bestuursorgaan.
  • •  De Commissie Nijpels zal in 2016 een advies uitbrengen met voorstellen voor acties en maatregelen die een nieuwe impuls geven aan een verdere verduurzaming van de veehouderij. In 2017 zal EZ met betrokken partijen deze voorstellen uitwerken.
  • •  De varkenssector moet een vitaliseringsslag maken om de continuïteit voor de toekomst zeker te stellen. In 2017 zal EZ vanuit haar rol bijdragen aan de uitwerking van het Actieplan vitale varkenshouderij ten aanzien van het versterken van de markt- en ketenpositie van varkenshouders, herstructurering en revitalisering van de varkenshouderij en kostenreductie door onder andere het stimuleren van mestverwerking.
  • •  EZ draagt bij aan de implementatie van de Ambitieagenda vleeskalverhouderij De Kamer wordt hierover nog nader per brief geïnformeerd.
  • •  Voor het realiseren van de kabinetsambitie van 80% weidegang voor melkvee in 2020 wordt samen met de partners van het Convenant Weidegang ingezet op het maximaal stimuleren van weidegang.
  • •  Per 1 januari 2018 wordt de BTW-landbouwregeling afgeschaft. Zoals uit het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Agro-, visserij-, en voedselketens (TK, 30 991 nr. 25) blijkt draagt deze regeling in mindere mate bij aan de beleidsdoelen van artikel 6 (Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens).
Beleidsinformatie

Kengetal

2012

2013

2014

2015

1. Maatschappelijke appreciatiescore

Bron: TNS/NIPO

7,5

7,6

Geen meting

7,6

2. Mate van vertrouwen consumenten in voedsel

Bron: NVWA monitor

Geen meting

3,2

Geen meting

3,2

3. Export van agrarische producten uit Nederland (bedragen x € 1 mln)

       

Duitsland

20.153

21.185

20.930

20.818

België

7.898

8.507

8.694

8.603

Verenigd Koninkrijk

7.522

7.911

8.154

8.331

Frankrijk

7.287

7.519

7.165

6.905

Italië

3.771

3.816

3.504

3.231

Overige landen

29.502

31.365

32.752

33.697

Totaal

76.133

80.304

81.198

81.586

Bron: UN Comtrade via http://www.agrimatie.nl/Data.aspx

       

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

VERPLICHTINGEN

623.541

666.242

650.823

640.948

608.408

602.692

602.670

Waarvan garantieverplichtingen

131.869

120.000

120.000

120.000

120.000

120.000

120.000

UITGAVEN

667.686

569.864

538.382

520.148

505.389

499.079

499.792

Waarvan juridisch verplicht (percentage)

   

95%

       
               

Subsidies

85.056

39.874

24.674

16.709

18.068

22.061

22.028

Duurzame veehouderij

14.088

10.320

3.181

402

402

402

402

Investeringsregeling duurzame stallen

7.663

4.458

40

       

Regeling fijnstofmaatregelen

3.261

4.720

2.014

       

Overig

3.164

1.142

1.127

402

402

402

402

Plantaardige productie

9.562

15.363

7.937

4.983

6.987

10.987

10.987

Energie-efficiency en hernieuwbare energie glastuinbouw (EHG)

3.275

12.100

7.100

400

1.400

5.400

5.400

Marktintroductie energie innovaties (MEI)

4.768

2.989

789

4.535

5.539

5.539

5.539

Overig

1.519

274

48

48

48

48

48

Visserij

6.229

6.558

7.360

5.355

5.355

5.348

5.315

Regelingen onder het nieuwe EFMZV

 

5.819

7.360

5.355

5.355

5.348

5.315

Overige (uitfinanciering regelingen onder EVF)

6.229

739

         

Agrarisch ondernemerschap

9.496

6.541

5.324

5.324

5.324

5.324

5.324

Brede weersverzekering

3.550

6.518

5.324

5.324

5.324

5.324

5.324

Investeringsregeling Jonge Agrariërs

3.940

17

         

Overig

 

6

         

Kennisontwikkeling en (agrarische) innovatie

3.416

1.092

872

645

     

Overig (onder meer tegemoetkoming Vamil)

3.416

1.092

872

645

     

Apurement

11.799

           

Regeling apurement

11.799

           

Begrotingsreserves

32.472

           

Begrotingsreserve landbouw

3.525

           

Begrotingsreserve apurement

28.947

           
               

Garanties

35.868

10.515

5.515

4.015

5.615

5.420

5.420

Bijdrage begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit

3.008

3.008

3.008

2.008

2.008

2.008

2.008

Verliesdeclaraties Borgstellingsfaciliteit

28.347

5.000

2.500

2.000

2.000

1.805

1.805

Garantstelling Marktintroductie Innovaties (GMI)

2.507

2.507

7

7

1.607

1.607

1.607

Overig

2.006

           
               

Opdrachten

139.872

114.712

111.866

107.457

106.547

106.709

107.538

Duurzame veehouderij

5.042

4.471

2.866

3.073

1.769

1.785

1.785

Mestbeleid

9.161

1.406

2.292

2.420

6.737

7.450

7.651

Plantaardige productie

1.057

867

2.306

3.366

2.666

2.666

2.666

Plantgezondheid

1.758

2.023

1.980

2.078

2.453

2.453

2.453

Diergezondheid en dierenwelzijn

11.412

6.589

5.654

5.637

6.063

6.063

6.063

Voedselagenda

5.405

5.575

20.000

20.000

20.000

20.000

20.000

Voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid

1.741

3.446

3.635

3.740

3.740

3.740

3.740

Visserij

3.398

918

1.029

1.209

1.251

1.251

1.251

Agrarisch ondernemerschap

2.849

2.409

2.398

2.507

2.507

2.507

2.507

Kennisontwikkeling en (agrarische) innovatie

98.049

87.007

69.706

63.427

59.361

58.794

59.422

               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

82.746

83.620

82.125

81.806

81.200

81.200

81.214

Medebewind en overige voormalige publieke PBO-taken

4.774

5.728

4.903

5.106

5.106

5.106

5.120

Wageningen Research Kennisbasis

20.688

20.765

13.458

13.458

13.458

13.458

13.458

Wageningen Research Wettelijke Taken

54.533

56.014

62.060

59.655

59.655

59.655

59.655

Zon-MW (dierproeven)

     

1.896

1.896

1.896

1.896

College Toelating Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden

2.751

1.113

978

965

359

359

359

Centrale Commissie Dierproeven

   

726

726

726

726

726

               

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

14.064

7.753

9.863

9.863

9.863

9.863

9.863

Diergezondheidsfonds

14.064

7.753

9.863

9.863

9.863

9.863

9.863

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

10.519

9.835

9.378

9.580

9.360

9.360

9.360

FAO en overige contributies

10.519

9.835

9.378

9.580

9.360

9.360

9.360

               

Bijdragen aan agentschappen

299.561

303.555

294.961

290.718

274.736

264.466

264.369

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

141.829

148.291

154.810

151.592

138.218

128.219

128.205

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

149.999

141.865

127.233

127.536

127.557

127.557

127.557

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

 

5.903

5.620

4.292

1.663

1.392

1.309

Rijksrederij

7.733

7.496

7.298

7.298

7.298

7.298

7.298

               

ONTVANGSTEN

123.539

57.640

57.398

49.806

47.630

47.435

47.435

Mestbeleid

3.324

7.209

7.209

7.209

7.209

7.209

7.209

Diergezondheid en dierenwelzijn

2.399

500

500

500

500

500

500

Voedselveiligheid en kwaliteit

374

           

Voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid

40.729

15.926

15.926

15.926

15.926

15.926

15.926

Visserij

9.154

7.156

6.993

6.993

6.993

6.993

6.993

Agrarisch ondernemerschap

2.067

245

245

245

245

245

245

Kennisontwikkeling en (agrarische) innovatie

13.617

12.818

12.062

12.062

12.062

12.062

12.062

Garanties (provisies Borgstellingsfaciliteit)

1.696

1.800

1.800

1.800

1.800

1.800

1.800

Agentschappen

5.689

           

Begrotingsreserves

44.490

11.986

12.663

5.071

2.895

2.700

2.700

Budgetflexibiliteit

Het budget voor 2017 is voor ruim € 500 mln (95%) juridisch verplicht. Dat komt met name door de verplichtingen die rusten op het onderdeel Kennis (meerjarige programma’s en wettelijke onderzoekstaken bij Wageningen Research. Ook voor het onderdeel Agentschappen zijn de verplichtingen al in het voorafgaande jaar aangegaan.

Toelichting op de financiële instrumenten (per beleidsthema geordend)

Duurzame veehouderij

De inzet van EZ voor de veehouderij is gericht op een transitie naar een toekomstbestendige duurzame en maatschappelijk gewaardeerde veehouderij in 2020. Dit vraagt een integrale aanpak naar een veehouderij met aandacht voor effecten op de volksgezondheid, dierenwelzijn, emissies naar het milieu, gebruik van duurzaam geproduceerde grondstoffen en de directe leefomgeving.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2017

Bron

Percentage integraal duurzame stallen

0%

2008

15%

WUR

Subsidies

De begrote bedragen betreffen uitfinanciering van eerdere openstellingen van de subsidieregelingen duurzame stallen en fijnstofmaatregelen. Onder de categorie overig valt de uitfinanciering op de regelingen beroepsopleiding en voorlichting, meetprogramma duurzame stallen, duurzame veehouderij en beëindigings- en saneringsregeling. Voor de uitvoering van de Ambitieagenda vleeskalverhouderij wordt de vleeskalversector ondersteund met subsidieregelingen vanuit het Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014–2020 (POP3)

Over de inwerkingtreding van de subsidieregeling sloop en ombouw nertsenhouderijen als onderdeel van het flankerend beleid van de Wet verbod pelsdierhouderij wordt besloten na de uitspraak van de Hoge Raad. Deze uitspraak komt naar verwachting eind 2016 of begin 2017.

Opdrachten

Het budget heeft betrekking op opdrachten en bijdragen aan derden die ondersteunend zijn voor de beleidsontwikkeling en -uitvoering, zoals projecten op het gebied van intensieve veehouderij en biologische landbouw, ontwikkeling duurzame stallen, uitrijden van dierlijke mest en voer- en managementmaatregelen.

Mestbeleid

Met het nationale mestbeleid wordt invulling gegeven aan de verplichtingen die volgen uit de Nitraatrichtlijn (91/676/EG) en een bijdrage geleverd aan realisatie van de doelen van de Kaderrichtlijn Water (200/60/EG). Doel van het mestbeleid is een verbetering van de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater door het bevorderen van een effectief en efficiënt gebruik van meststoffen in de landbouw. Daartoe kent de Meststoffenwet vier stelsels. Het stelsel van gebruiksnormen en gebruiksvoorschriften stuurt rechtstreeks op de hoeveelheid meststoffen en de wijze en het moment van toediening, het stelsel van varkens- en pluimveerechten stuurt op de productie van dierlijke mest en de stelsels van verplichte mestverwerking en verantwoorde groei melkveehouderij sturen op een verantwoorde afzet van dierlijke mest. De jaarlijkse derogatierapportages en de vierjaarlijkse evaluatie van de Meststoffenwet worden altijd aan de Tweede Kamer aangeboden.

De vierjaarlijkse Nitraatrichtlijnrapportage (waarvoor het Ministerie van IenM eerstverantwoordelijk is) en de resultaten van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid worden gepubliceerd op de site van het RIVM.

Opdrachten

De bedragen onder Mestbeleid hebben voor het grootste deel betrekking op de financiering van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid, waarbinnen monitoring plaatsvindt van de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater op landbouwbedrijven om het effect van het mestbeleid te kunnen evalueren en te kunnen voldoen aan de monitoringsverplichtingen van de Europese Commissie.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen de boete-inkomsten in het kader van de handhaving van het mestbeleid en de bijdrage van agrarische bedrijven aan de kosten van het derogatiemeetnet binnen het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid.

Plantaardige productie

De inzet van EZ is gericht op het in stand houden van een Nederlandse plantaardige sector die wereldwijd bekend staat om de kwaliteit van productie en productietechnologie voor voedings- en siergewassen. Plantenveredeling en duurzame intensivering van de teelt zijn van fundamenteel belang voor het vergroten van (mondiale) voedselzekerheid en concurrentiekracht van de betrokken sectoren. Dat is primair een opgave voor het bedrijfsleven zelf. Doel is te komen tot samenwerkende tuinbouwketens die toonaangevend zijn in concurrentiekracht en duurzaamheid.

De ambitieuze klimaat- en energiedoelen die voor de tuinbouw gesteld zijn, worden conform de Meerjarenafspraak Energietransitie glastuinbouw 2014–2020 en bijbehorende versnellingsplannen uitgewerkt. Voor de overige landbouwsectoren en de voedings- en genotmiddelenindustrie zal uitvoering worden gegeven aan de ambities en doelen van respectievelijk het herijkte convenant Schone en Zuinige Agrosectoren en de geactualiseerde Meerjarenafspraken Energiebesparing (MEE en MJA3).

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2017

Streefwaarde

Planning

Bron

Totale CO2-emissie glastuinbouw

Circa 7,5 Mton

2013

6,7Mton

6,2 Mton

2020

LEI

Energie-efficiency index

voedings- en genot-middelenindustrie (VGI)

100%

2005

80%

70%

2020

RVO.nl

De indicatoren geven inzicht in de voortgang van de verduurzaming op energie- en klimaatgebied van deze twee sectoren.

Subsidies

De begrote bedragen betreffen betalingen op zowel eerdere als nieuwe openstellingen van de regeling Marktintroductie energie innovaties (MEI) en het subsidie-instrument Energie-efficiëntie en hernieuwbare energie glastuinbouw (EHG), voorheen Investeringsregeling Milieuvriendelijke Maatregelen. Onder de categorie overig vindt nog de uitfinanciering plaats van de eerder opengestelde en inmiddels afgesloten Demoregeling Schoon en Zuinig en de uitfinanciering van de Set aside regeling.

Opdrachten

Het budget heeft betrekking op uitfasering van (onderzoeks)opdrachten op het gebied van de innovatieagenda energie en energietransitie. En budget voor de PPS consument en keten voor de topsector tuinbouw- en uitgangsmaterialen.

Plantgezondheid

Een hoogwaardige kwaliteit en een hoog plantgezondheidsniveau van plantaardige producten zijn voor de Nederlandse concurrentiekracht van groot belang. Belangrijk speerpunt is het voorkomen van de in- en uitsleep van plantenziekten in Nederland. Verder zal de implementatie van de herziening van het nieuwe Europese fytosanitaire stelsel ter hand worden genomen. Ook de bevordering van markttoegang voor Nederlands uitgangsmateriaal en plantaardige producten door gerichte inzet in prioritaire landen krijgt de aandacht. Beschermen van gewassen en teelten tegen ziekten, plagen en onkruiden is een belangrijke randvoorwaarde om een hoogwaardige productie te blijven realiseren. Voor het verminderen van de milieulast veroorzaakt door toepassing van gewasbeschermingsmiddelen en de concrete gestelde beleidsdoelen is de beleidsnota duurzame gewasbescherming 2013–2023 «Gezonde groei, duurzame oogst» (TK, 27 858, nr. 146) het kader. Daarnaast zet EZ beleidsmatig in op een transitie naar een duurzamere gewasbescherming en een versnelling van de «vergroening» van gewasbeschermingsmiddelen, zowel nationaal, als ook in de EU.

Opdrachten

De nadruk ligt op het versnellen van de transitie naar verduurzaming van gewasbescherming. Daartoe wordt het gebruik van laag-risico middelen en basisstoffen gefaciliteerd en geïntensiveerd via een Green Deal met de sector, pilotprojecten systeemaanpak en via een EU-spoor. Ook wordt de toelating voor kleine toepassingen gestimuleerd via het Fonds kleine toepassingen. Tenslotte wordt het budget benut voor en het goed functioneren van het EU-coördinatiepunt voor kleine toepassingen en hoogwaardige teelten dat eveneens toelatingen op dat vlak stimuleert.

Diergezondheid, dierenwelzijn en antibiotica

Aandacht voor diergezondheid en dierenwelzijn van landbouwhuisdieren is van belang voor een sterke duurzame veehouderij en komt tegemoet aan de toenemende belangstelling vanuit de samenleving voor de veehouderij.

Opdrachten

Het budget voor opdrachten wordt onder meer ingezet voor de volgende activiteiten:

  • •  Early warning, monitoring en bewaking van dierziekten en zoönosen.
  • •  Voorzieningen voor de crisisparaatheid, zodat een eventuele dierziekte-uitbraak snel, efficiënt en op een maatschappelijk verantwoorde manier bestreden kan worden.
  • •  Het aanhouden van een crisisorganisatie bij de Gezondheidsdienst voor Dieren, waardoor direct gekwalificeerd personeel beschikbaar is om de NVWA te assisteren bij verdenkingen van dierziekten.
  • •  Borging, bevordering en verbetering van dierenwelzijn door implementatie van (Europese) wetgeving en door het stimuleren van (keten)partijen. Op Europees niveau ligt de focus op de nadere uitwerking van de Verklaring van Vught (dierenwelzijnsconferentie 2014) en de onderliggende positionpapers. Nationaal op de beleidsbrief dierenwelzijn, waarbij wordt ingezet op het uitfaseren van ingrepen, het stimuleren van een maatschappelijk geaccepteerde fokkerij van vooral honden, het tegengaan van impulsaankopen en de huisdierlijsten waarop is aangegeven welke dieren gehouden mogen worden, vroegtijdige signalering en vermindering van mishandeling en verwaarlozing en het verbeteren van brandveiligheid van veestallen.
  • •  De uitvoering van de regeling In Beslag genomen Goederen. Dit is een vergoeding voor kosten van opvang van in beslag genomen gezelschapsdieren en landbouwhuisdieren.
  • •  Diverse projecten zorgvuldig antibioticagebruik die bijdragen aan een vervolgbeleid voor 2016–2020 dat meer gericht is op vermindering van resistentierisico’s en meer sectorspecifiek is.
  • •  Bijdragen aan onder andere de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (€ 1,6 mln), Dutch Wildlife Health Centre (€ 0,5 mln) en het Landelijk Informatie Centrum Gezelschapsdieren (maximaal circa € 0,3 mln).

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2017

Streefwaarde

Planning

Bron

Mate van afname van antibiotica-gebruik in de dierhouderij

Antibiotica-gebruik in 2009

2009

Is nog niet bepaald

70% reductie (t.o.v. 2009)

Is nog niet bepaald

SDa

Het betreft de reductie van het antibioticagebruik in de dierhouderij ten opzichte van 2009. De Raming 2017 is afhankelijk van het vervolgbeleid 2016–2020. Daarover wordt de Kamer medio 2016 geïnformeerd.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben vooral betrekking op op overtreders verhaalde kosten en dwangsommen die worden opgelegd voor handhaving van de Gezondheids- en welzijnswet voor Dieren (Gwwd).

Voedselagenda

Samen met maatschappelijke partijen wordt door EZ uitvoering gegeven aan de Voedselagenda. De Voedselagenda schetst een voedselbeleid langs de lijnen volksgezondheid, ecologische houdbaarheid en robuustheid, met inbegrip van de mondiale dimensie. Voor de Voedselagenda is meerjarig een budget van € 20 mln beschikbaar.

De Voedselagenda richt zich met name op drie thema’s: jong leren eten, transparantie en innovatie in de voedselketen. Veel jongeren weten niet meer waar voedsel vandaan komt en eten ook onvoldoende groente en fruit. Aandacht voor gezonde voeding in het onderwijs is marginaal, versnipperd. Met het programma Jong Leren Eten wil EZ hier verandering in brengen. Dit programma loopt vooralsnog van 2017–2020. Transparantie in de voedselketen zorgt ervoor, dat ondernemers en consumenten geïnformeerde keuzes kunnen maken. Transparantie zorgt er ook voor dat de veiligheid en duurzaamheid van de voedselketen wordt gestimuleerd en vergroot. Kennis en innovatie leveren een onmisbare bijdrage aan de Voedselagenda. Een belangrijk deel van de kennis- en innovatieprogramma’s wordt door de topsectoren Agri&Food en Tuinbouw& Uitgangsmaterialen georganiseerd. In aanvulling daarop worden middelen ingezet om hiermee ook extra private investeringen uit te lokken.

Voedselveiligheid

Borging van voedselveiligheid en het tegengaan van voedselfraude draagt bij aan het verkleinen van risico’s voor de volksgezondheid, het vergroten van het vertrouwen in voedsel en het versterken van de positie van de agrofoodketen. Europese wetgeving is hierbij het kader en de bedrijven in de voedselketen zijn primair verantwoordelijk.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2017

Streefwaarde

Planning

Bron

Nalevingsniveau HACCP-verplichting

80%

April 2009

90%

90%

2018

NVWA

Het betreft het percentage van het totale aantal gecontroleerde bedrijven met een wettelijk verplicht Hazard Analysis and Critical Control Points (HACCP)-systeem uit het eerste deel van de vleesketen (slachthuizen, uitsnijderijen en koel- en vrieshuizen) dat aan alle controle-items voor HACCP voldoet.

Opdrachten

Het budget voor opdrachten heeft onder andere betrekking op:

  • •  Bijdrage aan de jaarlijkse organisatie van de Codex Alimentaris Commission.
  • •  Beleidsadvisering door het Bureau Diergeneesmiddelen. Herziening van Europese regels voor vleeskeuring en (risicogebaseerd) toezicht in de pluimveesector (zogenaamde Hygiënepakket). Monitoring van alimentaire zoönosen (zoals salmonella).
  • •  Versoepeling van beheersingsmaatregelen op het gebied van TSE/BSE.
  • •  Bijdrage in advieskosten Gezondheidsraad en onderzoek door Consumentenbond (circa € 0,1 mln).
  • •  Aanpassing van regelgeving gericht op een veilige en duurzame toepassing van nieuwe technologieën in de agrosector, zoals ggo’s.

Voedselzekerheid en internationaal en Europees landbouwbeleid

Nederland hoort bij de meest innovatieve agro-exporteurs van de wereld. Nederland heeft een innovatief bedrijfsleven, een toonaangevende landbouwuniversiteit en -onderzoekscentrum, en een uitstekende internationale reputatie. Partnerschappen tussen overheid, kennisinstellingen en private partners zijn een belangrijke succesfactor in de Nederlandse strategie. Via de topsectorenaanpak worden door Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheden voedseloplossingen voor de toekomst bedacht, uitgevoerd en geëxporteerd. Hiermee kan Nederland een grote bijdrage leveren aan de wereldwijde voedselzekerheid. Tegelijkertijd wordt hiermee de internationale (concurrentie-)positie van Nederland versterkt. EZ werkt daarbij nauw samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Opdrachten

Het budget voor opdrachten wordt ingezet voor de volgende activiteiten:

  • •  Internationale programma’s van de topsectoren Agri&Food en Tuinbouw&Uitgangsmateriaal die zich richten op het versterken van de landbouwsector in zich ontwikkelende- en ontwikkelingslanden.
  • •  Samenwerking met transitielanden en ontwikkelingslanden op het gebied van voedselzekerheid.
  • •  Nieuwe initiatieven en partnerschappen op het gebied van mondiale voedselzekerheid en duurzame economische ontwikkeling op de volgende pijlers:
    • ○  klimaatslimme landbouw;
    • ○  duurzaam gebruik van oceanen;
    • ○  biodiversiteit (genetische bronnen en uitgangsmateriaal);
    • ○  het beperken van voedselverliezen.

Daarnaast streeft EZ, in samenwerking met de topsectoren, naar duurzame veehouderijontwikkeling, verbeterde bodemvruchtbaarheid, versterking van de zaaizaadsector in ontwikkelingslanden en verbetering van gewasbeschermingssystemen.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen voornamelijk de productieheffing op suiker die via de begroting van Buitenlandse Zaken worden afgedragen aan de Europese Commissie.

Visserij

Centraal onderdeel van de in 2014 ingezette hervorming van het Gemeenschappelijk Visserij Beleid is de invoering van de aanlandplicht. Vissoorten waarvoor vangstbeperkingen gelden mogen niet meer teruggegooid te worden, maar dienen te worden aangeland. Doel van de aanlandplicht is de verdere verduurzaming van de visserij en het selectiever vissen. De besluitvorming over de precieze invulling van de aanlandplicht vindt in hoofdzaak in regionaal verband van de lidstaten (onder andere de Noordzee) plaats. EZ faciliteert de introductie van de aanlandplicht door de sector te ondersteunen in de omschakeling naar meer selectieve vistechnieken en aanpassingen aan boord en in de visketen. Hiervoor kan Nederland het Europese Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij 2014–2020 (EFMZV) inzetten. Het EFMZV omvat ook de fondsen voor datacollectie (gegevensverzamelingen in Europees verband), visserij controle en de uitgaven voor het Geïntegreerd Maritiem Beleid.

Subsidies

In 2017 vindt nog de afronding plaats van het Europees Visserijfonds (EVF). Inmiddels zijn er binnen EFMZV openstellingen geweest voor Jonge vissers, Innovatie aanlandplicht, Innovatie rendementsverbetering en Innovatie aquacultuur waarvan ook een deel van de uitgaven in 2017 zullen worden gemaakt.

Opdrachten

Het budget heeft betrekking op opdrachten aan derden die ondersteunend zijn voor de beleidsontwikkeling op visserijgebied, zoals monitoringactiviteiten en het transitieproces voor het IJsselmeer.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben met name betrekking op de geïnde leges van afgegeven visserij-vergunningen (zoals mosselpercelen).

Agrarisch ondernemerschap

Vergroting van het concurrentievermogen is essentieel voor het agrocomplex. Het beleid is gericht op goed en duurzaam presterende agrarische ondernemers.

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2017

Streefwaarde

Planning

Bron

Verhouding duurzame – totale investeringen

36%

2013

29%

30%

2017

LEI

Betreft de verhouding tussen de bedragen in duurzame investeringen en de totale investeringen in de landbouw, tuinbouw en visserij. Voorbeelden van duurzame investeringen in de land- en tuinbouw zijn Groen Label Kassen en Maatlat Duurzame Veehouderij stallen.

Subsidies

In 2017 wordt de subsidieregeling Brede Weersverzekering opnieuw opengesteld, waarmee de beschikbaarheid van brede verzekeringen tegen weerschade in de open teelten wordt gefaciliteerd.

Opdrachten

Het budget heeft betrekking op de overheidsinzet voor agrarisch Nederland wereldwijd bij het opzetten, verbeteren en versterken van duurzame ketens. Dit in nauwe samenwerking met het Landbouwradennetwerk.

Kennisontwikkeling en (agrarische) innovatie

Een goed functionerend kennissysteem draagt bij aan de economische positie van de Nederlandse agro-, visserij- en voedselketens en aan de natuurdoelstellingen. Kennisontwikkeling en agrarische innovatie leveren een belangrijke bijdrage aan de oplossing van maatschappelijke vraagstukken die zich voordoen in het agro- en natuurdomein. Met strategische kennis- en innovatieprogramma’s (SKIP’s) wordt gestuurd op een integrale en samenhangende kennis- en innovatieketen, van mondiaal fundamenteel onderzoek en innovatie tot regionale implementatie van kennis.

Met de innovatiecontracten van de topsectoren Agri&Food en Tuinbouw&Uitgangsmaterialen zal kennis en innovatie nog meer gericht worden op de maatschappelijke opgaven in het agro- en voedseldomein en op cross-overs met andere topsectoren waaronder de topsector High Tech Systemen & Materialen (HTSM).

Indicator

Referentiewaarde

Peildatum

Raming 2017

Streefwaarde

Planning

Bron

1 Klanttevredenheid

8,7

2014

8,0

8,0

2018

PROSU

2 Kennisbenutting door beleid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties

84%

2014

>80%

>80%

2020

PROSU

3 Percentage innoverende agrarische bedrijven

11,6%

2006

15%

10%

2018

LEI

  • 1 en 2.  Vanaf 2017 worden de nieuwe indicatoren voor klanttevredenheid en kennisbenutting opgenomen in de begroting voor alle TO2-instituten. De streefwaarde van de hiergenoemde indicatoren zijn gelijkgetrokken met die voor de andere TO2-instituten zoals opgenomen in artikel 2. Een uitgebreide toelichting hierop staat bij de tabel in artikel 2.
  • 3.  Dit geeft het percentage van de bedrijven weer dat product- of procesinnovaties heeft doorgevoerd. Het gaat hierbij zowel om bedrijven die als eerste bedrijf iets nieuws hebben doorgevoerd als om innovatieve volgers (vroege volgers).

Subsidies

De begrote bedragen betreffen de uitfinanciering op de subsidieregelingen Samenwerking bij innovatie, VAMIL-compensatie6 en Functionele Agrobiodiversiteit.

Opdrachten

Het budget voor opdrachten is bestemd voor:

  • •  De innovatie-agenda’s van de topsectoren Agri&Food en Tuinbouw&Uitgangsmaterialen.
  • •  De ondersteuning van beleidsontwikkeling en politieke besluitvorming voor onder andere internationale markt- en handelstoegang in relatie tot veterinaire en fytosanitaire problematiek, de relatie volksgezondheid en intensieve veehouderij, waarborgen voedselveiligheid en diergezondheid, welzijn van landbouwhuisdieren en gezelschapsdieren, platteland en omgeving, vermaatschappelijking natuur, natuurinclusieve landbouw, voedselverspilling en voedselzekerheid.
  • •  Internationale samenwerking in Joint Programming Initiatives (JPI’s) en European Research Area Network (ERA-Net) en multilaterale samenwerking op het gebied van voedselzekerheid.
  • •  Het uitvoeren van evaluaties en opdrachten voor agrarische innovatie, waarbij de focus ligt op de nieuwe uitdagingen van het GLB: vergroening, klimaat, hernieuwbare energie, water en biodiversiteit.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben betrekking op terugontvangen rente en aflossing van Wageningen Research en diverse ontvangsten samenhangend met de onderzoeksfinanciering.

Apurement

De Europese Commissie voert in bepaalde gevallen financiële correcties door op door Nederland ingediende declaraties bij Europese Fondsen, wanneer de uitvoering in de ogen van de Commissie niet volgens Europese regelgeving heeft plaatsgevonden (apurement-procedure). De begrotingsreserve apurement is op peil om toekomstige correcties uit te kunnen betalen. Daarom is voor 2017 geen storting in de reserve voorzien.

Garanties

EZ verleent steun aan bedrijven in de primaire sector (agrariërs en vissers) door het verstrekken van garanties op leningen voor investeringen. Hierdoor wordt de financiering mogelijk gemaakt van investeringen die in de markt niet tot stand komen omdat de betreffende bedrijven niet voldoende zekerheden kunnen bieden. Tegelijkertijd wordt er met deze faciliteit een extra stimulans gegeven aan de verduurzamingsopgave van de primaire sector. Per 1 januari 2017 worden de borgstellingen verleend volgens de nieuwe Borgstelling MKB-Landbouwkredieten. In deze regeling is de uitvoering van de landbouwborgstelling geharmoniseerd met de BMKB voor het niet-agrarische MKB-bedrijfsleven en geactualiseerd voor de huidige financieringspraktijk. Ingevolge de afspraken van het Garantiekader voor Risicoregelingen is de kostendekkendheid van de regeling verhoogd door het garantstellingspercentage te verlagen van 80% naar 70%. De aangekondigde Garantstelling Marktintroductie Innovaties wordt in 2017 opengesteld als onderdeel van de Borgstelling MKB-Landbouwkredieten. Met deze regeling beoogt EZ specifieke investeringen te stimuleren gericht op de introductie van systeem-innovaties die kansen bieden voor producten met meer toegevoegde waarde in de markt. Voor deze regeling wordt jaarlijks een bedrag in de begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit gestort.

Ontvangsten

De ontvangsten betreffen inkomsten uit door agrariërs betaalde provisies voor door EZ afgegeven garantstellingen aan banken.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Medebewind en overige voormalige publieke PBO-taken

In 2014 zijn publieke taken van de PBO’s overgaan naar de centrale overheid. Het begrote bedrag is onder meer bestemd voor reorganisatie en-afvloeiingskosten van voormalig medebewindspersoneel bij de PBO’s.

Wageningen Research

Dit betreft zowel kennisbasisonderzoek (KB) als wettelijke onderzoekstaken (WOT). Het strategisch plan Wageningen UR is basis voor het meerjarig programma kennisbasisonderzoek 2015–2018. Wettelijke onderzoekstaken richten zich op voedselveiligheid, besmettelijke dierziekten, economische informatievoorziening, visserij, genetische bronnen en natuur en milieu. De taken vloeien voort uit (inter)nationale wetten, verordeningen en verdragen.

ZonMW (dierproeven)

Tot en met 2017 is budget overgeheveld naar VWS/ZonMW voor de ontwikkeling en de uitvoering van alternatieven voor dierproeven. Voor de jaren erna is het budget gereserveerd.

College Toelating Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (Ctgb)

Het betreft de gezamenlijk met de ministeries van SZW, VWS en IenM te gevenopdracht aan het Ctgb, vooral voor het geven van beleidsadviezen.

Centrale Commissie Dierproeven (CCD)

De CCD verstrekt vergunningen voor het mogen verrichten van dierproeven.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Dit betreft de EZ-bijdrage aan de DGF-begroting voor de monitoring en bestrijding van (bestrijdingsplichtige) dierziekten. Alsmede de uitgaven voor voorzieningen in geval van een dierziekte-uitbraak (zoals vaccins, destructiecapaciteit en bestrijdingsmaterialen).

Bijdragen aan agentschappen

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

De bijdrage aan de NVWA is onder andere bestemd voor de handhaving van de wet- en regelgeving en het toezicht op het gebied van dier- en plantgezondheid, dierenwelzijn, diervoeders, diergeneesmiddelen, dierlijke bijproducten, dierproeven, mest, natuur en de veiligheid van voedsel en consumentenproducten.

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

De bijdrage aan RVO.nl is onder andere bedoeld voor de uitvoering van zijn taak als Europees betaalorgaan. Vanwege deze status kan RVO.nl Europese subsidies uitbetalen, bijvoorbeeld de basisbetaling, de betaling voor jonge landbouwers en de betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken en de uitvoering van het Europese Fonds Maritieme Zaken en Visserij. Naast de Europese subsidieregelingen voert RVO.nl ook nationale subsidieregelingen uit, zoals de regelingen voor innovaties en het visserijbeleid, energiebesparing en voor investeringen in duurzaamheid evenals maatregelen in het versterken van de innovatie en concurrentiekracht van de landbouw in het kader van de cofinanciering van inzet van Europese middelen.

Voorts worden taken uitgevoerd betreffende identificatie en registratie van dieren en het mestbeleid. Daarnaast verleent RVO.nl bepaalde vergunningen voor agrarische ondernemers en voor bezit en handel in beschermde plant- en diersoorten. Verder fungeert RVO.nl als thuishaven voor het landbouwradennetwerk.

Rijksrederij

De bijdrage aan de Rijksrederij is bestemd voor de inzet van schepen en bemanning voor het uitvoeren van taken op het gebied van visserijonderzoek en het beheer en de inspectie voor natuur en visserij.

Toelichting op de Begrotingsreserves

Naast het reguliere financiële instrumentarium zijn er begrotingsreserves. Hier kan voor artikel 6 geld uit worden onttrokken. Ook kan vanuit artikel 6 hierin geld gestort worden (voeding). Door middel van de begrotingsreserves worden uitgaven opgevangen die jaarlijks sterk in omvang kunnen variëren. In 2008 zijn de liquide middelen van drie ZBO’s, het Ontwikkeling- en Saneringsfonds voor de visserij, het Ontwikkeling- en Saneringsfonds voor de landbouw en het Borgstellingsfonds voor de landbouw overgeheveld naar respectievelijk de reserve Landbouw, Visserij en de Borgstellingsfaciliteit. Met de instelling van deze drie begrotingsreserves wordt het financiële instrumentarium voor ontwikkeling en sanering in de landbouw en visserij behouden. Het gaat om regelingen met fluctuerende uitgaven als gevolg van transitietrajecten die onvoorspelbaar zijn. Er is sprake van meerjarige uitfinanciering en een onzekere budgettaire planning. Daarnaast betreft het regelingen die afhankelijk zijn van het economische klimaat en bijvoorbeeld afhankelijk zijn investeringsbeslissingen (en investeringsritme) van ondernemers).

Stand begrotingsreserves per 31 december 2015 (x € 1.000)
   

Waarvan juridisch verplicht

Begrotingsreserve Landbouw

24.872

100%

Begrotingsreserve Visserij

17.231

85%

Begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit

22.162

100%

Begrotingsreserve Apurement

174.524

35%

Landbouw

Uit het saldo van de begrotingsreserve Landbouw worden uitgaven gedaan op het gebied van ontwikkeling en sanering in de landbouwsector, bijvoorbeeld voor energietransitie in de tuinbouwsector. In deze reserve zitten met name middelen voor het flankerend beleid pelsdierhouderij (in 2016 € 22 mln). Daarnaast zijn onder andere reserveringen getroffen voor de regeling Marktintroductie Energie Innovaties (MEI), de regeling fijnstofmaatregelen, Duurzame stallen PAS en de VAMIL compensatieregeling. Het bedrag in deze reserve is 100% juridisch verplicht. De middelen die voor flankerend beleid pelsdierhouderij gereserveerd zijn vallen hier ook onder.

Visserij

De begrotingsreserve Visserij is bestemd voor de meerjarige uitfinanciering van het vorige Europees Visserijfonds (EVF 2007–2013) en het huidige Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV 2014–2020). Het gaat om subsidieregelingen met langere doorlooptijden en een fluctuerend uitgavenpatroon over jaargrenzen heen. De EVF reserve (€ 12,2 mln) is 100% verplicht. Voor het EFMZV 2014–2020 is voor € 2,5 mln aan verplichtingen aangegaan en € 5 mln in de reserve gestort. Totaal is van de reserve van € 17,2 mln dan € 14,7 mln juridisch verplicht (85%).

Borgstellingsfaciliteit

De begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit is bedoeld om de verliesdeclaraties te betalen die voortvloeien uit garantstellingen aan banken waarmee innovatieve en duurzame investeringen in de landbouw en visserij worden gefaciliteerd (voorheen Garantstelling Landbouw met ingang van 2017 Borgstelling MKB-landbouwkredieten). Deze reserve houdt rekening met een bedrag aan uit te keren verliesdeclaraties. De begrotingsreserve zal fluctueren afhankelijke van economische tij. In goede tijden spaart men om verliesdeclaraties in slechte tijden te kunnen uitbetalen. In de periode 2009 tot en met 2015 is circa € 110 mln aan verliesdeclaraties betaald. Tegenover deze onttrekking staat een jaarlijkse reguliere storting van € 3 mln (waarvan € 1,8 mln aan ontvangen provisies). Tevens wordt geld in de begrotingsreserve gestort voor de Garantieregeling marktintroductie innovaties (GMI). Deze regeling gaat naar verwachting in 2017 open en dat is later dan verwacht. Door stortingen uit eerdere jaren terwijl de regeling nog niet was opengesteld, kan voeding vanuit de EZ begroting in de beginjaren achterwege blijven. Het totaal uitstaande bedrag waarvoor garant wordt gestaan is met ingang van 2016 € 322,4 mln en is daarmee 100% juridisch verplicht.

Apurement

De begrotingsreserve Apurement is uitsluitend bedoeld voor financiering van uitgaven voor apurement. Apurement heeft betrekking op correcties van de Europese Commissie (EC) vanwege een niet EU-conforme uitvoering van EU-subsidieregelingen. In 2016 is bij eerste suppletoire begroting € 62,9 mln aan correcties aan de EU verwerkt en betaald. Verder heeft Nederland een rechtszaak gewonnen bij het Gerecht van de EU over ten onrechte niet in rekening brengen van wettelijke rente bij achterstallige vorderingen. De EC heeft € 4,7 mln terugbetaald aan Nederland. Dit bedrag is in de reserve apurement gestort. Van de in totaal € 179,2 mln (€ 174,5 mln en de € 4,7 mln terugbetaling aan EU) aan reserve is 35% juridisch verplicht. Pas op het moment van de ontvangen uitspraak van de EC is er sprake van een juridische verplichting. Zoals afgesproken met het Ministerie van Financiën, monitort EZ het verloop van correctievoorstellen en – besluiten. In overleg met Financiën bepaalt EZ bij het opstellen van de begroting of de omvang van deze reserve proportioneel is in relatie tot de financiële dreigingen uit lopende onderzoeken. Bij Voorjaarsnota 2016 is besloten geen jaarlijkse toevoegingen aan de reserve meer te doen zolang het saldo boven de € 90 mln is.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Bedragen x € 1 mln
 

2016

2017

Landbouwvrijstelling in de inkomstenbelasting

1.342

1.370

Verlaagd tarief glastuinbouw

116

113

Verlaagd tarief sierteelt

233

233

Landbouwregeling

17

17

Vrijstelling cultuurgrond

115

117

Een toelichting op de fiscale instrumenten is opgenomen in bijlage 5 van de Miljoenennota (Belastinguitgaven en Inkomstenbeperkende regelingen).

7 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

Algemene doelstelling

Groen onderwijs van hoge kwaliteit. Hierbij streeft het Ministerie van Economische Zaken (EZ) naar:

  • •  Voldoende gekwalificeerde beroepsbeoefenaren voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte.
  • •  Vergroten van de kennisverspreiding en -benutting voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte.

Hiermee draagt groen onderwijs bij aan de doelstellingen van de artikelen 6 (Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens) en 8 (Natuur en biodiversiteit).

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is verantwoordelijk voor:

Voldoende gekwalificeerde beroepsbeoefenaren voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte.

Stimuleren

  • •  Stimuleren van een hoog kwaliteitsniveau van beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
  • •  Stimuleren van voorwaarden om te voldoen aan de vervangingsvraag en de transitie naar een groene economie. Afspraken maken met instellingen over bevorderen doorstroom, verminderen aantal voortijdige schoolverlaters, leven lang leren door om- her- en bijscholing, versterken doorlopende leerlijnen binnen de groene verticale onderwijskolom, bevorderen van cross-overs met het overig beroepsonderwijs en vakinhoudelijke vernieuwing van het groen onderwijs.
  • •  Stimuleren, in overleg met de instellingen, van ondernemerschap en internationalisering waardoor leerlingen/studenten na afronding van hun opleiding een basis hebben voor de start van een eigen bedrijf in het groene domein.

Regisseren

  • •  Met de instellingen en het bedrijfsleven zorgdragen voor het versterken van gekwalificeerde functies binnen het domein voedsel, natuur en leefomgeving door het groen (voorbereidend) beroepsonderwijs en van de kennisverspreiding binnen de groene kennisinfrastructuur.

Financieren

  • •  De groene onderwijsinstellingen functioneren binnen het wettelijk onderwijsstelsel dat voor het gehele onderwijs geldt.

Kennisverspreiding en -benutting voor het agrofoodcomplex en de groene ruimte (natuur en groene leefomgeving), onder meer door actieve inzet van het groen onderwijs om beleidsdoelen te realiseren.

Stimuleren

  • •  Stimuleren van vraaggestuurde landelijke Centra voor Innovatief Vakmanschap (CIV) voor het MBO en Centers of Expertise (CoE) voor het HBO op een achttal expertisethema’s: Biobased Economy, Greenports, Agrodier, Food, Open teelten, Natuur en groene Leefomgeving, Agri&Food en Tuinbouw&Uitgangsmaterialen. De activiteiten van de CIV en CoE zijn gericht op zelfvoorzienendheid. Belangrijke speerpunten zijn het opleiden van talent dat aansluit bij de arbeidsmarktbehoeften, ondersteunen van innovatieopgaven bij ondernemers, zwaartepuntvorming onderwijs en onderzoek, stimuleren van publiek-private samenwerking gericht op excellent onderwijs en praktijkgericht onderzoek samen met bedrijfsleven.
  • •  Stimuleren van het innovatief vermogen van het MKB door het instrument van groene plus lectoraten in het groene Hoger beroepsonderwijs meer vraaggestuurd in te zetten voor kennisvragen vanuit het MKB.
  • •  Stimuleren van activiteiten gericht op het verspreiden, doorstromen en benutten van kennis voor doelgroepen die deelnemen aan de Nederlandse samenleving.

Kengetal

2011

2013

2015

Ambitie

Adequaat aanbod aan de vraag op de arbeidsmarkt

1%

52%

85%

90%

Bron: The Research Centre for Education and the Labour Market (ROA)

Toelichting: Adequaat aanbod wordt gemeten door middel van de Indicator Toekomstige Knelpunten in de Personeelsvoorziening naar Beroep (ITKB). Resultaten worden tweejaarlijks gepubliceerd.

Beleidswijzigingen

Op de volgende speerpunten en beleidswijzigingen wordt ingezet in 2017:

  • •  Borgen van de resultaten en kennisinfrastructuur uit de afgeronde acties vanuit de MeerjarenInvesteringsProgramma’s (2013–2015).
  • •  Invulling geven aan de uitvoering van de strategische meerjarige ontwikkelagenda groen onderwijs, zoals deze door het groen onderwijs is opgesteld in overeenstemming met Economische Zaken en het bedrijfsleven.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

VERPLICHTINGEN

827.516

860.843

855.509

838.105

826.442

816.075

804.522

UITGAVEN

843.384

814.179

804.513

784.363

771.904

761.490

756.551

Waarvan juridisch verplicht

   

100%

       
               

Garanties

55

           

Schatkistbankieren

55

           

Bekostiging

780.769

780.489

776.346

759.483

747.935

737.593

732.654

WO-groen

174.610

182.865

185.670

189.434

193.274

197.191

201.978

HBO-groen

90.568

83.173

83.758

86.136

88.693

84.065

81.100

MBO-groen

181.919

170.073

163.098

160.019

153.559

152.289

151.328

Wachtgelden

13.991

14.424

14.404

14.408

14.299

14.301

14.301

VMBO-groen

316.547

329.904

327.046

307.661

296.285

287.922

282.122

Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) voorheen Aequor

3.134

50

2.370

1.825

1.825

1.825

1.825

               

Subsidies

60.695

32.173

26.692

23.405

22.494

22.422

22.422

Aansturing collectieve ondersteuning

5.875

           

School als Kenniscentrum

21.962

1.604

         

Kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs

1.523

101

         

Aanvullende onderwijssubsidies

27.106

27.098

25.303

22.116

21.205

21.133

21.133

Ontwikkeling en beheer natuurkwaliteit

1.429

1.322

1.322

1.222

1.222

1.222

1.222

Educatie

2.800

2.048

67

67

67

67

67

               

Opdrachten

628

 

37

37

37

37

37

Kennisverspreidingsprojecten

628

 

37

37

37

37

37

               

Bijdragen aan agentschappen

1.237

1.517

1.438

1.438

1.438

1.438

1.438

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

1.237

1.279

1.200

1.200

1.200

1.200

1.200

Bijdrage DUO

 

238

238

238

238

238

238

ONTVANGSTEN

243

75

75

75

75

75

75

Budgetflexibiliteit

Het budget 2017 is voor € 802 mln (100%) juridisch verplicht. De volgende uitgaven zijn volledig juridisch verplicht:

  • •  Aanpassing van de bekostiging (€ 776,3 mln) en het OCW-volgende deel van de aanvullende onderwijssubsidies (18,6 mln) vereist aanpassing van de relevante regelgeving.
  • •  Voor € 7,3 mln is het budget vastgelegd in meerjarige verplichtingen.

Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Rijksbijdrage WO-groen, HBO-groen, MBO-groen, Wachtgelden, VMBO-groen en SBB

Het betreft normatieve bekostiging gebaseerd op de onderwijswetgeving. EZ bekostigt groen wetenschappelijk onderwijs, 5 HBO-instellingen, 12 Agrarische Opleidingscentra voor Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs/Middelbaar Beroepsonderwijs (VMBO/MBO), de groene MBO-opleiding aan Regionaal Opleidingscentrum (ROC) Landstede, 36 groene afdelingen van scholengemeenschappen en de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB).

Bekostigde aantallen in het groen onderwijs in 2017

Instrument

Type studenten/ getuigschriften/ promoties

Aantallen

Prijs

Bedrag

* € 1.000

Uitgaven 2017

* € 1.000

Bekostiging WO-groen

Inschrijvingen

6.510

5.381

35.031

 
 

Graden Bachelor

968

8.353

8.085

 
 

Graden Master

1.126

11.325

12.752

 
 

Promoties

305

81.916

24.984

 
 

Vaste componenten

   

104.818

185.670

Bekostiging HBO-groen

Inschrijvingen hoog

8.524

6.628

56.497

 
 

Graden hoog

1.491

6.628

9.882

 
 

Vaste componenten

   

17.379

83.758

Bekostiging MBO-groen

Deelnemers beroeps-opleidende leerweg

20.100

7.014

140.980

 
 

Deelnemers beroeps-begeleidende leerweg

5.400

4.096

22.118

163.098

Wachtgelden

Vaste component

     

14.404

Bekostiging VMBO-groen

Leerlingen VMBO/VBO

21.600

7.557

163.222

 
 

Leerlingen VMBO/LWOO+PRO

13.700

11.958

163.824

327.046

SBB

Vaste component

     

2.370

Totaal

       

776.346

Bekostigde aantallen studenten in het groen onderwijs tot en met 2021

Onderwijssoort

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

WO

8.300

9.000

9.700

10.200

10.700

11.200

11.800

HBO

10.000

10.400

10.900

11.300

11.800

12.100

12.400

MBO

27.900

25.900

25.500

25.300

24.600

24.500

24.400

VO

35.300

35.900

35.300

34.200

33.100

32.200

31.600

Kengetal

2011

2012

2013

2014

2015

Ambitie

% afgestudeerden dat minimaal werkt op niveau van opleiding

71%

72%

70%

71%

75%

85%

Bron: The Research Centre for Education and the Labour Market (ROA)

De waarde is een gemiddelde van het cijfer voor niveau 4 van de Beroepsopleidende leerweg (BOL 4) en HBO in het groen onderwijs.

Kengetal

2011

2012

2013

2014

2015

Ambitie

Kwaliteitsniveau groen onderwijs

82%

83%

88%

89%

90%

92%

Bron: Inspectie voor het onderwijs

De inspectie voor het onderwijs bepaalt periodiek op basis van meerdere gestandaardiseerde criteria welk percentage groene scholen voldoende kwaliteit heeft. Hoe hoger het percentage, hoe meer groene scholen voor Middelbaar Beroepsonderwijs en Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs (VMBO) gemiddeld genomen een voldoende scoren op kwaliteit. De opgenomen waarden zijn het gemiddelde van VMBO en MBO.

Subsidies

Aanvullende onderwijssubsidies

  • •  Subsidies toetsing en examinering (CITO);
  • •  Subsidieregelingen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor onderwijsvernieuwing onder andere: internationale mobiliteit, verhoging van opleidingsniveau, deelname leven lang leren, carrièrepatroon docenten;
  • •  Subsidies van EZ voor Groene plus lectoraten, Centra voor Innovatief Vakmanschap en Centres of Expertise. Doel is om het beroepsonderwijs te vernieuwen door kenniscirculatie tot stand te brengen binnen de gouden driehoek. Het gaat hierbij om de uitfinanciering van reeds aangegane verplichtingen. Deze EZ subsidies zijn als onderdeel van de taakstelling uit het Regeerakkoord Rutte II geschrapt met ingang van 2016.

Kengetal

2011

2012

2013

2014

2015

Ambitie

Voortijdig schoolverlaten

4,6%

4,3%

3,0%

2,8%

2,5%

2%

Bron: DUO

Het betreft het percentage leerlingen VMBO leerjaar 3 en 4 plus MBO leerlingen dat zonder startkwalificatie (minimaal MBO-2 niveau) het onderwijs verlaat ten opzichte van het totaal aantal VMBO 3–4 plus MBO leerlingen.

Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit

Het betreft subsidies voor het ontwikkelen van maatregelen om negatieve gevolgen van verdroging, vermesting en verzuring tegen te gaan. Het levert kennis op voor de implementatie van belangrijke beleidsitems zoals Natura 2000, realiseren van natuurterreinen en leefgebiedplannen.

Educatie

Het betreft subsidies ten behoeve van samenwerkingsovereenkomsten met organisaties (scholen, maatschappelijke organisaties, andere overheden, bedrijven en coalities daarvan) die educatieactiviteiten organiseren. De financiering van inhoudelijke projecten zal grotendeels worden ingevuld vanuit inhoudelijke dossiers, zoals het programma Jong Leren Eten (artikel 6).

Opdrachten

Kennisverspreidingsprojecten

Hiermee zet EZ in op een betere ontsluiting van kennis voor gebruik door ondernemers en maatschappelijke groepen. Kennisverspreidingsprojecten richten zich op thema’s als dierenwelzijn, klimaat en milieu, en multifunctionele landbouw.

Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de bijdragen aan Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ten behoeve van het educatie-programma DuurzaamDoor en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) voor de bekostiging van het groen onderwijs.

Begrotingsreserve

Stand begrotingsreserve per 31 december 2015 (x € 1.000)

Begrotingsreserve schatkistbankieren Groen Onderwijs

138

EZ staat garant voor het in gebreke blijven van de groene onderwijsinstellingen die gebruik maken van de regeling schatkistbankieren. Deze regeling schatkistbankieren voor het groene onderwijs is overeenkomstig de regeling zoals deze geldt voor OCW gefinancierd onderwijs. De premies van instellingen worden jaarlijks via het Ministerie van Financiën aan EZ overgemaakt en in de begrotingsreserve verwerkt. EZ staat garant voor een leningenportefeuille van € 86,3 mln. Het bedrag van de reserve is 100% juridisch verplicht.

8 Natuur en biodiversiteit

Algemene doelstelling

EZ streeft naar een sterke en veerkrachtige natuur, verweven met de economie en optimaal bijdragend aan duurzaam maatschappelijk welzijn.

Rol en verantwoordelijkheid

De Minister van EZ is verantwoordelijk voor:

Het in nationaal, EU- en mondiaal verband beschermen en versterken, alsmede duurzame benutten van natuur en biodiversiteit. Het Rijk werkt hieraan, in lijn met de Rijksnatuurvisie Natuurlijk verder (2014), in verschillende rollen op uiteenlopende werkterreinen. Voor natuur op land is de samenwerking met de provincies cruciaal: binnen de kaders van de wet Natuurbescherming en het Natuurpact en zijn de provincies verantwoordelijk voor het realiseren van natuurdoelen. De Minister van EZ is verantwoordelijk voor de kaders van behoud, versterken en duurzaam benutten van de nationale natuur en biodiversiteit. Voor de natuurkwaliteit van de Rijkswateren en voor de internationale samenwerking op natuurgebied, treedt de Minister als eerstverantwoordelijke op. De Minister is met anderen verantwoordelijk voor het stimuleren en anderszins versterken van de maatschappelijke betrokkenheid bij het duurzaam benutten van natuur en biodiversiteit.

Stimuleren en faciliteren

  • •  Agenderen en ondersteunen van mogelijkheden voor duurzame landschapsontwikkeling en positieversterking nationale parken.
  • •  Innovatieve combinaties tussen natuur en maatschappelijke en economische activiteiten helpen realiseren.
  • •  Bevorderen van behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit in het agrarisch gebied en agroketens.
  • •  Internationale aandacht voor bedreigde soorten.
  • •  Ontwikkeling en toepassing van natuurlijk-kapitaal-rekening in zowel publiek domein als bedrijfsleven en bevorderen dat bedrijven, financiële instellingen en de overheid transparant zijn over hun impact op en afhankelijkheid van natuurlijk kapitaal.
  • •  Inzet van de Nederlandse bos-, natuur- en houtsector in het energie- en klimaatbeleid en het bevorderen van de duurzame bijdrage van bos en natuur aan de groene grondstoffenvoorziening.
  • •  Maatschappelijke initiatieven in lijn met natuurvisies van Rijk en provincies ondersteunen.

Regisseren

  • •  Nederlandse inzet in internationaal overleg over natuur en biodiversiteit zó organiseren dat ook andere sectoren en ketens verantwoordelijkheid nemen voor behoud en versterking van natuur en biodiversiteit.
  • •  Inzet op de Agenda 2030 voor Duurzame Ontwikkeling (Sustainable Development Goals) op het terrein van natuur en biodiversiteit.
  • •  Versterken van natuurkwaliteit in de Grote Wateren.

Uitvoeren

  • •  Met provincies nakomen van afspraken die gemaakt zijn in het Natuurpact, en samen met provincies en IenM monitoren van de toestand van natuurbescherming en benutting op land en in het water.
  • •  Onderhouden en handhaven Wet Natuurbescherming en Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming Caribisch Nederland.
  • •  Naleving van internationale en in EU-verband gemaakte afspraken.
  • •  Het doen uitvoeren van regelingen en programma’s (zoals met provincies, en ministeries IenM en Defensie realiseren van Programma Aanpak Stikstof, Programma naar een Rijke Waddenzee, de natuuronderdelen van de Mariene Strategie en het beheer van Kroondomeinen).
  • •  Staatsbosbeheer in staat stellen uitvoering te geven aan zijn wettelijk verankerde en maatschappelijk gewortelde kerntaken.
Prestatiemeting

Percentage niet bedreigde diersoorten

1995

2006

2016

61,4%

61,2%

61,8%

Bron CBS

Voor een aantal beleidsrelevante soortgroepen in Nederland bestaan Rode Lijsten van bedreigde planten- of diersoorten (onderverdeeld naar de ernst van de bedreiging: gevoelig, kwetsbaar, bedreigd, ernstig bedreigd, verdwenen uit Nederland). Het aantal soorten dat op een Rode Lijst staat is een maat voor de toestand van de Nederlandse biodiversiteit: hoe minder soorten bedreigd zijn, des te beter staat de natuur ervoor en andersom. Tot en met de rijksbegroting 2015 is deze indicator gebaseerd op gegevens over broedvogels, zoogdieren en dagvlinders, en werd deze gepresenteerd als een indexcijfer. Sinds 2016 is de indicator meer representatief gemaakt door ook de gegevens van libellen, vaatplanten, amfibieën en reptielen toe te voegen.

Deze Rode Lijst Indicator geeft het percentage soorten dat NIET op de Rode Lijst staat. Het betreft de weergave van het percentage niet bedreigde soorten. Bij een waarde van 100% staan er geen zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën, vlinders, libellen of vaatplanten meer op een Rode Lijst. Hoewel het verloop nog klein is duiden bovenstaande percentages op het tot staan brengen van de afname in bedreigde soorten, en daarmee op een zekere bestendiging van de biodiversiteit.

Beleidsinformatie

Kengetal

1992

1995

2000

2005

2010

2015

Aantal leden natuurbeschermings-organisaties (x 1.000)

1.174

1.662

1.980

2.221

2.130

1.962

Bron: Vroege Vogels Parade 1999, 2003, 2004, 2005 t/m 2015; Tot 2003: Natuurmonumenten, de Landschappen, Wereld Natuur Fonds, Vogelbescherming. Gegevens ontleend aan Compendium voor de leefomgeving (WUR/2016, www.clo.nl/nl12813 ).

Betreft het aantal leden van Wereld Natuur Fonds, Natuurmonumenten, Provinciale landschappen en de Vogelbescherming.

Particuliere natuurbeschermingsorganisaties spelen in Nederland een grote rol bij het beheer van natuurgebieden en het vormen van maatschappelijk draagvlak voor natuur en landschap. In de jaren negentig groeide de aanhang van de grotere natuurorganisaties sterk, maar in het laatste decennium is sprake van een dalende trend. Voor meer inzicht in de maatschappelijke betrokkenheid bij natuur en biodiversiteit zal het kengetal worden doorontwikkeld.

Beleidswijzigingen

Met ingang van 1 januari 2017 wordt de nieuwe wet natuurbescherming van kracht. Deels is dit een wettelijk verankering van eerder ingezette beleidswijzigingen met de decentralisatie afspraken. Met de inwerkingtreding van de wet zal een aantal regelgevings- en handhavingstaken verschuiven naar provincies. De Wet natuurbescherming zal via een aanvullingswet opgaan in de Omgevingswet.

Budgettaire gevolgen van beleid

Bedragen x € 1.000
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

VERPLICHTINGEN

180.495

140.045

124.509

116.060

113.166

113.344

113.344

               

UITGAVEN

173.107

141.779

125.645

116.138

120.911

121.089

121.089

Waarvan juridisch verplicht

   

84%

       
               

Subsidies

6.248

4.009

3.399

2.531

2.452

2.452

2.452

Vermaatschappelijking Natuur en Biodiversiteit

3.158

2.101

1.805

1.003

1.003

1.003

1.003

Natuur en biodiversiteit op land

2.457

1.136

822

756

677

677

677

Beheer Kroondomein

633

772

772

772

772

772

772

               

Leningen

28.747

28.175

29.745

29.745

29.745

29.745

29.745

Rente en aflossingen voor bestaande leningen (EHS & PNB)

28.747

28.175

29.745

29.745

29.745

29.745

29.745

               

Opdrachten

25.916

24.280

25.208

26.991

31.968

32.027

30.827

Natuur en Biodiversiteit Grote wateren

9.077

8.413

9.674

9.730

13.298

13.178

11.978

Vermaatschappelijking Natuur en Biodiversiteit

12.376

10.452

8.044

7.406

8.842

9.021

9.021

Overige stelsel activiteiten

1.691

1.672

1.859

4.230

4.230

4.230

4.230

Internationale Samenwerking

1.079

1.258

3.785

3.785

3.785

3.785

3.785

Natuur en Biodiversiteit op land

1.479

1.990

1.351

1.345

1.318

1.318

1.318

Caribisch Nederland

214

495

495

495

495

495

495

               

Bijdragen aan medeoverheden

1.313

9.034

7.621

       

Natuur en Biodiversiteit Grote Wateren

 

7.028

6.117

       

Caribisch Nederland

1.313

2.006

1.504

       
               

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

30.476

26.808

25.446

25.022

25.023

25.022

25.022

Staatsbosbeheer

30.476

26.808

25.446

25.022

25.023

25.022

25.022

               

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

551

1.722

1.081

1.013

1.013

1.013

1.013

Contributies

551

1.722

1.081

1.013

1.013

1.013

1.013

               

Bijdragen aan agentschappen

79.856

47.751

33.145

30.836

30.710

30.830

32.030

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland

71.769

38.125

23.638

21.640

21.512

21.632

22.832

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

8.087

9.626

9.507

9.196

9.198

9.198

9.198

               

ONTVANGSTEN

124.365

120.757

69.282

56.380

39.061

32.703

30.763

Landinrichtingsrente

47.225

42.161

40.161

37.259

34.940

31.418

29.478

Verkoop gronden

45.000

59.300

25.000

15.000

     

Overige

32.140

19.296

4.121

4.121

4.121

1.285

1.285

Budgetflexibiliteit

Het budget 2017 is voor circa € 105 mln (84%) juridisch verplicht. Dat komt met name door de verplichtingen die rusten op de onderdelen Rente en aflossingen, bijdragen aan agentschappen en de bijdrage aan Staatsbosbeheer.

Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Natuur en biodiversiteit op land

Het Rijk heeft met de decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies een beperkte rol bij natuur en biodiversiteit op land. Het budget wordt met name ingezet voor:

  • –  Beheer kroondomeinen: Kroondomein Het Loo is een landgoed van circa 10.400 hectare en bestaat uit twee deelgebieden: de Staatsdomeinen bij Het Loo (circa 3.650 hectare) en het eigenlijke Kroondomein (circa 6.750 hectare). Het Kroondomein is al meer dan 300 jaar verbonden met het Huis Oranje-Nassau. Het beheer van het Kroondomein wordt namens de Kroon uitgevoerd door de rentmeester. Voor het gehele Kroondomein bestaat eenheid van beheer. Bij de Staatsdomeinen bij Het Loo zijn de baten en lasten voor rekening van de Staat. De baten en lasten van het eigenlijke Kroondomein zijn voor rekening van de Kroondrager. De Kroondrager is economisch eigenaar van het eigenlijke Kroondomein en heeft hierop het vruchtgebruik en gebruikersrechten. Het bloot eigendom berust bij de Staat. Het Rijk verstrekt jaarlijks een subsidie van circa € 0,8 mln aan de Kroondrager, als privaatrechtelijk vruchtgebruiker van het eigenlijke Kroondomein, voor beheers- en inrichtingsmaatregelen van het Kroondomein Het Loo. De Kroondrager kan, net als iedere andere private exploitant van bos- en natuurterreinen, onder dezelfde voorwaarden gebruikmaken van de subsidieregelingen. De subsidie betreft derhalve geen uitgaaf die samenhangt met de uitoefening van het koningschap. Op de subsidie zijn de voorwaarden van de provinciale subsidieverordeningen Natuur- en Landschapsbeheer en Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap van toepassing.
  • –  Uitfinanciering van regelingen natuur: Dit betreft subsidieregelingen waarvoor geen nieuwe subsidies meer worden verstrekt, maar waarvoor nog wel (langlopende) betalingen plaatsvinden. Het gaat om Stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden (SBL), Tijdelijke regeling Particulier Natuurbeheer (TRPN) en Regeling Draagvlak Natuur (RDN).

Vermaatschappelijking natuur en biodiversiteit

Er wordt een subsidie van € 1 mln verleend aan het Instituut voor Natuureducatie en duurzaamheid (IVN) voor activiteiten op het gebied van communicatie, educatie, samenwerking en promotie van Nationale Parken.

Verder is het budget bestemd voor de subsidieregeling Innovatieve projecten biodiversiteit, waarvoor geen nieuwe subsidies meer worden verstrekt, maar in 2017 nog wel betalingen worden gedaan op lopende toekenningen.

Leningen

Rente en aflossingen voor bestaande leningen

Voor de realisatie (verwerving en doorlevering van gronden) van de Ecologische Hoofdstructuur zijn in het verleden leningen aangegaan met tussenkomst van het Groenfonds. Door de decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies worden geen nieuwe leningen meer aangegaan. EZ draagt zorg voor betaling van rente en aflossingen van de verstrekte leningen.

Opdrachten

Natuur en biodiversiteit op land

Het Rijk heeft met de decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies een beperkte rol bij natuur en biodiversiteit op land. Het Rijk is verantwoordelijk voor de kaders van behoud, versterken en duurzaam benutten van de nationale natuur en biodiversiteit. Zo is het aanwijzen van Natura 2000 gebieden en het onderhouden van deze besluiten de verantwoordelijkheid van EZ, tevens is EZ verantwoordelijk voor rapportage aan de Europese Commissie over de «staat van instandhouding». Verder is EZ op grond van de Wet grondslagen natuurbeheer en bescherming BES verantwoordelijk voor de implementatie van Internationale verdragen in Caribisch Nederland (Bonaire, Saba en Sint Eustatius). Het opdrachtenbudget wordt voor bovengenoemde onderwerpen ingezet.

Natuur en biodiversiteit Grote Wateren

Het Rijk is verantwoordelijkheid voor het beschermen en versterken van natuur en biodiversiteit in de grote wateren (het Waddengebied, de Zuidwestelijke Delta, het IJsselmeergebied, de Noordzee, het kustgebied en het rivierengebied). EZ zorgt ervoor dat het natuurbelang goed is geborgd bij het beheer en onderhoud van grote wateren en bij de uitvoering van projecten. Vanuit deze verantwoordelijkheid worden opdrachten verstrekt voor een aantal projecten en programma’s rond dit thema, zoals:

  • –  Nadere Uitwerking Rivierengebied (NURG): Hierbij werken IenM en EZ gezamenlijk aan projecten ter verbetering van de hoogwaterveiligheid en ontwikkeling van natuur in rivierengebieden. Er worden rivier verruimende maatregelen uitgevoerd om de veiligheid in het rivierengebied te vergroten. Een deel van het budget is bestemd om in totaal ruim 6.000 hectare nieuwe natuur te realiseren in de uiterwaarden van de Rijntakken en de bedijkte Maas. Het EZ deel wordt in opdracht door Staatsbosbeheer uitgevoerd.
  • –  Waddenzee: Hierbij is EZ onder meer verantwoordelijk voor de trilaterale samenwerking tussen Denemarken, Duitsland en Nederland voor de Waddenzee en is tevens de siteholder (voor Nederland) van dit internationale UNESCO Werelderfgoed-gebied. De Nederlandse delegatie bestaat uit vertegenwoordigers van EZ en IenM, de waddenprovincies en -gemeenten. Tot en met 2018 is Nederland voorzitter van deze trilaterale samenwerking. Een belangrijk speerpunt van de Nederlandse inzet is om een Wadden Foundation op te richten om het werelderfgoed op een duurzame en toonaangevende manier (inter)nationaal te promoten met inzet van bedrijfsleven en overheden. Daarnaast worden er opdrachten verstrekt voor het Programma naar een Rijke Waddenzee (PRW). PRW is een gezamenlijk uitvoeringsprogramma van EZ, IenM, de Waddenprovincies en de natuurorganisaties dat loopt tot en met 2018. Het programma wil lopende en nieuwe initiatieven voor natuurherstel en duurzaam gebruik in de Waddenzee met elkaar verbinden, nieuwe samenwerkingsverbanden vormgeven en nieuwe projecten voor natuurherstel in combinatie met een duurzaam gebruik van de Waddenzee initiëren.
  • –  Implementatie van de EU-Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM). Betreft de beschrijving van de – nationale – Mariene Strategie, deel 1 (2012) de huidige toestand van het mariene systeem, de gewenste toestand in 2020 en de daarbij behorende doelen en indicatoren, de Mariene Strategie, deel 2 (2014) een monitoringsprogramma en Mariene Strategie, deel3 (2015) een programma van maatregelen. In overeenstemming met de KRM, werken IenM en EZ inmiddels aan een tweede cyclus. EZ draagt samen met IenM (RWS) bij aan het Informatiehuis Marien, een gemeenschappelijk initiatief van IenM en EZ om alle mariene informatie en onderzoeksgegevens over de Noordzee op één plek toegankelijk te maken voor belangstellenden, overheden en professionals. Tevens heeft het Informatiehuis Marien een coördinerende rol in de uitvoering van het KRM-monitoringsprogramma toebedeeld gekregen, waar EZ ook aan bijdraagt.
  • –  Natuur Grote wateren: Het Rijk is verantwoordelijk voor het beleid en beheer in de Grote Wateren en wil komen tot een Delta waarin verschillende maatschappelijke functies optimaal tot ontwikkeling kunnen komen. Natuur is een van die functies en schept daarnaast voorwaarden voor andere functies. Om de natuur een bestendige plaats te geven ten midden van ons intensieve gebruik wordt geïnvesteerd in de veerkracht van het natuurlijk systeem. Deze investeringen verlopen via verschillende wegen. EZ werkt gebiedsgericht samen met andere overheden, natuurorganisaties en bedrijven om deze veerkracht en N2000 doelen in de grote wateren te realiseren. EZ draagt bijvoorbeeld bij aan de ontwikkeling van het Eems-Dollard gebied, herintroductie van schelpdieren en de projecten Vismigratie en Zandhonger. In het EU-programma LIFE IP natuur pakt EZ samen met maatschappelijke partijen en andere overheden lastige vraagstukken op rond de relatie vis & natuur, landbouw & natuur en waterveiligheid & natuur. Met deze aanpak kan natuur in bestaande programma’s op andere beleidsterreinen een positie krijgen aan de voorkant van de ruimtelijke planvorming opdat de natuuraspecten op eenvoudige wijze worden meegenomen.

Vermaatschappelijking natuur en biodiversiteit

EZ is met andere maatschappelijke partijen medeverantwoordelijk voor het stimuleren en anderszins versterken van de maatschappelijke betrokkenheid bij het duurzaam benutten van natuur en biodiversiteit. Onder andere door inzet op duurzame productie, vermarkting en benutting van biomassa (zie het Rijksbrede Circulaire Economie programma, www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2016/07/07/rijksbrede-programma-circulaire-economie. Hier wordt invulling aan gegeven door het bevorderen van duurzaam gebruik, transparantie over de impact van activiteiten op natuurlijk kapitaal en het stimuleren van (innovatie) combinaties van natuur met maatschappelijke en economische activiteiten. De budgetten voor vermaatschappelijking natuur en biodiversiteit worden onder meer ingezet voor:

  • –  Nationale Parken: In 2015 is, naar aanleiding van een amendement (TK, 34 000 XIII, nr. 128), het Programma Nationale Parken gestart. De ambitie van het Programma is om van de afzonderlijke Nationale Parken samen een sterk merk te maken, waarin zij ieder hun eigen positie innemen. Dit komt tot uitdrukking in de titel van het Programma: «Naar Nationale Parken van Wereldklasse». Met «Nationale Parken van Wereldklasse» wil de voorgenomen beweging verwoorden naar gebieden waarvan de kern bestaat uit vanuit (inter)nationaal perspectief waardevolle natuur gelegen in een ruimere landschappelijke, landschapsecologische, cultuurhistorische, en regionaal-economische context; gebieden die zich onderscheiden qua kwaliteit, uitstraling en toegankelijkheid voor de binnen- en buitenlandse bezoekers; gebieden die een eigen identiteit hebben, waarmee bewoners, maatschappelijke instellingen en ondernemers zich verbonden voelen; gebieden die aansprekend zijn voor een (inter)nationaal publiek, het zijn iconen voor de regio en voor Nederland. Het budget wordt onder andere ingezet voor een publieksverkiezing (waarmee een grotere betrokkenheid van het publiek bij natuur wordt beoogd) waarbij gebieden worden geselecteerd, waar ervaring wordt opgedaan met branding, beleefbaarheid, economisch rendement, ruimtelijke kwaliteitsimpuls, en goede governance. Deze gebieden met waardevolle natuur moeten zich gaan onderscheiden, uitgroeien tot iconen van de regio en inhoud geven aan het sterke merk «Nationale Parken».
  • –  Natuurlijk kapitaal: De afgelopen twee jaar hebben koplopers uit bedrijven, financiële instellingen en overheden, in samenwerking met maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen, geëxperimenteerd met methoden en tools om hun afhankelijkheden, het gebruik van en hun impact op het natuurlijk kapitaal7 in beeld te brengen. De inzichten die dit heeft opgeleverd helpt partijen te innoveren en zo hun ecologische voetafdruk terug te dringen. Beschikbare middelen zijn ingezet om de implementatie van methoden en tools door bedrijven, financiële instellingen en overheden op te schalen en internationale standaardisatie te ondersteunen. Voorbeelden van gefinancierde activiteiten zijn ondersteuning van Platform Biodiversiteit en Ecosystemen en Economie en het netwerk van Natural Captains, de Green Deal Transparantie van Natuurlijk en Sociaal Kapitaal (een samenwerking van > 25 partijen), de Community of Practice Financiële Instellingen en Natuurlijk Kapitaal en het PBL programma Natuurlijk Kapitaal Nederland. In het najaar zal de Tweede Kamer in een aparte brief worden geïnformeerd over welke stappen EZ in de toekomst zal zetten om samen met maatschappelijke partners te stimuleren dat publieke en private organisaties natuurlijk adequaat waarderen en meewegen in besluiten. Hiermee wordt tevens bijgedragen aan de uitvoering van de duurzame ontwikkelingsdoelen (Sustainable Development Goals, SGDs), specifiek subdoel 12.2. De duurzame ontwikkelingsdoelen zijn op 25 september 2015 door alle lidstaten van de Verenigde Naties aangenomen.
  • –  Natuurcombinaties: Onder de noemer natuurcombinaties werkt EZ aan de borging van het natuurbelang in andere sectoren. Door het belang en de (economische) waarde van natuur en natuurlijke processen voor een sector in beeld te brengen, ontstaat er in die sector een belang om zorgvuldig met de natuur om te gaan. Het beschikbare budget wordt ingezet voor ondersteuning van kansrijke maatschappelijke initiatieven, opbouw van kennis door ondersteuning van onderzoeken en pilots verspreiding van kennis, netwerkvorming waardoor initiatiefnemers en koplopers van elkaar kunnen leren en het sluiten van Green Deals en Citydeals. Daarbij focust de inzet zich op natuurinclusieve landbouw, natuur in de stad, natuur en gezondheid en biomimicry.
  • –  Programmatische Aanpak Stikstof (PAS): Nederland zet de Programmatische Aanpak Stikstof in voor het realiseren van de Natura 2000-doelen, terwijl tegelijkertijd economische ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Het Programma Aanpak Stikstof is op 1 juli 2015 in werking getreden. Het opdrachtenbudget wordt onder andere ingezet voor het meten van effecten van het PAS op de stikstof en ammoniakconcentraties, kosten voor herzieningen van het plan als gevolg van monitoring en bijsturing, en het beheer van het rekeninstrument Aerius.

Internationale samenwerking

Dit budget wordt onder meer ingezet voor de uitvoering van acties die zijn afgesproken bij internationale verdragen en afspraken over biodiversiteit, kennis en wetenschap, handel in bedreigde diersoorten (CITES), migrerende soorten, wetlands, bos, hout en walvissen. Daarnaast worden uitgaven gedaan voor In Beslag genomen Goederen (IBG) in het kader van handel in bedreigde diersoorten. Verder wordt een bijdrage verstrekt voor de implementatie van de aan biodiversiteit gerelateerde onderdelen van de VN Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de daaraan gekoppelde doelstellingen (Sustainable Development Goals). Zo wordt er internationaal aandacht besteed aan de synergie tussen natuur en voedselproductie en integraal landgebruik en wordt gewerkt aan het beprijzen van de positieve externe effecten van natuur op economie (natural capital acounting). Ook wordt gewerkt aan het beperken van de ecologische voetafdruk van Nederland door het tegengaan van ontbossing, het bevorderen van duurzaam bosbeheer en het verduurzamen van de productie van en de handel in de belangrijkste handelsketens die in relatie tot ontbossing en duurzaambosbeheer van grote invloed zijn, zoals die van palmolie, soja en hout (inclusief houtige biomassa voor energiedoeleinden). Het verduurzamen van deze handelsketens wordt samen met het bedrijfsleven en NGO’s opgepakt. Hiervoor worden diverse bijdragen verstrekt.

Overige stelsel activiteiten

Het budget wordt met name ingezet voor verplichte monitoring en evaluatie, inclusief het verzamelen van de noodzakelijke gegevens. Het verzamelen van gegevens over planten, dieren en habitats (monitoring) is nodig voor het volgen van internationale natuurdoelen en het opstellen van de internationale rapportages op het gebied van natuur- en biodiversiteit (waaronder de EU-richtlijnen, CBD, Verdrag van Bern, -Bonn, Waddenverdrag). Deze worden vooral via het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) verzameld. Verder verstrekt EZ een bijdrage aan de Databank Flora en Fauna en aan het CBS voor de statistische bewerking van natuurgegevens.

Bijdragen aan andere overheden

Natuur en biodiversiteit op land

Voor de periode 2014–2017 is eenmalig een bedrag toegezegd van € 7,5 mln voor natuurprojecten in Caribisch Nederland. De doelen die hiermee worden nagestreefd zijn: behoud van koraal, in het bijzonder erosiebestrijding; duurzaam gebruik van natuur bijvoorbeeld door de toegankelijkheid te vergroten; synergie tussen natuur en landgebruik (landbouw en toerisme).

Natuur en biodiversiteit Grote Wateren

Sinds 2006 wordt het Natuurherstel Programma Westerschelde (NPW) uitgevoerd. Door middel van diverse projecten, waaronder de Hedwigepolder, wordt minimaal 600 hectare nieuwe estuariene natuur gecreëerd. De planvorming is afgerond en het Rijk stelt de middelen als een specifieke uitkering beschikbaar aan de provincie Zeeland die de diverse projecten uitvoert.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Nederland is partij bij een aantal internationale verdragen die opgericht zijn voor het behoud van de mondiale biodiversiteit met als doel dat de mondiale biodiversiteit en de relatie die dit met de Nederlandse biodiversiteit heeft, behouden wordt. Ondertekening en toetreding bij een verdrag leidt tot contributieverplichting aan de betreffende organisatie. Uit deze post worden onder meer de contributies betaald aan (inter)nationale organisaties.

Bijdrage ZBO’s/RWT’s

Het betreft een bijdrage aan de organisatiekosten van Staatsbosbeheer en voor opdrachten en projecten aan Staatsbosbeheer zoals het beheer van rijksmonumenten. De opdracht voor de uitvoering van NURG staat vermeld onder opdrachten Natuur en Biodiversiteit Grote Wateren.

Bijdragen aan agentschappen

Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

De bijdrage is onder meer voor de uitvoering van taken voor het versterken van de ecologie, het versterken van de relatie van de ecologie met de economie, uitvoering van de natuurwetgeving, uitvoering van CITES en de uitvoering van het agrarisch natuurbeheer.

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

De NVWA levert een bijdrage aan duurzame instandhouding van de biodiversiteit, tegengaan van illegale handel en bezit van bedreigde dier- en plantensoorten en producten daarvan, tegengaan van illegale handel in hout(producten) en toezien op rechtmatig gebruik van natuursubsidies. Het betreft handhaving op de Flora- en Faunawet, Natuurbeschermingswet 1998, FLEGT en CITES-regelgeving. De NVWA opereert in een handhavingsketen van partijen zoals Douane, Politie, OM, Staatsbosbeheer, Kustwacht, RVO.nl en omgevingsdiensten.

Toelichting op de ontvangsten

Landinrichtingsrente

Tot aan de start van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) in 2007 werd wettelijke landinrichting uitgevoerd op basis van de Landinrichtingswet. Op grond van deze wet schiet het Rijk de kosten van een landinrichting voor en worden de kosten daarna door de gezamenlijke eigenaren terugbetaald. Dit gebeurt door middel van de zogenaamde landinrichtingsrente. Op dit moment zijn er nog diverse projecten op basis van de Landinrichtingswet in uitvoering. Op basis hiervan wordt voorzien dat het Rijk nog circa 30 jaar landinrichtingsrente zal ontvangen.

Verkoop gronden

Op grond van het regeerakkoord uit 2010 is sprake van een inkomstentaakstelling uit de verkoop van gronden van ZBO’s (Bureau Beheer Landbouwgronden en Staatsbosbeheer), of via overige inkomstenbronnen. Deze ontvangsten komen ten gunste van het generale beeld.

Budgettair belang fiscale maatregelen

Naast onderstaande regelingen neemt ook de Natuurschoonwet een belangrijke plaats in. Deze Nederlandse wet biedt fiscale voordelen aan eigenaars van landgoederen.

Bedragen x € 1 mln

2016

2017

Vrijstelling landinrichting

1

1

Bosbouwvrijstelling

5

5

Vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer

7

7

Vrijstelling bos- en natuurterreinen forfaitair rendement

7

7

Vrijstelling natuurgrond

4

4

4. De niet-beleidsartikelen

40 Apparaat

Op dit artikel zijn de personele- en materiële uitgaven en ontvangsten van EZ geraamd, voor zover die betrekking hebben op het kerndepartement (Directoraten-Generaal en stafdirecties) en de diensten van EZ (ACM8, CPB, SodM en PIANOo). De uitgaven aan externe inhuur, de uitgaven aan ICT en de bijdragen aan shared service organisaties (SSO’s) worden apart inzichtelijk gemaakt en meerjarig geraamd. Tevens bevat dit artikel onder SSO DICTU een raming voor de bijdragen aan agentschappen voor zover het opdrachten betreft ten behoeve van het kernministerie EZ.

Apparaatsuitgaven kerndepartement en diensten

Bedragen x € 1.000
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

VERPLICHTINGEN

374.245

407.088

334.284

324.114

330.246

324.941

324.050

UITGAVEN

374.245

407.088

334.284

324.114

330.246

324.941

324.050

               

Personele uitgaven

248.694

275.629

234.181

239.245

246.774

241.492

240.127

– waarvan eigen personeel

199.484

218.165

208.260

203.053

202.787

200.473

199.440

– waarvan externe inhuur

8.364

6.090

5.890

5.690

5.690

5.690

5.690

– waarvan overige personele uitgaven

40.846

51.374

20.031

30.502

38.297

35.329

34.997

Materiële uitgaven

125.551

131.459

100.103

84.869

83.472

83.449

83.923

– waarvan ICT1

6.255

7.065

7.065

7.065

7.065

7.065

7.065

– waarvan bijdrage aan SSO’s (exclusief DICTU)

38.878

40.638

30.494

32.480

31.454

31.659

31.606

– waarvan SSO DICTU

53.500

40.608

30.767

29.727

29.727

29.727

29.727

– waarvan overige materiële uitgaven

26.918

43.148

31.777

15.597

15.226

14.998

15.525

               

ONTVANGSTEN

42.425

34.076

35.826

37.844

37.798

37.798

37.798

Noot 1: Het totaal van de ICT uitgaven van het kerndepartement en buitendiensten bestaan uit de ICT-uitgaven geraamd onder de post materiële uitgaven en de bijdrage aan de SSO DICTU.

Toelichting op de uitgaven

Personele uitgaven

Betreft alle personeelsuitgaven voor het kerndepartement en de diensten. In de begroting 2017 zijn de ramingen voor externe inhuur apart gespecificeerd. Onder de overige personele uitgaven zijn de uitgaven van het sociaal plan voor onder andere afronding uitvoeringsorganisatie DLG, wachtgelduitgaven en personeelsgerelateerde kosten zoals kosten woon-werkverkeer geraamd.

Materiële uitgaven

Betreft de materiële uitgaven van de ondersteunende processen voor het kerndepartement en de buitendiensten. Dit omvat onder andere huisvesting, communicatie, ICT en de bijdrage aan het Inkoopuitvoeringscentrum (IUC) dat gepositioneerd is bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Vanaf de begroting 2014 zijn de uitgaven voor ICT en bijdrage aan shared service organisaties (SSO’s) apart zichtbaar gemaakt. ICT bevat zowel de uitgaven voor projecten als structurele uitgaven (onderhoud, licenties en vervanging). De bijdragen aan SSO’s betreffen onder andere het Rijksvastgoedbedrijf (RVB), Expertisecentrum/Ontwikkelingscentrum Rijk en Dienst ICT Uitvoering (DICTU). De bijdrage aan DICTU is bestemd voor ICT-dienstverlening aan het kerndepartement. Het betreft hier werkplekservices, infrabeheer en applicatieservices.

Toelichting op de ontvangsten

De ontvangsten betreffen bij de ACM de bijdrage voor telecommunicatie, vervoer en post. Bij de SODM betreft het de kosten die zijn doorberekend aan de markt voor vergunningverlening en taken die volgen uit de (nieuwe) Europese Richtlijn 2013/30/EU. Bij het CPB gaat het om doorbelaste werkzaamheden voor onder andere facilitaire kosten huisvesting en functioneel beheer ICT-systemen.

Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten inclusief agentschappen, ZBO’s en RWT’s

De onderstaande tabel geeft de totale apparaatsuitgaven voor EZ weer. Hierbij zijn de apparaatsuitgaven voor het kernministerie en de buitendiensten alsmede de apparaatskosten van de agentschappen en de ZBO’s en RWT’s (voor zover deze via de Rijksbegroting gefinancierd worden) weergegeven.

Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten inclusief agentschappen, ZBO’s en RWT’s

Bedragen x € 1.000
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

1. Apparaatsuitgaven Departement

             

Kerndepartement (beleid en staf)

291.083

313.647

244.841

239.776

246.227

243.422

242.531

Apparaatsuitgaven diensten

             

Centraal Planbureau (CPB)

14.877

17.567

15.481

13.301

13.242

13.242

13.242

Autoriteit Consument en Markten (ACM)

57.950

64.845

64.037

62.096

62.096

59.596

59.596

Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)

7.811

10.139

9.925

8.941

8.681

8.681

8.681

PIANOo (exclusief Programma)

2.523

890

         

2. Apparaatskosten Agentschappen

             

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

468.189

460.244

429.261

409.419

403.230

403.200

401.097

Agentschap Telecom (AT)

32.081

39.560

39.856

36.214

36.219

36.220

36.220

Dienst ICT Uitvoering (DICTU)

227.332

228.900

211.900

211.300

211.300

211.500

211.700

Dienst Landelijk Gebied (DLG)

12.384

           

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

313.182

314.314

319.842

321.416

304.517

294.815

294.815

3. Apparaatskosten ZBO’s en RWT’s

             

Centraal Bureau voor de Statistiek

181.083

180.159

         

Stichting COVA

1.440

1.448

         

Raad voor Accreditatie

12.819

13.968

         

Raad van bestuur Autoriteit Consument en Markt

649

375

         

TNO

420.596

432.819

         

Staatsbosbeheer

62.336

65.568

         

Raad voor Plantenrassen

827

835

         

Ctgb (College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden)

12.445

13.566

         

Kamers van Koophandel

175.889

190.800

         

Wageningen Research

219.401

222.100

         

In de tabel zijn onder andere de personele en materiële apparaatskosten van de agentschappen, ZBO’s en RWT’s vermeld. Echter, deze apparaatskosten worden niet alleen door EZ gefinancierd, maar ook door andere opdrachtgevende ministeries en derden. In de betreffende agentschapsparagrafen en de bijlage ZBO’s en RWT’s wordt dit nader toegelicht.

Tabel apparaatsuitgaven per dienstonderdeel van het kerndepartement en diensten

Budgettaire gevolgen (x € 1.000)
 

2017

Totaal apparaat

334.284

DG Energie, Telecom en Mededinging

16.360

DG Bedrijfsleven en Innovatie

24.592

DG Agro & Natuur

28.655

Kerndepartement overig en diensten

264.677

Dit betreft de personeelsuitgaven van het kerndepartement en diensten. Materiële kosten worden verantwoord op het onderdeel kerndepartement en diensten.

Taakstelling Rijksdienst van het huidige kabinet

De Taakstelling Rijksdienst is als volgt ingevuld ten laste van het centrale apparaatsartikel 40 en ten laste van de bijdragen aan ZBO’s en agentschappen op de diverse beleidsartikelen.

Bedragen x € 1.000
 

2017

2018

Structureel

Departementale taakstelling Rijksdienst

79.141

102.698

102.698

       

Totaal kerndepartement en diensten

24.631

35.089

35.089

Agentschappen

   

DICTU

5.506

7.422

7.422

AT

552

845

845

RVO.nl

15.665

19.551

19.551

NVWA

1.227

1.480

1.480

Totaal Agentschappen

22.950

29.298

29.298

ZBO’s en RWT’s

   

CBS

10.556

12.869

12.869

Verispect/VSL

1.113

1.330

1.330

TNO

6.903

8.416

8.416

KvK

3.691

4.500

4.500

Wageningen Research

6.643

8.099

8.099

SBB

1.886

2.299

2.299

overig

768

798

798

Totaal ZBO’s en RWT’s

31.560

38.311

38.311

41 Nominaal en onvoorzien

Bedragen x € 1.000
 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

VERPLICHTINGEN

0

0

0

0

0

0

0

UITGAVEN

0

0

0

0

0

0

0

               

41.10 Prijsbijstelling

             

41.20 Loonbijstelling

             

41.30 Onvoorzien

             

41.40 Nog te verdelen

             

Dit artikel is een administratief begrotingstechnisch artikel. Dit betekent dat er geen daadwerkelijke uitgaven ten laste van artikel 41 worden gedaan. Vanuit dit artikel vinden overboekingen van loon- en prijsbijstellingen naar de loon- en prijsgevoelige artikelen binnen de begroting plaats. Ook worden er taakstelling of extra middelen op dit artikel geplaatst die nog niet aan de beleidsartikelen zijn toegevoegd.

5. De agentschappen

5.1 Aansluiting raming begroting agentschappen met financiering door moederdepartement EZ

A – Begroting agentschappen 2017

Bedragen x € 1.000
 

Bijdrage moederdepartement (EZ)

Bijdrage overige departementen

Bijdrage derden

Overige baten

Totale baten

Agentschap Telecom (AT)

17.483

344

21.079

350

39.256

Dienst ICT Uitvoering (DICTU)

189.000

40.000

1.000

 

230.000

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

143.349

82.541

97.014

12.495

335.399

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

305.945

108.626

27.369

10

441.950

Totaal

655.777

231.511

146.462

12.855

1.046.605

B – Bijdragen aan agentschappen per begrotingsartikel EZ (begroting 2017)

Bedragen x € 1.000
 

Raming Ontwerpbegroting 2017

Agentschap Telecom (AT)

17.483

art. 1 Goed functionerende economie en markten

13.173

art. 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

2.710

beschikbare ruimte voor frequentie (art. 1)

1.600

Dienst ICT (DICTU)

189.000

art. 40 Apparaat

30.767

Bijdrage agentschappen en diensten

158.233

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

146.216

art. 4 Doelmatige en duurzame energievoorziening

690

art. 6 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

154.810

art. 8 Natuur en biodiversiteit

9.507

af: BTW-compensatie

– 6.296

af: Bijzondere baten

– 12.495

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

305.945

art. 1 Goed functionerende economie en markten

9.736

art. 2 Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

83.978

art 3. Toekomstfonds

6.588

art. 4 Doelmatige en duurzame energievoorziening

43.099

art. 6 Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

127.233

art. 7 Groen onderwijs van hoge kwaliteit

1.200

art. 8 Natuur en biodiversiteit

23.638

art. 40 Apparaat

10.473

Sub-totaal

659.784

af: Geraamde bijdragen agentschappen en diensten aan DICTU1

– 158.233

Totaal geraamde bijdrage ten laste van de begrotingsartikelen

501.551

Noot 1: Een deel van de bijdrage aan DICTU wordt verstrekt door andere agentschappen van EZ. Om een juist totaalbedrag voor de bijdrage van EZ aan agentschappen te laten zien, wordt voor deze dubbeltelling gecorrigeerd.

Opmerkingen bij verschillen tussen ramingen in tabel A en tabel B

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

Op de beleidsartikelen is totaal € 2,9 mln meer budget geraamd dan is opgenomen als «omzet moederdepartement» in de NVWA-begroting. Dit verschil is het saldo van € 9,2 mln budget dat beschikbaar is op de beleidsartikelen en € 6,3 mln budget dat nog niet geraamd is op de beleidsartikelen.

Op beleidsartikel 6 is een bedrag van € 8,0 mln gereserveerd ter dekking van de begrote instellingskosten van ZBO Keuren Dier. Dit bedrag is niet verwerkt in de agentschapsparagraaf NVWA, omdat deze kosten ten laste komen van beleidsartikel 6. Voorts is op beleidsartikel 6 een bedrag van € 0,8 mln gereserveerd voor dekking van de extra bijdrage voor de NVWA en wordt de bijdrage voor cliënt export van € 0,4 mln door de NVWA als balansmutatie verwerkt.

In afwijking van hetgeen vermeld werd in de Kamerbrief (TK, 33 835, nr. 33), vindt de technische verwerking in de Rijksbegroting van de «Extra bijdrage aan NVWA» niet plaats bij Miljoenennota 2017, maar bij Najaarsnota 2016, respectievelijk Voorjaarsnota 2017. Vooruitlopend hierop is deze bijdrage wel verwerkt in de agentschapsbegroting 2017 NVWA. Dit verklaart een verschil van € 6,3 mln tussen de raming de raming van de agentschapsbegroting NVWA en de raming op de beleidsartikelen.

5.2 Agentschap Telecom (AT)

Begroting agentschap 2017

Bedragen x € 1.000
 

2015 Stand Slotwet

2016 Stand 1e suppletoire begroting

2017

2018

2019

2020

2021

Baten

             

Omzet moederdepartement

12.514

16.517

17.483

16.666

16.671

16.672

16.672

Omzet overige departementen

0

344

344

344

344

344

344

Omzet derden

22.532

21.352

21.079

21.079

21.079

21.079

21.079

Rentebaten

5

50

50

50

50

50

50

Vrijval

voorzieningen

21

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

334

300

300

300

300

300

300

Totaal baten

35.406

38.563

39.256

38.439

38.444

38.445

38.445

               

Lasten

             

Apparaatskosten

32.081

39.560

39.856

36.214

36.219

36.220

36.220

– Personele kosten

20.531

24.611

24.892

24.162

24.162

24.162

24.162

– waarvan eigen personeel

19.672

21.619

21.938

21.242

21.242

21.242

21.242

– waarvan externe inhuur

859

900

914

885

885

885

885

– waarvan overige personele kosten

0

2.092

2.040

2.035

2.035

2.035

2.035

– Materiële kosten

11.550

14.949

14.964

12.052

12.057

12.058

12.058

– waarvan apparaat ICT

             

– waarvan bijdrage aan SSO's

5.786

5.822

7.241

5.524

5.274

5.274

5.274

– waarvan overige materiële kosten

5.764

9.127

7.723

6.528

6.783

6.784

6.784

Rentelasten

24

50

50

50

50

50

50

Afschrijvingskosten

1.914

1.600

1.770

2.100

2.100

2.100

2.100

– Materieel

1.759

1.500

1.600

1.600

1.600

1.600

1.600

– waarvan apparaat ICT

0

0

0

0

0

0

0

– Immaterieel

155

100

170

500

500

500

500

Overige kosten

1.001

75

75

75

75

75

75

– dotaties voorzieningen

35

75

75

75

75

75

75

– bijzondere lasten

966

0

0

0

0

0

0

Correctie kosten GAMMA

– 1.403

– 2.000

– 1.500

0

0

0

0

Totaal lasten

33.617

39.285

40.251

38.439

38.444

38.445

38.445

               

Saldo van baten en lasten

1.789

– 722

– 995

0

0

0

0

Toelichting op de baten

Voor de jaren 2016 en 2017 zijn de kosten hoger dan de baten. Op deze manier wordt de post «te verrekenen met vergunninghouders» op de balans van AT afgebouwd. Dit geldt tevens voor de post «correctie kosten GAMMA». Deze kosten komen voort uit het ICT systeem Gamma. Met Gamma kunnen vergunninghouders hun vergunningen in de toekomst elektronisch aanvragen en verlengen.

Omzet moederdepartement

Bedragen x € 1.000
 

2015 Stand Slotwet

2016 Stand 1e suppletoire begroting

2017

2018

2019

2020

2021

Structurele bijdragen moederdepartement

             

Beleidsopdrachten

4.904

4.713

4.921

4.695

4.698

4.698

4.698

Toezichttaken

5.219

10.204

10.963

10.372

10.374

10.374

10.374

Subtotaal structurele bijdragen

10.123

14.917

15.883

15.066

15.071

15.072

15.072

               

Incidentele bijdragen

 

Projecten

2.885

1.600

1.600

1.600

1.600

1.600

1.600

Subtotaal projecten

2.885

1.600

1.600

1.600

1.600

1.600

1.600

               

Verrekeningen op bijdragen

– 494

0

0

0

0

0

0

               

Totaal omzet moederdepartement

12.514

16.517

17.483

16.666

16.671

16.672

16.672

AT heeft de omzet moederdepartement verhoogd. Deze stijging wordt verklaard doordat het agentschap vanaf 2016 uitvoering geeft aan de taken voor Waarborg en Metrologie (de overgang van voormalig Verispect naar AT), het Toezicht op de eIDAS (Elektronische Certificering) verordening en de secretariaatsfunctie voor de Commissie van Deskundigen ten behoeve van toezicht op het ETD (Elektronische Toegangsdiensten)-stelsel.

Omzet overige departementen

Bedragen x € 1.000
 

2015 Stand Slotwet

2016 Stand 1e suppletoire begroting

2017

2018

2019

2020

2021

Departement

             

Veiligheid en Justitie

0

344

344

344

344

344

344

               

Totaal omzet overige departementen

0

344

344

344

344

344

344

AT gaat per 2016 voor het Ministerie van Veiligheid en Justitie meerjarig uitvoering geven aan de opdrachten voor de naleving leeftijdsgrenzen Kijkwijzer en gaat de controles organiseren voor de naleving van de registratie- en legitimatieplicht van opkopers van metalen.

Omzet derden

Onder omzet derden staan alle opbrengsten die voortvloeien uit werkzaamheden in het kader van de Telecommunicatiewet en overige opbrengsten uit de markt. Dit geldt ook voor de vergoedingen van de overige departementen voor het gebruik van het frequentiespectrum.

De opbrengsten van niet EZ departementen die voortvloeien uit de overige activiteiten dan uit Telecommunicatiewet staan onder Bijdrage overige departementen.

Bedragen x 1.000
 

2015 Stand Slotwet

2016 Stand 1e suppletoire begroting

2017

2018

2019

2020

2021

Vergunninghouders en overige:

17.532

15.784

15.159

15.159

15.159

15.159

15.159

– vaste verbindingen

4.618

3.000

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

– mobiele communicatie

4.141

4.029

4.016

4.016

4.016

4.016

4.016

– (openbare) (mobiele) elektronische communicatie

1.887

1.889

1.887

1.887

1.887

1.887

1.887

– radiodeterminatie

34

39

40

40

40

40

40

– radiozendamateurs

8

4

4

4

4

4

4

– omroep

5.142

5.080

4.969

4.969

4.969

4.969

4.969

– overige/verlengingen

0

37

37

37

37

37

37

– certificaten

130

134

134

134

134

134

134

– verklaringen, keuringen en erkenningen

4

4

4

4

4

4

4

– randapparatuur

1.568

1.568

1.568

1.568

1.568

1.568

1.568

Satellietoperators

174

254

259

259

259

259

259

Ministerie van Defensie

1.286

1.285

1.285

1.285

1.285

1.285

1.285

Ministerie van Veiligheid en Justitie

229

229

277

277

277

277

277

Ministerie van Infrastructuur en Milieu

475

475

461

461

461

461

461

Registraties rzam en maritiem

0

2.255

2.268

2.268

2.268

2.268

2.268

Caribisch Nederland

2.836

1.070

1.200

1.200

1.200

1.200

1.200

WELMEC secretariaat

0

0

50

50

50

50

50

Hercontroles meetinstrumenten

0

0

120

120

120

120

120

               

Totaal omzet derden

22.532

21.352

21.079

21.079

21.079

21.079

21.079

In lijn met het kabinetsbeleid om werkzaamheden kostendekkend door te belasten aan de markt zijn de vergoedingen voor radio zend amateurs (rzam) en maritiem geherintroduceerd in 2016. De kosten voor deze registraties werden sinds 2008 betaald door het moederdepartement. Voor 2017 wordt een daling in de afzet van de vaste (point-to-point straal) verbindingen geprognosticeerd.

Toelichting op de lasten

Personele kosten

De verwachte bezetting voor 2017 is 315,2 FTE waarvan 302,6 FTE ambtelijk personeel. De gemiddelde loonkosten per FTE worden voor ambtelijk en niet-ambtelijk personeel begroot op € 72.500.

Materiële kosten

De bijdrage aan SSO’s wordt grotendeels gevormd door de bijdrage aan DICTU van circa € 7,1 mln. De bijdrage DICTU is voor kosten werkplekservices, infraservices, regulier beheer, licenties en ICT-projecten.

Rentelasten

De rente betreft de vergoeding die Agentschap Telecom betaalt voor leningen bij het Ministerie van Financiën om investeringen in vaste activa, zoals elektronische apparatuur en antennes, te financieren.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten immaterieel nemen in de jaren 2017 tot met 2021 geleidelijk toe door de investeringen die worden gedaan in het kader van het project GAMMA. De afschrijvingskosten van het project GAMMA betreffen de kosten die niet ten laste van de post «te verrekenen met vergunninghouders» kunnen worden gebracht en bedragen gemiddeld € 0,5 mln per jaar (afschrijvingstermijn 10 jaar).

Dotaties voorzieningen

Voor 2017 is de dotatie voorzieningen dubieuze debiteuren en ambtsjubilea € 0,1 mln.

Kasstroomoverzicht over het jaar 2017

Bedragen x € 1.000
   

2015 Stand Slotwet

2016 Stand 1e suppletoire begroting

2017

2018

2019

2020

2021

1.

Rekening courant RHB 1 januari + depositorekeningen

8.886

7.368

7.674

7.627

8.447

9.080

9.580

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

4.088

953

850

2.175

2.175

2.175

2.175

 

– /- totaal uitgaven operationele kasstroom

– 5

– 75

– 75

– 75

– 75

– 75

– 75

2.

Totaal operationele kasstroom

4.083

878

775

2.100

2.100

2.100

2.100

 

– /- totaal investeringen

– 679

– 5.000

– 4.800

– 1.500

– 1.500

– 1.500

– 1.500

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

0

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investeringskasstroom

– 679

– 5.000

– 4.800

– 1.500

– 1.500

– 1.500

– 1.500

 

– /- eenmalige uitkering aan moederdepartement

– 377

0

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

– /- aflossingen op leningen

– 198

– 572

– 822

– 1.280

– 1.468

– 1.600

– 1.788

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

0

5.000

4.800

1.500

1.500

1.500

1.500

4.

Totaal financieringskasstroom

– 575

4.428

3.978

220

33

– 100

– 288

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand depositorekeningen (=1+2+3+4)

11.715

7.674

7.627

8.447

9.080

9.580

9.893

Het kasstroomoverzicht geeft een analyse van de liquiditeitsontwikkeling.

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom bestaat uit het geraamde saldo van baten en lasten, gecorrigeerd voor afschrijvingen en mutaties in de voorzieningen en het werkkapitaal.

Investeringskasstroom

In 2017 wordt een investering begroot van € 4,8 mln te investeren in materiële vaste activa zoals elektronische apparatuur en antennes (€ 1,5 mln) en voor het project GAMMA (€ 3,3 mln).

Financieringsstroom

Voor de financiering van de begrote investeringen wordt een beroep gedaan op de leenfaciliteit bij het Ministerie van Financiën.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren
 

2015 Slotwet

2016 Stand 1e suppletoire begroting

2017

2018

2019

2020

2021

Inputindicatoren

             
               

Kernindicatoren

             

Verhouding direct/indirect (in fte)

176,5 / 75,6

191,4 / 82,9

220,6 / 94,6

213,6 / 91,6

213,6 / 91,6

213,6 / 91,6

213,6 / 91,6

               

Verklarende/achterliggende variabelen

             

Personeelskosten per fte

€ 72.415

€ 70.931

€ 72.500

€ 72.500

€ 72.500

€ 72.500

€ 72.500

Totaal aantal fte's (excl. externe inhuur)

244,1

263,4

302,6

293,0

293,0

293,0

293,0

Kosten inhuur externen (PAO-definitie; x € 1.000)

€ 859

€ 900

€ 914

€ 885

€ 885

€ 885

€ 885

               

Outputindicatoren

             

Uurtarief (wijziging in reële termen)

– 0,69%

0,00%

– 1,00%

– 1,00%

0,00%

0,00%

0,00%

Aantal declarabele uren (per fte en totaal)

1.450 / 1.660

1.450 / 1.660

1.450 / 1.660

1.450 / 1.660

1.450 / 1.660

1.450 / 1.660

1.450 / 1.660

Norm declarabiliteit per fte

 

1.106

1.117

1.128

1.140

1.151

1.162

Aantal werkbare /beschikbare uren:

 

– werkbare uren

1.829

1.829

1.829

1.829

1.829

1.829

1.829

– bruto beschikbare uren

1.660

1.660

1.660

1.660

1.660

1.660

1.660

– netto beschikbare uren

1.585

1.585

1.585

1.585

1.585

1.585

1.585

Verklarende/achterliggende variabelen

             

Bedrijfsresultaat (x € 1.000)

1.789

– 722

– 995

0

0

0

0

Omzet

35.406

38.563

39.256

38.439

38.444

38.445

38.445

               

Kwaliteits-indicatoren

             
               

Kernindicatoren

             

Klanttevredenheid:

Niet in 2015

>3,5

>3,5

>3,5

>3,5

>3,5

>3,5

   

Doorlooptijd primaire processen:

             

Vergunningaanvragen binnen 8 weken

94%

95%

95%

95%

95%

95%

95%

Reactietijd storingsklachten

             

Klachten van levensbelang ≤ 4 uur

95%

100%

100%

100%

100%

100%

100%

Klachten van maatschappelijk belang ≤ 12 uur

91%

98%

98%

98%

98%

98%

98%

Klachten van individueel belang ≤ 3 werkdagen

82%

90%

90%

90%

90%

90%

90%

               

Gegrond verklaarde bezwaarschriften aantal

5

<5%

<5%

<5%

<5%

<5%

<5%

   

Aantal klachten

3,5%

<7

<7

<7

<7

<7

<7

Medewerker-tevredenheid

 

>7

>7

>7

>7

>7

>7

               

Verklarende/achterliggende variabelen

             

Ziekteverzuim

3,8%

<4,1%

<4,1%

<4,1%

<4,1%

<4,1%

<4,1%

Toelichting

Voor de sturing op de declarabiliteit van het agentschap is het kengetal «Norm declarabiliteit per fte» vanaf 2016 toegevoegd. De norm, zoals gehanteerd bij de berekening van het uurtarief 2016, van 1.106 uur per fte (2016) wordt jaarlijks met 1% verhoogd.

Voor de jaren 2017 en 2018 wordt een reële daling van het uurtarief begroot. Dit als direct gevolg van de uitbreiding van de taken van het agentschap (zie omzet moederdepartement). De prognose is dat de verhouding kosten / declarabele uren zicht positief ontwikkeld.

5.3 Dienst ICT Uitvoering (DICTU)

Begroting agentschap 2017

Bedragen x € 1.000
 

2015 Stand Slotwet

2016

Stand 1e suppletoire begroting

2017

2018

2019

2020

2021

Baten

             

Omzet moeder departement

210.944

204.500

189.000

189.000

189.000

189.000

189.000

Omzet overige departementen

28.144

39.900

40.000

40.000

40.000

40.000

40.000

Omzet derden

1.135

800

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

Rentebaten

0

0

Vrijval voorzieningen

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

240.223

245.200

230.000

230.000

230.000

230.000

230.000

               

Lasten

             

Apparaatskosten

227.332

228.900

211.900

211.300

211.300

211.500

211.700

– Personele kosten

136.879

132.100

124.000

122.200

121.200

120.400

120.600

– waarvan eigen personeel

40.847

58.900

60.000

63.500

64.000

64.500

64.500

– waarvan externe inhuur

7.546

5.000

4.000

3.500

3.000

3.000

3.000

– waarvan overige personele kosten

88.486

68.200

60.000

55.200

54.200

52.900

53.100

– Materiële kosten

90.453

96.800

87.900

89.100

90.100

91.100

91.100

– waarvan apparaat ICT

46.080

42.000

37.500

38.000

38.500

39.000

39.000

– waarvan bijdrage aan SSO's

13.141

13.900

15.100

15.100

15.100

15.100

15.100

– waarvan overige materiële kosten

31.233

40.900

35.300

36.000

36.500

37.000

37.000

Rentelasten

193

200

200

200

200

200

200

Afschrijvingskosten

11.330

15.100

16.900

17.500

17.500

17.300

17.100

– Materieel

4.930

8.000

8.000

8.000

8.000

7.900

7.800

– waarvan apparaat ICT

0

0

0

0

0

0

0

– Immaterieel

6.400

7.100

8.900

9.500

9.500

9.400

9.300

Overige kosten

1.302

500

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

– Dotaties voorzieningen

1.086

500

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

– Bijzondere lasten

23

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

239.964

244.700

230.000

230.000

230.000

230.000

230.000

               

Saldo van baten en lasten

259

500

0

0

0

0

0

Toelichting op de baten

Omzet moederdepartement

Bedragen x € 1.000
 

2015 Stand Slotwet

2016 Stand 1e suppletoire begroting

2017

2018

2019

2020

2021

Applicatiebeheer

24.001

24.850

25.000

25.000

25.000

25.000

25.000

Ontwikkelopdrachten

56.774

50.950

48.500

48.500

48.500

48.500

48.500

Infrabeheer

43.078

40.000

39.000

39.000

39.000

39.000

39.000

Werkplekservices

33.729

33.550

33.000

33.000

33.000

33.000

33.000

Overige omzet

12.021

12.040

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

Generieke eBS

6.929

7.480

7.500

7.500

7.500

7.500

7.500

Indirect

34.413

35.630

33.000

33.000

33.000

33.000

33.000

Totaal

210.944

204.500

189.000

189.000

189.000

189.000

189.000

DICTU levert voor het Ministerie van Economische Zaken zowel de ICT die de primaire processen en de bedrijfsvoering processen, zoals de werkplekdiensten, ondersteunen. De verwachte omzet moederdepartement wordt iets lager geraamd met ingang van 2017, met name op het gebied van ontwikkelopdrachten.

Omzet overige departementen

Bedragen x € 1.000
 

2015 Stand Slotwet

2016 Stand 1e suppletoire

2017

2018

2019

2020

2021

Applicatiebeheer

1.216

1.450

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

Ontwikkelopdrachten

11.338

14.200

12.200

10.200

10.200

10.200

10.200

Infrabeheer

8.778

7.800

10.500

10.500

10.500

10.500

10.500

Werkplekservices

23

0

2.000

4.000

4.000

4.000

4.000

Overige omzet

1.827

9.500

6.300

6.300

6.300

6.300

6.300

Generieke eBS

370

0

500

500

500

500

500

Indirect

4.593

6.950

7.000

7.000

7.000

7.000

7.000

Totaal

28.144

39.900

40.000

40.000

40.000

40.000

40.000

DICTU verwacht in 2017 en verder een geringe omzetstijging bij overige departementen. De grootste opdrachtgevers zijn de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Inspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ICT-ondersteuning van de bijzondere opsporingsdienst).

Toelichting op de lasten

Personele kosten

DICTU investeert in het borgen van ICT-kennis in de eigen organisatie teneinde meer dienstverlening uit te voeren met eigen personeel. Dit leidt vanaf 2017 tot een stijging van de kosten van eigen personeel en een daling van de kosten voor uitbesteding van werkzaamheden. Naast deze ontwikkeling is de verwachting dat de verminderde vraag naar ontwikkelopdrachten zal leiden tot minder personele ICT-inzet in zijn algemeenheid. De gemiddelde verwachte bezetting voor 2017 is 1.160 fte waarvan 710 fte eigen personeel.

Materiële kosten

Onder materiële kosten zijn onder andere licenties en aanschaffingen, onderhoud van ICT-middelen en huisvesting begroot.

In de loop van 2017 gaat EZ over naar een nieuw werkplekconcept, de Rijkswerkomgeving (RWO). De materiële kosten en de afschrijvingskosten zijn nog niet in de begroting verwerkt omdat de effecten hiervan nog niet volledig bekend zijn.

Kasstroomoverzicht over het jaar 2017

Bedragen x € 1.000
   

2015 Stand Slotwet

2016 Stand 1e suppletoire

2017

2018

2019

2020

2021

1.

Rekening courant RHB 1 januari + deposito rekeningen

2.091

0

0

0

0

0

0

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

11.849

16.100

17.900

18.500

18.500

18.300

18.100

 

– /- totaal uitgaven operationele kasstroom

– 3.787

– 500

– 1.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

– 1.000

2.

Totaal operationele kasstroom

8.062

15.600

16.900

17.500

17.500

17.300

17.100

 

– /- totaal investeringen

– 24.689

– 25.000

– 25.000

– 25.000

– 25.000

– 25.000

–25.000

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

0

0

0

0

0

0

0

3.

Totaal investerings kasstroom

– 24.689

– 25.000

– 25.000

– 25.000

– 25.000

– 25.000

– 25.000

 

– /- eenmalige uitkering aan moeder departement

 

– 500

         
 

+/+ eenmalige storting door moeder departement

910

           
 

– /- aflossingen op leningen

– 9.312

– 15.100

– 16.900

– 17.500

– 17.500

– 17.300

– 17.100

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

27.000

25.000

25.000

25.000

25.000

25.000

25.000

4.

Totaal financierings-kasstroom

18.598

9.400

8.100

7.500

7.500

7.700

7.900

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand deposito rekeningen (=1+2+3+4)

4.062

0

0

0

0

0

0

Investeringskasstroom

DICTU verwacht in 2017 en de jaren daarna jaarlijks € 25 mln te investeren.

Financieringskasstroom

De aflossingen op leningen in de financieringskasstroom zijn gelijk aan de afschrijvingskosten uit de begroting van DICTU. Het beroep op de leenfaciliteit loopt gelijk met de investeringen. De hogere investeringen in 2016 leiden in de volgende jaren tot een verhoging van de afschrijvingskosten en daarmee de aflossingen op leningen.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren

Omschrijving

2015 Stand Slotwet

2016 Stand 1e suppletoire

2017

2018

2019

2020

2021

1. Kostprijzen per product (groep)

             

a. Basistarief werkplek (gemiddeld per stuk x €)

2.520

2.531

2.531

2.531

2.531

2.531

2.531

b. Aantal Werkplekken

12.937

11.500

11.500

11.500

11.500

11.500

11.500

c. Infrastructuur (x € 1.000)

51.925

47.850

48.550

48.550

48.550

48.550

48.550

d. Productieve uren

1.832.350

(89%)

1.835.000

(88%)

1.788.300

(88%)

1.787.100

(88%)

1.763.700

(88%)

1.755.900

(88%)

1.755.900

(88%)

2. Tarieven/uur1
             

a. Senior medew. (ontwikkeling)

90

92

96

96

96

96

96

b. Medior medew. (bouw)

70

72

76

76

76

76

76

c. Junior medew. (test en beheer)

60

62

65

65

65

65

65

3. gem. bezetting FTE-totaal (excl. externe inhuur)

503

655

710

750

750

750

750

4. Saldo baten en lasten

€ 0,3 mln

€ 0,5 mln

€ 0 mln

€ 0 mln

€ 0 mln

€ 0 mln

€ 0 mln

Noot 1: De stijging van de uurtarieven in 2016 en 2017 komt doordat de tarieven om ICT-expertise uit de markt te halen zijn gestegen. Dit werkt door in de uurtarieven van DICTU.

5.4 Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

Begroting agentschap 2017

Bedragen x € 1.000
 

2015 Stand Slotwet

2016

Stand 1e suppletoire begroting

2017

2018

2019

2020

2021

Baten

             
Omzet moederdepartement1

128.935

141.428

143.349

148.290

132.817

122.817

122.817

Omzet overige departementen

81.334

82.341

82.541

82.341

82.341

82.341

82.341

Omzet derden

93.913

92.637

97.014

97.014

97.014

97.014

97.014

Rentebaten

1

50

0

0

0

0

0

Vrijval voorzieningen

345

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

9.421

9.320

12.495

12.300

12.100

12.100

12.100

Totaal baten

313.949

325.776

335.399

339.945

324.272

314.272

314.272

               

Lasten

             

Apparaatskosten

313.182

314.314

319.842

321.416

304.517

294.815

294.815

– Personele kosten

205.135

206.014

214.094

207.963

191.920

187.727

187.727

– waarvan eigen personeel

187.864

184.635

194.143

184.322

174.519

172.838

172.838

– waarvan externe inhuur

17.271

21.379

19.951

23.641

17.401

14.889

14.889

– waarvan overige personele kosten

             

– Materiële kosten

108.047

108.300

105.748

113.453

112.597

107.088

107.088

– waarvan apparaat ICT

             

– waarvan bijdrage aan SSO’s

37.399

38.207

41.486

44.561

44.615

44.771

44.771

– waarvan overige materiële kosten

 

70.092

64.262

68.892

67.982

62.317

62.317

Rentelasten

340

288

320

350

340

330

330

Afschrijvingskosten

10.328

14.737

17.679

18.915

18.627

18.627

– Materieel

5.366

6.605

8.268

9.129

10.129

10.458

10.458

– waarvan apparaat ICT

             

– Immaterieel

4.316

3.723

6.469

8.550

8.786

8.169

8.169

Overige kosten

500

500

500

500

500

500

– dotaties voorzieningen

1.467

500

500

500

500

500

500

– bijzondere lasten

 

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

324.671

325.430

335.399

339.945

324.272

314.272

314.272

               

Saldo van baten en lasten

– 10.722

346

0

0

0

0

0

Noot 1: Als gevolg van het aflossen van de egalisatieschuld van de NVWA bij het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) zal bij de 1e suppletoire begrotingswet 2017 een aanpassing volgen, die nog nadere uitwerking en doorrekening vergt en daarom nog niet in deze begroting is verwerkt.

Toelichting op de baten

Omzet moederdepartement

De NVWA bewaakt de veiligheid van voedsel, de gezondheid van dieren en planten, het dierenwelzijn en handhaaft de natuurwetgeving. De post omzet moederdepartement ad € 143,3 mln is gerelateerd aan de opbrengsten voortvloeiend uit het opdrachtenpakket dat met het moederdepartement is afgesproken, inclusief de eerder verstrekte bijdragen voor het Plan van Aanpak (PvA) en voor de uitvoering van de overgenomen PBO-taken. Verder is een aanvullende bijdrage opgenomen van € 24,0 mln. Een groot deel hiervan betreft de toegezegde extra bijdragen ter beperking van de terugloop van het opdrachtenpakket van EZ (€ 10,0 mln) en compensatie voor te lage facturabiliteit als gevolg van de reistijd=werktijd problematiek (€ 9,6 mln). Deze extra bijdragen vormen onderdeel van de maatregelen om te komen tot een financieel gezonde en toekomstbestendige NVWA (TK, 33 835, nr. 33). Voorts is een deel van het beschikbare budget voor uitvoering van het PvA (ICT vernieuwing), dat naar verwachting niet in 2016 zal worden besteed, doorgeschoven naar 2017 (€ 3,0 mln) en is de loon- en prijscompensatie 2016 (€ 1,1 mln) verwerkt alsmede enkele kleinere mutaties (per saldo € 0,3 mln).

In de onderstaande tabel is de verwachte omzet moederdepartement per product opgenomen. Onder de post «Overig» zijn opbrengsten geraamd die niet op basis van een uurtarief in rekening worden gebracht, zoals directe bijdragen voor uitbesteed onderzoek en voor andere kosten.

Bedragen x € 1.000
 

2015 Stand Slotwet

2016 Stand 1e suppletoire begroting

2017

2018

2019

2020

2021

Advies & vertegenwoordiging

7.282

9.643

9.231

9.206

9.206

8.458

8.458

Communicatie

1.218

1.349

1.291

1.288

1.288

1.183

1.183

Incident- & crisismanagement

4.460

3.634

3.478

3.469

3.469

3.187

3.187

Inlichtingen & opsporing

10.871

14.337

13.723

13.688

13.688

12.575

12.575

Kennis & Expertise

3.076

3.167

3.031

3.023

3.023

2.778

2.778

Klantinteractie & dienstverlening

6.848

6.804

6.513

6.496

6.496

5.968

5.968

Laboratoriumonderzoek

3.311

3.510

3.360

3.351

3.351

3.078

3.078

Toezicht

76.356

81.231

77.755

77.552

77.552

71.246

71.246

Overig

15.513

17.755

24.967

30.217

14.744

14.344

14.344

Totaal

128.935

141.428

143.349

148.290

132.817

122.817

122.817

Omzet overige departementen

De NVWA bewaakt de veiligheid van voedsel- en consumentenproducten. De omzet overige departementen bestaat uit de bijdrage van VWS en van het Diergezondheidsfonds (DGF). De bijdrage VWS van € 81,6 mln is inclusief het budget voor het PvA en de uitvoering van voormalige PBO-taken, extra budget voor bestrijding exotische muggen (€ 0,6 mln), loonbijstellingen 2015 en 2016 (€ 1,9 mln) en een aanvullende opdracht e-sigaret (€ 0,7 mln). Voor de omzet van het DGF is bijna € 1 mln begroot.

In de onderstaande tabel is de verwachte omzet overige departementen per product opgenomen. Onder de post «Overig» zijn opbrengsten geraamd die niet op basis van een uurtarief in rekening worden gebracht. Hieronder vallen vooral directe bijdragen voor uitbesteed onderzoek en voor andere kosten.

Bedragen x € 1.000
 

2015 Stand Slotwet

2016 Stand 1e suppletoire begroting

2017

2018

2019

2020

2021

Advies & vertegenwoordiging

2.528

2.149

2.197

2.191

2.191

2.191

2.191

Communicatie

445

441

451

450

450

450

450

Incident- & crisismanagement

1.020

573

586

585

585

585

585

Inlichtingen & opsporing

1.642

2.023

2.068

2.063

2.063

2.063

2.063

Kennis & Expertise

4.301

3.995

4.085

4.073

4.073

4.073

4.073

Klantinteractie & dienstverlening

6.830

6.445

6.589

6.571

6.571

6.571

6.571

Laboratoriumonderzoek

9.852

12.207

12.480

12.445

12.445

12.445

12.445

Toezicht

41.759

42.752

43.707

43.586

43.586

43.586

43.586

Overig

12.957

11.755

10.378

10.378

10.378

10.378

10.378

Totaal

81.334

82.341

82.541

82.342

82.342

82.342

82.342

Omzet derden

De omzet derden (€ 97 mln) bestaat uit opbrengsten retributies NVWA, retributies Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector (KDS) en overige baten. Het bedrijfsleven betaalt retributies voor de diensten die de NVWA en KDS verrichten, bijvoorbeeld voor toezicht in de vorm van inspecties en keuringen bij import, export en slachthuizen. Uitgaande van een stabiele marktvraag en de tarieven 2016 wordt een omzet geraamd van € 78,8 mln aan retributies NVWA en daarnaast € 15,6 mln aan retributies KDS De opbrengsten uit NVWA retributies in 2017 worden hoger geraamd door effecten van de tariefstijging retributies per mei 2016, de invoering van retributies in het domein Tabak en de invoering van retribueerbare herinspecties bij veehouders. Naast de retributieopbrengsten realiseert de NVWA ook nog voor € 2,6 mln aan overige baten. Deze bestaan voornamelijk uit opbrengsten voor de uitvoering van (inter)nationale projecten.

Rentebaten

Er zijn geen rentebaten begroot. De rentepercentages worden door het Ministerie van Financiën dagelijks vastgesteld en variëren afhankelijk van de looptijd tussen net onder of boven 0%.

Bijzondere baten

De bijdrage van het moederdepartement in de ICT-kosten van € 11,9 mln en de compensatie van de gevolgen van de wijziging van het Rijkshuisvestingsstelsel van € 0,6 mln zijn opgenomen onder de bijzondere baten. De ICT-bijdrage is inclusief de toegezegde extra bijdrage van € 3,1 mln ter dekking van de hogere kosten van ICT-beheer, die onderdeel vormt van de maatregelen om te komen tot een financieel gezonde en toekomstbestendige NVWA (TK 33 835 nr. 33).

Toelichting op de lasten

Personele kosten

De personele kosten bestaan uit € 181,5 mln salariskosten en € 12,6 mln overige personeelsgerelateerde kosten, waaronder reis- en verblijfkosten en kosten woon-werkverkeer, opleidingen e.d. De verwachte gemiddelde bezetting van de NVWA voor 2017 is 2.532 fte, waarvan 2.408 fte eigen (ambtelijk) personeel. De gemiddelde ambtelijke salariskosten in 2017 zijn € 75.366 per fte.

De inhuur van externen betreft tijdelijke inhuur voor uitvoering van het PvA, ondersteuning van de bedrijfsvoering en externen, veelal uitzendkrachten, die werkzaamheden verrichten in het primaire proces.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan uit bijdragen aan Shared Service Organisaties (SSO’s) en overige kosten. Voor SSO’s is € 41,5 mln aan kosten begroot. Dit betreft de bijdrage van € 29,4 mln aan DICTU in het kader van ICT en huurkosten voor kantoorpanden en laboratoria aan het Rijks Vastgoed Bedrijf (RVB) van € 12,1 mln. De NVWA heeft geen panden in eigendom.

De € 64,3 mln overige materiële kosten bestaan uit specifieke kosten van € 50,9 mln (waaronder voornamelijk uitbesteed onderzoek/werk en € 15,6 mln KDS), bureaukosten van € 2,6 mln en diverse materiële kosten van € 10,8 mln.

Rentelasten

De rentelasten vloeien voort uit rente- en aflossingsdragend vermogen waarvan het rentepercentage varieert tussen de 0,06% en 4,45%.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten voor materiële en immateriële activa bedragen respectievelijk € 8,3 mln en € 6,5 mln. De toename van de materiële afschrijvingskosten wordt veroorzaakt door de uitbreiding van het wagenpark. De toename van de immateriële afschrijvingskosten is het gevolg van de investeringen in het kader van het PvA om de ICT-voorziening binnen de NVWA op voldoende niveau te brengen.

De materiële vaste activa worden lineair afgeschreven waarbij de afschrijvingstermijn van de verschillende soorten activa ligt tussen 4 en 10 jaar. De immateriële vaste activa hebben een afschrijvingstermijn van 4 jaar.

Dotaties aan voorzieningen

Dit betreft de dotatie aan de voorziening claims, geschillen en rechtsgedingen.

Kasstroomoverzicht over het jaar 2017

Bedragen x € 1.000
   

2015 Stand Slotwet

2016 Stand 1e suppletoire begroting

2017

2018

2019

2020

2021

1.

Rekening courant RHB 1 januari + depositorekeningen

60.029

69.145

64.408

64.535

65.240

65.703

65.124

 

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

30.249

330

15.083

17.679

18.915

18.627

18.627

 

– /- totaal uitgaven operationele kasstroom

– 25.851

4.959

– 961

– 522

– 480

– 464

– 457

2.

Totaal operationele kasstroom

4.398

5.289

14.122

17.157

18.435

18.163

18.170

 

– /- totaal investeringen

– 16.735

– 25.894

– 23.889

– 20.059

– 19.146

– 15.589

– 17.065

 

+/+ totaal boekwaarde desinvesteringen

2.604

1.360

2.720

1.855

1.260

2.148

2.264

3.

Totaal investeringskasstroom

– 14.131

– 24.534

– 21.169

– 18.204

– 17.886

– 13.441

– 14.801

 

– /- eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

0

0

0

0

0

0

 

+/+ eenmalige storting door moederdepartement

12.112

0

0

0

0

0

0

 

– /- aflossingen op leningen

– 10.363

– 11.386

– 16.716

– 18.307

– 19.232

– 20.890

– 18.723

 

+/+ beroep op leenfaciliteit

17.100

25.894

23.889

20.059

19.146

15.589

17.065

4.

Totaal financieringskasstroom

18.849

14.507

7.174

1.752

– 85

– 5.301

– 1.658

5.

Rekening courant RHB 31 december + stand depositorekeningen (=1+2+3+4)

69.145

64.408

64.535

65.240

65.703

65.124

66.835

Operationele kasstroom

De operationele kasstroom 2017 van € 14,1 mln bestaat uit de som de afschrijvingskosten, uitgaven ten laste van de voorzieningen, exploitatiereserve en onverdeeld resultaat.

Investeringskasstroom

Materiële activa

De investeringen in materiële activa bedragen € 13,4 mln. Voor de vervanging (en een geringe uitbreiding) van het aantal dienstauto’s is een investeringsbedrag nodig van € 9,6 mln. De desinvesteringsbedragen in de tabel geven de restwaarden van de ingeleverde dienstauto’s weer. De investeringen in laboratoriumapparatuur bedragen € 2,3 mln. De investeringen in aanpassingen van gebouwen, aanschaf van hardware, vaartuigen, kantoorinventaris en controleapparatuur bedragen € 1,5 mln.

Immateriële activa

De NVWA is in 2014 gestart met het uitbouwen van de kennis en vaardigheden en het implementeren van de onderliggende processen en de informatiearchitectuur (programma «Blik op 2017»). Hiermee samenhangend is in 2017 een investering in ICT begroot van € 10,5 mln die voor een belangrijk deel voortvloeit uit het PvA.

Financieringskasstroom

De financieringskasstroom van € 7,2 mln geeft het saldo weer van de benodigde leningen en de aflossing op de lopende leningen. De € 23,9 mln aan investeringen worden gefinancierd via leningen bij het Ministerie van Financiën.

Overzicht doelmatigheidsindicatoren
 

2015 Slotwet

2016

Stand 1e suppletoire begroting

2017

2018

2019

2020

2021

Gemiddelde kostprijs (€/uur)1

96,32

98,64

99,16

99,16

99,16

99,16

99,16

Tarieven

             

Index 2012 = € 94,07 = 100

102,39

104,86

105,41

105,41

105,41

105,41

105,41

Omzet per productgroep (x mln)

             

Advies en Vertegenwoordiging

10

12,4

12,1

12,1

12,1

12,1

12,1

Communicatie

1,7

1,8

1,7

1,7

1,7

1,7

1,7

Incident en crisismanagement

5,5

4,2

4,1

4,1

4,1

4,1

4,1

Inlichtingen en opsporing

12,5

16,4

15,8

15,8

15,8

15,8

15,8

Kennis en expertise

8,1

8,4

8,4

8,4

8,4

8,4

8,4

Klantinteractie en dienstverlening

24,4

24,6

24,9

24,9

24,9

24,9

24,9

Laboratoriumonderzoek

18,7

21,9

22,2

22,2

22,2

22,2

22,2

Toezicht

178,8

197,2

197,4

197,1

197,1

197,1

197,1

FTE

             

Aantal FTE (exclusief externe inhuur)

2.438

2.315

2.408

2.292

2.170

2.149

2.149

Verhouding FTE direct/indirect (exclusief externe inhuur)

1.950/488

1.827/488

1.869/539

1.779/513

1.685/486

1.668/481

1.668/481

Salariskosten per fte

72.149

74.440

75.366

75.366

75.366

75.366

75.366

Saldo van baten en lasten

             

Saldo van baten en lasten als % van de totale baten

– 3,40%

0,11%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

Kwaliteit

             

Afhandelsnelheid informatieverzoeken, klachten en meldingen

73%

74%

75%

80%

85%

90%

95%

Tijdig betaalde facturen

95%

95%

95%

95%

95%

95%

95%

(< 30 dagen)

Noot 1: De (gemiddelde) kostprijs 2017 moet nog worden vastgesteld. In 2017 is een loonstijging van 1% ten opzichte van 2016 verondersteld.

5.5 Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl)

Begroting agentschap 2017

Bedragen x € 1.000
 

2015 Stand Slotwet

2016

stand 1e suppletoire begroting

2017

2018

2019

2020

2021

Baten

             

Omzet moederdepartement

314.859

314.053

305.945

285.469

279.280

279.250

277.147

Omzet overige departementen

119.877

117.015

108.626

108.626

108.626

108.626

108.626

Omzet derden

43.670

42.269

27.369

27.369

27.369

27.369

27.369

Rentebaten

8

10

10

10

10

10

10

Vrijval voorzieningen

0

0

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

5.762

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

484.176

473.347

441.950

421.474

415.285

415.255

413.152

               

Lasten

             

Apparaatskosten:

468.189

460.244

429.261

409.419

403.230

403.200

401.097

Personele kosten

298.013

260.713

244.621

235.986

229.797

229.767

227.664

– waarvan eigen personeel

212.175

217.402

212.680

206.354

206.354

206.354

206.354

– waarvan externe inhuur

68.455

38.115

20.721

18.829

12.640

12.610

10.507

– overige personele kosten

17.383

5.196

11.220

10.803

10.803

10.803

10.803

Materiële kosten

170.176

199.531

184.640

173.433

173.433

173.433

173.433

– waarvan bijdrage aan SSO's

89.183

89.323

92.948

94.586

94.586

94.586

94.586

– waarvan overige materiele kosten

80.993

110.208

91.692

78.847

78.847

78.847

78.847

Rentelasten

443

66

28

30

30

30

30

Afschrijvingskosten

9.472

13.037

12.661

12.025

12.025

12.025

12.025

Materieel

1.895

2.461

2.360

2.348

2.348

2.348

2.348

– waarvan apparaat ICT

0

0

0

0

0

0

0

Immaterieel

7.577

10.576

10.301

9.677

9.677

9.677

9.677

Overige kosten

7.882

0

0

0

0

0

0

– dotaties voorzieningen

955

0

0

0

0

0

0

– bijzondere lasten

6.927

0

0

0

0

0

0

Totaal lasten

485.985

473.347

441.950

421.474

415.285

415.255

413.152

               

Saldo van baten en lasten

– 1.809

0

0

0

0

0

0

Baten

Omzet moederdepartement

Bedragen x € 1.000
 

2015 Stand Slotwet

2016

stand 1e suppletoire begroting)

2017

2018

2019

2020

2021

DG A&N

175.395

173.030

152.071

150.376

150.269

150.389

151.589

DG B&I

93.333

93.504

90.566

83.610

82.355

82.206

82.206

DG ETM

39.180

42.474

52.835

46.324

41.497

41.496

38.193

Overig

6.951

5.045

10.473

5.159

5.159

5.159

5.159

Totaal

314.859

314.053

305.945

285.469

279.280

279.250

277.147

In deze begroting wordt uitgegaan van de bij de opdrachtgevende DG’s beschikbare budgetten. In de post «omzet moederdepartement» is de taakstelling Rutte II reeds in mindering gebracht door het kerndepartement. Voor 2017 is sprake van een verwachte omzet moederdepartement, die € 8 mln lager is dan de stand van de 1e suppletoire begroting 2016. Dit wordt veroorzaakt door een per saldo verwachte afname van het opdrachtenpakket met de huidige informatie.

DG Agro en Natuur (A&N)

RVO.nl is onder andere belast met de uitvoering van de Europese Landbouwsubsidies en Mestwetgeving. In 2014 is het werkpakket uitgebreid met taken van de voormalige Productschappen en vanaf 2015 met taken van voormalige Dienst Landelijk Gebied (DLG).

DG Bedrijfsleven en Innovatie (DG B&I)

RVO.nl is belast met taken vanuit DG B&I ter stimulering van innovatie. Dit betreft onder andere de WBSO, het Toekomstfonds (waaronder het Innovatiefonds MKB+). Daarnaast wordt samenwerking bevorderd binnen de gouden driehoek van het bedrijfsleven, kennisinstellingen en de overheid, met name binnen de negen topsectoren.

DG Energie, Telecom en Mededinging (DG ETM)

Het DG ETM werkpakket kent zeven thema’s conform de begrotingsindeling: Energie Innovatie, Energiebesparing, Energieproductie, CO2 beleid, Kernenergie/Stralingsbescherming, Internationaal en Energiemarkt en infrastructuur. In verband met de invaring van de taken PIANOo/Tendernet bij RVO.nl zijn met ingang van 2017 middelen toegevoegd.

Omzet overige departementen

Bedragen x € 1.000
 

2015 Stand Slotwet

2016

stand 1e suppletoire begroting

2017

2018

2019

2020

2021

Ministerie van Buza

84.189

86.441

80.900

80.900

80.900

80.900

80.900

Ministerie van BZK

18.644

14.765

12.100

12.100

12.100

12.100

12.100

Ministerie van IenM

10.698

10.825

11.000

11.000

11.000

11.000

11.000

Ministerie van OCW

3.306

3.540

2.850

2.850

2.850

2.850

2.850

Ministerie van VenJ

372

990

375

375

375

375

375

Ministerie van SZW

139

454

1.401

1.401

1.401

1.401

1.401

Ministerie van VWS

155

0

0

0

0

0

0

Overig

2.374

           

Totaal

119.877

117.015

108.626

108.626

108.626

108.626

108.626

De omzet overige departementen ligt voor 2017 lager dan de begroting van 2016.

Ministerie van Buitenlandse Zaken (BUZA)

RVO.nl voert activiteiten uit op de beleidsterreinen van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel & Ontwikkelingssamenwerking. De expertise en inzet van RVO.nl is met name toegespitst op Duurzame handel en investering en Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water. Met uitzondering van de versterking van internationale handelssystemen komen al deze pijlers in het opdrachtenpakket van RVO.nl terug. Buitenlandse Zaken zet voor duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water in op een toename van voedselzekerheid en op verbeterd waterbeheer, drinkwater en sanitatie. Daarnaast onder duurzame ontwikkeling op duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen, het tegengaan van klimaatverandering en het vergroten van de weerbaarheid van de bevolking tegen onafwendbare klimaatverandering.

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)

De opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betreft onder meer de implementatie van de herziene Europese richtlijn energieprestatie gebouwen EPBD (Energy Performance of Buildings Directive) (waaronder het energielabel voor woonconsumenten), de implementatie van het SER-akkoord voor het onderdeel «gebouwde omgeving», het begeleiden van expertteams op het gebied van kantorentransformatie, particulier opdrachtgeverschap en de uitvoering van het programma bevolkingsdaling.

Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM)

Het opdrachtenpakket is gebundeld rondom vier hoofddoelen van IenM: klimaat en energie, circulaire economie, water en mobiliteit. Het werkpakket bestaat uit opdrachten die gerelateerd zijn aan de Groene Groei brief, het programma Van Afval naar Grondstof, de Klimaatagenda en het Nationaal Energie Akkoord.

Omzet derden

Bedragen x € 1.000
 

2015

stand slotwet

2016

stand 1e suppletoire begroting)

2017

2018

2019

2020

2021

EU

4.991

3.234

3.234

3.234

3.234

3.234

3.234

Leges dierenregistraties

5.319

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

6.000

Leges Overige regelingen AGRO

5.436

2.900

2.900

2.900

2.900

2.900

2.900

Leges Mest

0

600

600

600

600

600

600

Vergunningen

0

423

423

423

423

423

423

Provincies

24.590

27.000

12.100

12.100

12.100

12.100

12.100

Overig

3.334

2.112

2.112

2.112

2.112

2.112

2.112

Totaal

43.670

42.269

27.369

27.369

27.369

27.369

27.369

De omzet derden heeft betrekking op opdrachten voor de Europese Unie, een bijdrage van derden in de uitvoeringskosten die in opdracht van het moederdepartement plaatsvinden (het betreft bijvoorbeeld heffingen en retributies), de provincies en overige opdrachtgevers. De begroting 2017 en daaropvolgende jaren bevat voor de opdracht voor de provincies nog niet de omzet voor de uitvoering van het Plattelandsontwikkelingsprogramma 3.

Rentebaten

Gelet op de huidige en verwachte rentepercentages voor deposito’s blijven de rentebaten beperkt tot € 10.000.

Toelichting op de lasten

Personele kosten

Door het lagere opdrachtenpakket in 2017 ten opzichte van de begroting 2016 dalen de personele kosten met € 16 mln. Er is minder personele capaciteit nodig, waardoor RVO.nl minder tijdelijk personeel inhuurt voor het uitvoeren van de opdrachten en de ambtelijke bezetting daalt met circa 2% in 2017.

Materiële kosten

De totale materiële kosten zijn voor 2017 geraamd op € 184,6 mln. Dit is een daling van € 15 mln.

De materiële kosten zijn onder te verdelen in directe en indirecte materiële kosten.

De daling vindt plaats binnen de directe materiele kosten en houden verband met de krimp in de opdrachten.

Directe materiële kosten zijn kosten die direct verband houden met de uitvoering van opdrachten. Hiertoe behoren onder andere kosten ten behoeve van de exploitatie van de Netherlands Business Support Offices, de buitenkantoren van de Foreign Investment Agency (NFIA) en Technisch Wetenschappelijke Attaché (TWA) en kosten voor de uit te voeren regelingen. In 2017 worden de directe materiële kosten op € 84,2 mln geraamd.

Indirecte materiële kosten zijn kosten die niet direct verband houden met een opdracht. In 2017 worden de indirecte materiële kosten geraamd op € 100,4 mln. Deze kosten bestaan voornamelijk uit kosten voor producten en diensten van DICTU (€ 71,9 mln) en het Rijksvastgoedbedrijf voor de huisvestingskosten (€ 21 mln). De totale bijdrage aan deze SSO’s bedraagt € 92,9 mln voor 2017.

Rentelasten

Het bedrag aan opgenomen rentelasten betreft rente op de leningen bij het Ministerie van Financiën. Verwachting is dat er eind 2017 een hogere aanspraak wordt gedaan op de leenfaciliteit om investeringen in vernieuwing van de ICT te realiseren, derhalve stijgen de rentelasten in 2018 en verder.

Kasstroomoverzicht over het jaar 2017

Bedragen x € 1.000
   

2015 stand slotwet

2016

stand 1e suppletoire begroting

2017

2018

2019

2020

2021

1.

Rekening courant RHB 1 januari

(incl. deposito)

96.537

48.306

47.946

48.907

49.159

47.424

43.719

                 
 

+/+ Totaal ontvangsten operat. kasstroom

– 11.182

26.037

27.661

27.025

27.025

27.025

27.025

 

– /- Totaal uitgaven operationele kasstroom

– 36.725

– 23.000

– 23.000

– 23.000