Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vergaderjaar 2017-2018

Nr. 45

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 juni 2018

Met deze brief ontvangt u de uitkomsten van het onderzoek naar een ijkpunt voor de bestaanszekerheid (sociaal minimum) voor Caribisch Nederland. Het onderzoek is aan beide Kamers der Staten-Generaal toegezegd en is als bijlage bijgevoegd1.

In het regeerakkoord is aangegeven dat Nederland voor de inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een bijzondere verantwoordelijkheid heeft. Prioriteit hierbij is om het economisch perspectief op de eilanden te verbeteren, onder meer door versterking van de sociale en fysieke infrastructuur en het terugdringen van armoede. Het kabinet is bereid extra te investeren onder de voorwaarde van goed bestuur en financieel beheer, zo is in het regeerakkoord opgenomen.

In het rapport van de evaluatiecommissie onder leiding van mw. Spies is in 2015 al benoemd dat bij inwoners van Caribisch Nederland een «gemengd beeld» bestaat over de ontwikkeling van de levensstandaard sinds de transitie in 2010 (bijlage bij Kamerstuk 34 300 IV, nr. 23). De commissie Spies heeft destijds geconstateerd dat in het onderwijs op deze eilanden aanzienlijke verbeteringen hebben plaatsgevonden en dat alle inwoners toegang hebben tot gezondheidszorg. De afgelopen jaren hebben daarnaast initiatieven op het gebied van economische ontwikkeling, veiligheid, armoedebestrijding, kinderrechten en bestuurlijke ontwikkeling een impuls gegeven aan de eilanden. Desondanks is een aanzienlijke inspanning nodig om de levensomstandigheden in Caribisch Nederland verder te verbeteren. Dit blijkt ook uit het onderzoek van Regioplan.

Het kabinet is doordrongen van de urgentie van de problematiek en wil dan ook gezamenlijk met de openbare lichamen stappen zetten. Daarom informeren wij u over de maatregelen die de komende jaren worden genomen om de levensomstandigheden in Caribisch Nederland verder te verbeteren en het economisch potentieel te versterken. Het gaat om maatregelen gericht op het verhogen van het inkomen, het terugdringen van de kosten van levensonderhoud, aangevuld met het versterken van het economisch potentieel, gericht armoedebeleid en flankerend beleid. In deze brief komt ook de stand van zaken van de sociaaleconomische agenda aan de orde.

Het kabinet zet een eerste, betekenisvolle stap om armoede aan te pakken en investeert daarmee ook in vertrouwen. Goed bestuur vanuit de openbare lichamen is daarbij een randvoorwaarde om echt succes te boeken, zoals ook in het regeerakkoord aangegeven. Het kabinet wil met deze reactie op het onderzoeksrapport het belang van gezamenlijkheid benadrukken. Rijksoverheid, inwoners, bedrijven en instanties van Bonaire, Sint Eustatius en Saba kunnen alleen bij samen optrekken effectief de armoedeproblematiek aanpakken. Bij armoedebestrijding moeten we de handen ineenslaan: de taak van het Rijk en de taak van de eilanden kan niet los van elkaar worden gezien. Samen bepalen we het effect. Het Rijk legt het fundament, de openbare lichamen moeten met regelgeving, goed bestuur en adequaat financieel beheer zorgen voor een solide bouwwerk. In een bestuursakkoord wil het kabinet hierover afspraken maken. Daarbij geldt het adagium «more for more, less for less».

Het niveau van het wettelijk minimumloon en de uitkeringen ten opzichte van de kosten van levensonderhoud in Caribisch Nederland is al enige tijd onderwerp van discussie. Bij gelegenheid van de voorafgaand aan de staatkundige transitie gemaakte bestuurlijke afspraken is een discrepantie erkend2. Objectieve gegevens over hoe de inkomens van inwoners van Caribisch Nederland zich tot de kosten van levensonderhoud verhouden, ontbraken. In de per brief van 12 juni 20153 toegezonden meerjarenprogramma’s Caribisch Nederland werd het doordenken van een ijkpunt voor de bestaanszekerheid aangekondigd.
In 2016 is als eerste stap kinderbijslag in Caribisch Nederland ingevoerd en het wettelijk minimumloon en uitkeringen zijn eiland-afhankelijk de afgelopen jaren verhoogd, naast de reguliere inflatiecorrectie4. In reactie op de verhoging van het basisbedrag in de onderstand heeft de Tweede Kamer het kabinet verzocht om de per 1 maart 2017 doorgevoerde verhoging van de onderstand geen sociaal minimum te noemen en het sociaal minimum vast te stellen op basis van de kosten van levensonderhoud.5 Het vorige kabinet heeft daarop besloten tot een onafhankelijk onderzoek naar de kosten voor levensonderhoud, om zo op basis van objectiveerbare gegevens tot een sociaal minimum te kunnen komen. Hierbij is wel aangetekend dat het vast te stellen sociaal minimum niet onmiddellijk het niveau zal zijn waaraan het wettelijk minimumloon en de uitkeringen worden gerelateerd. Een aldus vast te stellen sociaal minimum fungeert als een stip op de horizon en referentiepunt voor gerichte maatregelen.6

Opzet van het onderzoek

Bureau Regioplan heeft het onderzoek uitgevoerd en de uitkomsten ervan beschreven in bijgevoegd rapport «Onderzoek naar een ijkpunt voor het Sociaal minimum in Caribisch Nederland». Het vorige kabinet heeft de Tweede Kamer bij brief van 13 juni 2017 en 13 september 20177 geïnformeerd over respectievelijk de opzet en de start van het onderzoek. Het doel van het onderzoek was om op basis van een pakket van noodzakelijke kosten (o.a. voor huur, elektriciteit, kleding, boodschappen) tot een ijkpunt voor bestaanszekerheid voor Caribisch Nederland te komen. Naast het in kaart brengen van de noodzakelijke kosten, was een belangrijk doel om inzicht te krijgen in hoe de inkomens zich verhouden tot deze kosten en welke maatregelen burgers nemen om rond te komen. Deze doelstellingen hebben geleid tot de volgende hoofdvragen:
  • 1.  Wat is het sociaal minimum op Bonaire, Sint Eustatius en Saba?
  • 2.  Hoe verhouden de inkomens op de drie eilanden zich tot het vast te stellen sociaal minimum?

Voor het sociaal minimum heeft Regioplan per eiland voor verschillende huishoudenssamenstellingen (alleenstaand, paar/gehuwd, huishoudens met kinderen etc.) een pakket samengesteld waarin de belangrijkste uitgavenposten zijn opgenomen die noodzakelijk en onvermijdbaar zijn. Per eiland zijn voor alle noodzakelijke uitgavenposten de maandelijks gemiddeld benodigde bedragen bepaald. De samenstelling van het pakket en bedragen voor de uitgaven zijn gebaseerd op interviews en een enquête onder inwoners van de drie eilanden met een laag inkomen, raadpleging van expertgroepen, interviews met experts en eigen observaties ter plekke.

Voor het in kaart brengen van de verhouding van de inkomens op de drie eilanden tot het vast te stellen sociaal minimum, heeft Regioplan gebruik gemaakt van inkomensstatistieken van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Aan de hand hiervan is een beeld geschetst van de aantallen huishoudens die onder, op, of net boven het gemiddelde benodigde inkomen uitkomen.

De opzet van het onderzoek, invulling van de onderzoeksactiviteiten en de onderzoeksresultaten zijn tot stand gekomen in samenspraak met een klankbordgroep met daarin vertegenwoordigers van de drie Openbaar Lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de Ministeries van SZW en BZK.

Samenvatting uitkomst onderzoek

Regioplan heeft zoals gezegd onderzocht wat de minimaal noodzakelijke kosten van levensonderhoud zijn in Caribisch Nederland. Regioplan heeft zich hierbij gericht op Caribisch Nederlanders met een laag inkomen (lager dan of rond het wettelijk minimumloon). Omdat de geobserveerde uitgaven sterk variëren, hanteert Regioplan voor de verschillende typen huishoudens een bandbreedte.

De ondergrens van de bandbreedte is voor alle typen huishoudens vastgesteld op 75 procent van het maandelijks gemiddeld benodigde budget. Zodoende wordt rekening worden gehouden met de specifieke situatie van het huishouden en de daarbij behorende maandelijkse uitgaven. De bandbreedte is bepaald door de spreiding van de uitgaven per huishoudtype en het wel of niet voorkomen van bepaalde uitgaven. In de gehanteerde spreidingsmaat komen deze twee elementen tot uitdrukking. Omdat het onderzoek erop was gericht om de minimaal noodzakelijke kosten van levensonderhoud in kaart te brengen is er geen bovengrens bepaald.

Het uiteenlopen van de maandelijkse uitgaven heeft verschillende oorzaken. Zo is er een groot verschil tussen de woonlasten voor bewoners van een sociale huurwoning en die van mensen die op de private markt huren. Daarnaast hebben niet-werkenden lagere vervoerskosten en geen uitgaven aan kinderopvang. Budgetten aan de ondergrens bieden beperkte ruimte voor uitgaven aan sociale participatie en kinderopvang. Regioplan gaat bij de budgetten uit van mensen die zoveel als mogelijk zelfstandig kunnen wonen. Tabel I in de bijlage van deze brief biedt inzicht in de uitkomsten van het rapport van Regioplan.

Het onderzoek geeft daarnaast een beeld van het aantal huishoudens dat moeilijk rond kan komen. Ongeveer een derde van de huishoudens in Caribisch Nederland waarvan het inkomen bij het CBS is geregistreerd, heeft een besteedbaar inkomen dat op of onder de door Regioplan bepaalde ondergrens ligt. Informele inkomsten worden door het CBS niet meegenomen, maar komen wel vaak voor. Uit interviews met Caribisch Nederlanders met een laag inkomen bleek dat het merendeel (65 procent) bijverdiensten heeft naast het reguliere werk. Door Regioplan waargenomen strategieën om op uitgaven te besparen zijn onder meer bij elkaar inwonen, uitstellen van betalen van rekeningen, en besparen op (gezonde) voeding. Een meerderheid van de respondenten geeft aan soms wel en soms niet rond te kunnen komen van het totale huishoudinkomen.

Het onderzoek laat zien dat een aanzienlijk deel van de mensen in Caribisch Nederland moeite heeft om rond te komen. Dit betreft een omvangrijke deel van de huishoudens met een laag inkomen. Daarbij is het evident dat daarbinnen kwetsbare groepen als alleenstaande gepensioneerden, volledig en duurzaam arbeidsongeschikten en (alleenstaande) ouders met kinderen, nog eens extra risico lopen.

Beleidsinzet

De duidelijke conclusies uit het onderzoek nopen tot concrete actie. Het kabinet zet in op een gelijkwaardig voorzieningenniveau dat past binnen de specifieke context van Caribisch Nederland. De uitkomst van het onderzoek van Regioplan laat zich niet direct één op één vertalen in een sociaal minimum waar uitkeringen en het wettelijk minimumloon aan zijn gerelateerd, maar fungeert als een stip op de horizon waar langs concrete stappen naar toe moet worden gewerkt. De stip op de horizon is een referentiepunt dat bijgesteld kan worden als bepaalde kosten in de toekomst hoger of lager worden.

Het kabinet en de openbare lichamen zijn samen aan zet om de waargenomen kloof tussen inkomens/uitkeringen en de noodzakelijke kosten van levensonderhoud op korte termijn betekenisvol te verkleinen en deze op lange termijn te dichten. Alleen door inzet op zowel de inkomens- als de kostenkant is het mogelijk om op duurzame wijze de kloof te verkleinen. Om aan de genoemde ambitie te kunnen voldoen, stelt het kabinet een driesporenaanpak voor. Ten eerste wordt ingezet op een verhoging van inkomens en uitkeringen gericht op de groepen waar de problematiek het grootste is. Ten tweede wordt ingezet op verlaging van de kosten van levensonderhoud, met de nadruk op wonen, nutsvoorzieningen en levensmiddelen. Het werken aan de economie en arbeidsmarkt van de eilanden speelt daarbij als derde spoor overkoepelend een belangrijke rol. Belangrijke uitgangspunten zijn dat werken moet blijven lonen en dat de maatregelen passen bij de lokale context en kleine schaal van de eilanden. Daarbij is fasering noodzakelijk, zowel vanwege arbeidsmarkteffecten als de verandercapaciteit in de uitvoering.

Met het pakket aan maatregelen zet het kabinet betekenisvolle stappen. Ook de openbare lichamen spelen vanuit hun verantwoordelijkheid voor onder meer het armoedebeleid een belangrijke rol om te komen tot concrete maatregelen. Ook werkgevers en werknemers kunnen binnen hun verantwoordelijkheid stappen zetten. Dit geldt in het bijzonder voor Bonaire, waar in tegenstelling tot Sint Eustatius en Saba de loonontwikkeling – en daarmee ook noodgedwongen de uitkeringen – achterblijven.

1. Inkomenskant

Wettelijk minimumloon en uitkeringen

Het regeerakkoord voorziet in lastenverlichting in Europees Nederland. Gelijkwaardigheid impliceert dat ook de inwoners van Caribisch Nederland profiteren van deze lastenverlichting. De mogelijkheid in Caribisch Nederland te komen tot een verlaging van werkgeverslasten – en daarmee tevens een stijging van het wettelijk minimumloon (WML) en de uitkeringen mogelijk te maken – zal bij de augustusbesluitvorming in het kabinet worden betrokken.

Verlagen van de werkgeverspremies maakt het mogelijk om het WML, anders dan via de reguliere bijstelling op basis van de prijsontwikkeling, extra te verhogen. In geval van verhoging van het WML kunnen ook de AOV-, AWW- en onderstandsuitkeringen evenredig worden verhoogd.

De onderstand is bedoeld om mensen te ondersteunen die (tijdelijk) niet in hun onderhoud kunnen voorzien. Een verhoging van de onderstand moet daarom altijd afgewogen worden in een breed afwegingskader. Hogere uitkeringen hebben een negatief effect op het arbeidsaanbod. Een verdere verhoging van de onderstand bovenop de verhoging van het basisbedrag in 2017 moet worden afgewogen ten opzichte van het belang dat werken loont en dat geen sprake is van een armoedeval. Ook vindt het kabinet het van belang dat mensen er echt op vooruit gaan als ze van de onderstand uitstromen naar werk.

Het basisbedrag van de onderstand bedraagt op dit moment $ 329 per maand op Bonaire, $ 420 per maand op Sint Eustatius en $ 392 per maand op Saba. Dit is het bedrag dat een inwonende ontvangt. Gezien de hoogte van het basisbedrag ten opzichte van de huidige kosten voor levensonderhoud voor een extra volwassene binnen het huishouden, acht het kabinet in samenhang met de recente verhoging van het basisbedrag van de onderstand in 2017 een verdergaande verhoging van het basisbedrag niet noodzakelijk.

Tegelijkertijd constateert het kabinet dat de onderstand voor mensen die zelfstandig wonen is achtergebleven. Met het oog hierop verhoogt het kabinet de onderstand waardoor mensen in de onderstand die zelfstandig wonen vanaf 1 januari 2019 uitkomen op minimaal 55 procent van het WML. Hierbij zet het kabinet tegelijk in op het verbeteren van de poortwachtersfunctie en het versterken van de handhaving van arbeidsverplichtingen. Ook wordt de mogelijkheid om een tegenprestatie in te voeren verkend. Daarnaast zet het kabinet in op het verlagen van de kosten voor levensonderhoud. In 2020 wordt mede op basis van de volumeontwikkelingen bezien of een verdere verhoging van onder meer de onderstand wenselijk is. Zowel de ontwikkelingen aan de inkomens- als aan de kostenkant worden hierbij betrokken.

Kinderbijslag

Gezien de hoogte van de kinderbijslag in verhouding tot de kosten van kinderen zoals gerapporteerd in het onderzoek van Regioplan, acht het kabinet een verhoging van de kinderbijslag wenselijk. Daarom wordt de kinderbijslag op Caribisch Nederland per 1 januari 2019 met 50 procent verhoogd naar circa $ 60 per maand (het definitieve bedrag wordt mede aan de hand van de ontwikkeling van het consumentenprijsindexcijfer bepaald). Het betreft extra financiële inzet bovenop de in het Regeerakkoord opgenomen intensivering op de kindregelingen in Europees Nederland, waarvan een naar rato deel wordt ingezet voor Caribisch Nederland. In 2020 komt daar – eveneens op grond van het Regeerakkoord – circa $ 2,50 per maand bij. Hiermee wordt invulling gegeven het verzoek van het lid Özütok (GroenLinks) van 12 juni 20188 om een brief over de intensivering van het kabinet op de kinderregelingen in Europees Nederland in relatie tot Caribisch Nederland.

Inkomenspositie alleenstaande AOV-gerechtigden

In Caribisch Nederland is er de Wet algemene ouderdomsverzekering (AOV) BES als oudedagvoorziening. Vanuit bestuur en samenleving in Caribisch Nederland is meermaals aandacht gevraagd voor de inkomenspositie van alleenstaande AOV-gerechtigden. Het rapport van Regioplan bevestigt die noodzaak. De uitkering voor alleenstaande AOV-gerechtigden zonder aanvullend pensioen bedraagt in 2018 per maand $ 593 op Bonaire, $ 759 op Sint Eustatius en $ 707 op Saba9.

Om de inkomenspositie van alleenstaande AOV-gerechtigden te verbeteren, wordt voor hen een toeslag geïntroduceerd. De reden voor het introduceren van een toeslag is dat een generieke verhoging van het niveau van de AOV ook ten goede zou komen aan paren. Dat komt omdat de AOV geïndividualiseerd is. Gezien de AOV voor paren ten opzichte van de huidige kosten voor levensonderhoud voor paren, acht het kabinet voor paren een verdergaande verhoging niet noodzakelijk. Voor alleenstaande AOV-gerechtigden wordt een toeslag bovenop het AOV-basisbedrag geïntroduceerd. Het betreft een betekenisvolle stap waardoor een alleenstaande AOV-gerechtigde uitkomt op het WML. Gezien de huidige bekendheid met een toeslagensystematiek in de onderstand, krijgt de toeslag voor alleenstaande AOV-gerechtigden vorm binnen de onderstand. Hierbij wordt rekening gehouden met andere inkomsten.

Een toeslag voor alleenstaande AOV-gerechtigden vergt een wijziging in regelgeving. Ook heeft het gevolgen voor de uitvoering en handhaving. Het streven is dat de wijziging indien mogelijk op 1 januari 2020 in werking treedt.

Ziekte en arbeidsongeschiktheid

Vanuit bestuur en samenleving in Caribisch Nederland is meermaals aandacht gevraagd voor de inkomenspositie van duurzaam en volledig arbeidsongeschikten. Het rapport van Regioplan bevestigt die noodzaak in die zin, dat de uitkering van deze groep te laag is om van rond te komen en deze personen geen mogelijkheden hebben om bij te verdienen. Het kabinet verhoogt daarom per 1 januari 2020 de toeslag in de onderstand voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten op Bonaire, Sint Eustatius en Saba waardoor een volledig en duurzaam arbeidsongeschikte in de onderstand die zelfstandig woont uitkomt op het WML. Omdat zowel bij pensioengerechtigden als voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten deelname aan het arbeidsproces niet aan de orde is, sluit de onderstanduitkering voor een duurzaam en volledig arbeidsongeschikte daarmee, net als nu het geval is, aan bij de hoogte van de uitkering die alleenstaande AOV-gerechtigden ontvangen.

Een andere bijzondere aandachtsgroep zijn de zieke werknemers, waarvoor de Wet ziekteverzekering (ZV) BES thans in een tot twee jaar gemaximeerde loondervingsuitkering voorziet. Het samenstel van mogelijke maatregelen gericht op het verbeteren van de inkomenswaarborgfunctie van deze wet vergt nadere verkenning, die mede is ingegeven door de wens om de prikkelwerking (om ziekteverzuim te voorkomen) te verbeteren en re-integratie van de zieke werknemer te bevorderen.

Reikwijdte bijzondere onderstand

Bijzondere onderstand is een instrument om maatwerk te leveren op het punt van het vergoeden van noodzakelijke kosten van bestaan die mensen zelf niet kunnen voldoen. De toepassing van de bijzondere onderstand is op dit moment beperkt tot mensen met een inkomen tot aan het WML-niveau. De inkomensgrens voor de bijzondere onderstand wordt per 1 januari 2019 verhoogd naar 120 procent WML, zodat door meer mensen een beroep kan worden gedaan op de bijzondere onderstand. De inkomensgrens kan bijgesteld worden als bepaalde kosten in de toekomst hoger of lager worden of als bevindingen in de uitvoering daartoe aanleiding geven. In 2020 vindt hiertoe een heroverwegingsmoment plaats, daarbij wordt ook de armoedeval betrokken.

Modernisering sociale zekerheidsstelsel

De socialezekerheidswetgeving in Caribisch Nederland, die goeddeels een omzetting is van de oude landsverordeningen van de Nederlandse Antillen, is op onderdelen aan modernisering toe. Het kabinet beoogt te komen tot toekomstbestendige socialezekerheidswetgeving in Caribisch Nederland, die voorziet in een evenwichtig stelsel van aanspraken, rechten, plichten en inkomenswaarborgen, dat zowel is afgestemd op de specifieke situatie in Caribisch Nederland als op hedendaagse inzichten betreffende sociale zekerheid.

De beoogde modernisering is zowel technisch (zoals met het oog op het verbeteren van de uitvoerbaarheid) als inhoudelijk van aard en betreft het brede spectrum van de sociale zekerheid. De eerdergenoemde beoogde maatregelen in de ZV BES zijn daar onderdeel van. Ook wordt het verlofstelsel tegen het licht gehouden om de positie van werkenden te verbeteren. Bij de AOV BES zal in elk geval de «duurtetoeslag» (voor AOV-gerechtigden op Sint Eustatius en Saba in verband met het prijsverschil ten opzichte van Bonaire), de partnertoeslag, de pensioengerechtigde leeftijd en de overlijdensuitkering worden bezien. Bij de uitwerking hiervan wordt de consultatieprocedure overeenkomstig de Wet openbare lichamen BES gevolgd.

Flankerend beleid: Schuldhulpverlening

Huishoudens met een risico op armoede hebben vaker te maken met betalingsachterstanden. Betrouwbare statistieken over de aanwezigheid van schulden onder Caribisch Nederlanders ontbreken, vooral ook door leningen in het informele circuit (o.a. bij familie/vrienden, buurtsupermarkten of andere winkels), maar experts vermoeden dat onder de armere huishoudens een groot aandeel met schulden kampt. Zo geeft bijna 40 procent van de door Regioplan geënquêteerde huishoudens aan schulden te maken om de eindjes aan elkaar te knopen. Een van de vaak benoemde strategieën om rond te komen is het aangaan van schulden.

In principe zijn burgers zelf verantwoordelijk voor het nakomen van hun financiële verplichtingen. Als mensen om wat voor redenen dan ook, toch problematische schulden krijgen dan is het belangrijk dat zij goed geholpen worden. Schuldhulpverlening is een eilandelijke taak. Daarom wil het kabinet met de openbare lichamen in het kader van de sociale economische agenda afspraken maken over praktische stappen die op korte termijn gezet kunnen worden op het gebied van schuldhulpverlening met aandacht voor preventie zoals financiële educatie en budgetbeheer. Gezamenlijk worden deze maatregelen uitgewerkt.

2. Kostenkant

Sociale woningbouw

Uit het onderzoek van Regioplan is gebleken dat met name de huurlasten met een gemiddelde van $ 550 – 600 voor veel huishoudens een grote opgave blijken. Daarbij wordt opgemerkt dat de feitelijke maandelijkse woonlasten op Bonaire, Sint Eustatius en Saba sterk uiteenlopen, waarbij de woonlasten voor huurders van een sociale huurwoning vele malen lager uitvallen dan de woonlasten voor huurders die noodgedwongen zijn aangewezen op de private huursector. Om de woonlasten zoveel mogelijk te kunnen beperken tot een aanvaardbaar niveau dient op elk van de eilanden toegang te bestaan tot voldoende en kwalitatief goede sociale woningbouw.

Op Bonaire staan momenteel 488 sociale huurwoningen die eigendom zijn van, en verhuurd worden door, de Fundashon Cas Bonairiano (FCB). Met subsidie van het Ministerie van BZK zijn sinds 2011 reeds 76 nieuwe sociale huurwoningen op Bonaire gebouwd, alsmede 25 koopwoningen in hetzelfde segment. De grote en dringende maatschappelijke behoefte aan additionele sociale woningbouw vraagt echter om een meer structurele oplossing, waarbij de bouw, het beheer en de exploitatie van 500 nieuw te bouwen sociale woningen geborgd is voor de komende jaren. Om daaraan te voldoen, is het noodzakelijk om tot een totaalplan te komen waar alle betrokken partijen zich aan kunnen committeren. Dit vergt tevens dat taken, rollen en verantwoordelijkheden helder belegd zijn en dat duidelijke afspraken over de financiering, uitvoering en fasering worden vastgelegd. Deze afspraken zullen samen met concretisering van de in het Regeerakkoord gestelde voorwaarden van goed bestuur en financieel beheer onderdeel worden van het te sluiten bestuursakkoord met Bonaire. Inmiddels is gebleken dat FCB in staat is om zelf een eerste tranche van 76 woningen te bouwen. De voorbereidingsfase van de bouw van deze nieuwe tranche woningen stond gepland voor juni 2018 en is al begonnen. Zoals toegezegd tijdens het verzamel algemeen overleg Koninkrijkrelaties d.d. 17 mei jl. (Kamerstuk 34 775 IV, nr. 43) zal de Staatssecretaris van BZK de Tweede Kamer voor het zomerreces nader berichten over de voortgang van de gesprekken omtrent de nieuwbouw van de overige 424 sociale huurwoningen op Bonaire.

Op Sint Eustatius staan momenteel circa 100 sociale huurwoningen, waarvan er 80 eigendom zijn van het openbaar lichaam. Het dagelijks beheer en onderhoud wordt uitgevoerd door de Statia Housing Foundation (SHF) die ook de andere 20 woningen in eigendom heeft. De voortgang op het terrein van sociale huisvesting lag sinds eind 2014 stil als gevolg van wanbestuur door het openbaar lichaam en ernstig verstoorde verhoudingen tussen het bestuurscollege en relevante partners in Europees Nederland. Inmiddels wordt met de komst van de regeringscommissaris getracht hernieuwde invulling te geven aan het sociaal woningmarktbeleid. Het openbaar lichaam is hierover momenteel in gesprek met een Europees Nederlandse corporatie ten behoeve van ondersteuning bij de uitdagingen op het terrein van volkshuisvesting. Beide partijen werken momenteel de voorwaarden uit op basis waarvan die samenwerking verder kan worden vormgegeven. Onderhoud, renovatie en nieuwbouw ten behoeve van de beschikbaarheid van voldoende sociale huisvesting maken onderdeel uit van deze gesprekken.

Op Saba staan momenteel ongeveer 50 sociale huurwoningen. Ongeveer 30 woningen zijn in eigendom van de Own Your Own Home Foundation (OYOHF) en 20 woningen zijn in bezit van Nederlandse woningcorporatie Woonlinie. Momenteel werkt Woonlinie aan de bouw van een additionele 20 sociale huurwoningen op Saba. De Woonvisie Saba CN 2016–2020 toont dat met de realisatie van deze 20 te bouwen woningen door Woonlinie ook op langere termijn zal worden voorzien in voldoende sociale woningbouw op het eiland.

Verlaging woonlasten

De huurlasten bij (sociale) huisvesting zijn voor sommige huishoudens nog steeds te hoog. In Nederland kennen we in dit geval het systeem van huurtoeslag. De huurtoeslag is echter niet van toepassing op Caribisch Nederland. De openbare lichamen stellen daarentegen een verhuurderssubsidie ter beschikking aan de sociale woonstichtingen. Dit betreft een vorm van begrotingssteun, welke de sociale verhuurder thans in staat stelt om een inkomensafhankelijke (lagere) huur te rekenen aan zijn huurder. Aangezien woningmarktbeleid een eilandelijke taak betreft, kunnen de openbare lichamen hier ook zelf beleid op voeren. Het huidige stelsel voorziet echter niet in een vorm van huurcompensatie voor mensen die noodgedwongen aangewezen zijn op de particuliere huursector. Wel beschikken de openbare lichamen op grond van de Wet Maatregelen Huurwoningmarkt Caribisch Nederland over de mogelijkheid tot invoering van een (vereenvoudigd) huurpuntenstelsel, waarbij woningwaardering plaatsvindt op basis van de kwaliteit in plaats van de oorspronkelijke bouwkosten. Hiermee ontstaat ook een vorm van huurbescherming. De exacte invulling van het huurpuntenstelsel dient te worden vastgesteld bij eilandsverordening door de eilandsraad. Tot op heden heeft geen van de openbare lichamen – ondanks intensieve ondersteuning door het Ministerie van BZK – de noodzakelijke verordeningen door de eilandsraad laten vaststellen. De inwerkingtreding van de wet is daarom in overleg met de openbare lichamen uitgesteld. Dit neemt niet weg dat de openbare lichamen wel de mogelijkheden in handen hebben om zelf uitvoering te geven aan een sociaal woningmarktbeleid.

Gelet op de duidelijk aanwezige tekortkomingen in het huidige stelsel van de verhuurdersubsidie, bekijkt de Minister van BZK alternatieve mogelijkheden voor huurcompensatie in Caribisch Nederland. Gedacht kan worden aan een vereenvoudigde vorm van huursubsidie, dan wel een andere vorm van tegemoetkoming in de huurlasten, zodat ook huurders in de particuliere sector met een laag inkomen in aanmerking kunnen komen voor een vorm van huurcompensatie. Daarbij wordt gekeken naar verschillende alternatieven, waaronder een inkomensafhankelijke toelage of een vaste huurbijdrage. De Minister van BZK zal uw Kamer verder informeren zodra duidelijk is wat de (praktische) mogelijkheden precies zijn om hier invulling en uitvoering aan te geven.

Energie, water en telecom

Op de eilanden zijn energie, water en telecom altijd kwetsbare voorzieningen omdat de kosten relatief hoog zijn, en tegelijk de afhankelijkheid groot. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) stelt zich ten doel om een betrouwbare, duurzame en betaalbare energievoorziening voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba te bewerkstelligen. Daartoe is de Wet elektriciteit en drinkwater BES ingevoerd die de markt reguleert, verantwoordelijkheden legt waar ze moeten zijn, en een transparante prijsvorming regelt. Tevens steunt EZK investeringen in zonne-energie op de Bovenwindse eilanden, mede om de brandstofafhankelijkheid te verkleinen en de prijs van elektriciteit te verlagen. Door de tariefsystematiek die per 1 april 2018 is ingevoerd op grond van de Wet elektriciteit en drinkwater BES (met name het vaste gebruikstarief) is de totale energierekening voor verbruikers met een zeer klein verbruik die een contract op basis van nabetaling hebben, omhoog gegaan. Om de netwerkkosten ook in 2018 vergelijkbaar met die in Europees Nederland te maken heeft EZK op 14 maart 2018 een subsidie verstrekt aan Water- en Energiebedrijf WEB. Veel huishoudens hebben overigens voor een contract met betaling vooraf (pre paid, pagabon) gekozen. Bij een dergelijk contract is er géén vast gebruikstarief waardoor de nieuwe tariefsystematiek weinig gevolgen heeft. Huishoudens die weinig elektriciteit gebruiken en er door de nieuwe systematiek op achteruit gaan, kunnen overwegen over te stappen op een dergelijk contract met betaling vooraf. Tevens bereidt EZK een wetswijziging voor een tariefsystematiek die beter aansluit bij de wensen van Bonaire, voor. Het is hierbij ook van belang dat de openbare lichamen hun verantwoordelijkheid nemen, bijvoorbeeld door het vaststellen van bovengenoemde eilandsraadverordeningen.

Een goede drinkwatervoorziening is van groot belang voor de volksgezondheid, het welzijn en de welvaart van Caribisch Nederland. Voorzieningen voor eerste levensbehoeften moeten voor iedereen toegankelijk zijn. Door de geringe bevolkingsomvang, het ontbreken van grote zoetwatervoorraden, het insulaire karakter en de vergeleken met Europees Nederland hoge kosten van de voorziening en lage inkomens is volledige dekking van de kosten van de drinkwatervoorziening op Caribisch Nederland niet haalbaar gebleken. Sinds de inwerkingtreding van de Wet elektriciteit en drinkwater BES (1 juli 2016) is er sprake van een onvoorziene, sterke stijging van de drinkwatertarieven in Caribisch Nederland. Deze sterke prijsstijging zet de toegankelijkheid van de drinkwatervoorziening onder druk, met name voor de kleinverbruikers. Om dit te voorkomen stelt de Minister van Infrastructuur en Waterstaat subsidie beschikbaar om de toegankelijkheid van de drinkwaterwatervoorziening voor de eerste levensbehoeften van de bevolking in Caribisch Nederland zo goed mogelijk te borgen. Voor de toegankelijkheid van de drinkwatervoorziening op de lange termijn wordt een wetswijziging van de Wet elektriciteit en drinkwater voorbereid.

Op het gebied van telecom is de inzet van EZK het verbeteren van de dienstverlening en het verlagen van het kostenniveau. Op dit moment wordt gewerkt aan een herziening van de telecomwet- en regelgeving. Uitgangspunt is een kaderwet waarbij in lagere regelgeving onderdelen verder kunnen worden uitgewerkt (bijvoorbeeld aangaande het kostenniveau of de dekking en capaciteit van netwerken).

Kosten van levensmiddelen

In de kabinetsreactie op het onderzoek naar prijzen van levensmiddelen in Caribisch Nederland van 21 september 2017 is geconcludeerd dat het grootste deel van de prijs van levensbehoeften wordt bepaald door de inkoopwaarde (Kamerstuk 31 568, nr. 193). Een snelle substantiële permanente verlaging van de prijs voor levensmiddelen lijkt dan ook niet haalbaar. Hoewel men realistisch dient te zijn over de mate waarin de maatregelen een impact hebben op de uiteindelijke consumentenprijs, betekent het niet dat er geen mogelijkheden zijn om de hoge prijzen terug te dringen. In de kabinetsreactie zijn diverse vervolgacties aangekondigd die de rijksoverheid en de bestuurscolleges zullen oppakken. Naar aanleiding van dit rapport is bestuurlijk nog weinig actie ondernomen door het openbaar lichaam Bonaire. In het kader van de sociaaleconomische agenda wil het kabinet hier opnieuw afspraken over maken. Openbaar vervoer is hier onderdeel van.

Landbouw

Bijna alle dagelijkse voedingsproducten in Caribisch Nederland worden ingevoerd van elders, hetgeen hoge importkosten met zich brengt. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wil de eilanden helpen de landbouw- en tuinbouwsector te versterken en de handel in agrarische producten te vergemakkelijken. Hierdoor kunnen de eilanden op termijn weer meer zelfvoorzienend worden. Door eigen productie van onder meer groenten en fruit kunnen de extra kosten van import voorkomen worden. Het kan ook bijdragen aan het verbeteren van de gezondheid van de bevolking en de ontwikkeling van werkgelegenheid. De eerste stappen zijn gezet door het opstarten van een (school)kassenproject op Bonaire. Het voornemen bestaat om eenzelfde project op de andere eilanden te realiseren. Jongeren leren zo zelf groenten en fruit te verbouwen. Zo worden de eerste stappen naar een gezonder voedingspatroon gezet en kan obesitas worden teruggedrongen. Daarnaast is op Bonaire in het kader van het Plattelandsontwikkelingsprogramma een handboek opgesteld waarin kennis over de wijze waarop groenten en fruit kunnen worden geteeld wordt overgedragen. Het kabinet heeft de indruk dat het bestuurscollege van Bonaire meer kan doen om van deze projecten een duurzaam succes te maken en om de eerder aangegeven ambities waar te maken. Dit zal dan ook onderdeel zijn van het nog te sluiten bestuursakkoord met het bestuurscollege van Bonaire. Met de eilandbesturen wordt daarnaast overleg gevoerd over de wijze waarop kennisoverdracht en het opstarten van landbouwbedrijven kan worden gefaciliteerd.

Kinderopvang, jeugd en naschoolse opvang

Kinderopvang is ondersteunend aan de ontwikkeling van het kind en draagt tegelijkertijd bij aan een veilige opvang van kinderen waardoor ouders zonder zorgen in staat zijn om te gaan werken. Ook biedt de opvang van kinderen mogelijkheden om de aansluiting met het onderwijs goed te laten verlopen.

De kosten voor goede kinderopvang zijn hoog en vormen een drempel voor ouders om daarvan gebruik te maken. De verantwoordelijkheid voor de kinderopvang en het jeugdbeleid ligt op dit moment bij de openbare lichamen. Financiering van de kinderopvang vindt nu plaats uit de vrije uitkering en de integrale middelen. Daarnaast draagt SZW incidenteel bij. VWS subsidieert instellingen voor naschoolse opvang en activiteiten.

In tegenstelling tot in Europees Nederland draagt de rijksoverheid niet bij via een algemeen geldende voorziening aan de kosten van de kinderopvang van ouders. Eerder heeft SZW toegezegd op basis van beleids- en implementatieplannen van de eilanden structurele financiering van de kinderopvang te overwegen. Voorwaarde is dat de kwaliteit van de kinderopvang van voldoende niveau is. De afgelopen jaren hebben de openbare lichamen plannen uitgewerkt en is een eerste stap gezet om de kinderopvang naar een kwalitatief hoger niveau te brengen.

Het kabinet stelt extra middelen beschikbaar voor een kwaliteitsimpuls in Caribisch Nederland. De openbare lichamen zullen samen met SZW, OCW en VWS een concrete integrale aanpak uitwerken. Belangrijk onderdeel daarvan is een regeling om de financiële toegankelijkheid van de kinderopvang te verbeteren en daarmee de kosten voor de kinderopvang voor ouders te verlagen.

Kansen voor alle kinderen

Zoals u weet is van de 100 miljoen euro die het kabinet in 2016 structureel beschikbaar heeft gesteld voor kinderen die opgroeien in armoede, 1 miljoen euro bestemd voor kinderen in Caribisch Nederland. Dit geld is net als in Europees Nederland bestemd voor concrete voorzieningen in natura, zodat deze kinderen mee kunnen doen op het gebied van cultuur, sport, school en sociaal. De middelen komen via de subsidieregeling Kansen voor alle kinderen 2017 direct in natura bij de kinderen in armoede terecht. Dat betreft kinderen van ouders met een laag inkomen en kinderen uit gezinnen met een laag besteedbaar inkomen, bijvoorbeeld door schulden. Vanaf 1 mei tot en met 15 mei 2018 hebben maatschappelijke organisaties in Caribisch Nederland hun plannen voor het tweede tijdvak van de regeling ingediend, bijvoorbeeld voor het beschikbaar maken van gezond eten, zwemles of een muziekinstrument voor kinderen waarvan de ouders dat niet zelf kunnen betalen. Via deze projecten van maatschappelijke organisaties zal het geld rechtstreeks en op korte termijn terecht komen bij kinderen die opgroeien in armoede. De subsidieregeling wordt in de tweede helft van 2018 tussentijds geëvalueerd. Hierbij wordt bezien hoe die regeling zich verhoudt tot de bestaande infrastructuur op het gebied van armoedebestrijding. Naar aanleiding van de evaluatie wordt vastgesteld of, en zo ja op welke wijze, de subsidieregeling vanaf 2019 wordt aangepast. De evaluatie komt tot stand in samenspraak met de openbare lichamen.

3. Werken aan economie en arbeidsmarkt

Werk draagt bij aan de economische en financiële zelfredzaamheid van mensen. Dit vergt stimulering van economie en ondernemerschap en het optimaliseren van de werking van de arbeidsmarkt. Verbeteren van de arbeidstoeleiding en arbeidsbemiddeling is daarom een belangrijk doel. Uitgangspunt van het beleid is om de kansen op werk voor lokale arbeidskrachten te maximaliseren. Om dit voor elkaar te kunnen krijgen wordt voor de lange termijn ingezet op het bevorderen van ondernemerschap en economische investeringen, zodat er meer werkgelegenheid ontstaat.

Versterken ondernemerschap en toeristische sector

Stimulering van ondernemerschap is een eilandelijke taak. Het kabinet wil helpen met het creëren van goede randvoorwaarden voor economische ontwikkeling. Toerisme is en blijft de leidende economische sector op de meeste eilanden. We willen zorgen dat ondernemers gemakkelijker, en goed voorbereid een bedrijf kunnen starten, bijvoorbeeld met hulp van de Kamer van Koophandel («cursus ondernemingsplan») en de regelingen voor microkredieten (BMKB, Qredits). De toerismesector op alle drie de eilanden wordt door EZK gesteund met het maken van nieuwe strategisch plannen. Hierin worden de eilanden als «duurzaam toerisme» bestemming gepositioneerd. Hierdoor kan Caribisch Nederland zich (nu al) positief onderscheiden ten opzichte van andere bestemmingen in de regio. De beleving van de unieke (onderwater) natuur staat hierbij centraal alsmede het actief betrekken van de lokale bevolking bij toerismeontwikkeling, geschoeid op lokale tradities en specialiteiten zodat deze economisch (meer) kunnen profiteren van de toerismeontwikkeling en groei. Op basis van de strategische plannen kan een gerichter marketingbeleid worden gevoerd om zo (met name op de bovenwinden na de orkanen van 2017) de toeristische sector zich verder (duurzaam) te laten ontwikkelen en herstellen.

Natuur in stand houden en duurzaam benutten gekoppeld aan toerisme en landbouwpotentieel

Caribisch Nederland kent een zeer rijke biodiversiteit waaronder honderden soorten die wereldwijd alleen op de eilanden van Caribisch Nederland voorkomen, en enkele ecosystemen die wereldwijd bedreigd zijn. Tegelijkertijd is de economie van de eilanden voor een groot deel afhankelijk van de natuur, met name van het koraal, vanwege het duiktoerisme. Het natuurbeleidsplan Caribisch Nederland besteedt veel aandacht aan de samenhang tussen natuur en landbouw, en natuur en toerisme en aan het visserijbeleid in relatie tot behoud van biodiversiteit. Daarnaast is voorzien in het beheer van de Sababank en de rest van de exclusieve economische zone waarvoor het Rijk verantwoordelijk is, en wordt gewerkt aan het nakomen van verplichtingen op grond van de internationale verdragen die betrekking hebben op de regio.

Arbeidsbemiddeling en aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt

Het kabinet ziet in het rapport van Regioplan de aanmoediging om samen met de openbare lichamen meer mensen vanuit een uitkering aan werk te helpen en zo een perspectief te bieden op een stabiel en hoger inkomen. Dat mensen kunnen terugvallen op de onderstand als het even tegenzit is het idee achter een sociaal vangnet, maar het kabinet wil ook dat het vangnet van de onderstand zo veel mogelijk terugveert naar werk. Daarnaast vindt het kabinet het belangrijk om in te zetten op het versterken van het economisch potentieel en doorstroom van werknemers naar beter betaalde banen.

Het kabinet ondersteunt daarom de openbare lichamen bij de uitvoering van de eilandelijke taak arbeidsbemiddeling. Hiertoe vindt een twinning plaats met de gemeente Leiden, zodat de openbare lichamen verder geëquipeerd worden om mensen aan het werk te helpen en te houden. De inzet op arbeidsbemiddeling wordt de komende jaren voortgezet.

Tewerkstellingsvergunningen

Aan de aanbodkant van de arbeidsmarkt spelen tewerkstellingsvergunningen een rol. Tewerkstellingsvergunningen moeten worden aangevraagd door de werkgever. Hierbij moet een werkgever inspanningen verrichten om een arbeidsplaats te vervullen met lokale arbeidskrachten die beschikbaar zijn (de zogenaamde eilandtoets). Uit de evaluatie van de Wet toelating en uitzetting BES10 is gebleken dat onder de huidige omstandigheden vraag en aanbod op de arbeidsmarkt slecht in beeld zijn en er lokaal niet of nauwelijks geschikt personeel beschikbaar is voor de openstaande vacatures. In zeer weinig gevallen is het effect van de eilandtoets dat er alsnog een lokale arbeidskracht wordt gevonden voor een vacature. Artikel 5 lid 7 van de Wet arbeid en vreemdelingen BES (Wav BES) biedt de mogelijkheid om van de eilandtoets af te zien, indien het vanwege het specifieke karakter van de werkzaamheden op voorhand duidelijk is dat voor de desbetreffende arbeidsplaats geen arbeidskrachten beschikbaar zijn op de lokale arbeidsmarkt. Voor Saba is dit artikel in die zin toegepast dat in plaats van een meldingstermijn van vijf weken een termijn van twee weken wordt gehanteerd voor bepaalde functies. Zolang vraag en aanbod op de lokale arbeidsmarkt van Caribisch Nederland nog slecht in beeld zijn, het aanbod beperkt is en er nog te weinig concrete en aantoonbaar effectieve arbeidsbemiddeling plaatsvindt, biedt het betreffende artikel ook mogelijkheden ten aanzien van andere functies (ook op Bonaire en Sint Eustatius) waarvoor het lokaal aanbod schaars is.

De RCN-unit SZW is als verantwoordelijke voor het verstrekken van tewerkstellingsvergunningen gevraagd om binnen het huidige beleidskader invulling te geven aan maatwerk in de uitvoering als het gaat om de zogenaamde eilandtoets, zodat aanvragen sneller kunnen worden afgehandeld en vacatures sneller kunnen worden vervuld.

Verbetering arbeidsomstandigheden

Gezond en veilig werken is van belang om uitval te voorkomen. Dit vergt onder andere preventieve maatregelen. De huidige wet- en regelgeving op het gebied van de arbeidsomstandigheden in Caribisch Nederland verdient aanpassing. Sommige onderwerpen, zoals regelgeving voor het veilig verwijderen van asbest zijn nog niet of te beperkt opgenomen in de huidige wet- en regelgeving. Daarnaast heeft de Inspectie beperkte handhavingsmogelijkheden doordat bijvoorbeeld een systeem van bestuurlijke boetes ontbreekt.

De mogelijkheden voor aanpassing van de wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden op de eilanden zijn recent onderzocht. Dit onderzoek is te vinden op de website van kennisplatform Werk en Inkomen11. Daarnaast heeft de SZW-Inspectie in Caribisch Nederland gevraagd om de wet- en regelgeving zo spoedig mogelijk aan te passen op in ieder geval de onderdelen asbest, fysieke belasting en duikarbeid. Het voornemen is om de wijziging van de wet- en regelgeving in drie fasen door te voeren waarbij rekening wordt gehouden met de lokale context en de regels in de praktijk uitvoerbaar zijn. Fase 1 betreft een aanpassing van het arbeidsveiligheidsbesluit BES op de onderdelen asbest, fysieke belasting en duikarbeid op basis van het eerdergenoemde onderzoek. De openbare lichamen en belanghebbende partijen worden uiteraard hierover geconsulteerd. Invoering van dit onderdeel kan per 1 juli 2019. Fase 2 betreft modernisering van de wetgeving. Verwachte invoeringsdatum is 1 januari 2021. De laatste en derde fase betreft modernisering van het besluit. Met name op dit onderdeel is het belangrijk om aan te sluiten bij de lokale situatie en werkwijze.

Sociaaleconomische agenda

Met deze kabinetsreactie is niet alles gezegd in relatie tot bestaanszekerheid. Mijn ambtsvoorganger heeft een sociaaleconomische agenda aangekondigd12. De sociaaleconomische agenda vloeit voort uit ambtelijke werkconferenties rond het thema «bestaanszekerheid» die eind 2016 en begin 2017 zijn gehouden. In samenspraak met de partijen op de eilanden wordt de agenda uitgewerkt en vervolgens uitgevoerd.

Vertrekpunt voor de sociaaleconomische agenda is steeds geweest dat alleen een integrale benadering van de problematiek voor sociaaleconomische ontwikkeling kan zorgen. Uitgangspunt is ook dat de agenda niet voor elk eiland gelijk hoeft te zijn. De sociaaleconomische agenda is daarom overkoepelend voor een aantal gerichte maatregelen op het terrein van meerdere departementen, waarbij vanuit een gezamenlijk met de openbare lichamen vastgestelde visie, een agenda voor de komende periode wordt bepaald, met concreet te behalen resultaten. De onderhavige kabinetsreactie is hierbij een gegeven. Nu deze er ligt, kan het proces van de sociaaleconomische agenda na het zomerreces worden herstart. Concrete afspraken met de openbare lichamen en het concretiseren van de voorwaarden voor extra investeringen vanuit de rijksoverheid zijn hier onderdeel van. Ook de openbare lichamen zullen vanuit hun verantwoordelijkheid moeten bijdragen in het bijzonder aan verlaging van de kosten van levensonderhoud en het versterken van het economisch potentieel.

Daarnaast is het wenselijk dat er op elk van de eilanden een bij de kleine schaal en lokale context passende vaste sociaaleconomische dialoog is, om afspraken te maken over lokale thema’s van sociaaleconomische aard en te werken aan goede arbeidsverhoudingen. Het Rijk ondersteunt lokale partners desgewenst bij het opzetten hiervan.

Uitvoering en taakverdeling

In het kader van de in voorbereiding zijnde sociaaleconomische agenda is ook het versterken van de samenwerking tussen Rijk en openbare lichamen bij de taakuitvoering nadrukkelijk geagendeerd. Met het vanuit één loket gezamenlijk uitvoeren van werkzaamheden, om zo de burger beter te kunnen bedienen, is op beperkte schaal al ervaring opgedaan. Deze ervaringen kunnen worden benut om gezamenlijke uitvoering waar mogelijk verder uit te bouwen. Waar een andere taakverdeling de effectiviteit kan bevorderen, kan de taakverdeling worden herzien. BZK zal zich blijven inzetten op het versterken van de capaciteit van de openbare lichamen en het maken van afspraken met openbare lichamen om tot genoemde bestuursakkoorden te komen.

Het kabinet wijst er verder op dat in het Regeerakkoord in extra middelen is voorzien voor taken van de openbare lichamen, onder meer voor investeringen in infrastructuur en voor instandhoudingsbudgetten (5 miljoen euro structureel). Hierbij geldt nadrukkelijk dat het kabinet deze investeringen zoals in het Regeerakkoord is aangegeven slechts doet onder de voorwaarden dat goed bestuur en financiële verantwoording op een afdoende niveau is geborgd. Hierbij is het principe «more for more, less for less» leidend.

Slotbeschouwing

Het onderzoek heeft meer inzicht geboden in de verhouding van het wettelijk minimumloon en de uitkeringen ten opzichte van de kosten van levensonderhoud in Caribisch Nederland. De uitkomsten laten zien dat een aanzienlijk deel van de huishoudens met een laag inkomen moeite heeft om rond te komen. Daarom gaat het kabinet samen met de openbare lichamen aan de slag met maatregelen om de levensomstandigheden in Caribisch Nederland verder te verbeteren.

  • –  We verhogen de onderstand waardoor mensen in de onderstand die zelfstandig wonen per 1 januari 2019 uitkomen op minimaal 55 procent van het WML.
  • –  We verhogen de kinderbijslag met 50 procent per 1 januari 2019.
  • –  We introduceren een toeslag voor alleenstaande AOV-gerechtigden indien mogelijk per 1 januari 2020.
  • –  We verhogen de toeslag in de onderstand voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten indien mogelijk per 1 januari 2020.
  • –  We trekken de inkomensgrens voor de bijzondere onderstand tijdelijk op naar 120 procent van het wettelijk minimumloon.
  • –  We helpen met het verbeteren van de kwaliteit en toegankelijkheid van kinderopvang.
  • –  We geven de sociale woningbouw op de eilanden een impuls door het introduceren van een vorm van huursubsidie.
  • –  We stellen subsidie beschikbaar om de toegankelijkheid van de drinkwaterwatervoorziening te borgen. Ook ten aanzien van de elektriciteitsvoorziening wordt een wetswijziging voorbereid.
  • –  We herzien de telecomwet- en regelgeving om de dienstverlening te verbeteren en het kostenniveau te verlagen.
  • –  We zetten in op het versterken van ondernemerschap en de toeristische sector.
  • –  We ondersteunen de openbare lichamen bij het versterken van de arbeidsbemiddeling.

Het verlagen van de werkgeverslasten om daarmee ook het wettelijk minimumloon en de uitkeringen te kunnen verhogen, wordt zoals eerder genoemd, betrokken bij de augustusbesluitvorming.

Door het pakket aan maatregelen pakt het kabinet over de volle breedte het verbeteren van bestaanszekerheid van inwoners van Caribisch Nederland aan. Daarbij is het uitgangspunt dat de maatregelen van het kabinet in samenhang met de inspanningen van de openbare lichamen worden genomen. Deze synergie levert het maximale resultaat op voor de inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Het is van belang om het verbeteren van de situatie in Caribisch Nederland permanent op het netvlies te houden. In 2020 zal daarom worden bezien hoe bovengenoemde maatregelen en de inzet van de openbare lichamen hebben bijgedragen aan het betekenisvol verkleinen van de waargenomen kloof tussen inkomens/uitkeringen en de noodzakelijke kosten van levensonderhoud en of de stip op de horizon als referentiepunt bijgesteld kan worden richting het dichten van de voornoemde kloof.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
T. van Ark

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
R.W. Knops

Noot 1: Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

Noot 2: Besluitenlijst bestuurlijk overleg d.d. 18 april 2010

Noot 3: Kamerstuk 34 000 IV, nr. 44

Noot 4: Bonaire 0,9%; Sint Eustatius 19%; Saba ruim 18% (in de periode 2014 – 2018)

Noot 5: Kamerstuk 34 550 IV, nr. 9 en Kamerstukken 34 550 IV en 34 550 XV, nr. 27

Noot 6: Zie brief van 13 juni 2017, Kamerstuk 34 550 IV, nr. 39

Noot 7: Kamerstuk 34 550 IV, nr. 44

Noot 8: Handelingen II 2017/18, nr. 92, Regeling van werkzaamheden

Noot 9: De AOV wordt dertien keer per jaar uitbetaald, het bedrag van de dertiende maand is niet verdisconteerd in de genoemde bedragen.

Noot 10: Pro facto: Evaluatie van de Wet toelating en uitzetting BE

Noot 11: https://www.kennisplatformwerkeninkomen.nl/documenten/rapporten/2018/06/18/wet-en-regelgeving-arbeidsomstandigheden-in-caribisch-nederland

Noot 12: Kamerstukken 34 550 IV en 34 550 XV, nr. 27 en Kamerstuk 34 550 IV, nr. 39.